Calvijn een mens

n.a.v. Herman J. Selderhuis, Calvijn een mens, Kampen 2008

1. De wees (1509-1533)
Familietraditie
Johannes Calvijn (Jean Cauvin) werd op 10 juli 1509 geboren in Noyon, Noord-Frankrijk. Zowel zijn broer als zijn vader kregen het met de kerk aan de stok. Zijn oudste broer werd zelfs geëxcommuniceerd en voordat hij in 1537 stierf weigerde hij absolutie en het laatste oliesel. Hij werd niet bij de kerk, maar in de onheilige grond onder de galg begraven. Calvijn zette dus een familietraditie voort in zijn conflict met Rome. Calvijns ouders kregen zeen kinderen waaronder twee meisjes; twee broers stierven al jong. Verder is er niet zoveel over bekend. Calvijns moeder sterft al op z’n zesde. Op 12-jarige leeftijd werd Calvijn kapelaan van de kapel La Gésine te Lyon. Het was een functie die door een ander werd uitgevoerd. Op die manier kreeg Calvijn ook enkele functies.

Geknakte gezondheid
Calvijn is in redelijke welstand opgegroeid. Hoe hun huis eruit zag weten we niet want die werd in 1918 bij een Duits bombardement verwoest. Calvijn vertrok in 1523 naar Parijs om te studeren aan de universiteit aldaar. Calvijn was toen nog maar veertien. Dit college stond niet zo goed aangeschreven omdat het te liberaal was voor iemand die priester wilde worden. Dit was namelijk de bedoeling van Calvijns vader. Aan het College de Montaigu, waarheen Calvijn na enkele maanden vertrok, was de hygiëne zo slecht dat Erasmus, die aan zijn verblijf aldaar eveneens een slecht gestel en een overdosis luizen en vlooien had overgehouden, schreef dat hij ook vele anderen kende die tot op de dag van vandaag nog steeds niet van hun daar opgelopen ziektes los konden komen. Harde bedden, slapeloze nachten, bedorven eten, zo luidt de samenvatting, ‘het college der luizen’ zegt iemand anders. Het onderwijs was hier echter wel conservatief. Calvijn las hier wel stiekem werkjes van Luther en vooral van Melanchthon, wat natuurlijk streng verboden was.

Vader sterft, Calvijn staakt rechtenstudie
Calvijn studeerde goed. Echter, toen hij bijna klaar was met de eerste helft van de studie en hij zich volledig op de theologie wilde gaan richten, kreeg hij de opdracht van zijn vader theologie te laten schieten en rechten te gaan studeren. Oorzaak: vader Calvijns conflict met de kerk. Vaders wil is wet dus Calvijn ging naar Orléans. Dat was in 1527 of 1528. In 1529 vertrok Calvijn naar Bourges, waar de vermaarde Andrea Alciati lesgaf. Calvijn voelde zich aangetrokken tot de vernieuwende, humanistische wijze van onderwijs. Calvijn heeft hier hard gestudeerd en was gewend maaltijden over te slaan, tot middernacht te werken en ’s morgens vroeg alles wat hij de dag ervoor geleerd had nog even te herhalen. Deze werkwijze bezorgde hem een geweldige kennis en een razend slechte gezondheid. In 1530 was hij weer terug in Orléans. Het jaar daarop stierf Calvijns vader waarna Calvijn de studie afbrak en terugkeerde naar Parijs. Hier nam hij ook les Hebreeuws, waar hij nooit expert van werd, maar wel voldoende om het Oude Testament te kunnen lezen. Daarmee was hij verder dan Erasmus die geen Hebreeuws kon en bang was dat studie van deze taal een herleving van het judaïsme zou veroorzaken!

Plotselinge of onverwachtse bekering
‘Hoewel ik mij alle moeite gaf de wil van mijn vader te doen, liet God mij toch door Zijn voorzienigheid een andere weg inslaan’. In de nu volgende tijd vindt ook de bekering van Calvijn plaats. We weten het niet exact. Wellicht behoorde Calvijns bekering tot de Timotheüs-categorie. Calvijn spreekt zelf over ‘subita’, plotseling of onverwacht. Calvijn heeft het niet over een bekering van ongeloof tot geloof, maar over verandering van kerk door over te gaan naar ‘een zuiverder leer’ (purior doctrina). Hij geloofde dus al voordat hij tot een kerkelijke bekering kwam, en dat geloof wilde hij graag gekenmerkt zien door wat de Bijbel het leven in de vreze des Heeren noemt. Calvijn zei het gevoel van Ps. 130 te kennen, uit de diepte van zijn schuld schreeuwde hij naar God. Het is de kwelling van het geweten, veroorzaakt door het besef van zondaar zijn en voor de rechtvaardige en toornende God moeten verschijnen.

Boek over Seneca
Dat hij met rechten brak, heeft hiermee te maken dat hij door zijn verlegen aard dacht niet geschikt te zijn om advocaat te worden. Maar er moest toch brood op de plank komen. Men kon zich in de wereld der geleerden pas een plaats verwerven wanneer men met een degelijk boek daarnaar gesolliciteerd had. Dat deed Calvijn met een commentaar op De Clementia van Seneca. Calvijn schrijft dat het ideaal van de Stoa in sommige opzichten best lijkt op het christelijke ideaal van een deugdzaam leven. Calvijn wilde met dit boekwerk laten zien wat hij allemaal in huis had en citeerde maar liefst 60 Latijnse en 20 Griekse klassieken. Maar het leverde allemaal niet op dan schulden en frustratie. Het geheel werpt een wat triest beeld op van een jonge man die zo zijn best doet erbij te horen, hogerop te willen. Maar het boek werd een mislukking. Calvijn was een junior-geleerde met weinig perspectief. We weten verder weinig over deze periode, wel dat hij colleges over Seneca gaf. Daar waren ze wel onder de indruk van de geleerdheid van Calvijn.

Meegeschreven toespraak
Op Allerheiligen, 1 november 1533 vond de toespraak van rector Nicolas Cop plaats, waarin Calvijn een behoorlijk aandeel had. Hierin werden gedachten van Erasmus en Luther gepropageerd. Toen deze zaak gesust was, vond de ‘affaire des placards’ plaats: prompt verschenen er pamfletten waarin de mis als een misbruik werd beschreven. Deze pamfletten werden niet alleen hier en daar geplakt, maar tot aan de slaapkamerdeur van de koning. Die man schrok zich de volgende morgen natuurlijk naar. De zaak escaleerde en Cop vluchtte naar Basel. Calvijn vluchtte naar Angouleme. Calvijn behoorde tot de jonge geleerden die openstonden voor nieuwe ideeën, nieuwe uitdagingen, nieuwe vormen van kerk en wetenschap. Calvijn wilde vrij en onafhankelijk zijn.

Het liefst een teruggetrokken leven
Ondanks de uitspraak dat hij niet graag over zichzelf sprak, kunnen we bij een zorgvuldig lezen van zijn brieven en commentaren in zijn hart kijken. Calvijn noemt vaak zijn negatieve kenmerken op. Hij gaf toe grote moeite te hebben via matiging en verdraagzaamheid de vrede te bewaren, hij werd nogal eens verleid feller te zijn in zijn schrijven dan hij eigenlijk had gewild. Aan Farel schreef hij dat hij liever ergens teruggetrokken zou leven, maar het is God die hem steeds weer op het toneel brengt. ‘Ik moet erkennen dat ik van nature niet veel moed heb, schuchter, bang en slap ben’. ‘Ik heb zo weinig zelfvertrouwen dat ik me liever toesta mijn eigen natuur te volgen dan anderen te vermanen’. Ook schaamte is een begrip dat veel voorkomt bij Calvijn. Calvijn is openhartig over zichzelf en wellicht daarom is hij kwetsbaar en gevoelig voor kritiek geworden. Angst is hem niet vreemd.

2. De pelgrim (1533-1536)
Labyrint en afgrond
‘We zijn altijd onderweg’, aldus Calvijn. Gereformeerden hebben een traditie opgebouwd als reizigers, vluchtelingen en emigranten, maar ze zien zich ook geestelijk onderweg. Daar zijn de brede en de smalle weg. Die plaat herinnert ons aan twee wezenlijke begrippen bij Calvijn: labyrint en afgrond. Labyrint: een soort denken waarin een mens verstrikt raakt, de weg naar God en naar zichzelf kwijtraakt. In dat labyrint verkeerd de mens van nature en men kan er alleen uitkomen door de Bijbel als leidraad te nemen. Afgrond: daarin komt de mens terecht als hij Gods weg verlaat, Gods orde verdraait en Gods vrede negeert. In Calvijns psalmencommentaar vooral zien we de onzekerheid van het bestaan en de chaos van deze wereld vaak terugkomen. De wereld wordt gekenmerkt door bewegelijkheid en instabiliteit. Het lijkt wel of God een spelletje met ons speelt en in feite is ons leven ook niet meer dan een speelbal.

Overal gevaren
Het begint al bij de geboorte: ‘Het verlaten van de moederschoot is de entree tot duizend doden’. Gevaarlijk is het overal: ‘Als je nou eens naar omhoog kijkt, hoeveel gevaren dreigen wel niet van die kant? Maar kijk je naar de grond, hoeveel dodelijk vergif vind je daar? Hoeveel wilde en verscheurende beesten? Hoeveel slangen? Hoeveel zwaarden, valkuilen, struikelblokken, ravijnen, instortende gebouwen, stenen en speren waarmee men gooit?’ Volgens Calvijn zit ons lichaam vol met allerlei ziekten en daar komen allemaal uitwendige gevaren nog bij. ‘Betreed een schip, en je bent nog maar één stap van de dood verwijderd, bestijg een paard, je voet hoeft maar uit te glijden en je leven is in gevaar. Loop maar eens door de straten van de stad en er zijn net zoveel gevaren als dakpannen op de huizen’. Calvijn noemt eindeloze gevaren op. Hij noemt het leven ‘een kolkende rivier’. ‘Er is toch geen afschuwelijker kwelling dan onophoudelijk sidderen van angst en onzekerheid’. Voor wie ziet hoe Calvijn het bestaan zag, is het geen wonder dat hij houvast zocht in voorzienigheid en verkiezing, in providentie en predestinatie!

Predestinatie en providentie
De voorzienigheid is de moeder van de verkiezing. God kiest ook mensen níét uit, ‘decretum horribile’. Dat heeft niets met horror te maken, wel met huiver. Daarom is het geen afschuwelijk, maar een huiveringwekkend besluit. Calvijn vond zelf dat een mens rustig kon worden van de gedachten dat God verkiest. Wie de begrippen ‘predestinatie’ en ‘providentie’ niet met het begrip ‘onderweg zijn’ in verbinding brengt en ze daar voortdurend mee in verbinding laat, zal van beide nooit iets begrijpen. Calvijn stond al als wees wat verloren in de wereld, en is het door zijn vluchtelingschap nog meer geworden. Predestinatie betekent dat je je geloof niet kwijt raakt, providentie dat je de weg niet kwijtraakt.

Nicodemieten
Calvijn hield zich zeer gedeisd en leidde kerkelijk haast het door hem zo verfoeide bestaan van een ‘nicodemiet’, dat wil zeggen als een Nicodemus (Joh. 3) die niet voor zijn geloof durft uit te komen. Calvijn is intussen bezig zich grondig wegwijs te maken in de Bijbel en in de kerkvaders. Hij hield ervan met zijn neus in de boeken te zitten, ‘lekker alleen, zonder gedoe’. Maar Calvijn wist wel dat hij ooit zijn vaderland moest verlaten. Wie onder het pausdom bleef leven, moest voorzichtig zijn. Calvijn dacht dat je als christen nog wel wat goeds kon betekenen voor de plaats waar je woonde. Als je maar niet naar de mis ging en je niet met bijgelovigheden bezighield. Toen Calvijn de Franse koning als Farao had bestempeld, konden gelovigen volgens hem niets anders meer dan een uittocht te organiseren.

Nostra Gallia
Calvijn schrijft ergens dat een mens de afvalligheden van Babel zo snel mogelijk moest verlaten. Je kunt niet overtuigd christen-zijn en tegelijk financieel afhankelijk zijn van een instituut waarin goddeloze gebruiken en opvattingen aan de orde van de dag zijn. Cavijn kon niet snappen dat iemand meedeed aan het bekorten van Christus’ werk en glorie. Calvijns toon wordt uit zorg scherp. Met Gerard Roussel onderhield Calvijn een hartelijke vriendschap. Die bleef echter rooms-katholiek. Hij betaalde echter een prijs voor zijn dilemma. Hij gaf jarenlang als bisschop leiding met veel vrucht, maar werd tijdens een preek waarin hij kritiek uitte op de vele heiligendagen door een katholiek van adel doodgestoken. Frankrijk bleef voor Calvijn als vaderland, ‘nostra Gallia’, zoals hij eens schreef. Hij heeft er tot aan zijn laatste snik alles aan gedaan de reformatie van de kerk daar te bevorderen. Calvijn reisde eens onder de schuilnaam Charles d’Espelisse naar Frankrijk.

Institutie wordt geboren
Begin 1535 arriveerde Calvijn in Basel. Deze stad had in 1529 al met Rome gebroken. Van daaruit kon Calvijn de ontwikkelingen in Frankrijk goed blijven volgen. Verder kon hij zich in Basel verder in de talen bekwamen. Erasmus was in dat jaar ook in Basel maar het is onbekend of ze elkaar hebben ontmoet. Calvijn ging voor de zekerheid door het leven met een tijdelijke schuilnaam: Martinus Lucianus (anagram van Calvinus: alle letters van zijn echte naam komen in deze naam voor). Calvijn wilde rust, hij wilde leven als een geleerde. Hij had moeite met de kerk maar wilde het conflict uit de weg gaan. In 1536 bracht hij een boekje op de markt: de eerste versie van de Institutie. Dit dogmatiekje is het vrij ongecompliceerde kindje dat in 1559 opgegroeid is tot de uitgebalanceerde volwassen uitgave van de Institutie. Calvijn is vooral vanwege dit ene boek bekend geworden. Hij heeft er tussen 1536 en 1559 zoveel aan geknipt en geklapt dat hij er na verschillende versies pas bij de laatste tevreden over was.

Tweede generatie
Dat het boek een succes werd heeft met Calvijns late geboorte te maken; hij was een man van de tweede generatie, dat wil zeggen dat hij de geschriften van de eerste reformatoren al kende (voorzover ze in het Latijns en Frans geschreven of vertaald waren, want Calvijn kende geen Duits). Hij had thema’s als avondmaal, doop, verbond, Oude en Nieuwe Testament, kerk en overheid al zien bediscussieerd worden. Calvijn heeft geen theologische opleiding gehad. Dat maakt hem in zekere zin vrij van de inhoudelijke en formele ballast van scholastieke handboeken. Calvijn was humanist en streefde vooral vanuit de bronnen te werken. Het meest opvallende deel van dit boek was de open brief aan de koning van Frankrijk, waarin hij zegt dat gereformeerden geen revolutionairen zijn.

Die ene overnachting in Genève
Toen Calvijn naar Straatsburg wilde reizen, moest hij noodgedwongen overnachten in Genève. Dit kwam Farel ter ore. Hij had een plan met Genève waarin Calvijn precies paste. De stad was in 1536 overgegaan tot de Reformatie (‘volgens het Evangelie’ te gaan leven). Het was een besluit van de burgers. Nu waren ze opzoek naar mensen die hieraan handen en voeten konden geven. Farel zocht Calvijn die éne avond dat hij in Genève verbleef in diens kamertje op, kwam op hem af en deelde hem mee dat het duidelijk was dat God Calvijn hier gebracht had. Toen Farel eraan toevoegde dat Calvijn tot in eeuwigheid geen rust zou vinden als hij niet zou blijven, was de keus snel gemaakt, want ook Calvijn wist dat de eeuwige rust meer waard was dan de tijdelijke. De wees Calvijn vond in Genève zo ook weer een aardse vader, in die zin dat er weer iemand was die als oudere over zijn weg besliste. Dit beslissende voorval is een miniatuur van het vraagstuk van Gods voorzienigheid waar Calvijn zoveel over gezegd en geschreven heeft.

Fransozen in Genève
Calvijn was een buitenlander binnen de poort, ‘ille gallus’, deze Fransoos. Pas vier jaar voor zijn dood kreeg hij het burgerrecht van de stad. Tot die tijd bleef hij officieel ‘asielzoeker’ met slechts ‘een tijdelijke verblijfsvergunning’. Genève was een stad zonder Joden, want die waren er in 1490 al uit verbannen. Ook waren er al heksen verbrand. De grote steden Basel, Bern en Zürich hadden al eerder voor de Reformatie gekozen en daar was het zo dat de politiek de leiding van de kerk overnam en de predikanten alleen mochten preken en zich verder maar niet zoveel met de gang van zaken moesten bemoeien. Sommige inwoners van Genève zagen de hervormingen als een bevrijding om nu eindelijk eens te leven zoals ze zelf wilden, anderen zagen het als een mogelijkheid om elke burger nu eindelijk eens naar Gods wet te laten leven. Vóór 1536 telde de stad van zo’n 10.000 inwoners ongeveer 400 geestelijken, een aantal dat met 97,5 procent daalde toen er nog maar tien predikanten overbleven! Hierachter stak ook een stuk antiklerikalisme, waaraan Calvijn nog de handen vol zou krijgen.

Calvijn komt orde scheppen
Ingrijpende verandering was de komst van een nieuw orgaan: de kerkenraad. Calvijn is de uitvinder van de gereformeerde kerkenraad, dat als exportproduct over heel de wereld is gegaan. De kerkenraad was als onafhankelijk kerkelijk orgaan bedoeld, maar dat kreeg Calvijn niet voor elkaar. Genève was in wezen een onafhankelijke stad met eigenbestuur geworden. Ouderlingen waren vaak ambtenaren. Toen Calvijn op zijn sterfbed terugblikte op de situatie die hij in Genève bij zijn komst aantrof zei hij: ‘Er was zo goed als niets. Er werd gepreekt maar dat was dan ook alles (…) Alles was in verwarring’. Nu kon Calvijn helemaal niet tegen verwarring. God was bij de schepping ordelijk te werk gegaan, de zonde had alles in de war gegooid. In Genève was ook een interne verdeeldheid: de Guillermins en de Articulants: de eerste groep genoemd naar Guillaume Farel en de andere naar de artikelen van het verdrag waarin de banden tussen Genève en Bern stevig aangehaald werden. Het was Bern dat Genève van het juk van de bisschop bevrijd had en Bern dacht daardoor dat het in Genève de dienst kon uitmaken. Genève was gewild. Het stadje groeide door vluchtelingen naar 20.000 inwoners in 1560. Dat bracht problemen met zich mee.

3. De vreemdeling (1536-1538)
Compromisloosheid
Nu niet het lot maar God beslist had, was Calvijn een ander mens geworden, die in Genève aan de slag ging, en iemand die het recht van de hemelse ader wilde zoeken en die zich daarbij voor niets en niemand schaamde of aan de kant ging. Dat ze hem uit zouden lachen, maakte niets uit, als ‘God en de engelen maar applaudisseren’. Zijn karakter bood hem alles wat hij voor deze houding nodig had: onverzettelijkheid, offervaardigheid en compromisloosheid. Calvijn zag het nog wel zitten met de kerk en met de wereld. Daar viel best nog wat van te maken. Dat is een opmerkelijke eigenschap die bij Europese calvinisten weinig voortkomt, maar bij de transatlantische (Amerikanen) gebleven is.

Ander godsbeeld dan Rome
Calvijns God is geheel anders dan die van Rome, die de mensen bang maakt. Calvijn wilde de mensen graag gerust stellen, maar eeuwenlang zijn er geweest die zich afvragen of hem dat wel zo bijzonder gelukt is. Immers, er zijn in de gereformeerde traditie nogal wat geestelijke slachtoffers gevallen als gevolg van een verkeerd gepreekt godsbeeld. Rome’s godsbeeld onderschat de zonde en wekt bij de mensen de indruk dat je de zonden van een heel jaar bijvoorbeeld rond Pasen in één keer als pakketje kunt afleveren, terwijl er in werkelijk een ‘afgrond van zonden’ bestaat, die niet te peilen is. Bij Rome is de zonde eindig. Bij Calvijn eindeloos. Maar dat is voor Calvijn geen punt, want volgens hem is Gods genade net zo eindeloos dus dat dekt elkaar. Calvijn spreekt voorturend over God als onze Vader. Wij hebben God door onze zonden beledigd. Tegenspoed moet een mens niet brengen tot verontwaardiging maar tot verootmoediging. Wie God als rechter zoekt, vindt Hem als Vader.

Geen twijfel maar zekerheid
Calvijn houdt zijn leven lang van veranderingen. Maar als hij op zijn sterfbed ligt, adviseert hij om nu maar alles te laten zoals het was. De belangrijkste theologen van de Middeleeuwen waren van mening dat een mens alleen maar echt zeker kon zijn van diens eeuwig behoud als God jou dat op een bijzondere wijze openbaarde. Bij Calvijn valt niets te hopen op het eeuwige leven. Het is gewoon zeker. Calvijn was voortdurend aan het zoeken naar het evenwicht tussen vrijheid en gebondenheid. Calvijn ziet vanuit de Schrift geen grond aan de vrouwen ook het ambt van predikant of ouderlingen toe te kennen. Merkbaar is dat hij met de uitleg van de Schrift meer worstelt dan vele van zijn voorgangers en tijdgenoten dat deden. Er is een nieuw soort kerk, een kerk met een structuur, minder complex dan die van Rome, en meer ambten dan die van Luther.

Dominee, maar nooit theologie gestudeerd
Calvijn was dan geen bisschop, hij was wel de baas van Genève. Maar toen Calvijn nog lang niet daar was, hadden ze al een doodstraf voor ketters ingevoerd. In werkelijkheid heeft Calvijn nooit veel te zeggen gehad. Calvijn kreeg eerst de aanstelling tot ‘lezer in de Heilige Schrift’. Een jaar na deze benoeming als docent koos men hem tot predikant. Hij werd dus dominee terwijl hij nooit een theologisch diploma heeft gehaald of kerkelijk examen heeft gedaan. Calvijn had de gave van het woord; hij kon knap sarcastisch zijn, maar ook bewogen pastoraal spreken en schrijven. Hij kon met het gewone volk maar ook met hooggeplaatsten spreken.

Libertijnen
Calvijn las de Bijbel als zijn eigen biografie. De Bijbel is eigenlijk het enige tastbare vaste punt op deze aarde. Zoals voor Rome het altaar het raakpunt tussen hemel en aarde is, zo is dat voor Calvijn de Bijbel. De wet is ‘de eeuwige regel voor een vroom en heilig leven’. Allen die dit minder serieus namen dan hij noemde hij voor het gemak maar ‘Libertijnen’, en dat stond voor hem gelijk met losbandige lieden. Zo’n Libertijn zag Calvijn ook in de Nederlander Dieryck Volckertsz Coornhert, ‘Een antwoord aan een zekere Hollander’. Volgens Calvijn hadden de dopers wel een punt, en dat punt was levensheiliging, navolging, overgave en toewijding. Hij snapte wel waarom zij zich aan gereformeerden ergeren. ‘Hun aanstoot is legitiem en wij geven er teveel gelegenheid toe en kunnen onze vervloekte traagheid niet excuseren…’

Gereformeerden en dopersen
Calvijns pleidooi voor handhaving van de kerkelijke tucht paste naadloos bij de doperse eis van een christelijke levensstijl. Hij ging intensief met de dopers om, huwde zelfs de weduwe van één van hen. En dat huwelijk is symbolisch voor hoe hij er theologisch mee omging. Je moet ze zien te winnen. Als vandaag gezegd wordt dat gereformeerden iets van evangelischen kunnen leren, is dat een uitspraak wat Calvijn al vijf eeuwen geleden gedaan heeft. ‘Kruis Luther met Menno en Calvijn komt eruit’. Maar de dopersen schoten te ver door. ‘Want waar de Heere zachtmoedigheid eist, laten zij die varen en geven zich geheel aan onmatige strengheid over’.

Kritiek
Calvijn kon niet tegen wanorde. God gaat ordelijk te werk. De term ‘ordo’ is belangrijk bij Calvijn. Wat dit betreft kon Calvijn zijn hart ophalen want er moest heel wat gebeuren. De stad werd in wijken ingedeeld en elke wijk kreeg een soort bisschop: een opziener of ouderling. De inwoners van Genève moesten instemmen met een beknopte geloofsbelijdenis. Maar toen de raad er toch van afzag het besluit uit te voeren ging Calvijn vanaf de preekstoel tegen de raad tekeer, waarop onder het volk de kritiek losbrak dat de raad de gewonnen vrijheid aan de nieuwe predikanten verkocht had. De raad besloot dat geen mens van het avondmaal mocht worden buitengesloten. De eerstvolgende avondmaalsviering zorgde ervoor dat er een aantal mensen de stad moest verlaten, maar heel andere mensen dan Calvijn en zijn medestanders bedoeld hadden…

Avondmaalstafel als mini-samenleving
Calvijn wilde dat er wekelijks avondmaal gevierd werd. De stadsraad vond dat echter allemaal veel te rooms. Ze vond vier keer per jaar genoeg en er zijn nu miljoenen gereformeerden in de wereld die zich tegen Calvijns mening in nog steeds houden aan het besluit van de veel minder gereformeerde politici uit het zestiende-eeuwse Genève. Het avondmaal dat ingesteld was om mensen meer met Christus en met elkaar te verbinden had inmiddels de traditie van splijtzwam opgebouwd. De avondmaalstafel is eigenlijk een mini-samenleving. Als je gewone mensen van de tafel weert, is dat nog te doen, maar als je de elite weert, krijg je problemen. Calvijn maakte daarin nooit onderscheid want voor hem was ieder gelijk en hij kon niet leven met de gedachte dat sommige mensen meer gelijk waren dan anderen.

Ze hebben me weggejaagd
Op eerste Paasdag kwam het hoogte- of beter dieptepunt van de hele discussie. Ondanks het verbod besteeg Calvijn in St. Pierre de preekstoel en Farel deed hetzelfde in St. Gervais. Ze verklaren vanaf de preekstoel dat ze weigeren te preken en ook dat ze het avondmaal niet wilden bedienen bij deze toestand. De volgende morgen vertrokken Calvijn en de zijnen al. ‘Ze hebben me weggejaagd’, zo zei Calvijn op zijn sterfbed. Iemand als Bucer was van mening dat Calvijn toch wel wat koppig en opvliegend was. Interessant is wel dat Calvijn niet het eigenlijke probleem was. In feite ging het over de vraag in hoeverre men van Bern afhankelijk wilde zijn en vervelend was voor Calvijn dat in deze periode net die groep aan de macht was die alles wilde doen om Bern te vriend te houden. In 1538 ging het dus niet om ethiek of dogmatiek, maar om politiek.

4. De vluchteling (1538-1541)
Straatsburg
Voor de tweede keer loopt Calvijn tegen een onnatuurlijke vader aan. Toen hij in Straatsburg kwam, stond Bucer hem al op te wachten. En dat terwijl Calvijn eerder in een brief hem zin na zin overdreven kritisch bejegende. Maar Bucer wilde hem als predikant van de Franse vluchtelingengemeente hebben. Bucer hield hem net als Farel een goddelijke vervloeking voor en wees Calvijn op het lot van Jona die ook voor een predikantstaak wegliep. Het was het begin van een vriendschappelijke verhouding tussen die twee. Calvijn heeft in Straatsburg wellicht de mooiste jaren van zijn leven gehad. In het vervolg zou hij geen verkeerd woord over Bucer willen horen, hoewel hij sommige dingen bij hem wel anders wilde zien.

Gemeenteopbouw
Calvijn is als het ware in Straatsburg geboren; niet de mens Calvijn maar wel de theoloog en kerkelijk leider. De bestuurlijke organisatie van Straatsburg bracht Erasmus ertoe te zeggen dat hier de wijsheid van Athene, de zedigheid van Sparta en de discipline van Rome hand in hand gingen. De stad was uitgegroeid tot hét asielzoekerscentrum van Europa. Calvijn kreeg een uitgelezen kans in een kerk te realiseren wat hem in een stad nog niet was gelukt, namelijk alles zoveel mogelijk volgens de Bijbel te organiseren. Calvijn preekte twee keer op zondag, vier keer doordeweeks. Zijn kudde bestond uit een mooi overzichtelijke groep van ongeveer 500 vluchtelingen. In plaats van de biecht kwam het pastoraal gesprek, als soort toelatingsgesprek tot het avondmaal. Het huisbezoek werd geboren. De herder werd mobiel en ging nu naar zijn schapen in plaats van dat hij ging zitten wachten of de schaapjes naar hem toe zouden komen.

Martin Bucer
Calvijn kon wat de tucht betreft de kunst afkijken bij Martin Bucer, die een soort ‘kleine-kerkenplan’ had, waarbij de gedachte was dat vanuit een kring van een paar bewuste christenen een hele wijk bereikt kon worden. Bucer voerde het ambt van ouderling in en de diaken als veel meer dan alleen een ophaler van geld. De inhoud van Bucers boek Von der waren Seelsorge was Calvijn bekend, hoewel hij geen Duits kon lezen. In Straatsburg vond Calvijn de kerk terug. Kan een mens niet in zijn eentje bidden of Bijbellezen? Moet je daar nu per se voor naar de kerk? Als antwoord gaf Calvijn dat het niet zomaar is dat God een ambt heeft ingesteld om de Schriften te onderrichten. We moeten niet denken dat wij kunnen vliegen zonder vleugels.

Alleen psalmen zingen
In Straatsburg leerde Calvijn zingen. De bekende gereformeerde liturgie van Genève is eigenlijk afkomstig uit Calvijns Straatsburgse tijd. Calvijn wilde zo dicht mogelijk bij de Bijbel blijven en koos uitsluitend voor de psalmen als een door God Zelf gegeven liedboek, terwijl de Duitsers het even bijbels wilden houden maar vonden dat dit ook wel kon met gezangen die bijbels verantwoord waren. Calvijn maakte in 1540 een doopformulier. Hij kwam op dit idee toen hem steeds meer kinderen van wederdopers die zich bedacht hadden ten doop werden aangeboden. Kinderen dienen volgens Calvijn in een openbare kerkdienst gedoopt te worden. Tegelijk maakte Calvijn ook een formulier voor het avondmaal en het huwelijk. Wat betreft het avondmaal wilde hij een wekelijkse viering, en werd het eerste deel van de dienst van achter de avondmaalstafel gedaan en ging de predikant pas bij de preek de kansel op. Calvijn was voorstander van knielend bidden (en dat terwijl je in de meeste gereformeerde kerken al blij mag zijn dat je ruimte hebt om zo te zitten dat je knieën zich niet in de bank voor je boren). Bucer was de uitvinder van het belijdenis-doen.

Calvijn en de Joden
Hoe zit het met Calvijns waardering voor de Joden? Hij was tegen een gewelddadige missionering van de Joden. Dat was niet alleen onmenselijk, maar het paste ook niet bij de predestinatie. Calvijn is niet direct positief over de Joden: ‘Ik heb vaak en met vele Joden gesproken, maar ik heb bij hen nog nooit één korreltje waarheid of geestkracht kunnen bespeuren. Ja, ik heb bij een Jood zelfs nog nooit iets van gezond menselijk verstand kunnen ontdekken’. Toch is er bij Calvijn niet iets als Jodenhaat te vinden. Calvijn achtte de katholieke liturgie en kerkinrichting een terugval in het Oude Testament. Toen echter een Franse kerk in Wezel vroeg wat ze moest doen nu ze door het stadsbestuur verplicht werd zich aan enkele lutherse, maar toch rooms aandoende gebruiken te conformeren, zei Calvijn: gewoon doen. Je kunt toch een kerk niet ten onder laten gaan omdat je je niet aan een paar liturgische gebruiken wilt aanpassen? Calvijn wilde het zo eenvoudig mogelijk houden ten opzichte van het geheim van het avondmaal en hij kon dan ook niets met dat eindeloze gezoek van Bucer naar formuleringen om Luther en de zijnen tevreden te stellen.

Armoede
Calvijn moest in Straatsburg een aantal van zijn boeken verkopen en een paar studenten in huis nemen om rond te kunnen komen. Calvijn had niets met geld en als er al iets waar is van de these dat er een verband bestaat tussen calvinisme en kapitalisme, dan moet gezegd worden dat Calvijn in ieder geval van de praktijk van deze these niets begrepen heeft. Calvijn vond die beperkte financiële situatie prima maar kreeg er moeite mee zodra anderen onder zijn armoede te lijden kregen. Ook hierin wordt zichtbaar hoe snel en hoezeer Calvijn zich schuldig voelde. Toen hem een adellijke dame als bruid werd aangeboden en hij haar weigerde, voelt hij zich ondankbaar en verontschuldigde zich voor de afwijzing. Calvijn kreeg vanaf begin 1539 als taak colleges over het Nieuwe Testament te geven. Twee boeken sprongen er uit: Psalmen en Romeinen, voor het hart en voor het hoofd.

Zelfstandige bijbeluitleg
Calvijn zei het netjes, maar bedoelde gewoon te zeggen dat met de Bijbeluitleg van zijn reformatorische collega’s en voorgangers, het laatste woord nog niet gezegd was. Daaruit spreekt zijn optimisme dat grondige studie van de Bijbel in staat is nog meer schatten op te delven dan anderen tot dusver gezien hebben. Op bijna elk bijbelboek schreef hij een commentaar, maar het boek Openbaring sloeg hij over. Zelf gaf hij daarvoor geen reden. Het nieuwe aan Calvijns commentaren was dat er geen dogmatisch tussenstukje in zit. Zijn collega’s hadden die gewoonte al eeuwenlang. Calvijn schreef de Institutie als een soort handboek bij zijn Bijbeluitleg. Als je ziet wat Calvijn allemaal gedaan heeft, is het haast niet te begrijpen. Het is daarom zo vreemd dat hij in zijn brieven om de haverlap klaagde over zijn luie aard.

Brief aan Sadoleto
Alle kwaliteiten had Calvijn gebundeld en publiek laten uitkomen in de brief die hij aan Jacob Sadoleto (een bisschop) schreef. Het was een geleerd en oprecht mens, hij had het vertrouwen van velen. De bisschop maakte in zijn aansprekende betoog (een open brief aan overheid en volk van Genève namens een bisschoppenconferentie in Lyon) echter één foutje want hij beschuldigde Calvijn van eigenbelang en die beschuldiging werkte bij Calvijn als de rode lap op een stier. Nadat er wel dwang aan te pas moest komen, wilde Calvijn een brief tegen Sadoleto schrijven. Het werd een literair meesterwerkje. Eenheid zit ‘m niet in organisatie, zo zei Calvijn onder andere.

Calvijn en Melanchthon
Calvijn was van mening dat het met Rome niets meer werd. Men vond bij Rome Calvijn wellicht nog een groter gevaar dan Luther. Calvijn beweert dat slechts van één op de tien kloosters gezegd kan worden dat het geen bordeel is. Monniken zijn domme ezels, valse profeten en nietsnutten. Calvijn sprak in 1539 met Melanchthon. Ze waren het niet in alles met elkaar eens, maar ze werden wel vrienden voor het leven. Hun vriendschap was hartelijk en dat had ook te maken met het feit dat ze beide humanisten waren. Volgens Calvijn behoorde Melanchthon tot de beste uitleggers van de Schrift. Calvijn was zich er goed van bewust dat hij koppig kon zijn. Hij zegt een keer: ‘De gal had zich dusdanig meester gemaakt van mijn stemming dat ik van bitterheid naar alle kanten overstroomde’. ‘En toen ik thuis kwam, kreeg ik het ineens zwaar te pakken. Ik kon geen troost vinden dan alleen in zuchten en huilen’.

Waardering voor Luther
Met Luther heeft Calvijn nooit een persoonlijk gesprek kunnen hebben en dat lag voor een deel aan Melanchthon die een brief van Calvijn aan Luther achterhield omdat hij bang was dat Luther er kwaad om zou worden. Calvijn schreef aan Bucer dat hij van diens vroomheid overtuigd was, maar toch niet goed wist wat hij verder van Luther moest denken. Hij moest niet zo krampachtig vasthouden aan zijn avondmaalsleer, dat belemmerde de reformatorische eenheid. Calvijn had meer moeite van Luthers karakter dan met Luthers opvattingen. Calvijn wilde Luther niet met Elia vergelijken alsof er na Luther geen profeten meer opgestaan zouden zijn, maar hij stelde wel dat ‘het Evangelie van Wittenberg is uitgegaan’. Als een gesprek met Luther op aarde niet mogelijk zou blijken, hoopte Calvijn dat die mogelijkheid er straks in Gods Koninkrijk wel zou zijn. Calvijn uitte soms ook zijn moeite met de houding van Luther. Deze was namelijk een grote geest maar ook een groot probleem. Aan Melanchthon schreef Calvijn dat het Luther aan zelfbeheersing ontbrak en dat hij zich veel te gemakkelijk tot toorn liet prikkelen. Wel verdedigt Calvijn een keer Luthers heftigheid door te zeggen dat dit nu eenmaal Luthers karakter was. Intussen dacht Calvijn nog steeds aan Genève, hij hield de ontwikkelingen daar bij. En hij ging weer terug naar Genève.

5. De prediker (1541-1546)
Veel kerkdiensten
De preekstoel hangt boven het kerkvolk. Dat heeft als het goed is niets met de verhevenheid van de predikant maar wel alles met diens boodschap te maken. Die boodschap komt van boven. Calvijn zag de predikant als ambassadeur van God bij de kerk. Als Calvijn als prediker spreekt, spreekt God. Calvijn vond dat hij eerst goed moest luisteren voordat hij wat ging zeggen. Want zijn visie was dat de woorden van de preek zijn als druppels bloed van Christus. Genève was verdeeld in drie kerkelijke wijken, elk met een eigen kerkgebouw: St. Pierre, St. Gervais en St. Madeleine. Op zondag waren er in elke kerk drie diensten. De eerste bij zonsopgang, de tweede om negen uur en de derde om drie uur. Daarbij was er dan om twaalf uur een kinderdienst waarin de catechismus werd uitgelegd. Door de week werd er op maandag, woensdag en vrijdag in elke kerk één dienst gehouden.

Eenvoudige preekstijl
Calvijns preken waren makkelijk te volgen, want hij gebruikte korte, heldere zinnen. Sommigen zien in hem de uitvinder van de moderne Franse zinsbouw. Calvijn bepreekte de Bijbelboeken van voor naar achter, en maakte korte toepassingen. Calvijns kracht lag in de toepassing van de tekst op de situatie van de hoorder. Op zondag duurden de preken zeker een uur en werd met een zandloper geklokt. Soms letten de mensen niet goed op, zoals bij de doop: ‘Want als wij de doop bedienen zijn er mensen die maar wat rondlopen en anderen die hun zaken bespreken’.

Wie koud is, is voor dit ambt ongeschikt
Calvijns ideale gelovige is in staat op grond van de Bijbel zelfstandige keuzes te maken. Kritiek kreeg hij soms al tijdens de preek. Een keer vond hij ook een poster aan zijn preekstoel geplakt en ook een keer werd er opzettelijk luid gehoest door een tegenstander van hem. Vermanen is noodzakelijk maar moet wel voorzichtig gebeuren, ‘om de zielen niet door mateloze scherpte te kwetsen’. Geschreeuw helpt niets, aan koude dominees heeft de kerk niets. ‘Wie koud is, is voor dit ambt niet geschikt!’ Dood noemt Calvijn die manier van preken die meer lijkt op het houden van een lezing. Hij sprak zijn gehoor ondanks alle kritiek altijd als gelovigen aan. Calvijn kan dan bekend geworden zijn als vijand van beelden in de kerk, hij was een fervent voorstander van beeldend preken. Als de kerk zulke schilders heeft, heeft ze helemaal geen afbeeldingen meer nodig. Calvijns preken hadden een sterk onderwijzend karakter. Hij spreekt over de kerk als de school van God. Wij zijn kort van geheugen, daarom is herhaling van de stof het beste.

Terug naar Genève
Op 13 september 1541 keert Calvijn naar Genève terug. De spanningen waren daar hoog opgelopen. Ze hadden weer een figuur als Calvijn nodig. Hij werd gerehabiliteerd en gevraagd terug te komen. Dat Calvijn het niet zag zitten terug te gaan, is wel duidelijk. ‘Zoals de meeste mensen daar in elkaar zitten, zullen ze mij niet verdragen; en ik hen niet’. Calvijn zei alleen Gods stem te willen volgen en daarom had hij meer tranen dan woorden toen het gesprek met de delegatie uit Genève plaatsvond. ‘Twee keer onderbraken de tranen mijn spreken zodat ik even naar buiten moest’. Calvijns eerste preek was het vervolg van waar hij drie jaar geleden gebleven was. Calvijn schreef meteen een nieuwe kerkorde: Ordonnances ecclesiastiques.

Geen zelfstandige kerkelijke tucht
Volgens Calvijn is het duidelijk dat God in de Bijbel een christelijke levenswandel vraagt en dat Hij daarvoor ook middelen gebruikt. Één daarvan is de tucht, een woord dat komt van het Duitse woord ‘ziehen’ en dus niet bedoeld mensen weg te jagen maar ze juist te trekken. Het grote punt van discussie was destijds niet of tucht wel zo nodig was, want daar was ieder het in feite wel over eens. Helaas voor Calvijn kon de raad niet al zijn voorstellen aannemen en zo kreeg hij het niet voor elkaar dat de kerk geheel zelfstandig kon optreden. Hier zien we een conflict tussen christendom en cultuur, geloof en traditie, bekeren en bewaren.

Ouderlingen waren semi-ambtenaren
In de kerkorde had Calvijn vier soorten ambten: diakenen, ouderlingen, predikanten en doctores. Wellicht het meest opmerkelijke verschijnsel was de ouderling. Ze zijn bij Calvijn de eigenlijke herders. Calvijn had het liefst gezien dat dit een voluit kerkelijk ambt werd, maar de Geneefse ouderlingen waren semi-ambtenaren. Er waren twee soorten diakenen: diakenen die de financiën verzorgen en die de zieken en armen bezoeken. Calvijn bedacht een kerkelijke structuur die gekenmerkt wordt door wat 250 jaar later door een aantal Fransozen als revolutionair werd aangeprezen: egalité, liberté en fraternité. Wie voor de kerkenraad van Calvijn kwam, verscheen niet voor de rechterstoel, maar in de biechtstoel, en ging dan ook niet met een straf, maar met een ‘absolvo te’ naar huis.

Vervanging van predikanten
Calvijn begon met het geleidelijk aan vervangen van de predikanten en dat was volgens hem nodig ook. ‘Onze collega’s zijn meer een hindernis dan een hulp voor ons: ze zijn ruw en verwaand, ze tonen geen inzet en nog minder kennis. Maar wat nog het ergste is: ik kan ze niet vertrouwen’. Rond 1546 had Calvijn het voor elkaar dat de heel garde van 1538 vervangen was door predikanten uit Frankrijk en daar bleek lang niet iedereen in Genève gelukkig mee te zijn. In Calvijns kerkorde stond een lijstje van zonden die bij een predikant niet gevonden hoorden te worden. Daar hoorden natuurlijk ruziemaken, dronkenschap en het aanhangen van dwalingen bij, maar ook irritant omgaan met de Bijbel, gebrek aan inzet en teveel aandacht voor nutteloze vragen. Voor Calvijn was het duidelijk dat de kerk aan een grote hersteloperatie nodig was en dat een grote opruiming onontkoombaar was. Gewoonten kunnen nog zo oud zijn, soms moeten ze verdwijnen omdat ze Gods eer in de weg zijn gaan staan.

Het valt allemaal wel mee met Genève
Velen hebben bij Genève het beeld van een soort ‘gereformeerd DDR’. Dit klopt echter niet met de historische feiten. Opvallend is dat veel van wat lange tijd als calvinistische verschrikkelijkheden werd aangemerkt, tegenwoordig als positieve pluspunten van hoogstaande westerse samenlevingen wordt gezien, bijvoorbeeld de plicht tot aangifte van misdaden. Twee jaar vóór Calvijns komst in Genève verbood de magistraat al het dansen op straat, en een paar maanden vóór Calvijns komst werd kaartspel en dobbelen tijdens de uren waarop gepreekt werd en na 9 uur ’s avonds verboden. Dat er in zo’n stad over bepaalde maatregelen geklaagd werd is even vanzelfsprekend als het huidige klagen over snelheidscontroles, parkeerbonnen en bekeuringen voor fietsen zonder licht.

2300 preken opgeschreven
Calvijns trouwste kerkganger was Denis Raguenier, maar die werd er dan ook voor betaald naar de kerk te gaan. Raguenier was namelijk aangesteld als preekopschrijver en werd geacht een zo woordelijk mogelijk verslag van Calvijns preken te maken. Zo heeft hij ongeveer 2300 preken opgeschreven. In daaropvolgende eeuwen heeft men zijn preken verwaarloosd, laten slingeren of gewoon bij het oud papier gedaan zoals de bibliothecaris van Genève in 1805 deed.

Kritiek op zijn hoorders
Calvijn had nogal stevige kritiek op zijn hoorders. Het Evangelie wordt gepreekt, ‘maar wat heb je daaraan als niemand er iets mee doet?’ Ze gaan alleen naar de kerk omdat ze dat gewend zijn. Ze komen er weer uit zoals ze er ingegaan waren. Het zijn net beesten die automatisch naar de voederbak lopen. Op zondag roept men de mensen tot vier keer toe met klokgelui, maar één keer komen vinden ze genoeg. ‘Kortom de overgrote meerderheid leeft bij het oude gezegde: dichtbij de kerk en ver van God’. En hun gebrek aan inzet en ijver camoufleren ze met allerlei nieuwsgierige vragen: ‘En dan willen ze weten waarom God sommigen heeft uitverkoren en andere verworpen’.

Muziek en zang
Calvijn beriep zich op Augustinus die ook al vond dat er geen betere liederen waren dan Davids psalmen. Dwalingen komen zingend de kerk binnen, een lied blijft langer hangen dan een preek, zo wist ook Calvijn. Calvijn citeert ook Plato die vond dat muziek ‘een geheim en haast ongelofelijke kracht heeft om da harten naar de ene of juist naar de andere kant te bewegen’. Zwingli dacht dat het niet kon, maar Calvijn kreeg het voor elkaar dat ook massale samenzang gedisciplineerd en zelfs meeslepend kon verlopen. Calvijn vond trouwens dat de psalmen niet alleen in de kerk, maar ook in de huizen en op het veld gezongen moesten worden. Dat Calvijn kunstvijandig was en daarom de muziek in de kerkdienst zo beperkt heeft, is onzin. Toen Calvijn in Genève kwam was er helemaal geen muziek meer in de kerk en heeft hij gezorgd dat er weer gezongen werd. Orgel en meerstemmigheid verdwenen omdat Calvijn vreesde dat het oor meer aandacht zou krijgen dan het hart. Bovendien liggen gezang en gebed bij Calvijn zo dichtbij elkaar dat een muziekinstrument gevaar loopt af te leiden van het gesprek met God.

Geen straatliederen
Calvijn wilde God niet prijzen op de melodie van straat-, volks- en kroegliederen, maar er moest een eigen stijl komen. De volgorde van de dienst is er één van afwisseling tussen de sprekende God en de antwoordende gemeente. God is steeds eerst aan het Woord en daarop antwoordt de gemeente. Gods groet aan het begin wordt beantwoord met de schuldbelijdenis van het volk, de preek als verkondiging van Gods Woord met de gemeente die de Tien Geboden en de Apostolische Geloofsbelijdenis zingt. De predikanten van Genève bleven in gebreke toen de geestelijke die de pestlijders voor zijn rekening nam aan die ziekte gestorven was. Calvijn vond dat het tot de plicht van het ambt hoorde om mensen in nood bij te staan en er was geen excuus aan te voeren voor vluchtgedrag uit angst voor besmetting. Besloten werd toch Calvijn van deze taak vrij te stellen omdat hij van te groot belang voor de kerk was. De rest moest er aan geloven maar wilde niet. Calvijn achtte de pest als een straf van God die over Europa ging.

Castellio moet eruit
Er waren ook heksen in Genève (die ook werden terechtgesteld) en Calvijn geloofde in zulke dingen. Dit valt ons van hem tegen. Castellio vertrok uit Genève, dat moest omdat hij een andere mening had dan Calvijn en zijn collega’s. Het ging om de uitleg van het boek Hooglied en de interpretatie van Christus’ nederdaling ter helle. Toch zag Calvijn hem niet als een ketter want daarvoor waren hem de geschilpunten ook weer niet groot genoeg. Toch bleef Castellio er een naar gevoel aan overhouden en betichtte hij Calvijn van intolerantie. Hij moest de stad verlaten toen hij onder een Bijbellezing van Calvijn zich compleet liet gaan in zijn kritiek op Calvijn. Calvijn en zijn Franse collega’s hielden er te weinig rekening mee dat Genève toch al een antiklerikale traditie had en met het feit dat zij buitenlanders waren en dan ook nog afkomstig uit een land dat voortdurend een bedreiging voor de stad vormde.

6. Het slachtoffer (1546-1549)
Calvijnbeeld
Calvijn en Genève zaten bepaald niet op dezelfde golflengte. Calvijn was de man van: ‘Als je het doet, moet je het goed doen’, een houding die ook typerend is geworden voor veel gereformeerd volk na hem. Calvijn had last van de kwaal dat het moeilijk te accepteren is dat niet iedereen zo enthousiast is als jijzelf bent. ‘Ik ben in deze stad een vreemdeling’, zo zegt hij. Het beeld dat Calvijn alleen maar problemen heeft veroorzaakt heeft hij voor een deel aan zichzelf en voor een groter deel aan historici te danken. Calvijn had het zo moeilijk in Genève dat hij op een gegeven moment schreef: ‘Ik heb vandaag wel meer dan twintig keer tot God gebeden en gesmeekt dat Hij mij zou laten sterven’. Calvijn hield zich juist verre van politiek. De Schmalkaldische oorlog was er ook nog. De Duitse keizer was de strijd tegen de Duitse protestanten begonnen. Een stad als Straatsburg werd onder druk van keizerlijke kanonnen verplicht de mis weer in te voeren. Het gerucht ging dat ze ook naar Genève kwamen. Interne rust was nu dus even geboden.

Anti-vluchteling sentiment
Pierre Ameaux kreeg ook met Calvijn te maken. Hij was fabrikant van speelkaarten, maar kreeg een productieverbond opgelegd en het vervelende was dat dit gebeurde in hetzelfde jaar dat de scheiding van zijn vrouw plaatsvond. Zij was namelijk de ‘vrije liefde’ toegedaan, omdat gelovigen immers allemaal leden zijn van één lichaam? Zij kwam in de gevangenis terecht. Pierre laakte Calvijn, hij zou een valse leer verkondigen. Een anti-vluchteling sentiment was er sowieso al in Genève door al die Fransen. De straf voor Ameaux’ uitlatingen was niet mals (overigens bemoeide Calvijn zich niet met deze zaak). Hij moest in z’n hemd, met een fakkel in zijn hand een rondje door de stad maken, en daarbij God, de raad en Calvijn om vergeving vragen. Ieder snapte wel dat dergelijke acties de populariteit van Calvijn niet ten goede kwamen. Wie als vreemdeling bijdraagt aan de vernedering van een gerespecteerd burger, moet niet raar opkijken als dat aversie en agressie oplevert.

Kinderen van Genève
‘Zoals ik al eerder zei, hebben we in deze stad met een innerlijk zaad van tweestrijd te maken’. De zogeheten ‘kinderen van Genève’ hadden geen zin te buigen voor een hoofdzakelijk uit buitenlanders bestaande kerkenraad; het was dus puur een strijd als vaderlanders tegen indringers. Maar Calvijn noemde die groep gemakshalve Libertijnen en wekte daarmee de indruk dat deze mensen aan niets en niemand gebonden wilden zijn. Na de verkiezingen van 1548 had deze groep de meerderheid in handen en Calvijns zeven magere jaren braken aan. Calvijn moest nog wel eens voor de stadsraad verschijnen en werd dan vermaand omdat hij al te intensief tegen de zondigheid van Genève preekte.

Verboden doopnamen
Onvoorstelbaar is dat de predikanten bij de doop eigenmachtig doopnamen gingen toedienen. Het kind mocht namelijk geen heiligennaam dragen. Wie meende dus gewoon zelf een voornaam te kunnen bedenken, kwam bij de doopvont bedrogen uit. Het gebeurde meerdere malen dat de predikante bij de doop de naam veranderde. Daarom werd elke doopdienst nu extra spannend. Het tumult over deze voorvallen bracht Calvijn ertoe de raad te vragen hierover een besluit te nemen. En zo kwam er een lijst met verbonden namen, hoofdzakelijk bestaande uit namen van heiligen. Deze manier van optreden mag wel een standaardvoorbeeld heten van dom missionair bezig zijn, van zending bedrijven zonder enige rekening te houden met lokale eigenschappen en geschiedenis. De praktijk in Genève werd dat bijna 100 procent van de kinderen een bijbelse naam kreeg. Maar dit had de mensen zelf niet bijbels gemaakt…

Lutheranen na Luther
Luther overleed in 1546 en veel van zijn opvolgers wilden graag lutherser zijn dan Luther zelf en voerden zijn standpunten tot in het extreme door. Calvijn schold ze uit voor een stelletje apen omdat ze niet verder kwamen dan tot mislukte pogingen Luther na te doen. Calvijn had er een handje van als hij boos was mensen met beesten te vergelijken. De arme Melanchthon kon helemaal niet tegen de lutheraanse fanatici, omdat hij juist steeds naar wegen tot eenheid had gezocht. Hij werd in het verdachte hoekje van de calvinisten neergezet.

Geen bruidsversieringen
De kritiek op de Geneefse predikanten nam toe en werd ook steeds meer hoorbaar. Dansen, dobbelen en kaart- en balspelen bleven verboden, maar de kinderen van Genève deden juist graag wat verboden was. De stadsraad ging zover dat ze vastlegde hoeveel bestek en borden men bij tafel mocht gebruiken en welke kleding men mocht dragen; dit alles om overdreven luxe tegen te gaan. Liturgisch week men sterk van Bern af. Terwijl men daar de kerkelijke feesten wel aanhield, vierde Genève alleen de zondag. Toen Eerste Kerstdag werd afgeschaft was Bern ontstemd. De bruiden in Bern mochten zich versieren op hun trouwerij, Calvijn wees dit als onbijbels af. In Bern las men op zondag de namen voor van hen die in die overleden waren, Genève deed dit niet omdat dit aanleiding kon geven voor overledenen te gaan bidden. Er kwam een experiment om cafés te sluiten en soort restaurants te openen waar een raadslid toezicht hield en waar op moest toegezien worden dat ieder voor het eten bad.

Dagindeling
Al te gemakkelijk kan de indruk ontstaan dat Calvijn zich gewoon van crisis tot crisis voortbewoog en elke dag begon met na te denken over de oplossing dan wel het opstarten van een conflict. De werkelijkheid was geheel anders, namelijk dat er in zijn leven niet meer gebeurde dan in het leven van andere mensen van zijn positie en faam. Wie de discussies op een rij zet en ze isoleert van het geheel, schept een beeld van een man die vanuit een panische drang een eigen plan door te zetten voortdurend botste met alles en iedereen. Hoe zag Calvijns dagindeling eruit? Hij begon met gebed, daar verwachtte hij veel van. Veruit het grootste hoofdstuk van de Institutie gaat over het gebed. Bidden voor elke maaltijd komt bij Calvijn vandaan. Calvijn voerde ook een wekelijkse gebedsdag in (woensdag). Tussen morgen- en avondgebed in bestond de dag voor Calvijn hoofdzakelijk uit brieven schrijven, colleges en preken voorbereiden, publicaties drukklaar maken, bezoeken brengen en bezoekers ontvangen, preken en vergaderen.

Pessimisme
Was Calvijn een zwartkijker van de eerste orde en hebben calvinisten het zogenaamde zwaarmoedige, zich terneergedrukt ploegen door het aardse tranendal aan hem te danken? De vraag is of er wel zoveel reden tot optimisme was in Calvijns tijd. Het was een tijd van hoge kindersterfte, grote politieke en maatschappelijke onzekerheid, Europa gaat gebukt onder een vluchtelingenprobleem, armoede en dreigende oorlogen. Dat Calvijn soms zo somber was, is geen wonder, het is zelfs opmerkelijk dat hij bij dit alles nog zoveel goeds over het goede van dit leven wist te zeggen. Hij kon ook niet anders want volgens hem had God de wereld met geen ander doel geschapen dan dat de mens er gelukkig zou worden, en dat hield onder andere in: genieten van lekker eten en heerlijke wijn. Hoewel een mens genoeg heeft aan water, heeft God toch wijn gegeven om ons vrolijk te maken. Calvijn trok er graag op uit om in de natuur rust te vinden.

Kamergeleerde
Steeds weer spreekt Calvijn over de realiteit van de zonde. Van de mens is nog maar een ruïne over van het oorspronkelijke, indrukwekkende bouwwerk. De meest wezenlijke zonde is hoogmoed (superbia). Hij schrok er niet voor terug heel concreet de verbinding tussen zonde en straf te leggen. Dit om mensen aan te sporen om christelijker te leven. Calvijn wilde vanuit dit besef van zonde naar de boodschap van de genade gaan. Mensen worden namelijk in de wanhoop gejaagd als je ze voorhoudt dat alleen beleden zonden vergeven worden. Calvijn kon met zijn pen slachtoffers maken. Met Erasmus beheerste hij de kunst van het spotten. Die humor bestaat dan vooral in het de draak steken met de dwaling om zo de onzinnigheid daarvan te laten zien. Vooral richting Rome kon hij ironisch zijn. Er is een duidelijk verschil tussen de Calvijn van de brieven en de Calvijn van de persoonlijke ontmoetingen. Hij is een kamergeleerde, die het beste met mensen kan omgaan als hij ze niet ziet. Een brief ziet hij dan ook als ‘het levendig beeld van mijn ziel’, en dat betekent dat de echte Calvijn in de brieven te vinden is.

7. De weduwnaar (1549-1551)
Huwelijk
Calvijn was gehuwd, maar hierop valt het accent niet. Dat is dan ook de reden dat we aan dit huwelijk pas aandacht gegeven wordt op het moment dat hij weduwnaar wordt. Voor Calvijn hoeft het eigenlijk niet. Maar om van een aantal lastige dingen bevrijd te zijn en zich zo beter aan God te kunnen wijden. Die lastige dingen benoemde hij verder niet maar het zullen wel allerlei huishoudelijke taken geweest zijn. Calvijn had in feite dus meer een werkster dan een echtgenote nodig. Hij hoorde naar eigen zeggen dan ook niet bij ‘die krankzinnige verliefden die zelfs de gebreken van hun liefje prijzen zodra ze helemaal vol van haar zijn’. De huisvrouw moest ijverig zijn, gehoorzaam, niet hoogmoedig, spaarzaam, geduldig en als je daarbij nog kon verwachten dat ze goed voor je gezondheid zorgt, had je er helemaal wat aan.

Enige zoon overlijdt
Martin Bucer, die als huwelijksmakelaar even beroemd was als dat hij berucht was om zijn vrij liberale visie op echtscheiding, dacht dat het goed voor Calvijn zou zijn als hij een vrouw had. Het was in Straatsburg dat Calvijn in augustus 1540 trouwde met de uit Luik afkomstige en omwille van het geloof gevluchte Idelette van Buren. Farel vond haar nog knap ook. Ze was een paar jaar ouder dan Calvijn, was weduwe, en had twee kinderen. Ze was weduwe van een doper. Twee weken na hun trouwdag waren ze beiden zwaar ziek. Calvijn betrok dat meteen op God die er volgens Hem wel voor zorgde dat een mens niet teveel vreugde aan iets moois als het huwelijk zou beleven, ‘een verklaring die voor veel calvinisten na hem reden was vooral zelf maar vast een rem op elk genieten te zetten alvorens God dat eventueel zou doen’. In 1542 beviel Idelette van een zoon, Jacques, Calvijns eerste en enige kind. Na 22 dagen overleed hij.

Idelette sterft
Idelette stierf in 1549. Hij heeft z’n beste levensvriend verloren, zo zei hij zelf. Ze was hem in zijn werk nooit tot hindernis geweest. Dat is achteraf een vreugdevolle constatering voor iemand die daar bij een huwelijk juist zo bang voor was. Calvijn voelt zich nu nog maar een half mens. Hij koos voor het bestaan van de weduwnaar, maar dat werd hem niet door allen in dank afgenomen. Maar het was volgens hem geen verdienste, maar eerder zwakte dat hij ongehuwd gebleven is. En hij geloofde dat een vrouw met hem waarschijnlijk niet zo heel gelukkig zou worden.

De vrouw
Calvijns verhouding tot vrouwen kan in positieve zin opmerkelijk genoemd worden. Aristoteles vond een vrouw maar een half mens. Calvijn had wel kritiek op wat volgens hem typisch vrouwelijke kwalen waren zoals eindeloos kletsen en verzot zijn op kleren. Maar Calvijns waardering voor de vrouw overheerst. Hij was er echter geen voorstander van dat vrouwen een stem in politiek en kerk hadden. In die tijd was vrijwel de hele christenheid erover eens dat overspel met de dood bestraft moest worden. Opvallend is dat Calvijn van de traditie afweek door te zeggen dat de seksuele zonden van de man net zo zwaar bestraft moesten worden als die van de vrouw. Calvijn vond al te grote leeftijdsverschillen tussen man en vrouw niet goed. Toen Farel op 69-jarige leeftijd met een meisje van 17 trouwde, vond Calvijn dat niet juist, maar wilde ook niet meedoen met de mensen die het wilden verbieden. Hij verscheen echter niet op de bruiloft. Calvijn was het er niet mee eens dat de gemeenschap tussen man en vrouw zondig is. Het is een wezenlijk onderdeel van een gezond huwelijk.

Verkeringstijd
Calvijn wilde aan de huwelijkssluiting een sober karakter geven. Geen gekniel, geen gekus, geen wisselen van ringen en geen muziek. Het bruiloftsfeest moest sober zijn; het diner mocht niet meer dan drie gangen hebben en elke gang niet meer dan vier soorten eten. Ook het dragen van gouden of zilveren kettingen en andere juwelen werden verboden. De gedachte hierachter was dat zulke zaken begeerte, jaloezie en daardoor misschien wel ruzie zouden uitlokken. Calvijn vond het niet verkeerd ‘dat mannen bij de keuze van hun vrouwen rekening houden met hun schoonheid’. Je mag goed kijken hoe mooi ze is, maar ook weer niet te lang, want dan kom je toch maar op zondige gedachten. Stelletjes moesten in de verkeringstijd intensief met elkaar omgaan om te zien of ze bij elkaar passen. Dat was dus heel wat anders dan het (rooms-katholieke) canonieke recht, die zei dat jonge mensen elkaar een bindend ja-woord konden geven zonder dat ze elkaar kenden.

De stoïsche mythe
De mythe wil dat Calvijn een a-gevoelige stoïcijn is geweest. Nu, dat valt wel mee. Over het sterven van een collega schreef hij dat hij er zo kapot van was dat hij in zijn verdriet nauwelijks maat wist te houden. Hij moest er overdag steeds aan denken, kon nauwelijks tot werken komen. Toen hij hoorde van de vervolgingen van de Waldenzen kreeg hij er maagkrampen van en kon hij haast niet meer werken. Regelmatig schrijft Calvijn over zijn verdriet en tranen. Soms was hij compleet radeloos en zou wel dood willen zijn. Toen hij hoorde dat Bucer gestorven was, kwam er een groot gevoel van eenzaamheid over hem. Calvijns eigen tegenslagen en die van de mensen tot wie hij sprak en preekte, brachten hem bij de vraag naar God. Bij hem is geen twijfel over het bestaan van God, maar wel over Gods werkwijze. Calvijn probeert God te begrijpen en het lukte hem steeds niet.

8. De patiënt (1551-1554)
Predestinatieleer
In Genève kwam een zekere Hieronymus Bolsec en nauwelijks gearriveerd begon hij Calvijns predestinatieleer aan te vallen. Calvijn had geprobeerd de uitverkiezingsleer zo goed mogelijk weer te geven en zo verstandig mogelijk te doordenken. De oplossing van de enkele predestinatie vond Calvijn niet wat. Hij wilde ook niet een klein aandeel van mensen in hun zaligheid. Nee, dan maar de (dubbele) predestinatie, want dat brengt zekerheid en troost. Die leer moet gewoon gepreekt worden, ‘ten eerst om God te verheerlijken zoals Hij dat ook verdient, ten tweede om ons van ons heil te verzekeren zodat wij God met alle vrijmoedigheid als onze Vader aanroepen’. Bolsec trok dus stevig van leer en stelde dat wie leerde als Calvijn God tot oorzaak van de zonde en tot een tiran maakte. Bolsec werd gearresteerd en uit de stad verbannen en verboden ooit weer terug te komen. Hij keerde uiteindelijk terug naar de rooms-katholieke kerk en ging een boek tegen Calvijn schrijven, en juist dat boek zou eeuwenlang het Franse Calvijnbeeld gaan beheersen. Voor Calvijn was dit leerstuk zo essentieel voor God en mens dat hij er geen kritiek op kon dulden. De stadsraad keurde – na de Institutie te hebben bestudeerd – Calvijns verkiezingsleer goed. Iedereen moest zich hier aan gaan houden en niemand mocht er een kwaad woord over zeggen.

Slapeloze nachten
Calvijn schreef eens dat hij uitgeput was door het vele schrijven en zo verschrikkelijk moe was dat hij regelmatig bijna aversie kreeg tegen het schrijven van een brief. Calvijn heeft vaak en uitvoerig geschreven over zijn kwalen. Er kan met gemak een veelzijdig en vrij gedetailleerd medisch dossier van hem gepresenteerd worden. Calvijn was eigenlijk levenslang een ziekelijk mens. Met name de desastreuze kost en inwoning in het Collège de Montaigu is een aanslag geweest op zijn gezondheid. Stress, veel teveel werk, gebrek aan beweging en slapeloosheid braken het lichaam verder af. ‘Niet alleen plagen mij telkens die slapeloze uren, want die ben ik wel gewend, maar nachten waarin ik helemaal geen oog dicht doe ontnemen mij alle krachten en niets is slechter voor mijn gezondheid dan dat’.

Fysiek op spanningen reageren
Calvijn is iemand die zo fysiek op spanningen reageert en zich zo in bochten wringt om bij anderen geen verkeerde indruk te wekken, zo worstelt met schuldgevoelens dat hij er ziek van wordt. En die dan weer schuldgevoelens kreeg omdat hij ziek was. ‘Omdat de migraine me te pakken heeft, ben ik verplicht om lui niks te doen’, zo schreef hij eens. Ziek zijn irriteert vooral omdat je aan je werk niet toekomt. Daarom werkte Calvijn gewoon door, probeerde hij aan ziekte verloren uren in te halen; hier wordt een mens natuurlijk niet echt beter van. ‘Eigenlijk moet ik nog nadenken over de preek van morgen, maar als ik aan mijn gezondheid denk, zou ik nu eigenlijk naar bed moeten gaan’.

Calvijns psyche
Over hoofdpijn klaagt Calvijn ook veel. Ook had hij veel last van nierstenen. En nog tal van andere dingen, zodat het ons verwondert dat hij met zo’n lichaam nog 55 jaar oud geworden is. Calvijn was een ideale patiënt voor zijn dokters. Hij week geen haarbreedte af van hun voorschriften. In de loop van de tijd zijn er psychologen geweest die Calvijns psyche hebben proberen te doorgronden. Zo zou hij onder een akelige angstneurose hebben geleden waaruit zelfs zijn theologie deels te verklaren zou zijn. De vraag of er met Calvijn niet ook psychisch iets goed mis was is vooral ook gesteld naar aanleiding van de kwestie Servet. Calvijn is vooral vanwege twee ‘misdaden’ bekend geworden: de leer van de uitverkiezing en Servets brandstapel.

Kwestie-Servet
Servet was een dokter uit Spanje, maar hij kwam niet naar Genève om Calvijn van zijn kwalen af te helpen. In Spanje had men in opdracht van de rooms-katholieke kerk al officieel een pop van hem verbrand. Servet geloofde niet in de drie-eenheid van God. Hij noemde die God een drie-koppig monster. Keizer Karel V had vastgelegd dat ieder die in zijn rijk de drie-eenheid van God loochende de doodstraf moest krijgen. Heel vervelend voor Calvijn en voor alle gereformeerden is dat Servet naar Genève kwam. Want hij werd al snel herkend. Daarop werd hij gearresteerd en niemand die dat raar vond. Hem werd de mogelijkheid geboden naar Frankrijk gestuurd te worden, maar op zijn knieën smeekte hij in Genève berecht te worden, een verzoek dat gehonoreerd werd. En hij werd ter dood veroordeeld. Zou Genève dit niet gedaan hebben, dan zou dat een schandaal zijn in de toenmalige wereld. Calvijn zocht Servet nog op om hem te bewegen zijn opvattingen te herroepen. En hij pleitte voor een wat minder pijnlijke doodstraf. Stefan Zweig heeft in 1938 een roman geschreven over Calvijns optreden, en deed dat op zo’n manier dat Calvijn een vreselijke tiran was. Geheel onterecht dus. Opvallend is ook dat Servet werd veroordeeld door een regering die Calvijn juist niet gunstig gezind was.

Oudtestamentische profeet
Calvijn trad als een oudtestamentische profeet op in Genève. Hij nam geen blad voor zijn mond. Soms begonnen mensen tijdens zijn preek te schreeuwen en duidelijk te maken dat ze het er niet mee eens waren. Volgens Calvijn waren ze in Genève zo fanatiek tegen hem gericht, ‘dat inmiddels alles wat wij zeggen verdacht is. Als ik bijvoorbeeld zou zeggen dat het ’s middags licht is, zouden ze meteen beginnen daaraan te twijfelen’. Calvijn dacht ook dat ze gebruik maakten van zijn zwakheden, want ze weten ‘dat ik prikkelbaar ben en zo proberen ze mijn geduld op de proef te stellen door mij vaak en op vele manieren tot ergernis te brengen’. Calvijn vond het in Genève zo’n verschrikkelijke puinhoop dat hij zich schaamde er dominee te zijn. Wat hier gebeurt kon je volgens Calvijn met geen mogelijkheid een reformatie noemen. Op zondag 3 september 1553 hield Calvijn zelfs een soort afscheidspreek. Calvijn was het zat. Hij was de strijd tussen kerk en overheid moe. Hij voelde aan dat het uit zou lopen op een gedwongen vertrek uit de stad. Maar ’s maandags werd er heftig gediscussieerd in de raad en men stelde zich uiteindelijk toch achter Calvijn.

Hoogtepunt van zijn ‘macht’
Calvijn krijgt na een lange strijd eindelijk het recht op excommunicatie. Het was dus achteraf geen afscheidspreek maar een welkomstwoord aan een nieuwe periode in de stad. In februari keerde het tij toen bij de verkiezingen bleek dat alle vier nieuwe burgemeesters Calvijn-aanhangers waren. Met de verkiezingen van 1555 ging er een andere wind door de stad waaien. Veel Franse vluchtelingen hadden inmiddels het burgerrecht gekregen. De Calvijn-groep zette koers op een soort tweede reformatie. Deze omwenteling is eigenlijk een spectaculaire gebeurtenis geweest. Nauwelijks is in te schatten hoeveel invloed er uitging van de dagelijkse uitleg van de Bijbel en van het jarenlange bijbelse onderwijs dat de jeugd in Calvijns Genève kreeg van echte ‘kwaliteitsdominees’. Dat Calvijn bij al deze gedrevenheid ook nog kon lachen, past niet direct bij het beeld dat van hem bestaat. En toch is het zo. Calvijns humor is die van de humanist en is dus elitair. Lachen moet geen spotten worden. En lachen moet natuurlijk wel een doel hebben. Het leven begint en eindigt met een lach, volgens Calvijn. Daartussen zit een rivier van tranen.

9. De zeiler (1555-1559)
Censura morum
Vanaf 1555 kreeg Calvijn de wind in de zeilen; de meerderheid was pro-Calvijn. Genève werd voorloper van een fenomeen dat eigenlijk pas in de 19e en 20e eeuw opkwam, namelijk steden die een sociale en politieke transformatie ondergingen doordat de immigranten het gezicht en het beleid van de inheemsen overnamen. Genève werd een compleet internationale stad. Calvijns theologie van vreemdelingschap geeft minder binding met een aards vaderland. Verbeter de wereld, begin bij Genève, dat was Calvijns plan. Nooit is in Calvijns Genève iemand voor godslastering ter dood gebracht en al helemaal niet voor ongehoorzaamheid aan de ouders, zoals in sommige toch vrij serieus aandoende historische werken beschreven staat. De kerkenraad hield niet alleen toezicht op anderen, ook op zichzelf: censura morum, een gespreksrondje binnen de kerkenraad waarbij steeds een ouderling op de gang moest wachten terwijl de anderen er met elkaar over spraken of de buitenstaander zijn werk wel goed deed.

De Weber-these: calvinisme en kapitalisme
De Weber-these hield in dat er een rechtstreeks verband is tussen calvinisme en kapitalisme. Wil je weten of je een uitverkorenen bent, kun je dat zien aan je christelijke leven en ga je dus steeds christelijker leven. Dat betekent, geen tijd verspillen, stevig doorwerken, niet in weelde leven en dus niet met geld gooien. En zo wordt je dus kapitalist… Calvijn kunnen we niet tot vader van het kapitalisme maken, niet alleen omdat zijn predestinatieleer wel wat anders in elkaar zit, maar ook dat hijzelf zo sterk ageerde tegen het in zijn dagen al opkomende kapitalisme. Calvijn was wél de eerste theoloog die een bijbelse verdediging van het heffen van rente gaf. In Genève was een matige rente toegestaan, want dat was goed voor de handel. Het beroep van bankier kreeg bij Calvijn een positieve waardering, maar dat gold ook voor dat van boer. De boer is namelijk wel in het bijzonder een medewerker van God want in zijn werk is Gods werk zichtbaarder dan in andere beroepen.

Werken, werken en nog eens werken
Calvijn werkte in feite dag en nacht. Hij stond om vier uur op en ging laat naar bed. Hij werkte systematisch en zo effectief mogelijk. Hij nam nauwelijks tijd voor zichzelf. Zelfs als hij ziek was probeerde hij te werken. Vanaf zijn eerste brieven klaagde hij over zijn eigen luiheid en dat gaat eigenlijk om de brief zo verder, tot vervelens toe voor de lezer. Voor Calvijn zat de zonde niet allereerst in wat een mens verkeerd gedaan heeft, maar vooral in wat een mens te weinig had gedaan. Calvijn preekte elke zondag twee keer en om de week dagelijks, resulterend in ongeveer 4000 preken, meer dan 170 per jaar. Hij gaf drie keer per week colleges exegese. Calvijn ging er wel eens een paar dagen tussen uit. Hij had er geen moeite mee op zondagmiddag het meer van Genève per zeilboot over te steken en zo aan een midweekvakantie te beginnen. Dat gereis op zondag was niet ongebruikelijk.

Och, leefde Luther nog maar
Calvijn was wars van elk individualisme en zag de mensheid als een geheel waarin de één voor de ander verantwoordelijkheid heeft. Daarom werd er in Calvijns kerk niet gesproken van ‘collecte’ maar van ‘inzameling van de gaven’. Een collecte veronderstelt dat je bij mensen moet vragen om geld, maar een inzameling van gaven veronderstelt dat mensen klaar staan om te geven. Volgens Calvijn weigerden de lutheranen de reformatorische eenheid omdat zij over het hoe van Christus’ presentie bleven discussiëren. Hij noemde ze daarom ‘dwepers’. Dit zou Luther nooit zo gedaan hebben, zo dacht hij. Daarom verzuchtte Calvijn ook: ‘Och, leefde Luther nog maar. Hij was wel heftig maar hij ging nimmer zo ver als zijn volgelingen, die men geen leerlingen, doch slechts imitators, ja apen kan noemen’.

Voltooide Institutie
De Institutie, in 1559 voltooid, bezorgde hem wereldwijd triomf en bezorgde eeuwenlang stimulans tot kerkplanting, geloofsgroei en theologische vernieuwing. Maar dit lijkt het negatieve imago nauwelijks bij te stellen. Calvijn was tevreden met deze editie van de Institutie. Calvijn sprak dan over de ordo en die had hij steeds gezocht, in alle aspecten van zijn leven en werk, maar ook zeker voor dit boek waaraan hij was blijven knippen en plakken. Nu had hij de juiste orde gevonden en hoefde er niets meer aan gedaan te worden. ‘De ark was klaar. Nu kon de vloed komen’.

Kist niet in de kerk
Calvijn had moeite met beelden maar nog meer met revolutionaire acties als de beeldenstorm. Hij was niet tegen schilder- en beeldhouwkunst op zich. Calvijn had ook moeite met een veelheid van feestdagen, want dat leidt tot bijgeloof en niet tot opbouw. Dit was Calvijns probleem met feestdagen, namelijk dat mensen God gaan dienen op een manier die hen het beste uitkomt. Dat nu was volgens hem godslasterlijk want je vormt je een eigen beeld van God en dient Hem niet zoals Hij wil maar zoals jij wil. Wat de begrafenissen betreft vond Calvijn het maar niks dat een kist de kerk binnen gedragen werd. Het beste was gewoon meteen naar het kerkhof gaan en ook daar de grafrede uitspreken. Het luiden van klokken hoefde voor hem ook niet.

Genève contra Bern
De problemen met Bern kwamen ook weer naar boven. In Bern had men Calvijns visie op het avondmaal altijd al als teveel Straatsburgs en dus te weinig Luthers en te weinig Zwinglis gezien. Daar kwam nog een discussie over de predestinatieleer bij. De stad Bern besloot daarop dergelijke discussies over subtiele onderscheidingen in leerstukken te verbieden en noemde daarbij de predestinatieleer als het toonbeeld van een leer waarover je alleen maar ruzie krijgt. In Lausanne werd het gebruik van de Institutie zelfs verboden. Calvijn gaf toe dat ‘wij over dit hoge, ongrijpbare mysterie nuchter en ootmoedig moeten zijn’, maar voegde er wel aan toe dat je niet kon doen alsof de Bijbel er niets over zegt. Tussen Bern en Calvijn kwam het niet meer goed. Calvijn werd boos toen Farel hem voorstelde zijn commentaar op de Evangeliën aan de raad van Bern op te dragen. Hij had zich in het zweet gewerkt voor dit commentaar en nu zou hij het ‘de zwijnen voor de snuit werpen, zodat zij het met schande en smaad uiteen kunnen scheuren? Ik zou me nog liever de tong en de hand laten afhakken dan dat ik me ertoe liet bewegen dat te dicteren of op te schrijven wat jij mij als wens voorstelt.’

10. De soldaat (1559-1564)
Academie van Genève
Calvijn werkte nog wel eens met militaire termen en noemde het leven van de gelovige ‘een voortdurende actieve krijgsdienst’. Calvijns sterkste wapen was zijn pen; zijn andere wapen werd zijn academie. Die werd in 1559 geopend: de Academie van Genève. Deze academie bestond uit een ‘schola privata’, een combinatie van basisonderwijs en middelbaar onderwijs, en een ‘schola publica’, die meer als universiteit bedoeld was en waar men theologie, rechten en medicijnen kon studeren. Studenten moesten hun instemming met de gereformeerde belijdenis tonen. De academie werd in feite een kazerne waar gereformeerde pupillen uit heel Europa werden opgeleid. Calvijn stuurde zijn soldaten de wereld in, maar bleef zelf thuis en verliet als veldheer nauwelijks nog zijn commandopost. Hij ging nog wel een keer langs de Zwitserse steden om steun te werven voor de vervolgde Waldenzen.

Recht van verzet
Calvijn had moeite met monarchie als staatsvorm. Het probleem was volgens hem dat niet kwaliteit maar geboorte bepaalde wie het volk moest leiden. En het is riskant dat alle macht in handen van één persoon komt te liggen. En het volk maar belasting betalen voor hun dure leventje. ‘Als een koning beschouwd wil worden als wettig en als een dienaar van God dan moet hij laten zien dat hij een echte vader voor zijn volk is’. In hoeverre kende Calvijn het recht van verzet? In feitte leerde hij passief verzet. Dat actief verzet volgens Calvijn veel bloed en weinig vrucht oplevert heeft ook te maken met zijn moeite met wanorde en zijn aversie tegen oorlog. ‘Als vorsten willen dat wij ons van de eer van God afkeren, als ze ons willen dwingen tot afgoderij en bijgeloof, dan hebben ze niet meer gezag over ons dan kikkers en luizen’. Calvijn was er op tegen dat het volk in opstand kwam. Alleen in uiterste gevallen is actief verzet toegestaan, aan de zogeheten lagere magistraten. De Hugenotenopstand onder leiding van de hoogste adel in Frankrijk werd door Calvijn gesteund.

Emoties
Het beeld van calvinisten die bij het sterven geen emoties tonen en zonder een traan te laten hun dierbaren begraven om daarmee te demonstreren hoe zij alles uit Gods vaderlijke hand ontvangen, is in ieder geval niet vanuit Calvijn ontstaan. Calvijns brieven zijn vol van tranen over mensen die hem lief waren en die stierven. Voor Calvijn was dat verdriet niet in strijd met het geloof dat God de dingen leidt. Naar aanleiding van de vervolging van de Waldenzen schreef hij: ‘Ik schrijf onder tranen, maar uitgeput van verdriet moet ik soms ineens huilen dat ik moest stoppen met schrijven’. Calvijn werd soms ziek van verdriet. Hij sloot aan bij een bekend middeleeuws lied dat wij midden in dit leven door de dood omgeven zijn. Wel moest God met zulke gebeurtenissen iets goeds bedoelen. Toch overheerste bij Calvijn de overtuiging dat gelovigen geen angst voor het sterven hoeven te hebben.

Alleen nog maar huilen
‘Niets rooft meer onze kracht, niets drukt ons meer terneer dan wanneer wij ons laten gaan in klachten en steeds weer vragen: waarom ging het zo? Waarom niet anders? Waarom juist zo?’ Calvijn was bij het horen van het bericht dat een vriend overleden was ‘zo terneergeslagen dat ik meerdere dagen alleen nog maar kon huilen. En hoewel ik probeerde kracht te vinden uit Gods nabijheid en me wilde troosten met de hulp die Hij ons in nood biedt, had ik toch het gevoel dat ik mezelf niet meer was. Echt, ik was niet meer in staat m’n gewone dingen te doen alsof ik zelf halfdood was’. Calvijn was niet van steen en als er gereformeerden zijn die wel zo overkomen, zijn het geen calvinisten.

Sterfbed
Calvijn komt begin 1564 op het ziekbed, zijn sterfbed, terecht. Met de dood voor ogen wilde hij de politici en de ambtsdragers van Genève nog even zien, en vooral even spreken. Hij gebruikte het feit dat hij niet plotseling stierf en tot op het laatste moment zeer helder van geest bleef voor een getuigenis. Zo bleef hij tot het laatst toe ‘gewoon aan het werk’. In de gesprekken vroeg Calvijn om vergeving voor zijn houding en zijn zwakheden. Tijdens zijn aanwezigheid waren er heel wat discussies ontstaan en was er heel wat strijd geweest en dat was niet de schuld van de raadsheren, maar vooral van hem. Toch zou het ook hypocriet zijn te zeggen dat God hem niet in Zijn dienst had willen gebruiken. Calvijn verklaarde niet uit eigen ambitie te hebben gehandeld.

Zelfkennis
Zelfkennis en bekentenis van zijn eigen falen overheersen dus bij Calvijn. ‘Ik heb hier te midden van heel wat strijd geleefd’. Hij vertelt dat het gebeurde dat hij op straat liep en dat men de honden achter hem aanjoeg en maar riep: ‘Pak hem, pak hem!’ Wat opvalt is wat hij níét zegt op zijn sterfbed. Geen overzicht van de hoogtepunten van zijn loopbaan. Beza heeft een vrij gedetailleerd verslag van Calvijns sterven geschreven en daarin sterft een geloofsheld. De rooms-katholieke Laurentius Surius (drie jaar na Calvijns dood geboren) beschreef in een boek het sterven van een ‘waardeloze kerel’. Calvijn zou op zijn sterfbed gevloekt en getierd hebben en gestorven zijn aan een geslachtsziekte. Anders dan bij het graf van de onbekende soldaat, wilde Calvijn als soldaat een onbekend graf, zonder grafsteen. We hoeven Calvijn niet krampachtig bij hoog en laag te verdedigen. Het was een man van falen en fouten. Tijdgenoten en vrienden van hem spraken al open en eerlijk over hun moeiten met bepaalde aspecten van Calvijn. Ook Calvijn zelf was er zich goed van bewust.

Gepubliceerd in oktober 2008

Advertenties