De achttiende eeuw

n.a.v. Paul H.A.M. Abels en Aart de Groot, ‘De achttiende eeuw’, in: Herman J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen 2006

Inleiding
Gouden Eeuw voorbij, stagnatie, verpaupering, neergang, opmars van de Fransen en uiteindelijk inlijving bij Frankrijk: zo kan de 18e eeuw worden getypeerd voor Nederland. De regenten kregen concurrentie van de democratische patriotten, er kwam een scheidslijn van voor of tegen Oranje, in het land werden vrijcorpsen opgericht die steeds meer een staat in de staat vormden. De 18e eeuw was ook de pruikentijd (gebrek aan geestkracht, onnatuurlijkheid en vormelijke gemaaktheid). Er trad een sterke verfransing op. Steden voerden een actieve wervingspolitiek om de Franse Hugenoten binnen te halen, die economisch op een hoog niveau zaten en dus winst waren voor zo’n stad.

Verlichting en Piëtisme
De 18e eeuw was de eeuw van de rede (saeculum rationalisticum) en een verlichte eeuw (siècle des lumières). De Verlichting (Aufklärung): geloven op gezag moest plaatsmaken voor zelfstandig denken. Hegel vond bestrijding van het bijgeloof de eerste taak van de Verlichting, Kant drong aan op de moed om ons van ons eigen verstand te bedienen. Voorlopers van de Verlichting zijn Hugo de Groot (tekstkritiek), René Descartes (de Coccejanen waren geneigd zijn ideeën te accepteren; zijn stelregel ‘Waar is wat ik helder en duidelijk inzie’ kon volgens hen ook bij dogmatische arbeid gelden), Spinoza, Rousseau en Bayle. Het tolerantiedenken kwam op. Tolerantie als gunst maakte plaats voor tolerantie als plicht. Veel rooms-katholieken moesten echter nog recognitie- en admissiegelden betalen om zeker te zijn van vrijheid. Er kwam een grote belangstelling voor de natuurwetenschap. J. Sammerdam meende met experimentele godsbewijzen de waarheid van het christelijke geloof te kunnen staven. Ook kwam het Deïsme op: een universele natuurreligie. Het Piëtisme is in Duitsland onder Spener en Arndt begonnen. Het was eerst een spotnaam. Het Piëtisme was een reactie op de versteende orthodoxie. In het 18e-eeuwse Piëtisme nam de afstand tot het programma van de Nadere Reformatie toe.

Universiteiten
Er ontstond langzaam een gematigd klimaat. Het supranaturalisme kwam op. De hoogleraren in de theologie doceerden elk hun eigen dogmatische systeem waarin bijbelse vakken, dogmatiek en ethiek geïntegreerd waren. De student was vrij in de keuze van de colleges. Tekstkritiek kwam er van Jean Le Clerc en Johann Jakob Wettstein (docerend in Amsterdam). Abraham Arend van der Meersch introduceerde de Duitse rationalistische theologie in ons land. Joan van den Honert (Leiden) bestreed de onrechtzinnigheid die hij overal waarnam. Voor Franeker was de 18e eeuw een bloeitijd. In Utrecht doceerde de Duitse gereformeerde theoloog Friedrich Adolph Lampe, die een invloed heeft achtergelaten. Harderwijk, de kleinste theologische faculteit, leidde een kwijnend bestaan. In Groningen gebeurde ook weinig.

Tegenstellingen en conflicten
De tegenstellingen tussen de voetianen en coccejanen ging in de 18e eeuw door. Het beroepingswerk in gemeenten met meer dan één predikantsplaats was zo geregeld dat elke ‘kolom’ op zijn tijd aan de beurt kwam. Er werden herhaaldelijk procedures aangespannen over afwijking in de leer. De zaak Stinstra (Petrus Ens, hoogleraar in Franeker werd van de academie verwijderd; de enige maal in de geschiedenis van de Gereformeerde Kerk dat een leraar is afgezet om zijn leer!), de zaak rondom de Zwolse predikant Anthonie van Os (werd geschorst, maar het magistraat hield hem de hand boven het hoofd) en Frederik Adolf van der Marck, hoogleraar rechten in Groningen (moest zijn verdediging van het natuurrecht boeten met ontslag). Voorvechter van de gereformeerde rechtzinnigheid was Petrus Hofstede (Rotterdam). Anderen waren Alexander Comrie (Woubrugge) en Nicolaas Holtius (Koudekerk) die samen het Examen van het ontwerp van Tolerantie uitgaven. Ze vonden dat het tolereren van afwijking in de leer te ver ging.

Individualisering
Er trad individualisering op. De aandacht verschoof van het theocratische naar het binnenkerkelijke, van de rechtvaardiging naar de wedergeboorte en de wedergeboren mens. Wilhelmus à Brakel gaf een dogmatiek uit: LOGIKH LATREIA, dat is Redelyke godtsdienst (1700). Bernardus Smytegelt was ook een vertegenwoordiger van de vroomheidsbeweging. Sommigen spraken van verbastering van het geloof door de ‘fijnen’. In het noorden deden Verschuir en Schortinghuis (Geestelijke gezangen en Het innige christendom: ‘die dierbare vyf Nieten’: ik wil niet, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet, ik deuge niet) zich gelden. De Kralingse predikant Theodorus van der Groe was één van de meest invloedrijke oude schrijvers. In Nijkerk vond in 1749 een opwekking/beroering plaats onder Gerardus Kuypers. Het werd een ‘hype’ in het gehele land. In 1773 werd een nieuwe psalmberijming ingevoerd. Het was een keuze uit drie bestaande berijmingen. Het ‘Eigen geschrift Davids’ bleef er ditmaal uit, hoewel dit lied bij het kerkvolk geliefd was. Hier en daar ontstond er heftig protest (Maassluis, Vlaardingen, Zeeland). Het vocabulaire was rijk met woorden als ‘deugd’, ‘reine zeden’ en ‘Opperwezen’. Ook werd het tempo van zingen versneld.

Katholieken in Nederland
Hoe verging het de rooms-katholieken in Nederland in de 18e eeuw? Er was sprake van interne twisten, wat uitliep op een heuse kerkscheuring, het Utrechts Schisma. De Oud-Katholieke Kerk ontstond toen. Voor de katholieken was de 18e eeuw de eeuw van acceptatie. De schuilkerken waren definitief verleden tijd. Petrus Codde, de apostolische vicaris, kreeg te maken met forse oppositie. Er waren tegenstellingen tussen seculiere en reguliere priesters en debatten over het jansenisme. De Jezuïeten, felle tegenstanders van het jansenisme, gebruikten deze tweedracht om het vuurtje tegen Codde verder aan te wakkeren. Er schijnen priesters te zijn geweest die de jansenistische predestinatieleer verkondigden. Codde werd uiteindelijk geschorst, met als belangrijkste reden het jansenisme. Omdat er een grote opvolgerstrijd ontstond, ontboden de Staten van Holland Codde weer om rust te brengen (1703).

Utrechts Schisma: ontstaan Oud-Katholieke Kerk
Het gezagsconflict over de Hollandse Zending was in hoge mate een zaak van priesters en prelaten. Voor de overgrote meerderheid van het kerkvolk was verbondenheid met de paus vanzelfsprekend en onbetwistbaar. De sterk geslonken, maar hardnekkige groep van opposanten tegen het Romeinse beleid kreeg steeds dringender behoeft aan een eigen bisschop, om bijvoorbeeld de sacramenten te bedienen. Nog geen honderd priesters sloegen een eigen weg in en legden de basis voor de Oud-Katholieke Kerk: de enige scheuring in de Rooms-Katholieke kerk ooit. De Jezuïeten leken met het schisma (Utrechts Schisma) het pleit in hun voordeel te hebben beslecht. Toch had de wijze waarop zij de strijd hadden gevoerd en gemene zaak maakten met Rome geen goed gedaan aan hun imago. De overheid liet dan ook geen gelegenheid onbenut om hun aantal terug te dringen. De Staten van Holland verboden in 1728 het gebed dat priesters uitspraken waarvan de inhoud terugging op de investituurstrijd in de 11e eeuw. Aan de aanwezigheid van de Jezuïeten kwam in 1773 helemaal een eind. De paus besloot de orde toen op te heffen.

Katholieken houden zich onzichtbaar
In 1737 legden de Staten van Holland een soort onroerendgoedbelasting op aan alle katholieke staties en parochies. In Nederland mocht de geestelijkheid alleen binnen de kerkgebouwen geestelijke kleding dragen. Voor het huwelijk werd gebruik gemaakt van de mogelijkheid om voor de overheid te huwen en waar dit niet mogelijk was (zoals in Overijssel) voor de gereformeerde predikant (!). Voor het ontvangen van het heilig vormsel moest men naar plaatsen net buiten het grondgebied van de Republiek. De Nederlandse katholieken gaven zelden openlijk uiting aan hun verlangen naar opheffing van hun maatschappelijke achterstelling. Ze vestigden hun hoop op een politieke omwenteling. In 1734 dachten de protestanten dat de katholieken op het punt stonden de macht over te nemen (omdat Sacramentsdag en Sint-Jan op dezelfde dag vielen, en volgens een profetie zou daarmee de dag aanbreken dat God zou afrekenen met de vijanden van Zijn Kerk).

Waalse gemeenten en doopsgezinden
In 1860 waren er 32 Waalse gemeenten in Nederland, in 1703 waren daar al 37 bijgekomen. Onder de hugenoten telde men meer dan 300 (!) predikanten, van wie de meesten natuurlijk niet meer een taak in een gemeente konden verwachten. In hun traktement werd door de Nederlandse overheid voorzien. Grote namen hier waren Pierre Bayle, Pierre Jurieu en Jacques Christian Basnage. In de loop van de 18e eeuw verminderde het aantal doopsgezinden sterk. Er waren omstreeks 1750 ongeveer 200 gemeenten en 400 predikanten (de meeste in Friesland). Er waren preciezen en rekkelijken. De eersten hielden vast aan de oude naam van mennonieten of menisten; de anderen noemden zich thans bij voorkeur doopsgezinden. Verlichting vond men hier sterk, getuige een lied: ‘O deugdgezinde Christenschaar, sla ’t oog op uwen Middelaar, ’t volmaakte voorbeeld zult g’ aanschouwen’. In veel gebieden voegde zich gemeenten samen tot sociëteiten om het erfgoed te bewaren en het gemeentelijke leven in betere banen te leiden. De zaak-Stinstra bracht beroering. Er werd aan twee Heerenveense predikanten, verdacht van sociniaanse ketterijen, het preken verboden, dit was opgelegd door de Friese Staten. Johannes Stinstra schreef tegen deze overheidsbemoeienis een vlammend betoog. Maar met zijn anticonfessionalistische, rationalistische argumentatie tastte hij het gevestigde bestel van de Republiek aan. Stinstra kreeg een preekverbod. Deze Stinstra was overigens een tegenstander van het Piëtisme (geestdrijverij) en aanhanger van het rationeel supranaturalisme, sterk beïnvloed door Engelse denkers.

Remonstranten, lutheranen en Herrnhutters
Het ledental van de remonstranten bleef beperkt. De lutheranen namen sterk in aantal toe, vooral door immigratie uit Duitsland. Amsterdam had in 1740 6 lutherse predikanten. Er was geen landelijke organisatie van gemeenten onderling. Het Amsterdamse consistorie werd als leidende instantie geaccepteerd. Doordat lutherse theologische studenten verplicht waren enige tijd in Duitsland te studeren, brachten ze vandaar dikwijls een verlichte theologie mee naar huis. Zo werd de lutherse kerk in Nederland steeds verlichter. Toen bij het beroepingswerk de orthodoxen in hun rechten miskend werden, werd de Hersteld Lutherse Gemeente opgericht (kerkgebouw aan de Kloverniersburgwal Amsterdam). Met 7500 zielen was er een kwart met ze meegegaan. Er waren ook Herrnhutters in Nederland. Hun leuze luidde: Vicit agnus noster, eum sequamuir (ons Lam heeft overwonnen, laten wij Hem volgen). In Amsterdam, Haarlem en IJsselstein kwamen nederzettingen, maar er was tegenwerking. De Amsterdamse gereformeerde kerkenraad publiceerde namelijk een herderlijke brief tegen deze mensen.

De heersende kerk
De Gereformeerde Kerk was de heersende kerk. Men zorgde voor de armen (de toenemende armoede werd niet gezien als een sociaal probleem. Men hield vast aan de theorie dat het God is die rijken en armen heeft gewild), men gaf onderwijs, gaf opvang aan de wezen, registreerde de geboren kinderen, enzovoorts. De kerk vervulde dus een maatschappijbevestigende functie. In de praktijk moest ze een pluriformiteit accepteren binnen de kerk. Men streed ook tegen de sodomie, de ‘stomme zonde’, een gruwelijk misdrijf waarover men niet sprak. De beschuldigden werden doorgaans in het geheim terechtgesteld. Zo werden in het Groningse Niekerk in 1731 24 sodomieten ter dood gebracht. De gedachte leefde sterk dat het land goddelijke straf moest vrezen als het de sodomie niet zou uitbannen.

Verdeeldheid
De Republiek werd verscheurd door verdeeldheid: het optreden van de regenten, stadhouders Willem IV en Willem V, de oorlogen met Engeland: steeds staken partijschappen de kop op. Doordat de magistraat op het beroepingswerk grote invloed had, waren de Gereformeerde Kerken een deel van het establishment geworden; van hun predikanten was doorgaans geen kritiek te verwachten op de vele misstanden in het politiek bestel. De parallellie met Israël kwam vaak in preken naar voren. Zedelijk verval leidde tot achteruitgang van de welvaart, zo beweerde men. Één van de meest bekende woordvoerders van de oranjegezinde traditie was de Dordtse predikant Johannes Barueth. Gereformeerde predikanten waren echter ook vaak patriotsgezind.

Herstel stadhouderlijk bewind 1787
Aan de euforie van de patriotten kwam in 1787 een einde, toen met hulp van Pruisische troepen, de prinsgezinden het stadhouderlijk bewind herstelden. Johannes van Diermen, predikant in Elburg, die in augustus meegeholpen had de wallen te versterken toen de stad zich weigerde te onderwerpen aan de Gelderse staten, werd ter dood veroordeeld, maar op verzoek om gratie levenslang verbannen (en in 1795 natuurlijk in zijn ambt hersteld). Vanzelfsprekend was het merendeel van de leden van de niet-gereformeerde kerken patriotsgezind. Katholieken die onverbloemd hun sympathie voor de patriotten hadden gegeven, moesten nu op diverse plaatsen nieuwe vijandigheid en achterstelling tegemoet zien. Recente verworvenheden werd ze weer afgepakt (bijvoorbeeld het lidmaatschap van gilden).

Begin Franse tijd
Het jaar 1789 was cruciaal. Zoals in Frankrijk zelf, overal waar de Fransen zegevierden kwam een eind aan het eeuwenoude ancien régime. Democratische regeringsvormen werden doorgevoerd en de rechten van de mens werden geproclameerd. Er was een nieuw tijdperk gekomen. Eind 1794 kwamen de Franse troepen, zonder bloedig geweld. De Unie van Utrecht werd opgeheven, maar de zeven provinciën bleven in naam onafhankelijk, hoewel Nederland nu de Bataafse Republiek ging heten. In 1796 kwam scheiding van kerk en staat. De traktementen en pensioenen konden nog geregeld worden. Voor de bestemming van de kerkgebouwen en pastorieën en de daarbij behorende goederen en fondsen werd tenslotte het lokale belang als bepalend aangemerkt. Het constitutieontwerp werd echter door het volk verworpen met grote meerderheid. Toen men zich hier weer over boog was het klimaat radicaal omgeslagen: ‘Elk kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijnen Eerdienst, deszelfs Bedienaaren en Gestigten’. Kerkgebouwen en pastorieën werden nu verdeeld, rekening houdend met het aantal zielen per kerkgenootschap ter plaatse. Deze verstrekkende wetgeving is echter nooit ten volle uitgevoerd. Alle burgers van 14 jaar en ouder werden verplicht zich bij een kerkgenootschap in te schrijven en een jaarlijkse bijdrage te betalen.

Bevoorrechte positie kwijt; voortaan eigen boontjes doppen
Op allerlei plaatsen ontstond een antipaaps sentiment. Hier en daar weigerde men een eed op het nieuwe bewind af te leggen, waaronder 15 gereformeerde predikanten in Amsterdam. Adequaat reageren was moeilijk voor de kerk; ze had namelijk geen centraal orgaan en de landelijke synode kwam sinds 1619 niet meer samen. In 1797 en 1798 hebben daarom enkele malen een vergadering van afgevaardigden van de provinciale synoden plaatsgevonden, de zogeheten Utrechtse coetus. De Gereformeerde Kerk wachtte een sombere toekomst door de harde maatregelen van het nieuwe regime. Er werden commissies benoemd die zorg zouden gaan dragen voor de middelen om de eredienst in stand te houden. De Gereformeerde Kerk zou moeten leren voortaan zelfstandig de voor zijn dienst noodzakelijke middelen bijeen te brengen, zoals de andere kerken het al eeuwenlang deden. Zelfs werd het kerkelijke klokkenluiden verboden, en het in het openbaar dragen van uiterlijke geestelijke tekenen. Maar toen de Franse tijd ten einde was, werd veel weer als vroeger. De theologische faculteiten liepen gevaar; vanaf 1801 zouden deze niet meer gefinancierd worden uit de staatskas. In Groningen was een theoloog, Herman Muntinghe, die met een rationalistisch supranaturalisme aan de bezwaren tegen de verouderde gereformeerde geloofsvoorstelling tegemoet wilde komen. De zending die opkwam (het Nederlands Zendelinggenootschap), was deels gemotiveerd door het beschavingsidealisme van de Verlichting, deels door een piëtistische verlangen om zielen te redden.

Katholieke kerk wel gelijkgesteld, maar nog niet hersteld
Rondom de Bataafse omwenteling leefde er een euforistische stemming onder de katholieken in Nederland. Echter, vrijheid van bisschopskeuze kreeg men nog niet. In principe werd de stichting van parochies mogelijk, maar daar kwam het nog niet van. Wel werden er seminaries gesticht en kreeg men oude kerkgebouwen terug. Hier was wel verzet tegen. Bijzonder gevoelig was de bekleding van overheidsfuncties. In gebieden waar zij verreweg in de meerderheid waren, zoals in delen van Twente, eisten katholieken zonder terughoudendheid hun aandeel in de macht op. De sociale achteruitstelling van katholieken was echter nog groot. Zo bleven verbodsbepalingen van kracht, zoals gemengde huwelijken, en ook ongunstige en discriminerende financiële bepalingen. De hiërarchie werd niet hersteld. Rome wilde zich op geen enkele wijze verbinden met de vruchten van de Revolutie, dus ook niet met de Bataafse Republiek.

Verdere maatregelen
De Constitutionele Wetten van 1806 (Koninkrijk Holland) verleenden ‘gelijke bescherming aan alle de Godsdiensten’ en bepaalden wat noodzakelijk werd geacht voor de organisatie van de erediensten. De kerk werd met andere woorden een ‘tak van staatsdienst’. Jacobus Didericus Janssen kwam aan het hoofd van het Ministerie van Eredienst te staan. Om de bittere pil voor de hervormden nog wat te verzachten, werden middelen vrijgemaakt om voor hen de bouw van kleine zogeheten Waterstaatskerken mogelijk te maken. De hogescholen van Franeker en Harderwijk sneuvelden in 1811 en de academie van Utrecht werd gedegradeerd tot een ‘école secondaire’, met de athenaea van Amsterdam en Deventer.

Gezangen
Dominees werden kanselredenaars, die hun leerrede zo literair verzorgden, dat de afstand tot de gewone kerkganger heel groot werd. Er kwam behoefte aan Evangelische Gezangen: ‘…Mochten wij in onze tempelen nog eens zingen niet meer van ’t schaduwachtig, maar nu van ’t waarachtig en nu volbrachte zoenoffer des Heilands…’ Veel was vertaalwerk van Duitse teksten. Op nieuwjaarsdag 1807 werd de bundel ingevoerd. De tijdsgeest sprak daarin duidelijk (evenals in de psalmberijming van 1773). Het geloof in de goddelijke leiding en voorzienigheid werd minder, vooral na de ramp met het kruitschip in Leiden (1807). De ramp als straf kreeg niet zoveel accent meer, wat het vroeger wel had. Bilderdijk hing een nationalistisch gekleurde voorzienigheidsgeloof aan.

Inlijving en bevrijding
In 1810 werd het Koninkrijk ingelijfd bij Frankrijk. Ons land werd voorgoed een eenheidsstaat. Het werd gelaten ondergaan. Als men de actualiteit in de preken legde, was dat in bedekte termen. Parijs onderhield namelijk een uitgebreid spionagenetwerk. In 1813 leden de keizerlijke troepen nederlagen wat leidde tot de bevrijding van Nederland uit Franse handen. De koning kwam weer terug. ‘De vóór 1795 nog gereformeerde God van Nederland was na een verlicht-revolutionair intermezzo verlicht protestant geworden…’ De erfprins die terugkwam werd binnengehaald als een mythische verlosser.

Gepubliceerd in juni 2007

Advertenties