Abraham Kuyper

n.a.v. J.C. Rullmann, Abraham Kuyper. Een levensschets, Kampen 1928

Jeugd en studie
Predikantszoon
Kuypers vader, Jan Frederik, vertaalde een tractaat van A.S. Thelwall zo goed, dat hij van een onbemiddelde secretaris van het Tractaatgenootschap een studiebeurs kreeg om theologie te gaan studeren. Na eerst de Amsterdamse Atheneum te hebben doorlopen, ging hij naar Leiden. Hij trouwde met Henriette Huber en deed in 1828 intrede in zijn eerste gemeente Hoogmade. Daarna volgden Geervliet en Maassluis. Als predikant was hij een vertegenwoordiger van het ‘juiste-midden’, waarbij de scherpste en meest aanstotelijke punten van de gereformeerde leer werden afgeslepen. In 1837 werd op zondagmiddag 29 oktober Abraham geboren, als derde kind en eerste zoon.

Veel hersenen
De kleine Bram was een stil kind. Hij had een groot hoofd, waarover zijn ouders zich wel eens ongerust maakten, vrezend dat het een waterhoofd was. Een dokter stelde hen gerust: ‘Allemaal hersenen; als dit kleine lichaampje dat alles zal kunnen voeden, zal men nog wat beleven van die jongen!’ Kuyper hield van het water, hij was graag bij de sluiswachter en verdronk ook nog eens bijna. Het predikantsgezin vertrok in 1841 naar Middelburg. Kuyper wilde met alle geweld naar de kweekschool voor zeevaart. Zijn vader wilde dat hij predikant zou worden en nam een beroep naar Leiden aan, zodat hij daar theologie kon studeren.

Geïnteresseerd voor de politiek
Kuyper heeft nooit een lagere school bezocht, maar ontving zijn eerste opleiding van zijn vader en moeder. Toen hij aan het Leids Gymnasium ging studeren, was hij veel verder dan zijn medeleerlingen. Hier studeerde hij samen met de zonen van de Leidse hoogleraar A. Rutgers, waarvan er één zijn medestander in de kerkstrijd zou worden. Kuyper was zeer handig en had een praktische aanleg. Ook was hij al vroeg geïnteresseerd in de politiek. Hij las de krant met zoveel passie dat zijn vader het verbood om de krant nog langer te lezen. Maar hij nam stiekem een krant mee, ging naar de zolder en las ‘m daar van a tot z. Met name de dagen van de April-beweging waren hoogtepunten voor Kuyper; hij kocht elk vlugschrift die hierover uitkwam van zijn zakgeld. Kuyper was 15 toen hij al de felste anti-papist van Leiden was en een anti-Thorbeckiaan werd.

Kuyper was fijn in de omgang
Als zoon van een predikant met zeer bescheiden middelen kon Kuyper nooit meedoen aan geldkostende vermaken. Wat zijn studie ten goede kwam! Hij werkte hard; deed alles op gezette tijd en met grote regelmaat. Om half elf stond hij op, hij had zijn vaste wandeluren en ging nooit vóór twee uur naar bed. Kuyper beweerde dat hij pas na elf uur rustig ‘s avonds kon werken, als alles om hem heen stil was. De familie Kuyper woonde in Leiden op de Hogewoerd. Kuyper was vrolijk van aard, gezellig voor zijn omgeving en zijn luidruchtigheid stak het hele gezin aan. Een roeping tot predikant voelde hij in zijn eerste studiejaren nog niet. De literatuur trok hem bijzonder aan. In 1858 legde hij summa cum laude het kandidaatsexamen in de klassieke letteren af. Dit zou op zijn latere schrijfstijl van grote invloed zijn. Hij zou later een eigen Nederlands idioom scheppen.

Studie naar Calvijn en à Lasco
Zijn leermeester in de theologie, J.H. Scholten, was hem tot voorbeeld, met diens gespierde volzinnen en streng logische betoogtrant. Kuyper werd geboeid door diens modernisme. Zijn colleges werden druk bezocht. Het waren glorierijke dagen voor de moderne theologie. Ook al bleef Kuyper een diepe eerbied voor Gods Woord houden, toch werd hij aan de verzengende hitte van de twijfelgeest blootgesteld. Toen professor Rauwenhoff zo ver ging dat hij de opstanding van Christus loochende, applaudisseerden de studenten, inclusief Kuyper. Aan het einde van zijn studie kwam er een kentering in zijn geloofsleven. Het was eind 1858 toen er een prijsvraag werd uitgeschreven: men moest een oordeelkundige vergelijking van de visies van Calvijn en à Lasco over de kerk maken. Kuyper ging ermee aan de slag. Maar de werken van à Lasco waren nergens te vinden, zelfs niet in de rijkste bibliotheken van Londen of Petersburg. Daarom probeerde hij het bij private boekerijen. In Haarlem kwam hij zo bij een oude boekhandelaar. Die beloofde hem te zullen kijken in zijn voorraad, maar hij kon zich niet herinneren iets van à Lasco te bezitten. Wat bleek? Hij had een zo volledige verzameling van à Lasco’s werken, zoals die nergens te vinden was. Acht maanden besteedde Kuyper eraan, maar hij dacht er niet aan dat Calvijn en à Lasco ook voor zíjn tijd als waarheid zou kunnen gelden.

Eerste overspannenheid en lezen van roman als bekeringsmoment
Toen hij een gouden medaille voor dit werkstuk kreeg, kwam er voor het eerst de gedachte in hem op: ‘Zou ik iets meer kunnen dan een ander?’ Maar spoedig volgde de reactie. Zijn hersenen waren totaal overspannen, zodat de harde werker absolute rust moest nemen. Hij schafte gereedschap aan om een miniatuurschip te maken. Wekenlang was hij met dit minutieuze werk bezig, maar herstel bleef uit. Daarom ondernam hij een reis naar Duitsland. In deze tijd maakte hij ook studie van de Engelse taal. Hij begon een Engels boek te lezen, die veel indruk op hem maakte: De erfgenaam van Redcluffe, van Miss Yonge. Deze roman bewerkte zijn eerste bekering. Hij kreeg heimwee en dorst zo’n kerk te bezitten als in dat boek beschreven werd: ‘Een Moeder, die van der jeugd af onze schreden leidt’. Dat had hem ontbroken. Hier ontstond ook zijn voorliefde voor de vaste vorm, de hoge waardering voor het sacrament, de waardering voor de liturgie.

Gepromoveerd en bevestigd als predikant
In 1861 studeerde hij weer summa cum laude af in de theologie. Zijn eerste preek ging over Matth. 7:12. ‘Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo’. Zijn tweede preek ging over Jak. 1:27. ‘De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld.’ Zijn oorspronkelijke bedoeling was om een dissertatie te schrijven over het leven van à Lasco, maar door de ziekte die hem tien maanden kostte, maakte hij van de prijsvraag zijn dissertatie. Toen hij nog student was, werd er van Kuyper gezegd dat hij door de kerk zou vliegen. Maar omdat er een overvloed van kandidaten was, duurde het nog een jaar voordat hij een plaats had. Het viel hem niet altijd makkelijk een preek te maken, omdat hij nog niet helemaal uit de moderne strikken vandaan was. Vooral de Goede Vrijdagpreek was moeilijk, want hij zag Christus nog slechts als de grote Martelaar, en niet als de Middelaar. In 1863 deed hij intrede in Beesd, een dorpje in de Betuwe met de tekst uit 1 Joh. 1:7. ‘Indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander.’

‘Heer’ of ‘Heere’?
In deze tijd zei en schreef Kuyper ‘de Heer’. Maar in Leiden zei een hoogleraar: ‘Schrijf Heere!’ In de Utrechtse orthodoxie zei men echter: ‘Dat mag niet, dat is bekrompen, dat is Veluwsch! Wie dat doet, vergaapt zich aan de smalle gemeente’. Kuyper zegt hierover: ‘Als aankomeling volgde in dien wenk. Dit was verkeerd, ik beken het. Van achteren wraak ik dit zeer stellig. Ik had minder goedgelovig moeten zijn.’ Kuyper zou later zijn gebruik van ‘Heere’ onderbouwen: hij vindt dat ‘Heer’ betrekking heeft op een gebieder, maar dat ‘Heere’ een deftiger, plechtiger woord is en ‘recht eigenaardig de benaming der Godheid’ is. Dat de berijmde psalmen wel steeds ‘Heer’ bezigt, verklaart Kuyper uit de omstandigheid dat men voor dit doel de in de maat beter passende vorm had gekozen.

Predikant in Beesd
Onder invloed van betweters
In 1863 trouwde Kuyper met een ongelovig, werelds meisje, Johanna Hendrika Schaaij. Half modern, half orthodox, neigde hij toen reeds tot het Evangelie van het kruis. Zijn prediking won langzaam aan rijkdom van inhoud en beslistheid van overtuiging. In de kringen waarin hij verkeerd had was geen stem uit de diepte, geen gloed. Men vertelde hem dat er in Beesd een klein aantal ‘malcontenten’ waren, ‘betweters (…) die het elken dominee lastig maakten’. Maar Kuyper klopte ook bij deze mensen aan. Deze ‘fijne lieden’ stootten hem niet af. Hier vond Kuyper immers belangstelling voor geestelijke zaken, er was enorme bijbelkennis, veel meer dan hij zelf had en ze hadden een goedgeordende wereldbeschouwing. Zo kwam Kuyper ook bij een vrouw van in de dertig jaar, Pietje Baltus, arbeidersdochter. Het kenmerkende van deze vrouw was haar beslistheid. Ze wilde niet weten van het half-orthodoxe gedoe in de kerk. Zij was eerst ook sceptisch over Kuyper, maar toen hij bij haar aanklopte en ze twee uur met elkaar sproken, kwam er meer toenadering, al wilde ze hem geen hand geven bij het uiteengaan. Toen Kuyper aandrong gaf ze uiteindelijk een hand, niet om hem als predikant te groeten, maar als mens.

Onder invloed van de vromen
Kuyper kwam steeds terug en kwam onder haar invloed. In deze vrouw greep hij de kracht van het absolute. Hierop ging hij kennis zoeken in de boeken. Gunning trok hem aan, Chantepie de la Saussaye ook, maar ook al boeiden ze in hoge mate, ze bevredigden hem niet. Toen volgde een kennismaking met het geestelijk erfgoed van de vaderen. Dordt, Calvijn en Kohlbrugge ging hij lezen. Hij vond bij Calvijn de fundamenten. Wat hij in de Institutie las, was precies zoals de eenvoudige lieden in het Betuwse dorp hem hadden verteld. Calvijn had dus zo geschreven dat hij nog eeuwen na zijn dood in een vreemd land, in een vergeten dorpje, in een eenvoudig huisje, begrepen werd door een eenvoudig arbeidersgeslacht. Dit bracht Kuyper bij de overtuiging: Calvijn had een kerk gesticht, en door die vaste kerkvorm zegen en vrede verspreid in een uitgestrekt gebied. Zo leefden de herinneringen aan zijn dissertatie weer op. Wat hij toen als interessant maar niet relevant zag, ontdekte hij nu als een actuele waarheid. Pietje Baltus zou zijn latere kerkelijke en politieke ontwikkelingen afkeuren, maar Kuyper hield altijd haar portret op de schoorsteenmantel van zijn studeerkamer. Zij stierf in 1914.

Kerkstudie als prioriteit
Het gebrek aan vaste kerkvorm werd bij hem nu het Cartago delenda (een hardnekkig te bestrijden kwaad) van zijn persoonlijkheid. Zijn levensdoel werd nu de herstelling van de kerk die ons ten moeder kan zijn. Kerkstudie werd zo zijn lievelingsstudie. Hij gaf à Lasco’s werken uit met een voorrede van 121 bladzijden in het Latijn. In 1867 begaf hij zich voor het eerst in de kerkstrijd met een vlugschrift: Wat moeten wij doen, het stemrecht aan onszelven houden of den kerkeraad machtigen? Door Kuypers organisatorisch talent kwam er ook in Beesd een kiesvereniging tot stand.

Afscheid van Beesd
Kuyper vond ook dat de verhouding tussen landheer en landarbeider niet deugde, en werd dus al in Beesd democraat. In zijn pastorietuin stonden veel vruchtbomen. Alleen wat hij en zijn gezin nodig hadden, plukten ze; de rest was voor de armen. Kuypers vrouw was ook tot bekering gekomen. Samen met het dienstpersoneel werden ze dagelijks bijeengeroepen bij het lezen en bidden. In 1964 werd een eerste zoon geboren, in 1866 een tweede. In 1867 schreef hij in Heldrings tijdschrift een opstel over de predikantennood. Dit was de eerste spade in de grond voor de stichting van de Vrije Universiteit. 1867 kwam een beroep uit Utrecht. Hij deed afscheid met de vijfde bede uit het gebed des Heeren: ‘Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren’. Hij zei daarin dat het modernisme het schuldgevoel loochende, maar dat de orthodoxie erdoor beheerst werd. Een naburige predikant vond dat men ‘dat jonge predikantje van Beesd’ in de gaten moest houden. Een ander sprak erover dat hij in de wieg was gelegd om minister-president te worden.

Predikant in Utrecht
Eerste aanzet tot kerkherstel
Utrecht was voor Kuyper ‘een Sion Gods’. Utrechts naam was immers jarenlang aan de strijd voor rechtzinnigheid verbonden. Doedes en Van Oosterzee golden als orthodoxe professoren. Kuyper deed intrede met Joh. 1:14, over het Woord dat vlees is geworden en onder ons gewoond heeft. Hier klonk de eerste reformatieleus: ‘Of we tot kerkherstel of tot stichting eener nieuwe kerk ons moeten opmaken, tot bouwen zijn we in elk geval geroepen, hetzij dan naar het oud bestek, hetzij dan naar dien zuiverder stijl en verhevener bouwtrant.’ Met name bij de studenten was Kuyper populair. Kuypers witte strikje, boven de bef uitkomende, vond spoedig bij een deel van het jonger geslacht navolging.

De kerkvisitatieweigering
Kuyper woonde in Utrecht op het Vreeburg, later de Oude Gracht. Hij deed veel huisbezoek. Zijn wijk was de Lijnmarkt en omgeving. Hij sloeg geen huis over. Zijn catechisatieles was veeleisend. Men moest een volledige Bijbel aanschaffen, dus Nieuwe én Oude Testament, en hij kweekte een geslacht dat in Schrift en Belijdenis thuis was. Maandelijks leidde hij een onderwerp voor de Jongelingsvereniging in. Er werd wel gezegd dat van Utrecht de leiding moest uitgaan voor de kerkstrijd. Dit gebeurde dan ook bij de kerkvisitatie van 1868. De kerkenraad verklaarde hier niet aan mee te willen doen, omdat de handhaving van de belijdenis verwaarloosd werd. Dit was een openlijk breken met de kerkelijke regels. De synode zweeg echter. Groen van Prinsterer noemde deze wenk uitnemend. Chantepie de la Suassaye zei: ‘In de trouw der kerkeraden ligt de kracht der kerk’.

Contact met Groen van Prinsterer
Ook hier kwam het betreurenswaardige verschijnsel voor dat de overmaat van voorzichtigheid bij orthodoxe predikanten een schadelijke invloed had op de versterking van het ongeloof. Tot afzetting van Kuyper kwam het niet, maar hij werd wel door zijn Utrechtse vrienden uit hun synagoge geworpen. In deze tijd kwam Kuyper ook met Groen van Prinsterer in persoonlijk contact. Het was midden in de schoolstrijd. Kuyper sprak een rede waarin hij een pleidooi voerde om in het volksgeweten de kracht van het streven te zien. Groen zat onder zijn gehoor en hoorde met genoegen de man, die beter dan hij, het klavier van het volksgeweten kon bespelen. Groen zag Kuyper als zijn opvolger.

Conflict met Beets
Het vorstel van Groen om het woord ‘christelijke’ deugden uit de schoolwet weg te nemen, vond instemming bij Kuyper, want hij verklaarde dat het heersende staatsidee ‘satanisch’ was. Nicolaas Beets was het daar geheel niet mee eens en vond het spreken over ‘satanisch’ demonisch. Hij noemde het wegnemen van het woord ‘christelijk’ uit de wet een misdaad. Kuyper verbleekte. Groen zei nog eens dat hij het eens was met Kuyper. Beets en Chantepie zegden hun lidmaatschap van de Vereeniging van Christelijk-Nationaal Onderwijs op. Deze discussie moeten we in het licht zien van de mislukte poging van Groen om het onderwijs op te splitsen in de verschillende stromingen. Toen het onderwijs neutraal bleef, ijverde hij ervoor om dit te bestrijden, om het woordje ‘christelijk’, wat niet christelijk te noemen was, te verwijderen, en om eigen christelijke scholen op te richten.

Naar Amsterdam
Zo bleek nu al een principieel verschil tussen Kuyper en de ethisch-irenischen. Dit kwam ook openbaar bij de publicatie van een platenbijbel. Kuyper gebruikte citaten van orthodoxe theologen uit vroegere eeuwen, maar zijn belijdenis op de eerste pagina dat de Schrift Gods Woord is, wekte zoveel misnoegen, dat het hele project niet door kon gaan. Zo kwam Kuyper in Utrecht steeds meer in botsing met de academische leiders. Met name de grote invloed van Beets overschaduwde de uitwerking van zijn optreden. Waar Kuyper druk was met andere dingen, leed het preekwerk er niet onder. Stampvolle kerken had hij, ‘zelfs de middagdiensten werden nog druk bezocht’. Kuyper bezat een machtige stem en een intonatie waarmee elk woord geaccentueerd werd. De Utrechtse kerkvisitatiegeschiedenis had hem geleerd dat aan kerkreformatie moest voorafgaan een bewerken van de publieke opinie. Daarvoor leek hem de hoofdstad geschikter dan Utrecht. Zijn afscheidspreek ging over Conservatisme en Orthodoxie. De tekst was uit Openb. 3:11. ‘Houdt dat gij hebt’. Hij zei ondermeer: ‘Begraaf onze heerlijke orthodoxie niet in den verraderlijken kuil van een valsch conservatisme’. Zo vertrok Kuyper in 1870 naar Amsterdam.

Predikant in Amsterdam
Het ‘ruys’te en ‘knap’te
In Amsterdam was Kuypers vader geboren. In deze stad was onder invloed van het Reveil veel veranderd. De invoering van het kiescollege in 1867 deed de moderne predikant H.P. Berlage klagen en ach en wee roepen over deze nieuwe situatie. De modernen raakten namelijk hun machtspositie steeds meer kwijt aan de orthodoxen. Herhaaldelijk dienden de nu orthodoxe kerkenraadsleden aanklachten in tegen de prediking van de predikanten. Ouderling Ruys durfde het zelfs na afloop van een dienst publiekelijk te verkondigen dat de prediking uit de duivel was. Iets soortgelijks deed ouderling Knap een paar maanden later. Men zei daarom wel dat het in de Amsterdamse gemeente ‘ruyste en knapte’. In dit brandpunt van de kerkelijke strijd deed Kuyper in 1870 intrede, als eerste predikant die door het kiescollege beroepen was. Hij zei in zijn intreepreek: ‘We moeten verbouwen of verhuizen’.

Grote populariteit
De vromen in de hoofdstad konden niet geloven dat een man met zo buitengewone geleerdheid gereformeerd kon zijn. Nog op dezelfde avond als hij intrede deed, zongen ze op een gezelschap: ‘Niet één profeet is ons tot troost gebleven; / Geen sterv’ling weet, hoe lang dit duren zal.’ Sommigen waren zo verrast dat ze zeiden: ‘Hij is zeker op de reis van Utrecht naar Amsterdam gereformeerd geworden’. Een collega van Kuyper ging zover door een tegenpreek te houden en te zeggen: ‘Wie het Christus voor allen loochent, die is vervloekt’. Kuyper kreeg in Amsterdam de meeste kerkgangers. Vooral uit de lagere volksklasse, de werklieden, waren ruimschoots vertegenwoordigd. Als de kerkdienst om 6 uur ’s avonds begon, gingen sommigen al om 4 uur naar de kerk toe om een goed plaatsje te kunnen hebben. Als er een doopdienst was, waren er soms wel 80 dopelingen, omdat de gereformeerde ouders wachtten tot Kuyper een doopdienst zou leiden. ‘Zijn toespraken bij de doop waren eenig. Zóó hoorde men ze nergens anders’. Zijn catechismuspreken kenmerkten zich door frisheid. De catechisanten kregen een lijst met 400 psalmen voorgeschoteld die ze uit het hoofd moesten leren. Kuyper bezocht ook graag het weeshuis om toegang te krijgen tot het hart van de kinderen.

Oprichting van het Beraad
Voor zijn drukbezochte spreekuur stelde hij een assistent aan die alleen de belangrijke zaken er doorheen liet. Met de kerkenraad had Kuyper de handen vol. De modernen hadden daar nog het hoogste woord. Hij heeft hier debatteren geleerd. In die tijd spraken zeventien ouderlingen af om weg te blijven bij de moderne predikanten zover dat mogelijk was. Kuyper richtte in 1872 een vereniging op, Beraad, om gelijkgezinde kerkenraadsleden samen te brengen met het oog op de op handen zijnde vraagstukken. Kuyper vroeg in deze tijd aan Hoedemaker, predikant te Veenendaal: ‘Hebt gij den moed om naast mij te staan voor het gereformeerd beginsel?’ Toen reikte Hoedemaker de hand overtuigd dat de eenheid langs deze weg, of anders helemaal niet zou komen. Tussen Kuyper en Chantepie kwam het tot een breuk. Dit betekende een volslagen breuk met de ethische richting, waar hij dusver nog toe overhelde.

De Standaard
In Utrecht was Kuyper reeds begonnen met kerkelijke en politieke artikelen te leveren aan de toenmalige Heraut, die onder redactie van Schwartz stond. Na diens dood in 1870 trad Kuyper als hoofdredacteur op. Datzelfde jaar stichtte hij een vereniging die het blad kocht en besloot hij het weekblad om te zetten in een politiek dagblad, dat De Standaard ging heten. Het eerste nummer zou symbolisch verschijnen op 1 april 1872, 300 jaar na de inname van Den Briel. Er waren 5000 abonnees nodig, en dat werd gehaald. Kuyper wilde met Prins en Geus weer voor de standaard van Gods Woord strijden. Kuyper begon aan een werk dat zijn levenswerk zou worden. Ruim 45 jaar zou hij dit blad volschrijven. Ongelooflijk is de vormende en bezielende invloed die uit zijn hoofdartikelen en ‘driestarren’ is uitgegaan. Niet weinigen konden zeggen dat ze dag in dag uit alles gelezen hadden. Het had niet alleen rijke inhoud, maar was ook pittig, fris, eigenaardig bekoorlijk en volkomen helder, die het lezen altijd tot een genot maakte. Bavinck zei dat bij Kuyper al het goede van Bilderdijk, Da Costa en Groen van Prinsterer werd verenigd en dat Kuyper hen overtrof ‘in elasticiteit van beweging, in levendige voorstelling, in beeldrijke schildering, in dramatische handeling, in bezielende meesleepende kracht.’ Alle successen van de kleine luyden kunnen mede toegeschreven worden aan het werk van De Standaard.

Lid van de Tweede Kamer
In 1874 werd Kuyper door Gouda gekozen tot lid van de Tweede Kamer. Hij mocht echter geen predikant blijven, want de grondwet schreef voor dat geestelijken geen zitting mogen nemen. Maar daar wist Kuyper wel wat op: ‘Nu ja, maar ik blijf natuurlijk hier wonen; word tot ouderling gekozen en ben dan toch kerkraadslid.’ Maar hoe zit het met het preken? ‘Wel, daar zullen we een openbare vergadering van maken.’ Om de schijn van een godsdienstoefening te vermijden, werden op die gelegenheden toegangskaarten uitgereikt. In die bijeenkomsten legde Kuyper het boek Jesaja uit. Zo werd Kuyper dus in 1874 emeritaat verleend. Binnen een maand was hij al ouderling! Maar omdat hij eigenlijk nooit een vergadering kon bezoeken door zijn werkzaamheden in Den Haag legde hij het ambt van ouderling in 1876 neer.

Eerste periode als Kamerlid
Liberalen tegen Kuyper
In Den Haag werd Kuyper ‘door weinigen toegesproken, door velen gemeden’. Kuyper was niet erg thuis in dit wereldje. ‘Hij was de man niet voor kamermuziek, maar hij voelde zich geboren virtuoos op het breede klavier der volksconscientie’ te spelen en trok het register van de ‘vox humana’ ver uit. Twee jaar was Kuyper kamerlid. Hij leed bitter aan slapeloosheid. Tot diep in de nacht werkte hij, het hoofd met koude kompressen gedekt, om de hersens koel te houden. Onder de liberalen werden weddingschappen aangegaan wie in volle Kamerzitting de grofste belediging hem naar het hoofd durfde te slingeren. Toen Kuyper met de Bijbel in zijn hand het ‘wee u’ van Jakobus de rijken toeriep, steeg de verbittering zo hoog, dat Kappeyne van de Coppello de tirannieke woorden uitsprak: ‘Dan moet de minderheid maar onderdrukt worden.’ Kuyper kwam tegen dit liberaal despotisme vurig in verzet. Kuyper schreef in De Standaard meesterstukken van polemiek tegen de schoolwetswijziging van Kappeyne.

Een verhaal van Moody in de Kamer
Kuyper kwam in deze tijd in contact met de opwekkingsbewegingen in de Engelstalige wereld. Hij heeft in Londen Moody gehoord, die een treffend verhaal vertelde over de centrale staten tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Tegen de zuidelijken zeiden ze: ‘O, yes, we are quite southern men!’ en tegen de noordelijken: ‘O, yes, we are perfect northern men!’ Het gevolg was dat men door beide legers niet vertrouwd werden. De grensbevolking wilde een allemansvriend zijn. Dit voorbeeld gebruikte Kuyper om in de Tweede Kamer het kabinet-Heemskerk in 1875 tot een duidelijk ja of nee te bewegen in plaats van hun nietszeggende onduidelijkheden. Kuyper hoorde daar van Sankey een lied dat hem is bijgebleven:

Dare to be a straight-out man.
Dare to stand alone.
Dare to have a purpose firm.
Dare to make it known.

De Brightonbeweging
‘Durf te zijn een man van karakter, alleen te staan, een vastberaden plan te hebben, ermee voor de dag te komen’, zo luidt de vertaling. Kuyper woonde ook de tiendaagse Brighton-meeting bij, samen met onder andere Bähler, Hoedemaker en Huet. Daar nam hij deel aan een avondmaalsviering waarin verschillende nationaliteiten deelnamen, wat hem zeer trof. Hij genoot in Brighton een onuitsprekelijke grote zegen. Toen ieder de gelegenheid ontving in een tekst of psalmvers zijn gevoel uit te drukken zei Kuyper: ‘My cup is overflowing’. Brighton was een Bethel voor Kuyper. Hij noemde zelfs deze opwekkingsbeweging van zo grote betekenis, dat dit na de Reformatie niet meer gebeurd was. Hier zag Kuyper de kracht van de Heilige Geest, die belangrijker was dan vorm of leer.

Tweede overspannenheid en wegvallen van veel leiderfiguren
Een half jaar na dit bezoek aan Engeland kreeg Kuyper voor de tweede keer in zijn leven een ‘hooggaande zenuwoverspanning’. Zijn hoofd was moe en overwerkt, hij was buiten staat ook maar iets te doen. Hij kon geen brief meer schrijven en geen bladzijde meer lezen. Hij had in nog geen tien jaar tijd al meer dan veertig geschriften het licht doen zien, een bovenmenselijke prestatie. En terwijl hij naar het buitenland ging om te genezen, nam de oppositie met de dag toe. Dit was een zware beproeving voor Groen van Prinsterer. Zijn 38-jarige opvolger was nu misschien wel ongeneeslijk ziek. Bovendien overleden in deze tijd nog drie andere vooraanstaande mensen: Doedes, Mackay en Van Loon. Het moet voor Groen moeilijk zijn geweest deze jonge krachten en oude vrienden te zien wegsterven. Groen nam het plan op zelf weer in het strijdperk te treden. Maar op 19 mei 1876 ontsliep ook hij. In juli overleed Heldring. Binnen een half jaar was zo een reeks van mannen weggevallen, waarop het gereformeerde volksdeel hun hoop had gevestigd.

Bergbeklimmen in Zwitserland als geneesmiddel
Maandenlang duurde Kuypers ingezonken toestand. In het Zwiterse hooggebergte zond hij de bede op: ‘O mijn God! Stil de stormen, die mijn ziel ontrusten!’ Onverwacht kwam er een keerpunt in zijn ziekte. Omdat ze geen rijtuig konden krijgen moest hij een heel stuk gaan lopen. Het was twee uur de berg af en dan weer twee uur er op. Deze inspanning gaf zo’n weldadige ontspanning aan zijn lichaam en geest dat Kuyper voor het eerst in maanden weer een goede nachtrust genoot. Vanaf dat ogenblik werd hij een fervent bergwandelaar. ‘Het wandelen onder de groote menschenmassa die zich in de straten van Londen beweegt en het bestijgen van de hooge bergen in Zwitersland, zijn de eenige dingen die mijn zenuwgestel tot rust brengen. In Londen gevoel ik mij onder die dwarrelende menschenzee een vergeten mensch. En op de bergen leer ik nog iets anders. Bij het stijgen bemerkt men, dat het vergezicht steeds schooner en heerlijker wordt. Daarom die drang om altijd hooger te klimmen.’ Overigens had Kuyper altijd twee geoefende gidsen bij zich, want bergbeklimmen is gevaarlijk. Na genezing schreef hij in De Heraut een meditatie over Ps. 42:8. ‘De afgrond roept tot de afgrond, bij het gedruis van Uw watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.’

Het werk weer opgepakt
Na ruim een jaar was Kuyper weer in staat naar Nederland terug te keren en kwam er een eind aan dit ‘jaar mijner ballingschap’. Onder de naweeën van zijn ‘neurasthenie’ heeft Kuyper nog zes jaar lang geleden. Hij gaf het Kamerlidmaatschap op. Nu ontving hij beroepen van Amsterdam, Ridderkerk, Bruinisse, Oosthem, Kampen en Sloten. Met name het beroep naar het Friese Oosthem woog hem zwaar. Het was één van de rijkste predikantsplaatsen (hier kreeg de predikant het hoogste traktement van het land). Men was bereid tot veel inschikkelijkheden, om het hem mogelijk te maken hoofdredacteur van De Standaard te blijven. Toch bedankte hij uiteindelijk na een vasten- en bededag in huiselijke kring. Hij besloot nu ook De Heraut weer uit te gaan geven (eind 1877). Hier verschenen in 1878 bijbelstudies over de volmaaktheid, waarin Kuyper de dwaling van het perfectionisme bestreed en ‘met diepe smart erkende in zijn opvatting van de Brightonbeweging te hebben misgetast’. Wellicht dat door zijn komende overspannenheid hij toentertijd geen helder oordeel kon geven.

Voor school, kerk, partij en universiteit
Opnieuw schoolstrijd
Van liberale zijde werd een nieuwe aanval gedaan op de christelijke scholen. Kappeyne van de Coppello was minister geworden en diende een wetsontwerp in dat de strop dreigde te worden voor het christelijk onderwijs. Kuyper organiseerde hierop een algemeen petitionnement. Hij liep hier zijn veldheerstalent zien. Dag aan dag leverde hij strijd met de bladen van de tegenpartij en striemde hij met fijne ironie in zijn artikelen allen die de voorstanders van de School met den Bijbel te na kwamen. In vijf dagen tijd tekenden 305.000 mensen het Volkspetitionnement. Maar de koning tekende de wet toch. Maar de beweging die op gang was gekomen was zo waardevol dat door middel van de collecten het de goede kant opging met het christelijk onderwijs.

Antirevolutionaire Partij en Vrije Universiteit
Toen Groen overleed, dacht Kuyper er niet aan hem op te volgen. Hij wilde van deze man een organisatie maken: de antirevolutionaire partij. Het volkspetitionnement had laten zien hoe sterk het christelijke volksdeel was en daarom was samenbundeling en organisatie nu geboden. Hij schreef Ons Program (1300 bladzijden). Toen Heemskerk in 1876 door een nieuwe wet de theologische faculteit omzette in een faculteit van godsdienstwetenschap, moest er ook iets gebeuren met het hoger onderwijs: de Vrije Universiteit werd gesticht. Kuyper en Rutgers waren de eerste theologische hoogleraren. De verhouding tussen Kuyper en Rutgers was als tweelingbroers. In het koor van de Nieuwe Kerk op de Dam in Amsterdam vond op woensdag 20 oktober 1880 de plechtige opening van de VU plaats. Kuyper sprak hier zijn magistrale rede uit over de ‘souvereiniteit in eigen kring’. Kuyper zei later dat hij hoopte dat de VU jonge mannen zou voortbrengen ‘als de Puriteinen van ouds, onverzettelijk en onwrikbaar pal, die als de Old Covenanters (…) desnoods met den levenden Duivel man tegen man durven strijden.’

Kerkstrijd nadert haar climax
De kerkstrijd kreeg een climax toen in 1883 de proponentsformule werd gewijzigd, die de strekking had om het belijdende karakter van de kerk op te heffen. Ouderling Kuyper organiseerde snel hierop een samenkomst voor kerkenraadsleden uit het hele land. Hier werd aangenomen dat het kerkverband van 1816 moest worden afgebroken, waar de Gereformeerde Kerken hierdoor zouden belet worden Koning Jezus, overeenkomstig haar belijdenis, als de enige Soeverein in Zijn Kerk te eren. In hetzelfde jaar gaf Kuyper zijn Tractaat van de Reformatie der Kerken uit, op Luthers vierde eeuwfeest. Een voorval dat Kuyper nooit meer zou vergeten was in 1885, toen hij in een bidstond in Den Haag voorging in een kerkgebouw van de Waalse Gemeente, omdat de Kloosterkerk hem geweigerd was. Nooit heeft Kuyper zo bezielend gesproken als op deze gelegenheid. Kuyper eindigde zijn preek met deze woorden: ‘Gebeden, gesmeekt, aangeroepen dan den God van ons vertrouwen; maar eer ik u in die smeekinge voorga, roept zelven in uw lied naar den Hooge, en heft aan uit Psalm 74 de verzen 18 tot 22.’ In deze verzen komen de volgende regels voor:

Geef ’t wild gediert’, dat niets in ’t woên ontziet,
de ziele van Uw tortelduif niet over.

Beschouw, herdenk Uw vastgestaafd verbond (…)
Het land is vol van duist’re moordspelonken.

Dat elk verdrukt’ Uw bijstand eens erlang’,
laat, laat Uw volk niet schaamrood wederkeren.

Rijs op, o God, rijs op, toon Uw gezag!
Betwist Uw zaak, wees onze Pleitbeslechter.

Het woest getier van Uwe machtbestrijders
stijgt telkens op tot voor Uw hemeltroon.

De Doleantie
Kuyper was, als aanvoerder van de ‘bezwaarden’, het mikpunt van vijandschap. Zo zei een kerkenraadslid uit Amsterdam dat Kuyper ten onder moest; hij noemde hem een tiran, hoopte dat hij zijn Moskou zou krijgen, wenste hem een Waterloo toe om op St. Helena hem daar een kerkje te gunnen. Op de eerste zondag na de schorsing, 10 januari 1886, ging Kuyper ’s avonds voor in het lokaal ‘Plancius’. Het was zo vol, dat velen er niet in konden. Er stonden zoveel teleurgestelde kerkgangers op straat dat hij zich geen weg door de schare kon banen. Toen hij vroeg aan een politieagent om hem naar binnen te helpen weigerde hij. Toen Kuyper bleef aandringen, vroeg de agent: ‘Wie bent u dan?’ ‘Kuyper’. Nu maakte de geschrokken agent meteen ruimte. Kuyper preekte over de tekst ‘Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.’ Opzettelijk zweeg hij over de dingen die de afgelopen week gebeurd waren, want hij wilde vermijden al wat de hartstochten ook maar enigszins prikkelen kon. De volgende zondagen waren er mensen die ’s ochtends eten meenamen en bleven zitten zodat ze ’s avonds verzekerd waren van een plaats.

Ook scheuring in ARP
Op het Kerkelijk Congres in 1887 was er geen klank van gejubel, maar een diepe toon van een ziel, die zich neerbuigt en onrustig in zichzelf is. Kuyper las Ps. 130, een lied uit de diepte, wat indruk maakte. Dit Congres gaf de stoot voor de afwerping van het juk van de synodale hiërarchie in vele plaatsen in Nederland. In 1888 kwam het eerste rechtse kabinet tot stand, het ministerie-Mackay: tien jaar nadat Kuyper in 1878 had voorspeld dat de antirevolutionairen over tien jaar in de regering zouden zitten. De kiesrechtstrijd bracht verwijdering tussen Kuyper en Lohman. Kuyper had het volk achter de kiezers nodig, waarin Groen ook eenmaal zijn kracht had gezocht. Lohman en de meer aristocratische groep van de antirevolutionairen was echter tegen dit ‘sturen in democratisch richting’. Dit leidde tot een scheuring in de partij: de Christelijk-Historische Unie ontstond. Kuyper werd in datzelfde jaar langdurig ziek: pleuritis en pneumonie, ontsteking aan het borstvlies en aan de long. Genezing werd in het Franse Pau gezocht. Bij terugkomst schreef hij in De Heraut een meditatie over de tekst: ‘Geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek’. Begin 1895 kwam hij weer in de Tweede Kamer, ditmaal voor Sliedrecht. Nu begon de glorieuze periode van zijn parlementaire werkzaamheid. Kuyper was echter weinig aanwezig; hij was een drukbezet man. Moeilijk had hij het wel weer. Zo zegt iemand: ‘In onze politiek-godsdienstige geschiedenis der laatste 25 jaar is er mogelijk niemand geweest, die aan zooveel afbrekende kritiek, zoo’n strenge censuur, aan zulke gepassioneerde aanvallen heeft bloot gestaan als Kuyper.’

Blik in zijn studeerkamer
In 1897 verscheen er ter gelegenheid van het 25-jarige Standaard-jubileum een nummer onder redactie van de het gezin van Kuyper. Zijn oudste dochter beschreef zijn studeerkamer: Kuyper was daar als een chemicus in zijn laboratorium, als een stuurman aan het roer, als een generaal in zijn legertent. Vader mocht niet gestoord worden van ’s morgens negen uur tot half één: dat waren zijn schrijfuren. Als Kuyper schreef, was dit niet na aantekeningen gemaakt te hebben, nee, hij nam zijn papier voor zich, en uit ‘de saamgedrongen veelheid der gedachten groepeerden zich’ de woorden. Bij recensies ging Kuyper altijd als volgt te werk: eerst een goedkeurend gedeelte, en dan steevast: ‘Toch rijst de vraag…’, waarna het tweede, kritische gedeelte aanving. Kuyper hield zich met allerlei interessante dingen bezig. Hij had globes, een afbeelding van de sterrenhemel en een telescoop op zijn studeerkamer staan. In 1898 vertrok Kuyper naar de Verenigde Staten van Amerika. Hij was daar om de Stone-lectures te geven: lezingen nadat hij van de Universiteit van Princeton een eredoctoraat in de rechten zou ontvangen. Bij deze gelegenheid reisde Kuyper Amerika door om dit land te bezien.

Elke dag twee uur wandelen
Kuyper was hoogleraar aan twee faculteiten: de theologie en de Nederlandse letterkunde. Er bestond betrekkelijk weinig contact tussen Kuyper en zijn studenten. Wel werd de student die ’s zondagsavonds aanbelde met gulle vriendelijkheid ontvangen, maar het was meer een bezoek aan de familie dan met de professor zelf, die immers, na een kort onderhoud uittoog voor zijn avondwandeling. Buiten de maaltijden waren er weinig uren dat hij in huiselijke kring verkeerde. Slechts enkele avonden in het jaar, zoals op de feestdagen als er gasten verwacht werden, was hij in de woonkamer te vinden. Gewoonlijk ging hij elke dag om acht uur wandelen. Niemand mocht hem dan vergezellen. Want in plaats van zijn geest in deze stille uren (steevast twee uur per dag) te laten rusten, stelde hij Standaard-artikelen op of herdacht hij de gewichtige kwesties van de dag. Zo waren zelfs de schijnbaar nutteloze uren voor zijn politieke werk van grote betekenis. Op 25 augustus 1899 stierf Kuypers vrouw op 57-jarige leeftijd. ‘Nu is de poëzie mijn leven uit’, zei Kuyper.

Kuyper als hoogleraar
‘Preeken voor Bram’ was een ramp voor de studenten. Regel was dat men twee weken van tevoren op zondagmiddag bij Kuyper op de studeerkamer moest komen, om de preekschets te laten zien. Één student, die dit in strijd achtte met het vierde gebod, verzocht Kuyper om de volgende dag te mogen komen. Kuyper klopte hem op de schouder en zei: ‘Je moet je geweten nooit geweld aandoen. Kom maar bij me zaterdagmiddag in de senaatszaal.’ Kuyper was bij de proefpreek gezeten op de voorste collegebank. De preek moest uit het hoofd gememoriseerd worden, de studenten mochten maximaal drie keer op het blaadje kijken. Een student die zag dat Kuyper een dutje scheen te doen, maakte van deze gelegenheid gebruik door een paar keer vaker op het blaadje te kijken. Maar hij keek lelijk op zijn neus toen Kuyper na de preek feilloos wist te vertellen hoe vaak hij op het manuscript gekeken had. Kuypers kritiek kon meedogenloos en ontmoedigend zijn. Een goede preek vond hij: het leggen van het volle Woord van God voor de ziel van Zijn volk. Kuyper hekelde de ‘dorre begripswerkers’ die hij ook in de Gereformeerde Kerken signaleerde. Zulke predikanten lijken op iemand ‘bij wien een hongerige komt, en die nu zegt: Man, je hebt brood noodig, en dat brood bestaat uit deeg, hetwelk uit graan bereid wordt, en waar water bij noodig is. En die dan, als hij dat alles automatisch den man heeft voorgehouden, vraagt: En hoe smaakt het nou?’

Kuyper als minister-president
Zwaar geschut
Wat dertig jaar geleden nog een onmogelijkheid leek, was mogelijk bij God: in augustus 1901 kwam het ministerie-Kuyper rond. ‘Er was in ons land een burgeroorlog gevoerd, wel onbloedig, maar een burgeroorlog toch’. Kuyper kon nu als eerste dienaar van de Kroon zijn ‘heerlijk program van het Christelijk Staatsrecht’ in Nederland gaan ontwikkelen. De eerste Troonrede ‘klonk als een klok (…) Onze Tweede Kamer hoorde taal, zooals wellicht nooit te voren’. Een krant sprak van ‘het donderen van het zware geschut’. Kuyper vertrok van de Keizersgracht in Amsterdam naar de Kanaalstraat in Den Haag, waar hij de rest van zijn leven zou wonen. Kuyper was de eerste die niet in het Torentje huisde; hij liet in het ministeriegebouw een andere kamer daartoe inrichten. Op klaarlichte dag liet Kuyper alle gordijnen dichtschuiven en deed hij kunstlicht aan: dat vond hij het fijnste.

Internationale bekendheid
Kuyper ging meteen toen hij premier werd naar Engeland om te bemiddelen in de Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Of hij oorzaak is geweest van het sluiten van de vrede, weten we echter niet. Ook werd Nederlands stem weer gehoord in de wereld. Kuyper verscheen vaak in het buitenland en werd alom bekend, iets wat eerdere premiers niet deden. Ook liet Kuyper zich door de pers interviewen. Toen koningin Wilhelmina in 1902 ernstig ziek werd, nam deze kwestie al zijn tijd in beslag. Als ze zou komen te overlijden, was het Oranjehuis namelijk ten einde. Dit zou een nationale ramp zijn. Hier moesten maatregelen voor getroffen worden. Een andere ramp dreigde met de beruchte spoorwegstaking van 1903. Maar de regering stond pal tegen deze aanslag op de orde in de staat. Zonder een druppel bloed werd de ‘misdadige woeling’ gekeerd.

Einde ambtstermijn
De grote vijandschap brak ook los. Heel de liberale wereld riep: ‘Kuyper moet er uit!’ Kuyper was voor hun het grote gevaar, Kuyper en de calvinistische roofvogel. In 1905 lukte het de oppositie: Kuyper leed een verkiezingsnederlaag en moest aftreden. Slechts de helft van het program kon worden afgewerkt. Het belangrijkste was dat Kuyper de ‘effectus civilis’ voor de VU had gekregen. Eigenlijk was dit een rustpunt in zijn leven. Dit sloot een periode af. De VU kreeg promotierecht en was nu een volwaardige universiteit, naast de Rijksuniversiteiten. In 1905 presteerde Kuyper het ook om de Technische Hogeschool van Delft te openen.

Reis om de Middellandse Zee
Kuyper vatte na zijn premierschap het plan op een grote reis te ondernemen. Hij keerde dus niet in de oppositiebanken terug. Hij ging op wereldreis. Kuyper had al wel iets van de wereld gezien: België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Noorwegen, Zweden, Engeland, Zwitserland en Amerika had hij al bezocht. Zijn reisdoel nu was om kennis te maken met de religieuze, sociale en politieke toestanden in de verschillende streken van Europa, Azië en Afrika, die de oude Wereldzee omzomen. In negen maanden tijd reisde hij de driehoek Odessa-Karthoem-Tanger langs. Deze reis was een ware zegetocht. Kuypers naam was overal bekend geworden. Hij vond in het buitenland waardering, die hem in eigen land onthouden was, en daar was hij kinderlijk blij mee. Deze periode van reizen was geen periode van nietsdoen. Hij maakte veel studie. ’s Morgens vroeg op bed studeerde hij al en hij schreef gewoon door voor De Standaard. Zijn reisindrukken werden gebundeld in het boek Om de Oude Wereldzee, een boek dat bijna was mislukt. Bij de schoonmaak van Kuypers werkkamer had namelijk zijn dienstbode de in enveloppen geborgen gegevens van zijn reisdocumenten bij vergissing naar de prullenmand verwezen. Gelukkig konden 3/4 deel van de stukken bij de papierhandelaar nog worden teruggevonden. In de zomer van 1906 keerde hij in Nederland terug. In Maassluis, zijn geboorteplaats, werd hij toegezongen uit zijn lievelingslied:

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou.
Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op de HEER’, godvruchte schaar, houd moed!
Hij is getrouw, de bron van alle goed.
Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer.
Wacht dan, ja wacht, verlaat u op de HEER’!

Minister van Staat
In 1907 kreeg Kuyper een eredoctoraat van de Technische Universiteit (toen nog ‘Hogeschool’) van Delft. Hij ving ook weer een reeks artikelen in De Heraut aan, met als opschrift ‘Pro Rege’. Kuyper liet zich ook horen op een congres tegen nachtarbeid. Hij vond de nachtrust een ordinantie van God. Toen hij zeventig jaar werd in 1907 schreef de wet voor dat hij als hoogleraar moest aftreden. Maar hij had nog voldoende lust en kracht om door te gaan. In 1908 werd hij tot Minister van Staat benoemd. In dat jaar werd hij door Ommen in de Tweede Kamer gekozen. Hij moest zich in 1909 verantwoorden voor een tijdens zijn premierschap toegekende ridderorde. Hij gaf toe onvoorzichtig te zijn geweest en trok het boetekleed aan. Na onderzoek werd hij vrijgesproken van corruptie. ‘Ook deze groote in Israël bleek nu een mensch, met menschelijke zwakheden behept’. In 1912 nam Kuyper afscheid van de Tweede Kamer wegens toenemende ‘hardhoorendheid’. Hij werd een jaar later lid van de Eerste Kamer, zodat het zwaartepunt van de antirevolutionaire politiek van de Tweede naar de Eerste Kamer werd verlegd. Hij ging nog steeds op pad om politieke lezingen te houden. In 1913 zag hij donkere wolken samenpakken boven Europa: ‘Boven Europa pakt zich een onweder saâm, waarvan de losbarsting ontzettend zal wezen.’ Kuyper had een grenzeloze sympathie voor Duitsland.

Hoe heeft hij dit allemaal kunnen doen?
Kuypers oudste dochter vertelde op zijn 80e verjaardag over de werkmethode van hem. ‘Hoeveel malen mij reeds gevraagd is, hoe het toch mogelijk is, dat mijn Vader, zijn leven lang, en tot op dezen zijnen hoogen leeftijd toe, zoo ontzaglijk veel heeft kunnen arbeiden, ik weet het niet.’ Ze spreekt over ‘Titanenkracht’. Op zijn verjaardag keek ‘Mijn Vader op zijn horloge, verlaat kinderen en feestdisch en gaat op zijn studeerkamer proeven zitten corrigeren.’ ‘Ons offer aan gezelligheid en huiselijk verkeer moeten wij (…) brengen op het altaar van de groote zaak, waaraan mijn Vader zijn leven gewijd heeft.’ Ook beschrijft ze de werkdag van Kuyper. Hij ontbijt alleen, op zijn studeerkamer. Precies negen uur gaat hij aan zijn werk. Hoofdartikelen schrijven voor De Standaard en De Heraut. Het bedenken van die artikelen is de vorige dag reeds gebeurd tijdens het wandelen. Kuyper wandelde precies twee uur per dag, om fris te blijven voor zijn werk. Hij gaat het liefst alleen en langs precies dezelfde wegen, zodat ieder z’n horloge erop gelijk kan zetten. Zo geroutineerd was Kuyper dat hij elke dag twee uur vol wandelde. Had hij ’s middags anderhalf uur gewandeld, dan wandelde hij ’s avonds nog precies een half uur.

Punctueel
Kuyper schreef zijn artikelen voor De Standaard en De Heraut altijd weken, soms maanden vooruit. Kuyper vond namelijk dat een journalist altijd vooruit moet werken. De krant moet niet dwingen of jachten. Na twaalf uur begon Kuyper asterisken te schrijven. Het schrijven van asterisken of driestarren was zijn lievelingswerk. Het kostte hem geen inspanning, hij genoot ervan, strooide ze uit zijn pen. ’s Middags of ’s avonds schreef Kuyper nooit, alleen in ‘den geweldigen tijd der Doleantie’. Na het middagmaal rustte Kuyper eerst. Daarna werd allerlei licht werk gedaan. Er komen mensen, om hem te spreken, of Kuyper zoekt mensen op en ’s middags verzorgt hij de correspondentie. Om half vijf precies begint de middagwandeling. Zo punctueel was Kuyper dat hij voor z’n tweede kopje thee ’s avonds precies vertelde over hoeveel minuten die moest komen. Na het avondeten was het tijd voor het corrigeren van de drukproeven. Na het theeuurtje gaat hij zijn nog ongebruikte twee uur wandeltijd afwandelen. Precies half elf is hij weer thuis. Geen minuut later. Als de klok half elf sloeg, belde hij aan de voordeur. Kuyper nam drie vakanties elk jaar: de kerstvakantie en paasvakantie, beide iets langer dan een week, en de grote vakantie in de zomer. Om zijn vakanties doeltreffend te doen zijn ging hij naar het buitenland. Op de zondagmorgen schrijft Kuyper zijn meditaties voor De Heraut.

Tragiek van zijn levensavond
Kuyper was een ‘wondermensch’. Iemand noemde hem ‘een tegenstander, die tien hoofden en honderd armen bezit’. Kort na z’n 80e begon het grote lijden van zijn oude dag: het stuk voor stuk moeten neerleggen van zijn hartstochtelijk geliefd levenswerk. Dit was de grote tragiek van Kuypers levensavond, dat hij al zijn machtige strijdwapens één voor één moest inleveren. Eerst moest worden opgegeven het schrijven van boeken; toen het spreken in het openbaar, toen De Standaard, toen heel het publieke leven. De machtige werd machteloos. Dit is dan ook wel de prediking van Kuypers levensavond genoemd, dat de mens, hoe groot ook tijdens zijn leven, stof is en God alles is. Op 8 november 1920 overleed hij en werd op de 12e begraven op Oud Eik en Duinen. In broederlijke gezindheid met Idenburg werd Hendrik Colijn zijn opvolger.

Kuypers betekenis
Religie, Bijbel, Kerk
De diepste grond en samenhang van alle dingen ligt voor Kuyper in God. God is de centrale macht, die erkend moet worden. Van de schriftkritiek moest hij niets hebben. Dit ‘critische haspelen verteerde al den tijd, dien onze godgeleerden voor de geestelijke bearbeiding van het volk zoo dubbel noodig hadden’. Kuyper streefde ernaar belijdende kerk te zijn. Calvijns kerkvorm was voor hem een zegen en vrede brengend iets. Kuyper wierp met de leer van de pluriformiteit van de kerk nieuw licht op de tegenstelling tussen de ware en de valse kerk, terwijl hij ook met zijn onderscheiding tussen kerk als instituut en organisme aan veel verwarring een einde maakte. Kuypers standaardwerk Onze Eeredienst heeft aangetoond op welke wijze de gezuiverde kerkidee moet worden belichaamd.

Zending, Gezin, School
Kuyper pleitte voor het weer opnemen van de zending in de kerk, omdat die tot dusver in handen van particuliere verenigingen was. Kuyper werd wel genoemd ‘de man van het gezin’. Hij zag het gezin als ‘een wondere schepping Gods’. Hij vond dat, als je antirevolutionair wilde zijn, je dat allereerst moest zijn in je eigen gezin. Kuyper spreekt over huisgebeden, huiscatechisatie en huiskerk. Hij wijst de vrouw op haar erepositie en op de vrouwen in de Heilige Schrift. Zelfs ‘het gestoei en het krakeel in de broertjes-en-zusjes-wereld’ schenkt hij aandacht. Bij het gezin sluit zich de school aan, die daarom eigenlijk aan de ouders behoort, en niet aan de staat. Kuypers artikelen over de schoolkwestie zijn meesterstukken van polemiek. Kuypers blik omvatte meer dan de lagere school. Hij was ook de geestelijke vader van de Vrije Universiteit. Eerdere pogingen tot een christelijke universiteit waren mislukt, maar dit was ‘een geloofstuk’ dat het lukte. Hij werd hoogleraar en gaf vakken als Hebreeuws, Asthetiek, Nederlandse Letterkunde, Dogmatiek, Homiletiek en Exegese. Nooit zullen de leerlingen vergeten het gebed dat aan het einde van de colleges werden opgezonden en ‘waarin hij hen als op vleugelen meevoerde tot voor den troon Gods, om hen met een geloovig Amen weer te plaatsen in de volle werkelijkheid van het leven.’

Dogmatiek
Zijn colleges Dogmatiek waren het allerbeste. Niets was voor hem pijnlijker dan het gerucht dat de preken van zijn leerlingen intellectualistisch waren. Hij vond namelijk dat intellectualisme samen met mysticisme en prakticisme tot de kleine vossen in de wijngaard behoorde. Kuyper maakte een einde aan de overheersing van een uit Duitsland tot ons gekomen theologie. Ons volk had een eigen, een echt Nederlandse theologie en daarnaar ging hij terug. Wie gereformeerd is, moet altijd reformeren (ecclesia reformata semper reformanda). De belijdenis, die eeuwenlang heeft stilgezeten, moet ontwikkeld, in verband gebracht worden met het denken van onze eeuw. Een dogmatiek heeft Kuyper nooit uitgegeven. Maar vooral zijn volgreeksen in De Heraut bevat een schat van dogmatische studie. Met zijn bewering dat de genade particulier is en zijn verbondsleer heeft hij tegengif gegeven aan de eenzijdige opvatting van de predestinatie, die tot individualisme leidt. Kuyper was ook een theoloog van de Heilige Geest. In Het werk van den Heiligen Geest bewijst hij dit. Zijn E Voto Dordraceno heeft hij een toelichting op de Heidelbergse Catechismus gegeven. In zijn Gemeene Gratie behandelde hij elementen die reeds bij Calvijn te vinden zijn. Zijn reeks Pro Rege behandeld dat op elk levensgebied de strijd om Christus’ Koningschap moet worden gevoerd.

Wetenschap, Staat, Maatschappij
Het verband tussen theologie en wetenschap heeft Kuyper gevonden in zijn standaardwerk De Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid. Gedurende zijn hele leven is hij echter door de officiële wetenschap steeds miskend. Kuyper was zijn wetenschappelijke werk begonnen met een detailstudie over à Lasco en Calvijn, en ook in zijn Encyclopaedie behandelt hij veel detailpunten heel minutieus, maar hij heeft zich in zijn leven zozeer met praktische zaken moeten bezighouden, dat voor zuiver wetenschappelijk werk weinig tijd overbleef. Kuyper was een koning in het rijk der gedachten. De calvinistische gedachte van de soevereiniteit van God heeft hij wetenschappelijk tot een centraal punt ontwikkeld. De geschiedenis, en met name de kerkhistorie, had Kuypers voorliefde. Door zijn studie van het calvinisme kwam hij ook aan zijn gedachten over een politieke samenleving. Religie en politiek waren niet van elkaar te scheiden. Het oude calvinisme wilde Kuyper aan de tijd aanpassen. Het maatschappijleven moest volgens Kuyper worden gefundeerd op de beginselen van Gods Woord. Op de Betuwe was hij al democraat geworden toen hij zag dat de verhouding tussen landheren en landarbeiders niet deugde. Zelfs uit de middenstand afkomend, wilde hij de hoge en lage standen met elkaar verzoenen. Tegenover de Revolutie stelde hij de Reformatie. Hij opende de ogen voor sociale misstanden en toornde tegen een ieder die meende dat deze euvelen te genezen waren door de dienst der barmhartigheid, alsof de stoere arbeiders paupers waren.

Partij
Groen van Prinsterer was een veldheer zonder leger, maar Kuyper bouwde een leger op tot een groot machtsblok. Met een reuzennet van kiesverenigingen, waarvan alle draden samenliepen op een centraal orgaan waar heel de partij samenkwam (ongekend schouwspel in Nederland) om zich over de gedragslijn van de partij uit te spreken. Het tactisch talent van Kuyper liet zich zien in de dagen van de verkiezingscampagnes, wanneer zijn strijdkracht naar ongekende hoogten werd gestuwd. De beweeglijkheid waarmee Kuyper zijn leger van front wist te veranderen, om een aanval van rechts of links te beginnen, werden spreekwoordelijk. Hij streed met Katholieken, Conservatieven, Radicalen en Liberalen, waar het politieke schaakbord dat eiste, maar schroomde ook niet om de bondgenoten van gisteren morgen als vijand tegemoet te treden, wanneer het beginsel in het geding kwam. Kuyper was een Napoleontische figuur. Er is veel gesproken over de fascinerende werking van zijn persoonlijkheid. Men heeft hem biologerende macht toegeschreven en hem verweten dat hij van zijn volgelingen marionetten maakte. In antwoord op deze onzin zei hij: ‘Probeer het dan zelf maar eens met onze Calvinisten, of gij er marionetten van maken kunt!’

Pers, Taal, Kunst
Als journalist bewees Kuyper over elk mogelijk onderwerp op elk moment te kunnen schrijven. De stijl van De Standaard was een andere dan men in Nederland gewend was: loomheid van geest. Nee, het was echte journalistiek, na Multatuli is er geen publicist geweest die zo duidelijk in zijn taal was, het dagelijks taalgebruik overnam. Van meetaf doorzag Kuyper de betekenis van de dagbladpers. Hij aarzelde niet ze als een gave van God aan ons 19e-eeuws geslacht, op één lijn te stellen met de uitvinding van de boekdrukkunst. Kuyper keerde ook terug naar het standpunt van de oude profeten. De profeten van Israël en Juda hielden zich immers niet alleen bezig met eigen dorp of stad maar hadden een visie over heel de wereldhistorie: Egypte, Babylonië, Assyrië, Moab, Edom, de Perzen en de Grieken. Kuyper hanteerde meerdere stijlen, al naar gelang het onderwerp het eiste. Hij had een stijl voor polemiek, voor een breed vertoog, voor een asterisk en voor een geleerde oratie. Zijn tegenstanders hebben hem dit nogal eens verweten, maar dit mag zondermeer als positief worden beschouwd. Uit zijn pen ontving de Nederlandse taal menig nieuw woord. Over kunst heeft Kuyper gezegd dat, als je de wereld ziet als een christen, dus afgevallen van God, niet elke cultuurvorm geoorloofd is. De kunst heeft de taak om ‘door het heimwee naar het verloren schoon tot de vooruitgenieting der komende heerlijkheid op te klimmen.’

Gepubliceerd in augustus 2007

Advertenties