Pedofilie-affaire

Op zaterdag 10 januari 1998 verschijnt in dagblad Trouw een brief van de gereformeerde kerkrechtdeskundige L.C. van Drimmelen waarin hij bekent pedofiel te zijn. Reeds om even na acht uur ‘s morgens is de gereformeerde synodepreses ds. R.S.E. Vissinga voor de radio te horen. Hij zegt veel begrip voor zijn collega te hebben en vindt de actie ‘moedig en dapper’. Hij meende dat ook pedofielen predikant zouden kunnen zijn. In een tv-programma de volgende dag brengen progressieve kerkleiders begrip op voor pedofielen.

De publieke opinie lijkt zich echter tegen de predikanten te keren, vooral omdat slachtoffers verontwaardigd aan de bel trekken. De indruk was ontstaan dat pedofiele praktijken werden goedgepraat.

Van Drimmelen verklaart op maandag geen pedofiel te zijn en zegt dit voorgewend te hebben.

Prof. K. Runia, vertolker van behoudende opvattingen binnen de GKN, stelt dat deze pedofilie-affaire niet als een op zichzelf staand incident moet worden beschouwd. De crisis zou volgens hem alles te maken hebben met de pluriformiteit van de GKN, waar op leerstellig en ethisch gebied steeds meer mogelijk was geworden. Algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond, dr. ir. J. van der Graaf, zet de crisis ook in een breder verband: ‘Ik zie de huidige crisis in de Gereformeerde Kerken als het sluitstuk van een ontwikkeling’.

In een gebeds- en verootmoedigingssamenkomst van het Confessioneel Gereformeerd Beraad in februari zijn zinnen te horen als: ‘Ik schaam me dat ik nog gereformeerd ben’ en ‘Je kunt het zo gek niet bedenken of het komt in de Gereformeerde Kerken voor’.

Het voltallige moderamen van de synode trad als gevolg van deze affaire af.

Advertenties