De Gereformeerde Kerken in Nederland

n.a.v. H.C. Endedijk, De Gereformeerde Kerken in Nederland. Deel 1: 1892-1936, Kampen 1990 en deel 2: 1936-1975, Kampen 1992

– In de conventikels kreeg de uitverkiezing grotere aandacht dan het verbond. Maar in afgescheiden kring zou de verkiezing als allesbeheersend leerstuk hoe langer hoe meer wegslijten. Gods verlossende daden en zijn verbondsliefde vroegen alle aandacht. Uit die daden leerde men zijn verkiezing kennen.
– ‘Die fatale scheiding binnen het geloof: een verstandelijk aanvaarden én een gelovig ervaren, verlammend als die is voor het zuivere verstaan van het Woord van God’.
– Afscheiding en Doleantie moesten strijd leveren op uiteenlopende fronten. Het ging De Cock en de zijnen om de waarheid in de kerk, zij leverden een ethische strijd. Kuyper en zijn volgelingen zaten meer op de juridische lijn, het ging hen om het recht Gereformeerde Kerk te zijn.
– Ds. J.J.A. Ploos van Amstel: ‘Hoe meer men zijne kerk roemt, hoe minder een ander die wil; hoe meer men hare gebreken erkent, hoe liever een ander haar heeft’.
– De oplage van De Standaard is nooit met grote getallen geschreven; het was immers bedoeld voor de partij-elite die Kuypers gedachten zo verder kon verspreiden, maar door het toen veelvuldig voorkomend verschijnsel van het ‘samen-lezen’ is de actieradius vele malen groter geweest dan men op grond van de beschikbare cijfers kon vermoeden.
– Gereformeerde scholen ontstonden vooral met en na de Doleantie.
– Merkwaardig is dat in de ‘zangcultuur-rond-het-huisorgel’ ook ruim plaats gemaakt werd voor allerlei geestelijke liederen, vaak van bevindelijk en piëtistisch-methodistisch gehalte, zoals de bundel van Johannes de Heer. Misschien als compensatie voor de gezangloze erediensten waarin de eenzijdig-dogmatische prediking vaak de boventoon voerde?
– Over ds. Vonkenberg gaat het verhaal dat hij, overtuigd voorstander van de vroegdoop, bij het stellen van de doopvraag de toch aanwezige moeder volledig negeerde.
– Hoe konden mannen tot ‘voormannen’ worden en hoe kon het volk van Afscheiding en Doleantie dit toelaten?
– ‘Het dogma van de onfeilbaarheid van de Schrift, gepaard aan de onverbiddelijke afwijzing van de Schriftkritiek, heeft de gereformeerde theologie decennia lang in de houdgreep geklemd; de concentratie lag dan vooral in de aard van de historiciteit. Het in vele opzichten grillige verloop van de geschiedenis van de GKN zou in hoge mate bepaald worden door deze dogmatische stellingname’.
– ‘Hoe het ook zij, wie de visie van Kuyper volgt, moest ervaren hoe de pastorale basis wegvalt vanwaaruit men de gemeente met alle klem kan terugroepen tot de trouw aan de ooit bediende Doop en het verstaan van Gods verbondsbelofte. Nivellering van de Doop en een oppervlakkige dooppraktijk zouden daarvan wel eens het gevolg kunnen zijn. Kuypers latere tegenstanders in de GKN zouden niet moe worden steeds weer op deze fatale afbreuk van Gods verbondsbelofte te wijzen’.

1892-1905
– Van de eerste tekenen van een aarzelend en voorzichtig contact tussen afgescheidenen en (de latere) dolerenden vernemen we al in 1882, bij de opening van de Vrije Universiteit.
– Op het Synodaal Convent van 1887 gaven de Nederduitsche Gereformeerde Kerken uitdrukking aan het verlangen naar toenadering tot de afgescheiden broeders; er werden woorden van schuldbelijdenis gesproken over eigen verleden, want ‘wij zijn de laatst ontkomenen en hebben het langst volhard in den verkeerden weg’.
– Bezwaren tegen een eventueel samengaan werden breed uitgemeten. ‘Trek de Doleervlag in en wij zijn één’, zo schreef docent Lindeboom. Deze wilde ook dat de dolerenden zich simpelweg in de Christelijke Gereformeerde Kerk zouden oplossen.
– De Dolerende Kerken schreven warm en bewogen: ‘Acht niet, Geliefde Broeders, dat wij blind zouden zijn voor de ingewikkelde moeilijkheden, die onze voorslag U brengen komt. Gij leefdet nu kalm en rustig en niets scheen den stillen loop van uwe ontwikkeling te storen. En nu komen wij zoo onverwachts Uwe ruste breken. Toch kan geen schroom noch aarzeling ons terughouden, om U te vragen: Brengt dat offer’.
– Het heetste hangijzer tussen de beide kerken was de opleiding.
– De middengroep zegevierde met haar voorstel ‘dat zij (de dolerenden) de afscheiding erkennen als geschied te zijn in gehoorzaamheid aan en in overeenstemming met Gods Woord, en dat zij geen Gemeenten meer zullen organiseeren, daar, waar reeds eene Chr. Geref. Gemeente bestaat’.
– Kuyper reageerde bijzonder scherp; het was aan het ingrijpen van Bavinck te danken dat Kuyper zijn optreden matigde en in zijn lijfblad De Heraut een mildere toon aansloeg.
– Het proces van doleantie was feitelijk reeds in 1890 tot stilstand gekomen. Er ontstonden in dat jaar slechts 25 nieuwe dolerende kerken (tegenover 265 in de voorafgaande jaren).
– De afgescheidenen verwierpen eerst de naam Gereformeerde Kerken in Nederland en wilden graag Christelijke Gereformeerde Kerken. Dat was ook al een compromis, omdat ‘kerk’ in ‘kerken’ was veranderd. De argumentatie voor deze naamgeving berustte meer op emotionele dan op principiële gronden. Uiteindelijk gingen de afgescheiden broeders toch overstag.
– ‘Wij zijn nu één geworden; en God geve, dat wij eerlang zóó samengevloeid en saamgesmolten mogen zijn, dat niemand begrijpt, waar die samenstellende deelen zijn gebleven. Het is toch geen samenvoeging van “ijzer en leem”, maar van ijzer met ijzer, van zilver met zilver, van goud met goud’.
– Ds. Gispen zei op de vereningsvergadering tegen de enigst overgebleven vader der Afscheiding Van Velzen dat hij straks in de hemel de oud-medestrijders tot hun vreugde kon vertellen dat hier had plaatsgevonden. Kuyper zei: ‘Als ik mij mijn Heiland voorstel, op het witte paard (…) in zijne rechterhand de banier van Gods glorie zwaaiende, dan zal (…) in haar banen ook de tint van dat Godverheerlijkende Calvinisme glinsteren, waarin voor onze Kerken onze van God gegeven roeping ligt’. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat zich van sommige sprekers een bepaald triomfalisme had meester gemaakt!
– Vaak genoten de predikanten van B een hoger traktement dan hun ambtsbroeders uit A. Maar gelijktrekken van de salarissen betekende weer een te grote aanslag op de kerkelijke kas.
– ‘Eigengerechtigheid bij A (want ze willen beter zijn) en eigenwijsheid bij B (want ze willen beter weten)’.
– Onoverbrugbaar leek de kloof tussen de aanhangers van de ‘vrije wetenschap’ en hen die zo graag de verantwoordelijkheid van de kerk voor een eigen predikantsopleiding wilden onderstrepen. In brede lagen van het kerkpubliek werd geringschattend over de opleiding gesproken: ‘het Kamper schooltje’ was geen wetenschappelijke opleiding, maar een plaats waar men voor predikant werd opgeleid. De synode van Arnhem 1902 besloot de situatie te laten zoals het was (er waren verschillende plannen om de beide instellingen samen te voegen). Hier was niet iedereen blij mee, maar een dreigende scheuring was zo wel afgewend. Veel Kamper studenten stapten over naar de VU.
– ‘Het geordend verband van de gemeente als plaats van heil, – daarop legde Kuyper met al z’n organisatorische gaven de nadruk. Maar werd daarmee niet al te zeer de aandacht afgeleid van de klemmende noodzaak van persoonlijk geloof en bekering en van het betreden van de smalle weg? Het zoeken van dat heil, dat mocht toch niet naar het tweede plan worden verdrongen?’
– Lindeboom nam geen blad voor de mond. In zijn brochure schreef hij zelfs dat ‘God ons en onze kinderen genadig mocht zijn en dr. Kuyper terug zou brengen tot de eenvoudigheid, die in Christus is’.
– Grote bekendheid kreeg de zinsnede uit de synode van Utrecht 1905 (genoemd ‘de pacificatie van Utrecht’, er kwam een einde aan de turbulente periode van de jonge GKN), dat ‘volgens de Belijdenis onzer kerken het zaad des Verbonds krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeborenen en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt’.

1905-1920
– ‘De Gereformeerde kerken hebben in de laatste jaren door de leiding Gods een hoogst belangrijke plaats verkregen in het leven van ons volk. (…) Wij hebben nuchter te zijn en als Gereformeerde kerken onszelf niet te overschatten, maar tegelijk de plaats van God ons toebedeeld, te kennen en in zijne kracht in te nemen. Wij hebben een hooge roeping ontvangen, – eeuwen zien op ons neer en velen zien tot ons op’, aldus ds. W.H. Gispen bij de opening van de synode van Zwolle 1911.
– De steeds herhaalde (onterechte) beschuldiging dat het Kuypers bedoeling was zijn aanhangers aan allerlei baantjes te helpen, bewees eigenlijk hoe de emancipatie gestaag voortgang vond; daarmee was de macht van een hautain liberalisme in feite gebroken.
– De benoeming van de gereformeerde Arie Noordtzij op de leerstoel voor het Oude Testament aan de Utrechtse Universiteit als opvolger van Valeton, veroorzaakte in het land veel opschudding.
– De leer van de pluriformiteit van de kerk zoals Kuyper die ontwierp ging sommigen te ver. Het deed hen pijn, juist met het oog op Gods grote daden in de jongste geschiedenis, uit de nood der verdeeldheid de deugd van de leer der pluriformiteit te scheppen.
– ‘Het merkwaardige gegeven, dat Kuyper er minder in is geslaagd zijn persoonlijke mystiek op zijn volgelingen over te brengen dan zijn systematisch uitgewerkte theologie’.
– Dat de CGK zo’n grote aantrekkingskracht had, kwam door de slapheid en de geesteloosheid van menige prediking.
– H.H. Kuyper zou tot aan de Tweede Wereldoorlog het profiel van de kerken bepalen. Verbluffend knap en uiterst bekwaam als hij was, gaf hij zeer beslist leiding aan de GKN; maar niet altijd werd die hem in dank afgenomen, omdat men bij zijn optreden vaak het gevoel kreeg dat er een inquisitiegeest door de kerken waarde. Die invloed oefende hij onder andere uit door zijn wekelijks geschrijf in De Heraut en ‘door middel van een systeem van vertrouwensmannen’, leerlingen, die overal in het land min of meer sleutelposities bezetten.
– Het geringe aantal studenten in Kampen riep herhaaldelijk de vraag naar het bestaansrecht van de School wakker. In 1905 bedroeg het aantal studenten 17.
– De soms bittere armoede die in menige pastorie geleden werd noopten sommige predikanten tot het neerleggen van hun ambt om een ander beroep te kiezen, dat hun financieel gezien meer adem gaf. De synode keurde een dergelijke overgang naar ‘een andere staat des levens’ ernstig af, maar de kerkenraden werden tevens vermaand geen aanleiding te geven tot zulk een zondige daad door te karige bezoldiging.
– In snel tempo verrees het ene kerkgebouw na de andere. Niet meer in een achterafstraatje, ver van de heirbaan, maar aan de brede wegen van de Hollandse samenleving; niet meer als schuilkerk, maar als manifestatie van een onbetwist gereformeerd zelfbewustzijn. Het was vooral de Doleantie die een ware explosie van gereformeerde kerkbouw ten gevolge had. In de grote stadsgemeenten, waar zowel de grondprijs als het aantal kerkgangers aanmerkelijk hoger lagen, werd de zaalkerk uitgebreid tot galerijkerk. Daarmee werd het karakter van het gereformeerde kerkgebouw als ‘gehoorzaal’ voor lange jaren vastgelegd. Het liturgisch centrum was de soevereiniteit van het gepreekte Woord van God met de dominee als de bijna oppermachtige dirigent in de kerkelijke samenkomst.
– Kuyper ijverde voor een Schriftlezing als ‘zelfstandig deel van den dienst’. Die Schriftlezing droeg geruime tijd de naam van ‘prae-lectuur’ omdat hier en daar nog de gewoonte bestond Schrift- en wetslezing vóór de eigenlijke dienst te laten plaatsvinden.
– Niet iedereen was tevreden met de prediking in de GKN: ‘…Confectiepreeken, altijd naar hetzelfde stramien, doortrokken van de reuke der studeerkamer, zonder eenige persoonlijke bewogenheid en verstoken van elke originaliteit’.
– De liturgische onevenwichtigheid tussen de preek en het overige gedeelte van de eredienst, waarbij sterke nadruk viel op de persoon en de talenten van de predicator, werkte de onuitroeibare gereformeerde kwaal van het ‘nalopen’ van geliefde en welbespraakte dominees in de hand.
– De synode van 1905 moest er aan te pas komen om een knellende artikel uit de kerkorde, om de Catechismus in één jaar rond te preken, enigszins te verruimen. Dit kon bijvoorbeeld voorkomen dat er altijd in de lijdenstijd over de maagdelijke geboorte gepreekt moest worden (zondag 14) en dat mensen die in de zomervakantie weg waren steevast het begin van de tien geboden misten.
– De GKN was aarzelend over het evangelisatiewerk. Men vreesde dat zo aan de beginselvastheid binnen de kerken getornd zou worden en dat vooral methodistisch-piëtistische invloeden gemakkelijk konden binnensluipen.
– Door de grootschaligheid en massaliteit konden gemeenteleden amper die ene gemeenschap vormen, waarover in de belijdenis van de kerk zo hooggeloofd werd gesproken. Door het hardnekkig individualisme èn door het chronisch tekort aan predikanten namen onkerksheid en onkerkelijkheid hand over hand toe. In de grote steden dacht men een oplossing te vinden in kerksplitsing, maar vele gemeenteleden vonden dat maar vreemd, verknocht als ze waren aan het steeds verkondigde principe dat er in elke stad en dorp slechts één ongedeelde Gereformeerde Kerk mocht bestaan.

1920-1936
– Binnen de GKN wist men amper de verbinding te leggen tussen het moderne levensgevoel en het overgeleverde gereformeerde erfgoed. De zondagse preken bleven vaak steken in een alledaagse dogmatiek; men kwam niet verder dan het trekken van tijdloze vergelijkingen tussen het leven van de bijbelheiligen en dat van de gemeente.
– Door het proces-Geelkerken verloor de kerk een deel van haar ‘linkervleugel’; een zekere ‘verrechtsing’ was tijdens het Interbellum daardoor onvermijdelijk.
– Janse van Biggekerke, een uiterst begaafde autodidact, was een zeldzaam schoolvoorbeeld van een ‘leek’ die op theologisch en wijsgerig gebied menig hoogleraar naar de kroon stak. Hij was het die scherp de gevaren zag die de GKN bedreigden uit de hoek van de scholastiek én uit die van een subjectivistische vroomheid, omdat dán de Schriften niet meer het laatste woord hadden.
– Het Koningschap van Jezus Christus was het hoofdmotief in het denken van de Amsterdamse dominee S.G. de Graaf. De rechten van de God des verbonds op heel het mensenleven, dat was zijn thema. Alleen langs deze weg konden gemeente en gelovigen ontsnappen aan subjectivisme en verdorring van de vroomheid. (Hij vond ook dat de belijdenis van Christus’ Koningschap over deze wereld inhield, dat overheden afstand moesten doen van hun zogenaamde absolute soevereiniteit, zo vaak oorzaak van allerverschrikkelijkste volkerenslachtingen.)
– Er was een studiedeputaatschap in het leven geroepen die voorstellen moest formuleren om de belijdenis van de kerk uit te bouwen en toe te snijden op de geloofsbeleving van de gemeente-van-nu. Het moest dan gaan om de goddelijke ingeving en autoriteit van de Heilige Schrift (art. 2-8 NGB), de leer van de ware en valse kerk (art. 29) en het ambt van de overheid (art. 36), de bekende gereformeerde knelpunten. Maar op de synode van Arnhem 1930 vond de begrafenis van alle goede voornemens van Leeuwarden plaats. Daar lag wel een voorstel van deputaten ter tafel en men had het rapport getooid met de naam ‘Arnhemse artikelen’, maar erg bevredigend was het niet.
– Het vrouwenkiesrecht kwam er in 1930 niet door. Het overtuigend bewijs uit de Schrift voor het vrouwenkiesrecht was niet geleverd, ‘maar de gegevens welke zij ons biedt, schijnen veeleer daartegen dan daarvoor te pleiten’. De vloedgolf van de onchristelijke emancipatiebeweging maakte de broeders kopschuw om de deur in elk geval op een kier te zetten. Men kon zich niet op Bavinck beroepen; hij had geen bezwaar, want ‘de godsdienst gaat bij haar gewoonlijk veel dieper, maar wél op Kuyper: de roeping van de vrouw lag toch niet ‘aan de buitenkant van het leven’?
– De beide kerkrecht-adviseurs van de synode van Assen 1926, H.H. Kuyper en Bouwman, erkenden dat ze de door Rutgers aangegeven koers hadden losgelaten na intensieve bestudering van de werken van Voetius en van de praktijk der vaderen, waarbij overduidelijk bleek dat door de meerdere vergaderingen wél dat tuchtrecht werd uitgeoefend.
– ‘Zonder gebouwen kan de kerk leven. Zonder diaconie sterft de kerk’, zo zei de oude Sikkel, pionier op het gebied van het diakonaat en de christelijk-sociale zorg.
– Op de synode van Middelburg 1933 viel de beslissing over de liturgie. Hiermee werd wél de klok teruggedraaid en sloot men zich aan bij de in de kerken gegroeide praktijk. Het ziet er als volgt uit:

1. Votum
2. Zegengroet
3. Zingen
4. Voorlezing van de Wet des Heeren, eventueel aangevuld met de samenvatting daarvan, eventueel gevolgd door het zingen van een toepasselijke psalm
5. Voorlezing van een gedeelte uit de Heilige Schrift
6. Gebed
7. Zingen
8. Collecte
9. Bediening des Woords (welke door gezang kan worden onderbroken)
10. Dankzegging
11. Zingen
12. De zegen

– Over de zangwijze van de psalmen, al of niet ritmisch, werd weinig gezegd. Dat werd aan de vrijheid van de kerken overgelaten. Men besloot ook 29 gezangen erbij te voegen. De volgende synode zou zijn handen vol krijgen aan de vele bezwaren die hiertegen werden ingebracht. Welke gezangen stonden er zoal in? Hoe zal ik U ontvangen, Ere zij God, O hoofd bedekt met wonden, Jezus uw verzoenend sterven, God enkel licht, Kom Schepper-Geest, Wij loven U o God wij prijzen uwe naam, Een vaste burcht is onze God, Alle roem is uitgesloten, Nooit kan ’t geloof te veel verwachten en ‘k Wil U o God mijn dank betalen.
– In het beroepingswerk was amper enige beweging te krijgen. In 1933 waren er al 70 kandidaten zonder uitzicht op een beroep. Met de oorlog en de komende Vrijmaking zou dit probleem op niet zachtzinnige wijze tot een oplossing gebracht worden.
– ‘Overal waar de man alleen zeggenschap heeft, drijft de verstands-richting boven en vermoordt alle zachtheid’. Wie het in die tijd als gehuwde vrouw waagde voor beroepsarbeid buiten het gezin te kiezen, werd al snel beschuldigd van broodroof. Met zovele werklozen werd een en ander aangemerkt als een vorm van concurrentievervalsing. De meisjes- en vrouwenvereniging leerden haar zelfstandig te oordelen over eigentijdse vragen. Het blad Moeder van onder andere Waterink voorzag in een grote behoefte: bijna 100.00 abonnees in de vooroorlogse jaren.
– Men kan dan wel meewarig neerzien op de kleinschalige gereformeerde ethiek van wat mocht en niet mocht, maar er wás sprake van morele slijtage in die tijd. Dat op kerkelijk erf de echtscheiding niet getolereerd werd, zal zeker het gedrag van de echtelieden hebben beïnvloed; waren er huwelijksproblemen, dan bleven deze verborgen op straffe van uitsluiting uit de kerkelijke gemeenschap.
– ‘Ach, wie herinnert zich niet de eindeloze palavers op de zondagavond en de steeds weerkerende vragen op de catechisatie over de grenzen van de zondagsviering? Maar dat was van de beginne zo niet geweest! Althans niet in de monde van de voormannen. Zij trachtten onophoudelijk aan te tonen dat de zondag geen “verschoven sabbat” was’.
– ‘Men leefde nog al te zeer in een sfeer van een zich terugtrekken op het individuele en het deemoedige buigen voor Gods soevereine majesteit. Zo werd het oordeel over de romankunst meestal bepaald door de vraag of er in het boek gevloekt werd en of er zinnenprikkelende passages in stonden’.

1936-1945
– Was het slechts een professorenruzie, waarvan dan het kerkvolk de dupe moest worden? Zo werd vaak beweerd, maar desondanks kon men het toch niet nalaten partij te kiezen; en sommige professoren (en hun leerlingen) waren heel goed in staat die ruzie te ‘populariseren’. En het kon alleen maar welig tieren in een klimaat van inzinking en verkilling, van partijschap en onderling wantrouwen. Er waren allerlei zaken in het geding, ‘erfeniskwesties’ rondom de geestelijke nalatenschap van de grote voormannen Kuyper en Bavinck.
– De gevoeligheden bereikten een kristallisatiepunt in de groeiende tegenstelling rondom de ooit als klassiek en samenbindend ervaren uitspraak van de Utrechtse synode van 1905, pacificatiemodel voor vele jaren. Het is duidelijk dat men zich in de eerste decennia na deze synode ondanks alle tegenstellingen loyaal aan deze uitspraak hield. Utrecht heeft niet alleen pacificerend, maar ook zegenrijk gewerkt. Toch groeide er verzet.
– ‘De vraag of we inderdaad een kind van God zijn, mocht niet gesteld worden; dat was een belediging voor Hem die met ons zijn verbond heeft gesloten en ons liefheeft. Het is duidelijk dat ook via deze weg de problemen niet opgelost konden worden. Want zou dan niet te kot gedaan worden aan de volle betekenis van het heilbezit?’
– Langzamerhand ontstond er een verschuiving in de interpretatie van de uitspraak van 1905: de belofte van het genadeverbond kreeg het karakter van een aanbod van genade. Dat daarmee de relatie tussen verbond en verkiezing meer en meer losgemaakt dreigde te worden, lag voor de hand. Tevens dat hiermee de deur werd geopend voor een minder verantwoord verbondscollectivisme: waren niet alle gedoopten in het verbond begrepen en betrof de verzegelende kracht niet hen allen? Maar ongemerkt werd de rijke inhoud van verbondsbelofte en doop veruitwendigd.
– ‘Deze meningsverschillen hadden niet tot zulke extreme spanningen hoeven te leiden als de partijschap niet welig had getierd’.
– Ongeveer 20.000 mannen en vrouwen hebben zich voor de LKP (landelijke knokploegen) ingezet. Daarvan vonden er bijna 1700 de dood door executie, een standrechtelijk vonnis of een einde in een concentratiekamp. Onder hen waren 650 mensen van gereformeerde afkomst.
– Het lag voor de hand dat nog voor de bevrijding menigeen zijn gedachten liet gaan over de vraag welke politieke koers na de bevrijding gekozen zou worden. Maar binnen de GKN kwam die vraag geheel en al in de schaduw te staan van de trieste gebeurtenissen die tot de scheuring in 1944 leidden.
– Zo goed en zo kwaad als het kon, sleepte het kerkelijk werk zich voort. De tweede diensten moesten in verband met het ontbreken van stroom en de spertijd voor het invallen van de duisternis gehouden worden. Het was trouwens geen pretje verkild van huis te gaan en in het kerkgebouw de lage temperatuur te doorstaan. Overigens moet men zich van die diensten niet een al te grote vorstelling maken. Het oorlogsgevaar dwong mensen hun huizen niet te verlaten en dreigde dat gevaar niet, dan was het wel de honger die de mensen niet al te sterk tot de kerkgang motiveerde. Veel voorgangers waren ondergedoken, de mannelijk lidmaten uit de ‘gevaarlijke’ leeftijd waagden zich ook zondags niet op straat en meermalen moest de predikant soms in een of andere geheimtaal de toch nog aanwezige jongeren dringend verzoeken het gebouw te verlaten vanwege het al of niet juiste gerucht van een ophanden zijnde razzia.
– In 1942 kwam de synode tot eenstemmige besluiten. De opluchting was groot. Niemand was beschuldigd, niemand was veroordeeld, broeders van uiteenlopende gevoelen hadden elkaar hier kunnen vinden, excessen waren afgesneden, ruimte voor discussie bleef open. Er was alle reden om van een tweede pacificatie te spreken, voor de tweede maal van Utrecht! Maar de vrede werd al spoedig verstoord. Dat had de synode min of meer aan zichzelf te wijten. We doelen hier op het (achteraf bezien ongelukkige) besluit van de synode een toelichting uit te geven op de zojuist vastgelegde leeruitspraken.
– ‘De kwestie-Schilder als het dilemma tussen het gezag van de synode en het geweten van een enkel mens’.
– De Vrijmaking had vooral heftig toegeslagen in Groningerland, Assen, Enschede, Zwolle, Kampen en de streek rond Rotterdam.
– De gereformeerde kerkbouw vertoonde tijdens het Interbellum een duidelijke weerspiegeling van het triomfalisme en de voltooiing van de emancipatie, zo kenmerkend voor de gereformeerde wereld van die tijd. Werd vóór de Eerste Wereldoorlog van de nood een deugd gemaakt (het snel groeiende gereformeerde volksdeel had nu eenmaal bedehuizen nodig, waarbij meer op doelmatigheid dan op vormgeving gelet werd), na 1920 trad hierin verandering op. De Gereformeerde Kerken vertoonden zich op pleinen en straten nadrukkelijk in baksteen en met het straatbeeld beheersende torens.
– Kuyper koos voor de amfitheater-vorm. Alle zitplaatsen dienden concentrisch gericht te zijn op een goed zichtbaar en ruimtegevend platform: de plaats waar de ambtsdragers zetelden, plaats voor de doopsbediening en de avondmaalsviering en vooral plaats voor een niet al te overheersende kansel. Hoogtepunten van deze overdadige vormgeving waren te zien in onder andere Andijk, Haarlem en Weesp.
– ‘Men kan veilig stellen dat er met de aanbieding van de vele gezangbundels na 1945 geen principieel verzet binnen onze kerken meer gehoord werd; waren er klachten, dan werden die slechts op praktische gronden geuit. Toch kan men zich afvragen of een van de veel gehoorde principiële bezwaren (de gezangen zouden de psalmen verdringen) in latere tijden niet bewaarheid is’.

1945-1961
– De vernieuwingen in de naoorlogse jaren zijn in vele opzichten geruisloos aan de Gereformeerde Kerken voorbijgegaan. ‘Dat zal altijd een raadsel blijven’.
– Na 1944 waren de kerkelijke vergaderingen wel bevrijd van agenda’s, loodzwaar door allerlei procedures en bezwaarschriften. Velen sloegen nu vol enthousiasme de hand aan de ploeg. De nieuwe generatie theologische studenten leek echter wel een andere kant op te willen.
– In 1951 ontstond er commotie naar aanleiding van het boek Gereformeerden waarheen? van A. Bouman en Thijs Booy. Het boek spleet de meningen, bracht onrust, maar dwong de mensen ook tot een positiekeuze in de kerken die ze liefhadden. Een poging tot zelfonderzoek van de gereformeerde groep, zo kondigden de schrijvers hun boek aan. Zij wilden ‘het overgevoelig subjectivisme, dat voor trieste realiteiten en waardevolle kritiek geen oog heeft’ doorbreken. De diagnose: vereenzelviging van onze zaak met Gods zaak; een bijna farizees aandoende tuchtoefening; bevriezing van principes tot eeuwige beginselen; afweer tegen de oecumene; een antithese-houding als tweede natuur; verdringing van het gevoelsleven; verburgerlijking van de kerk; indamming van de levendmakende stroom van de Heilige Geest; weinig steun voor arbeiders in hun strijd om lotsverbetering. En de medicatie? Een vertrouwelijke omgang met God; een diepe beleving van de gemeenschap der heiligen; toerusting van ouderlingen en diakenen; een bredere en meer op de huidige tijd toegespitste predikantenopleiding; openstelling van de ambten voor de vrouw (anders zou het nageslacht ons maar ‘voorwereldlijke pantoffelhelden’ vinden); schuldbelijdenis inzake 1944; toetreding tot de Wereldraad; mondigheid voor jongeren. Achteraf is duidelijk dat de schrijvers, teleurgesteld in een kerk die in de oorlogstijd geen moeder was geweest (verstrikt in de problematiek rond verbond en doop) hun tijd ver vooruit waren.
– De kerkmens, amper bekomen van de schokkende gebeurtenissen als oorlog en kerkscheuring, werd opnieuw geen rust gegund: de Indonesische kwestie. Die kwestie kreeg in veel gezinnen een ‘gezicht’ bij het vertrek van een van de kinderen om zijn dienst overzee te vervullen, ja zelfs mee te doen aan de politionele acties. Daar kwamen de Koude Oorlog en de Watersnoodramp van 1953 nog bij.
– ‘Twee van de drie Gereformeerde predikanten waren voortgekomen uit de kleine middenstand, voor wie het koninklijke in dit ambt wel een bijzondere aantrekkelijkheid heeft’.
– Het beroepingswerk lag na 1943 nagenoeg stil en ook de aanwas van kandidaten was gestokt. Talloze gemeenten waren vacant geworden. Het aantal beschikbare kandidaten bleef in de eerste jaren mondjesmaat. Men keek er niet van op als een kandidaat binnen enkele weken soms wel tien beroepen had vergaard. Het probleem van de overvloed van werkkrachten waaronder de kerken zo lang gebukt waren gegaan, had zich in een handomdraai opgelost. In 1946 waren van de 776 Gereformeerde Kerken er maar liefst 214 vacant! Rond 1960 zou de jacht op jongeren predikanten geopend worden tot in het absurde toe.
– Was de tijd van de politieke prediking nog niet aangebroken, daartegenover stond dat Schilders roepstem om een heilshistorische getinte verkondiging in deze tijd in de GKN weinig weerklank meer vond. Toch had de exemplarische prediking uit vooroorlogse jaren haar tijd gehad. Het Woord van God kreeg vooral meer en meer toespitsing in het leven van de gelovige omdat ook de ethiek in de prediking werd betrokken. Wat eveneens de aandacht trok was een prediking die opviel door onorthodox taalgebruik, treffend psychologisch inzicht en het inhaken op de laatste nieuwtjes uit de krant. Predikanten als Okke Jager en J. Overduin hebben de gemeenten bijzonder aan zich verplicht omdat zij op uiterst originele wijze de diepte en de breedte van de Schriften hebben ontvouwd en het bijbels getuigenis vaak op indrukwekkende wijze in verband met de tijd en de cultuur wisten te brengen.
– Aan het einde van de jaren vijftig maakte het jaarlijkse huisbezoek, door twee ouderlingen gebracht, hier en daar plaats voor het zogenaamde eenmanshuisbezoek. De Kamper ‘pastoraaltheoloog’ Dijk wierp zich hier als promotor op. Intimiteit en vertrouwelijkheid kregen daarmee een grotere kans. Later zou blijken dat het niet alles winst was, wat de klok sloeg: kwalitatief en kwantitatief heeft deze traditionele jaarlijkse rondgang door de gemeente aan kracht ingeboet.
– Vele kleinere gemeenschappen hadden ernstig te lijden onder terugloop door de emigratie naar landen als Canada en Australië. Het was vooral jong bloed dat wegvloeide en het was niet zozeer uit een zucht naar avonturisme maar de economische problemen dwongen de boerenbevolking. Tussen 1948 en 1956 scheepten meer dan 40.000 gereformeerden in.
– In grote steden ging men over tot decentralisatie in de bestuursstructuur. Maar critici zeiden dat op die manier wel de massaliteit van de kerkenraad doorbroken werd, maar niet die van de gemeente zelf. Kerksplitsing zou nog steeds de voorkeur moeten worden gegeven. Voor de grotere kerken, die om welke reden dan ook een dergelijke stap niet nog niet konden zetten, gold een nieuwe bepaling in de kerkorde: de taak van de kerkenraad mocht functioneel verdeeld worden over een kerkenraad voor algemene zaken en een aantal wijkkerkenraden, elk met eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid. Door de vrij ingewikkelde uitvoeringsbepalingen is deze organisatiestructuur in vele kerken een eigen leven gaan leiden.
– Aan de rand van grote en middelgrote steden ontstonden de zogenaamde tuindorp-steden, en zelfs enkele dorpen groeiden binnen luttele jaren uit hun jasje. Tussen de hoge flatblokken, tot het midden van de jaren zeventig nog zeer populair vooral bij jonge gezinnen, moesten ook kerkelijke centra verrijzen.
– Vanaf 1950 werden de kerken geconfronteerd met een snel toenemend aantal ‘bijzondere predikantsplaatsen’.
– De synode gaf in 1952 toestemming aan het actief kiesrecht voor vrouwen. Dit stuitte in het land op weinig bezwaren. En of allerlei scribenten bij hoog en bij laag betuigden dat daarmee zeker niet de weg nar het passieve kiesrecht gebaand was, in de naaste toekomst bleek ook dit obstakel met gemak genomen te worden.
– De nieuwe bijbelvertaling van het NBG werd aan de kerken van harte aanbevolen en ook deze vernieuwing voltrok zich geruisloos.
– Behalve in de kleinere kerken moest er voortaan onderscheid gemaakt worden tussen een brede (met diakenen) en smalle kerkenraad. Deze en andere maatregelen op het gebied van de kerkstructuur hebben niet al te veel resultaten opgeleverd.
– In 1946 kwam de gereformeerde synode tot een hernieuwde formulering van de uitspraken van 1905: de Vervangingsformule. De gereformeerde synode probeerde telkens de vriendenhand te reiken naar de vrijgemaakten, maar die reageerden keer op keer afwijzend. Alleen in 1959 zetten enkele predikanten en gemeenteleden de stap tot hereniging, maar veel verder komt het niet.
– ‘Bij een verantwoorde opvatting van de levensroeping blijft er voor een Christen slechts een geringe tijd voor vrije-tijdsbesteding over’ (synode 1952/53).
– We ontdekken in de dogmatische reflexie van Berkouwer de eerste aanzet tot een vernieuwing van het gereformeerde theologische denkpatroon. Zijn (wetenschappelijke) bescheidenheid is spreekwoordelijk, evenals zijn afkeer van populistische manipulaties. Maar het gereformeerde dogmatische denkpatroon heeft hij wel opengebroken naar de theologische ruimte van de oecumene. Niet alleen liet Berkouwer zijn opponenten ruimschoots aan het woord, maar uit zijn hand kwamen dogmatische studiën voort ‘met confessionele loyaliteit’ die ons doen denken aan de grote Bavinck. Men heeft Berkouwers denken getypeerd als dat van de correlatie tussen geloof en openbaring. Hij benadrukt dat het Schriftgezag geen ‘leeg’ gezag is buiten het geloof om; het gaat om de inhoud die geconcentreerd is in Jezus Christus, minder om de historische functionaliteit, meer om de betrouwbare Christus.
– Zijn leerling H.M. Kuitert wil het Evangelie relevant maken voor hen wier (wetenschappelijk) denken beheerst wordt door het gesloten wereldbeeld van de natuurwetenschappen. Kuitert maakte onderscheid tussen de eigenlijke feiten rondom de Heere Jezus én alles wat zich verder daaromheen afspeelt, de rest dus van de Schrift. Van een geschiedenis van de Godsopenbaring kan zo geen sprake meer zijn.
– Op de synode van Leeuwarden 1955/56 werden diepingrijpende beslissingen genomen op het gebied van het diakonaat: kerk en overheid hebben ieder hun eigen zelfstandigheid, waarbij samenwerking niet uitgesloten mag worden.
– Vrij snel na het einde van de bezetting van ons land kwam binnen de Gereformeerde Kerken de kerkbouw weer op gang. Maar dit was nog niets vergeleken bij de grootse ontwikkeling van het kerkbouwprogramma in de jaren vijftig en vooral zestig, een ontwikkeling zoals de GKN (en evenmin andere kerkgenootschappen) nog nimmer hadden gekend. Mede door de naoorlogse geboortegolf groeiden bestaande gemeenten uit hun jasje. Vooral de snelle groei van de tuinsteden plaatste de kerken voor immense problemen. Voorbeelden hiervan waren de wijken Slotermeer/Geuzenveld en Slotervaart/Osdorp aan de rand van Amsterdam-West, Moerwijk in Den Haag, Alexanderpolder in Rotterdam en Kanaleneiland in Utrecht. Er moest snel gehandeld worden, wilden de vele gereformeerden die zich in de nieuwbouwwijken nestelden en bijkans in de hoge flatblokken verdwenen, niet ontworteld raken. Sommige gemeenten zagen zich zelfs geplaatst voor de noodzaak binnen enkele jaren drie, ja vier kerkgebouwen te stichten. Bij de bouw van de naoorlogse kerken werd de gebruiksfunctionele kwaliteit nadrukkelijk geaccentueerd. Het principe van de rechthoekige, ja soms doos-vormige kerkzaal werd meermalen toegepast. De uiterste functionaliteit werd hier en daar bereikt door de kerkruimte op te laten gaan in één van de woonblokken van de nieuwe tuinsteden.
– De bundel gezangen werd langzaam aan uitgebreid. Eerst kwamen er dertig liederen bij, van 30 tot 59 dus, dit waren vooral heel bekende en zeer geliefde ‘mee-zingers’. Voor een nieuw lied waren de kerken nog niet rijp, zo dachten sommigen. Daarna werd er een bundel met 119 gezangen vrijgegeven voor eredienstelijk gebruik. Achteraf moet men concluderen dat deze etappe-gewijze uitbreiding van het gezangenbezit de gemeente heeft doen wennen aan de grote stap die gemaakt zou worden met de komst van het Liedboek voor de Kerken.
– De nieuwe lichting studenten aan de Kamper Hogeschool werd in de eerste jaren na de oorlog de problematiek van de Vrijmaking als het ware op de ziel gebonden. Dagelijks proefden zij de sfeer van deze ingrijpende tragiek, vooral door de aanwezigheid in de kleine Kamper gemeenschap van de vele studenten aan de ‘concurrerende’ School van de vrijgemaakte kerken. Hoewel Amsterdam voor velen de voorkeur genoot wist de Hogeschool zich aan een dreigend isolement te onttrekken. Dat de deur naar de zo in beweging zijnde samenleving wijd openging was aan het nieuwe docentencorps te danken. G. Brillenburg Wurth ‘verruimde ons kleine blikveld naar de niet-kerkelijke en niet-christelijke mens’, J.H. Bavinck ‘een mens, die ter wille van de mens mondiaal dacht’ en Herman Ridderbos, die de ogen van menige jongere opende voor wat er ‘achter traditie en dogmatische vooronderstellingen’ lag, namelijk het Koninkrijk Gods. Andere nieuwe docenten waren J.T. Bakker, J.L. Koole, H. Bergema en C. van der Woude. De veranderingen aan de Theologische Faculteit van de VU waren niet minder ingrijpend. Nieuwe hoogleraren daar waren Berkouwer, N.H. Ridderbos, R. Schippers en W.H. Gispen. Deze Ridderbos verraste menigeen met een nieuwe wijze van omgaan met de Schriften. Hij liet jongeren zien dat er een verschil is in werkelijkheidsbeleving tussen de Israëliet van het Oude Testament en de moderne mens en dat ieder een kind van zijn tijd is. Daarmee bood hij een opening in het vastgelopen gesprek tussen theologen en beoefenaars van de natuurwetenschap.
– De Nederlandse Raad van Kerken vergat bij de oprichting in 1946 de Gereformeerde Kerken uit te nodigen.

1961-1975
– ‘Van het hemelse heil naar de aardse gerechtigheid’, zo heeft iemand in enkele woorden het eigene van de jaren zestig en zeventig proberen te vangen.
– De door een vaak strakke opvoeding ingeprente noodzaak tot kerkgang verviel, want het dienen van God was toch allereerst een zaak die zich buiten de vaak niet meer eigentijdse kerkdienst afspeelde? Men nam steeds meer afstand van zijn roemruchte verleden, van de overtuiging dat we in de Gereformeerde Kerken met een duurzaam Godsgeschenk te maken hadden. Gereformeerden hadden altijd een hecht gesloten eenheid gemanifesteerd. Maar nú stond die eenheid op breken.
– Aan het begin van de jaren zestig liep het aantal theologische studenten drastisch terug. Op een bepaald moment telde men op 1200 predikantsplaatsen 200 vacatures. Desondanks werden er afkeurende geluiden gehoord toen een gemeente het waagde via een dagbladadvertentie potentiële kandidaten te werven voor de zo lang openstaande vacature. Ook aan het begin van de jaren zeventig bleef het predikantentekort knagen. In bijna de helft van de kleinere gemeenten (met minder dan 500 leden) stond de pastorie leeg. Wel namen het aantal theologiestudenten, vooral vanwege de verruiming van de opleidingsmogelijkheden, weer toe. Het fenomeen van de part-time predikant deed zich nu ook voor. Hoe het ook zij, het had er alles van weg dat de financiën de ambtspraktijk van de kerken ging bepalen.
– Met de komst van de vrouw in het ambt (1968) bleef het aantal vrouwelijke predikanten voorlopig beperkt, maar dat van ouderlingen en diakenen groeide verrassend snel.
– Zelden zal een gezangboek binnen de kerken zoveel triomfen hebben gevierd als de interkerkelijke gezangbundel ‘Liedboek voor de Kerken’. Het repertoire van het doorsnee-kerklid werd met enkele honderden gezangen uitgebreid. Wel was er ook kritiek: bepaalde geliefde gezangen waren ontrecht uit de schat van geestelijke liederen verdwenen, andere waren onherkenbaar veranderd en ‘onzingbaar’ gemaakt hetzij door andere bewoordingen, hetzij door een al of niet drastische ingreep in de melodie. Een bekend voorbeeld is ‘Een vaste burcht is onze God’. En waarom niet méér liederen opgenomen in de trant van die van Johannes de Heer? Dan konden allerlei ontoegankelijke misbaksels verdwijnen. Sommigen vonden het Liedboek ook veel te ‘horizontaal’: geluiden van medemenselijkheid en naastenliefde voerden de boventoon. Op den duur verstomde de kritiek van de tegenspelers: niemand kon zich nog indenken hoe we in vroegere tijden ons moesten behelpen met een dun en uitgekleed gezangboekje, ‘waardoor de gemeente geschaad werd in het bezingen van de grote daden Gods’.
– Tweemaal ter kerke gaan ging tot de uitzonderingen behoren, vooral in grotere plaatsen. De gewone diensten spraken de personen met een frequent kerkbezoek relatief het sterkst aan; de dienst met een koor, de thema-dienst en de oecumenische diensten spraken de personen met een geringer kerkbezoek het sterkst aan. Sommigen legden een nauw verband tussen de terugloop van de tweede dienst én de wijziging van het karakter van deze samenkomst, namelijk van leerdienst naar gewone dienst. Voor het besef van menigeen werd dit een verdubbeling van de gewone dienst.
– ‘In vroeger dagen werd in gereformeerde kring (te) vaak van wereldgelijkvormigheid gesproken, maar is het verlies van de zondag, teken van de overwinning op de machten in dit ondermaanse, niet het begin van een alles verziekende wereldzin? Of verdwaalden anderen op hun beurt bij hun wekelijkse kerkgang omdat zij in de prediking de nodige warmte en bewogenheid misten?’
– ‘Bij velen leefde het onbestemd gevoel dat het verleden failliet was en historie en traditie geen wezenlijke waarden meer vertegenwoordigden’.
– Nieuwe vormen van spiritualiteit dienden zich aan. Maar niet meer exclusief gereformeerd.
– Van de verontruste predikant W.C. van den Brink stamde de uitdrukking dat ‘met de laatste synode de Gereformeerde Kerken in de bossen van Lunteren begraven waren’.
– Nog steeds bleef een ‘richtingenkerk’ een mogelijkheid aan de andere kant van de horizon. Hier en daar werd wel gesproken over de mogelijkheid ingeschreven te worden in een genabuurde kerk als men zich in eigen gemeente niet meer thuisvoelde door onschriftuurlijke prediking of verwaarloosd catechetisch onderwijs. Maar een perforatieregeling zoals in de Ned.Herv.Kerk kwam er niet.
– Het massale, door zijn ‘overwicht’ imponerende kerkgebouw had zijn tijd gehad. Kleinere en daarom niet minder functionele bouwsels stonden van nu af aan op het programma. Dit had ook gevolgen voor de vormgeving. Ook nu was daar weer die brandende vraag hoe een kerkgebouw uitdrukking kan geven aan de geloofsbeleving van de gemeente en hoe het tevens weergeeft dat die gemeente niet van de wereld is, maar toch wel midden in die wereld staat. Daarbij zal ‘een juiste symbolische zingeving aan het kerkgebouw een meerwaarde geven in vergelijking met de utiliteitsgebouwen, waardoor een kerkgebouw zijn eigen karakter blijft houden. Nu kregen zaken als eenvoud en flexibiliteit voorrang. Nu werd er ook ruimte geschapen voor liturgische experimenten. Nu werd er nog meer relatie gelegd met de ‘profane’ bouw in de directe omgeving van het te stichten bedehuis.
– Het Liedboek voor de Kerken (1973) was vanuit liturgisch, hymnologisch en oecumenisch gezichtspunt een feit van de hoogste orde. Aanvankelijk koesterde men nog de gedachte een tweedelig gezangboek uit te geven. Het ene deel, het ‘stam-deel’, zou een aantal liederen bevatten die voor elke kerkgemeenschap acceptabel waren, terwijl dan elk kerkgenootschap een eigen aanhangsel kon toevoegen. ‘Maar gelukkig is men van dit in oecumenisch opzicht rampzalige idee afgestapt’.
– Op liturgisch gebied zette met de kentering in de jaren zestig de grote verandering in. De motieven die de vormgeving van de eredienst gingen bepalen, werden ingegeven door datgene wat we in de Schriften vinden en wat de grote christelijke tradities hier gemeenschappelijk hebben. In de nieuwe orde vielen enkele vernieuwingen op, die sommige gereformeerden bijna revolutionair aandeden. De avondmaalsviering kreeg een voorname plaats in de nieuwe orde; het avondmaal kon frequenter gevierd worden, ook omdat het niet meer gepaard hoefde te gaan met ‘het zo overbekende didactische formulier (…) de hoge drempel, opgeworpen door de hoekige bewoordingen van het oude formulier. (…) Dit heeft de vreugde van de viering verhoogd’.
– Kindernevendiensten ontstonden en bloeiden. Mochten die ooit het karakter hebben gedragen van een veredelde oppascentrale, nu ontstond langzamerhand in de bijruimte van het kerkgebouw onder leiding van pedagogisch geschoolde gemeenteleden een parallel met de dienst in de kerkzaal.
– Het grote struikelblok in de oecumene met de Ned.Herv.Kerk lag nog steeds in de legitieme plaats van vrijzinnigen binnen deze kerk.
– Niemand van de synodeleden bracht een tegenstem uit op het besluit toe te treden tot de Wereldraad; slechts een enkeling onthield zich van stemming.
– ‘Toegegeven moet worden dat onder kerkmensen veel warmte en enthousiasme ontbrak die men juist bij getuigende jongeren (Youth for Christ) en ouderen (uit de charismatische hoek) aantrof. Of praatte men daar te veel over de christelijke dingen en te weinig christelijk over de dingen?’
– ‘Het grote gevaar dreigt dat de Gereformeerde Kerken veel te veel een open huis worden. Ze dreigen zo langzamerhand een receptiezaal te worden, waarin iedereen ontvangen wordt, maar waarin de gastheer niet duidelijk maakt waar hij staat’.
– ‘Een binnenkerkelijke secularisatie is in volle gang. Halen de Gereformeerde Kerken het jaar 2010?’

Gepubliceerd in mei 2009

Advertenties