Anthony Brummelkamp

n.a.v. W. van ’t Spijker, Anthony Brummelkamp. Een terugblik op de Afscheiding, Apeldoorn 1984

Kind in Elburg
Brummelkamp is voor velen de meest sympathieke van de Vaders der Afscheiding. Hij heeft uit volle overtuiging de Afscheiding voorgestaan, maar heeft de broeders binnen de Ned.Herv.Kerk nooit losgelaten. Over zijn leven zijn we tamelijk goed geïnformeerd. Hij werd in 1811 te Amsterdam geboren, en ze verhuisden in 1813 naar Smilde en van daar naar Elburg (1819). Als kind dacht Brummelkamp dat vrouwen makkelijker zalig konden worden, omdat hij zijn moeder met een vriendin dikwijls hoorde spreken over het geloof. Iets van dit eenvoudige en kinderlijke denken is Brummelkamp eigen gebleven. Zijn manier van geloven was dikwijls ongecompliceerd en werd daarom in de kring van de latere afgescheidenen niet altijd verstaan. Men hield hem dan voor oppervlakkig – geheel ten onrechte.

Vrienden in Amsterdam
Op 16-jarige leeftijd gaat Brummelkamp naar Amsterdam om aan het atheneum te gaan studeren. Van het studentenleven maakt hij zo veel mee, dat hij oordeelde: ‘De vreze Gods is aan deze plaats niet’. Hij voelde zich sterk verbonden aan H.P. Scholte, H.F. Kohlbrugge, Da Costa, Capadose en anderen. Men waarschuwde hem voor de Da-Costianen en vooral voor Scholte, die een allergevaarlijkst mens moest zijn. Maar dit schelden op dompers, dwepers, orthodoxen en Dordtsen overtuigde hem geenszins. Het versterkte hem slechts in de gedachte, dat dit volk zijn volk was, hun leer zijn leer en hun God zijn God. Toen Brummelkamp in Amsterdam verbleef viel het hem op dat daar de tegenstellingen scherper waren dan in Elburg. Brummelkamp bezocht regelmatig de Bijbellezingen van da Costa.

Studie in Leiden
In 1830 vertrok hij naar Leiden om theologie te studeren. Op de gewone tijd legde hij zijn academisch examen in de theologie af. Maar gezien zijn instelling had het hem in geen enkel opzicht gevormd. De colleges maakten op hem geen indruk. Het lezen van de geschriften van De Cock had op hem een grote invloed. Het sterkte hem in de overtuiging dat zijn strijd goed was. In het jaar 1834 deed hij met Van Velzen examen voor het kerkbestuur van ’s-Gravenhage. Ze werden toegelaten en men nam aan dat sommige leerstukken, ‘waarin zij niet helder waren’ hun bij voortgezette studie wel duidelijk zouden worden. Van Velzen ging naar Drogeham, Brummelkamp naar Hattem. Ze waren ook zwagers van elkaar. Student A.C. van Raalte, tevens een zwager van beiden kwam vanwege zijn gereformeerde overtuiging niet door het examen heen.

Afgezet in Hattem
Brummelkamp is nog geen jaar predikant in de Ned.Herv.Kerk geweest. Op 19 oktober 1834 werd hij bevestigd, op 7 oktober 1835 afgezet. Hoe kon dat? Brummelkamp wilde de sacramenten zuiver houden. Het gebruik om alles te dopen wat in het doophuis werd ingebracht wilde hij veranderen. Hij vond het laksheid om toe te laten dat kinderen van niet-lidmaten gedoopt werden. Brummelkamp stond in zijn strijd alleen, want de anderen vreesden moeilijkheden. De toeloop van hoorders die van heinde en ver kwamen was groot. Maar in Hattem zelf, en zeker binnen de kerkenraad mocht Brummelkamp op geen steun rekenen.

Het ging om de doop
Brummelkamp weigerde niet alleen soms de doop, hij liet ook geen gezangen meer zingen. Omdat in die tijd De Cock uit Ulrum was afgezet, gingen de kerkelijke besturen met grote doortastendheid en voortvarendheid te werk. Men wilde met geweld het kwaad van de rustverstoring de kop indrukken, het mocht zich niet verspreiden. Er kwamen soldaten naar het rustige Hattem. Ds. J.J. Knap stond ook in Hattem en was zeer bevriend met Brummelkamp. Hij meende dat de afgezette predikant naar gereformeerde beginselen predikant te Hattem bleef. Hij liet hem niet vallen, maar wel in de kou staan. Nooit heeft Brummelkamp zich geschaamd voor zijn afzetting. In 1886, toen de Doleantie aanbrak, feliciteerde hij de Amsterdamse kerkenraad met ‘hun Eerediploma’, zoals hij het noemde.

De puberteit van de afgescheiden kerken
De eerste twintig jaren zijn voor de nog jonge afgescheiden kerken bijzonder moeilijk geweest. Niet ten onrechte heeft H. Bouwman geschreven over de ‘crisis der jeugd’. Een zeer belangrijke oorzaak van de spanningen en conflicten was gelegen in de botsing van karakters tussen de voormannen. Stuk voor stuk waren het mannen van karkater. Zij wisten niet van wijken, wanneer het om de waarheid ging. Op de eerste synoden kwam het tot aanvaringen. De Cock wilde de gemeente zien als verbondsgemeente, Scholte speurde meer naar de uitwerking van het geloof en maakte dit uitgangspunt voor de kerkelijke structuur die hij nastreefde (revisie Dordtse Kerkorde).

Kruisgezinden, Drentse en Gelderse richting
In de afgescheiden kerk ontstonden richtingen, hetgeen niet verwonderlijk is omdat er altijd verscheidenheid was in de gereformeerde traditie. Maar het leidde nu tot afsplitsingen. In 1837 ontstonden de Kruisgezinden. Daarna leek de Drentse richting ook die kant op te gaan. Deze richting, vooral uit Drenthe, toonde affiniteit met De Cock. Maar deze was toen al overleden. Brummelkamp kunnen we indelen bij de Gelderse richting. Hem woog de christelijke vrijheid zwaar. Hij onderkende een gevaar voor de gemeente, waar de Drentse richting geen sterk vermoeden van had: dat men, door te vrezen voor nieuwigheden, en door de gemeente in díe vrees te stijven de gemeente een blinddoek voordeed. Een kwestie als het ambtsgewaad zorgde bijvoorbeeld voor veel onrust. Van traditie was Brummelkamp geen tegenstander. Wel van traditie zonder inhoud.

Van Velzianen en Brummelkampianen
In 1846 ging men formeel uiteen, zij het als broeders. Er kwam nu een zichtbare scheur in het kerkelijke leven. In Overijssel en Gelderland kwamen gedurende enkele jaren twee afzonderlijke vergaderingen op provinciaal niveau bijeen. Men sprak over Van Velzianen en Brummelkampianen, over een synode met en een synode zonder steken. Men vreesde soms dat Brummelkamp te spoedig de naam van Christus noemde en dat hij geen oog zou hebben voor de noodzaak van het verbroken hart. Maar niets is minder waar. Soms was zijn oogopslag de mensen te vrolijk en was zijn uiterlijke verschijning voor hen te fier. Maar wie hem kende en wie hem hoorde wist dat hem slechts één ding onmogelijk was: om van de genade, van wet en evangelie een systeem te maken. Eens nam hij zich voor om de mensen stevig te waarschuwen, maar zei hij, toen ik hen zag kon ik niets anders dan het evangelie verkondigen.

Brummelkamp over de Ned.Herv.Kerk
Brummelkamp had in die dagen vele contacten met vrienden uit de kring van het Reveil. Hij heeft toen, sprekend over de Afscheiding, deze ‘een provisionele toestand’ genoemd, met het oogmerk om de Ned.Herv.Kerk beter te krijgen. J.A. Wormser meldt deze uitlating met instemming. Brummelkamp verklaarde zich nooit van het Hervormd Genootschap maar wel van het onwettig kerkbestuur te hebben afgescheiden. Hij meende daarom te kunnen en te moeten samenwerken met degenen die zich in de Ned.Herv.Kerk bevonden, ten einde dat onwettige bestuur krachteloos te maken. Via de Evangelische Alliantie bleef Brummelkamp in regelmatig contact met broeders uit de Angelsaksische wereld. Op die manier kon hij zijn brede belangstelling actief schenken aan bewegingen en stromingen buiten zijn eigen kerk.

Herwonnen eenheid afgescheidenen
Op de synode van 1854 te Zwolle kwam het tot een hereniging met al de afgescheiden kerken. Hij wilde ook een seminarie in Amsterdam oprichten met mensen uit het Reveil, maar Da Costa annuleerde dit op het laatste moment. Toen Da Costa hem vroeg: ‘Dus lieve broeder, meent gij dan waarlijk, dat wij, die in het Hervormd Kerkgenootschap blijven, in een zondige weg verkeren?’ ‘Ja’. Waarop Da Costa sprak: ‘Dan kunnen we niet samenwerken. Dan kan ik niet voortgaan. Dan gaan we uiteen’. Maar Brummelkamp had iets veel belangrijkers: eenheid binnen de afgescheiden kerken. De broeders gaven elkaar de hand. In Kampen werd hij docent, samen met Van Velzen. Aan de strijd der richtingen was een einde gekomen, zeer ten goede aan de afgescheiden kerk.

Brummelkamp en Kohlbrugge
Brummelkamp heeft altijd met veel respect over Kohlbrugge gedacht en gesproken. De handelswijze tegen Kohlbrugge maakte diepe indruk op hem. Kohlbrugge kwam ook in aanraking met de Afscheiding. Zijn eerste reactie was zeker niet direct onsympathiek te noemen. Hij schrijft De Cock dat hij zich niet hoeft te bekommeren om zijn schorsing omdat hij een wettig geroepen en bevestigd predikant is. Hij roept De Cock op tot passiviteit: ‘Passief moeten wij zijn in alles: daarmede verwerven wij ons wel geene vrienden, maar dat doet er niet toe’. Zijn preek over Rom. 7:14 bracht veel discussie bij de Reveilvrienden op gang.

Kloof
Kohlbrugge’s mening over de Afscheiding veranderde. Toen Brummelkamp hem een brief schreef met het verzoek of hij zich beroepbaar wilde stellen in de afgescheiden kerk. Maar Kohlbrugge’s reactie was radicaal afwijzend. Een kloof werd geschapen, die onoverbrugbaar scheen te zijn. De briefwisseling met Da Costa over de plaats van de heiliging in het leven van de christen had nog al wat van zich laten spreken. Da Costa had in een brief aan Kohlbrugge gewezen op de onverbrekelijke relatie tussen de rechtvaardiging en de heiliging. De Schrift spreekt wel over een borgtochtelijke rechtvaardiging, maar niet over een borgheiligheid. Maar Kohlbrugge hield zijn standpunt vast.

Rom. 7:14
Uit de reactie van Kohlbrugge spreekt een diepe teleurstelling, maar tegelijk is er een uitspreken van een oordeel over de afgescheidenen, een oordeel zó meedogenloos en hard, zo absoluut en zonder enige restrictie, dat men zich afvraagt wat daarvan de oorzaak is. Het antwoord op die vraag is misschien omdat Kohlbrugge zo’n gecompliceerde man was. Was hij teleurgesteld dat de afgescheidenen hem zo lang alleen hadden laten staan? Maar er is niet alleen sprake van persoonlijke gegriefdheid, er is ook miskenning van zijn boodschap. Scholte had over de preek van Kohlbrugge over Rom. 7:14 gezegd: ‘Die preek van jou (…) is vervloekt’. Kohlbrugge antwoordde: ‘Dan zijt gij ook vervloekt met al uw doen’. Ook het aanvragen van vrijheid bij de burgerlijke overheid was Kohlbrugge een doorn in het oog. Nu volgt een gedeelte van de brief van Kohlbrugge aan Brummelkamp:

‘Zeg aan die mannen, Brummelkamp! zegt aan die mannen des Heeren woord: 1e. De akker waarop en de zaier door wien de Afscheiding het eerste gezaaid werd, en gelijk zij gezaaid werd, zijn vervloekt dan den Heere Zebaoth. 2e. De leer uwer gemeente is niet de leere Christi, is niet een wandelen naar Geest, maar naar vleesch, en de geest die nog onder u is uitgegaan is een logengeest in den mond aller uwer Profeten’.

Blijkbaar beschikte Brummelkamp over de gave om teleurstellingen te verwerken en om de broeder te blijven zien, ook wanneer deze hem niet zag, want hij vermeldde in de Bazuin dat Kohlbrugge op 17 mei 1857 zou gaan preken in de Schotse Zendingskerk te Amsterdam, waar afgescheiden en niet-afgescheiden aanwezig zou zijn.

De emigratie naar Amerika
Brummelkamp was in die jaren groot voorstander van de landverhuizing naar Amerika. Samen met Van Raalte richtte hij de ‘Vereeniging van Christenen voor de Hollandsche volksverhuzing naar de Vereenigde Staten in N. Amerika’ op. Brummelkamp heeft zelf ernstig overwogen te gaan, maar zijn taak zag hij toch voornamelijk in Nederland, en niet zoals Van Raalte en Scholte in Amerika. Brummelkamp en Van Raalte schreven ook een brochure over de landverhuizing, waarbij de twee Bijbelteksten meegaven: ‘Wees vruchtbaar en vermenigvuldig en vervul de aarde’ en ‘In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten’.

Docent in Kampen
Hoe was Brummelkamp als docent? De opleiding was geheel gericht op de prediking. Bijzondere aandacht werd geschonken aan de voordracht. Brummelkamp was zelf niet gewoon zijn preken uit te schrijven en wilde ook van zijn studenten dat zij het ‘blaadje’ ter zijde lieten en dat zij uit de goede schat van het hart de boodschap van het evangelie op een levende manier zouden vertolken. Nog steeds waren er binnen de afgescheiden kerk mensen die Brummelkamp buiten spel wilden zetten. Er ging bijvoorbeeld een gedicht rond:

Waakt en drijft de neven uit,
Eer gij zijt geheel hem buit!
Waakt en drijft de neven uit,
Eer gij wordt eens ketters bruid!

Christen en kind Gods
Brummelkamps betekenis voor het onderwijs is groot geweest, vooral door de hartelijke en oprechte vroomheid. Bavinck zei over hem: ‘Ik heb niemand gekend, bij wien het Christelijke leven iets zo natuurlijks was als bij hem. Hij diende zijn Meester e ven vrij, even natuurlijk als een wereldling de zonde. Daarom was hij ook altijd dezelfde, – in huis en kerk, in school en vergadering, in de boot en op het spoor: altijd was hij zichzelf, d.i. Christen, en kind Gods.’ Op 2 juni 1888 overleed Brummelkamp. Kort daarvoor had hij zich nog in een boodschap tot de gemeenten gericht. Hij leefde mee met de besprekingen tussen de afgescheidenen en dolerenden. Zijn devies was:

In het noodzakelijke eenheid;
In het niet-noodzakelijke vrijheid;
In alles liefde

Gepubliceerd in augustus 2008

Advertenties