De Amerikaanse geschiedenis

n.a.v. Jan van Oudheusden, De Amerikaanse geschiedenis in een notendop, Amsterdam 2004

Het ongerepte Amerika
Er leefden ongeveer een half miljoen Indianen in Amerika voordat de eerste blanken er kwamen. Er werden meer dan 600 verschillende indianentalen. Men leefde primitief en ging harmonisch met de natuur om. Paarden kenden ze niet, evenmin het wiel, metaal of vuurwapens. Ze bebouwden maïs en tabak, en leerden dat later de blanken hoe ze dat het beste konden doen. Amerika bestond voordat de blanken kwamen uit oerbossen. De Atlantische kust bood natuurlijke havens, vlaktes waren geschikt voor landbouw, rivieren vol vis waren goed bevaarbaar, hout was onuitputtelijk voorradig, de wildstond vormde een rijke en gevarieerde bron van voedsel en kleding. In 1000 waren het de Noormannen die Amerika bezochten. In 1492 Columbus. Engelands interesse was het grootst en zag Amerika als een manier om de overtollige bevolking kwijt te kunnen. In 1587 probeerde al iemand een kolonie te stichten, maar die verdween spoorloos.

Kolonisatie door Engeland
In 1606 verleende koning Jacobus I toestemming om Noord-Amerika te koloniseren. Er kwamen handelsposten, John Smith kwam (geholpen door de legendarische indiaanse prinses Pocahontas), Virginia werd vernoemd naar de ‘Vergin Queen’, wijlen koningin Elizabeth. In 1620 landde een tweede groep: de Pilgrim Fathers middels de Mayflower. Het waren puriteinen. Aan hen is Thansgiving Day te danken, ontstond Massachusetts en introduceerde John Winthrop de uitspraak ‘a city upon a hill’. In 1636 werd Harvard gesticht. Connecticut was even puriteins als Massachusetts, New Hampshire was minder streng, Rhode Island stond voor religieuze tolerantie en godsdienstvrijheid. Maryland werd een wijkplaats van katholieken, William Penn zocht voor quakers, wederdopers en dissenters een staat: Pennsylvania met als hoofdstad Philadelphia (broederlijke liefde). Delaware was een tweede gebied van Penn. Hij ging vriendschappelijk met Indianen om.

Nederlanders in Amerika
In 1767 kwam er een Mason-Dixon-line, de grens tussen Pennsylvania en Maryland, later belangrijk als noordgrens van slavernij. Sinds 1626 waren de Nederlanders ook actief (Manhattan). Peter Stuyvesant was hier de grote man. Brooklyn, Harlem, Wall Street, Flushing en Santa Claus herinneren nog aan onze aanwezigheid. Ten zuiden van Virginia ontstonden nog drie koloniën: North en South Carolina en Georgia. Deze regio was typisch agrarisch, met zwarte slaven als werkers. De Fransen stichtten ook koloniën: Quebec en Montreal in het noorden, Louisiana aan de monding van de Mississippi in het zuiden. Beide bezittingen verbonden ze met een keten van forten. In de kolonies werden de gouverneurs werden door de Britse Kroon benoemd. Het gezag van Engeland drukte niet al te zwaar. De meeste staten hadden volksvertegenwoordiging. Wie eigendom had, kreeg kiesrecht. Eind 17e eeuw ontwikkelde Engeland het mercantilisme (de koloniën moeten de belangen van het moederland dienen, verzekering van aanvoer van grondstoffen en afzet van eindproducten).


Ook Canada in Engelse handen
Er vond een spectaculaire groei plaats, door het dalende sterftecijfer. De gemiddelde leeftijd lag in Massachusetts al boven de 70! Maryland en Virginia werd door het moederland als dumpplek van ongewenste figuren gebruikt. Hugenoten arriveerden uit Frankrijk. De Amish streken neer in Pennsylvania. Schotse Ieren vestigden zich ook in de kolonies. Elke staat had zijn eigen slavenwetten. Vooral na 1700 steeg het aantal geïmporteerde slaven sterk. Viervijfde deel kwam terecht in het Zuiden. Tussen 1689 en 1763 vochten Engeland en Frankrijk vier oorlogen uit. De eerste drie begonnen in Europa en sloegen over naar Amerika. George Washington was toen kolonel van troepen uit Virginia. Uiteindelijk kwamen heel Canada en alle Franse bezittingen ten oosten van de Mississippi onder de Britse Kroon, evenals Spaans Florida.

No taxation without representation
Vrijwel direct na afloop van de Frans-Engelse oorlogen begonnen de problemen tussen de Britse regering en de kolonisten. De oorlog had een aanslag gedaan op de Britse schatkist, en de regering achtte het redelijk van de kolonisten een bijdrage in de kosten te vragen. Maar de kolonisten zeiden: ‘No taxation without representation’. Na de ‘Boston Massacre’ en de ‘Boston Tea Party’ kwam in Philadelphia het Eerste Continentaal Congres bijeen (september 1774). De Onafhankelijkheidsoorlog was intussen aangebroken. Op de 4e juli kwam er een ‘Declaration of Independence’:

Wij houden deze waarheden voor vanzelfsprekend, dat alle mensen gelijk geschapen zijn, dat ze door hun Schepper zijn begiftigd met zekere onvervreemdbare rechten, waaronder leven, vrijheid en het streven naar geluk. Dat om deze rechten te waarborgen er regeringen onder de mensen zijn ingesteld, die hun macht ontlenen aan de instemming van degenen over wie zij regeren. Dat wanneer enige vorm van regering destructief wordt voor die doeleinden, het het recht van het volk is haar te veranderen of af te schaffen, en een nieuwe regering in te stellen, die zich baseert op zulke beginselen en haar macht organiseert in een zodanige vorm, dat hun veiligheid en geluk hun het best verzekerd lijken.

We, the people
Op papier was Engeland veel sterker. Amerika vertoonde echter meer vechtlust. Men had in Benjamin Franklin een goodwill-ambassadeur in Europa. In 1783 was het vrede. De Engelsen trokken weg, met 100.000 loyalisten. De Grondwet die voor het nieuwgevormde land tot stand kwam, leken op een vriendschapsverbond tussen de kolonies, nu staten, met een zwak uitvoerend gezag en een vrijblijvende onderlinge band. De nadruk lag op de soevereiniteit van elke staat. Uit de beginwoorden ‘We, the people’ sprak een democratische geest. De Founding Fathers ontwierpen een ‘trias politicas’. In 1789 werd Washington de eerste president. De federatie was een feit. Meteen werden er in 1791 een tiental amendementen aan de Grondwet gehecht, om toekomstige emancipatie van achtergestelde groepen mogelijk te maken: onder andere vrije meningsuiting, godsdienstvrijheid, petitierecht en vrij wapenbezit.

De gelukkige middelmaat
De North West Ordinance van 1787 was de eerste regeringsmaatregel tegen slavernij. In dit gebied ontstonden vijf staten: Ohio, Indiana, Illinois, Michigan en Wisconsin. Hier werd slavernij verboden. Kort na 1787 kwamen de eerste drie nieuwe slavenstaten: Vermont, Kentucky en Tennessee (1791, 1792 en 1796). De blanke kolonisatie stuitte soms op de Indianen. In 1791 kwamen 600 Amerikanen om, de grootste blanke nederlaag in de expansiegeschiedenis van Amerika. Landbouw was hoofdmiddel van bestaan. Er waren weinig grootgrondbezitters. ‘De gelukkige middelmaat heeft de overhand’, zo concludeerde Benjamin Franklin tevreden. Maar er kwam een proces van commercialisering. Niet meer de boeren die hun producten op de markt brachten, maar specialisatie kwam op, wat sommigen heel rijk maakten. Er kwam een explosie van nieuwe technologieën zoals stoomboten. Door de ‘cotton gin’ ging ‘King Cotton’ in het Zuiden regeren. Er kwam een duizelingwekkende toename van katoenproductie. Tot 1808 was intercontinentale slavenhandel nog legaal. Noord en zuid werden economisch sterk afhankelijk van elkaar

De frontier steeds meer westwaarts
‘Go west, young man!’ zo klonk het omstreeks 1850. Men kopieerde in de nieuwe gebieden de oorspronkelijke woonomgeving. Pelsjagers en woudlopers gingen vooruit. Allerlei drijfveren brachten de mensen tot beweging: armoede, landhonger, jacht op fortuin, vlucht voor straf, zucht naar avontuur. Slechts één op de zeven reizigers was vrouw. Indianen waren vaak gidsen. De ‘frontier’ bracht een nieuw menstype. Er kwam partijstrijd: federalisten (de mens is in wezen niet goed, grote bevoegdheden federale overheid, nationale bank) en republikeinen (goedheid van de mens, zo klein mogelijke overheid, de typische Amerikaan is een agrariër), Hamilton en Jefferson. Washington waarschuwde ervoor geen permanente bondgenootschappen met andere landen te sluiten. Het Witte Huis kwam in ‘District Columbia’ te staan, in de stad Washington, een planmatige opgezette stad in een moerassige omgeving. In 1803 kocht Jefferson Louisiana van Napoleon, een enorm gebied tussen de Mississippi en de Rocky Mountains. Deze ‘Louisiana Purchase’ was de grootste onroerend-goedtransactie uit de geschiedenis en verdubbelde het grondgebied. Lewis en Clark verkenden het land. Van 1812 tot 1814 veroorzaakte de Brits-Amerikaanse oorlog voor een brandend Witte Huis. Winst was dat hieruit het volkslied werd geboren: de ‘Star Spangled Banner’.


Iedere 25 jaar bevolkingsverdubbeling
In de 19e eeuw verdubbelde de bevolking elke 25 jaar. Engeland, Ierland en Duitsland leverden de meesten, maar ook uit Zwitserland, Nederland en Scandinavië kwamen ze. Joseph Smith stichtte in 1830 de sekte der mormonen, in 1848 trokken ze naar het verre Westen, waar ze Salt Lake City stichten. Amerika werd aaneengesmeed door gloednieuwe netwerken van land-, water- en spoorwegen. Er kwamen raderboten, het Eriekanaal kwam er, waardoor New York een rechtstreekse verbinding kreeg met het noordwesten. In 1830 kwamen de eerste stoomlocomotieven. Amerika werd één grote, onderling verbonden markt. Er werden telegraaflijnen aangelegd (Samuel Morse, 1844). In 1831 vond Cyrus McCormick de maaimachine uit, in 1837 John Deere de stalen ploeg. De spotprijzen voor grond maakten voor duizenden kleine boeren een goed bestaan mogelijk. Er kwamen in New England kleine fabrieken, waar al veel vrouwen en kinderen werkten; ondernemers dreven het werktempo op, arbeidsverhoudingen werden onpersoonlijker.

Whigs en Democraten
Indianen moesten steeds meer westwaarts wijken. In 1810 woonden nog 6/7 van de Amerikanen ten oosten van het Appalachengebergte, in 1850 woonde de helft al ten westen ervan. Er waren geciviliseerde Indiaanse stammen. In 1830 nam het Congres de Indian Removal Act aan. In 1838 werden 16.000 Cherokees (een tot het christendom bekeerde stam!) onder escorte naar Oklahoma gedeporteerd. Die tocht vol ontberingen, de ‘trail of tears’, duurde een jaar. Een kwart kwam om. Intussen tekenden zich weer twee politieke stromingen af: de Whigs (Henry Clay, uit gegoede kringen, gelijkend op de vroegere Federalisten) en de Democraten (Andrew Jackson, maximale individuele vrijheid, de filosofie van de states’ rights). Jackson was een exponent van de groeiende democratie. Hij gaf de gewone man een stem. In 1835 kwamen in Texas wonende Amerikanen in opstand uit en wisten zich onafhankelijk te vechten. De nieuwe republiek vroeg aansluiting bij de Verenigde Staten. Ook New Mexico en Californië werden aan het grondgebied van Amerika toegevoegd. Hier zien we een eerste staaltje van Amerikaans imperialisme. De plotselinge expansie gaf veel Amerikanen de overtuiging dat hun land iets speciaals was.


De grote contradictie: slavernij
Amerika had aanvankelijk nog geen eigen cultuur. Maar het Europese neoclassicisme drukte een stempel op de architectuur van de prille natie. De klassieken waren ook al inspiratiebron voor de Founding Fathers. Het oude puriteinse ideaal liet zich hiermee goed verenigen. Alexis de Tocqueville constateerde rond 1835 al dat er een nieuwe aristocratie groeide, gebaseerd op de industriële rijkdom. Tocqueville zag de Amerikaanse maatschappij nog als materialistisch, conformistisch en cultuurloos. Boeken werden nog uit de Oude Wereld geïmporteerd. De grote contradictie van de republiek was de slavernij. Rond 1800 gingen de meeste noordelijke staten over tot afschaffing van slavernij, maar hun kinderen werden wel van openbare scholen geweerd en er kwamen zwarte kerken. Blanke zuiderlingen gingen slavernij met vergezochte argumenten verdedigen. De slaven hokten ze in primitieve hutten, ver van de villa van de meester. Goede behandeling hing af van de eigenaar en zijn opzichters. Naast katoen werd tabak, rijst en suiker bebouwd. Voor het vervoer van de producten en voor de aanvoer van de overige producten bleef het Zuiden afhankelijk van het Noorden.

Compromis na compromis
Een slavenopstand vond in 1831 plaats in Southampton County, Virginia, onder leiding van Nat Turner, een jonge predikant met een hang naar mystiek. De wetgeving werd harder. Slaven mochten niet meer leren lezen en schrijven. De Underground Railroad zorgde voor vluchtroutes. Toch was het totale aantal gesmokkelde slaven niet erg hoog. De gebiedsuitbreiding leverde extra conflictstof op. Moesten de nieuwe staten slavernij verbieden of juist toestaan? Nog wel kwam er de Missouri Compromise (Henry Clay’s creatie) en werd Maine, een deel van Massachusetts, een vrije deelstaat om het evenwicht te houden, maar het kon niet lang meer goed gaan. Yankees (Noorderlingen) en Dixie (Zuiderlingen) wantrouwden elkaar steeds meer. Het boek van Harriet Beecher Stowe over slavernij was een succes. Verder conflictstof kwam er omdat het Noorden voor protectie was, met tarieven om de industrie te beschermen, terwijl het Zuiden het juist wel prettig vond goedkope spullen uit het buitenland te kunnen betrekken. Nadat de Whig-partij uiteenviel, ontstond de Republikeinse Partij, met Abraham Lincoln als leider.

Broederstrijd
In 1854 kwam er een nieuwe crisis, Kansas was dit keer het gebied waar het om ging. Het werd uiteindelijk Bleeding Kansas. De zaak-Dred Scott zorgde ervoor dat negers nog steeds ‘koopwaar’ waren en dus geen aanklacht konden indienen. In 1859 overviel John Brown slavenhouders, maar dat mislukte. Wel luidden de klokken in het Norden tijdens diens executie. Het lied ‘John Brown’s Body’ werd populair. Met de presidentsverkiezingen van 1863, waar Lincoln won, verliet het Zuiden de Unie en stichtten de ‘Confederate States of America, met Jefferson Davis als president. Lincoln wenste slechts geleidelijke terugdringing van slavernij, maar zijn gematigde standpunt kon de seccesion niet tegenhouden. Fort Sumter was het begin van de gevechtshandelingen. De Burgeroorlog was een broederstrijd die aan 620.000 mannen het leven kostte. 23 Noordelijke staten stonden tegenover 11 Zuidelijke, 22 miljoen inwoners tegenover 5 miljoen blanke inwoners van het Zuiden, 80 procent van de industrie, de meeste mijnen en spoorwegen en de hele vloot tegenover grootgrondbezitters.


Bull Run, Shiloh, Antietam, Gettysburg, Appomatox…
Het Zuiden had echter de beste generaals: Robert E. Lee en Thomas ‘Stonewall’ Jackson. Veldslagen vonden plaats in Bull Run, Shiloh en Antietam. Na Antietam stond Engeland en Frankrijk op het punt de Confederatie te erkennen. Lincoln kondigde de Emancipation Proclamation af – wat veel sympathie uit Europa opleverde – bijna 200.000 zwarten dienden daarna in het Unieleger. Bij Gettysburg (Pennsylvania) vond de grootste veldslag plaats. William T. Sherman voerde een staaltje totale oorlogvoering uit dat vooruitwees naar de 20e eeuw. Op 9 april 1865 gaf Lee zich in Appomatox Court House over aan zijn tegenstander Grant. John Wilkes Booth schoot Lincoln dood.

Let us die to make man free
In 1860 telde Amerika 40 miljoen inwoners, in 1880 50 miljoen. In 1887 kocht men Alaska van Rusland voor 7,2 miljoen dollar. Er waren nog altijd meer boeren dan arbeiders. Nóg toonde het land karaktertrekken van Jeffersons visioen: een republiek van vrije boeren. Maar de opmars van industrie, mijnbouw en spoorwegen was alom zichtbaar, al profiteerde daar lang niet iedereen van. ‘Let us die to make man free’, zo klonk het in ‘The Battle Hymn of the Republic’, het marslied van de Noordelijken. Het 13e amendement verbood slavernij voor altijd. Voor het Zuiden was de Burgeroorlog rampzalig afgelopen. 1/4 van de weerbare mannen was gesneuveld of gewond, de afschaffing van de slavernij bekende een geweldige economische strop. Tussen 1865 en 1877 vond de Reconstruction plaats. De Zuidelijke blanken hadden overal ‘black codes’ ingevoerd, vandaar dat Republikeinen een harde aanpak in het Zuiden wilden, en die kwam er. Radicale hervormers kregen het voor het zeggen. Er kwam stemrecht voor zwarten. Het Zuiden werd onder militair bestuur geplaatst.

Separate but equal
Zwarten reageerden enthousiast op hun nieuwe vrijheid. Veel blanken beschouwden de zwarte volksvertegenwoordigers als gespuis. Zwarten gingen massaal naar school, vaak na werktijd. Ze werden wel pachtboeren, share-croppers. Het was eigenlijk een nieuw soort afhankelijkheid. Er kwam al snel een blanke reactie. De Ku Klux Clan werd opgericht. In 1877 verlieten de laatste bezettingstroepen het Zuiden als gevolg van een politiek compromis na vastgelopen presidentsverkiezingen. De rechten van de zwarten werden weer beperkt, er kwamen apartheidswetten, ‘Jim Crow-wetten’. ‘Segregation’, rassenscheiding, greep overal om zich een: in treinen, in wachtkamers. ‘Separate but equal’ was de formule. Berucht werd het ‘lynchen’, jaarlijks meer dan 185 zwarten. Zwarten warden uit de federale overheidsdienst ontslagen. In 1909 werd de National Association for the Advancement of Colored People (NAACP) opgericht.


Time is money
Het ijzeren paard veroverde ondertussen de prairie. In 1910 bezat Amerika een derde van alle spoorwegen op aarde. Er was een wildgroei aan spoorwegmaatschappijen. Velen makten oneigenlijk gebruik van de Homestead Act. Langs de spoorwegen groeiden in snel tempo de steden. Hele volksstammen kwamen per spoor naar het Westen. In 1893 deelde de regering mee dat er geen land meer viel uit te geven. Boeren vergeleken de spoorwegen met een octopus die zijn tentakels naar alle kanten uitstrekte. De macht van de spoorwegen was groot. Ze veranderde ook het denken over het begrip tijd. ‘Time is money!’ Er werden vier tijdzones vastgesteld, door de spoorwegen. Men sprak nu niet meer over reisafstand, maar over reistijd. Als de klok in New York 12 uur in de middag aangeeft, is het in San Fransisco 9 uur ’s ochtends.

From rags to riches
Amerika raakte in de ban van de industriële en technologische vooruitgang. Productieverhoging tegen lage kosten leidde tot hoge winsten. De basis voor de industrialisatie werd gevormd door rijke bodemschatten, territoriale expansie, transportverbindingen en het bestaan van een grote binnenlandse markt. De ontwikkeling werd begunstigd door de constante instroom van goedkope arbeidskrachten, maar ook door overheidsbescherming en door goed gebruik van technologie. Dit alles schiep een klimaat waarin het industriële kapitalisme, de vrije ondernemingsgewijze productie, gedijde. Uitvindingen waren er genoeg: de gloeilamp, de fonograaf (voorloper van de grammofoon), telegraaf, telefoon, typemachine, koelkast, tram en metro. Kleinere bedrijven moesten plaats gaan maken voor grote corporaties. Tenslotte controleerde één enkele onderneming een hele bedrijfstak. ‘From rags to riches’, zo klonk het, van krantenjongen tot miljonair. Velen zongen de lof van het kapitalisme.

Laissez faire
Naar de titel van een roman van Mark Twain kreeg het tijdvak 1877-1900 het etiket The Gilded Age, het vergulde tijdperk. De overheid huldigde lang het principe van ‘laissez faire’, geen overheidsbemoeienis met de economie. De overheid kon niet goed optreden omdat, als ze wat wilde doen, het Hooggerechtshof daar een stokje voor stak. Amerika was rijk, maar de rijkdom was ongelijk verdeeld. De status van de werkman daalde. Sociale voorzieningen waren er niet. Het meeste werk was dodelijk eentonig, bedrijfsongevallen waren er vele. Kinderarbeid was een groot euvel (1/5 van de kinderen in 1890). Vakbondsactiviteit was verboden. Werkgevers zagen de vakbonden namelijk als belemmering van de economische vrijheid. Op 1 mei 1886 kwam het tot onlusten, een grote arbeidersdemonstratie. Verschillende slachtoffers vielen er, anarchisten kregen de schuld. Als eerbetoon aan de doden riep de internationale arbeidersbeweging deze dag uit tot Dag van de Arbeid. Rond 1900 werkten de meesten nog altijd 60 uur per week.


Cowboys in Texas
Het wilde westen werd steeds meer getemd. De ‘gold rush’ van 1849 naar Californië was niet de enige. De gebieden tussen Californië en het midden-westen bleven dunbevolkt. Hier vestigden zich eenzame pioniers, vaak onder bittere omstandigheden. De Amerikaanse cowboy dankt zijn bestaan aan de spoorwegen: via de spoorwegen werden de oostelijke staten van vlees voorzien doordat cowboys de miljoenen longhorns (halfwilde koeien met lange hoorns) vanuit Texas opjoegen naar de treinen. Het leven van de cowboys was niet zo romantisch als films suggereren. De tijd van het echte wilde westen duurde maar één generatie. De haastig uit de grond gestampte mijnstadjes in Nevada, Colorado en de Dakota’s (vaak niet meer dan één straat met saloons, goktenten en bordelen) waren het toneel van wetteloosheid. Dorpsvergaderingen stelden op democratische wijze wetten vast en organiseerden burgerwachten. Langzaam werd het westen getemd. Boeren omheinden hun land met een nieuwe uitvinding: prikkeldraad. De cowboys konden niet langer met hun kuddes dwars over de prairies trekken.

Native Americans
Indianenstammen waren onderling sterk verschillend. Voor blanken waren het vooral obstakels. De indianenoorlogen resulteerden in reservaten, die op de slechtste stukken grond gevestigd waren. Vijandige stammen werden bij elkaar geplaatst. In 1887 nam het Congres de Dawes Act aan. Die dwong Indianen zich als individuele boeren te vestigen. Van de eens zo trotse ‘native Americans’ bleven slechts verspreide groepjes zielige, hulpbehoevende mensen over. De wet ontnam hen ook het stamverband. Tijdens één van de conflicten hakten de Dakota-indianen onder leiding van Crazy Horse een Amerikaans leger onder leiding van Custer compleet in de pan: 206 doden (‘Custer’s Last Stand’). Bij Wounded Knee vond een slachting plaats van 300 Sioux-indianen in één keer.

Ieren en Chinezen
Voor Amerika was de instroom van immigranten gunstig. Sommige groepen hadden echter moeite met inburgeren, vooral Ieren en Chinezen. Er kwam verzet. Als katholieken zouden de Ieren niet thuishoren in het overwegend protestantse Amerika. De Ieren bleven meestal in grote steden samenklitten, broeinesten van alcoholisme en criminaliteit. ‘Irish niggers’ werden ze genoemd. Het was de Angelsaksische superioriteit over deze Kelten. Chinezen hadden het nog zwaarder te verduren. Ze waren echte gastarbeiders en stuurden geld naar huis. Ze werkten in goudmijnen en aan spoorwegaanleg. Er kwamen ‘anti-koelie-clubs’. Het gele ras zou minderwaardig zijn aan het blanke. Ze waren te ijverig, ze werkten voor een hongerloontje en waren dus concurrenten op de arbeidsmarkt. De Chinese Exclusion Act uit 1882 zette immigratie uit China stop.

Populisme
Ooit had Jefferson de boeren ‘the chosen people of God’ genoemd. Nu hadden de kleine boeren in het zuiden en midden van het land het zwaar, ze warden in de steek gelaten door de overhead. Daarom kwam er in 1892 de People’s Party, kortweg de populisten genoemd (populus = volk). Het sloot goed aan op het ideaal van een puriteins, democratisch en kleinschalig Amerika. Het kwam op voor de kleine man. De macht lag in handen van de ‘captains of industry’. Politici van beide partijen lieten zich ongegeneerd steekpenningen toestoppen door de kapitaalkrachtigen. De Democratische Partij had als symbool de ezel, een verwijzing naar de wortels in het Zuiden. De Republikeinen (Grand Old Party) de olifant, verwijzend naar hun machtspositie sinds de Burgeroorlog. De partijen hielden elkaar in zeker evenwicht. Doorgaans hadden de Republikeinen een meerderheid in de Senaat, de Democraten in het Huis.



Terugblik na 100 jaar
In 1887 werd de 100e verjaardag gevierd. Van Frankrijk kreeg men het Vrijheidsbeeld als cadeau. Maar een bespiegeling kon niet uitblijven: was het nog steeds ‘the land of the free’ of dat van ‘robber barons’, industriëlen als roofridders die met smeergeld elke politicus voor hun karretjes wisten te spannen? Wel was het aan ondernemers als Rockefeller en Carnegie te danken dat de nationale rijkdom in 40 jaar tijd met 550 procent toenam. Carnegie was als arme jongetje het land binnengekomen. ‘Struggle for life’ gold: overheidsinmenging die de zwakken voortrok, zou de vooruitgang vertragen; de rijken droegen wel de morel plicht schenkingen te doen voor de bouw van scholen, bibliotheken en hospitalen. Carnegie gaf zijn vele miljoenen na 1901 systematisch uit aan filantropische doelen, waaronder de bouw van het Haagse Vredespaleis.

Oorlog met Spanje en de buit
In 1914 telde Amerika 100 miljoen inwoners, er waren 48 staten: Utah (1896), Oklahoma (1907), Arizona en New Mexico (beiden 1912) waren toegelaten tot de Unie. Na 1920 woonden er meer mensen in de steden dan op het platteland. Rond 1890 was de continentale grens bereikt; pioniers konden zich niet meer vrij vestigen aan de frontier. In 1898 liet president McKinley zich verleiden tot een oorlog tegen Spanje. Na vier maanden en 5462 doden was de buit enorm: vlootbasis Guantánamo op Cuba, Puero Rco, Guam en de Filipijnen. Zo deed Amerika toch nog aan imperialisme. In hetzelfde jaar werd Hawaii geannexeerd, met de natuurlijke haven Pearl Harbor als belangrijke basis. In 1959 zou dit eiland de 50e staat worden. Het Panamakanaal werd in Zuid-Amerika gegraven, de Verenigde Staten werden politieagent in Zuid-Amerika.


Uitvindingen
Het eerste vliegtuig steeg op in 1903 (de gebroeders Wright in Kitty Hawk) en bleef 12 seconden in de lucht; kort voor de Eerste Wereldoorlog werd zij door het leger in gebruik genomen. Hét symbool van de American Dream werd de auto. Henry Ford met zijn massafabricage en lopende band verhoogde de lonen van zijn arbeiders zodanig, dat zij zelf ook een T-Ford konden kopen. Al vóór 1900 nam Amerika de koppositie in de wereldproductie over van Groot-Brittannië. Na 1890 steeg het aantal Amerikaanse patenten op uitvindingen tot meer dan 200.000. De elektrische energie en de op benzine draaiende verbrandingsmotor kwamen op. Ook radio en film werden uitgevonden. Schaalvergroting leidde tot reusachtige warenhuizen als Macy’s. Er kwamen postorderbedrijven met attractieve catalogi. Advertentiecampagnes waren primair gericht op de vrouw.

Melting pot?
Tussen 1891 en 1914 kwam het recordaantal van vijftien miljoen immigranten Amerika binnen, vooral uit Zuid- en Oost-Europa. Hele Russische en Italiaanse dorpen lieten zich naar de Nieuwe Wereld transplanteren. In de stadswijken kwamen ‘bosses’, politici die een wijk beheersten; in ruil voor weldaden (voedsel, brandstof, scholen, parken) verwachtte hij van de nieuwkomers steun bij verkiezingen. In plaats van een ‘melting pot’, een smeltkroes, te vormen, deden de Amerikaanse steden denken aan een kosmopolitische lappendeken, de wereld in het klein. In New York woonden meer Italianen dan in Napels en meer Joden dan in heel West-Europa! Steeds meer Amerikanen gingen roepen om immigratiebeperking. De vele katholieken zouden het protestantse karakter van het land bedreigen, zo vonden sommigen. De invoering van lees- en schrijftests voor immigranten werd geblokkeerd door een presidentieel veto.

Progressives
Steden breidden steeds verder uit. De stad werkte als een magneet, waardoor het platteland deels ontvolkte. Vanaf 1900 kregen de steden een fascinerende ‘skyline’. De oudste, Flatiron Building in New York, telde twintig verdiepingen, in 1913 werd Woolworth Building met zestig verdiepingen en 241 meter hoogte het hoogste gebouw ter wereld. Middengroepen verkozen de rust van de voorsteden. Zwarten kwamen vanuit het zuiden hun geluk beproeven in de noordelijke industrieën. Ze kwamen terecht in getto’s. Verpaupering, criminaliteit en drankmisbruik baarden grote zorgen. Er kwam actie voor maatschappijverbetering. Vrouwen deden van zich spreken. Een nieuw type vrouw kwam op: ongetrouwd, universitair geschoold, sociaal bewogen, onafhankelijk. ‘Progressives’ wilden de ergste uitwassen van het kapitalisme bestrijden, zoals kinderarbeid, corruptie en machtsmisbruik van de trusts en bosses. Journalisten spoorden misstanden op, ze werden wel ‘muckrakers’ (mestharkers) genoemd, omdat ze graag in vuile zaakjes wroetten.


Eerste Wereldoorlog als einde van een periode
De Amerikaanse intrede in de Eerste Wereldoorlog markeerde het einde van de Progressive Era. Lang niet alles was bereikt. Het zakenleven had wel concessies moeten doen tegenover de regulerende overheid, maar de invloed van het bedrijfsleven bleef groot. Door toedoen van de progressives veranderde het beeld van ‘de Amerikaan’ van een boer in een stadsbewoner. Opinieleiders stemden hun boodschappen van geluk en welzijn steeds meer af op de stedelijke massamens. Het wachtwoord werd: efficiëntie. De ijskast maakte een gevarieerder menu mogelijk. Elektrisch licht verlengde de dag, de telefoon raakte ingeburgerd, de naaimachine, de vulpen, de grammofoon en de camera werden massaproducten. Daarnaast kwamen er allerlei vormen van amusement: reizende circussen, theaters, vaudevilleshows (grappige vorm van theater, bijvoorbeeld Charlie Chaplin) en de film. Sporten als honkbal, American football, boksen en paardenrennen kwamen op. Tegelijkertijd werd gedebatteerd over de vraag of de Amerikaanse samenleving een smeltkroes was, óf een ‘nation of nations’, een volk bestaande uit vele volkeren. Amerika is het meest democratisch land ter wereld. In 1913 werd rechtstreekse verkiezing van senatoren ingevoerd, zonder het voorheen ondoorzichtige systeem van kiescolleges. Andere democratiseringsmiddelen waren het initiatief, het referendum en de ‘recall’. Dit alles uit achterdocht tegenover achterkamertjespolitiek.

Deelname in de Eerste Wereldoorlog
Amerikanen hadden ongelovig en geschokt gereageerd op het nieuws van de mobilisaties en oorlogsverklaringen in juli/augustus 1914. President Wilson wilde Amerika buiten de oorlog houden. Hij had wel uitgesproken ideeën over buitenlandse politiek. Hij wilde moraliteit en idealisme uitdragen, waar chaos heerste. De hoop van de Amerikanen met beide oorlogvoerende partijen zaken te blijven doen werd illusoir toen de Britten een zeeblokkade instelden. Amerikanen leenden veel geld aan de geallieerden, veel meer dan aan de Duitsers en hun bondgenoten. Op 7 mei 1915 trof een Duitse torpedo het Britse passagiersschip Lusitania, waarbij 1198 slachtoffers vielen, onder wie 128 Amerikanen. Daarna kwam er een onbeperkte duikbotenoorlog, door de Duitse regering afgekondigd. Op 6 april 1917 tekende Wilson de oorlogsverklaring. Amerika bracht 2,8 miljoen man op de been. Er zouden 109.000 slachtoffers vallen, van wie de meesten stierven aan ziekten. Vele vrouwen moesten nu gaan werken. Dit resulteerde in verdere emancipatie en het vrouwenkiesrecht in 1920.

Geen deelname aan de Volkenbond
Voor het eerst kende Amerika censuur en propaganda. Een venijnige vorm van nationalisme maakte zich meester van de maatschappij, het honderd-procent-amerikanisme. Iemand kreeg tien jaar celstraf omdat hij een anti-oorlogsspeech had gehouden. Na de oorlog kwam Wilson met zijn Veertien Punten. De Volkenbond werd gevormd. Het was de eerste keer dat een Amerikaans president Europa bezocht. Het werd een bittere teleurstelling. Wilson maakte de fout geen vooraanstaande Republikeinen mee te nemen in zijn delegatie naar Versailles. Hierdoor werd de ratificatie van het verdrag van Versailles een kwestie van partijpolitiek. Tijdens een afmattende reis door zijn land, waarin hij in drie weken tijd 12.000 kilometer per trein aflegde en 32 speeches hield, stortte hij in. Een beroerte maakte hem invalide voor de rest van zijn ambtstermijn.


Desillusie na de Eerste Wereldoorlog
Amerika viel dus terug in het isolationisme. Men wilde zich niet vastleggen op welke verplichtende verbintenis dan ook. In 1928 kwam het Briand-Kelloggpact. Amerika en Frankrijk verklaarden dat oorlog werd uitgebannen als middel van internationale politiek; uiteindelijk zouden 62 landen medeondertekenen. Na de Eerste Wereldoorlog was de desillusie groot: de koloniale instincten van Engeland en Frankrijk kwamen weer los. In Amerika kwam er een angstpsychose tegenover alles wat rook naar communisme, de ‘red scare’. Er was vrees voor revolutie en roep om ‘law and order’. Er kwam een klopjacht op linkse organisaties. In 1921 en 1924 nam het Congres twee wetten aan die quota stelden aan immigratie, op basis van de hoeveelheid Amerikanen van bepaalde etnische oorsprong. Hierdoor werd de immigratie uit Zuid- en Oost-Europa praktisch stopgezet. De Ku Klux Klan maakte een tweede bloei door. Men voerde nu een kruistocht voor honderd procent Amerikanisme, orthodox-protestants christendom en zedelijkheid. In 1925 waren er al weer twee miljoen leden.

De drooglegging
Zwarte Amerikanen voelden zich nog steeds als tweederangs burgers. In 1925 vond in Tennessee het apenproces plaats: Een jonge biologieleraar, John Scopes, werd hierin verboden om de kinderen in de evolutietheorie te onderrichten. Het was een juridische krachtmeting tussen twee levensvisies, het fundamentalisme en het modernisme. Het experiment met de ‘prohibition’, de drooglegging, wees op isolationisme, omdat het bewees dat Amerika zich anders, verhevener zag dan de rest van de wereld. Deze maatregel was een erfenis van de progressives. Heel wat deelstaten waren trouwens al langer drooggelegd. De uitwerking was averechts. De gevangenissen barstten uit hun voegen. Overal waren speakeasy’s, illegale kroegen (alleen al in New York 32.000). Maffia-organisaties kochten agenten, politici en rechters om en domineerden weldra hele stadswijken.

The Roaring Twenties
De opmars van de verstedelijkte samenleving was een feit. Men sprak van de ‘gay twenties’ (de vrolijke jaren twintig). Er kwamen nieuwe buitenwijken en tuindorpen (suburbs). Er waren in 1929 al meer dan 400 wolkenkrabbers. Foto’s van acrobatische bouwvakkers die driehonderd meter hoog op de stalen balken van in aanbouw zijnde wolkenkrabbers balanceerden, leverden nieuw bewijsmateriaal dat de optimistische American Dream geen hersenschim was: de frontier reikte letterlijk tot in de hemel. Banen waren gemakkelijk te vinden. Nieuwe krachtbronnen zoals stoomturbines maakten grootschalig elektriciteitsgebruik mogelijk. Obsessieve betrokkenheid met sport werd een constante factor in Amerika’s openbare leven. Commerciële omroepmaatschappijen kwamen er: de National Broadcasting Company (NBC) in 1926, de Columbia Broadcasting System (CBS) in 1927. In 1914 waren er al één miljoen auto’s, van elke zes auto’s in de wereld reden er in 1929 vijf in Amerika, dat is 26,5 miljoen in totaal. Europa liep hierin dertig jaar achter. De groei van het autopark stimuleerde weer tal van andere bedrijfstakken. In 1927 vloog het eerste vliegtuig van New York naar Parijs. In Hollywood werden aan de lopende band films geproduceerd. In 1927 waren er al 17.000 bioscopen. Jazz als muzieksoort trok een breed jongerenpubliek; het werd als schokkend ervaren voor de oudere generaties. De rokken van meisjes werden steeds korter, de haardracht steeds jongensachtiger. In 1928 was er de eerste katholieke presidentskandidaat. Dit was voor veel kiezers nog bezwaarlijk.


De grote depressie van 1929
Kort na Hoovers ambtsaanvaarding sloeg het noodlot toe. Begin 1929 stokte de verkoop van auto’s en begon de huizenbouw te stagneren. Veel aandeelhouders vroegen zich af hoe lang de koersen nog konden blijven stijgen. Op 24 oktober 1929, Zwarte Donderdag, sloeg de paniek massaal toe. Duizenden investeerders waren in één klap alles kwijt. In maart 1933 bedroeg de waarde van de aandelen nog maar een vijfde van die van 1929. Oorzaken waren overproductie en het ongezonde bankwezen. Vijf procent van de bevolking bezet een derde van de welvaart. Banken verschaften onverantwoord veel krediet aan hun klanten. Kopen op afbetaling was populair: ‘Live now, pay later!’ Veel banken gingen failliet, miljoenen Amerikanen waren ineens al hun spaartegoeden kwijt. De crisis sloeg over naar andere landen, vooral naar Duitsland.

Roosevelt president
Dit alles had een verlammend psychologisch effect. Niemand durfde nog te investeren. In de zomer van 1932 was de industriële productie teruggevallen naar de helft van die van 1929. Wie geluk had, behield zijn baan, maar moest dan wel flinke loonsverlaging accepteren. Zo’n vijftien miljoen Amerikanen werden werkloos: één op de drie à vier kostwinners. Er kwamen uitdeelplekken van brood en soep (liefdadigheidsinstellingen). Er verrezen krottenwijken. In heel het land hing een lamgeslagen sfeer. President Hoover bleek niet in staat de crisis te bezweren. Toen oorlogsveteranen demonstreerden voor een bonus op een uitkering gaf de president aan generaal Douglas MacArthur de opdracht ze te verwijderen, wat met veel geweld gebeurde. De verkiezingen verloor hij dus. Franklin Delano Roosevelt was de nieuwe president. Op zijn 39e was hij invalide geraakt door polio. De manier waarop hij tegen de ziekte streed wekte bewondering. Hij pakte het geheel anders aan: een ‘New Deal’, en hij zegt: ‘The only thing we have to fear is fear itself’.

Fireside chats
Roosevelt was een geniale manipulator. Want om zijn ‘Big Government’-ideeën uit te voeren was heel wat nodig. De gevolgen van zijn handicap wist hij buiten de publiciteit te houden, alsmede zijn verhoudingen met andere vrouwen. Hij hield ‘fireside chats’ (radiopraatjes bij het haardvuur). De New Deal was geen consistent program, maar een reeks experimenten waarvan het succes allerminst voorspelbaar was. Het ging uit van de verantwoordelijkheid van de federale overheid voor hulp aan werklozen. Hoewel het zijn oogmerk was om het kapitalistische systeem weer draaiende te krijgen, viel hem een storm van kritiek ten deel van de leiders van ‘big business’, die voelden dat de tijd van overheidsonthouding voorbij was. Hij was ‘the red man in the White House’. Pas door de Tweede Wereldoorlog zou de werkloosheid verdwijnen. In economisch opzicht is de New Deal dus mislukt.


Give us the tools, and we’ll finish the job
De verkiezingen van 1936 leverden toch een recordoverwinning op voor Roosevelt. Iedereen was tegen hem, behalve de kiezers, zo zei men. De Democraten beheersten de Senaat en het Huis met overmacht. Van groot belang was de overgang van zwarte kiezers van de Republikeinen naar de Democraten. Sinds Roosevelt vormt het Witte Huis de spil waar de Amerikaanse politiek om draait. In de jaren dertig werd het nieuws uit het buitenland steeds onheilspellender, maar des te hardnekkiger leek het streven van Amerika om buiten elk conflict te blijven. Een opiniepeiling wees uit dat 94 procent de voorkeur gaf aan strikt neutraliteit. Japen, Duitsland en Italië hoefden zich dus voorlopig geen zorgen te maken over Amerika. De Britse premier deed echter een dringend beroep op Amerika om hulp: ‘Give us the tools, and we’ll finish the job!’ Wel kwam er voor het eerst dienstplicht in vredestijd.

De four freedoms
In 1940 brak Roosevelt met een traditie, ingesteld door Washington, door zich voor een derde termijn kandidaat te stellen voor het presidentschap (later zelfs een vierde keer). Hij won comfortabel. Hij sprak na de overwinning van de ‘four freedoms’: elk mens heeft recht op vrijheid van meningsuiting en van godsdienst, en op vrijwaring van vrees en gebrek. Het was een radicale koerswijziging. Hij kwam met de beroemde Lend Lease Act, een imposante stroom goederen ging scheep richting Engeland. De oorlog kwam steeds dichterbij, helemaal toen Duitse torpedo’s enkele malen Amerikaanse oorlogsschepen raakten. Maar niet Duitsland, maar Japen schoot de Verenigde Staten uiteindelijk de oorlog in. Zondag 7 december 1941 werd Pearl Harbor gebombardeerd; meer dan 2000 mariniers kwamen om. Het isolationisme was plotsklaps verdwenen.

Bijna 300.000 vliegtuigen gebouwd
De oorlogsproductie kon beginnen. 15 miljoen mannen kwamen onder de wapens. Er kwam een schreeuwende vraag naar arbeidskrachten. Productiecijfers braken weldra aller records. De werkloosheid verdween. Vrouwen en zwarten konden massaal aan de slag. 27 miljoen mensen, een vijfde van de bevolking, verhuisden; velen trokken uit de zuidelijke plattelandsstreken naar de industrieën in het noorden of het verre westen. Het was de grootste volksverhuizing uit de geschiedenis. Er werden tanks, trucks en jeeps gemaakt. Spectaculair waren de cijfers van de vliegtuig- en scheepbouwindustrie: 296.400 vliegtuigen en vele tienduizenden schepen. In 1943 moesten 140.000 Amerikanen zich overgeven op de Filippijnen, de grootste capitulatie uit de Amerikaanse geschiedenis. Japan bezette alle eilandengroepen in de Pacific.


Operatie Overlord
Dwight D. Eisenhower was generaal in Noord-Afrika. Daar vanuit landden Amerikanen zomer 1943 in Zuid-Italië. De conferentie van Teheran, eind 1943, was de eerste ontmoeting tusen Churchill, Roosevelt en Stalin. Een tweede front in Europa werd geopend: operatie ‘Overlord’, onder commando van Eisenhower. Op 6 juni 1944 landden Amerikanen, Britten en Canadezen op de stranden van Normandië. De verliezen waren groot, bij Arnhem mislukte de poging om direct naar het hart van Duitsland door te stoten, in de Ardennen kwam Hitler met een wanhoopsoffensief. In de Pacific paste het Amerikaanse leger de strategie van de kikvors toe: eiland-springen. Generaal MacArtur heroverde de Filipijnen. Roosevelt stelde zich inmiddels voor de vierde maal kandidaat. Hij wisselde wel van vice-president: dat werd nu Harry S. Truman. Kort na zijn inauguratie vond in Jalta (Russische Krim) een conferentie plaats met Churchill en Stalin. Roosevelt werkte ook nog mee met de oprichting van een nieuwe vredesorganisatie: de Verenigde Naties. Op 12 april 1945 stierf Roosevelt plotseling aan een hersenbloeding.

Truman komt met atoombommen
Truman legde minder egards tegenover de communistische bondgenoot aan de dag dan zijn voorganger. De verovering van het eiland Iwo Jirma en later van Okinawa kostte de Amerikanen tienduizenden doden en gewonden. Hierop werd Tokio gebombardeerd; 83.000 mensen kwamen in één nacht in de vuurzee om. Japan antwoordde met kamikazevluchten. Er viel te vrezen dat, voordat men heel Japen veroverd zou hebben, er misschien wel een miljoen Amerikaanse soldatenlevens moesten opgeofferd worden. Daarom werd besloten tot twee atoombommen (op Hiroshima en Nagasaki) voordat Japen zich overgaf. Die bommen waren ontwikkeld in het geheime Manhattanproject sinds 1939. De Japanse keizer gaf zich over met een toespraak die begon met de volgend woorden: ‘Landgenoten, de situatie heeft zich ontwikkeld tot een richting die niet noodzakelijkerwijs positief is…’ Zelden zo’n understatement gehoord!

Truman-doctrine en containment
Machtiger en rijker dan de Verenigde Staten in 1945 was er nog nooit een land op aarde geweest. De oorlog was bevorderlijk geweest voor de welvaart. Europeanen waren Amerika intens dankbaar voor hun bevrijding. Uncle Sam werd vanaf nu door Europa amechtig bewonderd en geïmiteerd. De communisten hadden maar voor één ding respect: macht. Dat begreep Amerika. De Russische machtsontplooiing in Oost-Europa bevestigde het wantrouwen. Een ‘ijzeren gordijn’ werd in Europa neergelaten, zo zie Churchill in een speech in Amerika. Toen ook Griekenland gebaar liep greep Amerika in. Het idee dat de bakermat van de democratie in communistische handen zou vallen, was voor het Westen onverdraaglijk. De president lanceerde de ‘Truman-doctrine’: Amerika zou alle naties steunen die bedreigd werden door gewapende minderheden of druk van buitenaf. Het streven was gericht op ‘containment’ (indamming) van het communisme.


Het rode gevaar
De algehele situatie in Europa was ernstig. Daarom kwam er de Marshallhulp, van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. Stalin verbood zijn satellietstaten op dit aanbod in te gaan. Amerika werd suikeroom. Naar Berlijn kwam een luchtbrug. Op 2 april 1949 werd de NAVO opgericht. Het was het definitieve einde van het Amerikaanse isolationisme. Truman was intussen niet populair in eigen land. Men was overheidsbemoeienis beu. De stemming in het land keerde zich tegen de macht van de vakbonden. Toch won Truman de verkiezingen van Thomas Dewey. Er kwam nu ook een heksenjacht op echte en vermeende communisten. In een geruchtmakend zaak wist een jong Congreslid, Richard Nixon, een topambtenaar als Sovjet-spion aan te wijzen (al kwam het bewijs pas in de jaren negentig). De paranoia werd versterkt na het nieuws over de eerste Russische atoombom. Joe McCarthy uit Wisconsin begon een heksenjacht tegen alles wat communistisch was/leek. Pas na 1954 kwam er een einde aan de hysterie toen collega-senatoren hem ontmaskerden als bedrieger.

Azië gaat verloren
Mao Zedong had zich intussen van China meester gemaakt, ‘We have lost China!’ zo kopten de kranten. Sindsdien pompte Amerika vele dollars in Taiwan, het land dat Amerika bleef beschouwen als enige vertegenwoordiger van het Chinese volk. Noord-Korea viel in communistische handen. Amerika zond een interventiemacht. MacArthur pleitte in het openbaar voor de inzet van atoomwapens tegen China. Hierop ontsloeg Truman hem. De generaal kreeg bij thuiskomst een ovationeel welkom; in New York stonden acht miljoen naar hem te juichen. Maar Trumans beslissen redde misschien wel de wereldvrede. Amerika betreurde in Korea 25.000 doden en 10.000 vermisten. Het was de eerste oorlog die Amerika niet had kunnen winnen. De spanningen tussen Oost en West bleven; een nucleaire wapenwedloop nam een aanvang. In 1952 kwam de waterstofbom tot ontploffing, waarbij vergeleken de atoombom slechts een voetzoeker leek.

Eisenhower
Eisenhower (toen opperbevelhebber van de NAVO) werd in 1953 de nieuwe president. In 1951 werd per grondwetsamendement bepaald dat een president maximaal twee ambtstermijnen mocht dienen. Anders zou Eisenhower misschien ook wel langer zijn doorgegaan, want hij deed het goed. De wapenstilstand in Korea en de plotselinge dood van Stalin droegen bij tot een lichte dooi in de Koude Oorlog. In de jaren 1950 groeide de bevolking van Amerika van 151 naar 179 miljoen mensen. De deuren werden weer opengezet voor immigratie. In 1965 zouden de laatste beperkingen zijn opgeheven. De naoorlogs geboortegolf (de ‘babyboom’) droeg aanzienlijk bij tot de groei. Ook voor arbeiders en lagere middengroepen leek de American Dream in vervulling te gaan. Televisie veroverde stormenderhand de natie. In 1960 had al 90 procent een televisie in huis staan. Afgezien van het rassenvraagstuk leken grote maatschappelijke tegenstellingen overwonnen of op zijn minst oplosbaar.


Kennedy
John F. Kennedy was in 1960 de winnaar van de presidentsverkiezingen. Zijn vader was kleinzoon van katholieke Ierse immigranten, die een fortuin had verdiend in de dranksmokkel. Kennedy beloofde een ‘New Frontier’ en wist de ingedommelde natie in beweging te zetten. ‘Ask not what your country can do for you, ask what you can do for your country’. Hij kwam ook met een geldverslindend ruimtevaartproject. Succesvol was Kennedy niet. Het conservatieve Congres zette de hakken in het zand en Kennedy miste het geduld en de tact om met de weerspannige volksvertegenwoordiging om te gaan. In 1961 vond de mislukte invasie in de Varkensbaai op Cuba plaats. In datzelfde jaar bouwde de DDR de Berlijnse Muur, zonder dat Amerika er een stokje voor stak. Wel kwam Kennedy in 1963 naar Berlijn en sprak de historische woorden: ‘Ich bin ein Berliner’. In 1962 liet Chroesjtsjov middellangeafstandsraketten met kernkoppen plaatsen op Cuba. Dit bracht de Koude Oorlog in haar grootste crisis. Het ging op het nippertje goed. Voortaan kwam er wel een permanente telefoonverbinding tussen het Witte Huis en het Kremlin, de ‘hot line’.

War on poverty, stortvloed aan wetten
Aan het nijpende rassenvraagstuk besteedde JFK aanvankelijk niet veel aandacht. Dat kwam pas toen Lyndon Baines Johnson president werd, nadat Kennedy in Dalles op 22 november 1963 werd vermoord. Martin Luther King was een jonge zwarte dominee die geweldloos verzet predikte en burgerlijke ongehoorzaamheid. ‘I have a dream…’ zo sprak hij. Johnson, een Texaan, kwam met de Great Society. Wat Kennedy nooit lukte, deed Johnson in een handomdraai, doorkneed als hij was in alle trucjes na zijn jarenlange ervaring als Congreslid. Er kwam een stortvloed aan wetten. In 1971 gaf de overheid voor het heerst meer uit aan sociale zaken dan aan defensie. Vietnam ontnam Johnson de eindzege in zijn ‘war on poverty’. Vietnam dreigde namelijk te komen in communistische handen en volgens de dominotheorie betekende dat niet veel goeds voor de regio. In 1967 waren er al een half miljoen Amerikaanse soldaten in Vietnam. De media gaven het beeld van een uitzichtloze oorlog. De president kreeg veel kritiek en besloot in 1968 zich niet meer herkiesbaar te stellen.

New left en Middle America
Het protest tegen de oorlog mengde zich met de ‘new left’: studenten, hippies en feministes. Ze verwierpen de traditionele maatschappij met haar ‘family values’ en materialistische zelfgenoegzaamheid. Ook waren er radicale zwarten, voor wie geweldloos verzet te soft was: Malcom X van de Black Muslims. Van 1965 tot 1968 vonden de beruchte ‘lons hot summers’ plaats. Bijna tien miljoen mensen stemden als gevolg van al deze dingen op de felle racist Wallace, die als onafhankelijke presidentskandidaat hun onlustgevoelens exploiteerde. Het verkiezingsjaar 1968 verliep dramatisch: Maarten Luther King werd in Memphis vermoord, presidentskandidaat Robert Kennedy in Los Angeles. Nixon won namens de Republikeinen de verkiezingen makkelijk. Zijn kiezers vertegenwoordigen ‘Middle America’. Van langharig tuig en demonstrerende zwarten moesten deze mensen niets hebben. Het was de ‘zwijgende meerderheid’, niet rijk en niet arm, wonend in een suburb, gesteld op rust en de bescherming van haar bezit.



Vietnamoorlog afgelopen
Nixons buitenlandse politiek werd gemarkeerd door opmerkelijke successen, die hij vooral dankte aan de inzet van zijn geniale buitenlandadviseur en later minister Henry Kissinger (Harvard-professor). Nixon had beloofd de Vietnamoorlog te beëindigen. Hiertoe breidde hij de bombardementen uit tot in het neutral Cambodja. De oorlog was de langste en kostbaarste uit de Amerikaanse geschiedenis: 58.000 doden, 300.000 gewonden aan Amerikaanse zijde. In totaal vielen er twee miljoen slachtoffers, voornamelijk Vietnamese burgers. De Amerikaanse luchtmacht wierp boven Vietnam driemaal zoveel bommen af als de geallieerden in heel de Tweede Wereldoorlog en reduceerde hele streken tot een maanlandschap. Schadelijk was ook het verlies aan internationaal krediet. Alle goodwill die was opgebouwd ging verloren; het anti-amerikanisme kwam op. Sinds de Burgeroorlog was de eigen bevolking niet meer zo verdeeld geweest. Na het vertrek van de Amerikanen uit Vietnam duurde het wee jaar voordat het land alsnog geheel communistisch werd…

America: love it or leave it
Het meest sensationele succes van Kissinger was het herstel van de betrekkingen met de Volksrepubliek China. In 1971 deed China intrede in de Verenigde Naties en nam de plaats van Taiwan over. In Moskou kreeg Nixon een hartelijk onthaal. SALT-besprekingen (over beperking van strategische wapens) met Brezjnev leidden tot resultaten. Toen in 1973 Israël werd aangevallen, reageerde Nixon door een luchtbrug die juist op tijd tanks en andere wapens leverde waarmee de oorlogskansen keerden. Wat betreft binnenlandse politiek waren er enorme begrotingstekorten. Nixon zette het mes in allerlei sociale uitgaven en bepleitte ‘heilzame verwaarlozing’ van het rassenvraagstuk. Aan de progressieve rol van het Hooggerechtshof kwam een eind toen Nixon enkele van zijn conservatieve vrienden in het college wist te benoemen. Inmiddels keek de oudere generatie Amerikanen vol afgrijzen naar het vrijgevochten gedrag van de maatschappijkritische jongeren, dat zich manifesteerde in drugs, vrije seks en abortus. De rechtse reactie tegen linkse oproerkraaiers was eenduidig: ‘America, love it or leave it’. In 1972 haalde Nixon een klinkende overwinning.

Watergate
Zijn tweede termijn werd echter overschaduwd door het Watergate-schandaal. Een team ‘loodgieters’ had ingebroken in het Democratisch hoofdkwartier; Nixons naaste stafmedewerkers hadden hier de hand in. De vraag was of de presidend zelf op de hoogte was geweest van de illegale praktijken van het team en pogingen ze in de doofpot te stoppen. Geluidsbandjes lieten de waarheid horen. Nixon leek een man met bepaalde paranoïde trekken. Een ‘impeachment’-procedure werd niet afgewacht; Nixon trad af, een unicum in de Amerikaanse geschiedenis. Zo eindigde Nixons verdienstelijke carrière in een vernederende anticlimax. Diens opvolger Gerard Ford was de eerste en enige president die nooit gekozen is; de vice-presidentskandidaat in 1972 was namelijk iemand anders. Ford verleende meteen aan Nixon vrijwaring van rechtsvervolging.

Carter
Ford miste de overtuigingskracht om over Amerika’s trauma’s heen te komen. De viering van de 200e verjaardag van het land in 1976 deed sommigen verzuchten dat de American Dream in een nachtmerrie was geëindigd. Aan de recessie was nog geen einde gekomen; in 1975 was 9 procent van de beroepsbevolking werkloos. In 1976 werd Jimmy Carter president, een moreel hoogstaande man. Bijna de helft van de kiezers ging helemaal niet meer stemmen. Carter was een dolende president. Hij was in opiniepeilingen nog impopulairder dan Nixon tijdens Watergate. Hij oogstte weinig lof, wel een hoop irritatie voor zijn nadruk op de internationale naleving van mensenrechten. Hij wilde Panama teruggeven. Een senator zei daarop: ‘We hebben de kanaalzone eerlijk gestolen, dus waarom haar nu prijsgeven?’ In 2000 zouden de ‘stars and stripes’ er gestreken worden. Carter boekte een succes doordat hij Egypte en Israël een vredesakkoord liet ondertekenen in zijn buitenhuis Camp David.

Reagan en de moral majority
Met kerst 1979 ging het mis voor Carter. Russische troepen bezetten Afhanistan, waarop de Verenigde Staten de Olympische Spelen van 1980 in Moskou boycotten. Daarbij kwam de Iraanse crisis; de revolutie daar zorgde voor een gijzeling van het Amerikaanse ambassadepersoneel, omdat Amerika de uitlevering van de doodzieke ex-heerser sjah Reza Pahlevi weigerde. Veel kiezers waren gefrustreerd over de internationale vernedering van hun land. Carters latere activiteiten voor vrede en mensenrechten dwongen meer respect af dan zijn presidentiële optreden. In 1980 kwam er vervolg aan de rechtse revolutie toen Ronald Reagan president werd. Binnen de Republikeinse Partij roerden opvallend veel vertegenwoordigers van de ‘moral majority’ hun mondje. Dominees als Jerry Falwell lieten hun boodschap horen: geen abortus, geen drugs, geen echtscheiding, het gebed terug op de scholen. Meer dan 70 miljoen Amerikanen bleken in 1980 aangesloten bij kerkgenootschappen die een ouderwets christelijk stempel droegen. Het was opmerkelijk dat Reagan zijn eigen, weinig godsdienstige levenswandel handig buiten de publiciteit wist te houden zodat conservatieve christenen massaal op hem stemden.

Reaganomics
Reagans kwaliteit was communicatie. Toen er een mislukte moordaanslag op hem gepleegd werd zei hij: ‘I forgot to duck’, en toen hij op de operatietafel lag zei hij tegen de artsen: ‘Ik hoop dat jullie Republikeinen zijn’. Democratische tegenstanders konden niet tegen Reagan op, ook al had hij zeer geringe dossierkennis. Toen de space-shuttle Challeger in 1986 explodeerde, wist Reagans retoriek de juiste snaar te raken. Reagans economische politiek zorgde voor een vermindering van overheidsuitgaven. Hij snoeide in belastingen en uitgaven voor gezondheidszorg, onderwijs en sociale zaken. Deze politiek van ‘Reaganomics’ vond in de Britse premier Margaret Thatcher een warme pleitbezorgster. Defensie-uitgaven stegen wel. Ook bemoeide Reagan zich met El Salvador en Nicaragua en leverde hij wapens aan Iran. Een schandaal dat hieromtrent uitbrak overleefde hij. Reagan sprak over de Sojvet-Unie als de ‘evil empire’.

Golfoorlog
George Bush, vice-president onder Reagan, won in 1988 makkelijk van Michael Dukakis. In zijn ambtstermijn viel het Oostblok, waren er goede ontwikkelingen in Zuid-Amerika en deed het blanke apartheidsregime in Zuid-Afrika afstand van de macht en privileges. In 1990 viel Saddam Hoessein Koeweit binnen. Ondanks het feit dat Amerika in de jaren tachtig een half miljard dollar wapensteun aan Irak had geschonken, reageerde Bush vastberaden op deze overal op het weerloze olierijke staatje. Opnieuw was Amerika’s buitenlandse politiek een mix van hoogstaande idealen en oog voor eigenbelang. Onder de naam operatie ‘Desert Shield’ slaagde Bush erin een anti-Saddamcoaliteit te smeden waaraan 28 landen deelnamen. Amerika bracht een leger van 500.000 man op de been onder commando van generaal Schwarzkopf. Toen Saddam Hoessein het ultimatum negeerde begon de operatie ‘Desert Storm’, de Golfoorlog. Er ging dit keer maar éeén onafhankelijk Amerikaans journalist mee. Saddam Hoessein probeerde ook Israël te treffen door Scud-raketten op haar af te vuren, zodat misschien de geallieerde coalitie zou verbroken worden, maar Amerika wist Israël van vergeldingsdaden af te houden. De oorlog werd gewonnen, de kans om de dictator op te pakken werd ongebruikt gelaten. Zodoende kan Saddam Hoessein de opstanden van Koerden en sjiieten in eigen land bloedig neerslaan. Amerika was verzekerd van olieaanvoer én was eindelijk verlost van zijn Vietnamtrauma.


Clinton
Bush slaagde er niet in de economie uit de slop te trekken. Er waren in 1990 25 miljoen werklozen. Bush had de verkiezingsbelofte gedaan ‘read my lips: no new taxes’, maar dat kon hij niet waarmaken. Bovendien werd de Republikeinse Conventie beheerst door christelijk rechts, wat niet bevorderlijk was voor de komende verkiezingen. Bill Clinton won dan ook, mede door zijn slagzin ‘it’s the economy, stupid!’ De verkiezingen werden beïnvloed door een derde kandidaat: de onafhankelijke Texaanse miljardair Ross Perot, met zijn simpele boodschap van hard werken, geen belastingen. Clinton, ‘the comeback kid’, omdat hij tijdens de voorverkiezingen terugvocht uit een bijna verslagen positie, stond bij sommigen bekend als ‘slick Willy’, waaiend met alle winden mee. Dat bleek ook wel, want hij schoof naar het centrum, om de Republikeinen de wind uit de zeilen te nemen. Newt Gringrich, Republikeins Congreslid, maakte het Clinton heel moeilijk. Hij stond een radicale ontmanteling van de verzorgingsstaat voor. In 1996 werd Clinton herkozen; Bob Dole was niet opgewassen tegen hem.

The State of the Union is strong
In 1998 raakte Clinton verstrikt in de Monica Lewinsky-affaire. Openbaar aanklager Kenneth Starr beed zich vast in de affaire, alsmede in andere affaire van financiële aard in Clintons verleden. Clinton werd net niet afgezet. De president putte zich uit in excuses en verklaarde dat hij door een proces van boetedoening en loutering ging. Hierbij speelde zijn geloof geen geringe rol. De Clinton-periode kende een gunstig economisch tij. De werkloosheid daalde, tot onder de vier procent. In de acht jaar van Clinton werden er miljoenen nieuwe banen geschapen. Het begrotingstekort was geheel weggewerkt: ‘The State of the Union is strong’. Op buitenlands gebied moest ook Clinton zich bezig houden. In 1994 een interventie in Haïti,in 1995 een bombardement in en troepenmacht naar Bosnië, in 1998 luchtaanvallen op Irak, toen Saddam Hoessein medewerking weigerde aan de wapeninspecties van de VN en in 1999 een luchtoorlog in Joegoslavië. In 1993 vond er een ontmoeting plaats tussen Arafat en Rabin onder leiding van Clinton. Nadat Rabin werd vermoord bleek Netanyahu, tot ergernis van Clinton, nauwelijks bereid tot concessies aan de Palestijnen. Diens opvolger Barak hervatte echter de besprekingen.

George W. Bush
De verkiezingen van 2000 behoort tot de meest bizarre uit de Amerikaanse geschiedenis. George W. Bush, de held van conservatief Amerika, versloeg Al Gore, niet op absolute stemmen, maar op kiesmannen, en dan met name op de meerderheid van een paar stemmen in Florida, de cruciale staat. Bush zou de morele waarden die onder Clinton waren teloorgegaan herstellen en beloofde beperking van overheidstaken, versterking van het gezin en terughoudendheid in de buitenlandse politiek. Bush’ overwinning was een overwinning voor de neoconservatieven. Bush toonde sympathie voor de ‘pro-life’-beweging, was voor het verplichte bidden op school en wilde een verbod op het homohuwelijk in de grondwet verankeren. Zijn programma omschreef hij als ‘compasionate conservatism’. Wel propageerde hij dat armoede niet een sociaal, maar een moreel probleem was, en dat hulp niet van de overheid, maar van liefdadigheid moet komen. Bush stapte uit het ABM-verdrag, legde het Kyoto-verdrag naast zich neer (broeikasafspraken) en trok zich terug uit het Internationale Strafhof.


9/11 en de gevolgen
11 september 2001 kaapten 19 moslimfundamentalisten vier passagiersvliegtuigen. De rest is bekend. Amerikaanse krantenkoppen vroegen vertwijfeld: ‘Why do they hate us?’ Bush verklaarde: ‘Of u bent met ons, of u bent met de terroristen’. Clinton had bij zijn aftreden zijn opvolger op het hart gedrukt, dat het terroristische netwerk Al-Qaida probleem nummer één vormde. Het land Afghanistan herbergde deze groep, dat onder leiding staat van Osama Bin Laden. Het land, sinds 1996 bestuur door de Taliban, verleende dus onderdak aan terroristen. De regering werd een ultimatum gesteld. Nog voor het einde van 2001 werd de hoofdstad Kaboel door de Noordelijke Alliantie (een verbond van Afghaanse anti-Talibanstrijders) mede met behulp van hevige Amerikaanse bombardementen veroverd. Bin Laden werd echter – tot op de dag van vandaag – niet gevonden.

Regime change in Irak?
Bush drong ook aan op ‘regime change’ in Irak. Hierbij stond hij onder invloed van de conservatieve denktank Project for the New American Century waar Dick Cheney, Donald Rumsfeld en Paul Wolfowitz deel van uitmaakten. De meer gematigde minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell (wiens relatie met Cheney helemaal niet goed was) probeerde andere westerse landen te overtuigen van de noodzaak van de omverwerping van het regime van Saddam Hoessein. De VN was hiervoor nodig, al achtten mannen als Cheney en Rumsfeld de VN als een irrelevante praatclub. Bush verkondigde in 2002 dat Irak deel uitmaakte van een ‘As van het kwaad’. Hij wilde een preventieve oorlog. De weigering van wapeninspecteurs in Irak vormde een aanleiding voor de oorlog. Bush kreeg echter niet zo’n brede coalitie op de been als zijn vader in 1990.

Iraqi Freedom
In februari 2003 stak Powell in de Veiligheidsraad een vlammend betoog af over Irak als bedreiging voor de vrede. Zijn bewijslast bleek later echter onjuiste of onvolledige informatie van de CIA. Amerika bracht de resolutie niet in stemming. Operatie ‘Iraqi Freedom’ startte op 20 maart. ‘Shock and awe’ was de naam van de strategie. Het gigantische overwicht van de Amerikanen en Britten gaf de doorslag. Reeds begin april bereikten Amerikaanse troepen Bagdad. Een reusachtig Saddambeeld werd door Amerikaanse tanks omvergetrokken. Vanaf toen brak er een machtsvacuüm aan. ‘Mission accomplished’ bleek iets te voorbarig. Op 13 december 2003 werd Saddam Hoessein opgepakt, hij had zich in een ondergrondse hol verscholen. Voor het oog van de televisiekijkers werd hij op vernederende wijze lichamelijk onderzocht. Op oudejaarsdag 2006 werd hij opgehangen.


Gepubliceerd in mei 2008