Amerikaanse verkiezingen

n.a.v. Charles Groenhuijsen, Hoera! Een nieuwe president. Over kandidaten en campagnes, dollars en democratie, geheimen en geruchten, leugens en lobbyisten, Amsterdam 2007 en Frans Verhagen, De beste wint nooit. Het ABC van de Amerikaanse verkiezingen, Amsterdam 2007

Campagnevoeren is een vak
In geen land ter wereld zijn verkiezingscampagnes zo lang. In Amerika is campagnevoeren een vak. Bush had Karl Rove; zolang hij zich aan het gedetailleerde draaiboek hield, was hij een goede kandidaat. Met chirurgische precisie boren campagnemensen nieuwe groepen kiezers aan of men bouwt gedetailleerde kiezersbestanden op. Neem de Russische Joden in 2004: het is een hechte gemeenschap die je via synagogen en kleine krantjes makkelijk bereikt. Dit werd een groot succes voor de Republikeinen. Er zijn speciale bedrijven die bestanden combineren om van miljoenen Amerikanen een politiek profiel op te stellen. Er wordt vaak gezegd dat de slimste kandidaten meer weten over de kiezers dan de kiezers over de kandidaten! Smerige campagnes zijn dodelijk effectief. Een scheldpartij blijft langer hangen dan een prachtplan over de gezondheidszorg. Dat beeld blijft hangen, of het waar is of niet. Het werkt. Campagnes kopen tijd in bij televisie- en radiostations om hun kandidaten te promoten. Dit gebeurt met precisie: men weet precies welke bevolkingsgroepen men op welke zender aanspreekt. Deskundigen waarschuwen voor politieke overkill. Hoeveel kan een gemiddelde burger verdragen?

Scherpe selectie
De selectie is scherp: in 220 jaar bereikten slechts 42 mannen het Witte Huis. Het is bepaald geen toeval dat de meest succesvolle presidenten geconfronteerd werden met een crisissituatie die het beste uit hen haalde. De presidentsverkiezingen bestaan uit drie fasen: (a) Aankondigen, organiseren, opbouwen. Geld inzamelen (in 2008 ongeveer 100 miljoen dollar), vrijwilligers aantrekken, tegenslagen overwinnen, vertrouwen genereren. (b) De voorverkiezingen, leidend tot de nominatie. (c) De uiteindelijke presidentsverkiezingen. In Iowa moet je zowat met elke kiezer spreken. Daarom beginnen ze al jaren van tevoren. Sommigen kandidaten lieten Iowa links liggen, zoals Reagan in 1980 en Giuliani in 2008. De kiezers van New Hampshire zijn meedogenloos. Johnson gaf er in 1968 de brui aan toe daar maar met een klein verschil won. Een dark horse noemt men iemand die totaal onverwacht met de nominatie aan de haal gaat (Carter in 1976), vaak na een impasse op de conventie. Een hatchet man is de man met het kapmes. Zo trad Robert Dole in 1976 op als de pitbull voor de vriendelijke president Ford. John McCain wordt wel de ‘Pander Bear’ genoemd, de Super Slijmer.


Campagnes vragen veel van de kandidaat
Iowa is een goed voorbeeld van hoe de Amerikaanse verkiezingen werken. In de lange veroveringstocht naar het machtigste ambt ter wereld moet een kandidaat op dorpsniveau beginnen. Obama begon in 1996 als kansloze outsider aan zijn Senaatsrace in Illinois. Hij hield persconferenties waar niemand kwam, hij ging naar kerkdiensten waar de dominee eenvoudig vergat te vertellen dat hij er was, na anderhalf jaar had Obama in totaal 5 vrije dagen gehad. Maar zijn volhardende ijver werd beloond. Er werd ineens over hem gepraat. De grote doorbraak kwam in 2004, toen hij op de Democratische Partijconventie in Boston de keynote speech mocht houden. ‘Er is niet een links Amerika en een rechts Amerika. Er is de Verenigde Staten van Amerika’.

Geen moment verslappen
Om gekozen te worden moet je fysiek beresterk zijn. Iedereen wil voortdurend wat van je. Je moet blijven glimlachen, je moet iedereen die je aanspreekt laten zien dat je echt luistert. Je mag geen moment verslappen, één pijnlijke verspreking of vergissing kan fataal zijn. Toen Obama campagne voerde voor een Senaatszetel stuurde zijn Republikeinse tegenstander een jongeman op hem af die de opdracht had hem voortdurend te filmen, onophoudelijk, op een afstand van amper anderhalve meter. Obama krijgt er na een paar dagen schoon genoeg van. Op een persconferentie nodigt hij op luide toon verslaggevers uit om kennis te maken met die jongen. Zij gaan die jongen hinderlijke vragen stellen. De agressieve tactiek heeft een boemerangeffect. Obama wint. Obama heeft in totaal drie keer kunnen profiteren van de privé-schandalen van anderen, dat is zijn geluk.


De beste wint nooit, want doet niet mee
Veel kandidaten die misschien heel goed lijken, beginnen er niet eens aan: ze hebben geen zin in het kussen van baby’s en het uiten van clichés. Het proces schrikt dus een aantal van de best and the brightest af. Tegenwoordig wordt er twee jaar fulltime campagne gevoerd. Dat is langer dan gezond is en vormt nog een extra reden waarom mogelijk heel goede mensen niet meedoen. Daarom wint de beste nooit. Wel overleven absolute minkukels niet. Het eindoordeel over een president kan ook niet te vroeg: je weet pas hoe slecht een president is geweest als je weet hoe lang het duurt om de schade die hij aanrichtte op te ruimen. Rubber chicken circuit: minstens één jaar, vaak veel langer, wordt de kandidaat geacht in mottige motels te slapen, alle lokale barbecues en braderieën met een bezoek te vereren en het daar aangeboden vlees te nuttigen. De kwaliteit van kippenpoten laat vaak te wensen over, vandaar de naam.

Geld en campagne
Een senator die er na 18 jaar mee stopt zegt: ‘Mijn beslissing is voor een groot deel bepaald door het akelige feit dat ik vanaf nu de helft van elke dag moet besteden aan het binnenslepen van geld. Ik moet 125.000 dollar per week ophalen; dat is 25.000 per werkdag; 3000 dollar per uur’. Belastinggeld voor politieke campagnes willen de meesten niet. Een kandidaat mag niet meer dan 4600 dollar aannemen per kiezer. Beperkingen gelden niet als een kandidaat geld uit eigen kas haalt. De burgemeester van New York, Michael Bloomberg, doet dit ook. Hij werkt voor het symbolische bedrag van 1 dollar per jaar; hij wil geen salaris. John Kerry mocht in 2004 niet het geld van zijn steenrijke vrouw Theresa Heinz gebruiken; wettelijk is dit verboden. Rijken kunnen zo niet meer kolossale bedragen storten in ruil voor politieke gunsten. Bill Clinton had als verrassing voor zijn politieke vrienden een overnachting in The Lincoln Bedroom in het Witte Huis. Het vormen van actiegroepen is wel toegestaan. Ze mogen niet oproepen om op een bepaalde kandidaat te stemmen, maar ze mogen wel subtiel duidelijk maken waarom de andere kandidaat niet goed is. De verwachting is dat tegen 4 november 2008 de twee kandidaten elk minstens 500 miljoen dollar hebben uitgegeven.


Lobbyisten
Maar in plaats van deze mensen zijn er nu wel heel veel lobbyisten, die veel binnenslepen. Lobbyisten komen er steeds meer: al meer dan 35.000. Vaak doen ze niks anders dan mogelijke maatregelen van de overheid tegenhouden. Wie zien we in al die chique kantoren van lobbyisten terug? Ex-Congresleden en voormalige hoge ambtenaren. Die weten immers als geen ander de weg in Washington. Men verdient veel meer: 300.000 dollar als beginsalaris tegenover 175.000 voor volksvertegenwoordigers. Ex-Congresleden mogen verblijven in voor gewone stervelingen afgesloten ruimtes op Capitol Hill. De naam lobbyist ontstond in het Willard Hotel in Washington, waar president Grant zijn brandy genoot, terwijl er wheelers and dealers rondhingen om hun zaak bij de president te bepleiten. Tijdens de Republikeinse dominantie van het Congres, van 1995 tot 2006, is de macht van K-Street (de straat in Washington waar veel lobbybedrijven kantoor houden) enorm toegenomen.

Geld zegt niet alles
Kandidaten kunnen wel putten uit een overheidspotje, maar dan moet men zich aan strenge voorwaarden houden en dan kan men bijna geen geld meer van anderen aannemen. Jimmy Carter zou vandaag niet meer willen meedoen aan de krankzinnige geldrace die onvermijdelijk aan een campagne is verbonden. Bijna alle kandidaten zijn tegenwoordige (multi)miljonair. Maar je kunt een verkiezingsoverwinning niet altijd kopen; negen van de tien self-funders verliezen. Clinton en Carter en in 2008 Obama zijn positieve voorbeelden van succesvolle politici van eenvoudige komaf met veel politiek talent. Bij Obama begonnen pas na lang doorzetten en onvermoeibaar rondreizen de dollars binnen te stromen. De noodzaak om geld in te zamelen heeft ook een zuiverende werking, want het betekent dat je moet knokken voor je succes. Er is uithoudingsvermogen nodig. Running for office: mensen die een politiek ambt wensen, moeten er wat voor doen: ze moeten rennen. In 1996 kukelt Republikein Bob Dole tijdens een campagneoptreden in Californië van een podium. Omdat hij oud was (73), kwam dit heel slecht over.

Gevangenen mogen niet stemmen
In Amerika is campagnevoeren tweerichtingsverkeer. De verkiezingen worden per staat gehouden. Het kiessysteem zit zo in elkaar dat iedere kiezer zich eerst moet registreren. Grote aantallen volwassenen mogen bovendien niet stemmen, omdat ze illegaal zijn, geen Amerikaans staatsburger of gevangen zijn geweest (het gaat om miljoenen ex-gevangenen, alleen al in Florida 400.000). De opkomst is dus laag. Het winner takes all-systeem is rampzalig voor de opkomst. Zittende Congresleden (90 procent) worden probleemloos herkozen. Vaak is er niet eens een serieuze tegenkandidaat. Is campagne voeren alleen maar het verkopen van een boodschap of gaat het ook om de inhoud? Er is een geval bekend dat een kandidaat een tv-spotje met een pro-abortusboodschap liet opnemen, maar aan het eind zei: ‘Nu nog eentje vanuit een andere hoek’: anti-abortus dus, voor als de opiniepeilingen aangeven dat de meeste kiezers dáár de voorkeur aan geven.


Directe democratie
Referenda kunnen in de komende tientallen jaren het Amerikaanse politieke systeem ondermijnen. Als je Amerikanen één verwijt kunt maken dan is het dat ze vaak geen maat houden. Referenda (uitgeschreven door de regering) en initiatieven (die uitgaan van burgers) ondermijnen natuurlijk de verkiezingen. Het idee erachter is dat politici gedwongen worden te luisteren; wantrouwen jegens de gevestigde machten dus. Ze gaan over de meest uiteenlopende onderwerpen, zoals abortus, belastingverlagingen, homohuwelijk, naaktdansen en het verbod op bepaald soort badpakken. Wie wil nu niet dat belastingen verlaagd worden (die in Amerika slechts de helft van Nederland zijn)? Maar het gevolg is dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van het onderwijs en de wegen.

Je tegenstander definiëren
Een belangrijke les is: zorg dat je alles over je tegenstander weet. Het hele politieke verleden wordt ondersteboven gekeerd. Het is monnikenwerk, daarom worden er professionals voor ingehuurd. Als die iets bruikbaars vinden, is dat goud waard. Men gaat op zoek naar gefrustreerde mensen, de ex van de kandidaat, de zakenpartner met wie ruzie ontstond, de medewerker die werd ontslagen. Een vaste regel in de politiek is dat je primair jezelf moet definiëren en vervolgens je tegenstander. Je mag nooit toelaten dat je tegenstander jou als kandidaat definieert. Clinton deed het in 1996 slim door Robert Dole al te definiëren voordat hij zichzelf aan het publiek kan voorstellen. Bush definieerde in 2004 Kerry al: flip-flopper, Massachusetts, liberal, belastingverhoger, opportunist, Franssprekend.


Een spindokter
Een goede campagne zorgt ervoor dat er iedere dag een boodschap is. Iedereen in de campagne wordt geacht die boodschap uit te dragen. John Kerry wilde in 2004 wanhopig praten over Irak, over de economie en de zwakte van Bush. Na de aanval op zijn diensttijd in Vietnam was hij echter gedwongen om steeds maar weer vragen daarover te beantwoorden. Hij was zowat permanent off message. Een spin doctor is de persoon die de opdracht heeft een gebeurtenis of een uitspraak een draai in de juiste richting te geven. Alles moet uitgelegd, verklaard, in een kader geplaatst worden. Na het eerste debat in 2004 met John Kerry, toen Bush vreselijk de mist in ging, draaiden zijn spinners zich een slag in de rondte om te verklaren waarom dit geen verlies was.

Internet
Lang niet elke politieke kandidaat heeft een eigen website. Vooral zittende Congresleden nemen die moeite niet. Howard Dean maakte in 2004 belangrijk gebruik van internet om geld in te zamelen, Mitt Romney in 2008 om naamsbekendheid te krijgen. Om vuile roddels te verspreiden moest je vroeger nog redelijk je best doen. In het internettijdperk niet meer. Zo is er een filmpje van John Edwards die in een tv-studio een volle twee minuten aan zijn haar zit te frunniken. Hillary Clinton probeert het volkslied mee te zingen, maar kan niet zingen, zingt vals; het wordt allemaal opgenomen en op internet gezet. Een probleem is dat echt en nep nauwelijks nog van elkaar te onderscheiden zijn. Oude fatsoensnormen lijken te vervagen. Op internet zijn er veel informatiebronnen van onderop waar de controle totaal ontbreekt. Het is een journalistiek Wild West geworden. De extreemste roddels kunnen geuit worden, die in de traditionele media geen kans hadden. Wie terugbladert in de Amerikaanse geschiedenis komt al vanaf de vroege 19e eeuw politieke praktijken tegen die voor Nederlandse begrippen schokkend zijn.



De middenklasse
Wie zijn eigenlijk niet-stemmers? Dat zijn vooral Amerikanen met een laag inkomen en weinig opleiding. En áls ze al stemmen, gaat hun voorkeur gek genoeg vaak uit naar de Republikeinen. De groepen die het meest belang hebben bij sociale vernieuwing stemmen het minste. John Edwards sprak over ‘de twee Amerika’s’. Je sterk maken voor arme Amerikanen is niet populair. Amerikanen zijn wel reuze sociaal (het liefdadigste land ter wereld), maar vinden armoede ook vaak ‘eigen schuld dikke bult’. Laat mensen het zelf voor elkaar boksen en liefst zonder dure, bureaucratisch overheidssteun. De kandidaten spreken liever over de beknelde middenklasse. Dat zijn de miljoenen modale huisvaders en -moeders: met een baan maar zonder ziekteverzekering, met een hoge hypotheek maar zonder een spaarpot voor de oude dag. Die modale burgers en niet Amerika’s armoedzaaiers bepalen wie de nieuwe president wordt. De meeste arme Amerikanen rekenen zichzelf tot de ‘middle class’ ook al is dat meestal onterecht.

Politici en media
Vroeger waren de politici nog de baas in de media; nu allang niet meer. Maar de journalisten dreigen deze positie ook kwijt te raken, door de opkomst van internet. De consument wordt steeds meer de baas. Tv is nog het overheersende medium. Er zijn nog altijd veel meer kijkers dan klikkers. Op de tv zie je nauwelijks meer politici iets uitleggen. Het moet in een paar krachtig geformuleerde zinnen gezegd worden. Vaak komt er maar een korte kreet op de journaals. Verslaggevers zijn vaak negatief over de kandidaten, want als je iets positiefs zegt vraagt iedereen zich af of je nog wel onafhankelijk bent. Alles moet snel, alles moet kort. Politici koken hun boodschap droog tot een enkel zinnetje, ze moeten wel. In de jaren zestig was een gemiddelde toespraak op televisie nog 40 seconden. Dat is nu ondenkbaar. Media kunnen een kandidaat kapotmaken, maar soms gebeurt ook het omgekeerde: dat deed Bush in 2004. CBS maakte bekend dat Bush zijn taken in het leger verwaarloosd had. Maar de onthullende documenten bleken vals. Dan Rather moet door het stof. Bush is vrijgepleit van zijn twijfelachtige militaire verleden. Democraat Gary Hart in 1984 daagde de journalisten uit. Hij had natuurlijk geen buitenechtelijke relaties, en als ze dat wilden weten moesten ze hem maar volgen. En dat deden ze. En op een ochtend verlaat een aantrekkelijke jonge vrouw zijn woning. Betrapt! Bill Clinton was in 1992 onhandig toen hij niet wilde erkennen marihuana gerookt te hebben, nee hij ‘inhaleerde’. De uitvluchten zijn de waterdichte garantie dat de leugentjes wekenlang onderwerp van gesprek blijven.



Kiesfraude
Kiesfraude is niet ongebruikelijk in Amerika. Soms duiken overleden kiezers ineens op magische wijze op in de stemlokalen. ‘Vote early and vote often’ zegt men wel op de verkiezingsdag. Een berucht voorbeeld waren de verkiezingen van 1844. In New York stonden 41.000 kiezers geregistreerd. Zoals iemand schreef: ‘De opkomst die dag was hartverwarmend: er kwamen 55.000 mensen stemmen’. De Republikeinen wisten in Florida de kiezerslijsten van de Democraten zodanig op te schonen, dat ook talloze levenden werden verwijderd. Ze werden als het ware begraven vóór hun tijd. In 1960 werd er flink gerommeld in Texas en Illinois, om Kennedy aan de overwinning te helpen. In 1916 ging president Wilson naar bed met het idee dat hij had verloren. Een anekdote wil dat een journalist vroeg in de ochtend na de verkiezing de hotelkamer van zijn tegenstander probeerde te bereiken. ‘De president slaapt’, zei de kamerbewaarder. ‘Als hij wakker wordt, zeg hem dan maar dat hij niet langer president is’, zo antwoordde de journalist. Een flusher is iemand die op de verkiezingsdag de kiezers naar de stembus moet krijgen. Ze helpen hen nog net niet het stembiljet in te vullen, maar veel scheelt het niet. Traditioneel waren de Democraten hier goed in. Vroeger woonden etnische groepen gewoon keurig bij elkaar. Ieren en zwarten stemden altijd Democratisch, dus iedere kiezer die je uit die wijken naar de stembus begeleidde, was goed gekozen. Tegenwoordig zijn mensen die in suburbs wonen vooral Republikeins. Dat maakt het dus makkelijk voor Republikeinse flushers.

Senatoren
De termijnen van senatoren overlappen elkaar, zodat er altijd een vertragend politiek effect in zit. Vanwege hun langere zittingstermijn, hun beperkte aantal en hun staatsmanachtige uitstraling spelen senatoren een grotere rol in het Amerikaanse politieke leven dan afgevaardigden – met uitzondering van een paar politici die hun hele leven slijten in het Huis van Afgevaardigden en daaraan hun machtsbasis danken. In Washington zegt men vaak dat vrijwel alle senatoren als ze ’s ochtends in de spiegel kijken een potentiële president zien. Toch is het sinds Kennedy niet meer gebeurd, en wat betreft het Huis sinds Garfield (1880) niet meer. De meeste presidenten in de 20e eeuw waren gouverneur. Senatoren die president willen worden hebben het probleem dat hun stemgedrag nauwkeurig wordt nagegaan. Obama heeft het geluk dat hij in 2002 nog geen senator was toen de Irakoorlog op de agenda stond.



De conventies
Een conventie duurt enkele dagen. Het is een goed gebruik dat afgevaardigden elke keer dat hun staat genoemd wordt in gejuich uitbarsten. De conventie wordt geopend met een keynote speech, meestal van een jonge, veelbelovende politicus. In 2004 was dat voor de Democraten Barack Obama. Vroeger waren de conventies net Poolse landdagen (wanordelijke vergaderingen), omdat een kandidaat tweederde meerderheid moest krijgen. In 1976 vond er een strijd plaats tussen Reagan en Ford om de Republikeinse nominatie, terwijl Ford toch de zittende president was. Reagan kreeg bijvoorbeeld in New Hampshire, waar veel (eigenlijk Democratische, maar) als onafhankelijk geregistreerde kiezers zijn, veel stemmen omdat men het lastig wilde maken voor president Ford. In 1980 ondermijnde Ted Kennedy de kandidatuur van Carter. Op de conventie probeerde Kennedy nog afgevaardigden zover te krijgen dat ze Carter lieten vallen. Toen dat niet lukte hield hij een emotionele concessietoespraak. In 1992 daagde Patrick Buchanan Bush uit, in 1952 liet Truman de kandidatuur varen toen bleek dat hij kwetsbaar was in de voorverkiezingen (zo ook Johnson in 1968).

Gezondheidszorg
Medicaid is voor armen en medicare voor bejaarden. Aid is hulp, care is waar je recht op hebt. Er zitten 5 miljoen veteranen in het overheidssysteem, 32 miljoen gepensioneerden zitten in Medicare en 37 miljoen armen in Medicaid. Dat betekent, anders dan we in Europa vaak denken, dat zo’n 75 miljoen Amerikanen een ziektekostenverzekering hebben op staatskosten. Afgezien van deze 75 miljoen zijn er 10 miljoen die zelf hun verzekeringen kopen. De rest krijgt het via de werkgevers. Een ander groot deel valt tussen wal en schip omdat hun werkgever te klein is of omdat ze parttime of voor zichzelf werken. Dat zijn de 40 miljoen Amerikanen die niet verzekerd zijn: niet de allerarmsten en de uitkeringsgerechtigden, maar vooral de mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het probleem is: een status-quo is onhoudbaar, maar een alternatief Europese stijl is onverkoopbaar.


Slorpen uit de varkenstrog
Pork barrel is het slorpen uit de varkenstrog door Congresleden. Door hun kiezers worden ze afgerekend op de mate waarin ze overheidsgelden naar hun district of hun staat kunnen dirigeren. Wie het langst in het Congres zit, heeft de meeste invloed en haalt het meeste geld binnen. Zo heeft West Virginia vele kilometers gesubsidieerde highways. Dit komt door het werk van Robert C. Byrd, de senator van die staat die sinds mensenheugenis de belangen van West Virginia behartigt. Hoe die highways vaak heten? Robert C. Byrd Highway! De Amerikaanse marine heeft vestigen in vrijwel alle staten, ook als er in de verste verten geen water is te vinden. Het garandeert alleen dat er altijd voldoende politieke steun is voor de marine-uitgaven. ‘All politics is local’ is een oud thema. Er zijn ook politici die zich hiertegen verzetten, al zijn ze met een lampje te zoeken. Senator John McCain merkte op dat zelfs in de Homeland Security Bill na 11 september allerlei pork was gestopt.

Landelijk tellen?
De Founding Fathers vonden het erg belangrijk dat termijnen en inauguratiedata heel precies werden vastgelegd en gehandhaafd. De eedaflegging en de officiële machtsoverdracht vinden tegenwoordig plaats om twaalf uur ’s middags, op 20 januari van het jaar na de verkiezingen. Het vindt in principe plaats op de bordessen van Capitol Hill, maar in 1984 was het zo koud dat Reagan de eed binnen in het gebouw aflegde. Ogenschijnlijk lijkt het eenvoudiger om de stemmen landelijk te tellen en degenen met de meeste stemmen tot president te kiezen, maar dan heb je wel eindeloos veel kansen op telproblemen, per staat, per county, zelfs per stembureau. Als elke stem telt, kan elke onrechtmatigheid uitgebuit en aangevochten worden. Het zou onwerkbaar zijn.



Landslide
Landslide is een klinkende overwinning, zoals Reagan op Mondale in 1984: alleen zijn eigen staat, Minnesota, wist Mondale te winnen. Toch haalde Mondale in totaal nog 40,6 procent van de stemmen; dit lijkt er niet op als je de kaart bekijkt. Andere landslide-overwinningen waren Franklin Roosevelt in 1932 en 1936, Johnson in 1964 en Nixon in 1972. De Democraten kennen bij de voorverkiezingen niet het winner-takes-all-systeem, waardoor iemand als Jimmy Carter in 1976 kon doorbreken, door overal mee te doen, en ook al werd hij tweede, dan nog sprokkelde hij zijn delegates bij elkaar. Hij verloor van de laatste zeven voorverkiezingen er vijf! Direct na het sluiten van de laatste stembus wordt de gehele uitslag voorspeld, door middel van de exitpolls. In 2004 leek John Kerry op grond daarvan te winnen, wat leidde tot uitgebreide beschouwingen op de televisie over de betekenis ervan.

Verstrengeling bedrijfsleven en politiek
Er wordt wel gesproken over ‘the Almighty Dollar’. Ook in de 19e eeuw speelde geld al een grote rol. Omgerekend waren 19e-eeuwse volksvertegenwoordigers veel rijker dan nu. Ze waren vaak schaamteloze vertegenwoordigers van olie- en spoorwegmaatschappijen. Het heeft wel voordelen: doordat spoorwegbedrijven honderdduizenden hectares grond gratis krijgen, door de innige samenwerking tussen regering en bedrijfsleven ontstond in ijltempo het Amerikaanse spoorwegnet. De waardering voor het Congres is nog nooit zo laag geweest: slechts 14 procent van de Amerikanen heeft daar nog vertrouwen in. In 1947 en 1948 verwierp het door de Republikeinen gedomineerde Congres vrijwel alles wat de Democratische president Harry Truman voorstelde. Dat deden ze in de verwachting dat Truman in 1948 de presidentsverkiezingen zou verliezen. Vaak is het zo dat het Witte Huis in handen is van de ene partij, het Congres in handen van de andere. George W. Bush had het comfort om een tijdje lang een Republikeins Congres tegenover zich te hebben.

Schandalen
Negatieve campagnes waren er heel vroeg al. In 1800 werd Jefferson door het kamp van John Adams zwartgemaakt. Als hij president werd zou het land vervuld worden van ‘moord, verkrachting, overspel, incest, noodkreten, bloed en misdaad’. Schandalen zijn in Washinton D.C. eerder regel dan uitzondering. Neem 535 mensen (het aantal leden van het Congres). Dat zijn vooral mannen. Geef ze macht en prestige, zet ze neer in Washington, ver weg van de rustgevende invloed van hun gezin. Regelmatig belanden Congresleden vanwege hun wandaden in de cel. Sinds het Watergateschandaal krijgt elk politiek schandaal onmiddellijk de ‘-gate’-toevoeging. De bijnaam van Nixon was Tricky Dick. Hij gebruikte overheidsinstellingen voor politieke doeleinden: de belastingdienst om tegenstanders lastig te vallen, de FBI en de CIA om belastende informatie te verzamelen en in sommige gevallen om mensen af te luisteren. Hieruit vloeide ook de inbraak in het Watergate-gebouw voort.



Het elfde gebod
Washinton D.C. heeft drie kiesmannen, maar die stemmen altijd Democratisch. Swing states zijn Missouri, Ohio, Illinois, Michigan, Florida en Pennsylvania. In vrijwel iedere staat zijn dagelijks gedetailleerde tracking pols. Bundlers zijn mensen die potentiële donateurs op zo’n manier bij elkaar brengt dat de kandidaat met zo min mogelijk kosten zo veel mogelijk geld binnenhaalt. De goeden kunnen rekenen op een ambassadeurschap in een onbelangrijk land als Nederland. Republikeinen oefenen geen kritiek uit op Republikeinen: dat was volgens Reagan het elfde gebod. Het idee over politieke loyaliteit leeft nog steeds sterk bij de Republikeinen. Regel is dat president en vice-president niet uit één staat mogen komen. Er zijn 538 kiesmannen, naar het aantal afgevaardigden in het Huis (435), het aantal senatoren (100), plus de drie kiesmannen voor het District of Columbia. Amerikaanse partijen kennen geen leden. De nationale partijorganisatie is erg belangrijk om geld in te zamelen.

Afgedwaald naar links
Dat Amerika een tweepartijenstelsel heeft, was niet de bedoeling van de opstellers van de Grondwet; die wilden helemaal geen partijen. In de jaren zeventig en tachtig vond het partij-establishment van de Democratische Partij dat de partij te veel naar links was afgedwaald. Clinton, een kandidaat uit het conservatieve zuiden, was eindelijk een succes. In 1993 werd een wet aangenomen dat je bij het vernieuwen van je rijbewijs je je meteen kunt registreren als kiezer. Het aantal geregistreerde kiezers is zo toegenomen. Onderzoek heeft uigewezen dat de uitslag van verkiezingen niet fundamenteel zou veranderen als de opkomst steeg. Door de oorlog in Irak en vooral de incompetente uitvoering ervan, kan de Republikeinse Partij niet meer claimen de betrouwbare partij voor nationale veiligheid te zijn. Men onderscheidt verschillende omwentelingen in de politieke structuur: 1800, 1828, 1860, 1896, 1932 en 1980. Wellicht 2008? Karl Rove hoopte dat hij het land definitief op een conservatief spoor kon zetten. In 2008 zal dat moeten blijken.



Geboren in een blokhut
De blokhut (log cabin) staat voor de nederige afkomst van een kandidaat. Lincoln was in een blokhut geboren, en had ook nog eens aan de spoorweg gewerkt (als railsplitter), Harry Truman was verkoper in een kledingwinkel, Nixon groeide op in relatieve armoede in Californië, Carter was een pindaboer en Reagan verdiende bij als badmeester en radioverslaggever. Hillary Clinton claimt van gewone komaf te zijn, een eenvoudig meisje uit het Midden-Westen, opgegroeid in een middenklassegezin. Haar vader was echter een welgestelde arts. De president verdient 400.000 dollar per jaar. Menig leider van een grote onderneming zet er schaamteloos één of zelfs twee nullen bij. Een ex-president kan de wereld afreizen en toespraken houden voor veel geld. Zo verdient Clinton één of twee ton per lezing, exclusief eerste klas vliegen en hotel voor hem en zijn gevolg. Clinton had toen hij het Witte Huis verliet grote schulden vanwege de juridische kosten die hij maakte als gevolg van diverse schandalen. Alleen al door een biografie te schrijven verdiend hij miljoenen dollars.

Een gevaarlijk beroep
Vanaf het moment dat je president-elect bent wordt de bewaking groot. Ook in het privé-gedeelte van het Witte Huis zijn leden van de Secret Service permanent paraat. Elke president heeft een persoonlijke codenaam. Clinton was ‘Eagle’ en Bush ‘Timberwold’. Alleen kroon en koets ontbreken. Een president kan niet zomaar ergens naar toe gaan. Daar komt eerst een compleet advance team aan te pas. Het gebouw wordt hermetisch van de buitenwereld afgesloten en door speciaal getrainde honden besnuffeld op explosieven. Reagan moest aanvankelijk wennen aan de bemoeizucht van zijn medewerkers. Zo was het ongewoon voor hem dat een vreemde hem komt wekken. Van de 43 presidenten waren er 14 doelwit van aanslagen, onder wie 4 van de laatste 6 bewoners van het Witte Huis. Ook zijn er veel pogingen tot aanslagen. Denk aan Georgië 2005, waar een granaat niet af ging dichtbij Bush. Vier presidenten kwamen om het leven: Lincoln, Garfield, McKinley en Kennedy. Ook presidentskandidaten waren doelwit: Robert Kennedy (overleden) en George Wallace in 1972 (zwaargewond). Het is een wonder dat het niet vaker misgaat. Er zijn 60 miljoen wapenbezitters. Er hoeft maar één gek tussen te zitten. Het handen schudden van de kandidaat is een nachtmerrie voor beveiligers.


Ouderdom en ziekte
Meestal publiceert de campagne van kandidaten die daar kwetsbaar voor zijn zelf al een gezondheidsbulletin. Denk aan John McCain die al boven de 70 is. Wilson kreeg in 1919 een hersenbloeding waarna niet hij maar zijn vrouw feitelijk regeerde, de slechte foto’s van Franklin Roosevelt in Jalta werden keurig verborgen gehouden. Eisenhower had problemen met zijn hart, Kennedy leed aan een ziekte die hem veel medicijnen deed slikken, Reagan verkeerde in goede fysieke conditie, waardoor hij snel herstelde na een moordaanslag in 1981. Wel onderging hij een zware operatie wegens darmkanker en begon de ziekte van Alzheimer zich waarschijnlijk te manifesteren.

Wat zeggen de historici?
We weten niet hoe historici zullen gaan terugzien op het presidentschap van George W. Bush. Als D-Day was mislukt, was Franklin Roosevelt als een tragische man de geschiedenis ingegaan. Als Japan zich niet had overgegeven, was Truman de slager. Reagan is een treffend voorbeeld van een president die in achting stijgt na zijn vertrek uit het Witte Huis. Hij zou lui zijn, vergeetachtig, die alleen een grappige anekdote uit zijn gloriejaren in Hollywood onthoudt. Na het Iran-Contraschandaal speelde hij met woorden: ‘Mijn geweten zegt me nog steeds dat het waar is. Maar de onbetwiste feiten wijzen het tegendeel uit’. Hij liegt maar heeft het niet verkeerd bedoeld. Hij is het onschuldige slachtoffer van onaangename feiten, zo lijkt het. Een opgewekte vrolijkerd bereikt meer dan een zuurpruim.

Hij liegt
Truman beantwoordt een vraag wie Roosevelt nu echt is met: ‘Hij liegt’. FDR houdt voor zijn vrouw verborgen dat hij een buitenechtelijke relatie heeft en voor de buitenwereld hoe ziek hij is, De oorlog moest immers doorgaan. Het wegvallen van Roosevelt zou een domper zijn voor alle Amerikaanse soldaten. Churchill zei: ‘In oorlogstijd is de waarheid zo kostbaar dat deze moet worden afgeschermd met een ring van leugens’. Eisenhower jokt over de U2, Kennedy over Cuba, Johnson over Vietnam, Nixon ‘over…tsja, waar jokt Nixon níet over?’, Reagan over het Iran-Contraschandaal, George Bush over de belofte de belastingen niet te verhogen, Clinton over Monica Lewinsky. Uitgerekend een éérlijke president als Jimmy Carter wordt tot één van de slechtste naoorlogs presidenten gerekend.


Een president op campagne?
Rose garden strategy (plek in de tuin van het Witte Huis waar internationale leiders worden ontvangen) is een verkiezingsstrategie waarbij een zittende president laat weten dat hij het te druk heeft om campagne te voeren. Jimmy Carter deed dit in 1980, Gerald Ford in 1976 nadat hij zoveel het land was doorgereisd dat zijn geloofwaardigheid als president begon te tanen. Ford kwam vervolgens de tuin niet meer uit, maar verloor wel de verkiezingen. In 1980 nam de gijzeling van de Amerikaanse ambassade in Iran Carter geheel in beslag. Op de dag van de inauguratie van Reagan werd de gijzeling beëindigd. Kwade opzet? Zat het campagneteam van Reagan erachter? Wij weten het niet.

Keuze van vice-president
Een balanced ticket houdt in dat kandidaten voor het presidentschap en vice-presidentschap elkaar aanvullen en versterken en vaak uit andere delen van het land afkomstig zijn. Bekend voorbeeld is Johnson die running mate van Kennedy was omdat de kiesmannen van Texas nodig waren voor de winst. Of George Bush (die Reagans plannen in de voorverkiezingen nog had omschreven als voodoo economics) bij Reagan in 1980 omdat men Reagan een tikkeltje te radicaal vond, terwijl Bush het vertrouwen genoot van de zakenwereld en de buitenlandse politieke elite, én hij kon als Texaan en New Englander regionaal tegenwicht bieden. Bill Clinton trok zich nergens wat van aan en koos in 1992 Al Gore: even oud, uit dezelfde regio. Gore koos in 2000 de moralistische senator Joe Lieberman om afstand te nemen van Clintons moraal. George W. Bush koos Dick Cheney verrassend; hij werd gezien als een insider die ervaring en rust zou brengen. Bij McCain in 2008 is de keuze van vice-president belangrijker dan ooit: hij is oud. Walter Mondale koos in 1984 voor een vrouw als running mate: Geraldine Ferraro. De term family values werd in 1992 op de kaart gezet door de toenmalige vice-president Dan Quayle. Dan Quayle maake in 1988 de ene na de andere blunder, tot hij door de Bushcampagne onder curatele werd gesteld en ‘alleen nog onder strikte begeleiding buiten mocht spelen’. In 1972 bleek de running mate van George McGovern, senator Thomas Eagleton, een elektroshockbehandeling te hebben ondergaan voor zijn depressie. McGovern ging op zoek naar een nieuwe vice-presidentskandidaat…


Cheney als machtigste vice-president ooit
Sinds Mondale in 1976 is de functie van vice-president sterk opgewaardeerd. Meestal moet hij iets compenseren: kwaliteit, regio of richting. Johnson was tot 22 november 1963 heel ongelukkig in het gewichtloze ambt van vice-president. Joe Lieberman was in 2000 de eerste Joodse kandidaat, maar vooral telde het dat hij de eerste Democraat was geweest die president Clinton op het matje had geroepen. In 2000 was het een verrassende keuze: de man die de kandidaten moest beoordelen, Dick Cheney, werd zelf de genomineerde kandidaat. Sommigen dachten dat hij expres een profiel had opgesteld dat bij hem paste. Gezien zijn ferme greep op de macht in de regering-Bush valt daar wel wat voor te zeggen. Geen vice-president heeft ooit meer macht gehad dan Cheney. Hij beschikt bijna over een parallelle staf, waarover hij buitengewoon geheimzinnig doet. Cheney dankt zijn macht aan de onervarenheid van Bush.

Niet veel aandacht, wel belangrijk, vooral in de 20e eeuw
In de praktijk kijkt de kiezer nauwelijks naar de running mate. Dat is nogal nonchalant want maar liefst vijf presidenten in de 20e eeuw waren vice-president: Theodore Roosevelt, Coolidge, Truman, Johnson en Ford. In de wereld van de paardenraces is een running mate de stalgenoot van een paard die kans heeft om te winnen. In de atletiek zouden ze het over een ‘haas’ hebben. Als het werk is gedaan, verdwijnt het tweede paard in de vergetelheid, een situatie die veel vice-presidenten herkennen. Als de running mate bekender is dan de topkandidaat, hebben we het wel over een kangeroo ticket, omdat de kracht van het ticket dan in de onderste helft zou zitten. Volgens sommigen was dat in 1988, toen Lloyd Bentsen door sommigen sterker werd geacht dan Michael Dukakis. Toen Lyndon Johnson vice-president was geworden, vroeg hij aan de chauffeur die sinds jaar en dag de Majority Leader van de Senaat had rondgereden, om met hem mee te gaan. Nee, zei de chauffeur, hij reed liever met iemand met echte macht. De vice-president van Wilson zei: ‘Er waren eens twee broers. Één ging naar zee, de ander werd gekozen tot vice-president. Van geen van beiden is ooit nog iets vernomen.’


President wereldvreemd?
Hoewel Republikeinen de reputatie hebben gedisciplineerde boekhouders te zijn, en de Democraten ‘big spenders’, zijn er onder Ronald Reagan en George W. Bush enorme tekorten ontstaan. Overigens doet in Republikeinse kringen de theorie opgeld dat grote tekorten eigenlijk wel goed zijn. Dan kan het Congres namelijk geen nieuwe uitgaven plannen, gewoon bij gebrek aan geld. Ronald Reagan was de eerste en enige gescheiden president. Reagan wekte de mensen in 1980 op met nationale trots: ‘It’s morning again in America!’ George Bush bleek in 1992 wereldvreemd. Toen hij in een supermarkt kwam, toonde hij zich verrast over het systeem van een barcodescanner. Daarmee gaf hij aan jaren niet meer in de winkel te zijn geweest. In 1996 deed Clinton aan triangelutation: hij zorgde dat hij voldoende van Republikeinse voorstellen overnam om de kiezer te verwarren. Bush won in 2000 debatten doordat iedereen hem onderschatte. Reagan bouwde een hele carrière op onderschatting.

Anekdotes over presidenten
De zesjarige George Washington beschadigde met zijn nieuwe bijltje een kersenboompje. Toen zijn vader vroeg of hij misschien wist wie hiervoor verantwoordelijk was, zei hij ernstig: ‘Ik kan geen leugen vertellen. Ja, pa, ik heb het gedaan’. Dat zo’n onbenullig verhaal de tand des tijds heeft overleefd, zegt wel wat over de mythische vorm die de reputatie van Washington heeft aangenomen. Thomas Jefferson blies zijn laatste adem uit op 4 juli 1826, precies vijftig jaar na de Onafhankelijkheidsverklaring; John Adams stierf een paar uur later. Toen de Engelsen in 1814 Washington in brand staken, en het Witte Huis ook beschadigd raakte, kreeg het gebouw een verfbeurt, waarin het gebouw zijn naam dankt. Andrew Jackson stelde na zijn inauguratie het Witte Huis open voor iedereen die maar langs wilde komen. Dat heeft hij geweten… John Tyler was de eerste vice-president die een overleden president moest opvolgen. Het Congres sloeg dit met schrik gade en moest er niet veel van hebben. Zachary Taylor overat zich op 4 juli 1850 aan aardbeien met room en overleefde dat niet. Vlak voor de inauguratie verongelukte Franklin Pierce’s enige zoontje bij een treinongeluk. Het maakte zijn jaren in het Witte Huis tamelijk somber. Toen Lincoln in 1858 de verkiezing tot senator verloor, zei hij: ‘Ik voel me als een jongen die zijn teen heeft gestoten; ik ben te oud om te huilen en het doet te veel pijn om te kunne lachen’. Rutherford Hayes was een zeer gelovig man. In het Witte Huis werd veel gebeden en gezongen, en niet gerookt, gevloekt of gedronken. Zijn vrouw noemde men ‘Lemonade Lucy’. Iemand merkte na een feest op: ‘Water vloeide as champagne’.



James Garfield werd na zijn inauguratie vermoord door een ontevreden baantjeszoeker. Mede daardoor werd het systeem van banen uitdelen aan politieke volgelingen onder handen genomen. De corrupte Chester Arthur schrok zo van het hem in de schoot geworden ambt dat hij zich ineens heel anders ging gedragen. Benjamin Harrison was tot 2000 de enige president die met minder stemmen werd gekozen dan de winnaar. Grover Cleveland is de enige president die terugkwam na een verkiezingsnederlaag. Theodore Roosevelt noemde het presidentschap als preekstoel, de ‘bully pulpit’. William Howard Taft werd na zijn presidentschap Chief Justice van het Supreme Court. Woodrow Wilson zei: ‘Als ik tien minuten moet spreken, heb ik een week voorbereiding nodig, als het vijftien minuten moet duren, drie dagen; voor een half uur wil ik twee dagen en als het uur moet zijn, dan ben ik nu klaar’. Warren Harding wilde graag geliefd zijn. Zijn vader zei ooit dat het maar goed was dat hij geen meisje was. ‘Je zou voortdurend in the family way zijn (in verwachting). Je kunt geen nee zeggen’. Voor Calvin Coolidge was het een schitterende dag als er hoegenaamd niets van betekenis gebeurde. Silent Cal was een man van weinig woorden. Hij was zo verstandig zich in 1928 terug te trekken, hij zag de Depressie aankomen. Een keer ging hij naar de kerk. Zijn vrouw, die ziek thuis was gebleven, vroeg hem waar de preek over was gegaan. ‘Over zonde’, zei hij. ‘Wat zei hij daar dan over?’ ‘Hij was ertegen!’

Harry S. Truman was geweldig impopulair toen hij het Witte Huis verliet, maar heeft sindsdien een gestage herwaardering doorgemaakt.’ Toen Eisenhower werd gevraagd iets positiefs over zijn running mate Nixon te zeggen, antwoordde hij: ‘Geef een paar dagen en dan heb ik wel wat bedacht’. Toen John F. Kennedy een aantal Nobelprijswinnaars in het Witte Huis op bezoek had zei hij: ‘Hier zit waarschijnlijk het hoogste IQ dat ooit in het Witte Huis bijeen is geweest, mogelijk met uitzondering van de keren dat Jefferson alleen dineerde’. Gerald Ford kreeg met een ex-gouverneur te maken die hem steunde, maar die zeer afwijkend stemgedrag vertoonde. ‘Waarom steunde je me eigenlij?’ ‘Omdat u de eerste president bent die ik ken en met wie je zo kunt praten!’ Tijdens een vistrip in Georgia kwam een moeraskonijn naar Jimmy Carters boot gepeddeld. Carter vond hem er kennelijk gevaarlijk uitzien en sloeg hem met een peddel op zijn kop en het beest verdween. Een krant kopte met: ‘President aangevallen door killer rabbit’. Het verhaal bevestigde de gemengde gevoelens die het publiek over Carter had. Toen Ronald Reagan werd neergeschoten en hij werd naar de operatiekamer gereden, zei hij tegen zijn chirurgen: ‘Ik hoop dat jullie Republikeinen zijn’.


Culture wars
Op een aantal terreinen, zoals abortus, wapenbezit, privacy, homoseksualiteit, het schoolgebed, de pledge of allegiance, stamcelonderzoek en kerk en staat, zijn de standpunten onverenigbaar tussen conservatieven en liberalen. Dit zijn de culture wars. Liever nog dan regeren en water bij de wijn doen trekken ze zich terug in hun wijk en kerk. Met het aantreden van Reagan kwam er een conservatieve beweging van studenten op gang, in zekere zin de logische tegenhanger van de progressieve beweging van de jaren zestig. Opeens werd het stoer om conservatief en traditioneel te zijn. Dit had veel te maken met het feit dat de docenten – waartegen studenten zich van nature afzetten – voorspelbaar progressief en soms lachwekkend politiek correct waren. In die zin was het een generatieverschijnsel. Het woord platform wil zeggen dat iemand vanuit een hogere positie de massa toespreekt. Dit stamt uit de tijd dat er nog geen geluidsversterking was. Allerlei actiegroepen noemen zich platforms, bijvoorbeeld tegen abortus. ‘Als het om morele waarden gaat zouden (zelfs) de meeste Democraten zich goed thuisvoelen bij de ChristenUnie zo niet de SGP’ (Charles Groenhuijsen).

Independents in New Hampshire
Als iemand alleen mag stemmen in de voorverkiezing van de partij waarvoor hij geregistreerd staat, dan noemen we dat een gesloten systeem. In sommige staten is het systeem gemengd en mogen independents kiezen bij welk van de twee partijen ze gaan stemmen. Dat geld in New Hampshire. Geen wonder dat daar zo uitzonderlijk veel onafhankelijke kiezers geregistreerd staan. In 2004 had Bush geen opponent en konden (eigenlijke) Republikeinen dus meedoen in de voorverkiezingen voor de Democraten in New Hampshire om de uitslag negatief te beïnvloeden! In 1972 vond de eerste voorverkiezing, in Hampshire, nog plaats op de eerste dinsdag in maart. In 2008 al begin januari. Bob Dole was de front runner van de Republikeinen in 1996 waar de partij maar niet vanaf kon komen, ook al werd zijn kandidatuur in de loop van het jaar steeds zwakker.

Rode en blauwe staten
De kaart van Amerika is na verkiezingen verdeeld in rood en blauw, staten die Republikeins of Democratisch in de meerderheid zijn. Maar als een staat rood is wil dat nog niet zeggen dat er helemaal geen Democraten wonen. Bijna altijd nog wel 40 procent! En andersom. In 2000 leek het visueel zo dat Bush een aaneengesloten blok staten in het midden van het land en het zuiden had gewonnen, en Gore alleen drie aan de wetkust en de oude industriestaten in het Midden-Westen en het noordoosten. Een zee van rood, met randjes blauw. De Republikeinen vonden het prachtig want het was een visuele ondersteuning van hun overwinningsclaim.

Talkradio
Talkradio heeft zich tot een Republikeins mediablok ontwikkeld. De Democraten hebben nooit een slim alternatief kunnen ontwikkelen. Toen in 1987 de ‘fairness doctrine’ werd herroepen, die radiostations verplichtte evenveel tijd aan het weerwoord te besteden, ontdekten conservatieve commentatoren de kracht van AM-radio (middengolf, dus goed bereik, ook in de auto). Vanwege de grote afstanden en de tijd die mensen in de auto doorbrengen was dit format vooral op het platteland populair. Voor de meeste Amerikanen heeft de Nederlandse politiek met een Partij voor de Dieren meer weg van Disneyland dan van serieuze politiek. The Daily Show, het razend populaire nepnieuwsprogramma van Jon Stewart, is een tv-satire met een serieus ondertoontje. Heeft de kijker in de gaten dat er veel roddel bij zit? Radiostalkshows beginnen met ‘Today we hear the story…’ Ja dan kun je álles vertellen. Grass roots betekent ‘contact hebben met de gewone mensen’. Populisten zijn kandidaten die appelleren aan de onderbuikgevoelens van de kiezers.

Liberal als scheldwoord
Conservatieven zijn erin geslaagd om het woord liberalism en de kwalificatie liberal een negatieve bijklank te geven. Het heeft zelfs een subversieve, onpatriottische klank gekregen. Clinton noemde zich in 1992 een New Democrat, terwijl hij eigenlijk gewoon een liberal was. Een Republikein in het noordoosten van Amerika is meestal veel progressiever dan een Democraat uit het zuiden. Toen Johnson de burgerrechten door het Congres loodste zei hij: ‘There goes the solid south’. Vanaf die tijd is het Zuiden steeds meer Republikeins gaan stemmen en nu is het zelfs bijna één Republikeins blok (zie 2000 en 2004). Sinds Kennedy kwamen alle presidenten uit Californië of uit het zuiden. Ford is de enige uitzondering, maar hij werd ook nooit echt gekozen. De Democraten staan bekend als de Mommy Party, zachte, warme lui die het huishouden doen en het gezin bij elkaar houden. De Republikeinen zijn de vaders, de Daddy Party. Zij verdienen de kost en zorgen voor de externe veiligheid. Onnodig te zeggen dat de democraten deze kwalificaties niet snel zullen gebruiken. Veel Amerikanen zijn sociaal-conservatief, vooral in vergelijking met West-Europa. Bovendien houden traditioneel Democratische groepen, zoals zwarten en Hispanics, er behoorlijk conservatieve normen op na.



Presentatie
Franklin Roosevelt hield zijn fireside cheat (op de radio), wat een warme, informele toespraak was, waarin de luisteraars werden aangesproken als ‘fellow Americans’. Reagan hield een wekelijks radiopraatje op de zaterdagmiddag als een middel om op een trage nieuwsdag een ongefilterde boodschap over te brengen. In 2007 probeerde Bush zijn geheel vernieuwde Irakbeleid in wat minder formele setting te presenteren: in staande positie in de bibliotheek van het Witte Huis, met een schilderij van Theodore Roosevelt op de achtergrond. Bush praat nooit over de ‘burgers van Amerika’, maar over de ‘gezinnen van Amerika’. Één van de meest geniale vondsten is die van tegenstanders van abortus om hun positie pro life te noemen. Pro choice is ook mooi gekozen, maar heeft vanwege zijn zelfzuchtige inslag meer negatieve dan positieve connotaties. Bush noemde aan marteling grenzende ondervragingsmethoden ‘alternative methodes’. Reagan verscheen altijd met een Amerikaanse vlag op de achtergrond en gaf alleen al daarmee een positieve boodschap af. Kandidaten moeten overigens altijd oppassen dat ze niet in een pose worden gefotografeerd die later problemen oplevert. John Kerry die een stofvrij pak aandeed bij het bezoek aan een laboratorium was een raar gezicht.

Reagan en Gorbatsjov
Een fameus gesprek bij de open haard was in Genève tussen Reagan en Gorbatsjov: een pr-ruc. Als Gorbatsjov Reagan in Washington opzoekt laat hij zijn auto midden in de stad stoppen om uit te stappen en Amerikanen persoonlijk een hand te geven. De goedlachse Gorbatsjov steelt de show. In een concert ’s avonds in het Witte Huis weet de pianist beide echtparen aan het zingen te krijgen. De tv-beelden zijn onbetaalbaar. Maar de Sovjet-Unie is toch het Rijk van het Kwaad? Toch kwam er een vergaand wapenakkoord over raketten op middellange afstand. Dat is Reagan op zijn best: harde woorden spreken en daarna met een grap en een gelikte tv-show het initiatief naar je toetrekken. Toen Reagan Gorbatsjov uitnodigde op zijn ranch in Californië vroeg hij goed uit zijn raampje te kijken als hij over Los Angeles vliegt. ‘Tel de privézwembaden maar eens. Zo wonen onze arbeiders nou (…) Ik wil vooral dat Amerika een land blijft waar je rijk kunt worden’.



How does it play in Peoria?
‘How does it play in Peoria?’ vroeg Nixon altijd, verwijzend naar een stad in Illinois die in de eerste helft van de 20e eeuw als typerend voor Amerika gold. Het is zo’n beetje het demografische hart van Amerika. Het middelgrote stadje, industrieel maar met een landelijk achterland, in het Midden-Westen. Het gold in de jaren vijftig en zestig als typerend voor alles waar Amerika voor stond. Bedrijven probeerden hier hun producten uit. Tegenwoordig zijn steden als Albany, Greensboro en Santa Barbara favorieten voor marketeers. Wat in Nederland Jan Modaal heeft, heet in Amerika Joe Six-pack, zo genoemd omdat de gewone man zijn Budweisers per pakket van zes blikjes consumeert. ‘Back to normalcy’ was een motto van Warren Harding na de Eerste Wereldoorlog. Het was een populair thema in die dagen. Taalpuristen zijn minder gelukkig. Ze menen dat Harding zich ‘bushiaans’ had versproken en in werkelijkheid normality bedoelde.

Veto’s van presidenten
De presidenten die het vaakst het vetorecht gebruikten, waren Nixon, Ford, George Bush en Clinton. Ford werd het meest overruled (tweederde meerderheid): zeven keer. Dat betekent dat het Congres hem weinig eigen autoriteit toedichtte. George W. Bush gebruikte tot nog toe weinig veto’s. Dat kwam ook omdat hij een tijdlang een Republikeins Congres tegenover zich had. De stamcelwet was Bush’ eerste veto. In totaal heeft hij er nu 8, uitsluitend in 2006 en 2007! Clinton gebruikte 37 veto’s. Een pocket veto vindt plaats als een president weigert een wet te tekenen die in de laatste tien dagen door het Congres is aangenomen. Dit is de termijn dat de president de wet mag bestuderen. Als het Congres in die tijd (werkdagen) met reces gaat kan hij het ‘in zijn zak’ stoppen en daar zal het nooit meer uitkomen. Dit wordt ook wel een silent veto genoemd.


Presidentiële debatten
Presidentiële debatten zijn niet zo normaal als we denken. In 1964 ging president Johnson ervan uit dat hij niets te winnen had en ging niet in debat met Goldwater, die daardoor naamsbekendheid kon krijgen. Nixon zei in 1972 dat hij dingen wist die hij niet mocht zeggen en wilde daarom niet in debat gaan. In 1976 gingen verrassend genoeg de debatten wel door en sindsdien steeds. Reagan was altijd goed voor one-liners, zoals ‘There you go again’, of ‘Are you better off today than you were four years ago?’ In 1988 dacht Dukakis makkelijk te kunnen winnen van Bush, maar hij kwam over als een saaie bureaucraat. Een gemene vraag van een CNN-journalist over hoe hij zou reageren als zijn vrouw verkracht zou worden, opende het tweede debat. Dukakis had moeten zeggen: ja natuurlijk zou ik zo iemand met mijn blote handen de nek omdraaien, maar we wonen in een rechtstaat. In plaats daarvan was hij uit het veld geslagen en antwoordde nogal mechanisch. Clinton was fantastisch in het informele debat, de town hall setting, waarbij de kandidaten konden rondlopen. Toen Bush in 1992 tijdens een debat betrapt werd dat hij keek op zijn horloge, was het pleit al snel beslecht. Bob Dole wilde graag veel debatten in 1996, maar Clinton liet er maar twee toe, allebei in zijn geliefde town hall setting. Al Gore was in 2000 een omgevallen boekenkast. Maar hij kwam over als een vervelende betweter, terwijl Bush gemoedelijk, integer en betrouwbaar oogde. Bovendien stond Gore steeds te zuchten als Bush iets zei wat volgens hem stupide was. Het irriteerde de kiezers. Bij het town hall-debat kwam Gore fysiek zo dicht bij Bush, letterlijk in zijn personal sphere, dat menig Amerikaan net zo afwijzend reageerde als Bush zelf.

Presidentiële debatten zijn spannend. Er mag niks misgaan. Alle helpers zijn weg. Direct na het debat komen de eerste opiniepeilingen uit. Clinton was een debattalent, zijn tegenstander in 1992 Bush niet; die wist de vraag ‘Wat merkt u zelf in uw persoonlijk leven van de enorme overheidsschuld van de VS?’ niet te beantwoorden. Een klassieker is 1984, toen Ronald Reagan (73 jaar oud) en Walter Mondale tegenover elkaar stonden. Mondale probeert in te spelen op de angst van kiezers dat Reagan te oud is, maar Reagan antwoordt: ‘Ik zal niet – om politieke redenen – misbruik maken van de jeugdigheid en onervarenheid van mijn tegenstander’. Zelfs Mondale moest lachen. In 1976 blundert Gerald Ford als hij beweert dat de Sovjet-Unie Oost-Europa niet overheerst of onderdrukt. In 1988 (vice-presidentdebat) vergelijkt Dan Quayle, een Republikein, zich met John F. Kennedy. Zijn opponent zei: ‘Ik kende Jack Kennedy. Hij was een vriend van me’. Quayle slikt, verstijft. Legendarisch is 1960, toen televisiekijkers Kennedy de beste vonden, maar radioluisteraars Nixon (die geen make-up op wilde doen en er grauw uitzag). In 1988 was de eerste vraag aan Dukakis wat hij van de doodstraf vindt als zijn vrouw wordt verkracht en vermoord. Hij was tegenstander van de doodstraf en gaf een politiek correct antwoord. Hij geeft een kil, emotieloos antwoord. Hij verliest het debat al na tien seconden. Tijdens de campagne van 1992 reisde Clinton speciaal naar Arkansas terug om het doodvonnis van een geestelijk gestoorde moordenaar te tekenen. Hij sloeg zo de Republikeinen een potentieel wapen uit handen.

Het beruchte tv-spotje van Johnson
Een berucht tv-spotje is van Johnson in 1964 tegen Goldwater. Je ziet een schatlief meisje dat blaadjes van een madeliefje plukt. Ze telt de blaadjes: one, two, three, tot tien. De camera zoemt in op het gezicht van het meisje en er komt een dreigende stem overheen die aftelt: ten, nine, eight. Ineens verschijnt het beeld van een exploderende atoombom, met de onnavolgende tekst: ‘Dit is de keus: we moeten een wereld creëren waarin alle kinderen van God kunnen leven óf we belanden in de duisternis. We moeten van elkaar houden óf sterven. Stem op president Johnson.’ De boodschap is: de rechtse Goldwater kun je voor geen cent vertrouwen. Dit spotje was zo controversieel dat hij maar één keer getoond is. Reagan voerde in 1980 een succesvolle campagne. Hij moest de vrees wegnemen dat hij te extreem zou zijn. Hij kwam veel zachtmoediger en vertrouwenwekkender over dan de meeste mensen hadden verwacht. President Carter probeerde Reagan nog wel weg te zetten als een gevaarlijke amateur, maar dit hielp toch niet. Reagan vroeg aan de kiezers: ‘Are you better off today than you were four years ago?’ President Bush zei in 2004: ‘Vertrouw me’. Hij suggereerde dat je het misschien niet met hem eens was, maar dat je in elk geval wist wat je aan hem had. Negatieve campagnes zijn niet ongevaarlijk: de kiezer houdt er niet van.

Dudakis in 1988
In 1988 ging het er hard aan toe. Michael Dudakis lag dik voor op George Bush. Geen wonder, want Bush is een zwakke kandidaat, hij heet The Wimp, de slapjanus. Dudakis is een linkse, weekhartige politicus die de schijn heeft niet hard tegen misdadigers op te treden. Massachusetts, waar Dudakis gouverneur was geweest, had een verlofprogramma voor gevangenen. Republikeinse campagnemensen gaan op zoek en vinden een mooi geval. Willie Horton (officieel heet hij William, maar Willie past beter in deze context) was een veroordeelde moordenaar die tijdens zijn verlof een vrouw verkracht. ‘Wilt u deze moordenaarsvriend als uw president?’ Dudakis reageerde te laat. Hoe gemener hoe beter. Het werkt! De Democraten werden weggezet als mensen die misdadigers via een draaideur weer terug in de samenleving sluisden. In 1950 voerde Nixon campagne voor de Senaat. Er worden nepkaarten rondgestuurd waarin de ‘Communist League of Negro Women’ oproept op de democratische tegenkandidaat te stemmen: Tricky Dick! Karl Rove wist in 1970 duizend vel briefpapier van de tegenstander te ontfutselen waarna hij uitnodigingen laat vervalsen met de creatieve toevoeging: ‘Free beer, free food, girls and a good time for nothing’.


Clintons comeback in 1992
Bill Clinton kende de War Room. Een campagne kun je met een oorlog vergelijken. Vanuit de War Room kon de Clintoncampagne op elk moment van de dag reageren op goed of slecht nieuws. Alles hielden ze er in de gaten. Achteraf is het een wonder dat Clinton tot president werd gekozen, gezien zijn kelderende populariteit in de beginfase van de voorverkiezingen in 1992, toen er een schandaal uit het verleden naar boven kwam. Het ging over een buitenechtelijke relatie. Wat doet de campagne? Er komt een groot tv-interview van Bill en Hillary, waarin ze openlijk over hun huwelijk praten. De campagne is gered, Clinton is de comeback kid in New Hampshire. Een andere aanval wordt gepareerd: een brief waarmee hij uit Vietnam probeert te blijven. De campagne geeft er een draai aan: de kandidaat die op slinkse wijze de dienstplicht ontweek moet wijken voor de gedachte dat iemand die op zo’n leeftijd al zo’n brief kan schrijven, president moet worden. Clinton wordt The Surviver genoemd, de overlever. ‘Als Clinton de Titanic was, zou de ijsberg zinken’. Never give up! Doorgaan ‘until the last dog dies’.

Ross Perot haalt 20 procent
Ross Perot scoorde in 1992 een landelijk percentage van 20 procent, maar omdat dat verspreid was over het hele land won hij geen enkele staat en dus ook geen kiesman. Nader, een antiglobalist, zoog in 2000 alleen al in Florida 97.000 stemmen weg van Al Gore, stemmen die anders naar de Democraten waren gegaan. Gore verloor met 537 stemmen verschil! De Democraten deden er alles aan om in 2004 te voorkomen dat weer zoiets zou gebeuren. Perot pakte stemmen weg bij beide partijen, Nader dus vooral van de Democraten. Een concession is het toegeven van de nederlaag: de verliezer belt met de winnaar om hem te feliciteren en succes te wensen. Gore had in 2000 zijn concession speech al klaar toen hij doorkreeg dat het in Florida nog niet beslist was. In 2004 deed Kerry dat pas de volgende dag. Hij hield vervolgens de beste speech uit zijn campagne.


Geslaagde maar oneerlijke aanval op McCain in 2000
Één van de meest geslaagde tactieken is de gerichte aanval op de sterke kanten van je tegenstander; dit komt dubbel hard aan. In 2000 dacht John McCain dat zijn militaire verleden een sterk punt was. De Bushcampagne beschuldigde hem ervan dat hij als senator zijn eigen Vietnammakkers in de steek heeft gelaten. Men liet een Vietnammakker aan het woord die vertelde dat McCain hem had vergeten. Ook zou McCain tijdens de jaren van eenzame opsluiting in Vietnam zijn gehersenspoeld. Hij zou stiekem socialist zijn en een voorstander van een Nieuwe Wereldorde. Nog erger werd het toen McCain er van beschuldigd werd een onwettig zwart kind bij een prostituee had verwekt. Deze boodschap werd verpakt in anonieme telefoonboodschappen (‘Wat zou u ervan vinden als blijkt dat John McCain een buitenechtelijk, zwart kind heeft?’). De waarheid was dat McCain en zijn tweede vrouw Cindy een donkere dochter hebben geadopteerd! McCain, die bekendstaat om zijn opvliegend karakter, was razend maar machteloos.

Democratische afgang in 2000
Al Gore wilde in zijn campagne in 2000 Bill Clinton niet gebruiken, vanwege zijn morele laagheid. Maar economisch ging het juist heel goed met het land. In 2000 leed Al Gore grote schade toen hij ineens beige pakken ging dragen omdat een feministische adviseur à raison 15.000 dollar per maand had bedacht dat ‘aardtonen’ hem warmer zouden doen overkomen. Zo’n belachelijk advies zette hem in zijn hemd. Hij had niet moeten luisteren naar slechte adviseurs. Al Gore kwam niet authentiek, maar gemaakt over, terwijl Bush oogde als een buurman. Gek genoeg was het voor Gore juist een nadeel dat het zo goed ging met Amerika. Er stonden daardoor geen grote onderwerpen op de agenda die kiezers dwongen rekening te houden met de brede ervaring van Gore. Ze durfden het risico aan met George W. Bush. De Democratische Partij kan het alleen zichzelf verwijten dat ze in 2000 verloren heeft. De interne organisatie was niet goed. En het hoofdkwartier zat in een verouderd gebouw in het centrum van Washington D.C., de website was prehistorisch, er waren amper dossiers van kiezers en donateurs bijgehouden, de gemiddelde leeftijd van kieslijsten was 68. Door het succes van Bill Clinton was de partij ingedommeld, en deels uitgestorven, want op de lijsten stonden ruim 300.000 doden. De interne partijorganisatie kan dus beslissend zijn.

Dean heeft een scream
Te vroeg pieken is ook gevaarlijk voor een kandidaat. Als een ‘front runner’ niet wint, wordt dat als een nederlaag afgeschilderd. Timing is van het grootste belang. Democraat Howard Dean (ex-huisarts, ex-gouverneur van Vermont) was in 2004 de Democratische hoop. Wie kon hem nog stoppen? Hij raakte in een politieke stroomversnelling. Hij had het niet meer in de hand. Tegen zijn campagnechef gaf hij toe dat hij nooit gedacht had dat het zo ver zou komen. Hij begon te twijfelen, eigenlijk wilde hij helemaal geen president worden. Hij schrok alleen al bij die gedachte. Ze liepen vast in de maïsvelden van Iowa. Bij die voorverkiezingen werd hij weggevaagd. Het campagneteam van Dean waren veelal hippieachtige jongeren en dat viel in Iowa niet goed. Het ergste moest nu nog komen voor Dean. Hij houdt een belachelijke toespraak, die de geschiedenis in zou gaan als de ‘I have a scream’-speech. Het werd eindeloos herhaald. Hij ratelde een reeks staten op die nog zouden komen in de voorverkiezingen en eindigt met een ‘Yeaheahhh’. Campagnemedewerkers geven de schuld aan een verkeerde microfoon en een fout afgestelde geluidsinstallatie. Amerikanen, die weinig van Dean wisten, werden bevestigd in hun bangste vermoedens: hij was echt een mafketel. Het bevestigde een onterecht maar niettemin sterk beeld dat Dean niet de geestelijke stabiliteit had om president te worden. De Democraten kiezen de rustige en uiterst beschaafde John Kerry. De letterlijke tekst:

Not only are we going to New Hampshire, Tom Harkin, we’re going to South Carolina and Oklahoma and Arizona and North Dakota and New Mexico, and we’re going to California and Texas and New York. And we’re going to South Dakota and Oregon and Washington and Michigan, and then we’re going to Washington D.C., to take back the White House! Yeaheahhh!

John Kerry: reporting for duty?
In 2004 was John Kerry het slachtoffer. Zijn Vietnamverleden, uitgebuit om hem af te schilderen als een goede president én opperbevelhebber in Irak, werd door de Bushcampagne onderuit gehaald. Kerry, die op de Conventie zich nog had voorgesteld als ‘I’m John Kerry and I’m reporting for duty’. Maar de actiegroep Swift Boat Veterans for Truth pakte Kerry snoeihard aan. Hij had Purple Hearts verdiend, maar ‘het waren ondiepe verwondingen. Hij verloor geen druppel bloed’. Kerry is aangeslagen. Niet Kerry zelf maar de Bushcampagne bepaalt nu zijn publieke imago. Kerry maakt bovendien de fout op de aanvallen te blijven reageren, waardoor die weer massale media-aandacht krijgen. Niemand heeft het intussen over de zwakheden van Bush, waaronder zijn allesbehalve heldhaftige militaire loopbaan. Kerry ontkende in 2004 bij hoog en laag dat hij uit woede over de Vietnamoorlog zijn medailles heeft weggesmeten. Dat ligt gevoelig in een militaristisch land als Amerika. Kerry had als veteraan in 1971 voor het Congres de beroemde woorden uitgesproken: ‘Wie wil de laatste zijn om voor een fout te sterven?’ Kerry stelde indertijd dat Amerikaanse soldaten zich hadden misdragen.


Grappen over John Kerry
John Kerry is altijd strak in pak en een zorgvuldig gecoiffeerde haardos. Opeens verschenen er op campagnes spandoeken met het opschrift ‘Great Hair’. Historisch waren de woorden ‘He looks so French’. Hij kon Frans spreken, en dat was opeens negatief. Toen hem gevraagd werd of hij voor 300 dollar zijn haar liet knippen, zei men snel dat het maar 150 dollar was. Maar welke hardwerkende Amerikaan kan dit bedrag uitgeven voor de kapper? Kerry heeft vijf huizen, heeft een botoxbehandeling ondergaan. Iemand grapt: ‘Het waaide vandaag zo hard dat Kerry’s haar bewoog.’ Of: ‘Kerry viel van zijn fiets. Hij had geen helm op maar zijn haar brak de val’. Amerikanen vinden het niet plezierig is hun president wordt afgebroken. Vandaar dat John Kerry zo voorzichtig was in 2004 met zijn aanvallen op George W. Bush. Te voorzichtig. Campagne voeren tegen een zittende president is sowieso lastig. De president hoeft maar één ding te doen: hij hoeft alleen maar te laten zien dat de tegenkandidaat niet geschikt is. Debatten kunnen beslissend zijn. Dat bleek in 2000 toen Al Gore door een horkerig optreden de kiezers afstootte.

De scheldpartij van Zell Miller
Slim is er rekening mee te houden hoe een tv-spot overkomt als iemand die ziet zonder geluid. Veel Amerikanen hebben de tv vaak zonder geluid aan, in cafés en restaurants is dat ook zo. Campagnebijeenkomsten worden prachtig aangekleed. Alles telt mee: de aankleding van het podium, de spandoeken, de trouwe aanhangers die achter de kandidaat op het podium staan (wel/geen uniform, oud/jong, blank/zwart). Na de speech moet de kandidaat alle belangrijke aanwezigen breed glimlachend een hand geven. Op de Democratische conventie in Boston (2004) ging het vooral over de goede smaak. Het klinkt immers sympathiek en beschaafd als je je tegenstander serieus neemt en niet vervalt in platte scheldpartijen. De partij verbood dan ook harde aanvallen op Bush. Dit was een grote fout. De Republikeinen deden het veel slimmer. Ze wees een paar gewetenloze attack dogs aan. Rudolph Guliani en Arnold Schwarzenegger mochten al flink tekeer gaan, maar senator Zel Miller doet echt het vuile werk. Dat is pikant omdat hij als Democraat naar de Republikeinen is overgestapt. ‘Kerry wil Parijs laten beslissen of Amerika zich verdedigt. Ik wil dat George Bush dat beslist’. Miller is als een soldaat die in een oorlog opdracht krijgt de vijand op te zoeken en te vernietigen (search and destroy). Tv-journalisten zoeken in een lange speech altijd naar een paar bondige zinnen (oneliners) die ze in hun journaals kunnen verwerken. Kandidaten maken idealiter een toespraak waarin een soundbite is opgenomen dat journalisten voor geen andere keuze maken dan die uit te zenden. ‘Axis of Evil’ is daarvan een voorbeeld. Lincoln had er ook één: ‘Government of the people, by the people, for the people’. George W. Bush had een goeie met ‘compassionate conservatism’, Kennedy met ‘Ich bin ein Berliner’. Denk ook aan Churchill: ‘We shall never surrender’. Of Franklin Roosevelt: ‘The only thing we have to fear is fear itself’.

Stomme Democratische fouten
Één van de lachwekkendste flaters dateert uit 1988, toen Dukakis in een tank ging zitten. Democratische kandidaten hebben namelijk een soft on defense-syndroom. Ze hesen Dudakis daarom in een krijgshaftig militair uniform, zetten een te grote helm op zijn te kleine hoofd en lieten hem op een gladgemaaid grasveldje rondjes rijden in een kolossale tank: een ontstellend stom gezicht. De nationale pers kijkt en filmt mee. Hoe konden de Democraten zo stom zijn? Democraten haalden meer dommigheden uit: in 2004 was John Kerry het subject. ‘I voted for the 87 billion before I voted against it’. Dit is een mooie flip-flop-uitspraak en de Bushcampagne gebruikt het om hem als slappeling neer te zetten. Kerry gaat vervolgens windsurfen (bij het rijke, elitaire eiland Martha’s Vineyard, het Wassenaar van Amerika). Wat deed de Bushcampagne met die beelden? Men construeert een tv-spot om hem als een flip-flopper in beeld te zetten: hij gaat steeds weer overstag. De droom van elk campagneteam. Kerry is een windvaan die ‘met alle winden meewaait’.

Kerry werd ook snowboardend gesnapt op de hellingen van Idaho, evenmin een sport die weggelegd is voor gewone Amerikanen. Het huiselijke houtkappen op dure privé-ranches, zoals George W. Bush en Ronald Reagan deden in hun vakanties, is nooit een probleem geworden. Een ander incident is dat Kerry op jacht gaat. Democraten en wapenbezit gaan niet goed samen. Kerry is ‘soft on guns’. Om dat de veranderen gaat hij op jacht. Gekleed in camouflagepak met een opengeklapt dubbelloopsgeweer wandelt hij over een bospad terwijl de pers toekijkt. We zien Kerry niet schieten. Het heeft allemaal een averechts effect. Kort na de fotosessie is Kerry al weer omgekleed in een strakgesneden pak. Het was dus maar een in scène gezette jachtpartij. Dan beter Dick Cheney, die schoot gewoon een collega vol hagel. Geen politicus lijkt meer zichzelf te zijn dan Cheney…

Democratische achterban
De Democraten hebben een strak afgepaalde achterban: de goedverdienende, veelal progressief denkende intelligentsia. De culturele voorhoede van Amerika (schrijvers, filmmakers, kunstenaars) stemt bijna zonder uitzondering Democratisch. Je vindt ze vooral aan de Oost- en de Westkust en in de grote steden. Ook: de miljoenen maatschappelijke pechvogels die hopen dat de Democraten de nijpende problemen (werk, veiligheid, ziektekosten) voor hen oplossen. Don’t leave me alone is hun motto.


Democraten hervinden God
‘De hand van God is in alles wat ik doe en met ieder mens op deze planeet (…) Ik ben nu 54 jaar oud. En ik zou verbaasd zijn als er één dag zonder zonden is geweest. Ik zondig elke dag. We zijn allemaal zondaars. Ik heb diepe liefde voor de Heere Jezus Christus’ (John Edwards). ‘Ik heb nooit begrepen waarom het evangelie Republikeinen van mensen maakt (…) Ik was dankbaar dat ik de zekerheid van mijn geloof heb’ (Hillary Clinton). Het tij keert in het Democratische kamp. De Religious Vote is lange tijd verwaarloosd. Ook Democratische kandidaten zijn zonder uitzondering gelovig, maar daar liepen ze jarenlang niet mee te koop; dit was een kolossale fout. De Democraten lieten zich willoos portretteren als goddeloze radicalen die – als ze aan de macht komen – Amerika laten wegzinken in een moeras van moreel verderf. Praat wél over abortus, maar dan dat je niet langer voor abortus bent, maar ernaar streeft het aantal terug te dringen. De oude pro-choice-slogan maakt plaats voor een voorzichtiger standpunt. ‘Persoonlijk ben ik ertegen, maar ik wil het recht behouden’.

2008
Het komt niet vaak voor dat een Republikein die de volle acht jaar in het Witte Huis heeft gezeten wordt opgevolgd door een partijgenoot. Democraten en Republikeinen zijn bezorgd en bang. Komt voor de Republikeinen in 2008 een einde aan hun succesvolle conservatieve kruistocht? Laten de Democraten wéér een kans lopen om te laten zien dat het ánders kan in Amerika? Het is de eerste keer sinds 1952 dat er geen zittende president of vice-president in de race is. Zeker is dat er een tijdperk wordt afgesloten. Een tijdperk van vanzelfsprekend Amerikaans zelfvertrouwen. Amerika is na de aanslagen van 11 september het meest gehate land ter wereld geworden. Veel meer dan in andere jaren maken Amerikanen zich druk over de internationale politiek. Amerika zou zich internationaal nederiger moeten opstellen, zoals Bush ooit had gezegd: ‘We are a humble nation’. Maar aan de andere kant: is Europa bereid bij internationale crises militaire taken op zich te nemen? Niks wijst daarop. Bush is een politieke risicofactor geworden. Presidentskandidaten zien vooral Reagan als lichtend voorbeeld. Alles kan veranderen wanneer Bush de Irakoorlog alsnog tot een bescheiden succesverhaal weet te maken.

In 2000 en 2004 is de opkomst fors gestegen. In 2008 komt wellicht de échte doorbraak. Internet kan voor een grote golf van democratisering zorgen. Het aantal giften van minder dan 200 dollar stijgt het snelst. Bij de vorige verkiezingen was er nog geen YouTube. De grootste flip-flop komt in 2008 op naam van Hillary Clinton. Ze is eerst een enthousiast voorstander van de Irak-oorlog, maar later even enthousiast tegen. De Democratische kandidaten staan voor de lastige klus om met hun scherpe kritiek op Bush en de zijnen niet te veel als zeurpieten over te komen. Over de Democraten wordt wel eens spottend gezegd: ‘Ze laten nooit een kans voorbijgaan om een kans voorbij te laten gaan’. Zou dat in 2008 ook weer werkelijkheid worden? Stel, er komt een Democratische president. Dat zou voor de Europeanen nog wel eens op een teleurstelling kunnen uitlopen. Obama hamert op change. Bill Clintons thema in 1992 was ook al zo: ‘It’s time for a change’. ‘Het regent. De intreeprijs is 25 dollar. Toch zijn daar twintigduizend mensen die een speech willen horen van de rijzende sterk Barack Obama. Intussen worden er vele T-shirts, baseballpetten en sleutelhangers van het campagneteam gekocht.’


Uitspraken
– ‘Campagnes brengen het beste en het slechtste in de mens naar boven’.
– ‘De beste remedie tegen democratie is een gesprek van vijf minuten met een gemiddelde kiezer’ (Churchill).
– ‘In een oorlog ga je één keer dood. In de politiek vele malen’ (Churchill).
– ‘Dankzij democratie krijgen we een regering die niet beter is dan we verdienen’.
– ‘Geld is de moedermelk van de Amerikaanse politiek’.
– ‘Advies voor verkiezingsdag: stem vroeg en vaak’.
– ‘Mensen liegen het vaakst op jacht, tijdens een oorlog en voor verkiezingen’.
– ‘De kleine boeven hangen we op. De grote zetten we in de regering’.
– ‘In geval van een nationale ramp mag ik altijd wakker gemaakt worden. Zelfs tijdens een kabinetsvergadering’ (Reagan).
– ‘Er is nog nooit iemand van hard werken doodgegaan. Maar ach, waarom zou ik het risico nemen?’ (Reagan)
– ‘Democratische politici, linkse media en homoseksuelen willen alle christenen vernietigen’ (Pat Robertson).
– ‘Een politicus denkt aan de volgende verkiezing, een staatsman aan de volgende generatie’.
– ‘De regering lost geen problemen op. De regering ís het probleem’ (Reagan).
– ‘We zijn één volk (…) We moeten hoop durven hebben. Hoop als je problemen hebt. Hoop als er onzekerheid is. Dat is Gods grootste gift aan ons land; daar is onze natie op gebouwd’ (Barack Obama).
– ‘We moeten niet langer doen alsof Europeanen en Amerikanen hetzelfde wereldbeeld delen of zelfs in dezelfde wereld leven’ (Robert Kagan).
– ‘De overtuiging dat ze een uitverkoren volk zijn, heeft Amerikanen tot het meest vaderlandslievende volk in de hele wereld gemaakt’.
– ‘You can fool all people some of the time. You can fool some people all of the time. You can’t fool all people all of the time’ (Lincoln).


Giuliani zei onder andere: ‘Then he (Obama) ran for the state legislature and he got elected. And nearly 130 times, he couldn’t make a decision. He couldn’t figure out whether to vote yes or no. It was too tough’. ‘Barack Obama had never led anything, nothing, nada’.

Gepubliceerd in maart 2008

Advertenties