De bewerking van eene piëtistisch-getinte gemeente

n.a.v. A.A. van Schelven, De bewerking van eene piëtistisch-getinte gemeente, Goes 1914

Schelven1

Dr. Aart Arnout van Schelven (1880-1954) was een gereformeerd predikant en hoogleraar aan de VU. Hij heeft vooral gepubliceerd over de Reformatie, bijvoorbeeld Het Calvinisme gedurende zijn bloeitijd. Van Schelven kwam uit een predikantengeslacht. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog sloot hij zich aan bij het Nationaal Front, een fascistische beweging. Daarom werd hij na de oorlog ontslagen.

Op 15 september 1913 hield hij een referaat voor de Vereeniging van Predikanten van de Gereformeerde Kerken in Nederland met als onderwerp: ‘De bewerking van eene piëtistisch-getinte gemeente’. In 1914 werd het in brochurevorm uitgegeven. Het is een interessant boekje, wat aan actualiteit nog niets heeft ingeboet. Zonder het met alles eens te hoeven zijn, is het mijns inziens toch leerzaam hier kennis van te nemen. Je zou Van Schelvens mening over piëtisme kunnen samenvatten met ‘nee, tenzij’. Ik maak er liever ‘ja, mits’ van. Er is teveel goeds in het piëtisme om het kind met het badwater weg te doen. Uitwassen moeten we wel eerlijk kunnen aanwijzen. De titel, en dan vooral het woordje ‘bewerking’, komt misschien negatief over, maar dat blijkt zeker niet zo te zijn. De toon in het boekje is betrokken en de auteur wil vooral Schrift en belijdenis recht doen. Maar als ik dit fout zie, hoor ik dat graag!

Van Schelven onderscheidt vier verkeerde grondopvattingen. Die gaan we één voor één bij langs, met citaten uit de brochure.

1. Het piëtisme vat het geestelijk leven al te individualistisch op
– Men heeft het heil als gave aan de gelovigen gezamenlijk, aan de kerk in haar geheel, links laten liggen, wat bijvoorbeeld resulteerde in de zogenaamde conventikels
– Valse lijdelijkheid
– Ongelukkig standpunt inzake de goddelijke openbaring, waarbij ten koste van de Heilige Schrift allerlei gezichten, dromen en stemmen worden gezocht
– Geringe belangstelling en liefde voor het zendingswerk:

Schelven2

Schelven2b

2. Het brengt tot een geloofsleven zonder Christus
– Door nadruk op de toe-eigening van het heil, het werk van de Heilige Geest, raakte de verwerving ervan door Christus uit het gezicht:

Schelven3

– Niet de Bijbel, maar wat de gelovige in zijn hart ontvangen heeft, is het belangrijkste:

Schelven24

Schelven5

– Onschriftuurlijke mystiek:

Schelven6

– Het geestelijk bestaan krijgt een wettisch karakter:

Schelven7

– De piëtistische opvatting zorgt voor vertwijfeling in plaats van de zekerheid en blijdschap des geloofs:

Schelven8

– Het piëtistische geestelijk leven mist het actieve in zijn geloofsbestaan:

Schelven9

Schelven25

Schelven27

3. Het piëtisme gaat uit van een onzuiver kerkidee
– Het idee van de volkskerk
– Minachting van de ambtelijke dienst van het Woord
– Verwerping van alle studie
– Verminking van de sacramenten:

Schelven12

Schelven12b

Schelven13

– Men huldigt een te naïeve zielkunde (alleen wat krachtig is, is echt, en: het geestelijk bestaan voltrekt in een bepaalde volgorde)
– De zonde wordt te veel als uitsluitend iets lelijks, en te weinig als iets Gode-vijandigs, als schuld, opgevat
– Men oordeelt makkelijk over de staat van het zielenleven van een ander

4. Een te stoffelijke voorstelling van het genadeleven (bijv. hoorbare stemmen)

Nog twee kenmerken die Van Schelven apart noemt:
– De overschatting van het gevoelsleven:

Schelven14

– Een eigenaardig standpunt inzake de zondagsviering

Tenslotte geeft Van Schelven een therapie van de genoemde eigenaardigheden van het piëtistisch geloofsleven, hoe er mee om te gaan, hoe deze mensen ‘bewerken’?

Schelven15

Schelven16

Schelven16b

Schelven26

Schelven18

Schelven19

Schelven20

Schelven21

Over de kenmerkenprediking:

Schelven22

Slotwoord:

Schelven23