Augustinus de zielzorger

n.a.v. F. van der Meer, Augustinus de zielzorger, Utrecht/Antwerpen 1957

Augustinus 42 jaar oud
Geen mens uit de oudheid kennen we zo goed als Augustinus. Wat hij in zijn Belijdenissen heeft opgeschreven is uniek. Sommige passages uit dit boek zijn onvergetelijk. Niemand die als student teksten uit deze autobiografie heeft gelezen vergeet passages als over de stad Carthago waar ‘de ketel der vuile liefdes aan alle kanten onder groot geraas stond over te koken’. Als zovele anderen in die dagen werd Augustinus letterlijk de priesterbank opgesleurd. Hij wist dat men hem overal in Africa graag voor het episcopaat wilde opvangen; daarom vermeed hij op zijn weinige reizen stelselmatig alle gemeenten waar een bisschopszetel vacant was, en juist te Hippo had hij zich veilig geacht: daar was de bisschop wel oud maar nog kerngezond. Uiteindelijk beklom Augustinus in Hippo de cathedra in het jaar 396, op 42-jarige leeftijd, toen hij de overleden Valerius opvolgde.

Africa romana
De kuststrook van Africa vormde toen een welvarend en dicht bevolkt land. Het was een land zonder dorpen, maar bezaaid met talloze stadjes. Elk van die typisch Romeinse stadjes (municipia en coloniae) bezat een bisschop; in de meeste steden woonden er een tijdlang zelfs twee: de katholieke en de schismatieke (donatisten). Carthago was Augustinus’ tweede huis. Deze stad telde een half miljoen inwoners. Tijdens de verwikkelingen rondom de donatisten bracht hij veel tijd in deze stad door. Hippo Regius (want zo heette het officieel) was geen schepping van de Romeinse militaire bezetting maar een zeer oude havenstad. Het nam de tweede plaats in na de wereldstad Carthago in Africa romana. De stad lag aan de zoom van een wijd achterland. Het platteland was uiterlijk en in naam gekerstend. De stadsbevolking was overwegend christelijk.

Heidense minderheid
Augustinus kon zeggen: ‘Geen huis, of er woont een christen, en haast geen huis, of er wonen al veel meer christenen dan heidenen’. Tocht telde Africa nog vele aanzienlijke heidenen. Heidense bestrijders van het christendom vroegen bijvoorbeeld hoe het toch zat dat waar de oude goden door het publiek aanbeden kon worden het christendom dat achter slot en grendel houdt. De heidense minderheid was niet ongevaarlijk en de christelijke meerderheid was niet altijd even ondubbelzinnig christelijk in haar levensgedrag. Augustinus zegt: ‘Als de christenen eens uit het theater wegbleven, zouden de heidenen zich schamen over hun handjevol, en uit de lege rangen weglopen. (…) De heidenen eindigen allen met te geloven of uit te sterven’.

Heidendom in de harten
Het was veel gemakkelijker de idolen (afgoden) uit de tempels te halen dan uit de harten en de verbeeldingen. Augustinus wist als geen ander hoeveel heidendom er nog rondspookte in gedoopte hoofden. Velen waren met geen geweld van de onbetamelijke schouwspelen af te trekken. De massale kerstening was nog geen honderd jaar geleden ingezet, en overhaast geschied. Een befaamd opschrift dat gevonden is op het forum van een stad luidde: ‘Jagen baden / spelen lachen / dat is / leven’. Dit kon nog altijd gelden als de beknopte samenvatting van de levensbeschouwing van de meesten, christen of niet.

De pompa diaboli
Als Augustinus in de paasnacht zijn dopelingen plechtig de vraag stelde: ‘Verzaakt gij de duivel? En al zijn pomperijen?’ dan dachten dezen vagelijk aan de wereldse verlokkingen, en voelden zij wellicht een ogenblik scherp, dat zij niet in de theaters hun eeuwige zaligheid zouden verkrijgen. Maar tweehonderd jaar eerder, in de dagen van Tertullianus, dachten andere dopelingen bij dezelfde woorden aan iets zeer concreets: de pompa waaraan zij voorgoed vaarwel zegden, was het gehele hen omringende apparaat van eredienst en vermaak. Maar in de christelijke maatschappij van omstreeks 400 bloeiden de kijkspelen meer dan ooit. Waar ‘de enorme massa van het theater wordt gebouwd, wordt de grondslag der deugd ondergraven’, zo heeft eens iemand gezegd. Dit alles ging gepaard met een waanzinnige verkwisting.

Het theater
Augustinus behoort niet tot de grote ‘donderaars’ tegen het theater. Maar als hij eens komt tot ernstige verwijten, dan noemt hij tien tegen één het theater. Hij kende het goed, want hij was er in zijn prille jeugd verzot op geweest. Er waren drie soorten spelen. Allereerst die van het amfitheater, het ‘hol der bloeddorstigheid’. Hier liet men opgehitste en uitgehongerde dieren onderling vechten: panters, luipaarden, tijgers, stieren, leeuwen en beren, hoe vreemder hoe liever, en bij kuddes tegelijk. Soms vochten er ook gevangenen en boeven mee. De ergste gruwel waren de gladiatorenspelen. Dit werd in die tijd verboden. Wat ook voorkwam, waren zeeslagen, waarbij men de arena tussen de oplopende rangen vol water liet lopen en kleine schepen vol galeiboeven liet vechten. De amfitheaters van Africa verbazen door hun grote afmetingen. Geen kerkvader heeft ze ooit leeg kunnen preken.

Stadion vol, kerk leeg
Op dagen dat zulke gevechten plaatsvonden bleef de kerk vaak zo goed als leeg. ‘Eens waren wij zelf zo dwaas daar te zitten: en hoeveel toekomstige christenen zouden daar, denkt u, op dit ogenblik zitten? Ja, wie weet hoeveel toekomstige bisschoppen?’ Een ander genre, het wedrennen, hoorde thuis in het circus, een lang, smal renperk met ronde hoeken. Hier stoven kleine tweewielige met vier renpaarden bespannen karretjes rond. Ook dan bleef de kerk half onbezet, niet zozeer uit boos opzet, maar als uit gewoonte. Het krankzinnige samen brullen, het mateloze wedden, het hartstochtelijk partijkiezen voor één der vier kleuren, de woedende teleurstelling als de eigen kleur verloor, het verafgoden van een geliefde menner wiens naam overal bekend was, de geheimzinnige samenhorigheid die een massa bijeenbindt in genegenheid voor een sportheld, het voortdurend met iedereen praten over de favoriet, dit allemaal vond in zo’n atmosfeer plaats. ‘Is het dan geen waanzin, dat toebrullen van een wagenmenner? Neen! zeggen ze, niets fijner dan dat’.

Theater als schande van de stad
Een derde genre was het eigenlijke theater. Augustinus spreekt nooit dan met afkeer van de grote spelen, die zoveel geld verslinden, maar hij wordt giftig als hij denkt aan het vulgaire theater. Het personeel bestond in de regel uit ‘deernen, scorta en koppelaars’. Het ging vaak over de minnehandel van de oude goden en lichte geschiedenissen van fabel en bordeel. Het ging alle perken te buiten. ‘Vadermoord en bloedschande’, zo zei Tertullianus. Er werden scènes opgevoerd die de jonge Augustinus soms al tijdens het lezen en eerst goed op de planken de tranen in de ogen brachten, ja met wellust lieten wenen. Augustinus zag het theater als een leerschool van ontucht, de schande van zijn christelijke stad, een voortdurende naaste gelegenheid tot prostitutie. Hij wist, dat het repertoire bestond uit datgene wat onder christenen zelfs niet genoemd mag worden, en hij zag met eigen ogen dat alle paasbokken tot de vaste klanten van de mimen behoorden. Geen wonder, dat hij ieder theaterbezoek verbood.

‘De stakkerds, wat missen ze toch veel!’
‘Waarom provoceert u toch wat u afkeurt?’ zo vroeg hij zich af. En wat zeiden de mensen van hen die niet aan dit alles meededen? Als zij, het hoofd nog vol van het genotene, ergens in de stad een geestelijke herkenden, dan zeiden ze tegen elkaar: ‘De stakkerds, wat missen ze toch veel!’ De spelen behoorden tot één der beste erfstukken van de oude godsdienst, namelijk de oeroude cultische volksfeesten. Bij een oude tempel hoorden een oude legende en een oud feest. Nu zaten de tempels dicht, de offers waren vervallen, de fabels goeddeels vergeten, maar de feesten gebleven, en niemand wilde ze kwijt. Ook te Hippo was het elk jaar carnaval, waarbij men verkleed en gemaskerd over straat ging.

Bijgeloof
De oude bijgelovige praktijk was ook nog springlevend. Veel christelijke schippers staken niet van wal zonder een ogenblijk ‘de haven Christi te vergeten voor de sirenen van het bijgeloof’ en stilletjes vader Neptuin aan te roepen. En een christelijke kraamvrouw zocht nog altijd haar toevlucht tot de goede moeder Juno of de Hemelse Godin. Augustinus verkondigde: Saturnus en de Hemelse zijn nu geen baas meer in Carthago. Maar Salvianus schreef honderd jaar later: de Hemelse regeert nog steeds, vooral onder de voornamen. De oude herinneringen bleken te machtig. De platvloerse menigte at het liefst van twee wallen. Hun zielen dorstten misschien naar God, maar hun vlees nog niet en hun hart evenmin. Christus zorgt toch niet voor het tijdelijke, vonden zij, laat ons daarvoor de oude goden aanhouden. Zo hield men zich ook bezig met de horoscoop.

Velen gingen met een rest van antieke piëteit en een grote dosis onverschilligheid naar de plezierige oude feesten voorzover die nog bestonden. Waarom de oude middeltjes niet geprobeerd? Waarom niet naar waarzegsters, tovenaars en kwakzalvers? Was de lucht niet vol kwade demonen, de geestelijke boosheden in de lucht waar de lezer over voorlas in de kerk? Wat, als je ze tegen had? Iedereen deed het, ook de rijken. Sommige rijkaards gaven veel geld er aan uit.

Tegen de horoscoop
Tegen niemand valt Augustinus heftiger uit dan tegen de wetenschappelijke bedriegers van die tijd, de astrologen. Bijna al zijn christenen hielden de sterrenkijkerij (die toch sinds Theodosius wettelijk was verboden) voor een exacte en behoorlijke wetenschap, en de sterrenwichelaars voor echte, zij het nogal dure, geleerden. In zijn jeugd was Augustinus zelf aan hun boeken verslaafd. Nu viel hij hen aan op grond van zijn filosofische beginselen, en toonde aan hoe weinig consequent ze optraden. Ronduit zegt hij: ‘Zij maken u wat wijs’. Alle geloof aan het fatum (lot) bestrijdt Augustinus als een verwoestende pest, omdat het de vrije wil ontkent, het wilsleven ontkracht en alle zedelijke verantwoordelijkheid onmogelijk maakt. De uitdrukking fatum keurde hij voortaan af. Het onuitroeibare plompe bijgeloof vormde de noodlottigste erfenis van het heidendom. Is het niet ongehoord dat een hond iets kan afleren, en een mens niet omdat hij onder een kwaad gesternte geboren is? Tallozen zaten bevangen in de vrees voor het kwade gesternte. Zakenlui hielden lijsten van ongunstige ‘Egyptische’ dagen. Overal hoorde Augustinus zeggen: ‘Dat jaar plant ik dit of dat niet, het is een schrikkeljaar; ik ga niet op pad want het is een ongeluksdag’. Gelovige christenen zeiden hem naïef en recht in zijn gezicht: ‘Daags na de kalenden ga ik niet op reis’. Zelfs kwamen er in het bisdom ‘niet wetenden’ om hem vertrouwelijk te waarschuwen: laat Uwe Heiligheid toch dan en dan niet op reis gaan. Het sterrengeloof was kortom zo algemeen, dat Augustinus er bij de geringste aanleiding tegen te keer ging.

Alle goden der heidenen zijn demonen?
Augustinus zelf was er vast van overtuigd dat de pomperijen der schouwburgen, de zwarte kunst, de waarzeggerij en de astrologie, kortom de ganse boedel van het heidendom, een apparaat vormden dat in dienst stond van de demonen. Men was overtuigd dat de oude goden wel degelijk bestonden, zij het als vergoddelijkte mensen, zij het als demonen zelf. Zong men niet in Psalm 96: ‘Want alle goden der heidenen zijn demonen’? Augustinus geeft toe dat demonen in zekere zin machtig zijn. Ze beschikken over drie geduchte talenten: subtiele, allesdoordringbare waarneming, vlugheid van beweging en vooral lange ervaring. Bijgeloof, dat is alles wat door mensen in ingesteld betreffende het maken en eren van afgoden. Het omvat twee dingen: de schepselen eren in plaats van God, en: door afgesproken tekens de demonen raadplegen, en rekening houden met hun adviezen. Augustinus zag de demonische toestel der geheime tekenen als een tegenstuk van de sacramenten der kerk. Hier de simpele maar werkdadige symbolen van de genade, daar de ingewikkelde dingen.

Duivelse aard oude cultus bittere ernst
Het is onjuist te menen dat de demonen mede zijn wereldbeeld beheersen, of zelfs maar kunnen schenden. Die wereld is verlost, en niet verlost door het betalen van een schatting aan satan. Christus op het kruis was een lokaas van satan, maar het kruis werd zijn muizenval. Augustinus dacht in de voorstellingen van het laat-antieke wereldbeeld, en dit verklaart het verregaande realisme van zijn demonengeloof. Het is wel jammer dat Augustinus hierdoor, als hij naar de sterren keek, niet aan de voetlampen van Gods troon dacht maar aan de astrologische zwendel van de demonen. De duivelse aard van de oude cultus was hem bittere ernst. Wat de oude goden hadden aangeraakt in deze wereld: plaatsen, feesten, kalendernamen, gebouwen, kunstwerken, zelfs de verzen die men, eens gehoord, nooit meer vergat – het was in zijn ogen in zeker opzicht verontreinigd. Wat er in stak, was geen demon, maar zijn klevende giftige herinnering. Hij zou de namen van de weekdagen graag veranderd zien.

Nergens blijkt dat hij de concrete resten van de voormalige eredienst als zodanig schuwde; de beelden, de bronnen, de verwelkte kransen, de altaren uit graszoden en de spijsresten van geheime maaltijden voor dragers van demonische smetstof hield. Hij vreesde geen contact met steen en marmer, eerder het geestelijk contact met dierbare oude schrijvers die hij op zijn oude dag naamloos citeerde.

De Joden
Er waren veel Joden in de havenstad Hippo, en zeer veel in Carthago. Augustinus kende hun gebruiken. Hij kon zich ergeren aan hun drukte en schaamteloosheid; ze waren stamgasten van de theaters en schreeuwden er het hardst; de sabbat onderhouden ze om te kunnen snoepen en luieren, zo vindt Augustinus. Hun rust is louter vleselijk. Zij konden op sabbatdag beter op het land nuttig werk verrichten dan in het tehater heibeltjes maken, en hun vrouwen zouden er beter aan doen haar rustdag door te brengen bij het verboden spinrokken ‘dan de hele dag als schaamtelozen op haar platte daken te dansen’ bij de tamboerijn. Als ze verdiende straf krijgen, zo vindt Augustinus, dan mopperen zij dat ze het altijd alleen gedaan hebben. Wat geeft het hun Israël te heten? Hun naam dwaalt, hun misdaad blijft, aldus Augustinus. Ze zijn slechter dan de demonen omdat die tenminste de Zoon van God belijden. Augustinus drukte zijn catecheten voortdurend op het hart rekening te houden met de Joodse opwerpingen, en hun perverse uitlegging van het Oude Testament. Die oude boeken immers behoren hun niet meer toe: ‘Zij lezen ze blind, en zingen ze doof’.

De pars Donati: grootste kruis van zijn leven
Als men in Hippo was kon men uit een ander, veel groter kerkgebouw dan de zijne dezelfde kerkmuziek horen, maar dan van een fel vijandige gemeente: die van de pars Donati. Veel erger dan het stervende heidendom was de verdeeldheid onder de christenen zelf, zo vond Augustinus. Het is een monster met altijd weer nieuwe koppen, 88 noemt hij er op in een boek over ketterijen, allemaal gesproten uit het ene moederbeest Hoogmoed. Toen Augustinus in Hippo kwam, was de stad vrijwel geheel in handen van de donatisten, en die tegenkerk zou het grootste kruis van zijn leven worden. Bijna honderd jaar daar voor was zij ontstaan als een schisma om een personenkwestie. Iemand was tot bisschop gewijd die een ‘uitleveraar’ van de heilige boeken was geweest tijdens de Diocletiaanse vervolging. Zijn wijding werd door velen daarom als ongeldig gezien.

Volksbeweging
Als gevolg hiervan staken er twee grote basilieken boven de huizen uit van de oude steden: een katholieke en een niet-katholieke, die uiterlijk in niets verschilden, maar welker bezoekers elkaar stelselmatig negeerden en van alle zwartigheid verdachten. De donatisten vormden in de steden de meerderheid. Ze hielden dat de ware kerk alleen uit reinen bestond. Het donatisme was van meet af aan een volksbeweging, arm aan eigen ideeën, maar rijk aan lichtontvlambare en voor compromissen ontoegankelijke volgelingen. Met ‘de hardnekkigheid der puriteinen’ (Van der Meer) hielden zij vol, vulden Africa met meer dan 300 eigen bisschoppen, onevenredig veel voor hun aantal. Onder Julianus de Afvallige, die alle verdeeldheid in de kerk met leedvermaak begunstigde, waren zij regeringsgezind, onder Constantius en Honorius, die aan de verdeeldheid een eind wilden maken, beklaagden zij zich bitter.

Deo laudes
Hoewel ze uiterlijk en ritueel in niets van hen verschilden, schuwden zij de katholieken als pestlijders. Van lieverlede ontwikkelde zich in hun kring een eigen spraakgebruik. Zo riepen ze in plaats van het eerwaardige en door Cyprianus in zijn stervensuur voor altijd geheiligde Deo gratias met opzet Deo laudes, dat werd hun partijleuze, hun herkenningsteken op bijvoorbeeld graven. Hun leiders noemden zich niet ‘bisschoppen van de katholieke kerk’ maar ‘bisschoppen van de katholieke waarheid en oprechte christenheid’. De algemene kerk was niet die welke de wereldbol omspint, maar die welke alle geboden en sacramenten onderhoudt. Van de kerken buiten Africa en met name van de ontelbare oosterse kerken trokken zij zich niets aan, alleen te Rome bezaten ze een ‘spelonk’ buiten de stad, waardoor ze de spotnaam ‘berglui’ kregen.

De donatisten beschikten over knokploegen, benden verbitterde en al of niet van een godsrijk op aarde dromende proletariërs, die telkens weer cellae of eenzame hoeven, landhuizen, kerken en castella van de katholieken overvielen, die overal waar men niet willig was, de voorraden plunderden, de basilieken met boeken en al in brand staken, de clerken mishandelden. Waar zij de kans schoon zagen stalen zij de kerken; zelfs de hoofdkerk van Cirta, door Constantijn gebouwd, gaven zij ondanks dreigementen niet op, zodat de keizer, die voor geweld terugschrok, de katholieken op kosten van ’s rijks schatkist een nieuwe basiliek bouwde.

Schisma naar een oplossing?
‘Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten’, als Augustinus dit bijbelvers uitsprak, wist iedereen wie hij bedoelde. Augustinus zegt ook dat de kreet Deo laudes bij de goeden gevreesd wordt als leeuwengebrul, als godslasterlijk bijna. Toen Augustinus in de hierarchie werd opgenomen, stond het schisma op een dood punt bij gebrek aan wrijving. De vervolging was geluwd. Alleen de ouden konden zich nog herinneren hoe, toen Julianus de Afvallige alle donatistische ballingen teruggeroepen had en de gouverneurs der provincies gelast zich neutraal te houden, het schisma in alle hevigheid was losgebarsten. Onder leiding van de teruggekeerde ballingen hadden zij de kerken bestormd en bezet en van onder tot boven gewassen, met zout water, want gewoon water was door de schijndoperij van de uitleveraars verontreinigd; zij hadden het hout der altaren afgeschaafd en de kalk van de muren gekrabd. Dit alles was nu echter verleden tijd. De scheuring verjaarde en werd taai door gewoonte, niemand geloofde meer in een oplossing. Totdat in 391 drie nieuwe personages ten tonele verschenen: Aurelius en Primianus in Carthago en Augustinus in Hippo.

Gij houdt het met een mens!
Met eindeloos geduld en onverstoorbare zachtmoedigheid herhaalde Augustinus alle oude argumenten, bouwde hij een theorie van de kerk en van de objectieve sacramentaliteit. Hij verlangde naar verzoening, niet naar liquidatie. Maar de verzoeningspolitiek kon niet altijd blijven duren. Een hardere politiek tegen de donatisten had succes: vele gemeenten gingen over. Godsdienstgesprekken gingen de katholieke bisschoppen met graagte aan, wetend dat ze toch zouden winnen. Augustinus preekte zo nu en dan over de dwaasheid van de donatisten. ‘Is Christus dan verdeeld? (…) Duizend namen, duizend scheuringen! Achter een mens loopt ge aan, en zo verspeelt ge die erfenis waarvan gij zojuist gehoord hebt: dat zij reikt van zee tot zee, van de rivier tot de uiteinden van de aarde! Waarom houdt gij haar niet vast? Omdat gij het houdt met een mens. Wat is een mens, tenzij een redelijk wezen gemaakt van aarde? Dus dáárom zijt ge tegen ons, omdat gij aarde likt!’ Augustinus vindt de Catholica iets geweldigs: al die mensen houden van elkaar, doen voor elkaar wat ze kunnen, over de gehele aardbol wordt er gebeden, gevast, gezongen; in vredige eenstemmigheid weerklinkt Gods lof.

Massale hereniging
Hoewel de donatisten over goede sprekers beschikten en met man en macht waren opgekomen, sloegen ze een pover figuur. Ze kozen de houding van verongelijkten en begonnen stelselmatig te saboteren. Toen de katholieken in het gelijk werden gesteld volgde er spoedig een edict dat de sekte wettelijk ophief, iedere samenkomst verbood, alle goederen overdroeg aan de Catholica. Een massale hereniging vond plaats. Augustinus kon het niet laten hierin Gods hand te zien. Jarenlang was hij een beslist tegenstander geweest van bestrijding van ketterij door geweld. Zijn toon tegen de scheurmakers bleef altijd ferm maar hoffelijk. Voor de meerderheid – meende hij – gaan de ogen nu eindelijk open, een kleine rest blijft koppig, dat rechtvaardigt de dwang. Verbanning is een goede straf voor hen. ‘Verdraagzaamheid is de gewone herderlijke tactiek, maar dwang is soms onvermijdelijk, want worden de besten door liefde getrokken, de meesten moeten helaas gedwongen worden door vrees’.

Verdeeldheid in gezinnen
Na verloop van tijd was de sekte geknakt. De bisschop van Carthago kon toen zeggen: de adder is doodgetrapt, verslonden, de koperen slang op het hout heeft de ketterse slang verslonden. In Hippo was de diocees bij Augustinus’ komst overwegend donatistisch. De schismatieke bakker werd verboden brood voor de katholieken te bakken, zo groot was de stille haat. Zoals dat gaat, men pronkte met elkaars bekeerlingen, en schimpte op elkaars afvalligen. Een kwajongen bijvoorbeeld, die door Augustinus was gewaarschuwd omdat hij zijn moeder voortdurend sloeg, liep ineens naar de scheurmakers over. Er was sprake van een onnatuurlijke verdeeldheid van gezinnen, ‘waar man en vrouw het eens zijn als zij opstaan van hun bed, en oneens als zij voor het altaar treden. (…) Trouw hun lichamen verenigen, elkaar meest bij Christus trouw zweren, en het lichaam van Christus met een verschillende confessie uiteenrijten. (…) Die huizen in één huis en gezamenlijk eten, maar niet gezamenlijk kunnen aanzitten aan één tafel des Heeren’. Augustinus spreekt ook over kinderen van hetzelfde gezin die in verschillende basilieken kerken. In zijn laatste jaren repte Augustinus geen woord meer over het donatisme. Toen hij stierf was het ongelukkige, belegerde Hippo tenminste één in de dingen des geloofs.

Volksaard Africanen
Africanen zijn schoften, het vuile kielzog der gehele Romeinse wereld, zo schreef Salvianus van Marseille. Wat waren de volkszonden in Hippo? Augustinus noemt de zonden van drift, ruwheid en zwakheid, vloeken, zweren, stelen, bedriegen, handtastelijk worden, geld verkwisten en zich overgeven aan de zonden van wellust en vermaak. Hoe waren Africaners in het algemeen? Ze zijn oneerlijk, wantrouwend en twistziek. Ook wordt genoemd het milde klimaat, de vele vrije tijd, de weinige behoeften en het eeuwige optimisme.

Vooral armen
Augustinus stond voor een zeer onontwikkeld gehoor (idiotae). Het was zijn genie dat hij de geloofswaarheden op zo’n eenvoudige wijze bracht. Augustinus maakte onderscheid tussen de weinigen die de Schrift goed kenden en de velen die er zo goed als niets van wisten. De geletterden vormden een klein deel in de stad. Arm was het volk, weinig rijken en ontelbare armen. ‘Rokerig’ is zijn vaste woord voor de huizen der armen. De slavernij was in de oude beschaving een onaantastbare grondslag. Er was een massa van slaven. Een rijk huis telde er al gauw honderden. Augustinus zegt: ‘Geniet de arme niet oneindig meer van de sterrenhemel boven zijn hoofd dan de rijke van zijn vergulde plafond in huis?’

Uitbundige gemeente
De gemeente van Hippo was uitbundig in hun reacties op de prediking van Augustinus. In levendigheid geven predikanten en hoorders elkaar niets toe. Deze uiterste levendigheid past bij het Berberse bloed. Goeddeels zonder een enkele zelfstandige overtuiging, geloofden zij blindelings wat hij zei, als het niet te zeer tegen hun gemakzucht inging. Beweeglijkheid van geest brengt gewoonlijk driftigheid mee, en heftig waren ze bovenmate. Hij kende ze, de driftkoppen: die de griffel breken als het niet wil, de beesten slaan.

Catechumenen die doop uitstellen tot sterfbed
Ook op kerkelijk terrein zijn het de zwakke broeders die het meest de aandacht trekken. Daar zijn vooreerst de eeuwige catechumenen, die wel eens graag naar een mooie preek luisteren en een kruisteken maken en zich vol trots christenen noemen, maar zich tegen de vasten nooit laten inschrijven als competenters, en het doopsel uitstellen tot zij doodziek worden of de schrik om het hart voelen slaan bij een plotselinge ramp. Als de aarde beefde dan bestormden ze met honderden de klerken om het doopsel. Dat was een algemeen verschijnsel. Augustinus gaf het op als één van de redenen waarom geestelijken bij een naderend beleg van hun stad niet mochten vluchten.

Excommunicati
Augustinus verontschuldigde de uitstellers van de doop niet. Bij sommigen was het onverschilligheid, anderen kwamen met een hoogmoedig voorwendsel: ben ik dan minder dan die of die gedoopte domkop, die zich bovendien misdraagt? Niet anders stond hij tegenover de excommunicati, degenen aan wie wel een openbare boete was opgelegd, of die haar zelfs vrijwillig hadden aangevraagd, maar die er zich blijkbaar niets van aantrokken jaar in jaar uit ten aanschouwen van de gemeente afzonderlijk te staan (want er was een aparte plek in de kerk voor deze categorie mensen), de zondaarsafdeling schenen te beschouwen als een ‘elite-plaats’.

Augustinus oordeelde hard over de onverschilligen. Hij dacht waarschijnlijk als een personage in één van Dostojevski’s boeken: de onverschillige heeft geen geloof, alleen armzalige vrees. De dood boezemt dan wel angst in, maar als de dode begraven is, dan zijn ook die gedachten weg. Ronduit en drastisch sprak Augustinus over dat laatste beroep tegen de onverschilligen, de straffen der hel. Zo menigeen in die dagen dacht: ik ben gedoopt, een gedoopte gaat toch niet voor eeuwig verloren; hoe slecht ik ook geleefd heb, ik word wel gereinigd door het vagevuur, ik geef aalmoezen, die bedekken de menigte van zonden’. Er vielen ook leken in het andere uiterste. Augusintus kreeg eens een lange reeks vragen van een rijk man, die voor meer dan de helft ging over demonische infectie.

De Stad Gods
De murmureerders, de mopperaars, zijn een andere groep waar Augustinus mee te maken heeft, mensen die morden tegen Gods bestel. Christenen en heidenen hoorde men zeggen: wat een ellende in de christelijke tijd! Hoe goed ging alles daarvoor! Het was het thema dat hem de 22 boeken van de Stad Gods zou ingeven, en dat sinds de val van Rome in 410 overal ter wereld weerklonk, ook in Hippo. Met één slag was de doem van de grote decline and fall ook over het veilige Africa gekomen. De indruk van de val van Rome was niet uit te wissen. Men zag de vluchtelingen, aristocraten uit Rome, berooid en ontdaan uit de schepen komen; men hoorde de verhalen van de gruwelen in de stad. De eeuwige stad was tijdelijk gebleken, de wereld leek onthoofd. Augustinus zelf was diep geschokt. Het lot van het rijk lag hem na aan het hart: het was al te zeer verbonden met het lot van de kerk. De heidenen zeiden hardop: dat gebeurt er met Rome nu het de goden verlaten heeft.

Romanitas en humanitas
De ramp van Rome was een goddelijk ingrijpen. God is een geneesheer, die het rotte vlees uit onze beschaving wegsnijdt, zo zei Augustinus. ‘God handelt recht. Hij slaat het lekkers uit de handen van stoute jongens. De martelaren verachtten een bloeiende, gij omhelst een doornige, stukke wereld. Laat dat ingestorte huis u tenminste afschrikken!’ Dit hoorden zijn mensen niet graag. Augustinus was een loyaal Romein. Romanitas en humanitas bleven in zijn ogen onafscheidelijk, al erkende hij in de staat een demonie.

Remedia in plaats van gebeden?
Er waren ook mensen die zeiden: onze gebeden worden niet verhoord. Wat helpt het bidden? De oude middeltjes helpen veel beter. Wat hindert het dan ze nog eens te proberen? Het zijn toch remedia. Juist, antwoordde Augustinus, het zijn remedia, maar zij komen van de boze engelen. Augustinus kon weinig met christenen die zich hadden laten dopen met de gedachte: nu zal alles mij meelopen, nu zal ik het goed hebben! Die mensen, zegt hij, lijken op de vrouw die een rijke man getrouwd heeft alleen om zijn geld. In de Bijbel wordt immers ook gesproken van offers brengen?

Niet altijd volle kerk
Al lieten ze graag hun katholieke tanden zien aan de ketters en hoorden zij haast even graag een preek van woordspelingen, de menigte van de Hipponensers was toch in Augustinus’ ogen niet kerks. Op de hoogfeestdagen vulden zij de Grote Kerk onder groot gedrang tot in de uiterste hoeken, dan stroomde ook de ‘massa van het theaterpubliek’ er heen, niet zozeer uit godsvrucht, als om de sensatie van de plechtigheid, en de erkende feestdag, en wellicht ook om de pronkende schare te zien in de helverlichte kerk. Augustinus overziet de dringende hoogfeestelijke menigte, die eigenlijk thuishoort in het theater, met een mengeling van deernis, afkeer en liefde. Op gewone zon- en feestdagen was de kerk goed bezet, minder op de zaterdagen. Naar de meer intieme en doordeweekse diensten (eucharistie en vespers) togen niet alleen de kloosterlingen, maar ook vele andere vromen ‘die hongeren naar een stichtelijk woord’, de stillen in den lande, weduwen, ouden van dagen.

Het minst van al was het kerkbezoek als er affiches voor het theater hingen: dan wist hij zeker dat hij te doen had met oude getrouwen, en dat liet hij altijd even merken. Het was op zo’n speeldag, dat er weinig mensen waren en men last had van de hitte, dat Augustinus na een kwartiertje preken ‘amen’ zei. In Carthago begon hij eens een kerkdienst door te zeggen dat het eigenlijk niet de moeite waard was wegens de geringe belangstelling.

De paasdronk
Augustinus preekte wel eens twee volle uren. Hij zei toen opeens: ‘Ik ben vergeten hoelang ik aan ’t woord ben. (…) Maar ik kan niet op tegen uw belangstelling: ge zijt al te onstuimig: ik hoop dat ge met die onstuimigheid het hemelrijk inneemt’. Met name de grote lui vinden dat de kerkdiensten op de hoogtijdagen veel te lang duren: die hebben wel tijd voor dejeuners tot diep in de avond, maar niet voor een feestpreek. Op Pasen, als er oprechte blijdschap heerste en de volgepakte menigte uit volle keel de halleluja’s meezingt, denken velen toch onder het zingen aan hun paasdronk: na de veertig dagen geheelonthouding. Feestdagen zijn drinkdagen. Zelfs de die dag gedoopte infantes krijgen op Paasmorgen een aanmaning om toch ’s namiddags niet dronken in de vespers te verschijnen.

Kerkdienst ook vermoeiend voor hoorders
De diensten waren lang en vermoeiend. De preek zelf varieerde naar schatting van een half uur tot anderhalf à twee uur, uitgezonderd op dagen met lange plechtigheden zoals Pasen, wanneer Augustinus met een minuut of tien spreken genoegen nam, overigens niet zonder zich te verontschuldigen. Augustinus besefte hoe vermoeiend een kerkdienst kon zijn. Het gehoor stond immers gedurende de gehele dienst! ‘Wij weten dat gij met groot geduld hebt staan luisteren: zó lang, dat gij in zekere zin met de martelaar meegeleden hebt’. Augustinus complimenteerde zijn gehoor soms vanwege haar trouwe opkomst en uithoudingsvermogen. Met name de trouwe klanten konden geen genoeg van Augustinus’ preken krijgen. Soms vonden zij een lange preek nog veel te kort en riepen zij om meer. Hij besloot eens een gastpreek van minsterns drie volle uren met te zeggen: ‘Nooit bemerk ik dat ge moe zijt! En toch vrees ik u of tenminste sommige broeders te veel te vragen’. Augustinus oogstte onophoudelijk applaus.

Het zevende gebod
Het was de glorie van de kerk van die dagen aan de wereld concreet te laten zien wat een christelijk huwelijk kon zijn. De echtbreuk was het kwaad, waarop Augustinus het veelvuldigst moest wijzen. ‘Bijna het hele menselijke geslacht zie ik liggen in die smet, daar heeft het de meeste moeite mee’, zei Augustinus. Een tijdgenoot zegt dat dit vooral voor de Africanen gold. Als Augustinus over zulke onderwerpen sprak deed hij dat heel kort, kies en scherp. Zijn gehoor vond dat bijster vervelend. Het was zijn hobby, meenden zij. ‘Zij die niet wensen hun vrouwen trouw te blijven – en dat zijn er heel wat – kunnen niet hebben dat ik dit zeg’, aldus Augustinus. Hij roept zelfs de vrouwen op: ‘Vindt niet goed dat uw mannen ontucht bedrijven! Beroept u tegen hen op de kerk! Weest in alle overige dingen dienaressen van uw mannen, maar als het hier aan toe komt, komt dan op voor uw zaak’.

Trouwen: bezint eer ge begint
Augustinus sprak met reserve over vrouwelijke opschik. Hij was geen pikante predikant. En ook in zijn brieven zoekt men tevergeefs naar die satires tegen juwelen en parfum, waarop Tertullianus, Cyprianus en zijn tijdgenoten Hieronymus en Ambrosius ons vergasten. Hijzelf maakt het kort: opmaak met rouge en blanketsel is bedrog, het hoort bij echtbreuk, de eigen mannen willen het immers ook niet zien; overigens mag een getrouwde vrouw zich mooi maken voor haar man. Met het oog op de verachters van onthouding en huwelijk was Augustinus er niet voor al te vroeg te trouwen. Luistert, jongelui! was het dan, bedenkt: het is een ijzeren voetboei. Andere boeien worden hier door ons in de kerk geslaakt; maar deze, als u soms in ons asiel vlucht om uw echt te scheiden – deze klinken wij, uw bisschop, nog ééns zo vast!

De gemeenschap tussen man en vrouw
De huwelijksomgang achtte Augustinus enkel geoorloofd wanneer het ouderschap dat vroeg. Hij stelde zich voor dat de heiligen uit de voortijd niet omwille van de lust maar slechts om kroost te verwekken tot hun vrouwen waren genaderd; zij hadden het werk van het vlees volbracht als een vernederende plicht. Augustinus zag de begeerlijkheid welke de werken des vleses meebrengen een straf voor de erfzonde en de wortel des doods. ‘Bemint uw vrouwen, maar bemint haar kuis. Vraagt het werk des vleses alleen in zover het nodig is voor het verwekken van kinderen. Omdat gij nu eenmaal anders geen kinderen kunt krijgen, moet gij daartoe met tegenzin afdalen. Want het is een straf van Adam’. Augustinus denkt dat we moeten uitzien naar die omhelzing, waarin geen enkel bederf meer kan steken. Het aardse huwelijk is slechts een zeer betrekkelijk goed. Kuise gehuwden worden zalig tezamen met de maagden: beiden zullen zij schitteren als sterren.

Familieleven
Het familieleven zal in die tijd veelal innig geweest zijn, zoals het gebleven is in de zuidelijke landen. Kinderen waren toen gelukkige wezens: overal bij, altijd vrij, gewoonlijk vertroeteld, en maar bang voor één ding: de school; en de opvoeding is tot onze verbazing een thema dat Augustinus slechts zelden aansnijdt. Het blijft bij de vermaning de kinderen niet te zeer te verwennen. Een enkele maal spreekt hij over de gesel van het stervende Romeinendom, de orbitas, de kinderloosheid. In de grote huizen speelden geen kinderen; het waren juist de rijken die zich verontschuldigden dat ze maar twee of drie kinderen hadden omdat zij niet wilden dat andere, jongere armoede zouden lijden. Maar nergens – tot onze verwondering – belicht Augustinus dit euvel openlijk en nadrukkelijk. Wellicht hangt het samen met zijn allesbeheersende verering van de onthouding. Augustinus zegt ergens openlijk dat het nu na Christus geen tijd meer is om te huwen en voort te planten, maar veeleer om de zielen die er zijn, te heiligen.

Monastieke ideaal
Er valt niet aan te twijfelen: Augustinus’ ideaal was het strikt monastieke. Niet het gemeenschappelijk leven, maar eerst de geslachtelijke onthouding en dan het opgeven van alle persoonlijk bezit maakten zijns inziens de ware geestelijke mens. In het Westen was een monnik toentertijd nog een zeldzame en niet bepaald in zijn witheid erkende raaf. De eigenlijke ascese maakte er veel minder furore dan in het Oosten. Van rondzwervende monniken had Augustinus een even grote afkeer als later Benedictus. Zolang zij in de woestijnen bleven, of in welgeordende grotere huizen, waren zij enkel zichzelf tot last, en stichtten zij anderen; maar al sinds jaren nestelden ze in alle voorsteden van het Oosten, vielen als een zwerm sprinkhanen aan op wat hun niet aanstond: tempels, concilies, of een onrechtzinnige bisschop, en brachten in gewone dagen de tijd door met zwerven, elkaar bezoeken, overal hangen en bedelen. Augustinus wist het wel: geen ergere mislukkingen dan juist in de kloosters. Met het klimmen der jaren veranderde zijn ascetische ideaal. Het vermetele ‘vrij van zorgen vergoddelijkt raken’ week voor het ootmoedig beluisteren van Gods Woord, en het dankbare ontvangen van Gods genade.

Het klooster: samenwonen van broeders
Wat de kuisheid betreft, ieder weet hoe deze gevoelige man zich, eenmaal van het vlees verlost, wars betoonde van ook het kleinste compromis met het vlees. Geen vrouw zette een voet in zijn binnenhuis; nooit sprak hij met een vrouw tenzij onder zes ogen. Augustinus achtte de heilige bron des levens, ook in de ordelijke tuin van het huwelijk, tragisch besmet door begeerlijkheid: beter was het er af te blijven. Hij heeft meer dan eens de lof der maagdelijkheid gezongen. Het leven des geestes kan geen weelde verdragen. Deze twee dingen, onthouding van huwelijk en van weelde, kan de mens wel tot eenzaamheid brengen: en dan is een mens slecht en zwak. Maar de oplossing komt uit Ps. 133. ‘Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.’ Dit lied heeft de kloosters ter wereld gebracht. Het woord monachos komt van monos en hoeft niet te betekenen ‘alleen’, maar ook ‘één’, en kan slaan op het éne hart en de éne ziel.

Meer nog dan de wereldverzaking was het de maagdelijkheid, welke de jonge zelfbewuste christin aantrok. De zuiverheid trok zo velen aan, dat er soms vlak voor het huwelijk een schaduw viel over de komende staat, en de jonge bruid haar tooi en haar liefde in de steek liet.

Geen antiklerikalisme
Er waren vele clerici in Africa, hoewel men voortdurend klaagde over priestergebrek. Te Carthago vond haast iedere zondag een bisschopswijding plaats. Iedere stadskerk bezat haar personeel van bisschop, presbyters, diakens, acolieten en voorlezers. De rekrutering werd sterk beïnvloed en ook gemakkelijker door de opkomst van de kloosters en door de Augustijnse wijze van samenleving van bisschop en clerus, die overal werd nagevolgd, en een voortreffelijk milieu vormde voor de opleiding van ernstige kandidaten. Waarschijnlijk werkte ook de donatistische tegenkerk als een prikkel tot onberispelijkheid. In Africa heerste nooit antiklerikalisme. Allerminst bij Augustinus zelf, die het nooit bracht tot de bijtende satires van Hieronymus. Het ambt stond in aanzien. De plattelandsclerus vormde een roerig element, liefst baas in eigen huis, en vaak onder één deken met de boeren. De eigengereide dorpspastoor is zo oud als de kerk.

Uitroepen, zuchten en klachten
Augustinus, met zijn kaalgeschoren hoofd en gladgeschoren kaken, werd geplaagd door een chronisch gevoel van zwakte. Hij had een hekel aan reizen; dat bekwam hem altijd slecht. In zijn jeugd is hij overspannen en eenmaal ernstig ziek geweest. Toen hij ontslag nam als hoogleraar te Milaan gaf hij als reden op zijn kortademigheid en beklemde borst, en elders maagpijn. ‘Wat hebben we al niet voor ingewanden! En toch, hoe leren wij ze kennen? Het is pas goed als wij ze niet voelen: als wij ze niet voelen, zijn we gezond’. Emotioneel en intuïtief, vertoonde hij enkele bijna vrouwelijke trekken. Hij was meteen verrukt over iets, maar even spoedig was hij het weer vergeten. Zijn werken zijn verzadigd van uitroepen, zuchten en klachten. Het was in de praatzieke late Oudheid plicht, rijk aan gevoelens en woorden te zijn.

Open huis
Die tedere sensibiliteit staat in dienst van de mannelijkste werkkracht. Hij hield ervan tot diep in de nacht te dicteren. Ambrosius deed dat nooit: hij wilde niemand tot last zijn. Augustinus leefde arm. Hij droeg dezelfde kleren als zijn huisgenoten. Niemand ontbrak aan tafel; het was verboden in de stad te eten. Zijn hoofd stond niet naar administratie. Hij luisterde nauwelijks naar het jaarverslag van uitgaven en inkomsten: het interesseerde hem niet. Nieuwe kerkgebouwen bouwen lag hem niet; hij zag op tegen de bouwdrukte. Hij liet dit anderen doen. Maar ondanks zijn instelling op de geestelijke dingen was hij noch een eenzelvig noch een afgesloten man. Zijn huis stond altijd open, en hij kon niet buiten vrienden. Wat hem vervulde in zijn studeerkamer, moest hij uitspreken in de kring van zijn huisgenoten.

Ook vijanden
Augustinus buurtte veel en graag ondanks de barre afstanden. Waren enkele menselijke dingen hem vreemd, zeker niet de onheuglijke en onsterfelijke klerikale gezelligheid. Augustinus had wel eens een discussie met iemand, zelfs met zijn beste vrienden. Zijn eigen pleekind Paulus, bisschop van Cataqua, sneed hij af uit zijn gemeenschap toen zijn waarschuwingen niet hielpen. Hoewel hij hoffelijk was, ontkwam hij niet aan de furor theologicus, en zijn jarenlange strijd voor de zuiverheid der leer bezorgde hem tenslotte persoonlijke vijanden. Augustinus was een man die zijn wereldlijke betrekkingen onderhield, en rekening hield zowel met de invloed als met de geestelijke belangen van hooggeplaatsten. De zielzorger Augustinus kennen wij niet ten leste uit de ruim tweehonderd brieven die wij nog van zijn hand bezitten. Hij schreef er oneindig veel meer. In zijn brieven gelijkt Augustinus in de verte op die andere briefschrijver, Cicero.

Moeizame relatie met Hieronymus
Geen bisschop in de christenheid (Hieronymus was maar priester, en liet hem dat meermalen ironisch voelen) ontving zoveel brieven, en van zo ver. Ze raakten wel eens zoek: zijn pijnlijk geschil met de grimmige oude van Bethlehem berustte uitsluitend op het jarenlange zwerven van het eerste paar brieven dat hij aan minder zorgvuldige overbrengers had meegegeven en die tengevolge van een indiscretie publiek waren geraakt, zodat de schriftgeleerde wat voor hem persoonlijk bedoeld was als een vertrouwelijk consult en advies, te horen kreeg van derden, als een aanval in de rug.

Het is ontstellend te zien met wat onzinnige vragen men de beroemde man durfde aan te klampen. Welke godskennis heeft een embryo? En natuurlijk altijd weer: hoe geschiedde de maagdelijke geboorte? Op de vraag ‘Hoe konden de tovenaars van Egypte hun staaltje vertonen nadat alle water toch al bloed geworden was?’ antwoordde Augustinus kalmpjes: met zeewater, of: met water uit de Jordaanprovincie. Een heiden noemde Augustinus een ‘wetsorakel’.

Augustinus als rechter
Augustinus hield plichtsgetrouw dag in dag uit ’s ochtends en ’s middags zitting in het secretarium van de dom en liet zich door iedereen bestormen. Want al ging de armenzorg vooral de diakenen aan, hij alleen was de rechter. Geen ogenblik lieten zijn mensen hem met rust. Dit terwijl Augustinus een hartgrondige afkeer had van onbeduidende beslommeringen. Augustinus beschouwde dit als een heilige plicht en een grote last, maar het behoorde tot de belangwekkendste maatschappelijke verschijnselen van die tijd: zij betekende immers niets minder dan de vervanging van het zuiver wettelijke rechtsgeding van dwang en sanctie door een rechtsgeding van overreding en louter goede raad. Een groot deel van de kleine luyden kwam er om, in plaats van een proces te beginnen, het scheidsgerecht van de bisschop in te roepen. Het rechterlijk gezag verschoof van de strenge vertegenwoordiger der rijkswetten naar de milde man, die keurde naar godsdienstige maatstaf.

Christenen en heidenen, alles ging naar hem toe. ‘Het is eenvoudig bar, allen komen zij met alles bij mij aan, en ik kan ze helaas noch ontlopen noch laten lopen’, aldus Augustinus. Hij hanteerde vaste regels, zoals: nooit voor iemand een vrouw vragen, en: iemand die in het leger wil, niet aansporen.

Kerkelijk asiel
Augustinus protesteerde als de politie het asielrecht van zijn kerken schond, en daarmee letterlijk kerkelijk terrein betrad. Dat recht zelf speelde een niet te onderschatten rol in het toenmalige leven. Men zag er niet al te vreemd van op als een radeloze, met de dienders op de hielen, naar de altijd open kerk rende, en even later hijgend onder het altaar zat. De poten van het altaar en de knoppen van de cancelli hebben in die dagen menig leven gered. Daar woonde men letterlijk in de schaduw van de Allerhoogste. Het asielrecht gaf aanleiding tot merkwaardige situaties. Drie soorten mensen vluchtten naar de kerk, zo zei Augustinus: goeden die voor slechten, slechten die voor goeden en slechten die voor slechten vluchten. We kunnen geen onderscheid maken, zo vond Augustinus, dan maar beter beiden in asiel.

‘Het evangelie jaagt mij schrik aan’
‘Altijd weer preken, disputeren, berispen, stichten, voor iedereen klaarstaan: dat is een grote last, een zware druk, een moeizaam werk. Als het aankomt op vrij zijn van beslommeringen, daar is geen mens meer op gesteld dan ik. Want niets is beter, niets is zoeter dan het doorvorsen van de goddelijke schatten, ver van alle lawaai. Maar het evangelie schrikt er mij van af. Hoe komt het dat ik mij verantwoordelijk voel voor anderen? Het is het evangelie, dat mij schrik aanjaagt.’

Boete doen en sterven
In de derde maand van het beleg van Hippo werd Augustinus doodziek. ‘Ik heb niet zo geleefd dat ik mij zou schamen nog langer onder u te leven. Maar ik schroom ook niet te sterven: wij hebben een goede vader’. Augustinus was ervan overtuigd dat een christen niet van het leven mocht scheiden zonder eerst boete te doen. Het was in die tijd geen vrome devotie maar een zwaar woord voor een ernstige zaak. Zo lag Augustinus tien dagen lang alleen op zijn kamer, telkens de ogen gericht op de muur waarop verscheidene boetpsalmen stonden geschreven. De woorden herhaalde hij voortdurend, wenend. Zo stierf hij. Er was geen testament. ‘De arme Gods had niets om over te beschikken’.

De eredienst
Hoe moest de eredienst zijn? Het moest zijn een ‘alleen-aan-de-Godheid-verschuldigde-eredienst’. De eredienst is eenvoudig en geschiedt door weinige en simpele sacramenten; deze maken de gemeenschap zichtbaar; hij gaat terug op de apostelen en de kerk; het criterium voor zijn omvang is de oecumenische praktijk. Wat Augustinus treft in de liturgie is haar eenvoud. Tegenover de talloze sacramenten gebruikt hij de prediking. Augustinus, die in de kerk zo dikwijls zijn hart voelde kloppen en de tranen opwellen, mistrouwde gevoel, en vroeg om inzicht. Ook in de eredienst zocht hij geen ontroering, maar, zoals elders, een zuiver verstandelijk opgevatte wijsheid. Het onveranderlijke motief van zijn godsvrucht was: Het is mij goed nabij God te zijn. De eredienst is een pietas.

Geen formalisme, wel soberheid
Augustinus overschatte de uiterlijke eredienst niet, hij stond ver van formalisme. Augustinus hecht er weinig waarde aan dat bijkomende ceremoniën plaatselijk verschillen. Met geen woord rept hij over de praal van de basilieken. Het is een zeldzaam geval wanneer hij iets opmerkt over de kerk waar hij preekt. Hij liet de kostbare vaten smelten, om met de opbrengst gevangen vrij te kopen. Hij hield niet van bisschoppelijke prachtgewaden. Hij stelde ook weinig belang in de versiering van zijn kerken. Hij houdt niet van afbeeldingen van het goddelijke. Er gaat een trek van puritanisme, ja van wrevel tegen de beeldende kunsten, door sommige van zijn uitingen in zijn laatste levensjaren. De schilder- en beeldhouwkunst doet hij af met één woord: buitengewoon knap maar overbodig gedoe. Geen wonder dat Calvijn zijn zuinige opmerkingen zal uitspelen tegen de uitspraak van paus Gregorius over de beelden als ‘boeken der ongeletterden’.

Zingen
Er is één bijkomstigheid waarvoor hij warm loopt en dat is het meezingen. ‘Wat kunnen de in de kerk vergaderde christenen (…) beter, nuttiger en heiliger doen dan zingen? Ik zou niet weten wat.’ Weinig dingen ‘zijn zo geschikt om de ziel met vrome aandoeningen te vervullingen en de hartstocht der goddelijke liefde aan te steken’. De donatisten zongen veel beter. Vanouds was er in de christelijke gemeenten gezongen. Maar hoe groter de gemeente, hoe geringer de deelname: dat is een vaste wet. Daar was het psalter, vanouds het echte en lange tijd enige gezangenboek in de kerk. Het psalmgezang was een erfenis uit de hellenistische synagogen van de diaspora. Dan zong een solist de gehele psalm voor op een rijke schrille melodie; enige zangers, of het gehele volk, herhaalden telkens één bepaald psalmvers unisono na elk voorgezongen vers.

‘Die wijs is zo zoet’
Sinds enige tijd was men in Syrië begonnen het gehele volk in twee koren te verdelen, en de verzen van de psalm in zijn geheel beurtelings door één van deze te laten zingen. Dit was ook ingevoerd in het Milaan van Ambrosius. Dit eenstemmige en geestdriftige zingen maakte grote indruk, ook op Augustinus, zo kunnen we lezen in de Belijdenissen. Hoewel hij toen nog niet gedoopt was, kon hij zijn tranen niet bedwingen. Zoals wij dat hebben, hadden zij dat ook: lievelingsliederen. Boven alles geliefd was Ps. 132, Ecce quam bonum et quam jucundum. ‘Die wijs is zo zoet’, zegt Augustinus. Men droomde van de psalmen; men zong ze als tijdverdrijf op het scheepsdek en in de tuin, in de keuken en op het veld. ‘Hier op het land zijn het alleen de psalmen die de stilte verbreken: je hoort ze overal: achter de ploeg en bij het snoeien, de herders fluiten ze’, zo schreef een tijdgenoot.

Augustinus over Ambrosius’ gemeentezang
‘O hoe weende ik toen bij uw hymnen en lofgezangen, op het heftigst bewogen door de stemmen van uw zoetklinkende kerk! Die stemmen stroomden mijn oren binnen en uw waarheid druppelde er uit in mijn hart: en daaruit steeg een hete godsvrucht omhoog, en mijn tranen vloeiden, en het was mij wél met haar’. Zo schrijft Augustinus aan Ambrosius. Met volle overgave, magno studio, stonden de mensen te zingen in hun basiliek. Zo overweldigend was de indruk, dat de arianen later in de stad vertelden: ‘Ambrosius heeft het volk met nieuwe toverliederen behekst’.

Kerkzang niet vanzelfsprekend voor Augustinus
Niet altijd had hij voor kerkzang gevoeld, tenminste niet in theorie. Hij zal wel vertrouwd zijn geweest met de uitspraak van Porphyrius over het ‘woordenloze gebed in het kuise zwijgen’ en diens veroordeling van de cultische muziek. Augustinus wist van de knusse en stralend gelukkige liedjes die de kinderen zingen bij hun spel. Hij weet dat de reizigers plegen te zingen onderweg, vooral ’s nachts, ook al om over hun vrees voor de eenzaamheid en de bandieten heen te komen: huiveringwekkende dingen ritselen dan aan alle kanten, en hoe stiller het is, hoe angstwekkender.

Voorkomen van sleur
Heeft een gemeente geen begrip meer voor haar eredienst, dan worden haar mooiste tradities een sleur. Augustinus was een vijand van sleur. Maar niet de lange traditie baart de sleur, maar de afstomping door gebrek aan kennis. Letterlijk alles legt Augustinus uit om sleur te voorkomen. Allereerst de talloze vreemde woorden en vaktermen van de Bijbel, die tijdens de voorlezing zijn opgevallen: de maten, gewichten, namen, aardrijkskundige bijzonderheden, familieverhoudingen en jaartallen. Maar ook muziekinstrumenten, de kleren, de gebruiken, de opschriften der psalmen. Ook de gebruiken, ja de haast tot reflexen geworden vrome gebaren legt hij uit, bijvoorbeeld de gebedshoudingen.

Levendig gehoor
Zijn hoorders waren gewend om op de lezingen en preken te reageren met al de levendigheid van hun temperament door uitroepen, zuchten en lachen. Maar Augustinus verlangde dat ook deze spontane reacties redelijk zouden zijn. Het volk wenste geen veranderingen in de eredienst. Er mocht desnoods wat bij, maar er mocht niets af, en vooral, niets mocht anders. Veel in de eredienst greep toen diep in het leven. Onder Augustinus’ afkeer van luxe en sleur en zijn zorg voor een juist begrip van de riten en symbolen, verbergt zich niets anders dan een alles overheersende eerbied voor het ons geopenbaarde Woord van God. Wat hem het eerst in gedachten komt bij een kerkdienst, is de eeuwige dialoog tussen God en mensen. Hij zegt in de Belijdenissen: ‘Mijn moeder ging tweemaal daags, ’s morgens en ’s avonds, zonder ooit te verzuimen naar Uw kerk, niet om ijdele fabels of oudevrouwengepraat maar om U te horen in Uw woorden en opdat Gij haar zoudt horen in haar gebeden’.

De catechumeen
Wilde iemand christen worden, dan ging hij naar het bisdom, en stelde zich voor aan één van de geestelijken. Dan volgde een lange zitting in de spreekkamer. Zitting, want Augustinus vond het gevaarlijk een man alleen, of een paar mensen, lange tijd te bespreken zonder een stoel aan te bieden. De geestelijke informeerde naar de motieven van de bekering. Dan nam de catecheet het woord voor een uiteenzetting van de geheimen des geloofs en de verplichtingen van het christelijk leven. Dit kon een half uur tot twee uren duren. Vervolgens vroeg de geestelijke of hij het gehoorde wilde aannemen en er naar leven. Als het antwoord ‘ja’ was, vonden er vier riten plaats: de nieuweling ontving het teken van Christus (het kruis op zijn voorhoofd), hem werden de handen opgelegd, een bezwering werd over hem uitgesproken vergezeld van de uitblazing van de Boze, die immers geacht werd een ongedoopte te bezetten, en tenslotte ontving hij voor de eerste keer het sacrament van het zout (de apostolische pekel die de stank en het bederf van de zonde weert). Dit alles ging vooraf aan de feitelijke doop met Pasen. Hij heette zolang catechumeen (=christen).

Hoorders, geen verstaanders
Na de preek, vóór het aanbrengen van de offergaven, werden de niet-gedoopten weggezonden uit de kerkdienst met de korte formule die toen missa heette; de gemeente der gelovigen bleef bijeen achter gesloten deuren om de eucharistie te vieren. Dit om te voorkomen ‘dat een catechumeen zich tot de sacramenta zou indringen’. De meeste catechumenen kwamen omstreeks 400 uit christelijke gezinnen, zodat er van nieuwsgierigheid en spanning omtrent de heilige geheimen geen sprake meer kon zijn. De instelling als zodanig, het catechumenaat, eens de proeftuin van de martelarenkerk, was vervallen. Want voor de zeer velen die catechumenen bleven, en er niet aan dachten zich te laten inschrijven als competentes, en zich op hun sterfbed lieten dopen, bleef de eerste catechisatie ook de laatste. Zij waren hoorders, geen verstaanders, audientes, geen intelligentes. Het catechumenaat was de stand der naamchristenen geworden, van degenen die de doop niet aandurfden en zich schaamden voor de naam van heiden. Hun naam betekende wel ‘horenden’, maar Augustinus meende dat ze nog niet verstaan, ze zijn nog doof.

Competenten
Had een catechumeen zich echter laten inschrijven als competens, ‘medevrager’, dan werd het ernst. Want feitelijk was de oude strenge proeftijd samengekrompen tot de laatste zeven weken voor de doopdag. Was hij gehuwd, dan moest hij zich onthouden van de echt, hij mocht geen bad nemen, moest vasten tot de avond en boven alles van ganser harte berouw hebben over zijn voorleven. Ongebaad, in onverzorgde kleding, onwennig van het vasten, stonden de competenten zeven weken lang afgezonderd ten aanschouwen van de gehele gemeente in de kerk bijeen. Op een dag werd de competenten het Symbolum, ‘geloofsregel’, woord voor woord duidelijk voorgesproken. Deze was nergens opgeschreven, maar werd alleen mondeling overgeleverd. Ze viel onder de geheimtucht. Hierna werd de tweede heilige tekst onthuld, het Gebed des Heeren.

Welkom in de strijd!
Dan braken eindelijk de dagen aan waarop de nieuwelingen, naar een uitdrukking van Ambrosius, ‘in de meer volmaakte mysteriën werden ingewijd’. Op Witte Donderdag was het hun toegestaan het vasten te onderbreken en een bad te nemen omdat ‘de lichamen anders met een hinderlijke lucht in de vont zouden gaan’. Op Paaszondag, bij het krieken van de dag, is het ogenblik daar. ‘De nacht loopt af, de dag nadert…Laat ons dan afwerpen de werken der duisternis en aantrekken de wapenrusting des lichts. (…) Trekt aan de Heere Jezus Christus’. Nu klinkt het in hun hart: Eja milites Christi! ‘Welaan dan, soldaten van Christus’. Vervolgens sprak Augustinus: ‘Verzaakt gij de duivel? En zijn engelen? En zijn pomperijen?’ Pompa, eens het precieze woord voor ‘tempels’, theaters en het gehele apparaat van het heidendom, werd in die tijd verzwakt tot een vage voorstelling van de wereldse verlokkingen.

Bij de doopplaats
Hierna trekken ze in processie naar de vont in de doopkerk die gebouwd is buiten de Grote Kerk maar binnen het complex van de bijgebouwen, onder het zingen van Ps. 42, ‘welke niet ten onrechte wordt opgevat als de stem van catechumenen die zich haasten naar de genade van het heilig bad’. ‘Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel naar U, o God’. Eenmaal bij de doopplaats aangekomen, leggen de dopelingen hun kleren af, maken hun haren los, geen haarspeld blijft op hun hoofd, geen ring aan de vinger. Zij gaan de mystieke moederschoot in zoals zij de aardse moederschoot verlieten. Mannen en vrouwen zijn uiteraard gescheiden. Één voor één dalen ze af in het stromende water. Dan klinken de aloude vragen: Gelooft gij in de Vader? Gelooft gij in de Zoon? Gelooft gij in de Heilige Geest? Gelooft gij in de heilige Kerk, de vergeving der zonden, de opstanding des vleses? En het vurige antwoord: ‘Ik geloof!’

Driemaal werd hij gedoopt in het water. We weten niet hoe dit gebeurde. Of hij, bij de schouders vastgegrepen door de dienstdoende diaken met gebogen nek onder een straal van het neerstromende leidingwater werd gehouden, of hurkend met schouders of hoofd werd ondergedompeld in de volgestroomde piscina, of gedoopt werd door rijkelijke begieting van hoofd en borst terwijl hij zelf tot aan de knieën of de lies in het gewijde water stond. We weten alleen dat het eigenlijk dopen driemaal geschiedde, telkens éénmaal bij de namen van de afzonderlijke namen van Vader, Zoon en Heilige Geest.

Nieuwgeboren kinderen
Nauwelijks uit de doopvont opgestegen werd de ‘wedergeborene’ door de bisschop bevestigd, bezegeld en gesterkt met de Heilige Geest. Ook hier vonden weer drie tekenen plaats: de zalving van het hoofd met ‘de olie der vreugde en ontbranding in liefde’, de handoplegging op de hoofden, vergezeld van een gebed waarin de zevenvoudige geestesgave afgeroepen werd, en tenslotte de merking, consignatio (oliezalving), zoals het merken van een schaap met de initialen van de eigenaar. Van nu af heten de bekeerlingen neophyti, ‘nieuwgeborenen’, of ook kortweg infantes, ‘kinderen’. Ze ontvangen nu elk een wit, linnen kleed. Zo, zonder één dierlijk vezel aan het lijf, zonder ring, armband, haarnaald of halssnoer, in nieuwe kleren en de haren los, herboren en gezalfd en begeest en bezegeld, trekken de nieuwverlichten de opgetooide basilica binnen om temidden van de gemeente voor de eerste keer deel te hebben aan het sacrament der gelovigen. Ze weten nog niet wat het eigenlijk is. Het schijnt dat Augustinus gewoonlijk op dit late uur van de nacht zo doodop was, dat hij het geheim niet meer verklaarde, maar de nieuwingewijden zonder meer liet deelnemen. ‘Smaakt en ziet dat de Heere goed is’. Hiermee is de nachtelijke inwijding ten einde.

Als nieuwe lammeren in de wei
Nog rest de bisschop de mystagogische catechese te geven over het sacrament van het altaar. Dat doet hij waarschijnlijk nog dezelfde paasdag tijdens de dagmis. Eerst bij de tweede viering dus die ze meemaken horen de neofieten de zin van het geheim. Tijdens de paasweek hielden de neofieten met de grootste zorg ‘het sacrament van hun heilig octaaf’. Dan sprongen de nieuwe lammeren voor het eerst in de wei en alle voorbijgangers keken er naar. Na hun prille vacht na acht dagen te hebben afgelegd gingen de lammeren voorgoed onder in het gedrang ‘van die merkwaardige schaapskooi waar niemand schapen, bokken en wolven kan onderscheiden’.

Hervallen?
Een boete aanvragen na het doopsel was altijd en voor iedereen mogelijk, mits het geschiedde voor de eerste én laatste maal. Een tweede boete werd niet gegund. Wie het waagde na de verzoening opnieuw te vallen, voor hem stak de Kerk geen hand meer uit. De hervallene kon zijn vergiffenis van God verhopen, maar hij kon haar niet meer krijgen van de Kerk. Daarom wachtten veel mensen met hun boete op het sterfbed. Zij, die een regelmatig leven leidden en niet openlijk aanstoot gaven, biechtten hun gehele leven niet anders dan bij God in het gebed. Hun ‘dagelijkse zonden en zonden van zwakheid’ boetten zij uit door op hun borst te kloppen bij het vergeef ons onze schulden tijdens het Onze Vader. Velen deden wat Augustinus zelf deed op zijn sterfbed: voor eigen geweten een boete volbrengen, en dagenlang de boetpsalmen herhalen met een vermorzeld en verootmoedigd hart.

Zondag in Hippo
We verplaatsen ons naar een koele zondagochtend in de havenstad Hippo. De winkels zijn open, Augustinus loopt naar de kerk. Vóór de dienst pleegt hij nog een bijeenkomst te houden met mensen met klachten, verzoeken, afspraken en kletspraatjes. Als de dienst begint zien we de mannen en vrouwen gescheiden van elkaar zitten, elk aan één kant. Ook de kinderen (vooraan), de godgewijde maagden en weduwen in haar donkere sluiers, de boetelingen en de catechumenen stonden apart. Als Augustinus het volk gegroet heeft begint de voorlezer een hoofdstuk uit het Nieuwe Testament te lezen. Daarna geeft Augustinus een psalm op om te lezen. Hierna zet hij zich neer op de cathedra, en, terwijl de menigte zo mogelijk nog dichter opeendromt voor de hoge absistrappen, begint Augustinus te preken. Onder de preek door juichen zijn hoorders hem toe, en klappen. Ze horen hem graag! Maar hij roept er haastig doorheen: ‘Gij prijst die het preekt, ik zoek die er naar doet’.

Na anderhalf uur
Als de preek uit is, deint ontspanning door de menigte die stijf is geworden van het staan (Augustinus zat, de hoorders stonden). Al sprekend was Augustinus meermalen overeind gekomen, en de laatste woorden slingert hij staande in het schip. Dan zegt hij, in de oude geijkte formule: ‘Laat ons, nu tot de Heere gekeerd…’ En meteen strekken allen de handen uiteen en omhoog tot de gebedshouding en Augustinus gaat voor in een korte oproep tot gebed: ‘…Hem smeken voor onszelf en voor…’ Meer dan een uur heeft Augustinus dan al gesproken; de dienst is anderhalf uur aan de gang. Na het gebed komen de catechumenen naar voren. Één voor één ontvangen ze hun stukje exorcisme-brood met zout en als het wegzendingsgebed dat missa heet over hun gebogen hoofden is uitgesproken, verlaten zij de basiliek, een zeer grote groep. ‘Eruit de profanen! Want nu is het goed het geheim des konings te verbergen. De gelovigen zijn alleen’. Nu begint de eucharistie.

Hoe Augustinus preekte
Hoe preekte Augustinus? Kort gezegd: bijbels. Hij volgt niet zozeer de regels der retorica. Wel zijn deze op zich voortreffelijk, en voor de predikant allernuttigst. Een predikant is niets anders dan ‘een spreker en leraar der goddelijke Schriften’. Het ideaal van de predikant bestaat in het verstaan, zoveel mogelijk van buiten kennen, en ook naar de welsprekende zijde kunnen uitbuiten van de Schrift. Want de Schrift ís welsprekend. De Schrift is soms duister. God spreidde er die duisternissen over uit om de menselijke geest te oefenen, en Zijn geheimenissen te sluieren. Voor het preken geldt: wees zo duidelijk mogelijk, desnoods ten koste van de zuiverheid van taal. Kies desnoods gewone woorden; kies altijd het makkelijkste woord. Wel is het jammer dat onze taal niet altijd volstaat voor wat er leeft in het hart. Dat bekende en geliefde teksten altijd weer op de proppen komen is niet erg. Het doel van alle preken blijft: de zin openen. Je moet voor de preek eerst maar bidden dat ze je mogen begrijpen: weest eerst bidder, dan spreker.

Applaus en tranen
Er kwam veel applaus, maar Augustinus dacht eerst ‘ik ben er!’ toen zij in tranen uitbarstten. Dat er tijdens het bedaarde uitleggen zoveel applaus pleegt te komen verklaart hij hiermee dat de waarheid altijd charmeert. Men neemt nog het beste iets van iemand die preekt met zijn eigen leven. Kan iemand niet oreren, dat is niet het ergste. Kan hij niets, laat dan zijn levenswijze hem maar dienen tot welbespraaktheid. Heeft iemand een goede voordracht maar geen vindingrijke geest, dan mag hij gerust andermans vondsten van buiten leren.

Preek niet uitgeschreven
Augustinus’ stem was zwak. ‘Wij verzoeken om stilte en rust!’ zo begon hij eens in een stampvolle kerk de dienst. Zelf schrijven deed Augustinus zo goed als nooit, dat deed geen enkele schrijver in de Oudheid. Hij dicteerde, want het materiële schrijven was een te grote lichamelijke inspanning. Zijn preken dicteerde hij bijna nooit. Hij bereidde ze in de regel niet anders voor dan door gebed. Hij improviseerde op de zojuist gezongen of afgelezen Schriftgedeelten. Tijdens de preek zelf citeerde hij de Schrift uit het hoofd. Alleen voor de langere citaten liet hij zich de afzonderlijke boeken door de voorlezer aanreiken. Het is te danken aan snelle schrijvers in zijn gehoor dat er bijna duizend van zijn preken bewaard zijn. Nog bij Augustinus’ leven raakten zijn preken wijd en zijd bekend.

Populaire (=voor het volk) preekvorm
Naar de vorm preekte Augustinus zonder twijfel populair. Hij oreerde niet voor kenners, maar sprak tot gepeupel. Velen hebben zich verbaasd over de slordigheid van zijn taal en zijn gebrek aan compositie. Wat het laatste betreft, moeten we goed bedenken dat de gehele Oudheid los en ongedwongen componeerde. Er was in ieder geval geen sprake van een strakgetrokken en volgehouden schema; een doorsnee preek van Augustinus was wanordelijk. Een deftig werk als de Stad Gods vertoont daarentegen juist die vormen van woordspeling en klankeffect die in zijn preken ontbreken. Augustinus wilde in zijn preken geen afstand, geen toneelachtige majesteit. ‘Liever heb ik dat de schoolmeesters aanmerkingen op ons maken dan dat het volk onze opmerkingen niet verstaat’. Augustinus is beroemd om zijn trefzekere evocatie van kleine taferelen; het meesterlijk schetsen van psychologische situaties. Weergaloos is hij in zijn verrukkelijke verhaaltjes, en zijn pakkende, eenvoudige, en toch zo treffend juiste voorbeelden. Zijn vergelijkingen rieken soms regelrecht naar de straat. Zelfs als hij preekt in Carthago begint hij zonder aarzelen met een gemoedelijk woord vooraf, zózeer voelt hij zich thuis, ook in die grote gemeentes.

‘Lof van goede mensen’
Waar een hedendaags gehoor zich bepaalt tot een zeldzaam knikken of spitsen van de lippen, liet het oude gehoor de spreker door kreten merken dat zij hem volgden, een tekst herkenden, een woordspeling begrepen. Augustinus verdeelde zijn gehoor in zwijgers en roepers. Augustinus kon rekenen op de algemene belangstelling ook in leerstellige dingen. Wanneer hij geliefde of bekende teksten begon aan te halen, vielen zij hem al na het eerste woord in de rede. Telkens ook blijkt dat het applaus hem meteen op een zijpad bracht, want hij ging er gewoonlijk even op in. Die voortdurende bijval vond hij lang niet vervelend, al moest hij het eigenlijk afkeuren. Soms kon hij het applaus wegslingeren als een gevaarlijke afleiding, als een voorwendsel om een pijnlijke waarheid niet te horen. Hoevelen toch ‘riepen altijd voor hem en nooit tegen zichzelf’. Het is zo makkelijk het mooie te prijzen, ‘maar volharden tot het einde, dat is pas het horen van ’s Herders stem’. En hij zegt ook: ‘Ik wil geen lof van mensen die slecht leven, (…) maar lof van mensen die goed leven, als ik zeg dat ik die niet wil, dan vrees ik eerder de indruk te maken van een ijdeltuit dan van een degelijk man’.

Veel halen uit een tekst
Zo voelde Augustinus zich bij zijn mensen thuis, dat hij met hen omsprong als met een school vol kinderen. De preek was in zekere zin ook een volksvermaak. De mensen luisterden zo kinderlijk gespannen dat er een luide kreet van blijdschap door de kerk ging als hun goede oude bisschop het toverwoord ‘eeuwig leven’ uitsprak, of een zo verlokkende tekst als het psalmvers: Één ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren… Wat Augustinus uit een enkele tekst wist te halen, verbaast een ieder. Hij mikte hoog. Hij vond het beste nog niet goed genoeg. Altijd weer gaan de opzetten uit van dat éne punt, en eindigen de conclusies in dat éne verschiet: daar, waar beide liefdes uiteengaan welke de beide Steden bouwen, de stad van de Geest en die van het vlees. Augustinus haatte de uitstallerij van geleerdheid op de preekstoel.

Allegorie
De wijze waarop Augustinus de bijbelse verkondiging beoefent, komt ons merkwaardig versnipperd en onsamenhangend voor. Wat hij weet te halen uit een enkel psalmvers, grenst aan het ongelofelijke en dikwijls aan het absurde. Wat de allegorische exegese betreft, deze was geschikt de bijbeltekst van haar platheid te ontdoen en haar een zekere vlucht te geven. Augustinus zelf had voor de eerste maal jegens de Schriften een zekere eerbied gevoeld, toen hij haar door Ambrosius op de allegorische wijze hoorde uitleggen. Plotseling bleken die vleselijke barbaarse verhalen vervuld van geest, van een hoge zin. Dat was een beslissend moment in zijn leven, en wij speuren dat in haast elk van zijn preken, want hij bleef tot aan zijn dood overtuigd geloven in de geestelijke zin. Vandaag geldt dit als een vorm van vals vernuft, toen gold het kleven aan de louter letterlijke zin voor naïeve platheid!

De Schrift vol raadsels
Augustinus hoogschatte Tyconius, die had gezegd dat de Bijbel ‘een onmetelijk woud van profetie’ was. Dat de Schrift vol raadselen stak, daarin meende Augustinus de wil van de goddelijke opvoeder te moeten zien. Het waren juist de preken die de meeste en vernuftigste allegorieën bevatten, en juist de mystische confrontaties en de kloppende getallen, die het volkje in spanning hielden en bruisende bijval uitlokten. Maar Augustinus vergat ook niet, bij tijd en wijle te waarschuwen dat zij het uit de Schrift vernomene toch op de eerste plaats letterlijk en historische moesten verstaan. Dikwijls zei hij: ‘Wij hebben het feit gehoord; laat ons nu vorsen naar het mysterie’.

Tips aan de catecheet
Augustinus geeft tips voor de catecheet. De eerste vraag moet zijn: wie heb ik voor mij? Ongeletterde idiotae? Of intellectuelen? Een andere vraag is: wat moet je hem vertellen, en in welke orde? Het antwoord luidt: weinig, maar alleen alle hoofdzaken; en wel in de vorm van een verhaal, narratio, en dit gestemd op één hoofdmotief: de liefde van God. Wat is dat weinige? dat zijn de mirabiliora, de meest verwonderingswekkende heilsfeiten en verhalen. Er is ook een affectief moment nodig, een gevoelsmotief waarop dit ontzaglijke verhaal moet gestemd zijn, wil het indruk maken. het moet de roman van Gods liefde zijn. Het is dus duidelijk dat Augustinus de geloofsinhoud de eerste maal niet systematisch wil geven: het systeem is latent, het liefdewekkende verhaal is de hoofdzaak.

Martelarenverering
In Augustinus’ tijd was er een grenzeloze verering van de martelaren. Dit uitte zich in het stichten van kerken en gedachteniskapellen, boven het graf en dus gewoonlijk op een kerkhof buiten de stad. Ook werd de tussenkomst van martelaren ingeroepen in allerlei noden. Pelgrimstochten waren ook gebruikelijk. Kortom, geen christenmens in die dagen onttrok zich aan de martelarenverering. Ook Augustinus was op zich een groot vereerder van de bloedgetuigen. In hun verering ziet hij een rechtmatige, zij het betrekkelijk recente kerkelijke overlevering. Hij zei kort en bondig: ‘Wat door mensen is ingesteld, is deels bijgeloof, en deels niet’. Augustinus erkent hun hoge staat in de tussentoestand van het hiernamaals. Ze zijn de coronati, de reeds bekransten. De opgravingen hebben drastisch bevestigd wat Augustinus eens schreef in een brief: ‘Geheel Africa ligt vol met heilige lichamen’. Het vredige land tussen zee en woestijn was bezaaid met gedenktekenen.

Mariaverering nog niet
In de kalender stonden voor elke dag meerdere martelaren genoteerd, maar niet allen worden herdacht en terecht, want een voortdurende gedachtenis zou vervelen. Het valt op dat Maria aan de roemruchte groep van de alom vereerden ontbreekt. Dat is niet toevallig, en geldt niet enkel voor Africa. Zolang de bisschoppen redetwistten over de menselijke natuur van Christus, bleef degene uit wie Hij het vlees had aangenomen, in de schaduw, en pas toen de persoonlijkheid van Christus in haar eenheid de ogen begon te boeien, zagen die ogen opzij naar Maria die van nu af verscheen in een ander en hoger licht.

Overige
– In Hippo bestond ook een manicheese gemeente, geleid door een innemend en ondernemend man, een voormalig priester.
– Augustinus was in de 5e eeuw de beroemdste man niet enkel van Carthago, maar van de Latijnse helft van het rijk.
– Er zijn in de vastentijd mensen die ’s morgens vasten om ’s avonds des te beter te smullen.
– Augustinus ging zich nooit gedragen als een hoog man. Hij was veel te levendig, hij was een charmeur, en daarom alleen al gemakkelijk toegankelijk.
– Augustinus’ idioom is doortrokken van de volle krasse taal van de oude bijbelvertalingen, die zijn voorkeur heeft ‘omdat zij trouwer aan de woorden kleeft en duidelijker zin geeft’. Augustinu is bij uitstek de gelovige bijbellezer. Hij is overtuigd van de inspiratie van de Septuaginta. Hieronymus’ herziening bevreemdde hem.
– Augustinus legde de 153 vissen uit Johannes 21 eens als volgt uit: het is de som van alle getallen tussen 1 en 17; 17 is het sleutelgetal voor de verhouding van wet en genade, want 10 is de decaloog en 7 de gaven des Geestes; tegelijk is 153 driemaal het getal der volheid (50, zevenmaal zeven plus een surplus), plus drie, dat wil dus zeggen de volheid opgenomen in het drie-enige leven Gods. Van der Meer heeft het over een ‘spel, dat hij zo wonderlijk ernstig opvatte’.
– In Augustinus’ tijd bestond er ook zoiets als bij ons met Ps. 133:3. Daar zingen de meesten ‘Waar liefde woont gebiedt de HEER’ Zijn zegen’, terwijl er toch echt ‘de’ staat. Augustinus: ‘Het volk pleegt nu eenmaal floriet te zingen in plaats van florebit en dan kunnen wij het niet verbeteren’.
– Augustinus vond het er dat zijn meeste hoorders de dichters slechts kenden van de theaters, en niet uit de boeken.
– Augustinus zei eens: ‘Beter gelovig niet weten dan vermetel weten’.

Heiligengraven
Augustinus geloofde erin dat de martelaren door droomgezichten de ligplaats van hun relieken bekend maakten. Maar in zijn jeugd was hij veel minder goedgelovig en moest hij wel de schaduwkanten hebben gezien van deze mateloze geestdrift en groeiende overlading. Geen preek over de martelaren of zij bevat een waarschuwing tegen misvattingen. Zijn opvatting is de klassieke van die tijd: de verering der martelaren is gerechtvaardigd en nuttig, maar het is louter eren, geen aanbidden. Nuchter was zijn oordeel over één der meest verbreide devoties van zijn tijd: het kopen van een eigen graf bij het graf van een martelaar. Liefst zo dicht mogelijk er bij, tegen de heiligen aan. De dekstenen van de heiligengraven heetten in de volksmond mensae. Ze hadden namelijk de vorm van een etenstafel. Wat de Ouden ook vergaten, hun doden niet. Een groot deel van hun vroomheid ging uit naar het eervol begraven van familie en vrienden, het houden van gedachtenisdagen, en het zorgvuldig onderhouden van het graf. Het kerkhof lag buiten de stad; begraven binnen stadsmuren was namelijk overal verboden. De openlucht-absiden en de dichte kapellen noemde men cellae, alle meer aanzienlijke graftekens en mausolea memoriae.

Dodenmaal
Allen vierden het anniversarium, de verjaardag van de dode, niet van zijn dood (dat was een ongeluksdag) maar van zijn geboorte: zijn echte genesia. Menig graf was het doel van de avondwandeling der stedelingen. De maaltijd bij het graf bleef lange tijd het belangrijkste. Die werd altijd ’s avonds gehouden, dan riepen ze zijn naam, en nodigden hem uit van hun offer te proeven, en in eten en drinken een tafel- en offergemeenschap met hen te houden. Het was niet alleen de vrees voor de macht van een geest die hen samenbracht, maar ook de zorg voor de bleke fladderende schim. In de vallende avond zat men bijeen, praatte wat na over de dode en altijd in lovende zin. Het werd een soort familiebijeenkomst. Dit eeuwenoude gebruik, het dodenmaal, werd door de christenen van die tijd dus niet prijs gegeven. Tijdens de vervolgingen waren de christenen bekend geweest om hun sobere begrafenissen. Minucius Felix zei in de derde eeuw: ‘Wij doen het stil, juist zoals wij leven’. Ze hadden eigen kerkhoven en hechtten daaraan. Maar of hun afzondering al opviel, hun gebruiken niet.

Oorsprong dodenmis
Al in de oudste tijd had het nieuwe geloof een geheel andere atmosfeer rond het graf geschapen. De opschriften ademen de zekerheid van het geloof. Wat de dodendienst betreft, al sinds de tweede eeuw had de Kerk niet het dodenmaal op de derde dag en de jaardag verboden, maar het bewuste of onbewuste offer aan de schim dat er mee gepaard ging vervangen door de eucharistie. Waarschijnlijk ligt hier de oorsprong van de dodenmis. Waar eerst ingetogenheid was rondom de begrafenis, werd dat na 313 anders, toen brede en ruwe menigten de kerk begonnen binnen te stromen. De oude ingetogenheid verdween goeddeels voor de gezellige drukte, die een begrafenis onder niet bijzonder godsdienstige mensen meebracht. De nieuwe halfchristenen zaten vol met half heidense rudimenten. Voor de verjaardag kozen de christenen, die de dod niet schuwden noch de doodsdag voor een noodlotsdag hielden, eenstemmig de sterfdag, zodat dies natalis een nieuwe zin kreeg.

De stille verering wordt luidruchtig
Het gewone nu christen geworden volk hield aan het gezellige dodenmaal vast. Ze hoorden in de kerk wel dat zij de schimmen niet mochten toedrinken of offeren, maar het tafelen zelf werd niet verboden, en het bloeide nu even tierig op de christelijke kerkhoven als eertijds op de gewone heidense. Wat nu de familie placht te doen voor de overleden bloedverwant, deed de christelijke gemeente voor haar ontslapen bisschoppen, en bij uitstek voor haar bloedgetuigen. Maar het nieuwe geestelijke feest kon de maaltijden op de graven niet verdringen. Al dacht de gemeente zelf niet aan collectieve maaltijden, het volk ging zijn gang op eigen initiatief, en at en dronk in groepen op het graf van de nieuwe helden. De stille verering werd luidruchtig.

Nergens zo erg als in Africa
Het schijnt, dat het nergens ruwer toeging dan in Africa. Op de hoge dagen bleef de roerige morgendienst nog netjes, maar de vooravond, de nachtwake, en vooral de namiddagpicknick met aanhang ontaardden tot een gewone kermis, en dat binnen de kerkmuren waar de mensa stond. De eerste die voor zover wij weten de dodenmalen binnen de kerk verbood, was Ambrosius. Zijn motieven waren: de dodenmalen gaven de drinkeboers een voorwendsel zich een stuk in de kraag te drinken en het leek al te veel op heidens bijgeloof. Ook Augustinus stak zijn mening niet onder stoelen of banken. ‘De martelaren haten uw kruiken, haten uw ketels, haten uw braspartijen!’ Zeno van Verona zei: ‘Gode mishagen doen zij, die langs de graven draven, hun ontbijt offeren aan stinkende lijken, en uit lust aan schransen en zuipen zich plotseling met kannen en glazen op infame plaatsen martelaren baren’. Augustinus verbood in Hippo het dodenmaal (laetitia) in een dienst waar hij preekte over de tekst ‘Wilt niet het heilige aan de honden geven, en werpt de parelen niet voor de zwijnen’. Het volk brak onder de dienst in tranen uit.

Bijgelovigheid aanpakken
Een verschijnsel als de drinkgelagen op de heilige tomben betekende meer dan een loutere platheid; het was ook een rest van heidens bijgeloof dreigend een christelijk bijgeloof te worden. Dergelijke resten waren er vele, en Augustinus verbood de één na de ander. ‘Het oude bijgeloof kan niet grondig genoeg verzinken, de nieuwe eredienst niet volmaakt genoeg worden’, zo zei hij. Augustinus dacht er niet aan hun gelovig vertrouwen te storen. Maar hij keerde zich beslist tegen hun aardse gezindheid en het materialisme dat er achter stak. Zeer beslist keerde Augustinus zich tegen het misbruiken van de grote sacramenta voor ongeestelijke doeleinden. Hij kende moeders die haar kleine kinderen naar de doopvont droegen als een geheimzinnige waterkuur tegen dood en ziekte.

Droomverschijningen heel gewoon
Het volk vereerde niet enkel de heilige krachten van de sacramenta, het geloofde ook rotsvast in de voortdurende tussenkomst van geesten en zielen. Augustinus’ moeder Monnica wist immers ook door een droomgezicht dat zij de bekering van haar zoon nog zou beleven. De gewone droomverschijningen waren in die tijd zo talrijk dat zij behoorden tot de normale stichtelijke ervaringen. Omstreeks 400 leeft de christenheid nog geheel in het oude wereldbeeld. De beklemming die er van uitging was voorgoed gebroken: geen demonen, geen machten, geen geesten, geen dood konden meer scheiden van de liefde van Christus, en het noodlot was in handen van God de Vader. De duivelen roerden in het ondermaanse maar bleven tenslotte weerloos tegen het kruis. Maar de kosmos bleef toch vervuld van invloeden, en de demonen bleven ‘bittere onruststokers’.

Ongezond wonderzuchtig
De grote menigte vereerde de memoriae voornamelijk als oorden van waarachtige mirakelen. Algemeen aanvaarde vrome berichten accepteert Augustinus vrijwel zonder kritiek. Zonder een zweem van wantrouwen aanvaart hij wat hij uit de derde of vierde hand van een ernstig man hoort, of leest bij een ernstig auteur. Nog leefde overal die haast onbegrensde eerbied oor het eenmaal geboekstaafde; nog dacht er geen mens aan historische kritiek. Ongetwijfeld was het volk niet enkel lichtgelovig maar zonder meer ongezond wonderzuchtig.

Kind van zijn tijd en boven zijn tijd
Hij valt wel eens tegen, maar dat ligt aan zijn tijd. Want ook hij bleef een kind van zijn tijd. Als leraar is hij niet alleen één van de grote voorvaders van het middeleeuwse exemplarisme dat de kosmos veranderde in een openluchttoneel van symbolen, en de kathedralen in een symbool van die kosmos; maar evenzeer van de middeleeuwse verstandigheid, die haar moraalsysteem bleef optrekken naar het oude schema van de vier hoofddeugden, en haar bijbelteksten te lijf ging met de precieze redeneringen, en in de praktijk altijd weer de uitwassen van de volksreligie wist te besnoeien. Wie aan de ethos van Augustinus denkt, ziet geen systeem voor zich, maar het panorama van de Stad Gods, een landschap zo groot als de wereldgeschiedenis en slechts even kleiner dan de Apocalyps.

Islamitische invasie na tweehonderd jaar
Noch hij noch de Africaanse kerk zijn erin geslaagd de inlander op te voeden; ook hij dacht allereerst aan de steden en de bovenlaag; het platteland bleek tweehonderd jaar later weerloos tegen de islam. Hij en de zijnen vonden geen tijd om de arme Berbers tot zelfstandige christenen om te vormen; zij brachten hen thuis in de ware schaapstal, boorden hun de bronnen der sacramenten. Toen na hun dood het Romeins-kerkelijke kader uiteenviel, omdat de barbaarse Vandalen de bisschoppen verbrandden, de bezittingen verkwanselden, in de steden de kerken tientallen jaren bezet of gesloten hielden, en de Latijns sprekende burgerij tot arianen herdoopten of verjoegen – toen hielden de inlanders niets meer over. Tweehonderd jaar na Augustinus’ dood kwam de islam.

De Africaanse inlandse christenheid verdween met haar 560 bisdommen zo volkomen van de aarde dat wij onze ogen niet geloven bij het tellen van de steeds talrijker uitgegraven ruïnen. Het raadsel van deze ondergang is nog niet opgelost, maar wie de schuld ook treft, niet de onvermoeibare bisschop van Hippo. De Africaanse Kerk heeft slechts een onvergetelijke elite, geen christelijk volk voortgebracht.

Ambrosius als voorbeeld, Calvijn en Pascal als opvallende navolgers
Augustinus was evenmin een organisator in de praktijk als een straf systematicus in de theorie. Hij hield meer van het spontane overtuigde gebaar dan van de geduldige kleine diplomatie waarmee de preciezen grote acties voorbereiden. Daarom werd hij ook nooit een echte casuïst. De grote inzichten die hem vervulden had hij voor een deel pas door de praktijk verkregen. Verder kan men zeggen dat hij in alles wat de strikte praktijk betrof een zeer bepaald model voor ogen hield, namelijk die van zijn vader in Christus Ambrosius. Augustinus was zoals dat later zou beschreven worden ‘een leeuw op de preekstoel en een lam in de biechtstoel’. Over zijn dogmatisch rigorisme bestaat geen twijfel. Het is volgens Van der Meer een ironie dat deze radicale maar liefdevolle en charmante christen ‘de mannelijke en meedogenloze schepper van het calvinisme’ (Calvijn) beslissend heeft beïnvloed en later ‘de overernstige maar bitse geest van Port-Royal’ (Pascal) heeft opgewekt.

Een onthechte, maar geen levensverachter
Augustinus wil onder geen enkel beding de noodleugen toelaten. Hij acht het ongeoorloofd een onrechtmatige aanvaller uit zelfbehoud te doden. Het huwelijksgebruik wil hij slechts toestaan voor zover het nodig is, tot de voortplanting. Hij hield van gezelschap, en een goed gesprek. Augustinus is een onthechte, maar geen levensverachter. Geen spoor van wantrouwen tegen de levende cultus, de sacramenteel bepaalde sfeer, het symbolisch zichtbaar worden en overvloeien van de genade. Hij spreekt onbevangen van de verering der martelaren en het inroepen van hun tussenkomst; van verdiensten en tekortkomingen, van loon en straf; nooit raakt de man die toch schreef dat als God onze verdiensten kroont Hij slechts eigen gaven voltooid, aan de waardigheid van de heilige. Hij twijfelt er niet aan of de rechte weg naar de heiligheid is enkel en alleen die der vrijwillige onthechting.

Geen sombere geest
In de dagen dat Vigilantius te keer ging tegen kaarsen, relikwieën en de levensverzaking van monniken, liet Augustinus alle kaarsen branden, rijken kloosters stichten, geestelijken kloosterlijk leven en kapellen bouwen voor nieuwe relieken. Hij trok geen bedenkelijk gezicht tussen de pelgrimerende menigten. Van nature was Augustinus geen sombere geest. Men heeft opgemerkt dat hij in zijn schoonheids- en kennisleer in zekere zin een optimistisch humanist van de oude stempel is gebleven. Hij was een bekeerde, een omgekeerde, door God gegrepene. De zonnige opvatting van de Cappadocische vaders over een alreeds in beginsel vergoddelijkte kosmos zou hem, ook al had hij ze gekend, ondanks haar platonische achtergrond, vreemd zijn gebleven.

Oude wereld en christelijke kerk
Augustinus is de schrijver van het intiemste, aangrijpendste, maar ook meest nerveuze boek van de gehele Oudheid. Het was de tegenstelling met al het oude, die Augustinus meer dan zijn tijdgenoten voortdurend overwoog. Als eerste in de geschiedenis verstond hij de historische tegenstelling van oude wereld en christelijke kerk. Als niemand anders voelde hij: straks zijn alle verhoudingen omgekeerd; alles in die oude wereld was slechts van betrekkelijke waarde; de absolute waarden liggen bij de kerk. Hij hing met heel zijn hart aan het oude Rijk, maar deed niet aan folklore.

Gepubliceerd in juni 2008