Als wij samenkomen

n.a.v. M.J.G. van der Velden, W.P. van der Aa en H.J. de Bie jr., Als wij samenkomen. Liturgie in de gereformeerde traditie, Zoetermeer 2000

De tweede dienst
De tweede dienst wordt steeds minder goed bezocht. Waarom is er eigenlijk een tweede dienst? Vanouds is de morgendienst de hoofddienst. Daarin gebeurt eigenlijk alles, zoals doop en avondmaal. Het was niet de bedoeling dat dit allemaal ’s middags nog eens werd overgedaan. Nee, de tweede dienst kreeg een vooral onderwijzende, lerende functie. Er waren nogal wat veranderingen op kerkelijk gebied, wat moest worden uitgelegd en toegelicht. In de vluchtelingengemeente te Londen hield men ’s avonds een soort nabetrachting op ’s morgens, een onderlinge preekbespreking, met het oog op het leren en toepassen in het dagelijks leven. Wij kennen de catechismusdiensten. Petrus Datheen verzorgde een Nederlandse uitgave van een kerkboek voor gebruik in de kerkdienst, inclusief een vertaling van de Heidelbergse Catechismus. Dit kwam uit in 1566. Het is opmerkelijk hoe snel en algemeen de Heid.Cat. geaccepteerd werd. De troost, de pastorale ernst en bemoediging en de aandacht voor de praktische uitwerking van de geloofsstukken hebben ongetwijfeld bijgedragen aan de aanvaarding en populariteit van het boekje. Ook Luther schreef zulke leerboekjes. ‘Help, lieve God! Wat was het treurig om op te merken, dat de gewone man niets weet van de christelijke leer, vooral op de dorpen.’

Een kerk die van de tweede zondagse dienst een herhaling maakt van die van zondagmorgen, is bezig de grond onder de avonddienst weg te halen. Veel mensen willen de rest van de zondag gebruiken voor bezoek aan familie en vrienden, iets waar ze door de 24-uurs economie doordeweeks niet meer aan toekomen. Je hoort nog wel eens mensen die zich afzetten tegen vroeger, toen ‘we twee keer moesten…’ Ook vroeger was de tweede dienst niet altijd populair. De Heid.Cat. moet zo behandeld worden dat elke zondag één zondag aan de beurt komt. De gewoonte om te preken aan de hand van een bijbeltekst is niet verkeerd, maar kan een doublure van de morgendienst worden. De remonstranten hadden dit bezwaar trouwens ook: dat de Catechismus ‘toch niet de Bijbel’ was. Als het de gewoonte is dat de kinderen in de tweede dienst (avonddienst!) afwezig zijn, is dat een slechte zaak.

Het typische van de gereformeerde liturgie is dat het geloof zoekt te verstaan, te begrijpen. Er gebeurt in de dienst niets zonder zin, alles is openbaar en dient begrijpelijk te zijn. In de tweede dienst belijden we het geloof (’s ochtends wordt de wet voorgelezen); dit gaat dus samen met het ontvangen van onderwijs. De geloofsbelijdenis staat in het kader van het gehoorzaam zijn aan de roepstem van God om samen te komen en zich te laten leren en te willen leren. De geloofsbelijdenis zou ook met een gedeelte uit de belijdenisgeschriften kunnen. Het gereformeerde kerkboek kent ook een aantal formuliergebeden rondom de kerkdienst, waaronder het ‘gebed na de leer van de catechismus’. Dit is één van de meest verwaarloosde gedeelten van onze gereformeerde liturgie. Het is nooit de bedoeling geweest dat de Nederlandse Geloofsbelijdenis of de Dordtse Leerregels in de leerdienst behandeld worden. De Ned.Gel.Bel. is immers bedoeld voor de overheid en de DL aan predikanten en kerkelijke vergaderingen. Alleen de Heid.Cat. is voor de gemeente (kinderen!) bestemd. Toch bevatten de Ned.Gel.Bel. en DL veel onderwijs. Het zou dus kunnen, mits op een eenvoudige manier.

De huwelijksdienst
Het huwelijk heeft altijd grote aandacht gehad in de kerk. In de veiligheid van het verbond tussen man en vrouw kan liefde immers op rechte wijze worden beleefd én kunnen de kinderen het beste opgroeien. Deze hoge waardering van het huwelijk betekende niet dat de kerk in de loop der eeuwen bij de sluiting van het huwelijk betrokken was. Het werd beschouwd als een zaak van de families. In het Oude en Nieuwe Testament is ook nergens sprake van een huwelijksbevestiging door een dienstknecht van God. Vanaf de Reformatie tot aan de Franse tijd werden huwelijken in de kerk gesloten en bevestigd, als het leden van de gereformeerde kerk betrof. Anderen moesten zich wenden tot de burgerlijke overheid. In de tijd van de Reformatie was de huwelijkssluiting net zo als de doop van een kind: het vond in een normale zondagse dienst plaats. Alleen welgestelden wilden nog wel eens doordeweeks trouwen. Een officiële huwelijkssluiting was vooral nodig voor de bezittende klasse op vermogenstechnische gronden. Misschien dat samenwonen bij de allerarmsten wel voorkwam.

Sinds de Franse tijd moeten huwelijken bij de burgerlijke overheid gesloten worden. De gereformeerde kerk (al snel: Ned.Herv.Kerk) vond dit goed; de rooms-katholieke kerk had hier veel meer moeite mee. De huwelijksdiensten veranderden door deze wijziging van karakter. Alle nadruk komt te liggen op de voorbede en de zegen. Toch is het huwelijksformulier nooit veranderd! Opnieuw moeten ze ‘ja’ zeggen. Men moet wel goed bedenken dat de huwelijksdienst ook in het midden van de gemeente plaatsvindt, dus voor de gemeente is, en niet primair voor de familie en vrienden van het bruidspaar. In sommige streken werden huwelijksdiensten helemaal niet meer gehouden, vooral ook waar veel ‘gedwongen huwelijken’ voorkwamen.

De rouwdienst
Het is een vrij nieuw verschijnsel om een kerkdienst te houden bij een begrafenis. In de late Middeleeuwen bestond er een uitgebreide begrafenisliturgie. Met de Reformatie was dit afgeslopen. Men deed alle moeite om ‘lijk- en grafpredicaties’ afgeschaft te krijgen. De puriteinen in Engeland dachten er precies zo over. Met name het bijgeloof was een motief om het niet te doen. Een ander motief was dat het meest beslissende moment van een mensenleven niet is het moment van het sterven; de beslissingen zijn elders gevallen: in de verkondiging van de dood en opstanding van Christus. Men zou kunnen spreken van een gerelativeerde dood. Het moment van het sterven is niet absoluut. De eeuwigheid schuift in de tijd. In het gehele leven moet daarom plaats zijn voor de overdenking van het toekomstige leven. In de gehele samenleving was de dood aanwezig, hij was een bekende. De dood had iets ‘gewoons’, bijna vertrouwds. De scheiding was niet absoluut. De gestorvenen blijven behoren bij de kerk: er is gemeenschap tussen de ‘strijdende kerk’ hier op aarde en de ‘triomferende kerk’.

Het sterven van een geliefde roept vaak, naast intens verdriet, radeloosheid en sprakeloosheid op. Dit heeft te maken met een andere beleving van de dood: hij wordt de vreemde en de vijandige. Bovendien ontbreken hedendaagse mensen vaak de bredere sociale verbanden die in vroeger tijd een grote plaats hadden bij de omgang met het sterven. Individualisme en subjectivisme maken ons dan weerloos en machteloos. Terecht heeft de christelijke gemeente dit ingezien en betrokkenheid getoond rondom het overlijden van iemand; betrokkenheid van pastorale aard. De gewoonten verschillen van plaats tot plaats. Soms werd er een dienst aan huis gehouden, nu juist vaker in een rouwcentrum. En vaak natuurlijk ook in het kerkgebouw. Moet de kist ook de kerk ingedragen worden? Dat is ook van plaats tot plaats verschillend. Vaak kan het negatieve ervaringen oproepen; elke keer als ze daarna naar de kerk gaan zien ze als het ware de kist voor in de kerk staan. ‘Rouw in de kerk brengen’ is een oude gewoonte om de zondag na de begrafenis als rouwende familie samen naar de kerk te gaan, als eerste keer nadat de gestorvene er niet meer bij is. De gemeente is dan rondom haar en draagt haar in de voorbede. De kerk begraaft niet. Dat doet de familie. De predikant leidt de begrafenis niet. Hij is er alleen bij, zijn aanwezigheid is van pastorale aard. Hij spreek over het Woord van God, betrokken op die situatie.

Gebeden in de dienst
Bidden is de kern, het hart van de liturgie. Het kerkgebouw wordt niet voor niets ‘bedehuis’ genoemd. Bij Calvijn gaan bidden en zingen samen. Het psalmenzingen van de gemeente in de tijd van de Reformatie heeft waarschijnlijk haar wortels in het gebruik in middeleeuwse kloosters om tijdens de getijden de psalmen te bidden. In sommige kloosters werd zo in één week het hele psalmboek doorgezongen! In de vroegste tijd van de kerk moesten de geestelijken het gehele psalmboek uit het hoofd kennen. Hierin lag immers het hele leven van de mens besloten, zo zei Athanasius. Ook in de brevier, het dagelijkse gebedenboek, nemen de psalmen een belangrijke plaats in. De Reformatie probeerde het psalmboek tot het geestelijk bezit van het volk te maken, en niet alleen voor geestelijken. Zwingli probeerde de psalmen in spreekkoor door de gemeente te laten opzeggen. Calvijn liet de psalmen berijmen en op muziek zetten. De bedoeling was om hele psalmen te zingen of langere aaneengesloten gedeelten. In de Anglicaanse Kerk worden tot op vandaag de psalmen onberijmd in volgorde gezonen tijdens het morgen- en avondgebed die in veel kerken dagelijks worden gehouden. Uit het hoofd leren: in het Engels en Frans is het ‘learning by heart’ en ‘apprendre par coeur’, leren met het hart dus!

Vroeger noemde men de samenkomst van de gemeente wel een ‘godsdienstoefening’. In het Duits betekent ‘Gottesdienst’ kerkdienst. Oefenen is in ieder geval een element in de kerkdienst. In het avondmaalsformulier staat dat we de heerlijke gedachtenis van de bittere dood van Christus ‘oefenen’. Wat is belangrijker: het persoonlijke of het gemeenschappelijke gebed? Er is steeds meer nadruk op het persoonlijke komen te liggen. Dat is vanaf het begin echter niet zo geweest. De Reformatie zag het gemeenschappelijke gebed als het eigenlijke gebed. Het persoonlijke gebed wordt beleefd als een verbijzondering van het gemeenschappelijke gebed. Dit kan misschien tot troost zijn voor gemeenteleden die moeite hebben met het persoonlijke gebed. De predikant gaat de gemeente voor in gebed. Er is vaak grote terughoudendheid om over gebeden te spreken. We betreden dan heilige grond en kritiek is niet gepast, zo lijkt het. Maar als de gemeente niet kan meebidden met de voorganger, is dit niet goed. Daar moet over gepraat kunnen worden. De dominee is ook maar een mens.

Formuliergebeden zijn er ook. In gewone diensten is er echter bijna altijd sprake van vrije gebeden. In de loop van de tijd groeide de opvatting dat alleen zulke gebeden door de Heilige Geest geïnspireerd konden zijn. Echter, ook iemand als Calvijn had grote aarzelingen ten aanzien van het vrije gebed in de kerkdienst. Wie met een formuliergebed meebidt, kent het uit het hoofd. Een gebed dat we kennen, kunnen we beter meebidden. Datheen schreef niet voor niets boven het dankgebed van het avondmaalsformulier: ‘Zo spreke een ieder met aandachtige harten…’ Formuliergebeden zijn er om meegebeden te worden. Het mooie van een formuliergebed is ook dat je het samen doet met zoveel anderen, vaak ook op hetzelfde moment. Het moet ook gezegd worden dat formuliergebeden ook schaduwkanten kunnen hebben.

Van der Velden pleit ervoor dat de predikant ook een stilte in zijn gebed inlast, zodat ieder voor zich kan bidden. Het gebed moet eerbiedig zijn, maar ook in concrete taal. Er zijn soms gebedsvormen ontstaan waarin vooral veel bijvoeglijke naamwoorden en synoniemen worden gebruikt. Deze vormen zijn ontstaan in de na-reformatorische tijd onder invloed van culturele stromingen als de barok. We bidden in de gemeente als ‘wij’, en niet in een individualistische ik-vorm. Bidden is geen mededelingen doen aan God, niet een opeenstapeling van termen. Er moet directheid, kortheid en soberheid zijn.

Het ambt in de dienst
De predikant komt niet alleen de kerk binnen. De aanwezigheid van ouderlingen en diakenen, hun aparte plaats en hun kleding zijn typerend voor een kerkdienst in gereformeerde stijl. Het is best wel uniek. Het gezag van een predikant is het gezag van het Woord van God, dat hij vertolkt en waarvan hij getuigt. Dit betekent dat wat hij zegt toetsbaar is. Het Woord is aan de gemeente toevertrouwd. Kerkenraadsleden zijn mensen uit het volle leven, die de strijd om het dagelijkse brood kennen. Het bijzondere is dat ieder mannelijk lidmaat tot het ambt geroepen kan worden. Alle aandacht ligt op de roeping. De gemeente roept mensen uit haar midden tot het ambt en God roept hen. De bevestiging is geen wijding. Tussen het zakelijke en geestelijke moet geen tegenstelling bestaan; daarom zijn er ouderling-kerkvoogden.

De gehele kerkenraad draagt verantwoordelijkheid voor de kerkdienst. Toch lijkt de hele dienst in handen van de voorganger te liggen. Van der Velden ziet (als het zo gaat) de predikant als een eenzame figuur op de preekstoel, die alles moet doen, weinig reacties krijgt en vooral veel kritiek als er iets mis gaat. Vanouds lag de liturgie al vast; psalmen werden in volgorde gezongen. Alleen de tekst voor de preek en later het lied dat als antwoord op de preek werd gezongen (nog later: de tussenzang) was van de voorganger. Hoe langer hoe meer werd de preek het eigenlijke van de dienst en was al het andere maar bijzaak.

De toga is geen ambtsgewaad. Het kwam op in het midden van de 19e eeuw omdat men vreesde dat de predikanten zich zouden gaan kleden naar de mode van de dag en dat ook daardoor het verschil in richting duidelijk zou worden! De bedoeling is dus dat predikanten zo allemaal gelijk gekleed zijn. De toga is de kleding van een academisch gevormde. In de lutherse kerken was het al langer gebruikelijk. De synoden in Nederland hebben nooit de bedoeling gehad de toga als ambtsgewaad in te voeren. Deze afwijzing kunnen we begrijpen als we de kledingvoorschriften van de rooms-katholieke kerk zien. Aan de kleur ervan kon men zien welke plaats in de hiërarchie de priesters hadden. In de periode van de beeldenstorm werden soms ook de vaak kostbare (mis)gewaden vernield. De gereformeerde traditie kent dus geen ambtskleding. Men vond passende kleding voldoende. In de praktijk betekende dit sobere, donkere kleding, die wel enigszins bij de mode achter liep. In onze tijd is het besef van passende kleding bij bijzondere gelegenheden of bepaalde functies niet altijd meer aanwezig. Dat is een duidelijke culturele verschuiving. De tijd dat men zich voor de kerkdienst in zijn mooiste ‘zondagse’ kleding stak is voor velen voorbij.

Het kerkgebouw
Aanvankelijk kwamen de christenen nog in synagogen samen, het ‘leerhuis’. Of ook in de open lucht (Filippi: buiten de stad aan de rivier, Hand. 16) of in particuliere huizen. Ook kwam men samen bij de graven van gestorven gemeenteleden. Zo was er in Rome een stelsel van ondergrondse gangen: de catacomben. Hier kwam men regelmatig samen. Na 312 konden christenen in het Romeinse Rijk in openbare gebouwen samenkomen. In West-Europa kwam als type kerkbouw de basiliek in opkomst. Oorspronkelijk was dit een overheidsgebouw. Na Constantijn werd dit het gebruikelijke kerkgebouw. Het is een rechthoekig gebouw met aan de linker- en rechterzijde een rij zuilen waarachter zich een lagere zijbeuk bevindt. Hierdoor ontstaat een ruimte met drie beuken. De hoofdbeuk, of het schip, is daarbij de plaats voor de gemeenteleden. Het voorste gedeelte is voor de voorgangers, waartussen zich een afscheiding bevindt. Daar zat de voorganger, die zittend de preek hield (op een stoel, de cathedra, later wordt dit woord in andere zin gebruikt), met de ouderlingen in een halve cirkel om hem heen.

Kathedraal betekent niet ‘grote kerk’, maar een kerk waarin een bisschopszetel, een cathedra, staat. In de praktijk betekende dit wel een grote kerk. Later zou het woord ‘basiliek’ een eretitel worden voor een kerk die de paus deze onderscheiding gaf, vaak vanwege een speciale functie (bedevaartskerk of een bijzondere historische waarde). Waar eerst de avondmaalstafel nog voor de stoel van de voorganger stond, op een lager niveau, werd dit langzamerhand een altaar, die op de plek van die zetel kwam. Omdat de kerkzang steeds ingewikkelder werd, kwam er een koor. De vorm van de basiliek zou nog eeuwen meekunnen en bleek uitstekend geschikt voor de viering van de Romeinse liturgie.

In de Middeleeuwen werd vaak een dwarsschip gebouwd, waardoor de kerk een plattegrond kreeg in de vorm van een kruis. De bouwstijl werd van Romaans Gotisch. Waar eerst het accent lag op de horizontale lijn (ronde bogen, grote muurvlakken), is dat nu de verticale lijn: spitsbogen, grote glasoppervlakten en smalle, ranke kolommen. De zinnebeeldige beleving van de mensen werd in de Middeleeuwen extatischer. Vooral in Frankrijk kwamen absurd hoge en grote kerken. In Nederland werden de meeste Romaanse kerken vervangen door gotische. De Domkerk van Utrecht en de St. Janskathedraal van ’s-Hertogenbosch zijn hoogtepunten van de gotiek in Nederland.

Oude afbeeldingen en symbolen laten zien het christusmonogram (de chi en de rho), de vis (ichthus) en het kruis. Dit nam steeds meer toe. Ook afbeeldingen van Christus, de apostelen, kerkvaders en martelaren kwamen er steeds meer. In het oosten kwam er een eigen stijl: tweedimensionale afbeeldingen (iconen). In de 8e eeuw waren er protesten van vooral Syrische en Armeense christenen, die het tweede gebod naar voren brachten. Voorstanders voerden echter het motief van de menswording van Christus aan. Uiteindelijk wonnen de voorstanders van de iconen, na een strijd van 117 jaar (726-843). De functie van de afbeeldingen was vooral didactisch. Het overgrote deel van de bevolking kon niet lezen of schrijven. Men noemde de afbeeldingen biblia pauerum (Bijbel voor de armen). Wel werd er aan culturele inkleuring gedaan: de apostelen in middeleeuwse kledij!

Met de Reformatie verdwenen de altaren, de beelden en de gebrandschilderde ramen. Het koor had men niet meer nodig. Soms kwam er een schot tussen. Halverwege het schip stond de preekstoel, die daar vanouds zijn plaats had gehad. Dit werd het nieuwe centrum van de kerk. Op de preekstoel kwam een geopende Bijbel te liggen. Vaak worden de woorden ‘preekstoel’ en ‘kansel’ door elkaar gebruikt. ‘Kansel’ komt van cancelli, de trappen of het hekwerk die in een basiliek het liturgisch centrum van het schip afscheidde. Preekstoel is dus beter.

De lengtevorm van het kerkgebouw was niet meer nodig; men groepeerde zich in een halve cirkel rondom de dooptuin. Het zinnebeeldige van de Middeleeuwen was verdwenen en had plaatsgemaakt voor het louter functionele. In de 18e en 19e eeuw veranderden de kerken in ‘gehoorzalen’, waarin vaak grote galerijen werden gebouwd. De Liturgische Beweging in de 20e eeuw (G. van der Leeuw) pleitte voor meer lofprijzing en aanbidding in de dienst en verweerde zich tegen het louter functionele gebruik van het kerkgebouw. Zij willen weer terug naar de basiliek en willen knielbanken in de kerken. Als gevolg van deze beweging kwam in veel kerken een permanente plaats voor de doopvond en de avondmaalstafel.

Nieuwe Testament: christelijke vrijheid
Over de samenkomsten van de kerk in de tijd van het Nieuwe Testament weten we weinig. De gegevens zijn zeer beperkt. Er was verscheidenheid, ook waren veel christenen nog gewoon in de synagoge, vandaar de grote invloed van de liturgie van de synagoge op de latere kerk. Daarnaast waren er christenen uit de heidenen die op een heel andere manier samenkwamen. De tijden van het Oude Testament waren dus voorbij, waar allerlei gedetailleerde voorschriften de eredienst bepaalden. Omdat de offerdienst wegvalt, hoeft er geen strakke eenvormigheid meer te zijn. Bij de vrijheid van een christen gelden geen gedetailleerde regels, maar gaat het om de grondhouding. In het Nieuwe Testament vinden we dus geen vaste orde van dienst. Vast staat dat er vanaf het allereerste begin werd gezongen, psalmen en nieuwe liederen. In Paulus’ brieven worden die soms geciteerd.

Vroege Kerk
Uit de Eerste brief van Clemens en de Didachè weten we iets van de eredienst rond het jaar 100. De Didachè spreekt van het avondmaal als offer, avondmaal is dankzegging (eucharistie), ieder moet op woensdag en vrijdag vasten en driemaal per dag het Onze Vader bidden. Een halve eeuw later schreef Justinus Martyr een apologie aan de keizer om de beschuldigingen te weerleggen dat christenen kannibalen zouden zijn. Dit gerucht was verspreid door ambtenaren die de samenkomsten afluisterden en de woorden hoorden: ‘Neemt, eet, dit is Mijn lichaam’, en: ‘Dit is Mijn bloed’. In de 3e eeuw schreef Hippolytus de Traditio Apostolica met een uitgewerkte liturgie. Na 312 werd alles anders. Het kerkelijk jaar ontstond als alternatief van de vele heidense feesten. Het begon met Pasen, daarna kwam ook Kerst. Oude Romeinse feestdagen werden gechristianiseerd. Ook kwamen er steeds meer heiligendagen. De eredienst werd ook uitgebreider.

Middeleeuwen
Er kwam steeds meer uniformiteit, mede door de macht van de bisschop van Rome, de paus. In de Middeleeuwen waren diensten plechtstatige en ceremoniële gebeurtenissen geworden. De mensen kregen pracht en praal te zien. Rome werd een belangrijk bedevaartsoord. Met name het graf van Petrus werd druk bezocht; daar werd dan ook de St. Pieter op gebouwd, die de pauselijke kerk werd, hoewel de St. Jan van Lateranen de eigenlijke bisschopskerk van Rome was. Het kloosterleven kreeg ook een sterke impuls. De dag van de kloosterlingen zag er als volgt uit: elke dag viering van de eucharistie, acht maal per dag de getijden (samenkomsten voor gebedsdiensten: rond middernacht, vroeg in de ochtend, om 7 uur, om 9.30 uur, om 12 uur, om 15 uur, ’s avonds en voor bedtijd). In de loop van de Middeleeuwen ontstonden de ‘kapittels’. Dat waren groepen van wereldlijke geestelijken, die verbonden waren aan een kathedraal of belangrijke kerk. Het waren welgestelde mensen. Wel deden ze mee met de gewone monniken. Hiermee werd de kloosterliturgie midden in het openbare leven gebracht.

Overweldigende liturgie
Het voornaamste element bij de getijden is het zingend bidden van de psalmen. Daarnaast waren er de cantica (onder meer de lofzangen van Maria, Zacharias en Simeon). Wekelijks werd het héle psalmboek doorgebeden. Dit is een element dat Calvijn ook min of meer zou vasthouden in zijn laten zingen van de psalmen. De liturgie van de Middeleeuwen was overweldigend. De Bie zegt: ‘Het moet in één woord schitterend zijn geweest’. De preek neemt echter in dit overweldigend geheel maar een zeer kleine plaats in. De naam ‘mis’ voor eucharistie komt van de laatste woorden van de avondmaalsviering, die de diaken uitspreekt na de zegen: ite, missa est (gaat heen in vrede). Het zwaartepunt verschoof van het nuttigen van brood en wijn (de communie) naar het moment van gedaanteverandering van de elementen (de consecratie). Hierna werden brood en wijn opgeheven (de elevatie).

Voorganger is vooral priester
Brood en wijn werden zo heilig geacht, dat er een schroom ontstond om ze te nuttigen. Vaak deed het gewone gemeentelid dit dan ook niet meer, maar slechts de priester, diaken en assistent. Wijn mocht helemaal niet meer door een leek gedronken worden: stel je voor dat er iets gemorst wordt! De meeste mensen gingen slechts eenmaal per jaar ter communie, met Pasen. Ook veel mensen gingen helemaal niet meer. Kijken was voldoende. Na de elevatie kon de rest van de dienst eigenlijk wel gemist worden. Het accent kwam geheel op het sacrament te vallen, ten koste van het Woord. De voorganger was primair priester en geen prediker.

De mis
De mis die tot diep in de 20e eeuw zo is gebleven, was gebaseerd op de in de periode van de Vroege Kerk ontstane twee-eenheid van Woord en sacrament. Verschillende vaste elementen zitten er in: het ordinarium (de gezangen Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, Benedictus en Agnus Dei) en het prorium (de introïtus, de collecta, de epistellezing, het graduale en alleluyah, de evangelielezing, het offertorium, de communiezang en het gebed na de communie). De persoon van de priester werd zeer belangrijk. De afstand tot de leek werd oneindig groot. Het ambt van diaken was een opstap naar de priesterwijding.

Kerkelijke structuren
De plaatselijke gemeente of parochie werd geleid door een pastoor, die een priesterwijding heeft ontvangen. Een aantal parochies samen vormen een dekenaat, aan het hoofd daarvan staat een deken. Het bisdom is een aantal dekenaten (meestal een provincie), aan het hoofd daarvan staat de bisschop. Alle bisdommen in een land bij elkaar is een kerkprovincie. Één of meer van die bisdommen worden als belangrijker beschouwd en heten daarom een aartsbisdom. Een aartsbisschop is meestal voorzitter van de bisschoppenconferentie van de kerkprovincie. Hij wordt meestal op den duur benoemd tot kardinaal.

Pronaus
Omdat priesters heilig werden, verrichten en zelf daarom ook heilig zijn, mogen ze niet trouwen: het celibaat. Voor de leken werd het deelnemen aan de mis een goed werk. In de periode 1100-1300 kwam er meer aandacht voor de theologie. De broedplaatsen van de theologie waren de kloosters, vooral die van de Franciscanen. Daaruit zijn later universiteiten ontstaan. De gewone mens werd niet vergeten: er kwam binnen de liturgie ook plaats voor een preek in de landstaal. In Zuid-Duitsland en Zwitserland werden dat aparte diensten: een pronaus, een preekdienst.

Luther en Zwingli
Luther was van de reformatoren het meest conservatief in zijn opvattingen over liturgie. Alleen de offergedachte werd uit de mis gehaald. Ook werd de gemeente weer geactiveerd. Luther hield ook ruimte voor vocale en instrumentale muziek. Dit heeft een enorme culturele erfenis opgeleverd: het werk van Johann Sebastian Bach zou ondenkbaar zijn geweest zonder de ruimte die Luther voor de muziek in de eredienst gaf. Bij Zwingli werd de verkondiging van het Woord van God zo allesoverheersend, dat al het andere, tot de sacramenten toe, aanhangsels werden. Zelfs het zingen van de gemeente was er niet meer. Zwingli beperkte het avondmaal tot viermaal per jaar. In plaats van het kerkelijk jaar werd de lectio continua ingesteld.

Bucer en Calvijn
Bucer nam een middenpositie in. Bij hem in Straatsburg was er een maandelijkse avondmaalsviering. Hij hechtte veel waarde aan de gemeentezang in de landstaal, maar zonder instrumentele ondersteuning. Hij gebruikte de liederen van Luther. De Straatsburgse gemeente stond bekend om zijn indrukwekkende en enthousiaste kerkzang. Ook bij Bucer werd het kerkelijk jaar afgeschaft en kwam er de lectio continua. Calvijn, die nooit een theologische studie heeft gevolgd, werd predikant in Genève op aandringen van Farel. Ook bij hem is de gemeentezang belangrijk. Centraal staat de twee-eenheid van Woord en sacrament. Een wekelijkse bediening van het avondmaal stond hij voor. Calvijn wilde terug naar de bronnen, terug naar de Vroege Kerk, maar paste zich aan de plaatselijke omstandigheden aan. Daarom waren de orden van Straatsburg en Genève verschillend. Vandaar dat we eigenlijk niet kunnen spreken van dé calvinistische liturgie.

De Anglicaanse Kerk
De liturgie van de Anglicaanse Kerk is vastgelegd in het Book of Common Prayer (1662), vooral onder invloed van Thomas Cranmer. Bij de methodisten (John Wesley) kwamen er veel nieuwe liederen naast de psalmen. Deze liederen zouden later overal gemeengoed worden. Tot ver in de 18e eeuw werden er in de kerk alleen psalmen en cantica gezongen. In de 19e eeuw kwam de Oxford Movement met John Henry Newman. Ook zij hebben bijgedragen aan de liedcultuur die tot ver buiten de grenzen zich heeft doen gelden.

Van piëtisme tot romantiek
Het piëtisme was een reactie op de orthodoxie, die alles in rationele denkkaders wilde plaatsen. Zij leefde de regels strikt na; de juist gebeden moesten worden opgezegd en er moest goede kerkmuziek zijn (Bach voelde zich goed in dit orthodoxe klimaat thuis). De piëtisten pleitten voor een opwekking: er moest een echte, innerlijk doorleefde vroomheid komen. Daarin paste geen strakke en formele liturgie. Ze wilden dan ook af van de cantates en wilden het eenvoudige lied weer terug. Vooral de liederen zouden veel invloed hebben, óver de grenzen heen. De Verlichting van de 18e eeuw wilde vooral de kerkdienst als een opvoedmiddel zien, de mens moest er steeds beter van worden. In de psalmberijming van 1773 wordt duidelijk hoezeer de Verlichting is toegeslagen:

Statenvertaling: ‘Ik zal van goedertierenheid en recht zingen’.
Datheen: ‘Van Gods goetheid end oordeel wil ick singen’.
1773: ‘’k Zal van den deugd der milde goedheid zingen’.
(Ps. 101:1)

Het sentiment werd in de Verlichting niet uitgeschakeld; hier ligt de voedingbodem voor de romantiek in de 19e eeuw. De romantiek kenmerkt zich door een zeer sterk individualisme, maar ook verheerlijking van het verleden. Daarom ging men kerken bouwen in oude bouwstijlen, zoals de Renaissance en het classicisme. De Middeleeuwen vormden ook een geliefd onderwerp. De neogotiek was een kunstvorm. Bij de rooms-katholieken kwam er een restauratiebeweging voor het gregoriaans op gang.

19e eeuw
In de 19e eeuw werd de persoon van de predikant vooral belangrijk. Het verschijnsel ‘we gaan naar kerk A om ds. B. te horen’ raakte hoe langer hoe meer ingeburgerd. De predikant was het die het karakter van de dienst ging bepalen en die zich daarin allerlei vrijheden ging veroorloven. Abraham Kuyper publiceerde Onze Eeredienst. Het is curieus dat zijn belangstelling voor liturgie mede is gewekt door het bijwonen van een rouwdienst in de Anglicaanse Kerk! Dit bracht hem tot de visie van de kerk als moeder. De voorganger diende zich te houden aan het ‘huishoudelijk reglement’ van de kerkdienst. Kuyper hekelde het improvisatievermogen van vele predikanten in het aanbrengen van veranderingen in de formulieren, bijvoorbeeld bij het doopsformulier. Kuyper was tegen het dragen van een ambtsgewaad. J.H. Gunning jr., een tegenstander van Kuyper, dacht meer in katholieke zin over de kerk. Kuyper zette echter in bij de plaatselijke gemeente. De Liturgische Beweging begin 20e eeuw gaf de aanzet tot de invoering van de ritmische zangwijze.

Waarom het doopsformulier?
Waarom gebruiken we formulieren bij doop en avondmaal? Ze komen uit de kerkorde van de Palts. Datheen vertaalde het in het Nederlands, in verkorte vorm. Waarom? Misschien omdat de ruimere dooppraktijk een rol speelde, de eisen werden minder streng als voor het avondmaal. Ook nam het anders, door de vele dopelingen, te veel tijd in beslag. Niet iedere gemeente mocht naar eigen inzicht handelen, het kerkelijk leven moest geordend worden tot een eenheid. Het formulier heeft twee hoofddoelen: eenheid en onderwijs. Van der Aa pleit voor het afkomen van de predikant van de preekstoel om op gelijke hoogte het formulier op te lezen.

De elementen in het doopsformulier
De opbouw van het doopsformulier is als volgt:
Onderwijzing (in drie ‘stukken’): het formulier spreekt steeds over ‘ons’ en ‘wij’ als het gaat om de gelovigen. De gemeente wordt gezien als ‘uitverkoren gemeente’. Hier komt ook de bekende passage in voor: ‘…Als wij somtijds uit zwakheid in de zonden vallen, zo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonde blijven liggen…’ Luther zegt zoiets dergelijks: ‘Ik lig in de wereld wel vaak onder, door de duivel en mijn zonden, maar Hij heeft voor mij voor eeuwig overwonnen. Dat zegt mijn doop. Ik blijf niet liggen!’ Het formulier laat met een beroep op Gen. 17:7 en Hand. 2:39 zien hoe ver het verbond van God gaat: het reikt zeker tot aan de kinderen. Er wordt gesproken van ‘ondergang en besprenging met het water’. In de koudere noordelijke delen van Europa koos men voor besprenging, om praktische redenen dus. De zin ‘…Onbevlekt zullen gesteld worden…’ ziet op de Vroege Kerk, toen men een wit kleed aan kreeg. Onze witte doopjurk herinnert daar aan. ‘De wereld verzaken…’ grijpt ook terug op de eerste christenen. De dopeling legde toen als het ware zijn verleden af, zwoer de duivel af. In het algemeen is de onderwijzing meer indirect schriftuitleg. De Bijbel wordt niet vaak geciteerd. Misschien had het doopbevel van Christus ook een plaats mogen krijgen in de Nederlandse vertaling.

Gebed: in de 2e eeuw wordt de doop al vergeleken met de doortocht door de Rode Zee. Het heeft dus oude papieren! Het is het beeld van de ondergang van het kwade, de zonde (Farao) en de genade (Israël). Ook de zondvloed heeft deze betekenis. De inleiding van het gebed spreekt over ‘tot Zijn eer’, ‘tot onze troost’ en ‘tot stichting der gemeente’. In alles staat Gods werk centraal, niet de ontroering en vertedering van het moment. Er is discussie over de vraag of doopleden voluit als leden van de gemeente worden gezien. Het zou pas echt worden, als er belijdenis is gedaan. Deze gedachtegang lijkt echter meer op dopersen dan de (Nederlandse) Reformatie, die de doop zo hoog hield dat ‘gedoopte huysgesinnen’ als ‘leeden der gemeynte’ werden gezien.

Doopgeloften: er is verwarring over het woordje ‘alhier’. Sommige uitgaven hebben hier het woordje ‘derhalve’. De doop is een ‘katholieke’ zaak, die niet speciaal is voorbehouden voor een richting of groep. Opvallend is de aanspraak: ‘Geliefden in de Heere Jezus Christus…’ Als zodanig wordt de gemeente, en de doopouders, gezien. Er is discussie over de vraag of ouders die geen belijdenis hebben gedaan hun kind wel kunnen laten dopen. We moeten dit zeggen: de vragen die aan de ouders worden gesteld hebben een belijdend karakter. Maar hier gaat het over de verantwoordelijkheid ten opzichte van het kind. Bij geloofsbelijdenis afleggen gaat het over eigen verantwoordelijkheid in de gemeente. ‘Dat gij alzo gezind zijt’ laat iets van de dooptucht zien. Dit is een goed argument om van doopouders te eisen dat ze belijdenis hebben gedaan of het snel te doen. Waar gaat het over als er gesproken wordt over de ‘artikelen’ van het christelijk geloof? De belijdenisgeschriften? Nee, want in de tijd van het ontstaan van het doopsformulier bestonden de drie formulieren nog niet als zodanig. Het gaat hier dus om de Twaalf Artikelen. Dit was vanaf de vroegste tijd een doopbelijdenis, die opgezegd werd door de dopelingen. ‘Moeder’ uit de derde doopvraag is niet zo vanzelfsprekend. Deze toevoeging is jong. Vroeger was het gebruikelijk het kind zo snel mogelijk te dopen, zodat de moeder nog in het kraambed lag. Er wordt nog wel over ‘getuige’ gesproken (peter of meter), maar daar heeft de Reformatie eigenlijk mee afgerekend. Het kreeg namelijk een werelds karakter, het werd een erebaan, omgeven met giften en privileges. In Brielle moest in de 16e eeuw zelfs paal en perk aan het aantal worden gesteld, maximaal twaalf! Wanneer het wel gebruikt wordt, is bij een onecht kind of een vondeling. Ouders waren er dan niet.

Bediening van de doop: de plaats van de doopvont is door de Reformatie bewust dichtbij de kansel gekozen, vaak omgeven met een sierlijk hekwerk, de dooptuin. Vóór de Reformatie stond de doopvont bij de ingang van de kerk. De doop was immers een inwijdingsritueel. Alleen gedoopten mochten de eigenlijke kerkruimte betreden. De Reformatie zag de doop slechts in het licht van Gods Woord, vandaar aan de voet van de kansel, de plaats van de woordverkondiging. De vraag wie het kind ten doop houdt, is niet zo belangrijk. De man is het hoofd van het gezin, maar de vrouw is de drager van het leven, en vaak de belangrijkste opvoedster.

Dankgebed: het dankgebed laat zien dat er bij de kinderdoop geen twijfel aan Gods goedheid kan zijn. Voor sommigen is dit gebed te ruim, te optimistisch. Toch is het zo dat dit in de Reformatie goedgekeurd werd. Misschien is er dus iets mis met ons, als wij dit te veel van het goede vinden!

Wanneer in de kerkdienst?
Het meest gebruikelijk is na de wetslezing/geloofsbelijdenis en voor de schriftlezing en de preek. In de tijd van de Reformatie was het meestal ná de preek. Men wilde de gedachte van inwijding vermijden. Theologisch gezien past de doop ook beter na de preek, als dankzegging. Omdat het kind dan heel lang in de kerk moest blijven, is gekozen om de doop vóór de preek te doen. In onze huidige toestand valt dit probleem weg; de kinderen worden immers pas binnengedragen bij het moment van de doop. Als de doop bediend is, is het niet noodzakelijk om de gehele dienst verder in het teken daarvan te laten staan. Herhaling verveelt. In het doopsformulier is alles al gezegd.

Het avondmaalsformulier: verzameling van gedeelten
Ook het avondmaalsformulier komt uit de Palts. In dit formulier wordt rekening gehouden met de diversiteit van het reformatorische kamp. We vinden gedeelten van Calvijn uit Genève, van Micron van de vluchtelingengemeente te Londen en we vinden iets uit de liturgie van Wurtemberg. Datheen vertaalde ook het avondmaalsformulier. Hij was een gezaghebbend persoon; hij was bijvoorbeeld tweemaal voorzitter van de synode (1568 en 1578). De Dordtse Synode van 1618/1619 liet het avondmaalsformulier vrijwel ongewijzigd. Hoe vaak moest het avondmaal gevierd worden? Al te vaak vermeed men het, vanwege de middeleeuwse huiver voor het sacrament. De Goede Vrijdag is nooit een dag van avondmaal geweest. Dit komt uit de 19e eeuw, toen de vrijzinnige synode dit aanbeval. Het avondmaal werd toen schrikbarend verwaarloosd. Men wist er, bij gebrek aan inhoud en geloof in Christus’ kruisdood ter verzoening geen raad mee. Daarom werd er vaak maar één keer per jaar, op Goede Vrijdag, als het over de kruisiging gaat, het avondmaal bediend. De gereformeerde traditie koos altijd principieel voor Pasen. Zijn dood gedenken kan alleen omdat Hij leeft. Het gaat niet om het sentiment.

Voorbereiding(sdienst)
De voorbereidingsdienst een week van tevoren is een goede en nuttige gewoonte. Het gaat hier om zelfonderzoek en het goed verstaan van wat het avondmaal eigenlijk is. Een voorbereidingsdienst kende de Nederlandse Reformatie niet. De voorbereiding bestond uit afkondiging van het komende avondmaal en een aankondiging van bezoek van de ouderlingen aan de lidmaten. Het avondmaalsformulier gaat er van uit dat alle lidmaten deelnemen. Wie wegbleef werd gecensureerd vanwege verachting van het sacrament. Toen de gereformeerde kerk groter werd, was het onmogelijk om alle lidmaten op te zoeken. De voorbereiding bestond steeds meer uit een voorbereidingsdienst op de zaterdag.

Avondmaal en geloofsbelijdenis
De bedoeling van de openbare geloofsbelijdenis was van oorsprong toelating tot het avondmaal. In de 18e eeuw verburgerlijkte de kerk. Haast iedereen deed belijdenis. Onder koning Willem I wordt de kerk een genootschap, een vereniging om lid van te worden. Dit, samen met de (uitwerking van) de Nadere Reformatie, had avondmaalsmijding tot gevolg. Voor de één was het te laag, te burgerlijk, voor de ander te hoog, te heilig.

Opbouw avondmaalsformulier
De opbouw van het formulier ziet er grofweg als volgt uit:
– Woorden van inzetting (1 Kor. 11:23-29)
– Zelfonderzoek
– Genadeverkondiging en terugwijzing van de onboetvaardigen
– Gedachtenis van Christus
– Onderwijzing (toe-eigening) over de inzetting
– Gebed met het Onze Vader
– Geloofsbelijdenis
– Toebereiding van de tafel
– Nodiging: verheft de harten
– Uitdeling en communie
– Dankzegging: lofprijzing en gebed

Met de kerk der eeuwen
Het Woord gaat in het formulier principieel voorop. De communicatie wordt genormeerd door het Woord. Bij Rome wordt opgestuwd naar het hoogtepunt, de instellingswoorden. De Reformatie haalt ze bewust naar voren. De opsomming van zonden (het zondecatalogus) kan functioneren als angst en schroom bevorderend, dat mensen uit veiligheid maar niet aan het avondmaal gaan. De zondecatalogus werkt concreet de geboden van God uit. Het zou niet verkeerd zijn om dit zondecatalogus te actualiseren. In het gebed wordt uitdrukkelijk de Heilige Geest genoemd als Degene door Wie wij in het geloof deel hebben aan Christus met de tekenen van brood en wijn. Hier zien we de theologische discussie terug hoe Jezus in het avondmaal aanwezig is. Het Apostolicum is één van de katholieke elementen in dit formulier. Het verbindt ons met de kerk der eeuwen. De rooms-katholieken gebruiken trouwens Nicea. Het Onze Vader is vanouds de inleiding tot de communie geweest. De gemeente wordt vóór de eigenlijke communie bij de nodiging ook verwezen naar omhoog (sursum corda: de harten omhoog). Ook dit heeft oude papieren.

Te lang? In twee delen?
Velen ervaren het formulier als veel te lang. De lengte komt door de sterk onderwijzende, didactische inslag van de gereformeerde liturgie. Het valt niet moeilijk uit te leggen waar het onderwijzende karakter vandaan komt. De Reformatie was een volksbeweging en men wilde het volk onderwijzen in de Schriften. Afraffelen brengt het omgekeerd evenredige effect van tijdwinst met zich mee: verveling, ergernis, afhaking. Meestal wordt het eerste gedeelte van het formulier in de voorbereidingsdienst al gelezen. Dit is een vrij recent gebruik. Het zal wel te maken hebben gehad met de tijdsfactor. Het lezen kost zeker een kwartier. Een reden zou ook kunnen liggen in de meer persoonlijke aandacht die zo gecreëerd werd, met name voor het zelfonderzoek. Toch moeten we bezwaren houden bij de tweedeling. Velen verdwalen onderweg in het zelfonderzoek doordat de aandacht voorlopig meer op zichzelf in de diverse gestalten van geloof en ongeloof is gericht, dan op Christus en Zijn gemeente. Van der Aa pleit ervoor dat de dominee het formulier niet vanaf de kansel, maar van achter de tafel voorleest. Voor de zichtbaarheid en verstaanbaarheid is dit niet langer een probleem.

Zittend avondmaal: uniek
Nederland is vrij uniek in het zittend vieren van het avondmaal. Dit gebruik is misschien wel de meest radicale breuk met de rooms-katholieke gewoonte. Zitten duidt op rust en aandacht, het benadrukt de onderlinge gemeenschap. Deze gewoonte komt uit de vluchtelingengemeente van Londen, waar Maarten Micron voorganger was. In de begintijd van de Reformatie werd het vrijgelaten hoe men het avondmaal vierde, maar al spoedig kwam er de aanbeveling om te gaan zitten. Deze gewoonte heeft de overhand gekregen. In gemeenten waar het aantal avondmaalsgangers sterk toeneemt, komen er praktische problemen. Maar het doorgeven door de rijen is een vreemd element in het gereformeerde kerkelijke leven. Het staat op gespannen voet met het openbaar belijdende karakter van de avondmaalsgang. Het lopend ontvangen heeft ook niet de voorkeur, omdat het te veel het karakter heeft van een lopend buffet en tekort doet aan de gemeenschap.

Soberheid
Het brood wordt doorgegeven. Niet ieder pakt wat van de tafel, maar we delen met elkaar wat Christus ons schenkt: de onderlinge gemeenschap komt hier dus tot uitdrukking. Stilte aan de avondmaalstafel doet weldadig aan vergeleken met het dagelijkse leven. Toch kan er ook gezongen worden aan tafel en kan er iets gelezen worden over het lijden van Christus. Orgelspel begeleidt het afgaan van de tafel. Een tafeltoespraak, na het lezen uit de Bijbel, is van late datum. De dominee moest vooral wat zeggen, meestal in ethische en morele zin. Het verdient dus niet de voorkeur. Bovendien is soberheid een gereformeerd kenmerk bij uitstek. Waarom hebben we wel een tafelwacht, een ouderling die mensen die onder tucht staan weert, en kunnen ouderlingen niet zelf het avondmaal bedienen? Is het een laatste restje rooms zuurdesem? De afwijzing van anderen dan de predikant als bedienaar is voortgekomen uit het weren van ‘ongeletterdheid, onkunde en willekeur’. De diakenen zijn dienaars, ook aan tafel; zij verzorgen het en helpen met het gereedmaken. De avondmaalscollectie is een oude herinnering aan de gaven die voor elkaar werden meegebracht naar de samenkomst. Het heeft dus altijd een diaconale bestemming.

Geen rang of stand
Omdat er meerdere tafels nodig zijn voor de avondmaalsbediening, verdient soberheid de voorkeur bij de herhaalde nodiging: ‘Komt, want alle dingen zijn gereed’. Er moet geen onderscheid in rang of stand zijn. Het maakt niet uit of je aan de eerste of vierde tafel zit. We worden in het formulier ook opgeroepen om ‘alle vijandschap, haat en nijd’ af te leggen en ‘voortaan in waarachtige vrede met mijn naaste te leven’. De gemeente van Christus is de enige en werkelijke vrijplaats voor jong en oud, waar ieder voor God gelijk is. Zulke plaatsen zijn zeldzaam! De kerkenraad doet er goed aan zelf verspreid over alle tafels deel te nemen. De eigenlijk afsluiting van het avondmaal vindt meestal plaats achter de tafel. In de dankzegging klinkt Ps. 103. Opnieuw de Schrift dus. De tweede dienst, de dankzeggings- of nabetrachtingsdienst, vertoont ook het karakter van dankzegging. Tenslotte: het brood dat over was van de avondmaalsdienst, werd in de Nederlandse vluchtelingengemeente van Londen na de samenkomst uitgedeeld aan de armen!

Gepubliceerd in maart 2008

Advertenties