Bavianen en slijkgeuzen

n.a.v. A.Th. van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt, Franeker 1998

De vroege zeventiende-eeuwers spraken van de christelijke gereformeerde religie (1). De rust in de kerken was het best gediend met ‘schuwinge van alle nieuwigheden’ (2). In 1624 nog sprak de classis Dordrecht over ‘de begonnen reformatie’, die voortdurend om verdere uitbouw vroeg (4). Voorrang hadden de predikanten van het eigen ressort, indien zij lust hadden in de vacante plaats hun intrek te nemen (6). Afvaardiging van een ouderling was in het begin van de zeventiende eeuw haast onmogelijk (8). Veel edelen en ambachtsheren stelden zelf predikanten in de van hen afhankelijke dorpen aan (10).

Een Engelsman: ik heb op een Hollands schip nog nooit een publiek gebed gehoord (16). Gedwongen kerkgang en verplichte catechisatie werd alleen aan de gevangenen opgelegd (21). De preekstoel bleef vanouds de plaats, waar o.a. aankondigingen van verkopingen of pachten werden afgelezen (21). Katholieke kosters in de hervormde kerk (22). De hervormde kerk heeft de volkskerkgedachte (wat de Staten van Holland graag wilden) steeds afgewezen (23). De algemene teneur van de zondagswetten is deze, dat beperkingen en verboden slechts gelden voor de duur van de kerkdienst (27). De magistraten vergaderden zonder bewaar op zondag (27). Alle werk dat geen uitstel lijden kon, mocht gedurende de zondag worden verricht (27). De kroeg was op zondagen de grote concurrent van het kerkgebouw (29). Sommige herbergiers leefden van de zondagen (30).

Begin zeventiende eeuw ongeveer 1100 dienstdoende predikanten (34). Na kerkstrijd met remonstranten verloor het een vijfde deel (36). De gevierde predikers beschikten allen over stemmen als bazuinen (43). De predikatie mocht niet te lang zijn (44). De evangeliën waren zeer in trek (47). Men was voorzichtig met uit Openbaring te preken (vanwege Munster) (49). Kritische luisteraars verlangden meer van een prediker dan de preekstoel opklimmen, de tekst bij de haren grijpen, en voor het vaderlijk weg ‘te roepen, te crijten, te donderen, te blixemen teghen het pausdom’ (55). Een predikant had maar een tiental preken, die hij in nooit veranderde volgorde aan zijn gemeente voordroeg (60). Constantijn Huygens over predikers: ‘de meesten zwerven zoo maar rond, en, als waren zij hun roer kwijt, dobberen zij op goed geluk op de golven hunner opkomende gedachten, zoodat zij zelf, naar ik meen, niet gemakkelijk kunnen bepalen, waarmee ze begonnen zijn en hoe ze zullen eindigen’ (61). Op het platteland was de middagdienst nog niet overal ingevoerd (63).

Vondel noemt in zijn schets van de ideale zielenherder nauwelijks de prediking, maar weidt wel breed uit over de stichtelijke wandel (71). Er is weinig bekend over predikantsvrouwen (dat betekent dat ze niet negatief opvielen) (72). Vele plattelandspredikanten leven in de meest bekrompen omstandigheden (73). Voorbeeld van een nevenberoep van een dominee: avondmaalszilver poetsen (74-75). Bij disharmonie tussen predikant en gemeente liepen de kerken eenvoudig leeg (81).

In Delft zijn veel ouderlingen bierbrouwers en in Amsterdam zitten er veel burgermeesters in de kerkendraad (83-84). Een benoeming tot ouderling of diaken wordt beschouwd als een onontkoombare verplichting, waaraan men zich niet kan en mag onttrekken (88). Kerkenraden waren klein (92). Oud-kerkenraadsleden werden ingeschakeld en geraadpleegd (93). Verschil tussen ouderlingen en diakenen is in die tijd nauwelijks merkbaar (94). Bij het ziekenbezoek is er een sterke neiging om alles op de predikant te concentreren (98). Ziekentroosters (99-101).

Liefdadigheidsloterijen: ick sette alle mijn sinnen / om Godt te beminnen / en sou geeren een cleyn prijsken gewinnen (105 en 216). De grens tussen wereldlijke en diaconale armenzorg laat zich in sommige plaatsen niet zo gemakkelijk vast stellen (106). In andere plaatsen trok men gescheiden op, al bevorderde dat de doelmatigheid niet (108). Het was verboden te bedelen (114). De meeste uitkeringen werden gedaan in goederen (122).

Liefhebbers van de gereformeerde religie (128vv). In de regel zijn het de vrouwen, die zich het gemakkelijkst bij de hervormde kerk aansluiten (134). De zeventiende-eeuwse kerk kent geen doopleden, omdat zij als publieke kerk voor het heel volk de doop aan allen toedient (135). Ieder kind heeft recht op de doop, ongeacht wat voor ouders het heeft (136vv). Uit Edam vernemen wij in 1613 de klacht, dat kinderen met kinderen bij het doopvont verschijnen (137). De vaders waren dikwijls absent bij de doop van hun kinderen, misschien waren het wel de vroedvrouwen die de kinderen ten doop hielden (138). Tot het bondsvolk behoren alle geboren Nederlanders, ongeacht hun kerkelijke kleur of denominatie, zigeuners of Indiërs horen hier niet bij (139). De doop was niet aan een bepaalde leeftijd gebonden (141vv). In Nieuwkoop werden de doop- en huwelijksdiensten ’s middags gehouden omdat anders ‘door de bruylofts- ende doopmalen’, volgende op de ochtenddienst, ‘de namiddaeghs-predicatiën seer verhindert werden’ (141).

Gaandeweg ontstond de opvatting dat volwassendoop gelijk behoorde te staan met de aanneming als lidmaat (142). De kracht van de hervormde kerk lag vooral in haar publieke karakter, haar aanwezigheid midden in het dorp (144). Ds. Russius van Ouddorp: ‘men behoorde tegen de mennonisten niet te disputeren met monde ende geschrifte, maer met galgen ende stroppen (146). Calvinisten zagen rooms-katholieken en doopsgezinden niet als gesprekspartners uit een andere kerk, maar als tegenstanders uit een verderfelijke secte (147). Ongepast acht men het, op grond van verwantschap of uit belangstelling een doopsbediening in andere kerken bij te wonen (154). Zeer veel Hollanders konden aan het begin van de zeventiende eeuw nog niet in een bepaald vakje geplaatst worden, voor hen was de keus nog open, en elke kerk deed het hare om bij het kiezen leiding te geven (160).

Ik zou vóór de Dordtse synode geen enkel voorbeeld weten te geven van een Hollandse dominee die catechisatie gaf aan de jeugd van zijn gemeente (want dit was de taak van de schoolmeester) (161). Schoolmeesters moesten er ook voor zorgen dat de kinderen de kerk bezochten, de preek met aandacht beluisterden, en de dienst ook tot het einde toe bijwoonden, zonder in en uit te lopen of op de toren te klauteren (163). Nog meer taken van de schoolmeester: koster, kinderbewaarder, voorlezer, voorzanger en hij was aangesteld ‘in ’t stillen der honden ende kinderen in de kercke’ (164). Als er geen dominee was, las de schoolmeester een reeks hoofdstukken uit de Bijbel, maar een preek, geschreven door een predikant, mocht hij ook voorlezen (166). In Edam: ‘gewoonlijcken stilstandt van predigen in den hoytijt’ (169). De weekdienst was natuurlijk altijd de slechtst bezet, kerkgang in de week gold meer als bijzondere verdienste dan als plicht (170).

Vóór de dienst werd vaak een kwartier lang uit de Bijbel gelezen, zodat de kerkgangers zich niet te buiten zouden gaan aan ‘het onordentlijcke wandelen ende clappen’ vóór de aanvang van de dienst, en de voorganger niet eerst het ‘groot geraes’ behoefde te overstemmen (172). Te Oudewater moest men afgezien van verandering in de formule gebruikt bij de uitdeling van het avondmaal, omdat ‘eenige litmaten hierin ontroert waren’ (173). Men gaf de voorkeur voor de bekende klanken van het formuliergebed boven een vrij gebed (173). Gebeden moesten liefst klaar en duidelijk zijn; zuchten en kermen deed men bij het bidden nog niet (173). Orgels werden niet gebruikt (174). Sommige psalmmelodieën werden rustig overgenomen voor wereldse liederen (176vv). In verscheidene gemeenten was er geen harmonie tussen preek en psalm, men zong gewoon van voor naar achter (179). De Spanjaard Vazquez schrijft het aan de bijbelverbreiding toe, dat Hollandse vrouwen ‘zonder eenige uitzondering over geloofszaken (kunnen) spreken als waren zij theologen’ (184).

De kerk van Edam hield in 1608 puritanisme voor sectarische nieuwlichterij (193). De non-communicanten bleken onbekend te zijn met Calvijns wijs vermaan dat voorbereiding voor het avondmaal zelfkritiek vraagt in plaats van kritiek op anderen (198). Alles lijkt erop te wijzen dat communie in die tijd regel was, en onthouding uitzondering (200). Trigland preekte tegen de vrouwen die hun hoofd versieren met ‘toeten ende vremde fatsoenen van cappen’ (222). Een belijdende kerk met duidelijke grenzen wilden de regenten niet, maar na tien jaar kerkstrijd werd dit karakter toch gehandhaafd (226). Bekende discussiepunten arminianen en gomaristen: NGB artikel 16, HC antwoorden 60 en 114 (235).

Zonder een actief plijtbezorger vond Arminius’ leer op het platteland geen ingang (244). Na het overlijden van Arminius verandert dadelijk de toon van de discussies (250). De vrije wil zou volgens Daniël Cray betekenen: vrijheid om te hoereren (260). Een calvinistisch predikant gaf een pamflet uit, getiteld: ‘trovhertighe vermaninghe aen alle swangere ende barende vroutgens’, handelende over als jonge kinderen sterven (283). Arminiaan tegen volharding der heiligen: ‘staet de saecke alsoo, dat de geloovigen deur geene meugelicke sonden en connen afvallen, so loopt vry heenen in de hoerhuysen ende bordeelen, beslaept uwe jongwijfs, bedrijft bloedtschande ende offert de kinderen andere vaders op, somma doet al wat ghy wilt, want inden ghy geloovigh sijt, so sult ghy doch gelovigh blyven (284). De eerbiedwaardige oudheid van het calvinisme tegenover de remonstrantse nieuwlichterij (287).

Haarlems burgermeesters beweerden dat het blasfemie was, te beweren dat predikanten en ouderlingen hun ambten hadden ontvangen van de Heilige Geest, want zij waren het toch die hun benoemden? (303). Maurits streven blijft lang gericht op binnenkerkelijke tolerantie met eigen predikanten en kerkgebouwen voor elke groep, een formele gemeenschap van twee bijna zelfstandige gezindten (ook met het oog op de oorlog tegen Spanje) (307). Toen een arminiaanse predikant dreigde voor te gaan, besloten de vrouwen hem tegen te houden: toen die predikant de kerk binnenkwam, stonden bijna alle vrouwen op, en namen hun stoelen in de hand, van alle kanten klonk geroep: ‘za za valt nu aen’ (329).

Johannes Lydius: ‘de Indianen aanbidden de duivel’ (sommigen verstonden: de Arminianen…) (330). Kwajongens maken het de remonstranten moeilijk, dit vinden de calvinisten niet erg, want ‘Godt heeft dit den kinderen ingegeven. ’t Is hun geopenbaert, dat d’Arminiaenen ’t landt aen den Spanjaert soeken te brengen, en Godt werkt door dese jongens om dat te beletten’ (339). Ouderling Gerrit Simonsz., die kerkenraadslid was onder een remonstrantse predikant, verklaarde toen hij in 1619 bij de classis moest komen ‘dat hij een simpel ende eenvoudich man was, die hem op die verschillen niet en verstont…doch dat hij daerentusschen niet van meyninge en was de kercke te verlaten ende daervan af te wijcken, maer dat hij gesint was in ’t gehoor des goddelijcken woorts voort te gaen’ (348).

Gepubliceerd in december 2005