Chrysostomus

n.a.v. B.H. Vandenberghe, Chrysostomus de grote redenaar. Cultuurbeeld van het oude Antiochië, Utrecht z.j.

Zijn moeder
Wat Augustinus in het Westen was, was Chrysostomus in het Oosten. De 4e eeuw was ontegenzeggelijk de grootste tijd van de primitieve kerk: op het gebied van de welsprekendheid en de letteren ziet het schitterende genieën rijzen. Wat Chrysostomus aantrekt is niet de theorie, maar de praktijk; niet de wetenschap, maar het leven. Hij is een man van de daad. Johannes Chrysostomus werd te Antiochië geboren, waarschijnlijk in 354. Hij kwam uit een adellijk geslacht. Zijn vader stierf kort na zijn geboorte waarna de twintigjarige weduwe de wereld vaarwel zei, rouwkleren aantrok en haar leven offerde voor haar twee kinderen. Het is dus weer een moeder…!

Doop
Chrysostomus kreeg les van de beste leraars; hij was immers voorbestemd een hoog staatsambt te gaan bekleden. Onder alle vakken studeerde hij het liefst de retoriek. Hij had een vurige, een gelukkige verbeelding. Door de studie in de filosofie kon hij zijn gedachten systematisch ordenen. Met Plato kon hij zijn ideeën dichterlijk voorstellen. Chrysostomus brak plotseling met zijn leermeesters en studievrienden om een nieuwe en strengere levenswijze te gaan beoefenen. Op z’n 22e bereidde hij zich voor op de heilige doop. Het kan ons vreemd voorkomen dat hij als kind niet eens gedoopt was, maar het was in die tijd nog heel gebruikelijk de doop tot de volwassen leeftijd, ja zelfs tot op het sterfbed uit te stellen.

Eenzaamheid opzoeken
De doop was een mijlpaal tot definitief verzaken aan de geest van de wereld. Chrysostomus werd monnik, eerst in het ouderlijke huis, om er geheel te verzinken in de wijsheid, zoals de Grieken zeiden, of zoals het in christelijke taal luidt, om het bezit der heiligheid te verwerven. Spoedig zou hij de weg der eenzaamheid inslaan. Hij ging in de bergen wonen, bij de monniken. Maar de bij moeder verwende jongeling zou het daar niet gemakkelijk hebben. Hij bidt hier, mediteert, leert de Bijbel uit zijn hoofd. Zo verlopen spoedig vier gelukkige jaren, die hem steeds in het geheugen bleven als de herinnering aan een schone droom. Maar hij gaat nog een stap verder. Hij verlaat het kloosterlijke leven voor een verblijf bij de kluizenaars in de wildernis. Tijdens de schitterende en luistervolle nachten van de woestijn aanschouwde zijn ziel, in de met sterren bezaaid hemel, de glans van Gods eeuwige schoonheid: coeli enarrant gloriam Dei.

Terug naar de stad
Chrysostomus ging te ver, hij raakte volkomen uitgeput. Hij moet de weg terug, de wereld in. Hij ging naar Antiochië en werd daar gewijd tot diaken, werd domprediker. Antiochië was in de 4e eeuw, na Constantinopel en Alexandrië, de aanzienlijkste stad uit het Oosten. In deze stad was het dat Jezus’ leerlingen voor het eerst christenen genoemd werden (Hand. 11:26). Maar de onreine desem van de heidense corruptie gistte nog diep in de harten. Ongetwijfeld was de maatschappij aan het veranderen, maar wel langzaam. De twisten tussen Arianen en Katholieken hadden de zegetocht van de kerk gestuit.

Vreugde in het preken
In Antiochië weet men het schone woord te waarderen. Zijn Schriftverklaringen gingen op eenvoudige conversatietoon. Onderricht en overreding gingen samen. Hij kende de noden van zijn tijd goed. Hij slaagde erin zich aan z’n hoorders aan te passen. Hij had een gemoedelijke, onderhoudende spreektoon. Zo wist hij tussen hoorders en spreker een eenheid te bewerken. Chrysostomus won hun harten door hun zijn vreugde uit te drukken opnieuw voor hen op te mogen treden. ‘Altijd ben ik met u bezig geweest. (…) En niet alleen overdag maar ook ’s nachts ondervond ik wat Salomo in zijn dagen zei: “Ik slaap, maar mijn hart waakte”. (…) Dikwijls meende ik in de droom op de kansel te staan en met u te spreken’.

Onwetendheid
Om dit contact met zijn hoorders te verlevendigen zijn alle retorische kunstgrepen hem goed. Zijn preken zijn vol afwisseling, vragen, antwoorden, tegenwerpingen en weerleggingen – zo levendig als het meest natuurlijke gesprek. ‘Ik heb maar één wens: ik verlang naar uw vooruitgang’. Wat blijven ze echter onwetend! ‘Dat men u vrage een psalm op te zeggen, gij kunt geen woord uitbrengen; maar gaat het er om een slecht liedje te zingen, velen kennen het van buiten en willen het aanstonds zingen’. Daar velen van lange redevoeringen wars en afkerig zijn, acht hij het nodig de preken soms wat te bekorten om de verveling bij de toehoorders te voorkomen. Toch mag het publiek ook niet worden onderschat. Men moet ze altijd op een passende manier toespreken. Chrysostomus houdt van beelden en allegorieën. Tegelijk is zijn taal zeer concreet en uiterst praktisch.

Applaus
Een geliefkoosd thema is bij hem de geschiedenis van Jozef, die zich niet laat verleiden door een vrouw. Deze en andere bijbelse karakterbeelden vormen de kern van zijn leer over de christelijke volmaaktheid. Chrysostomus kon zijn gevoel in bezielde hartetaal uitstorten. Het grote publiek stroomde rond zijn spreekgestoelte samen, luid toejuichend – het was namelijk ingeburgerd geraakt om de feestredes van de retoren in circus en schouwburg luid toe te juichen, dit was overgegaan naar de kerk. Chrysostomus bekent daar niet ongevoelig voor te zijn, dat hij op dat ogenblik iets menselijks ondervindt. Hij verheugt zich, en zijn hart trilt van vreugde. Maar het is hem ook duidelijk dat de meeste toehoorders vergeten de betrekking waarin ze tot de leraar staan. Ze zitten daar niet als leerlingen maar als rechters. ‘Het is toch veel beter, stil en aandachtig te horen, en door de herinnering te allen tijde, thuis en op de markt, het gehoorde goed te keuren en te prijzen, dan alles te verliezen en ledig naar huis te keren zonder te weten, waarom men in de handen heeft geklapt’.

Het hart maakt welsprekend
Was het enkel het schone woord dat dit alles uitwerkte? Nee, ook de toon van de stem, de opslag van de ogen, de gebaren: alles werkte mee om indruk te maken. ‘Het hart maakt welsprekend’. Preekte hij op een kansel? Nee, hij stond zoals de redenaars van de oudheid op een verheven vlak. Daar stond de troon van de bisschop en in een halve cirkel er rond geschaard enkele leuningstoelen voor priesters en diakenen. Wanneer het ogenblik van de onderrichting was gekomen, stond de spreker van zijn zetel op, deed enkele schreden naar voren. Niet zelden koos hij de ambo van de voorlezer, meer in het midden van de kerk. Van daar droeg zijn stem verder. Chrysostomus memoriseerde zijn preken niet. ‘Zwak ben ik en arm en ongeschikt tot woorden van onderrichting; maar wanneer ik uw bijeenkomst zie, dan vergeet ik mijn zwakheid, dan ken ik mijn armoede niet, dan weet ik niets meer van mijn ongeschiktheid’.

Improvisatie
Denk niet dat zijn spreekwijze geaffecteerd is of berekend op effect. Hij had een bewonderenswaardig improvisatietalent. De voordracht werd voorbereid wat de gedachten en het plan betreft, maar hij veranderde ze gedeeltelijk naar gelang nieuwe denkbeelden hem op dat ogenblik invielen. Het is verbluffend om na te gaan hoe snel hij zich weet aan te passen en zich uit onverwachte situaties redt. Bijvoorbeeld toen het een keer donker begon te worden. De koster stak, terwijl Chrysostomus preekte, de lampen aan. Spontaan keerden de toehoorders het hoofd om. Hij berispte hen daarover: ‘Terwijl ik u de Heilige Schrift verklaar wendt gij uw ogen van mij af en kijkt naar de lampen en naar hem, die ze aanmaakt. Wat een lichtzinnigheid ons aldus in de steek te laten en uw opmerkzaamheid naar hem te keren! Ook ik wil een licht ontsteken, het licht der Heilige Schrift, en ook op onze tong brandt er een lamp, de lamp der goddelijke lering. Dit licht is groter en heerlijker dan het andere’.

Onzekerheid
Begin 387 werden in Antiochië buitgewoon hoge belastingen geheven. Het volk klaagde. De ontevredenen scholen samen en beginnen stenen te gooien naar de keizerlijke beelden, haalden ze neer en verbrijzelden ze. Dit was iets verschrikkelijks, al de inwoners zouden voor de roekeloosheid van weinigen moeten boeten. De rijken haasten zich, have en goed elders in veiligheid te brengen. Schouwburgen, wedrennen, baden, winkels en scholen worden gesloten. Het eens zo levenslustige Antiochië was in het hart getroffen. ‘O ongelukkig volk!’ riep Chrysostomus uit, ‘uw misdrijf heeft de gewone grens der misdrijven overschreden; breed en diep is uw wonde’. Antiochië verkeerde in de grootste onzekerheid. Eerder was zoiets gebeurd in Thessalonica, en daar hadden de keizerlijke troepen 7000 man afgeslacht als straf. Dit zou ook Antiochië te wachten staan, ook al was er een christelijke keizer.

Strafexpeditie op komst
Zo moet Chrysostomus een opbeurende toespraak gaan houden. ‘Vergunt mij te wenen over de toestand van dit ogenblik. Zeven dagen hebben wij gezwegen, evenals de vrienden van Job; veroorlooft mij heden de mond te openen en te weeklagen over dit ons aller gemeenschappelijk onheil’. De oude bisschop is er verslagen van, hij vertrouwt Chrysostomus de zorg van zijn kudde toe, verlaat de stad en probeert in allerijl de hoofdstad te bereiken om een goed woordje te doen. Verschillende dagen spreekt Chrysostomus tot de beangstigde menigte woorden van troost, moed en opbeuring. Intussen doen onheilspellende geruchten de ronde: de strafexpeditie is op komst. Het volk stroomt naar de kerk, maar Chrysostomus is op dat moment ziek. De landvoogd spreekt de mensen toe om hen tot bezinning te brengen. Hier is Chrysostomus heel erg verbolgen over: zijn christelijk volk heeft de smekende hand geheven naar een andere leraar, en dan nog een heiden! ‘Zo’n man heeft u levensmoed moeten inspreken. (…) Kwam het hém dan toe (…) Komt het u niet eerder toe, o christenvolk, de ongelovigen met licht te overstralen?’

Amnestie
De voorlopige strafexpeditie bereikt de stad, en maakt aanstonds een begin met de strafuitvoering. De stad wordt alle vrijheid van beweging ontzegd, haar voorrechten worden opgeheven, de baden, schouwburgen en wedrennen voor onbepaalde tijd gesloten. Ook werden de hoofdschuldigen gevangengezet. Toen werd een bewonderenswaardig schouwspel gezien: terwijl heel de stad in rouw lag, en een ieder slechts op zelfbehoud bedacht was, kwamen echte volksvrienden Antiochië ter hulp. De monniken, vroegere vrienden van Chrysostomus, verlaten hun eenzaamheid, om hier de troost van hun tegenwoordigheid te brengen. Ze verklaren hun, als losgeld voor de gevangenen, en tot bevrijding van het onheil dat boven het volk hangt, hun eigen leven te zullen prijsgeven. Wat een vreugde toen eindelijk een bode van de keizer werd gemeld, die vrede en amnestie naar de stad bracht! Van alle kanten stroomt het volk toe naar de basiliek: Joden, heidenen en ketters zijn in het ruime kerkgebouw verenigd.

Homilie
Chrysostomus had een voorkeur voor de homilie, waarbij elk bijbelwoord na elkaar wordt uitgelegd met praktische toepassingen op het christelijk leven. De Bijbel openslaan dat is voor hem als het opengooien van een venster met uitkijk op de hemel. Hoe geestdriftig wordt de redenaar als hij spreekt over de samenzang van de gelovigen: ‘Jongelingen en grijsaards, rijken en armen, vrouwen en mannen, slaven en vrijen, allen zingen wij één melodie. (…) Want door de kracht van het lied worden niet alleen de levenden met elkaar verenigd, maar ook zij die reeds ontslapen zijn met hen die nog op aarde leven’. Chrysostomus kende de Bijbel van buiten. In de ruim 800 preken van hem staan 18.000 bijbelcitaten.

Hartstochten
Chrysostomus stelde de toen heersende (heidense) gebruiken en misbruiken fel aan de kaak. Chrysostomus is ook de redenaar van de strijd der hartstochten. Hij kent het wezen van het menselijk gemoed, want hij kent zichzelf. ‘Ik leid geen rustig leventje, vrij van stoornis en van zorgen; ik word ook door stormen van zinnelijkheid heen en weer geslingerd, ten prooi aan het opbruisen van de baren’. Vaak moet hij z’n hoorders hard aanpakken, ze onder tranen, smekingen en bedreigingen zelfs bezwaren het eindelijk eens ernstig te nemen met hun christendom, naam-katholieken genoeg!

Kerk als stal
Wanneer de christenen reeds hier engelen zijn, wat zullen zij ééns, na hun uitgang uit dit leven wezen? Wanneer zij hier, waar zij vreemdelingen zijn, zo heerlijk blinken, wat zal het wezen, wanneer zij in hun vaderland zijn aangekomen? Chrysostomus vreesde dat, terwijl Christus gekomen is om uit mensen engelen te maken, zij in plaats van engelen tot zwijnen en tot vurige hengsten zouden worden. Zelfs spreekt hij van een ‘ossen-, ezels- en kamelenstal’, waartoe de gelovigen de kerk hebben gemaakt.

Niets boven het gezin
Sprekende tot christenen die zo gemakkelijk door de passie voor het theater verleid werden, zoekt hij hun edeler gevoelens bij te brengen: gevoel voor de natuur, voor de poëzie der dingen, voor de meer intieme poëzie van de huiselijke aard. Zonder het huiselijke leven voor iets onheiligs of onreins te houden, liet hij in zijn traktaat Over de maagdelijkheid heel scherp de onaangename kanten ervan zien: genotzucht en uithuizigheid tasten het christelijke familieleven aan. ‘Wilt gij wat ontspanning hebben, gaat de boomgaarden in, gaat uit wandelen aan de oevers der stromen, aan de meren. (…) Gij hebt een vrouw en kinderen: welke vreugde kan hierbij vergeleken worden? Gij bezit een huis, gij hebt vrienden: wat is er lieflijker en kostbaarder?’ ‘De Romeinen hebben de spelen uitgevonden, alsof ze noch vrouwen noch kinderen hadden’ – dit is een uitspraak van iemand om aan te tonen dat er niets boven vrouw en kinderen gaat.

Man en vrouw
Chrysostomus weet goed dat de roeping tot de maagdelijkheid maar aan weinigen gegeven is, terwijl het huwelijk voor allen openstaat. Hij is zelf voorstander van vroege huwelijken omdat, volgens hem, het huwelijk eerst en vooral ten doel heeft de begeerlijkheid te temperen. Daarom ook moet het huwelijk een kwestie zijn van liefde en niet van positie. Voor zijn tijd ging Chrysostomus zeer ver: man en vrouw zijn voor elkaar geestelijk gelijken, zij moeten elkaar helpen, steunen, opvoeden. Bijzonder helder brengt hij naar voren de invloed die de man op zijn vrouw kan uitoefenen tijdens de wittebroodsweken! ‘Welk een gunstiger tijd om uw jonge vrouw te leren en te vormen dan de tijd waarop zij schuchter en eerbaar naar haar man opziet?’

Rijk en arm
Chrysostomus was fel getroffen door de verachting die de rijken en machthebbers voor de armen aan de dag legden. Nooit nam zijn welsprekendheid zo’n hoge vlucht, als wanneer hij de ogen gevestigd hield op de lompen van de arme, huiverend van kou en zwak van honger. Dan waren zijn woorden van weemoed en droefheid doorzongen, en zijn stem als van tranen omfloerst. Het snikte hem in de keel en ontroerd verhaalde hij zijn toehoorders wat hij met zijn eigen ogen gezien had. ‘Want, toen ik mij over de markt en door de straten naar uw vergadering spoedde, en overal op de weg bedelaars zag liggen (…), meende ik mij aan de gruwzaamste wreedheid te zullen schuldig maken, wanneer ik u hierover niet onderhield. (…) Vandaar dan ook, dat velen zich als verminkten aanstellen, om onze hardvochtigheid te vermurwen. (…) Maar dat is een eer voor ons, dat alle armen heil en hulp van ons verwachten!’

De boer
Chrysostomus spreekt graag over de boeren. ‘Zij zwoegen heel hun leven door, zich afjakkerend aan hun taak.’ Zij zijn op godsdienstig gebied uiterst verwaarloosd. Hun kan zelfs geen minimum van onderwijs worden bijgebracht. Er zijn geen priesters, geen kerken. Die de macht bezitten hebben daaraan schuld: de grote eigenaars, de landheren bekommeren zich niet om de zielen van hun boeren. Chrysostomus proclameert de gelijkheid van alle mensen in God en voor God. ‘Gij mensen, zijt allen stof, as, schaduw en rook’. Het was geen poëtisch gevoel, dat hem zo deed spreken, maar het gevoel van de harde werkelijkheid. Het Byzantijnse rijk kenmerkte zich door haar weelde en civilisatie, in overdreven levensverfijning aan de ene kant en maatschappelijk onrecht aan de andere kant.

Hebzucht
Steeds heeft hij met aanklagende stem de onrechtmatige sociale ongelijkheid bestreden. ‘Gij veracht de armen, maar eert de honden en de paarden van de wedrennen! Gij draagt diamanten aan uw vingers, wier bedrag in geld gans een behoeftig volk uit de nood zou kunnen redden! Ja de hebzucht regeert de wereld! Voor haar moet alles buigen, zwichten, zwijgen’. Chrysostomus heeft niets tegen rijken, maar alleen de rijken die hun rijkdom kwalijk besteden valt hij aan. ‘Ik zeg het altijd: niet de rijke, maar de gierigaard is het voorwerp van mijn bestraffing’. Chrysostomus’ eerste hervorming tijdens zijn episcopaat te Constantinopel was een hervorming in zijn eigen huishouding. En hij beveelt dat aan iedere kerk een hospitaal zal verbonden worden.

Werk als zegen
Chrysostomus wilde het besef van sociale broederlijkheid wakker schudden in een vrij egoïstische samenleving, zó echter dat de rijke in de bedelaar en de arme in de rijke een broeder van Christus zou zien. De heidenen hebben de arbeid ontadeld en ontheiligd, Christus heeft hem weer op de troon geplaatst. Chrysostomus ziet in de christelijke arbeider die met vreugde zijn werk opneemt, een hoogstaand man, door zijn zedelijkheid verre boven de nietsdoende rijke verheven en gelukkiger dan hij. De eentonigheid van het werk wordt door gezang onderbroken. Chrysostomus eert de handenarbeid als een middel tot zelfheiliging. Op menige plaats van zijn redevoeringen heeft Chrysostomus, evenals Plato, het plan van zijn ideale republiek onderworpen. Chrysostomus heeft een droombeeld van een betere wereldorde.

Haarden van zedenbederf
De innerlijke gezindheid bewerken bij mensen, die zich verlustigen in bloedige schouwspelen, in wagenrennen, in de woeste genoegens van het Oosten, is moeilijk. Chrysostomus gaat heftig te keer tegen deze haarden van zedenbederf; hij beschouwt ze als de scholen van wellust, poelen van ondeugden met besmettelijke uitwasemingen. De rol, die deze genotsoorden in het leven van de twee grote steden, Antiochië en Constantinopel, speelden, kan niet worden overdreven. Het volk toog naar de Agora, naar de onchristelijke vermaken van de heidense theaters, naar de circusspelen met wedrennen. Naast de publieke circus- en theaterspelen, die op bepaalde dagen plaats hadden, waren nog buitengewone gelegenheden zoals de viering van ’s keizers geboortedag en troonbeklimming.

Olympische Spelen
Om de vier jaar vonden de Olympische Spelen plaats, die niet minder dan 45 dagen duurden; het waren voor het gehele land de grote feesten. Daar werden concerten gehouden, daar traden de retoren met hun prachtige voordrachten op. Er was muziek en zang, en waren spelen. Ook de vrouwen konden de verzoeking niet weerstaan aan deze fel opwindende spelen deel te nemen. Dat dit gezamenlijk turnen en sport beoefenen van beide seksen in sporttenue waarbij de vrouw en minimum van kleding of zelfs in ’t geheel geen kleding draagt, een groot gevaar voor de zedelijkheid opleverde, hoeft geen betoog. Vooral de jeugd was hierdoor het felst bedreigd. Chrysostomus achtte het zich verplicht de christenen van dergelijke lichtzinnigheden af te houden en deze heidense spelen bij hun ware naam te noemen: ongebondenheid en duivelswerk!

Het theater
‘Wanneer gij naar het theater gaat en uw ogen verlustigt bij het zien van ontblote vrouwenlijven, zo verheugd gij u daar zo lang aan, tot eindelijk een geweldige koorts u aangrijpt.’ Als hij huiswaarts keert draagt hij in zijn verbeelding mee de schunnige beelden die heimelijk maar onverbiddelijk in hem nawerken. Hij kome niet aandragen met uitvluchten: maar dat is geen kwaad, ik kan er tegen, Chrysostomus zal hem tonen dat een mens altijd mens blijft, dat hij gemaakt is uit vlees en been, en dat de hartstocht – o zo licht – hem in vuur en vlam doet oplaaien. ‘Wanneer het spel al lang uit en zij voortgegaan is, zweeft haar beeld u nog voor de geest, haar woorden, haar houding, haar blik, haar gang, haar bewegingen, haar ontuchtige ledematen wekken nog zinloze hartstocht op…en met duizend wonden gaat gij heen. Komt vandaar niet de verwarring der huisgezinnen? Vandaar de ondergang der zedelijkheid? Vandaar de verbreking der huwelijken? Vandaar twist en tweedracht? Vandaar redeloze afkeer? Want wanneer gij, vol van die toneelspeelster, als een overweldigde thuis komt, dan is het u alsof uw echtgenote u minder aangenaam is, uw kinderen lastiger, uw dienaren hinderlijk, uw huis vervelend’.

Ruzie bij de wedrennen
‘Velen houden het voor geen volmaakte zonde de theaters te bezoeken, de paardenrennen bij te wonen, het dobbelspel te beoefenen. En toch komt van daar duizendvoudig onheil in het leven voort. Herhaald theaterbezoek heeft vaak ontucht, onkuisheid en ieder soort van uitgelatenheid ten gevolge. Bij de wedrennen heb ge meestal strijd en ruzie, slagen en beschimpingen en aanhoudende vijandschappen. (…) Vluchten wij dan niet enkel de openbare zonden, doch ook dat, wat schijnbaar argeloos is, maar ons schrede voor schrede tot deze zonden voert.’

Heilig vuur
In de Goede Week van 399 dreigden grote stortregens de oogst te vernielen. Uitzinnig van angst spoedden de mensen zich naar de kathedraal, en organiseerden een processie om de hemel geweld aan te doen. Maar toen de stormbui was afgedreven, en de Byzantijnse hemel weer helder was geworden, werden op Goede Vrijdag grote paardenspelen ingezet die al het volk uit de kerk lokten. Op Paaszondag verschijnt Chrysostomus op de kansel. In zijn ogen brandt een heilig vuur. Zijn eerste woord is een kreet van smart, van verontwaardiging en van bitterheid. Zijn woorden vallen als donderslagen over het volk. ‘Hemel! wat hebben wij aanschouwd! (…) Die zich niet beteren wil, en zich hardnekkig blijft verzetten, zal voelen!’

Ballingschap en overlijden
Als Chrysostomus de mode van de vrouwen aan het keizerlijke hof afkeurt, wordt hij verbannen, maar na enkele dagen mag hij terugkeren. Twee maanden later echter, eind 403, kwam Chrysostomus weer in aanvaring met de keizerin. Ze had niet ver van de kerk een zilveren standbeeld van haar laten plaatsen; bij de huldiging vonden spelen, voorstellingen, dansen en zangen plaats, die de kerkdiensten stoorden. Chrysostomus deed hierover zijn beklag. Hij moest hierop weer in ballingschap. Ongeveer drie jaar en drie maanden na zijn vertrek bezwijkt hij van uitputting en vermoeienis op 14 september 407. De Gulden Mond was gestopt. Pas 31 jaar later werd hij volledig in ere hersteld, bij de overbrenging van zijn beenderen naar Constantinopel.

De apostel Paulus
Chrysostomus had iets met Paulus. ‘Heb ik voor al de heiligen een tedere verering, toch gaat mijn voorkeur naar de zalige Paulus’. Er is een legende dat Paulus aan Chrysostomus zijn commentaren dicteert. Ongetwijfeld is Chrysostomus onder de kerkvaders één van de beste verklaarders van Paulus. Hij heeft over de Paulus-brieven heel mooi geschreven en gepreekt. Hij wilde eens preken over een tekst uit Jesaja, totdat bij het onverwachts uitspreken van Paulus’ naam de vervoering hem aangreep en hij het uitriep: ‘Maar waar ben ik thans weer? Ik moet mij geweld aandoen, om te vermijden, dat Paulus mij niet weer gevangen neemt en mij van het leidende onderwerp van mijn preek aftrekt’.

Uitspraken
– ‘Ik ben onverzadelijk. Ik wil niet weinigen, maar allen behouden. Zo er slechts één verloren gaat, beschouw ik mijzelf als verloren’.
– ‘Dat is de bron van alle kwalen: men kent de Heilige Schrift niet!’
– ‘Gijzelf zijt altaar, priester en offer tevens. Wáár gij u bevindt, kunt gij uw altaar oprichten. Zo gij oprecht zijt voor God, kunnen tijd en plaats u niet hinderen. Al buigt gij de knieën niet, al slaat gij niet op de borst, al heft gij de handen niet ten hemel – klopt er slechts een warm hart in u, zo hebt gij alles wat tot een waar gebed wordt vereist’.
– ‘Laten we hen liever dan met woorden door ons leven beschaamd maken. Ons levensgedrag immers, dat is de grootste strijd, dat is de onweerlegbare bewijsvoering’.
– ‘Weet gij niet, dat het tegenwoordige leven een pelgrimage is? (…) Zeg mij, als gij in een herberg komt, schikt gij dan de herberg op? Neen, gij eet en drinkt en haast u om verder heen te gaan. Het tegenwoordige leven is een herberg’.

Gepubliceerd in november 2008