100 jaar theologie

n.a.v. M.E. Brinkman (red.), 100 jaar theologie. Aspecten van een eeuw theologie in de Gereformeerde Kerken in Nederland (1892-1992), Kampen 1992

Geschiedenis van theologie en spiritualiteit in de Gereformeerde Kerken (J. Veenhof)
– De theologische hoogleraren aan beide opleidingen hebben in het kerkelijk leven een opvallend grote rol gespeeld; zij waren vaak de opiniemakers.
– Wat opvalt is de sterke invloed van de Heidelbergse Catechismus. De structuur en inhoud hiervan met zijn drie ‘stukken’ (ellende, verlossing en dankbaarheid) waren diep ingedrongen in de gereformeerde ziel.
– Daarnaast is evident de doorwerking van de vroomheid der Psalmen. Lange tijd had het berijmde oudtestamentische psalter vrijwel een monopoliepositie in liturgie en kerkzang. Typerend is het theocentrische gezichtspunt. Gereformeerde vroomheid was altijd anders getoonzet dan de ‘Jesus-frömmigkeit’ van het piëtisme.
– Wat in de kerkdienst niet mocht, werd wel gedaan in de huiskamers. Graag zong men daar bij het harmonium de liederen van Moody en Sankey en later van Johannes de Heer. Op die manier kon men een stukje emotionaliteit beleven, dat in de soms nogal leerstellige preken ontbrak.
– Heel markant in dit levenspatroon is de heiliging van de zondag.
– Karakteristiek is, dat men het hele huiselijke leven met de geest van het geloof wilde doordringen. Bij de drie dagelijkse maaltijden werd steeds uit de Bijbel voorgelezen en gebeden.
– Beide bloedgroepen hadden binnen de GKN hun eigen geestesmerk. Iemand als L. Lindeboom oefende vrij stevige kritiek op Kuypers theologie uit. De kritiek had betrekking op bepaalde speculatieve momenten in het denken van Kuyper en betrof vooral de manier, waarop hij sprak over verbond, wedergeboorte en doop in hun onderlinge samenhang. Daarbij speelt steeds mee de sterke geneigdheid van Kuyper om al deze zaken vanuit het perspectief van Gods eeuwige raad en predestinatie te beschouwen.
– Hoe kwam het tot de theorie van de veronderstelde wedergeboorte? Gomarus onderscheidde tussen uit- en inwendig verbond, waarbij het uitwendig verbond alle gedoopten omvat, terwijl tot het inwendig verbond alleen de uitverkorenen behoren. Maccovius verdedigde de mening dat de wedergeboorte als de instorting van een nieuw levensbeginsel principieel en zakelijk aan het geloof voorafgaat. Zij is een werking van de Geest, die zonder het – uiterlijke – Woord tot stand komt, en wel alleen bij de uitverkorenen. Het behoeft geen betoog, dat hier een groot gevaar opdoemde, namelijk dat de volkskerk werd opgesplitst in een ecclesiola (kerkje) van de ware vromen en de brede rand om die kern heen. Mannen als Voetius en Witsius zonnen op middelen om de kerk voor zo’n desintegratie te behoeden: de theorie van de veronderstelde wedergeboorte. Deze theorie beoogde een burg te slaan tussen het inwendige en uitwendige verbond.
– De achterliggende gedachte in deze theorie is, dat het heil van het verbond, dat door Woord en sacrament betuigd en bemiddeld wordt, in feite alleen bestemd is voor de ware gelovigen. Daardoor werd de borende, verontrustende vraag opgeroepen, hoe leden van de kerk er zeker van kunnen worden, dat zij echt tot die ware gelovigen behoren. De weg die hun gewezen werd, was de weg van de kenmerken. Hier bespeuren we weer een tendens tot een bepaald soort verinnerlijking. De praktijk wees uit dat het niet tot de verhoopte zekerheid voerde.
– Niemand van de afgescheidenen leerde de veronderstelde wedergeboorte. Wel rees ook daar de vraag: voor wie is de prediking eigenlijk bestemd? De Drentse richting zei dat de belofte van genade alleen bestemd is voor de uitverkorenen. De Gelderse richting van A. Brummelkamp verdedigde het algemeen aanbod van genade aan alleen, die het evangelie horen, verbonden met de oproep tot geloof en bekering. Hendrik de Cock sloot zich aan bij de Reformatie. Verbond en verkiezing vallen volgens hem niet samen; de gehele gemeente en alle gedoopten zijn in dat verbond opgenomen. Helenius de Cock zorgde ervoor dat de ruime verbondsopvatting binnen de afgescheiden kerken steeds meer veld won. In de kerken der Doleantie lag het anders. Evenals Maccovius leerde Kuyper een ‘onmiddellijke wedergeboorte’. De wedergeboorte zelf komt buiten het Woord om tot stand. Het woord van de prediking dient alleen om de reeds door de Geest gewerkte wedergeboorte tot bewustheid en openbaring te brengen. Kuyper was van mening dat het verbond der genade ten diepste alleen de uitverkorenen omvat.
– De afgescheidenen waren zich van de verschillen goed bewust. Toch oordeelden zij in grote meerderheid, dat deze verschillen geen kerkscheidende betekenis mochten hebben. Kuyper wist met zijn bewegelijke geest ook allerlei nuanceringen aan te brengen. De latere christelijk-gereformeerden vonden dat de leer van de veronderstelde wedergeboorte niet mocht worden geduld in de kerk.
– Het blijft een intrigerend feit, dat temidden van alle discussies toch in 1892 en de eerste jaren daarna in de theologie een verregaande consensus en harmonie aan het rijpen was. In deze periode werkten de beide leidende theologen Kuyper en Bavinck heel nauw samen in het streven om de historische theologie weer nieuw leven in te blazen. Kuyper kwam met zijn Encyclopaedie en Bavinck me zijn Dogmatiek. In beide werken ligt het program van het neocalvinisme voor ons. Enkele hoofdpunten: (a) Het program stond in het teken van vernieuwing, mede met hulp van elementen uit het nieuwere theologische en filosofische denken. De vernieuwing was verbonden met afweer: tegen niet alleen de modernen, maar ook de ethischen. (b) Vernieuwing en afweer manifesteren zich in de intensieve reflectie over de inspiratie en het gezag van de Schrift. (c) Een fundamenteel motief is de brede uitwerking van de idee van de algemene genade. Kuyper was het strijdbare, Bavinck het bezinnende type. Beide typen zijn authentiek gereformeerd en hebben elkaar nodig.
– Er waren nogal wat klachten over de predikers, die zich door de kuyperiaanse gedachten lieten leiden. Men klaagt, ‘dat het bij de tegenwoordige bediening des Woords haast schijnt, alsof er geen onwedergeborenen in de kerk meer zijn en alsof iemand toch nog voor wedergeboren moet gehouden worden, al leeft hij jaren lang in onbekeerden toestand voort. (…) Er wordt niet onderscheidenlijk meer gepredikt’. Deze klachten komen volstrekt niet alleen ‘uit de oude A-kringen’, maar evenzeer uit de kerken van de Doleantie. Sommige leerlingen van Kuyper spitsten de opvattingen van hun leermeester nog extra scherp aan. Zijn eigen zoon A. Kuyper jr. promoveerde op Maccovius, ‘die den machtigen stoot gegeven heeft, waardoor we van de meer eenvoudige, bijbelsche Theologie tot de wetenschappelijke scholastieke Theologie in ons Vaderland gekomen zijn’. Dezelfde jonge Kuyper poneerde de stelling dat Paulus reeds als Godslasteraar wedergeboren was.
– Op de synode van Utrecht in 1905 sprak H.H. Kuyper uit dat het in de bewuste geschillen niet gaat om een wezenlijk punt van onze belijdenis. Het verschil van inzicht, dat aan de leergeschillen ten grondslag ligt, vindt zijn oorzaak immers in de beperktheid van ons menselijk kenvermogen.
– Opmerkelijk is het te zien, dat de synode de legitimiteit van het kuyperiaanse gevoelen verdedigt, zich van de toegespitste presentaties ervan voorzichtig distantieert en daarbij in positieve zin verwijst naar gezichtspunten die de mensen van A na aan het hart lagen, zoals de noodzaak van een ontdekkende prediking, die oproept tot geloof en bekering. Het geheel van de besluitvorming van 1905 (pacificatie) getuigt van de wil van alle betrokkenen eenzijdigheden te vermijden en met elkaar samen op weg te gaan. Het is veelzeggend, dat de besluiten tenslotte eenstemmig konden worden genomen.
– De pacificatie van 1905 heeft enkele decennia zegenrijk gewerkt. Er bleven vragen onopgelost, die later in een andere context opnieuw zouden opvlammen. Maar voorlopig was er op dit veld vrede en rust.
– De Kampense hoogleraren J. Ridderbos en S. Greijdanus en de Amsterdamse hoogleraren C. van Gelderen, F.W. Grosheide en G.Ch. Aalders, plus A. Noordtzij, gereformeerd maar hoogleraar in Utrecht vormden de auteurs van de bekende serie Korte Verklaring der Heilige Schrift. Dit werk had via intensief gebruik onder andere in verenigingen een grote invloed.
– Achter de schermen heeft zich een spannende confrontatie voorgedaan met Van Gelderen, naar aanleiding van diens opmerkingen over de oergeschiedenis (Gen. 1-11). Deputaten achtten het onaanvaardbaar dat Van Gelderen rekening hield met de mogelijkheid van een ander dan de strikt historische interpretatie van de oergeschiedenis. Van Gelderens toezegging om over de omstreden kwesties op college te zwijgen maakte een einde aan de affaire. Deze, van tevoren volstrekt onbekende confrontatie, is pas veel later uit de archieven opgedolven. Van Gelderen werd wel een vraagbaak voor predikanten die door hun Schriftbeschouwing in moeilijkheden geraakten. Er was sprake van een toenemend streven van toonaangevende personen binnen de GKN om hun kerken een eigen identiteit te geven. Dit moest onder andere tot uiting komen in de Schriftbeschouwing: er was geen plaats voor denkbeelden zoals die bij ethische theologen.
– Buskes zegt dat de zondag bij hem thuis een feest was. ‘Vader, die door de week hard moest werken voor zijn gezin, had op zondag de tijd voor ons’. De Utrechtse hoogleraar H.Th. Obbink schreef eens over Bavinck, toen die hem vroeg of hij nog wel eens preekte: ‘Ik gaf een bevestigend antwoord. Waarop hij: Ja ik zou het ook wel graag doen, maar ik mág nooit op zondag reizen; jullie mogen dat wel, jullie staan niet zoo onder “broederlijke” kontrole. Ik zei: Maar ik zou me als ik u was, daar niet teveel aan storen, waarop Bavinck weer: Dan ken je de broederlijke zin dier broeders nog niet. Toen letterlijk: “Ik zie er geen kwaad in op zondag voor een preekbeurt te reizen, maar als ik het doe dan erger ik de broeders zóó, dat ik maar niet meer preek in de verte, omdat ik dan altijd van zaterdagavonds tot maandagsmorgens bezet ben”’.
– De oordelen van de ‘broeders’, waar Bavinck niet van terug had, was de keerzijde van iets goeds. De gereformeerde kerken hebben er altijd om bekend gestaan, dat zij hun leden tot mondigheid wilden brengen. De kerkleden moesten oordelen en meebeslissen. Een wezenlijke voorwaarde daartoe en hulp daarbij waren de verenigingen.
– De bezwaren tegen de opzet van de jongelingsverenigingen zijn vaak uiteengezet. Men kan moeilijk ontkennen, dat een te grote verstandelijkheid, een overdosis gereformeerde zelfingenomenheid soms hun sporen hebben achtergelaten.
– In het tweede decennium van de eeuw kwam de vraag naar de identiteit centraal te staan bij de zogenaamde beweging der jongeren. Deze beweging wees leerstelligheid, verstandelijkheid, zelfisolering en traditionalisme af. Daartegenover stelt zij een doorleefde geloofspraxis, openheid voor nieuwe vragen, openheid naar andere christenen, bereidheid tot modernisering van kerkdienst en kerktaal. De roep om vernieuwing werd overigens niet gedragen door een fundamenteel nieuw theologisch inzicht. Het bleef bij het aanreiken van correcties.
– Binnen het klimaat van de synode van Leeuwarden 1920 paste ook de benoeming van V. Hepp tot opvolger van Bavinck. Hij ontwikkelde een sterk scholastieke stijl van theologiseren.
– De oudtestamenticus Aalders zei het heel simpel: ‘Een slang is een slang, spreken is spreken en boomen zijn boomen’.
– Colijn zei over 1926: ‘Stel eens, dat een vreemdeling die van deze zaak tevoren nog niet had gehoord (…) [zag dat] de vraag wat het woord “klaarblijkelijk” al of niet beteekent tot kerksplitsing zou kunnen leiden, dan geloof ik toch dat zoo iemand het recht zou hebben om te vragen, of wij dan allemaal krankzinnig geworden waren’.
– In Amsterdam-Zuid waren reeds lang voor 1926 interne moeilijkheden, te herleiden tot zakelijke en persoonlijke verschillen tussen de beide predikanten: de progressieve Geelkerken tegenover de conservatieve A. van Dijken; beiden waren strijdbaar en overtuigd van eigen gelijk. ‘Het komt mij voor, dat een kerkelijke vergadering niet aan zulke persoonlijke aspecten voorbij mag gaan’.
– Het ‘Hersteld Verband’ is volgens M.E. Brinkman ‘een zoutend zout’ in de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme geweest.
– Na Assen kon er over vernieuwing naar links, naar meer openheid toe, vooreerst alleen maar gedempt gesproken worden. Nu eerst trok een andere vernieuwingsbeweging de aandacht: ditmaal een vernieuwingsbeweging ‘naar rechts’.
– Kuyper is de enige Nederlandse theoloog van de 19e eeuw, die in het buitenland algemeen bekend is. Dat Kuyper naast alle andere activiteiten ook in de theologie zoveel creativiteit en productiviteit aan de dag legde, verbaast nóg. Hij reikte de concepties aan, die een hulp konden zijn voor de emancipatie van het gereformeerde volksdeel: soevereiniteit in eigen kring, algemene genade, antithese, de kerk als instituut en organisme en de pluriformiteit van de kerk.
– Bij Bavinck valt op, hoe nadrukkelijk hij opriep tot praktische vroomheid.
– Het gevaar van confessionalisme is naar de eens door Berkouwer gegeven haarscherpe typering, dat men de belijdenis beschouwt als een uittreksel van de Schrift, dat men – zoals bij een goed uittreksel van een studieboek – hanteren kan zonder die Schrift telkens te openen, omdat men immers via dat uitreksel al weet, wat in die Schrift staan.
– Vele gemeenteleden bleven worstelen met het probleem der heilszekerheid, ook al hieven zij de vaandels van de gereformeerde en calvinistische organisaties fier in de lucht. Ook het verschijnsel van de lijdelijkheid was binnen de gereformeerde kerken bepaald niet onbekend.
– Het jaar 1920 was een keerpunt. De beide grote theologische leiders hadden hun levenstaak voltooid. H.H. Kuyper en het brede midden wilden consolidatie van hetgeen bereikt was. Er was bij velen een neiging het werk van Kuyper min of meer te canoniseren. Daartegenover wilden de jongeren vernieuwing.
– Een zwak punt in het leven van de gereformeerde kerken was de onderlinge omgang. Juist een belijdeniskerk staat bloot aan het gevaar, dat men elkaar voortdurend de maat neemt.
– ‘De kerken hebben de les geleerd dat het noodzakelijk en heilzaam is om vernieuwingsbewegingen niet te weren maar te integreren’.
– In de kerk, in de catechisatielokalen en in de huisgezinnen werd deze traditie rustig en geduldig overgedragen. Men denke niet, dat de historie van de gereformeerde kerken overwegend geschiedenis van ruzies is geweest. Men dient voortdurend in het oog te houden die gestage, effectieve stroom van vorming en onderricht, waarvan de betekenis nauwelijks kan worden overschat.
– De Wijsbegeerte der Wetsidee houdt in dat elke filosofie uitgaat van veronderstellingen van voorwetenschappelijke aard en deze komen voort uit het hart als het centrum van de menselijke existentie.
– A. Janse wees er nadrukkelijk op dat de bijbelse termini voor de ziel iets anders inhouden dan de concepties van de Griekse filosofie alsook van de door haar beïnvloede theologie (verschil tussen het Hebreeuwse en Griekse denken). In eigen kring was dit in de jaren dertig een vrijwel geheel nieuw geluid.
– Ds. S.G. de Graaf was gegrepen door het inzicht, dat God de levende God is, die met Zijn volk meeleeft en meelijdt en met dat volk omgaat in het kader van het verbond, waarin het recht Gods als het recht der genade zichtbaar wordt. Hij oefende sterke invloed uit op de studenten van de VU, vaak meer dan de hoogleraren.
– In Berkouwers overwegend apologetische instelling konden vrijwel alle gereformeerden zich vinden en derhalve stond hij in feite buiten de polarisering.
– Achter divergerende meningen lagen juist moeilijkheden in de persoonlijke verhoudingen. Voor de verdere gang der dingen is beslissend geweest de positie van Schilder en zijn eigen faculteit, in Kampen. Brieven tonen hoezeer zelfs in Kampen de interne verhoudingen bedorven waren.
– Terwijl de uitspraak van 1905 diende om extreem kuyperianisme terug te dringen, dienden dezelfde gedachten later om het tegenovergesteld gevoelen een halt toe te roepen.
– Puchinger heeft eens de vraag gesteld wie men in 1944 geschorst en afgezet heeft. Was het de dogmaticus of de kerkrechtman of de polemist? Of heeft men vooral Schilder spiritualiteit uitgeworpen, de wijze waarop hij religieus God en mens beleefde? Puchinger neigt ertoe deze laatste vraag bevestigend te beantwoorden.
– In zijn fijnzinnige studie over het heroriëntatieproces in de gereformeerde kerken uit 1964 spreekt F.G. van Teylingen (Tussentijdse balans) over de gebroken kaders. In en door de oorlog zijn de vaste kaders van kerk en theologie, op het gebied van moraal en op politiek en sociaal terrein uiteengeslagen. J. Plomp (Een kerk in beweging) past de volgende periodisering toe: 1945-1961, 1961-1977 en 1977 tot heden.
– Herman Ridderbos stelde het motief van het Koninkrijk God centraal. Uit zijn boeken kon men verfrissende stimulansen putten voor de prediking en de theologische arbeid en velen hebben dat ook gedaan. Hij treedt in een open gesprek met de vertegenwoordigers van de historische kritiek zonder zelf daarvan een representant te worden. Ridderbos bracht zijn studenten tot aan de grens van de historische kritiek, maar nog niet er over heen.
– Berkouwer schreef vanaf 1949 de reeks Dogmatische Studiën. Het zou in totaal 18 delen omvatten; het laatste deel verscheen in 1972. Reeds meteen bleek, dat bij Berkouwer de apologetische tendens had plaats gemaakt voor een andere benadering, die uitmunt door het vermogen tot luisteren en tot een gesprek over de diepste intenties van de gesprekspartners. Deze reeks is indrukwekkend om verschillende redenen: om het enorm omvangrijke materiaal dat hier bijeengebracht en deskundig verwerkt is, om de voorzichtigheid en om de verwerking van het nieuwere bijbelonderzoek. Door heel het werk heen doet zich het grondmotief gelden van de correlatie van geloof en openbaring. Berkouwer bedoelt hiermee dat de openbaring, die in het Woord Gods tot de mens komt, geen neutrale bron van informatie over God, mens en wereld is maar ‘mikt’ op het geloof van de mens. Berkouwer brengt vaak Kuyper ter sprake en aarzelt niet hem te bekritiseren. Nadrukkelijk zoekt hij aansluiting bij Bavinck. Het gezag van de Schrift is niet een formele autoriteit, maar een materieel, met heil gevuld, gezag.
– Berkouwer en Ridderbos werkten als redacteuren van het wekelijks verschijnende Gereformeerd Weekblad nauw samen. Wat Romeinen 9 betreft komt Ridderbos tot de conclusie, dat verkiezing en verwerping daar in heilshistorische zin moeten worden verstaan. Ridderbos kritiseert de uitleg van Calvijn en keert zich tegen de deterministische visie, volgens welke alles reeds van eeuwigheid besloten en vastgelegd is.
– R. Schippers, hoogleraar in de ethiek was van mening dat normativiteit kan verschuiven, want dit is gegeven met het feit dat de zede altijd door cultuurhistorische en sociale factoren bepaald wordt.
– Thijs Booy en anderen namen het initiatief voor de stichting van de Werkgemeenschap van Gereformeerde jongeren. Ze voerden pleidooi voor de persoonlijke beleving van het geloof, aandacht voor actuele vragen ook op sociaal, ethisch en cultureel terrein, een eigentijdse versie van de gereformeerde boodschap en men zag op het oecumenische pad veel minder leeuwen en beren dan de synode. Dat mannen als J.H. Bavinck, Berkouwer, Brillenburg Wurth en Waterink bereid waren de aanvankelijk nog omstreden Werkgemeenschap te begeleiden is tekenend voor hun opstelling in deze jaren. In zijn Gereformeerden, waarheen?, die Booy samen met A. Bouman schreef, bekritiseerde hij de gereformeerde cultuur als een cultuur van het mannelijk type, van het overmannelijk type. De gereformeerde cultuur is sterk intellectueel gericht en wordt geteisterd door een machtig intellectualisme, de bespiegeling wint het verre van de mystiek. Het boek werd alom in de kerkelijke pers becommentarieerd. Het lokte ook een contra-boek uit: Gereformeerden, waarom?
– De literator en literatuur-criticus C. Rijnsdorp vond dat ‘het kerkinstituut moet worden gereduceerd tot het volstrekte minimum, dat noodzakelijk is om de kerk als kerk te laten bestaan. (…) Sinds Constantijn is de kerk nu eenmaal een kerk geworden, die men bezit en niet een kerk die men is. (…) Het avoir moet weer être worden. Met vallen en opstaan moeten de christenen leren de instituutzijde van de kerk te relativeren’.
– Met het jaar 1961 begint een nieuwe fase: ‘de achttien’ dulden de verdeeldheid tussen hervormd en gereformeerd niet meer. In dat jaar bezoeken twee gereformeerde waarnemers de assemblee van de Wereldraad in New Delhi. Dit was ook het jaar van de volstrekt negatieve reactie van de vrijgemaakte kerken op het streven de scheuring ongedaan te maken. Zo kwam er een wijziging van interesse in de gereformeerde kerken; minder op het verleden gericht, zoeken ze sterker een plaats in de wereldproblematiek. Het blad Waarheid en Eenheid verbreedt zijn front. Tot dan toe was het het orgaan van hen, die bezwaar waren en bleven over de besluiten van 1944. Nu wordt het spreekbuis voor hen, die verontrust zijn over verslapping in leer en leven.
– Significatief is, dat niet meer zoals in vroeger tijd door gemeenteleden vrijwel alleen auteurs uit eigen of verwante kring werden gelezen maar dat allerlei schrijvers uit binnen- en buitenland, zoals Dietrich Bonhoeffer en Dorothee Sölle in gereformeerde kring vele geboeide lezers vonden.
– De eigenlijke inzet van de nieuwe theologie, zei Kuitert eens, klinkt door in de uitroep van de mens: ik ben er ook nog!
– Er zit in de reeks Cahiers voor de gemeente een pastorale tendens: de lezers wordt voorgehouden, dat zij geen slecht geweten behoeven te hebben, als zij de nieuwe weg opgaan.
– Essentieel voor Kuiterts conceptie is het respect voor de mens. Hij herwaardeerde de ervaring in de wijde zin van alles wat een mens in zijn leven opdoet. De openbaring sluit de ervaring in. Een veelbesproken these van hem is: alle spreken ‘van boven’ komt ‘van beneden’. Een beroep op een loodrecht van boven komende openbaring lost geen vragen op, moet wel als autoritair overkomen en betekent het einde van de communicatie.
– H. Wiersinga ontwikkelde een alternatieve verzoeningsleer. Het was gemakkelijk bepaalde elementen hiervan te verbinden met een politieke theologie of een theologie van bevrijding.
– Heel opmerkelijk is, wat de synode opmerkte over kritische vragen ten aanzien van Kuiterts opvatting over de relatie van het christelijk geloof tot de andere godsdiensten. Deze vragen horen, aldus de synode, allereerst thuis in de theologische discussies; ze konden daarom in dit stadium niet op de wijze van een bezwaarschrift aan de orde komen. Deze laatste uitspraak treft ons, omdat nu dus expliciet wordt gesteld, dat er een marge van vrijheid voor theologische bezinning gehandhaafd moet worden. Het verwondert dan ook niet, dat na de synode van 1977-1979 de opvattingen van Kuitert niet meer op het synodale agendum verschenen. De facto aanvaardde men hiermee een bepaalde mate van pluraliteit. De synodes waren zich meer en meer gaan verstaan en gedragen als wat zij in feite ook zijn: beleidsorgaan maar tegelijk weerspiegeling van de kerken in hun interne verscheidenheid. In de synode, zegt B. Rietveld (Wat is er aan de hand), zijn de kerken ernstig bezig met zichzelf.
– ‘Onze nieuwere theologen achten zichzelf wel in trouw verbonden met het belijden der kerk, maar hun uitdrukking van dit belijden is vanwege de nieuwe ervarings, cultuur- en denkmodellen, waarvan zij zich bedienen, niet meer in te passen in de kaders van de belijdenisgeschriften’, aldus een rapport van de synode. Er is maar één weg om te voorkomen dat de spanningen tot overspanning leiden en dat is erkenning en honorering van een verandering van de structuur van de kerkelijke samenleving. Tekenend is dit zinnetje: ‘Misschien geheel ten onrechte, maakt het nieuwere theologische bijbelonderzoek dan ook op velen, die geestelijk zijn gevormd bij een traditionele inspiratieleer, de indruk van aanranding van de waardigheid en kracht van het woord van God en aantasting van de eer van de Heilige Geest’.
– De divergentie verliep niet helemaal volgens dezelfde lijnen als bijvoorbeeld in de hervormde kerk. Zo is de geleidelijke openstelling van de ambten voor de vrouw – in 1970 ook het ambt van predikant – nooit een wezenlijk strijdpunt geweest.
– K. Runia werkte op rustige wijze voort in de lijn van de gereformeerde confessionaliteit en zocht verbinding met de evangelicalen.
– In kritische reacties heeft men het relationele waarheidsbegrip vaak geduid als relativistisch.
– In 1988 deed de synode een verrassende uitspraak: ze sprak haar droefheid uit over het aandeel van de eigen gereformeerde kerken in de scheur van 1944. Deze uitspraak is vooral te danken aan het initiatief van prof. Berkouwer. Voortaan zou er niet meer over 1944 gesproken kunnen worden zonder gelijktijdig 1988 te noemen. Terugziende kan men zeggen dat de gereformeerde kerken een viervoudig neen spraken: tegen Geelkerken, tegen Karl Barth, tegen de oecumene en tegen Schilder. Met het besluit van 1988 is ook het laatste van die neen’s in feite van de baan.
– G. Dekker onderscheidt drie betekenissen van de term secularisatie: vermindering van godsdienstigheid bij mensen, beperking van de reikwijdte van de godsdienst en aanpassing van de godsdienst. Het veelvuldig gebezigde woord ‘crisis’ is niet overdreven en deze crisis openbaart zich in een afkalven van de grote kerken en de vermindering van de geloofsoverdracht.
– G.Th. Rothuizen (hoogleraar ethiek te Kampen) maakte in zijn boek Een bezige bij uit 1980 de balans op. Het gereformeerde levenspatroon blijkt over de hele linie afgebrokkeld te zijn. Hij zegt zelfs: de gereformeerde zede bestaat niet meer.
– Gereformeerde mensen, die temidden van alle secularisatie zoeken naar impulsen voor hun geloof, gaan in heel verschillende richting op zoek: van charismatische conferenties tot Taizé en rooms-katholieke kloosters.
– ‘Het proces van secularisatie is ingrijpend genoeg. Toch zou het onjuist zijn zich daardoor zozeer te laten obsederen, dat men niet ziet wat er ook nu nog – of beter: nu opnieuw – met betrekking tot spiritualiteit gaande is. Temidden van de (…) Godsverduistering zijn er tekenen van hoop. Het is opvallend, hoe intensief allerlei groepen binnen en buiten direkt kerkelijk verband bezig zijn met geloofsverdieping, die zoekt naar echte, authentieke beleving’.
– ‘…onze westerse cultuur met haar eenzijdige gerichtheid op de bewuste functies van denken, willen en handelen, waardoor de andere keuzemogelijkheid, die onontbeerlijk is voor een gezond geloof, in de knel komt. Het gaat daarbij om de mogelijkheid van eerbied, vertrouwen, liefde, openheid, ontvankelijkheid’.
– ‘…een verenigde hervormd-gereformeerde kerk die hopelijk zal worden een vrije kerk van vrije mensen, want de Geest onderdrukt het menselijke niet. Een vrije kerk, die toch niet vrijblijvend is, omdat het Woord door de bezieling van de Geest ons samenbindt en inspireert’.

Schriftleer (H.M. Vroom)
– De plaats van de Bijbel in het klassieke calvinistische leven leest men af aan twee schilderijen van Rembrandt. Het eerste is het schilderij van zijn moeder die in de Schrift leest. Aandacht, eerbied, eenvoud en vertrouwdheid. Het tweede schilderij van Rembrandt dat typerend is voor de calvinistische Schriftbeschouwing toont een engel die een evangelist in het oor fluistert: de inspiratie van de bijbelschrijvers.
– De Bijbel is het principium theologiae. Het heeft een unieke werking. Een eerste kenmerk van de Schrift is de uniekheid ervan. Het doet verslag van een unieke geschiedenis van God met bepaalde mensen, en bindt mensen op unieke wijze aan God en diens bedoelingen. Het is noodzakelijk om zich in het leven naar de Schrift te richten (necessitas). Aan het einde van de 16e eeuw ontstond de mechanische inspiratieleer. De Bijbel heeft gezag (auctoritas), is genoegzaam (sufficientia), duidelijk, doorzichtig en kent geen fouten (claritas, perspicuitas, infallibilitas).
– Omdat de Schrift informatie overdraagt en voorschriften voor het leven verschaft, ontstaat in later tijden en in andere contexten dan die waarin de Bijbel is ontstaan, de noodzaak om de leer bij te stellen. Daarom moet er een theorie zijn, die waarborgt dat er ruimte voor veranderingen, aanvullingen en eigentijdse toepassingen is, dat wil zeggen: hermeneutische ruimte. Wil de Schrift werkelijk als Heilige Schrift gelezen en verstaan kunnen worden, dan moet de gelovige een manier hebben om zich teksten eigen te maken: de hermeneutische problematiek. De traditie bemiddelt tussen Schrift en context. Zij leert de gelovige de bijbelse boodschap persoonlijk te begrijpen. Deze bemiddeling vindt plaats door de ‘levende religie’: godsdienstoefeningen, catechese, pastorale gesprekken, enzovoorts. De Bijbel is steeds Bijbel-in-uitleg. Onder een interpretatieschema verstaan we het geheel van opvattingen, gewoonten en regels die de gelovigen helpen de Schrift actualiserend te lezen en toe te passen.
Plausabiliteit en intellectuele integriteit: de leer mag niet onnodig wringen met wat mensen in het algemeen in een bepaalde cultuur of context voor waar houden. Er moet een zekere herkenbaarheid zijn. Verandering, pluraliteit en consensus: de christelijke traditie is een historisch proces van verstaan van de Schriften; men kan dit ook uitdrukken door te zeggen dat de geschiedenis van de kerk de ‘Wirkungsgeschichte’ van de Schrift is. In steeds wisselende contexten maken mensen zich de boodschap ervan eigen. In de ontwikkeling van het dogma schuilt een zekere wetmatigheid in deze zin dat elk ‘antwoord’ dat men op vragen geeft, verdere vragen oproept. Men moet met elkaar tot een consensus zien te komen als er zich nieuwe vragen voordoen. Het hebben van een tamelijk duidelijk omschreven opvatting over de geloofsinhoud, moraal en politiek, houdt ook in dat men conflicten krijgt. Neemt men de andere weg (onderdelen van het leven als het ware ‘vrij geven’ en overlaten aan wat ieder er zelf van maakt) dan bevordert men ofwel de secularisatie danwel het ontstaan van subgroepen in de kerk.
– Samenvattend: het hebben van een Heilige Schrift brengt veel met zich. Noodzakelijkerwijs moet men een leer van de Heilige Schrift ontwikkelen, die de Schrift als uniek, noodzakelijk, geïnspireerd, vol gezag, genoegzaam en voldoende helder presenteert. Om dat te bereiken moet men een uitleg van de Bijbel kunnen aanbieden die mensen plausibel achten en die zij met integriteit kunnen aanvaarden. Dit interpretatieschema moet bovendien voldoende ruimte laten voor contextuele toepassingen, en de kerk moet zo georganiseerd zijn dat conflicten die noodzakelijkerwijs ontstaan, kunnen worden beslecht, zonder al teveel zaken onverschillig te verklaren. Aldus tien elementen uit de Schriftleer en hermeneutiek.
– Indien de inspiratieleer breed wordt uitgelegd (al wat geschreven staat, is gelijkelijk geïnspireerd), is er weinig ‘hermeneutische ruimte’. Alles weegt even zwaar; dus ieder moet het aanvaarden. Indien er op zeker moment meer hermeneutische ruimte moet worden gemaakt, omdat het oude ‘interpretatieschema’ op een aantal punten vanwege externe aanleidingen niet voldoet, dan moet men op tal van punten nuances aanbrengen om meer ‘hermeneutische ruimte’ te creëren: de inspiratie wordt ‘smaller’, voor bepaalde sectoren van het bestaan is de Schrift niet exclusief gezaghebbend meer.
– God moet zich noodzakelijkerwijs aan het schepsel openbaren, omdat het denkend schepsel volgens Kyper geen ander doel kan hebben dan bestaan tot eer van God. Wil de mens tot zijn vervulling komen, dan moet hij God kennen. Vanwege de afstand tussen God en mens, moet God Zich aan de mens openbaren.
– Elke catechismus, elke dogmatiek en elke confessie is volgens Kuyper een beperking: ‘Het is water uit de bron nemen en in een vat gieten’. De confessie is volgens hem ‘gemunt goud. Wij moeten de goudmijn hebben. De goudmijn is voor alle volken; het gemunt goud is alleen voor één natie. Een confessie is alleen voor een bepaalden kring’.
– Kuyper maakt hermeneutische ruimte: principieel is er veel ruimte voor verschil in opvatting. Pluriformiteit is goed, ook in de kerk. Gelovigen delen in de vrijheid van de kinderen Gods; op eigen verantwoordelijkheid mogen ze de Schriften lezen en begrijpen. De hermeneutische ruimte heeft een kostprijs. Het kan onzekerheid teweeg brengen. Op grond hiervan is het voorspelbaar dat Kuyper wegen zal moeten zoeken om de juistheid van de kerkelijke traditie veilig te stellen. We zullen zien hoe hij de tot stand koming van de Schrift en de uitleg ervan met de leiding van de Heilige Geest verbindt.
– Met de resultaten van historisch-kritisch onderzoek dat niet uitgaat van de Schrift als geïnspireerd Woord Gods maakt Kuyper korte metten: ‘De strijd, die is aangebonden om ons de Schrift als Heilige Schriftuur te ontnemen, kan geen andere strekking hebben, dan om u den Christus te doen verliezen’.
– Er zit een idee, een conceptie achter de Schriften; die conceptie is niet van mensen uitgegaan: het plan is de kiem, waaruit de wortel groeide die alle takken en blaadjes van de Bijbel voedt. Heel het plan van de plant, heel de gedaante van de Bijbel, lag besloten in dit zaad, in dit goddelijk concept.
– De Heilige Geest – de auteur van de Heilige Schrift – geeft een rechtstreeks getuigenis tot het persoonlijke ik van de lezer: het testimonium Spiritus Sancti externum. Door de verlichting des Geestes leert men begrijpen wat er staat en wat het betekent. De Schrift spreekt de mens aan.
– De erkenning van het Schriftgezag zou een conclusie zijn waartoe men vanuit de inhoud van de Bijbel komt. Maar neen, bij Kuyper loopt de lijn anders. De doorzichtigheid van de Bijbel vloeit voort uit het gezag dat God hem heeft gegeven. Absoluut gezag is immers slechts mogelijk als de Bijbel voldoende helder is. Kuyper verzet zich ertegen om mensen een grote rol toe te kennen bij de uitleg. In bepaalde kerkelijke tradities wordt de gelovige aan de clerus onderworpen, in andere wordt de gelovige als een mysticus beschouwd die zichzelf tot uitlegger mag verheffen, maar in de Reformatie ligt het anders. Wat Kuyper hier aan studenten gedicteerd heeft is onthullend, want in deze formulering komen we dan toch weer de hermeneutische ruimte tegen die ook Kuyper uiteraard moet erkennen. De Reformatie behoudt de uitlegging voor ‘aan den Heiligen Geest onder den ministerieelen dienst van de prediking des Woords en de theologische wetenschap en in de gemeenschap der heiligen aan de onderscheidene geloovigen naar hun onderscheiden behoefte, ontwikkeling en levensroeping’.
– Aldus waarborgt Kuyper dat de inviduele gelovige, die in kerkelijk verband leeft, geacht wordt zelf de Bijbel te kunnen lezen zonder dat hij aan de pastoor of de theoloog moet vragen wat er staat – een centraal motief in het gereformeerde denken. Maar tegelijk verbindt hij de doorzichtigheid van de Bijbel met het werk van de Heilige Geest, en zelfs met de prediking en de theologische wetenschap. Daarmee haalt Kuyper feitelijk de hele hermeneutische problematiek open: de perspicuitas geldt niet de letter van de Bijbel voor een willekeurige buiten-kerkelijke lezer, maar de ‘uitgelegde Bijbel’, de Bijbel-in-de-prediking, dat is de toegepaste en geactualiseerde Bijbel. Niet alles in de Bijbel is direct duidelijk; de kerk en de theologie helpen mensen met de uitleg. De belijdenis van de helderheid zegt alleen dat de Bijbel voor een bekeerde zondaar duidelijk genoeg is voor wat hij voor zijn zaligheid en ‘de gedraging zijns levens behoeft’. Niet-gelovigen kunnen veel in de Bijbel begrijpen. De Heilige Geest bedient zich van menselijke taal. Het gaat echter om de goddelijke inhoud van de Bijbel. Om die te vatten, is affiniteit nodig.
– Bij de doorzichtigheid van de Bijel blijkt het dus ineens om de Bijbel-in-de-uitleg te gaan! Daardoor rijst er een moeilijkheid die Kuyper niet kan oplossen. Het volstrekte gezag is verbonden met de inspiratie van de Bijbeltekst. De perspicuitas vloeit uit dit gezag voort; daarom kan de perspicuitas niet op iets anders betrekking hebben dan op de Bijbeltekst. Kuyper ‘smokkelt’ daar de uitleg van de Bijbel in. Daardoor ontstaat er een onoplosbaar probleem dat de gelovige enerzijds moet luisteren naar de kerk en de theologie, en anderzijds in geweten alleen aan de Bijbel is gebonden.
– Eenvormigheid is niet goed, leert de Romantiek. Verscheidenheid is mooi. Er zijn meer christelijke tradities: rooms-katholiek, orthodox, luthers, anglicaans, gereformeerd, methodistisch, enzovoorts. Wat is daarvoor de verklaring? Gods Woord komt tot de mens; de menselijke factor speelt een grote rol in het verstaan van de Bijbel. Op deze manier legitimeert Kuyper de ‘hermeneutische ruimte’.
– De Schrift laat meerdere uitleg toe. Uitleg ontstaat in de praktijk van het leven. Onvermijdelijk staat men in een traditie. Gereformeerde theologie staat zo in de calvinistische traditie. Kuyper spreekt in termen van beginselen en kiemen. Hij gaat uit van pistis, geloof. Hij spreekt zelfs van ‘tweeërlei wetenschap’, te weten van wedergeborenen en niet-wedergeborenen. Waarom staan die tegenover elkaar (de antithese)? Omdat zij van verschillende beginselen, wortels of kiemen uitgaan! Voor ons geldt de gereformeerde belijdenis als beginsel, als kiem van waaruit de plant van de gereformeerde theologie moet groeien. Zo wordt de hele gschiedenis van de uitleg sinds de afsluiting van de canon tot aan de formulering van gereformeerde belijdenisgeschriften opgenomen in de term beginsel of kiem. De belijdenis wordt de stam waaruit de takken groeien; geen takken zonder stam! In feite legitimeert Kuyper op deze manier de traditie als uitlegster van de Heilige Schrift.
– Kuyper beroept zich op het geloof in de voorzienigheid, op Gods bestel. Het is hem blijkbaar niet voldoende om zich op de plausibiliteit van de gereformeerde theologie, gemeten aan de Bijbel, te beroepen; hij gaat verder: God Zelf gaf de gereformeerde belijdenisgeschriften en heel de gereformeerde uitleg van de Bijbel voor leer en leven. De manier waarop de gereformeerden de Bijbel hebben geïnterpreteerd ontvangt zo een goddelijke legitimering.
– In Kuypers kenleer volgt alle kennis uit een beginsel, wortel of kiem. Hij combineert het scholastieke denken in termen van beginselen en principia met het organologisch spreken in termen van kiemen en wortels.
– Het ik staat tegenover God, en kan God als Heere aanvaarden of verwerpen. Indien het ik God aanvaardt en zich aan God hecht (in geloof of pistis), staat men goed in het leven; voor alle verdere kennis gaat men uit van geloof. Daartegenover staat apistia. Op deze wijze is de christelijke theologie immuun voor kritiek vanuit het andere kamp, dat der ongelovigen. De vraag naar de plausibiliteit van opvattingen speelt slechts op het terrein dergenen die hun uitgangspunt in de pistis nemen. De consequentie van dit ‘fundamentaaltheologische’ systeem is dat Kuyper gereformeerde en hervormde theologen die niet met hem instemmen ervan zal moeten beschuldigen dat zij niet consequent uitgaan van de gereformeerde beginselen, en dat zij valse compromissen aangaan met de resultaten van onwedergeboren wetenschap. Het verkeerde beginsel wreekt zich in de beoefening van de wetenschap!
– Kuyper bereikte de hermeneutische ruimte die hij nodig had door (1a) de inspiratie van de tekst van de Bijbel en (1b) de absolute gehoorzaamheid jegens het geschreven Woord van God te compenseren door (2a) een beroep op de kerkelijke traditie, geleid door de Geest en opgenomen in Gods bestel, en (2b) een beroep op de noodzaak van wedergeboorte en van de verlichting van het mensenhart door de Heilige Geest: het principium theologiae formale. Aldus bereikte hij een evenwicht in zijn hermeneutische theorie.
– Nu gaan we naar Bavinck kijken. Hij is geen biblicist en waarschuwt ervoor dat men er met een gemakkelijk Schriftberoep niet is: ‘Onder den schijn van Schriftuurlijkheid is de Bijbelsche theologie altijd verder van de Schrift afgedwaald; en met hare niet-bijbelse termen is de kerkelijke orthodoxie altijd weer in haar Schriftuurlijk karakter gerechtvaardigd’, aldus verdedigt hij het gebruik van niet aan de Bijbel ontleende termen in bijvoorbeeld de triniteitsleer.
– Bavinck erkent dat het Schriftonderzoek soms resultaten heeft opgeleverd die voor de orthodoxe theologie moeilijk te integreren zijn. Hij heeft een open oog voor de moeilijkheden en hij aarzelt hoe men ze kan oplossen. Men kan de ogen niet sluiten ‘voor de ernstige bezwaren, welke een nauwgezet Schriftonderzoek aan de feiten, die het ontdekt, ontleenen en tegen het zelfgetuigenis der Schrift inbrengen kan’. Bavinck wil eerbied verbinden met openheid.
– Bavinck vat de openbaring ruim op, ruimer dan de Schrift alleen. Men moet onderscheiden tussen de Schrift en de openbaring; de openbaring duurt namelijk voort. In de inspiratieleer moeten twee bruggen worden geslagen, één van de historische openbaring naar de Schrift, en één van de Schrift naar de theologie. De eerste brug is de inspiratie, de tweede de illuminatie. Bavinck hecht eraan helder te krijgen dat de inspiratie van de Bijbel geen theologische hypothese is, maar de leer van de Bijbel zelf. Hij fundeert de inspiratieleer op het zelfgetuigenis van de Bijbel. Aldus staat de theologie niet in tussen de Bijbel en de gelovige. Dit is een buitengewoon invloedrijk thema gebleven in de GKN.
– De volgende vraag is op welke wijze men zich de inspiratie moet denken: letterlijk of alleen in de centrale strekking van de Bijbel? Bavinck zoekt een (sympathieke) middenweg in de problematiek. Geen tittel of jota was er tevergeefs, leerde Origines. De Schrift is dan zonder enig gebrek en zonder enige dwaling. Lange tijd leert men de onfeilbaarheid van de Schrift in alle opzichten. Maar dan komt in de 16e eeuw een laksere richting boven, die de woordinspiratie verwerpt. De vraag is uiteraard waar men blijft als men aan de inspiratie gaat tornen. Bavinck zegt dat de Bijbel geen wetenschappelijk handboek is. En niet elke uitspraak is waar: Ps. 14 zegt dat er geen God is. Maar dat zegt de goddeloze. Men moet volgens Bavinck onderscheiden tussen absolute en relatieve waarheid, tussen formele en materiële dwalingen, tussen wat de schrijvers zeggen en wat zij ermee bedoelen, tussen streng-natuurkundige of geschiedkundige en in het algemeen literaire of poëtische waarheid, tussen de wijze, waarop wij historie schrijven, en die, waarop men dat in de tijd van de Bijbel gewoon was.
– Hoewel Bavinck later aan een andere frontlijn (lieden die zijns inziens te makkelijk slechts dat uit de Schrift halen wat zij zelf van waarde achten) weer alle nadruk op de inspiratie van de gehele Schrift legt, schept hij hier toch enige ruimte voor een andere dan natuurwetenschappelijke of historische interpretatie van bepaalde Schriftgedeelten. Het kan volgens hem ‘best gebeuren, dat vele gedeelten der Schrift, die wij tot dusver als historie hebben opgevat, bij onderzoek blijken volstrekt geen historie in onzen zin te bevatten, en ook niet als zoodanig door den schrijver, dat is dus ook door den Heiligen Geest, bedoeld zijn. Materieel kunnen die gedeelten dus fabelen, mythen, sagen, legenden, allegorieën, poëtische voorstellingen zijn. (…) Dat is waarschijnlijk het geval met het scheppingsverhaal, met het verhaal van Adam en Eva in het paradijs, met vele berichten in de eerste elf hoofdstukken van Genesis’. (Het is overigens niet helemaal duidelijk of Bavinck bovenstaande citaat echt zo heeft bedoeld en in hoeverre hij hier zijn eigen mening weergeeft of iets anders kritisch bespreekt.)
– Ruimhartig erkent Bavinck dat de uitleg van bepaalde Bijbelgedeelten niet gemakkelijk en onzeker is. Hij wil twee dingen verenigen: onverkort vasthouden aan de bijbelse geschriften als bron en norm voor christelijk geloof (‘de inspiratie staat vast’) én een integere erkenning van wat Schriftonderzoek boven water brengt. Zijn oplossing voor deze spanning is dezelfde als die Kuyper koos: de leer van de ‘organische inspiratie’. Organisch staat hier voor ‘open’. Inspiratie staat voor gebondenheid aan de tekst.
– Bavinck verzet zich tegen de opvatting van de oergeschiedenis als mythe. Kenmerkend voor de ‘mythologie’ is zijns inziens dat het onderscheid tussen God en wereld vervaagt. Tegenover een ‘mythologische’ uitleg van de oergeschiedenis houdt hij staande dat God en wereld onderscheiden zijn en dat God Zich in de historie openbaart. De verhalen van schepping en val, zondvloed en torengebouw zijn geen mythen, maar historie. Het scheppingsverhaal is echter geen biologieboekje.
– De theologie moet zich, zegt Bavinck, aan de onbetwistbare feiten van de geologie houden. Voor echte feiten hoeft men niet bang te zijn; die zijn evengoed woorden Gods als de inhoud der Heilige Schrift, en dus door ieder gelovig te aanvaarden. Daarom kan men de zekere resultaten van de natuurwetenschap met enig vertrouwen afwachten.
– De organische inspiratie houdt in dat de bijbelschrijvers geen notarissen of secretarissen waren. Hun persoonlijkheid wordt niet onderdrukt maar gebruikt. Wat de organische visie van de mechanische onderscheidt, is dat inspiratie van de gehele Schrift wordt betrokken op een centrum. Enerzijds is niets toevallig, anderzijds staat niet alles even dicht bij het centrum. Sommige delen behoren tot de periferie, al behoort ook de periferie tot de cirkel zelf. Er is verscheidenheid van gaven in de Schrift, maar het is dezelfde Geest.
– Het valt volgens Bavinck niet te loochenen dat de Schrift geen exacte kennis geeft van wat Jezus steeds heeft gezegd; de evangelisten geven het soms verschillend weer. De tekst is vaak corrupt. Er zijn vele handschriften. De autografa zijn verloren gegaan. De bestemming van de Schriften is geen andere dan dat we genoeg zouden weten tot onze zaligheid. Daarom is ook het gezag van de Schrift anders wanneer geschiedenis wordt verteld dan wanneer normen worden meegedeeld.
– Illuminatie is volgens Bavinck onderdeel van de openbaring. God dwingt mensen niet om te geloven, neen, de openbaring zelf werkt geloof. De openbaring valt in twee delen uiteen: het objectieve deel is de (geïnspireerde) Schrift, het subjectieve deel de verlichting en wedergeboorte van de gelovige. Objectieve openbaring is dus niet genoeg; deze moet zich in zekere zin voorzetten en voltooien in de subjectieve openbaring. De objectieve openbaring in Christus, neergelegd in de Schrift, is het ‘principium cognoscendi externum’ van de theologie; de Heilige Geest die de gemeente (en de theologie) in de waarheid leidt is het ‘principium cognoscendi internum’. Bavinck legt er veel nadruk op dat dit laatste, het ‘testimonium Spiritus Sancti’, het erfdeel van alle gelovigen is. Voor de theologische wetenschap is affiniteit nodig, waardoor de onderzoeker in staat is in de rechte relatie tot het object van zijn onderzoek te komen. Het subjectieve correlaat van de objectieve openbaring ligt in het geloof. Vanuit het geloof komt het tot het begrijpen van de openbaring, ‘per fidem ad intellectum’. Daarom is niet de rede, het hart of de menselijke wil de kenbron van de theologie, maar het geloof. Net als bij Kuypers omschrijven van de ‘pistis’ gaat het Bavinck niet om de geloofsinhoud, maar om de fides qua, de geloofsacte, waarmee en waardoor men gelooft. Het gaat om een houding, niet om een inhoudelijke ‘Vorverständnis’.
– Samenvattend kunnen we het volgende stellen. Bavinck legt alle gewicht op de leer van de inspiratie van de Heilige Schrift. De inspiratie, de theopneustie, blijkt uit de Bijbel zelf. Men gelooft de Bijbel niet omdat men dat om onduidelijke redenen wil, maar omdat de Bijbel geloofwaardig is. Echter, vanwege de zonde ziet men de geloofwaardigheid niet zonder meer in. Daarom werkt God het geloof in de mens: objectieve openbaring (de Schrift) gaat samen met subjectieve openbaring (dat geloof bewerkt). Met dit geloof kan de gelovige de Schriften verstaan. In deze illuminatie wordt de toepassing van het Evangelie in het eigen leven begrepen.
– Zodra Bavinck over geloofszekerheid spreekt, waait de wind uit een andere hoek. Zojuist was er sprake van openheid en ruimte. Nu worden de lijnen korter: openbaring – volstrekt gezag – volstrekte zekerheid! Geloofszekerheid is schier onwankelbaar en onuitroeibaar. Onvoorwaardelijke onderwerping aan de goddelijke autoriteit is eis. Voor Jezus had het Oude Testament goddelijke autoriteit; dit is een argument dat aan de Bijbel wordt ontleend. Het gezag van de nieuwtestamentische geschriften is in de Vroege Kerk aanvaard; ze verkregen ‘steeds uitgebreider gezag’. Dit is een historisch argument. Nadat het Schriftgezag principieel is vastgesteld, onderscheidt hij binnen de Schrift verschillende vormen van gezag. Er is een auctoritas historica en een auctoritas normativa. Hiermee creëert Bavinck ‘hermeneutische ruimte’. Bavinck stelt een dilemma: ofwel de Schrift heeft het gezag, danwel de mens met diens geweten of rede. Met dit dilemma in de hand, kiest hij uiteraard voor de Schrift en niet voor de overleggingen van mensenharten.
– De Schrift is inhoudelijk volkomen genoegzaam voor onze zaligheid. De geschiedenis van Gods openbaring is veel wijder dan wat in de Bijbel is opgetekend. Bavinck erkent de noodzaak van de traditie: ‘Daarom is er eene traditie noodig, om den samenhang te bewaren tusschen de Schrift en het religieuze leven van dezen tijd. Traditie in goeden zin is de vertolking en toepassing van de eeuwige waarheid in de sprake en het leven van het tegenwoordig geslacht. Eene Schrift zonder zulk eene traditie is onmogelijk’. ‘De Schrift is er niet voor, om van buiten geleerd en nagepraat te worden. (…) De waarheid is daar waar de waarheid der Schrift overgaat in het bewustzijn en het leven van de christelijke gemeente’.
– In de Reformatie schuilt het gevaar van individualisme; gemakkelijk komt men ertoe op zijn wijze uit te maken wat geschreven staat. De fout van het protestantisme is zijn verdeeldheid. Maar er staat veel op het spel, niet minder dan de vrijheid van godsdienst en geweten, van kerk en theologie. Het is de vrijheid van een christenmens om zonder bemiddeling van andere personen rechtstreeks de boodschap van het Evangelie te leren kennen. Vanuit de nadruk op het doel van de Schrift kan Bavinck ook ruimte laten voor leemten in de bijbelse geschiedschrijving.
– Van wezenlijk belang is de onderscheiding van Schrift en openbaring. Doordat de openbaring niet met de Schrift samenvalt, en voortduurt na de afsluiting van de canon, is verschil tussen de huidige theologie en de letter van de Schrift legitiem. De kern van de religie en de openbaring bestaat in eeuwige waarheden, die God openbaart en die de mens aanvaardt. Hiermee vervalt de noodzaak van een grote hermeneutische speelruimte: de waarheid staat in hoofdzaak al vast. Aldus verbindt Bavinck twee lijnen van denken, die we kunnen typeren met de termen openheid en gezagsgetrouwheid. Maar er lag een tijdbom onder Bavincks Schriftbeschouwing. Hij verbindt twee tegenstrijdige lijnen: de lijn van het absolute gezag en de brede, onschokbare geloofszekerheid, én de openheid in het zoeken naar de ware betekenis van de teksten en de juiste toepassing ervan in het moderne leven. Daarom kunnen mensen in later generaties kiezen welke lijn van Bavinck zij volgen zullen.

Liturgie (G.C. van de Kamp)
– Aan het begin van de 19e eeuw heerst er in de Nederlandse kerk der Reformatie op liturgisch gebied een situatie van volstrekte teloorgang. De lezing van de tien geboden of het credo en de Schriftlezing zijn buiten de eigenlijke dienst terechtgekomen. Deze lezing die de taak is van de voorzanger/voorlezer begint op het moment dat ook de klok gaat luiden. Veel kerkgangers beginnen dan echter pas binnen te komen of wachten nog buiten of in de hal van de kerk tot hij zijn taak volbracht heeft. Alle accent valt op de prediking. Sommigen verlaten de kerk al weer voor het laatste gebed.
– Gedurende de gehele 19e eeuw klinken er oproepen tot bezinning op de eredienst en het kerkgezang. Al in 1817 bepaalt de synode dat de Schriftlezing een plaats dient te krijgen binnen de dienst. Maar nog in 1873 is er in de meeste kerken weinig veranderd. Wel is er dan verband tussen Schriftlezing en de preek, een verband dat er tevoren dikwijls niet was.
– De eerste orde die door de GKN in 1933 werd vastgesteld, betekende feitelijk een sanctionering van de gangbaar geworden praktijk. Deze synode was trouwens de eerste die ooit orden van dienst vaststelde!
– Wat is de drijfveer geweest van hen die hebben bijgedragen aan de liturgische bewustwording in de GKN, die er tenslotte toe geleid heeft dat er zoveel veranderd is? Welke visie hadden zij op de eredienst? Het was een waarlijk stormachtige ontwikkeling.
– Kuyper publiceerde tussen 1897 en 1901 meer dan 130 artikelen in De Heraut over liturgie, later gebundeld in Onze Eeredienst. ‘Jarenlang heerschte op dit punt grenzenlooze verwarring’, een ‘wildernis’, het ‘chaotische’. Liturgisch dieptepunt acht hij het gebruik dat in de 19e eeuw was opgekomen, het doopsformulier of geheel weg te laten of te veranderen.
– Kuyper wil paal en perk aan willekeur. Als grondgedachte voor de liturgie ziet hij ‘dat de kerk over den Dienaar en niet de Dienaar over de kerk heeft te beschikken, voor wat aangaat de wijze, waarop het heilge in de vergadering der geloovigen zal bediend worden’.
– Op verscheidene plaatsen in zijn artikelen over de eredienst geeft hij aan waar de wortel ligt van de willekeur die in de kerken ingang had gevonden. Debet daaraan is ‘valsch spiritualisme’. Dit moet onderscheiden worden van echt spiritualisme. Dat ziet Kuyper aan het werk in alle verzet tegen vormendienst. Vals spiritualisme echter verklaart de vorm als zodanig voor niet wezenlijk. De vorm wordt geheel opzij gezet of overgelaten aan de willekeur van het individu en diens inval van het ogenblik. Hij ziet deze beweging bij de Engelse puriteinen. Hun verzet tegen de anglicaanse kerk was op zichzelf terecht, maar ontaardde. Ze hebben ‘het liturgisch beginsel zoogoed als tot niets herleid’. Deze puriteinen hadden in Nederland grote invloed via hun geschriften. Het sloot bovendien aan bij onze volksaard, want ‘reeds van nature is de Nederlander geen minnaar van nobele vormen’.
– Kuyper wil zelf de eredienst ontwikkelen in de lijn van Calvijn en à Lasco. Zij gaven een ‘tamelijk breede liturgie’ en maakten niet de ‘predikatie tot het één en al’. Kuyper wil geduldig zijn. ‘Niet alles gaat opeens’. ‘We laten daarom de invoering van een nauwkeuriger vastgestelde kerkelijke liturgie aan de toekomst over’. Er is ter zake van de ‘liturgische quaestie’ nog werk voor ‘minstens dertig Generale Synoden’. Kuyper denkt onder andere aan het werken aan de bijbelvertaling, psalmberijming, het kerkgezang en de redactie van de formulieren.
– Kuyper spreekt vaak met onverholen bewondering over de gang van zaken in de anglicaanse kerk. In het licht van het feit dat de liturgische beweging in de Ned.Herv.Kerk duidelijk aansluiting zocht bij de anglicaanse kerk is deze interesse van Kuyper opmerkelijk.
– Liturgie is voor Kuyper ‘uitoefening van godsdienst’. De eredienst is niet allereerst bedoeld om aan de gemeente de Bijbel uit te leggen en bij deze uitleg de gemeente te vermanen en te vertroosten. De eredienst bedoelt wezenlijk wat anders dan een Bijbellezing, een Lidmatencatechisatie of een oefening. De uitoefening VAN godsdienst (niet de oefening IN godsdienst) geschiedt middellijk en onmiddellijk. Tot deze ‘onmiddellijke, rechtstreekse uitoefening van Godes dienst komt het nu voor heel de Gemeente alleen in die oogenblikken, als ze saâmvergaderd is, om haar God te ontmoeten, en Hem eere te geven’. De gemeente brengt Gode ‘een offerande, of wat de profeet noemt, Hem wordt opgedragen: de varren der lippen’.
– Voorop staat dat de gemeente niet noodzakelijk over een eigen gebouw heeft te beschikken. De plek waar men samenkomt is geen heiligdom.
– Kuyper is zich als gereformeerde bewust van zijn minderheidspositie in de wereldkerk, maar niettemin komt hij op voor de kerkruimte zonder altaar (ook de anglicaanse en lutherse kerken hebben nog een soort altaar, zonder dat er een offer wordt gebracht).
– In de vergadering der gelovigen bindt men zich in de voorhof van het heiligdom in de hemel. Wie dit laatste veronachtzaamt, houdt hoogstens een meeting, een samenkomst, een lezing, en conferentie! Het is dus volstrekt onvoldoende te belijden dat wij geen heiligdom, geen altaar, geen offerande en geen priester kennen. In de eredienst gaat het om ‘het groote, machtige, het aangrijpende denkbeeld, dat er een Tente der samenkomst (…) is, waarin eenerzijds God tot zijn volk nadert, en anderzijds Gods volk voor het aangezicht des Heeren verschijnt’.
– Denkende in deze lijn zou Kuyper het kerkgebouw graag een ‘voorhof’ noemen. In de kerk vertoeven we in de ‘voorhoven onzes Gods’. Kuyper geeft een brede uiteenzetting over het kerkgebouw en de daaraan te stellen eisen.
– Kuyper kan zeggen dat God zelf in de vergadering der gelovigen de voorzitter is. Hij vergelijkt het uitspreken van het votum met de opening der vergadering. De belangrijke taak van de voorganger betekent niet dat Kuyper geen ruimte laat in de eredienst voor de inbreng van anderen. Hij ziet een taak voor een ouderling in het voorlezen uit de Bijbel, het uitspreken van een formuliergebed en het aangeven van psalm of collecte. Bij de geloofsbelijdenis oppert Kuyper de mogelijkheid deze samen te spreken of te zingen. In elk geval is er voor de gemeente ruimte om samen het ‘amen’ te zeggen.
– Hij verdeelt de eredienst in drie stukken: 1. Het objectieve, voorwerpelijke deel van de dienst (waarbij de voorganger niets ‘uit zichzelven’ hoeft te zeggen). 2. Het onderwerpelijke deel van de dienst, met de preek als middelpunt en waar het accent op de eigen gave van de dienaar. 3. De dienst der gebeden. En eventueel als 4: de bediening van de sacramenten.
– Kuyper pleit ervoor de tien geboden aan het einde van de dienst te lezen (in het kader van de dankbaarheid). Zo is de wet leefregel voor de gelovigen bij het verlaten van het bedehuis.
– Wanneer er gedoopt wordt, wil Kuyper deze bediening bij voorkeur in de morgendienst na de preek laten plaatsvinden. De gewoonte vóór de preek te laten dopen schijnt ook te hebben samengehangen met het gedrag van gemeenteleden die de kerk verlieten ná de preek en vóór de doopbediening. Kuyper beklemtoont de noodzaak van de integrale lezing van het formulier en eerder moet de preek bekort worden dan dat er haastig en slordig wordt gelezen.
– Het avondmaal is ‘de hoogste uiting van elken kerkendienst’. Daarmee staat de frequentie van de viering die hij voorstelt enigszins in contrast. Kuyper verwijst echter naar de situatie in de Engelse kerk waar weliswaar wekelijks het sacrament wordt uitgereikt, maar slechts enkelen het ook daadwerkelijk ontvangen. Hij herinnert ook aan de rooms-katholieke kerk waar de verplichting ten minste één maal er jaar te communiceren niet duidt op een frequente communie. Kuyper kon zich vinden in een frequentie van vier tot zes maal per jaar.
– Kuyper schrijft ergens: ‘Toch kan kwalijk ontkend, dat dit leggen van zoo eenzijdigen nadruk op het Woord, kerkontbindend gewerkt heeft’. De gereformeerde kerken hebben de ‘constitutie van het kerkelijk leven niet weinig verzwakt (…) door het sacrament naar de derde plaats te schuiven en schier, heel het kerkelijk leven aan de bediening van het Woord op te hangen’.
– We kunnen de geweldige betekenis van Kuypers visie op de eredienst van de gemeente slechts onderstrepen. In 1933 biedt de synode van Middelburg voor het eerst een orde van dienst aan, maar dan lijkt het met de invloed van Kuyper geheel gedaan. Zelfs de orde die de synode van Rottterdam 1952/53 vaststelt, blijft achter bij de ideeën van Kuyper. De kerken die in zoveel opzichten Kuyper hadden gevolgd, lieten in liturgische zaken de meester in de steek. Het duurde tot 1961 voordat de synode een deputaatschap voor de eredienst benoemde dat bij zijn rapportage er blijk van gaf werkelijk te willen gaan in de lijn van Kuyper. Van de concrete aanwijzingen die Kuyper gaf voor de inrichting van de dienst, heeft een aantal zijn weg gevonden in de orden van dienst zoals die werden vastgesteld op de generale synoden. Het meest in het oog lopend is de invoering van de schuldbelijdenis en de genadeverkondiging.

Eschatologie (C. van der Kooi)
– Hoe is de eschatologische oriëntatie van het neocalvinisme van Kuyper? Er is van het pelgrimsschap en de verborgenheid van het Koninkrijk weinig meer over. Het zwaartepunt ligt bij de volgelingen van Kuyper op de zichtbaarheid van het koninkrijk in allerlei vormen van kerkelijk en christelijk verenigingsleven.
– K.H. Miskotte bekritiseerde een pennenvrucht van H. Colijn als volgt: ‘De gemeente onder het kruis wordt een gemeente op den troon. Gods geboden worden verburgerlijkt. Jezus Christus wordt een beschermheer van het bestaande. Het Woord van God en het Koninkrijk der hemelen worden als het hoogste goed aan de rij der nationale goederen toegevoegd. (…) Het oneindige verschil in kwaliteit tussen de nationale goederen en de goederen van het Koninkrijk der hemelen, tussen tijd en eeuwigheid, wordt verwaarloosd. De eschatologische heilsverwachting wordt niet ernstig genomen. De spanning tussen Gods verborgen en Gods geopenbaarden wil wordt opgeheven’.
– Hier zouden we nog de opmerking van Noordmans kunnen toevoegen, dat in de schepping geloven nog iets heel anders is dan ‘hereboer wezen in het rijk der voorzienigheid’ en het wordt duidelijk hoezeer van hervormde zijde gevreesd werd dat geloven bij Kuyper en zijn volgelingen een vorm was van arrivé zijn in deze wereld en dat de eschatologie dientengevolge zo inderdaad niet meer was dan wat Barth genoemd had het ‘harmloses “eschatologisches” Kapitelchen am Ende der Dogmatik’.
– Kuyper en Bavinck waren er zeer van doordrongen in een andere tijd te leven dan Calvijn. Bavinck beschrijft hoe kerk en christendom ten opzichte van de hen omringende cultuur de laatste eeuwen langzamerhand hun katholiciteit hebben verloren. De kerk is van alles beheersend en doordringend centrum weggedrongen tot een randverschijnsel binnen een moderne cultuur die nu zelf heerschappij voert over de christenheid. ‘Er zijn machten opgetreden, waartegen het Christendom nog nooit zijn krachten heeft beproefd, verschijnselen, waarvan de kerk nog nimmer zich rekenschap gaf’.
– Bavinck erkent dat de manier waarop Calvijn binnen het kader van de ‘meditatio vitae futurae’ kon spreken over ellende en tegenslag en de waarde van dit leven, niet meer onverkort is te volgen. Geluk lijkt dichter binnen handbereik en er ligt meer gewicht op dit leven.
– Wordt het eerste front door de alles doordringende moderne levensbeschouwing gevormd, het tweede waar hij en Kuyper zich tegen verzet hebben, omschrijft hij kortheidshalve met de naam piëtisme. Uit de teleurstelling die geboren wordt wanneer het onmogelijk blijkt het leven te kerstenen, ontstaat een vorm van christendom die zich in de eigen kring terugtrekt en zich feitelijk van de wereld afscheidt. De cultuur wordt aan haar lot overgelaten, er is geen strijd meer om het midden.
– Bavinck en Kuyper hadden dus niet slechts te strijden voor de emancipatie van het eigen christelijk volksdeel, maar voortdurend hadden ze te maken met groepen en stemmen binnen eigen kring, die zich naar de rand van de wereld lieten drijven. Kuyper bestempelt dat als een ‘doperse’ neiging, die in vele kringen van vromen diep verworteld zit en die in reactie op de cultuur der verlichting nog een exponentieel versterkt wordt.
– Kuyper maakt een onderscheid tussen religie in de ‘voorhof’ en in het ‘heiligdom’. Zij die in het heiligdom verkeren, zijn degenen die weten van de verborgen omgang met God, het zijn de uitverkorenen, bij wie het zaad der wedergeboorte tot ontkiemen is gekomen. Maar er is ook een wijdere kring om het heiligdom heen, die van de voorhof. Wij zouden nu zeggen: de sfeer van het algemene religiositeitsgevoel. Met name in die laatste sfeer doen zich de veranderingen in de levensomstandigheden en levensmogelijkheden voelen. ‘Er is minder onmacht bij klimmend machtsgevoel, en daarom daalde de behoefte om hulp bij God te zoeken’.
– Zich inleven in de toekomst des Heeren is volgens Kuyper een plicht, maar het brengt de verleiding met zich mee zich aan de strijd in het heden te onttrekken. In feite komt de eenzijdige gerichtheid op de toekomst als wereldvlucht neer op een ontkenning van de belijdenis dat God in schepping en voorzienigheid over alles gaat. Gods soevereiniteit over het gehele leven wordt bij een eenzijdige vlucht naar voren losgelaten.
– Veel meer dan bij Calvijn is bij Kuyper de verkiezing tot systematisch beginpunt geworden. Hij heeft de verkiezingsleer naar voren geschoven als een sjibbolet voor rechtzinnigheid. Hij stelde de verkiezingsleer voor vriend en vijand in het centrum van de gereformeerde identiteit. Christus is voor allen gestorven maar onder die ‘allen’ kunnen alleen zij verstaan worden, ‘die de Heere liefheeft met een eeuwige liefde, nog eer ze geboren zijn, die die Hij “bij name roept”’. Week in week uit geselde Kuyper in De Heraut zijn tegenstanders. De toon van de artikelen wordt op en duur wel iets vriendelijker; kennelijk is Kuyper van de reacties toch enigszins geschrokken. Ongetwijfeld hebben we hier te maken met Kuyper in zijn meest militante periode.
– De ‘gemeene gratie’ is Kuypers antwoord op de moderne cultuur, waarin aards geluk en voortgang zich grootmaken. Binnen dit kader heeft hij ook zijn antwoord gegeven op de vraag naar het ‘nog niet’. In Kuypers theologie vindt de belangstelling voor het ‘nog niet’ niet zijn grond in schrik en verbazing om het uitblijven van het Koninkrijk, maar in de verbazing waarom na de zonde niet onmiddellijk een totaal verval is ingetreden.
– We komen de weerhoudende werking van de gemeene gratie verscheidene keren tegen. De ‘laatste dingen’ nemen voor de mens een aanvang bij zijn sterven. Bij het sterven blijkt hoezeer de mens, na de val levend, een kind des doods is. Bij een omgehouwen bom duurt het nog een tijd voordat alle leven eruit geweken is en hij totaal vermolmd is. Door Gods algemene genade wordt de doorwerking van de zonde en de dood nog een tijdlang gebreideld. De rechtschapenheid van ongelovigen kan een verleiding zijn aan te nemen dat er ook buiten Christus om nog zaligheid te vinden is, maar Kuyper wijst dit met beslistheid af. De tweeheid van verkorenen en verworpenen treedt pas na het sterven aan het licht. De dood is de definitieve grens waarna geen genade meer mogelijk is. We moeten daarin, zegt Kuyper, niet genadiger willen zijn dan God Zelf in Zijn Woord is.
– Kuyper doet een poging het ‘reeds’ van Gods genade een zekere voorstelbaarheid te verlenen. Veelvuldig maakt hij de organische natuur tot paradigma in de beeldspraak van zaad en vrucht. Het stelt hem in de gelegenheid ‘reeds’ en ‘nog niet’ te verbinden.
– Het eenmaal in kiem aanwezige nieuwe leven is op het eind van het leven op zeer verschillende wijze tot ontwikkeling gekomen. Bij een kind dat vroeg sterft, wordt de ontwikkeling wellicht zelfs in de kiem gesmoord. Ongetwijfeld heeft Kuyper met een dergelijke speculatie een pastorale bedoeling. Nog steeds is in zijn tijd de kindersterfte groot en de vragen omtrent de toekomst van de jonggestorvenen leven in wijde kring.
– Volgens Kuyper kennen de gelovigen na hun sterven en na het verlies van hun lichaam een vorm van bewustzijn en ‘wakker’ zijn. Anderzijds houdt hij nadrukkelijk vast dat de voleinding pas komt bij de lichamelijke opstanding. Maar het geestelijk belang van een blijvende gemeenschap wordt net als bij Calvijn vertaald in de leer van de zelfstandigheid en onsterfelijkheid van de ziel.
– Toch ligt Kuypers eigenlijke belangstelling niet bij de laatste dingen als zodanig. Hij wil zich ermee bezighouden ‘om midden in den strijd des levens, juist voor dien strijd bezield te worden door den zegepraal die aanbreekt’. Dat betekent niet dat Kuyper het pelgrimschap niet heeft gekend. Integendeel, in zijn onder het kerkvolk veel gelezen meditaties heeft hij juist de hunkering van het hart dat verlangt ‘nabij God te zijn’ stem gegeven en zodoende de innerlijke belevingskant van velen mede gevormd. Maar het bijbels beeld van het pelgrimschap moet aldus Kuyper niet op sentimentele wijze misbruikt worden, alsof pelgrims mensen zijn die geen enkele belangstelling hebben voor het gebied, dat ze doortrekken. De belangstelling voor de laatste dingen is bij Kuyper dan ook allesbehalve een vlucht uit de werkelijkheid. De wijze waarop hij het ‘nog niet’ in zijn concept verwerkt, leidt de aandacht juist weer terug naar de cultuur. De vraag waarom de wederkomst nog niet is ingetreden vindt zoals aangegeven een antwoord binnen de gemeene gratie.
– Kuyper onderscheidt twee kringen van de gemeene gratie, een constante (weerhouding, instandhouding) en een progressieve (het menselijk leven tot rijker en voller ontplooiing brengen).
– De wereld moet een proces doorlopen, waarin alle mogelijkheden die in de schepping verborgen liggen, ontsloten en tot ontsluiting worden gebracht.
– De gedachte dat God de geschiedenis voortijdig zou kunnen beëindigen, wijst Kuyper af, omdat voortijdige afbreking van het proces te kort zou doen aan het doel dat God met Zijn besluiten zowel inzake schepping en voorzienigheid als inzake verzoening en voleinding heeft, namelijk de zelfverheerlijking van God drie-enig. Dit moet verstaan worden in betrekking tot God Die het beeld van Zijn heerlijkheid spiegelt in Zijn werken. Het begrip ‘voleinding’ is niet alleen te verstaan in de zin van beoogd resultaat voor de eeuwigheid, maar de lange loop der eeuwen draagt een zelfstandig doel in zich, namelijk ‘om al wat in ons geslacht aan iemand school tot eer en prijs van Gods naam in het licht te doen treden. De dingen zijn tot hun doel gekomen als ze voor Gods oog geschitterd hebben.
– Vanuit deze visie op de geschiedenis is het te begrijpen dat Kuyper in wezen een zeer positieve kijk heeft op de verworvenheden van de westerse cultuur. ‘Beschaving, verlichting, ontwikkeling en vooruitgang zijn niet uit den Booze, maar uit God, en van den Booze is alleen de verkeerde, onzedelijke en goddelooze aanwending ervan’.
– In Pro Rege zegt Kuyper dat van Christus, als het hoofd van de gemeente en het hoofd der mensheid, niet alleen naar de gemeente, maar ook naar de wereld krachten uitgaat. De woorden uit Matth. 20:28 (Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde) worden zeer nadrukkelijk ook betrokken bij overwinningen, die wetenschappelijk en technisch op de bedreigende natuur behaald worden. Heden en verleden tonen aan dat ‘alleen in deze Christelijke landen die vrijmaking en verheffing van den geest tot stand is gekomen, die, tenslotte zich ook op het onderzoek en de kennis der natuur werpend ook onze macht over de natuur op zoo gansch wondere wijze verhoogd heeft’.
– We kunnen ons de kritiek van Noordmans wel voorstellen als hij schrijft dat er bij Kuyper ‘minder verlegenheid en schrik is dan men – ook als men niet wil – als christen, kerklid, gelovige, theoloog tegenover den feitelijken toestand der christenheid en cultuur gevoelt’.

Ethiek (A. van Egmond)
– ‘Gereformeerd’ gold lange tijd als een ‘moeilijk geloof’, het criterium lag bij de vraag hoeveel je mocht en hoeveel je niet mocht. Gereformeerden hadden de naam een moralistisch volkje te zijn. Moeilijk geloof of niet, gereformeerden hebben zich een eeuw lang er niet met een jantje van leiden afgemaakt als het om de vormgeving van het leven en de samenleving ging.
– Het is een smalle weg tussen quiëtisme en moralisme. Een eeuw lang hebben gereformeerden niet alleen aan de zuivere leer maar ook aan de juiste levenswandel een groot belang gehecht. Al wijzen Bavinck, Brillenburg Wurth en Berkouwer het volmaaktheidsstreven af, dat neemt niet weg dat de heiliging voor hen wel een heel centraal punt in de heilsorde is.
– Bavinck: de verlossing in Christus bedoelt een volkomen vrijmaking van de zonde en haar gevolgen. Daarom sluit zij van meet af aan de heilig- en heerlijkmaking in. Rothuizen: ‘Wij zijn dus verlost óm goede werken te doen (…) Op een andere wijze valt de verlossing niet te beleven (…) De vergeving is niet het eind en dus ook niet alles. Dat is de dankbaarheid, en dan van het genre dat er “niet om liegt”. Nadrukkelijker kan de heiliging niet in het midden van het christelijk leven worden geplaatst’. Het gereformeerde patroon is dat er zowel grote nadruk ligt op de heiliging als een voortdurende waarschuwing tegen wetticisme en moralisme.
– Kuyper wijst er met nadruk op dat de heiliging Gods werk is, en niet ‘zekere poging van de belijders van Christus om zichzelf zedelijk te verbeteren’. In de wedergeboorte wordt de kiem heilig gemaakt. Wanneer vervolgens de wortels zich uitbreiden is dat de heiliging, en ook dat is geheel en al het werk van God ‘die het verborgen wortelleven van uw wezen door telkens nieuwe genade heiligt’. Pas wanneer de takken in het vizier komen, kan er ook sprake zijn van ‘zelfreiniging’. Dit is niet alleen een kwestie van levenssap dat van de kiem omhoog stijgt. De omgeving is daarop ook van grote invloed. Dat wil zeggen: de gemene gratie speelt daarbij ook een belangrijke rol. Niet ál het goede in het leven van de gelovige komt op rekening van de heiliging. Niet met één, maar met twee genadefactoren moeten we rekenen in de gelovige: de particuliere genade én de gemene gratie! Daar komt dan als derde factor ook de natuur nog bij. Ook waar de goedheid van de wedergeboren mens niet uit de wedergeboorte opkomt, is zij Gods genade. Particuliere genade en gemene gratie gaan hand in hand, maar beide zijn Gods werk.
– Brillenburg Wurth zei: ‘In onze gereformeerde ethiek is de iustificatie wel eens te weinig tot haar recht gekomen, wat niet zelden het gevaar van activisme of werkheiligheid in de hand heeft gewerkt. (…) Een van de gevaren, die vooral de Gereformeerde vroomheid heeft bedreigd, is altijd geweest het activisme’.
– Schippers: ‘De liefde mag ons niet in de macht van de libertijnen brengen; de ernst ons niet in de handen van het rabbijnencollege spelen. (…) De gereformeerde dogmatiek heeft altijd enige moeite om in haar leer van de volstrekte genade de ernst van de oproep tot bekering als een levend Woord van God te laten functioneren; de ethiek daarentegen heeft telkens haar zorgen om in haar vertogen over de verleiding en over al wat ons tot zonde brengen kan, ons niet weer te onderwerpen aan de wet, terwijl wij toch onder de genade zijn’.
– De ethicus die zich het duidelijkst tegen het primaat van het complex heiliging, moraal en ethiek heeft gekeerd, is ongetwijfeld Kuitert. Die laat niet af de kerk te bepalen bij wat hij ziet als haar eigenlijke taak en opdracht. Christelijk geloof is meer dan moraal: vergeving, verzoening, herschepping. ‘De waarde van het geloof wordt niet bepaald door zijn maatschappelijke of politieke betekenis, welke die betekenis verder ook mag zijn’.
– Waarom goede werken? Waarom heiliging? Waarom moraal? Wat is het motief, wat is de bron? Welk antwoord is daarop in de gereformeerde traditie gegeven?
– Bavinck: ‘Goede werken hebben de wet Gods tot norma en zijne eere tot doel’. De mens ontvangt eerst, en kan daarna ook geven. ‘De geborenen uit God worden hoe langer zoo meer kinderen Gods, die zijn beeld en gelijkenis dragen, omdat zij het in beginsel reeds zijn; voor hen geldt de regel van het organische leven: werde was du bist!’ Maar aan de andere kant vallen er ook woorden als ‘verplichting’ en ‘plicht’. De angst voor het antinomianisme zit er bij de gereformeerden kennelijk goed in.
– Volgens Kuyper moet de heiliging omschreven worden als het werk van de Geest. Maar die werkt door middel van de wet, want de wedergeborene (die geen blok marmer is) moet tot zelfinzicht en zelfwerkzaamheid worden geprikkeld. De wet wordt ons gepredikt, niet als een vertroostende belofte, maar als hoog en heilig gebod en het is fout dat de wetsprediking te kort schiet.
– Geesink ziet dat het geloof wel voorwaarde is, maar geen garantie. De bevrijde mens kan de wet nog niet missen. Berkouwer wijst op het Nieuwe Testament, dat steeds vermaant op grond van de barmhartigheid Gods. De echte tegenstelling is die tussen spontaniteit en dwang, niet die tussen spontaniteit en wet. Daarom kan de rol van de wet gerust gehandhaafd blijven.
– Rothuizen vraagt zich af of religie de basis vormt van de zedelijkheid. Of zou het ook andersom kunnen zijn? Een innige relatie tussen ethiek en religie kan er bij Geesink niet in. Daarvoor is hij te zeer onder de indruk van wat er onder a-religieuze mensen aan goede moraal te vinden is. En was het al niet Kuyper die ons er tegen waarschuwde om de goedheid van de wedergeborene geheel en al terug te voeren op diens geloof, bekering, heiliging – omdat er toch dankzij de gemene gratie ook in de wereld al zoveel goeds op het gebied van zedelijkheid te vinden is?
– Kuitert is degene die de moraal het meest van de religie heeft losgemaakt, zoals trouwens ook de ethiek van de theologie. Hij ziet de rol van religie vooral in het ijken van de moraal. Ondanks alle overeenkomsten – de meeste ingrediënten van de ene moraal komen immers in alle grote morele systemen terug – doen godsdiensten dat toch verschillend. Religies vormen als het ware een bedding voor de moraal. Ze zijn niet de bron, maar leiden en vormen de stroom. Uit 1980 stamt de uitspraak dat de Bijbel er niet voor de moraal maar voor het verhaal is. Over het feit van de heiliging bestaat geen twijfel. Maar voor de inhoud ervan kun je niet zonder meer bij het evangelie terecht.
– In 1901 werd Kuyper minister-president. Bij de herverdeling van zijn werkzaamheden deelde hij aan Geesink de hoofdartikelen in De Heraut toe en gaf tegelijk aan waarover die zouden moesten gaan: ’s Heeren Ordinantiën. Het zou een vierdelig werk worden. Voordat hij toekomt aan de ordeningen voor het zedelijk leven komen eerst allerlei zaken uit de kosmologie, de geologie, de meteorologie, de biologie, de microbiologie, de fysica en de psychologie aan de orde; ook daar heerst God volgens Zijn wet. Gods ordinantiën zijn niet willekeurig, wezensvreemd aan de zaken waarvoor ze gelden, integendeel: het zijn de echte levenswetten voor al wat bestaat. Wanneer de tuinman zich er niet door laat leiden gaat het fout met de boom. De ordinantiën zijn geen abstracties waaraan wij zelf een wijding geven; het zijn besluiten van de levende God waarnaar Hijzelf werkt en die Hij met Zijn almacht van ogenblik tot ogenblik handhaaft. Ordinantiën zijn identiek aan de ‘geboden des Heeren’. Ook in de geestelijk-zedelijke wereld geschiedt Gods wil (namelijk: die des besluits). Maar daar liggen de zaken natuurlijk wat gecompliceerder omdat daar de menselijke wil ook in het geding komt. Daar krijgen de ordinantiën behalve dat van ‘wil des besluits’ ook het karakter van ‘wil des bevels’.
– Kuyper zei iets soortgelijks: als een spin haar web weeft, begaat ze nooit een fout. Het web is altijd goed omdat het altijd juist naar Gods ordinantie wordt uitgespannen. Dat de ordinantiën, ook in de natuur, nog functioneren is aan de algemene genade te danken. De mens staat voor een keus: zijn wilswerkzaamheid loopt in het spoor der wet – of zij loopt daarbuiten. In het laatste geval verdort het geestelijk bestaan. De parallel met Geesink tuinman kan niemand ontgaan: zondig niet tegen de levenswet, want je levensboom gaat er aan!
– Ook Brillenburg Wurth zet in bij de soevereiniteit van God; alle dingen hebben in God hun oorsprong. Hij zoekt aansluiting bij de Wijsbegeerte der Wetsidee, met haar ‘soevereiniteit in eigen kring’, de gedachte dat er in de werkelijkheid allerlei levenskringen zijn, die elk hun eigen levenswet hebben, waaraan ze onderworpen zijn. Er is onderscheid in wetskringen, dus ook in wetssoorten. Bij de lagere wetskringen is geen keus, om al of niet aan de daar heersende wetten te gehoorzamen (Kuypers spin!), maar ‘in de logische, iuridische, ethische wetskring is die keus er wel. Hier worden onze gedragingen ons toegerekend’. De overeenkomst echter tussen alle wetten is, dat zij levenswetten zijn, waartegen niet gezondigd kan worden dan tot grote schade van enkeling en gemeenschap.
– Brillenburg Wurth verzet zich tegen Brunners visie op het begrip ‘scheppingsordeningen’, omdat die te zeer leidt tot een aanvaarding van het gegevene. Er is namelijk ook nog de scherpe kritiek van het evangelie. Toch vindt Wurth het belangrijk vast te houden aan ‘iets als de “scheppingsordeningen”, levensverbanden waarvan wij op grond van de Schrift geloven dat ze teruggaan op iets als goddelijke inzetting’.
– Kuitert: ‘Wat mag en niet mag gaat op principes terug die mensen altijd en overal moeten aanhouden’. Het gaat gewoon om wat goed, proefondervindelijk bruikbaar is gebleken voor het in standhouden van de groep. Het gaat er om dat moord, doodslag, leugen en onderdrukking in hun onprofijtelijkheid worden herkend. Klinkt dat niet als de ‘levenswet’ waartegen niemand straffeloos zondigen kan?
– Kuyper noemt de gemene gratie een ‘triomf over Satan’. Hij ziet haar op de – in onze ogen – onwaarschijnlijkste plaatsen aan het werk. Houdt Duitsland opkomst misschien verband met onderaardse magnetische stromen? Waaraan zijn de imponerende gestalten van onze eigen Gouden Eeuwers te danken? Wat is er tegen om te spreken van kosmische invloeden? Hoe is het mysterieus weer verdwijnen van ziekten en epidemieën te verklaren? De gemene gratie bedoelt tweeërlei stuiting: van de zonde (moreel) en van de vloek (providentieel). Het lijden om de zonde is een zaak van de gemeenschap, niet van het individu. Omdat lijden ook middel tot heiliging van het leven is, hebben we vaak geen oog voor het onheilige van elk lijden. ‘O, het is zoo diep onwaar, dat Gods Woord ons alleen roepstemmen zou doen hooren voor de redding onzer ziel; neen, ook voor ons volksbestaan, ook voor ons maatschappelijk samenleven, stelt Gods Woord ons wel terdege vaste ordinantiën, trekt het zeer duidelijk zichtbare lijnen’. Lijnen die leiden tot, naar Kuypers gevleugelde woord, ‘architectonische critiek’ op de samenleving.
– Moet de kerk zich ook met de samenleving bemoeien? Op de allereerste synode na 1892 komt de vraag of de kerken niet de krankenverzorging ter hand moeten nemen. Het antwoord luidt dan dat daar geen taak voor de kerk, maar wel voor particulier initiatief ligt, waartoe de synode van harte oproept. Met dit onderscheid tussen kerk als instituut (de organisatie) en kerk als organisme (de kerkleden in allerlei verbanden) hebben gereformeerden heel wat weten op te lossen. Het probleem is echter dat heden ten dage dat organisme niet meer zo duidelijk aanwijsbaar is als een eeuw geleden. Bovenal echter komt het tot grote spanningen wanneer er antwoord gegeven moet worden op de vraag waaraan wij onze normen nu eigenlijk ontlenen. Voor vroegere generaties leek dat eenvoudig en duidelijk: de Bijbel. ‘We hebben inmiddels wel begrepen dat dat zo eenvoudig niet ligt’. Is onze kennis van goed en kwaad specifiek christelijk?
– Schippers’ boek De gereformeerde zede betekende in 1954 een ware aardverschuiving, omdat hij vond dat volwassen mensen inzicht dienden te hebben in het feit van de verschuiving van de normativiteit. Hij nam die verschuiving zo serieus dat hij afzag van een derde druk, die zijns inziens een complete herschrijving zou hebben betekend! De zede verandert volgens Schippers zo ongeveer iedere vijf jaar. Zin visie kwam in de gereformeerde wereld van kort na de oorlog hard aan. Schippers brak een zekerheid radicaal af; hij problematiseerde het beroep op de Bijbel. ‘De geboden 1 en 10 zijn vast; de andere acht behoren tot de verschuivende normativiteit’.
– Is er dan geen vastheid? Nauwelijks, moeten we helaas zeggen. Er is een goddelijke ordening voor het mensenleven, maar die hebben we nooit los van concrete historische vormen en we kunnen hem er nooit uitpellen. De waarheid is altijd relationeel: zij moet altijd in betrekking staan. Het christelijk geloof verlangt van alle gestalten der normativiteit dat zij voortdurend gevormd worden in gehoorzame oriëntering aan het grote gebod van de liefde tot God en tot de naaste.
– Kuitert heeft Schippers geprezen, vooral om het begin van diens boek: de gewaagde inzet bij de veranderlijkheid van de moraal. In verschillende publicaties trekt hij nu lijnen door, vooral op het punt van het Schriftberoep. Hij laat zien dat dat beroep altijd heel willekeurig is geweest, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het onderscheid ceremonieel, burgerlijk en moreel. De echte uitweg uit de problemen is de aanvaarding van de ‘lex naturalis’: de enige echte constante in alle moraal, christelijk of niet christelijk, is ‘wat goed is voor mens en wereld in historisch bepaalde situaties’. Het christendom heeft zelf geen eigen specifieke normen en waarden ingebracht. Je hoeft geen christen te zijn om te weten wat goed en kwaad is. We hebben Bijbel en kerk niet nodig om de kennis van goed en kwaad aan de man te brengen. De Bijbel veronderstelt deze als aanwezig.
– Kuitert verstaat onder ‘natuurrecht’: er is continuïteit in de moraal omdat er dingen zijn die een groep of samenleving op straffe van eigen ondergang niet kan tolereren. Moraal is dan ‘het gedrag dat “moet” omdat het binnen een gemeenschap, proefondervindelijk het best mogelijke gedrag is gebleken om de waarden die een cultuurgemeenschap er op na houdt, te verwezenlijken of te beschermen’. Hiermee is het eigen, bijbelse, christelijke karakter van ook de christelijke moraal verdwenen, zowel wat inhoud als wat wijze van kennen aangaat. Die bijbelse traditie is niet beter dan welke andere traditie.
– Het beroep op specifieke bijbelplaatsen wordt steeds minder; er komt een beroep op de strekking van de Bijbel voor in de plaats; maar langzaamaan vermindert ook dat. Voor een groep binnen de synode en de gereformeerde kerken is dat al tientallen jaren een onaanvaardbare ontwikkeling, zoals telkens weer uit synodale discussies blijkt. Het is ook echt een breuk met de traditie, die gewend was – ‘Schrift met Schrift vergelijkend’ – bij de Bijbel te rade te gaan. ‘Het is moeilijk om achteraf te moeten accepteren dat je dat eigenlijk nooit gedaan hebt, en dat je alleen naar historische, tijdgebonden illustraties van een algemene en ook algemene inzichtelijke moraal hebt gekeken’.
– ‘Uit het goede handelen van niet-gelovigen blijkt dat zij in zekere zin de wet kennen; die is dan door goddelijke genade nog tot op zekere hoogte levendig gehouden, ook in zaken als publieke opinie en rechtspraak. Wanneer men ziet hoe krachtig die algemene goddelijke genade in de wereld werkt, verbaast het niet dat Kuyper in die wereld heel veel als ‘goed’ kan kwalificeren. Kuitert heeft Kuypers ‘gemene gratie’ opgerekt, die dat daarin al met de belijdenisgeschriften had gedaan.
– ‘Balans is: twee schalen van een weegschaal in evenwicht. Dat is het, waar een eeuw lang gereformeerden naar hebben gezocht. (…) Je kunt twee dingen doen: de schalen vastzetten. Dan hebben ze allebei het volle pond gekregen. Maar de spanning is er uit. Steeds opnieuw hebben gereformeerden het liefste daarvoor gekozen: een consensusmodel. Iedereen was gehouden zich aan dat model te houden. Maar zo was de spanning er uit. Of beter gezegd: zo werd hij een tijd onderdrukt. Om daarna zich catastrofaal weer te melden. Gereformeerden hebben lang geloofd in formuleringen die ondertekend moesten worden; bezweringen waren het, eenheidstoverformules die de spanning er onder moesten houden. Het kan ook anders. Je kunt de schalen van de weegschaal hun gang laten gaan. Dan weer weegt dit zwaarder, dan weer dat. (…) Zodra de weegschaal te ver naar één kant doorslaat treden er tegenkrachten in werking. Dat is een spannend leven. (…) Misschien betekent geloven daarom wel ondermeer afzien van dat dode punt dat wij evenwicht noemen’.

Gepubliceerd in juli 2009

Advertenties