1950. Welvaart in zwart-wit

n.a.v. Kees Schuyt en Ed Taverne, 1950. Welvaart in zwart-wit. Reeks Nederlandse cultuur in Europese context, Den Haag 2000

– Nederland was na de Tweede Wereldoorlog totaal ontmanteld: bruggen, wegen, havens, sluizen, stuwen, industriële installaties, veel bouwland onder water gezet. ‘Wanneer wij allen een jaar lang niet gewerkt hadden en in die vakantietijd 50 procent meer hadden verbruikt dan onze normale consumptie, hadden wij na thuiskomst een iets betere toestand aangetroffen dan de thans heersende’.
– Er was woningnood. Ook veel immateriële schade. Er vond een economisch wonder plaats, de economie werd vernieuwd, men nam afscheid van de gedachte dat de staat zich afzijdig diende te houden van het functioneren van de markt. Recreatie en natuur stonden ten dienste aan het paradijs van de onbegrensde economische groei. De periode 1951-1973 was een haast ononderbroken periode van economische groei en explosieve toename en spreiding van welvaart. Er kwam vrijwel volledige werkgelegenheid, ondanks de hoge bevolkingsgroei.
– Wel waren er mensen bang voor de ‘bermbeschaving’. De Club van Rome kwam in 1972 met een verontrustend rapport over de nadelige effecten van productie- en bevolkingsgroei. In 1973 kwam de oliecrisis.
– Nederland veranderde in een land met een kleine overheid naar een naar verhouding grote collectieve sector. De Nederlandse consensus werd getypeerd als het ‘Dutch miracle’. De welvaartsstaat kwam, de besluitvormingselite was succesvol. De samenleving mathematiseerde ook (wiskundig denken).
– Er voltrok zich een mentaliteitsverandering in Nederland: daardoor konden bestaande christelijke weerstanden tegen culturele vervlakking, vertechnisering en opkomende massa- en consumptiecultuur geleidelijk worden geneutraliseerd en doorbroken. Eerst was individuele zelfontplooiing nog ondergeschikt aan de collectieve normen en waarden, maar dat veranderde.
– De sociale wetgeving was een compromis tussen liberalen en socialisten én tussen rechtse en linkse katholieken. Om het tijdens de oorlog zwaar beschadigde Nederland op te bouwen, hield de staat de lonen laag. Om dit lang vol te houden werden de katholieken ‘afgekocht’ met kinderbijslag en de sociaal-democraten met ouderdomspensioen. In deze redeneergang waren de katholieken niet erg voor de laatste verzekering – ze deed de plicht vervallen dat kinderen hun ouders onderhouden als die geldgebrek hebben, en liet de kerkelijke armenzorg aan belang inboeten. Maar de Katholieke Volkspartij was in ruil voor kinderbijslag – katholieken hadden meer kinderen – bereid water bij de wijn te doen.
– Amerikanisering heeft een sterke impuls aan het Nederlandse economische wonder gegeven. Het herstel van de handel met Duitsland was cruciaal. De idee van de ‘welfare state’ was een alternatief voor Hitlers ‘warfare state’. Het Marshallplan voorzag ook in de ontwikkeling van een open netwerk van verdragen, afspraken en overeenkomsten binnen de wereld van industrie en handel.
– Sociografen of maatschappijwetenschappers faalden in het Zuiderzeesproject. De polders kunnen worden beschouwd als een proeftuin voor het naoorlogse, planmatig ingerichte Nederland. Emmen kreeg buurt- en woonstraten, parkeerhoven en wijkcentra. Dit moest een open, groene stad plus werkgelegenheid en stedelijke geneugten opleveren. Grondkosten zorgden voor bijzonder lage bebouwingsdichtheden. Die leidden tot de stedenbouwkundige vondst van de doodlopende buurtstraat, het woonpad en de parkeerhof: voorboden van het woonerf uit de jaren zeventig, waarbij de auto rigoureus uit de omgeving van de woning werd geweerd.
– Zeeland was een achterstandsgebied en was een enclave waar lang weerstand is geboden tegen allerlei verschijnselen van modernisering. Het succesverhaal begint waar de provincie in 1954 wordt aangewezen als ontwikkelings- en probleemgebied.
– De chemische industrie is verantwoordelijk voor een groot assortiment van in massa geproduceerde goederen, artikelen en diensten. Er bestond een steeds groter wordende ‘technology gap’ van Europa ten opzichte van de VS. Dit zorgde voor een diep geworteld minderwaardigheidscomplex ten aanzien van alles wat er in Amerika gebeurt.
– In 1972 verscheen het rapport van de Club van Rome, De grenzen aan de groei. Men wilde een ‘samenleving in balans’: gebaseerd op een stabiel niet-groeimodel. Men lanceerde een indrukwekkende publicitaire campagne. Vooral in Nederland sloeg dit in als een bom. De militante milieubeweging kwam op.
– Eerst vond een uittocht uit de stad naar de woonsteden op het platteland plaats (jaren zestig), dus een verstedelijking van het platteland en daardoor leegloop en verarming van de steden; bij de terugkeer van velen naar de stad (jaren tachtig) zag men een stad die onherkenbaar was veranderd. Nederland is steeds meer een ‘leeg’ landschap geworden: louter locatie voor economische activiteiten, zonder aanspraak op welke identiteit dan ook. Geen enkel Europees land kon zich meten aan de rijke Nederlandse traditie van ruimtelijke ordening, stedenbouw en landschapsarchitect. Nu kwam er bezorgdheid over het behoud van het karakteriserende Hollandse landschap. Er kwam in de ring van steden een open en groen gebied, de Randstad. Hierdoor werden de contrasten tussen stad en platteland definitief opgelost en geneutraliseerd. Nederland kent geen stad die overal boven uitsteekt, zoals Londen en Parijs in Engeland en Frankrijk. Amsterdam, Rotterdam en Den Haag zijn qua omvang nagenoeg gelijkwaardig.
– Het Deltaplan verhief het basispeil van vijf meter tot norm, ook voor rivierdijken. Dit leidde tot de landschappelijke uniformering van Nederland. Veel dijkwoningen werden gesloopt. Grote delen van het Nederlandse rivierengebied gingen teloor. De Oosterscheldedam is hét voorbeeld van Nederlandse compromissen: de natuur werd gered, de veiligheid gediend, de economie bevorderd en daaruit is een bouwwerk ontstaan dat tot de nationale trots behoort. Walcheren was het Nederlandse proefgebied van grootschalige herinrichting (ruilverkaveling). Schaalvergroting eiste een hoge tol. Veel als krot bestempelde boerderijen en huizen vielen onder de slopershamer, zonder enige vorm van protest. Hetzelfde gebeurde met de boomgaarden.
– Toen in 1957 de Tweede Kamer de Deltawet aannam stemden de kleine christelijke partijen tegen omdat het wetsontwerp centralisatie van bevoegdheden en inbreuk op de historische rechten van waterschappen veroorzaakte. Ruimtelijke ordening vind in ons land plaats op alle niveaus zonder centraal commando. Het resultaat is het midden van chaotische planning en geplande chaos. Zo kan het gebeuren dat door de rijksoverheid gelanceerde plannen lokaal of regionaal worden gedwarsboomd. Dit nam in de jaren zeventig alarmerende vormen aan voor de verstedelijking van West-Nederland. Een nieuw fenomeen werd gecreëerd: een stad zonder herkenbare vorm, zonder metaforische inhoud en zonder moralistische betekenis: Stad Nederland. Een stad die zij niet zozeer wensten, maar die ze eenvoudig zagen ontstaan uit de volledig gemotoriseerde samenleving.
– Olie, petrochemie en automobielindustrie: dat waren de stuwende economische sectoren in de periode 1945-1967. De spectaculaire expansie van de Rotterdams haven – de overgang van transitohaven naar een op industrie gerichte zeehaven – staat niet op zichzelf. Dit leidde ook tot nieuwe, aaneengesloten bedrijfsterreinen; in Rotterdam ontstond in korte tijd een ongekende omgeving van bijna 10.000 hectare haven- en industriegebied. Rotterdam was in 1962 de grootste haven ter wereld.
Plan 2000+ ging niet door: men wilde een Noordelijke Delta, zich uitstrekkend vanaf de Rotterdamse agglomeratie tot en met Goeree-Overflakkee en de noordwestkust van Noord-Brabant, met een uitbreiding van de Maasvlakte in zuidelijke richting inclusief Voorne-Putten en twee nieuwe vliegvelden in de Hoekse Waard en de Brielse Maas plus een schaamteloze uitbreiding van woongebied in de richting van Gouda en een geheel nieuwe stad in Goeree-Overflakkee van 500.000 inwoners (Grevelingenstad). Het was de meest uitgesproken technocratische visie die ooit voor Nederlands grondgebied is gemaakt.
– De aanleg van het rijkswegennet vanaf eind jaren zestig is het ruimtelijke gevolg van de toenemende dichtheid van economische activiteiten. De vrachtauto heeft het leeuwendeel van het totale goederen transport voor zijn rekening genomen. Dankzij een Amerikaanse technologische innovatie konden in één klap alle schakels van een transportketen (schip-haven-trein-vrachtauto-binnenschip) aan elkaar worden gekoppeld: de gestandaardiseerde laadkist.
– In Nederland was de euforie over de auto van korte duur. Het werd sneller dan in welk ander Europees land symbool van energieverspilling en milieuverontreiniging. Ondanks het collectieve wantrouwen tegen de auto leed de autohandel daar niet onder. Waar er in 1965 ongeveer 1,25 miljoen auto’s waren, was dat in 1980 al 4,5 miljoen. Spoorwegen werden teruggebracht van ruim 4500 naar 2500 kilometer, terwijl het aantal stations afnam van 323 tot 297. Het Nederlandse snelwegennet was geen aaneengesloten net; het was een brokkelig geheel, vol hiaten en knelpunten.
– Steden worden afgebroken zonder dat er iets stedelijks voor in de plaats komt; er komen grote kolossen van banken, kantoren en universiteiten of worden vervangen door autowegen en parkeergarages. De binnensteden werden systematisch verwaarloosd en uitgehold. Rotterdam was de eerste. ‘Realiseert gij U, Rotterdammer, dat vele der dierbaarste herinneringen aan wat in de Meidagen verloren ging, zich juist vasthechtten aan wat, nuchter bezien, slechts tekortkomingen waren van onze oude stad? (…) De grote brand heeft met één klap al datgene opgeruimd wat wij, Rotterdammers, niet eer hebben kunnen of willen ter zijde stellen’.
– Rotterdam kreeg een pregnant Amerikaans stadsbeeld, over de kwaliteit waarvan door Amerikanen overigens verschillend werd gedacht. Zo schreef de New York Times in 1967: ‘Arm onnozel Europa. Zijn eigen toekomst kan het nu al gaan zien in Los Angeles, Chicago en New York. Maar het is blind. Ze hebben ruimschoots de gelegenheid gehad te bestuderen wat een knoeiboel Amerika van allerlei zaken maakte. Een bezoek aan Europa levert de deprimerende conclusie op dat men daar niet alleen alles nadoet wat de Amerikanen jaren geleden verkeerd hebben gedaan, maar zich bovendien opmaakt om alles te gaan navolgen wat wij nu bezig zijn verkeerd te doen’.
– In Nederland werden tijdens de oorlog vijf grote binnensteden geheel of goeddeels verwoest: Rotterdam, Middelburg, Nijmegen, Arnhem en Groningen. In steden als Zwolle, Dordrecht, Amsterdam en Utrecht ging de grootschalige stadssanering ten koste van de daar nog wél aanwezige sociale en architectonische verbanden.
– Hoog Catharijne is het eerste grote bouwproject in Nederland dat als een vorm van publiek-private samenwerking is ontwikkeld en uitgevoerd. Het was een compositie van horeca, detailhandel, commerciële dienstverlening en cultuur die, door de enorme schaalvergroting van architectuur en infrastructuur, model heeft gestaan voor tal van soortgelijke projecten in Nederlandse steden. Hoog Catharijne was modern vanwege de losse binding met de stad en zet de bestaande binnenstad op afstand en reduceert die tot een perifeer, historisch waardevol stadsgezicht.
– Men wilde vlak na de oorlog de woningproductie niet extreem opvoeren, omdat op de lange termijn demografische prognoses een verlaging van het bouwprogramma waarschijnlijk maakten, met als gevolg het vooroorlogs spookbeeld van de werkloosheid. Tot tenminste de jaren tachtig heeft de kwantiteit de kwaliteit sterk gedomineerd. Architecten spraken bij voorkeur over de ‘opschorting van het particulier belang ten gunste van de gemeenschappelijkheid’; daarmee bedoelden ze dat het niet de wensen en voorkeuren van de individuele bewoners zijn die de vorm en inrichting van woonwijk en woning dienen te bepalen, maar de structuur van de maatschappelijke constellatie zelf. Twee krachten werkten op elkaar in: dominant is de ordening van de woningmarkt door de overheid, via huurprijsregulering, subsidiëring van nieuwbouw en planning van de bouwproductie. Tegelijk is er een niet-planmatig en ongecontroleerd proces van suburbanisatie, een toenemende ‘ruimtelijke sortering’ van de (rand)stedelijke bevolking op grond van inkomen, herkomst, mobiliteit, kennis en mentaliteit.
– Nederland onderscheidt zich van het buitenland door een massale keuze voor de eengezinswoning en een afkeer van hoogbouw (gezin is hoeksteen samenleving, hoog geboortecijfer). Soms werd wel de hoogbouw de hemel in geprezen door te wijzen op het collectieve, gemeenschapsvormende karakter ervan, gecontrasteerd met het zelfgenoegzame karakter van de eengezinswoning.
– De Bijlmer zou een nieuwe, moderne stad moeten worden, 90 procent hoogbouw. ‘Een stad zonder benzinedampen, een stad in het groen, maar dankzij goede verbindingen toch vlakbij het Amsterdamse centrum, een stad met woningen waarin men kan léven, met winkels die aantrekkelijk zijn en goed voorzien zijn en met ruimte om te spelen en te wandelen’. Maar de werkelijkheid was anders. De huren waren veel hoger dan in de 19e-eeuwse wijken en tegelijk kwamen er duizenden suburbane woonhuisjes in Purmerend en Almere gereed. De Bijlmermeer is heel snel symbool geworden van het verval der grote steden als gevolg van selectieve migratie (jonge alleenstaanden, allochtone immigranten en andere overwegend minder draagkrachtige en kleine huishoudens betrekken de vrijgekomen stadswoningen van het financieel draagkrachtige deel van de bevolking die in een landelijk gebied gaat wonen).
– Nederland kende een voor Europese begrippen uitzonderlijk laag sterftecijfer. De bevolkingsdruk en ‘het spook van de overbevolking’ bleven jarenlang de gemoederen beheersen en hebben geleid tot een actieve emigratiepolitiek. Tussen 1946 en 1960 vertrokken 377.000 landgenoten naar Australië, Nieuw-Zeeland, Canada en de VS. Een gevolg was dat er zelfs een tekort aan arbeidskrachten ontstond.
– De anticonceptiepil was bijzonder omdat de bijwerking – de ovulatieremmende werking – de hoofdreden werd voor het gebruik. Er kon worden gesproken van een dubbele acceptatie van de pil. Eerst door de vrouw, meteen vanaf het begin (1964), en daarna door de medische stand, die er aanvankelijk wel moeite mee had dat de bijwerking van een geneesmiddel een zelfstandig hoofddoel werd. Bovendien werd er in medische kring gewaarschuwd tegen mogelijke schadelijke gevolgen van veelvuldig pilgebruik. Was de pil aanvankelijk verwelkomd als een betrouwbaar middel tot gezinsregulering, later werd het een bewust gebruikt middel voor gezinsplanning. Twee kinderen, het natuurlijke vervangingsgetal, was de standaardnorm geworden. Minder mensen, meer welzijn, zo heette een rapport van de Staatscommissie Bevolkingsvraagstuk.
– Het was een ‘Gouden Kwarteeuw’ tussen 1948 en 1973; 1980-1990 was het ‘iktijdperk’. Het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking bleef achter blij de omringende landen, vooral België en Duitsland, waar géén geleide-loonpolitiek bestond en waar arbeiders meer betaald kregen voor hetzelfde werk. Twee Amerikaanse invloeden zorgden voor de consumptiemaatschappij: de nieuwe verkoopmethoden en de algemene aanvaarding van het consumentenkrediet (in Nederland stond deze vorm van kredietverlening van oudsher in het teken van armoede). ‘Gezellig winkelen’ groeide uit tot een geliefde vrijetijdsbesteding.
– ‘Bij je ouders introuwen’ werd een vaste uitdrukking, die tot diep in de jaren vijftig op vele gezinnen van toepassing was vanwege het forse tekort aan woningen. De overvolle jongens- of meisjesslaapkamer werd stilletjes getransformeerd in de ruime eenpersoonskamer per kind, die tevens de beschikking kreeg over eigen radio, pick-up (later CD-speler) of televisieset. In vergelijking met het buitenland was de zendtijd hier te lande ‘belachelijk laag’. In 1973 had 96 procent van alle Nederlandse huishoudens één of meerdere toestellen in huis. De televisie heeft het leefpatroon veranderd. Kleurenuitzendingen in 1967 veroorzaakte voor vele kijkers het probleem om te kiezen tussen hun oude zwartwittoestel of over te schakelen op kleur. De welvaart stelde echter velen in staat om de oude toestellen niet in te ruilen, maar onder de huisgenoten te verspreiden. Zo konden de kinderen voortaan hun huiswerk maken met een eigen televisie aan.
– De auto werd een statussymbool. Er ontwikkelde zich een goede tweedehands-automarkt. Het inruilen van auto’s werd een vast gebruik, waar niemand zich voor hoefde te schamen. Het aantal bromfietsen steeg gestaag tot twee miljoen in 1970, om daarna weer uit het straatbeeld te verdwijnen.
– Het aandeel gehuwde buitenshuis werkende vrouwen is in Nederland altijd lager geweest dan elders in Europa en veel lager dan in de VS. Hoewel het bedrijfsleven zat te springen om werkneemsters, en overwoog desnoods personeel uit het buitenland te halen, stelde het geen mogelijkheden open voor kinderopvang. De overheid stelde zich eveneens afstandelijk op. Er werden geen aparte maatregelen genomen voor de bevordering van crèches. Indirect hebben de thuiswerkende vrouwen, met gemiddelden van boven de vijftig uur per week voor allerhande huishoudelijk werk, wel flink bijgedragen aan de naoorlogse economie, door kostenloos hun mannen te verzorgen of voor andere werkzaamheden onbetaald en vrijwillig beschikbaar te zijn. Sommige auteurs zien hierin zelfs de stille basis voor de verzorgingsstaat, die nu sneller kon worden uitgebouwd. In 1937 stelde de toenmalige minister van Sociale Zaken, Romme, nog een algehéél arbeidsverbond voor gehuwde vrouwen voor.
– De verzorgingsstaat was een slim compromis tussen liberale en socialistische staatsopvattingen: staatsinterventie moest samen gaan met het behoud van de ondernemingsgewijze productie. Er was wel kritiek: van rechts dat het teveel aan staatsbemoeienis zou eindigen in het afschaffen van de westerse vrijheid en van links dat de aanhoudende economische groei geen grotere gelijkheid had gebracht. De verzorgingsstaat in Nederland was niet zozeer een kwestie van ‘maakbaarheid’, maar stukje bij beetje, stapje voor stapje, compromis na compromis ontstaan.
– Er was een streven naar gelijke kansen in het onderwijs en daarmee ook in de naoorlogse maatschappij. ‘Democratisering’ van het onderwijs betekende dat bijvoorbeeld ook arbeiderskinderen konden gaan deelnemen aan de hogere vormen van voortgezet onderwijs.
– De hbs was een afkorting van hogere burgerschool en was door Thorbecke bedacht voor de hogere middenklassen; ze bereidde leerlingen zowel voor op een universitaire studie als op een maatschappelijke functie in handel of industrie. De hbs was minder elitair dan het gymnasium en had vakken die meer bij de moderne samenleving pasten. Het was een zwaar programma die vijf jaar duurde. Dit onderwijstype zou model staan voor het latere atheneum. De hbs heeft zeer veel kandidaten afgeleverd die succesvol zijn geweest in de maatschappij en er bestaat tot de dag van vandaag bij vele oud-leerlingen een ‘heimwee naar de hbs’.
– Een tussenvorm tussen het ‘hoger’ en ‘lager’ voortgezet onderwijs vormden de mms (middelbaar onderwijs voor meisjes, vaak van goeden huize), de ulo (uitgebreid lager onderwijs) en de mulo (meer uitgebreid lager onderwijs). Laatste twee leidden vaak op voor administratieve functies.
– Het schoolsysteem wijzigde, behalve de gelijkstelling van openbare en bijzondere scholen. Een nieuwe schoolsoort was havo. De mavo werd voor goede leerlingen vier jaar, voor minder goede drie jaar, precies omgekeerd aan de vroegere ulo (de snelle leerlingen deden de ulo in drie, de langzame in vier jaar). De grote verandering van de Mammoetwet was dat de overheid haar greep op het onderwijs versterkte alsmede haar controle op de kwaliteit.
– De jaren zestig vormen nog steeds een ‘lastige periode’ voor historisch onderzoek. Er is nog geen bevredigende verklaring voor de plotselinge omslag in waarden, normen en gedragsvormen. Voor sommige historici waren de jaren zestig een tragische vergissing, voor anderen werd Nederland pas na die periode een moderne samenleving. Het is alsof een jonge generatie, aangestoken door de welvaart, als een wervelwind in de samenleving huisgehouden heeft, waarna alles ineens anders geworden is. Het probleem van de gelijktijdigheid is, niet alleen voor historici, lastig.
– Met vier uitgangspunten – de omslag naar een consumptiekapitalisme, de nieuwe publieke issues en actiemethoden, de onderlinge aantrekkingskracht van het buitensporige en de media, die zelf ook een nieuwe rol vervulden, en tenslotte de wisselende krachtsverhouding tussen contestanten, het gezag en grote groepen meekijkende burgers – kunnen de verschillende gebeurtenissen, acties en bewegingen in kaart gebracht worden.
– De maandelijkse demonstraties in 1965 te Amsterdam tegen de Vietnamoorlog konden niet rekenen op de sympathie van bestuurders en van de meeste politici, noch van het grote publiek. De betogers werden als gevaarlijke dissidenten gezien, die de eenheid van het Westen ondermijnden.
– In het voortgezet onderwijs gingen vele leerkrachten zich met ‘je’ of ‘jij’ laten aanspreken, waardoor het gezag van de leraar in de klas geheel nieuwe dimensies kreeg.
– Als algehele conclusie komt naar voren dat niet de welvaart op zichzelf de cultuuromslag van de jaren zestig heeft bewerkstelligd, want welvaart en welvaartsverbetering kunnen mensen net zo goed conservatief als progressief maken. Het is een specifieke combinatie van factoren geweest die de omslag begrijpelijk kan maken: de oude structuur van politieke vertegenwoordiging, die de nieuwe politieke kwesties en belangen onvoldoende en niet op tijd in zich kon opnemen; de elkaar versterkende kracht van nieuwe actievormen, nieuwe thema’s en nieuwe media, die gezamenlijk voor een snelle culturele spreiding zorgde van de nieuwe cultuur van opstandigheid; en tenslotte de subtiele driehoeksverhouding die door de bemiddelende rol van derden de balans tussen oude gezagsdragers en vernieuwende voorhoedes deed omslaan naar de zijde van de vernieuwing.

Gepubliceerd in februari 2010