De gereformeerden

n.a.v. Agnes Amelink, De gereformeerden, Amsterdam 2001

Piëtisten en activisten
De vroege geschiedenis van de gereformeerden laat zich lezen als een succesverhaal. Via de dolerenden kwam een heel ander type de gereformeerde kerken binnen. Geloof was voor velen van hen vooral een kwestie van daadkracht. Hun geestelijk leven voltrok zich via hun organisaties. In de beginjaren van de Doleantie waren de preken lang, uitgesproken saai en behelsden vaak stichtelijke beschouwingen zonder enig verband. De kerk was een geoliede machinerie waarin dominees de toon aangaven (in de Afscheidingskerken waren het juist de ouderlingen die de leiders waren, die de rechte leer bewaakten). De dolerenden legden zó de nadruk op het Woord, dat ze afkerig waren van alles wat maar rook naar ‘gevoel’ en subjectiviteit. Het activisme van de dolerenden had op veel afgescheidenen grote aantrekkingskracht. ‘Niet tobben, maar actie!’ De piëtistische stroming is nooit helemaal verdwenen uit de GKN, maar ze werd wel een onderstroom. In bepaalde streken (waar de Nadere Reformatie veel invloed heeft gehad) bleef ze sterker dan elders, waar Kuyper de toon aansloeg.

Koppig en eigenwijs
Er is altijd een tegenstelling gezien tussen de ‘nederige’ en bevindelijke school in Kampen en de ‘hautaine’ Kuyperiaanse VU in Amsterdam. Toen Herman Bavinck overstapte naar Amsterdam, volgde tweederde van de studenten hem (1902). De dolerende blik naar buiten had als voordeel dat het intern gehakketak minder werd. En in plaats van gepieker over persoonlijk zielenheil stak men de handen uit de mouwen. De afgescheidenen wantrouwden de dolerenden. Zij bestonden immers al vijftig jaar toen de Doleantie kwam. Afgescheidenen waren mensen die niet bang waren om tegen de stroom op te roeien. Met als keerzijde dat ze koppig en eigenwijs waren. Net als vroeger in de Ned.Herv.Kerk ontstond er ook in de GKN een nieuwe elite. Men kwam onder de bekoring van de macht. Door de toegenomen scholingsmogelijkheden ontstond er een nieuwe bovenlaag. Een ander type leider kwam op de voorgrond. Gereformeerden hadden een grote drang om vooruit te komen en velen lukte dat ook. Boerenjongens brachten het tot notaris, arts, advocaat of dominee. Ouders waren trots.

Moeten trouwen
Kerkelijke tucht werd toegepast vooral met het oog op het zevende gebod. Gedwongen huwelijken, stelletjes die ‘moesten’ trouwen. Voor in de kerk moest men dan gaan zitten (soms zelfs opstaan) en schuld belijden. ‘Haar hele leven heeft in het teken gestaan van die verschrikkelijke gebeurtenis. Ze gunde zichzelf geen enkel pleziertje; haar zondigheid was haar zo ingeprent, dat ze zich al schuldig voelde als ze iets lekkers bij de koffie nam…’ Men grondde deze concentratie op het zevende gebod op de Heidelbergse Catechismus die niet alleen echtscheiding verbiedt, maar ook álle onkuisheid. Harry Kuitert zegt over zijn jeugd in Drachten met het oog hierop: ‘Hoe konden we het in onze gereformeerde koppen krijgen om zulke vernederende grappen met mensen uit te halen.’ Klaas Schilder heeft met succes geijverd voor het afschaffen van de openbare schuldbelijdenis bij dit vergrijp.

Openbare zonden als aanstoot voor de buitenwereld
De zondagsrust was een onbetwist kenmerk van de gereformeerde levenswandel. Herman Bavinck gaf aan dat hij minder preekte dan hij zou willen, omdat hij op zondag niet (met de trein) mocht reizen. Zelf zag hij er geen kwaad in. Kermis- en cafébezoek waren ook onderdeel van de kerkelijke tucht. Drankgebruik was geen probleem. Geheelonthouding heeft nooit voet aan de grond gekregen. Veel veenarbeiders kregen zelfs drank als deel van hun salaris. Het jenevergebruik onder antirevolutionaire politici was legendarisch. De kabinetscrisis in 1960, veroorzaakt door de ARP, ging de geschiedenis in als de ‘jenevercrisis’. Bij de opening van de VU werd rijkelijk wijn geschonken, wat Kuyper verdedigde met: ‘Bij den chocolade-ketel en de water- en melkkaraf kweekt ge geen geslacht van kloeke calvinisten.’ Met het oog op het avondmaal moesten alle ruzies bijgelegd worden. Er is een verhaal bekend van twee buurvrouwen die aan de vooravond van iedere avondmaalsviering vrede sloten, om ’s maandags weer door te gaan met kijven. De kerkenraden waren voorzichtig in verborgen zonden: dezen werden niet openbaar gemaakt. Wel moest schuld beleden worden. Juist omdat de kerk beschadigd werd door openbare zonden van haar leden (‘En dat zijn nou die fijnen!’) moest dit ook openbaar afgehandeld worden. ‘Geen aanstoot geven’ werd dus het voornaamste streven. Wat een gereformeerde wel of niet behoorde te doen werd zo van lieverlee een kwestie van burgermansfatsoen. Deze eenzijdige nadruk op levensstijl heeft de ‘veruiterlijking’ van het gereformeerde leven enorm bevorderd. Ontegenzeggelijk raakten de diepste motieven op de achtergrond, hoe oprecht ook de dadendrang bedoeld was.

Het gezin als model voor de staat
Herman Bavinck switchte in zijn latere jaren van de dogmatiek naar de pedagogiek. Hij schreef in 1908 in Het christelijk huisgezin: ‘Alles voedt in het huisgezin op (…) Alles is bezig om elkaar op te voeden (…) Duizend nietigheden, duizend kleinigheden, duizend beuzelingen, ze oefenen alle harer werking uit. Het is het leven zelf dat hier opvoedt, het rijke, onuitputtelijke, alzijdige groote leven.’ Veertig jaar later, in 1947, waarschuwde Jan Waterink, de eerste hoogleraar pedagogiek aan de VU, tegen de ontwrichting van het gezinsleven. Hij hekelde de gewoonte dat ieder in huis zijn eigen weg gaat. ‘Vroeger was het zoo: de omstandigheden moeten zich schikken naar het gezin. Nu is het zoo: het gezin moet zich schikken naar de omstandigheden.’ Kuyper zag het gezin als model voor de staat. Kuypers wereldbeschouwing had paradoxale gevolgen: vader was doorlopend op pad voor kerkenraad, kiesvereniging, werkliedenverbond en schoolbestuur. Immers, al die soevereine gereformeerde organisaties moesten bestuurd worden. Die organisaties werden al spoedig een doel op zichzelf. De gerichtheid op de buitenwereld bestond nauwelijks meer. Binnen eigen kring hield men elkaar nauwlettend in de gaten.

Een leeg kistje?
Ouders spraken niet met hun kinderen over hun innerlijk leven, laat staan over hun twijfels. ‘Als er over het geloof werd gesproken, was dat altijd in de trant van “God bestuurt alle dingen”’. ‘Vader gaf zich nooit zo erg bloot, maar als hij bad en dankte, kwam toch het hart op tafel’. ‘Driemaal per dag, bij de maaltijd, las vader voor uit de bijbel; in de oogsttijd psalm 117 (…) We moesten immers aan het werk!’ Zingen was ook belangrijk: Joh. de Heer en J. Worp werden gehanteerd achter het harmonium. Kuyper beschouwde de psalmmelodieën van Genève als ongeveer het allerhoogste wat de muziek te bieden had. Samen zingen was bij uitstek een bezigheid voor de zaterdag- en zondagavond. Meestal zongen ze liederen die een sterk appel deden op het gevoel en die in de kerk niet gezongen werden. ‘Afgezien van de muziek en het gebed waren we gewend om onze emoties aan de teugel te houden.’ Toen de leegloop van de kerken begon, bleek dat geloofsoverdracht in veel gezinnen beperkt was gebleven tot het aanleren van gewoonten en regels. Godfried Bomans gebruikt het beeld van een kistje dat van generatie op generatie wordt doorgegeven, maar nooit opengemaakt. Als iemand dan uiteindelijk de deksel eraf haalt, blijkt het leeg te zijn.

Aan moeders hand tot Jezus
‘Doe in uw opvoeding uitkomen dat gij gezag draagt’, zei ds. B. Wielenga in 1915. Kuyper waarschuwde al tegen de zonde van de eigenwijsheid bij kinderen. Omdat de mens geneigd is tot alle kwaad, moeten de ouders er alles aan doen het kwaad te bestrijden, desnoods met harde hand. Eli was een afschrikwekkend voorbeeld, die zijn zonen niet eens zuur aankeek toen ze verkeerd bezig waren. De strenge opvoeding had vooral te maken met orde en gezag, noodzakelijk om te voorkomen dat kinderen van het rechte pad zouden afdwalen. Eigentijdse gereformeerde pedagogen deden er alles aan om een minder zwarte kijk op het kind ingang te doen vinden. Waterink koos in zijn adviezen altijd de kant van het kind. Het was zijn overtuiging dat God in de harten van Zijn verbondskinderen de kiemen van ‘het goede, het redelijke en het zedelijke’ al heeft gelegd. Hij pleitte voor een kindvriendelijkere opvoeding. Zijn beststeller was Aan moeders hand tot Jezus. Tussen 1936 en 1962 beleefde dit boekje twintig drukken.

Het psalmversje gaat er maar niet in
Het Woord bestempelde de taal en de verbeelding. Wie erin werd grootgebracht, kwam nooit meer los van de bijbelse taal en de bijbelse beelden, al verloor hij elke binding aan kerk en geloof. Nog altijd kijken ex-gereformeerden niet verlangend naar iets uit, maar is het een ‘blij vooruitzicht dat hen streelt’. Zij houden niet gewoon hun mond, maar ‘zet, Heere, een wacht voor mijn lippen’. Zij zijn niet hogelijk verbaasd, ‘zij zien het maar doorgronden het niet’. Het begint al vroeg op school. In de laagste klassen leren de kinderen ‘Opent uwe mond’. J.W. Schulte Nordholt verhaalt hoe hij als kind onder de indruk kwam van het psalmvers ‘Gelijk een duif door ’t zilverwit…’ Maarten ’t Hart zong jarenlang op de fiets tussen school en thuis in zijn moeizame middelbare schooltijd ‘Als ik omringd door tegenspoed…’ Okke Jager weet te herinneren dat de meester zei: ‘Ik begrijp jullie niet, een straatversje hoeven jullie maar één keer te horen en je kunt het zingen, en het psalmversje gaat er niet in.’ Over psalmen worden ook grappen gemaakt. Zo maakte iemand in een discussie over de middagdienst een vervorming van Ps. 116. ‘Ik zal met vreugd in ’t huis des Heeren gaan / Maar geen twee keer, ik zorg voor lege banken. / ‘k Ben spoedig zat van hoge hemelklanken. / ‘k Ben van de kerk, maar ‘k doe er niet veel aan’.

Driftbui
Het christelijk onderwijs is voor de emancipatie van de gereformeerden van enorme betekenis geweest. De eerste christelijke HBS (Hogere Burger School) kwam pas in 1901. Men stond hier gereserveerd tegenover omdat het een school was voor de gegoede burgerij, waar zij met hun eenvoudige afkomst niet bij hoorden. In 1930 kwam er pas een wis- en natuurkundefaculteit aan de VU. Door de gesloten eigen wereld kon men de inzichten van de moderne wetenschap lang buiten de deur houden. Er is een verhaal bekend van een schoolmeester die in een verschrikkelijke driftbui een jongen totaal in elkaar sloeg. Het meest van streek was de meester zelf. Hij trok wit weg. Aan het einde van de dag zei hij: ‘We zingen en we danken niet’. Dat was heel erg. Een meisje begon te huilen. Toen wenkte hij de leerlingen weer naar hun plaatsen. Hij bad. Het was een diepe, verslagen schuldbelijdenis, een smekend vergeving vragen voor zijn drift. ‘Begrijpt u dat een kind zoiets nooit meer vergeet?’

De jongelingsvereniging
Op de zondagavonden vonden de vergaderingen van de jongelingsverenigingen plaats. In de jaren voor 1940 was de jongelingsvereniging echt een fenomeen. Tot diep in de 20e eeuw kon men politici herkennen dat ze op de jongelingsvereniging hadden gezeten: hun gedreven manier van debatteren was kenmerkend. Joop den Uyl, Jelle Zijlstra, Jan Schouten en Bauke Roolvink zijn hier goede voorbeelden van. De oorsprong van dit jongerenwerk ligt in het Reveil. Men richtte in die kringen in 1853 het Nederlands Jongelingen Verbond op, vooral met het doel om de lagere standen met het evangelie te bereiken. In 1888 kwam het tot een specifiek gereformeerde jeugdbeweging: Jan Engelbert Vonkenberg was de man hierachter. Het evangelisatie-element ging eruit en het werd een soort interne kaderopleiding. De Bond werd een enorm succes. In 1926 waren er meer dan 900 afdelingen en ruim 21.000 leden.

Geen rebellenclub
De JV was voor jongens vanaf zestien jaar. Ze mochten erop blijven totdat ze ‘tot een andere staat des levens’ overgingen, zoals men dat in verenigingsjargon noemde. Leden spraken elkaar aan met ‘vriend’, zoals communisten ‘kameraden’ hadden. De leiding was in handen van de jongens zelf. Van de volwassenen keken ze hun vergadermores af. De vergaderingen hadden wel iets van kerkenraadje spelen. Hoewel ze formeel niet onder het gezag van de kerkenraad stonden, groeide het toch niet uit tot een rebellenclub. Middels de bladen en studiemateriaal wat aangereikt werd werden de ideeën van de ouderen er krachtig ingeheid. Vóór de pauze was er de ‘inleiding’, na de inleiding kon er gedebatteerd worden, na de pauze kwam er een onderwerp uit de politiek, maatschappij of cultuur. Je sprak niet als je niet van de voorzitter het woord had gekregen. Je richtte je tot anderen via de voorzitter. De meeste JV’s beschikten over een eigen bibliotheek.

Waar ligt die Bilderdijk?
Over het niveau moeten we niet te gering denken. De JV dankt daar mede haar grote reputatie aan. Onderwerpen als ‘De Eere Gods’, ‘Het genadeverbond’, ‘Het Noachitisch verbond’ en ‘De twaalf stammen in verband met Jacobs sterfbed’ werden er behandeld. Iemand hield ooit een inleiding over dichter Bilderdijk. Aan het eind vroeg één van de jongens: ‘Heel interessant, wat ik allemaal hoor, maar waar ligt die Bilderdijk nu eigenlijk?’ In de jaren dertig was de helft van alle jongens tussen 16 en 23 jaar lid. De meesten waren werkende jongeren. Concessies aan het niveau werden niet gedaan. De jongens die debatteerden waren vaak dezelfden. Iedere aanwezige besefte onbewust: dit zijn de leidslieden van de toekomst. ‘Er waren leden waarvan je dacht: die wordt later ouderling’. Ook waren er slimme jongens uit eenvoudige milieus die gretig de kans grepen om kennis op te doen op de JV. Men bestudeerde de werken van Kuyper van a tot z. In de Tweede Wereldoorlog zou het JV-netwerk belangrijk worden voor het verzet.

Weest eensgezind en zoekt een meisje
Studeren werd krachtig bevorderd. ‘Wie niet studeert is niet bekeerd’. Het woord ‘beginselen’ had een sacrale klank. Het kwam maar zelden voor dat de vrienden van de JV iets van hun persoonlijke geloofsovertuiging lieten blijken. ‘Ons soort mensen liep niet te koop met wat heel innerlijk, heel eigen was.’ Voor velen was gezelligheid het belangrijkste. Het was het verzetje van de week. Er waren ook avonden met sprekers waarvoor ook de meisjes van de meisjesvereniging werden uitgenodigd. In Barendrecht was een vereniging die heette ‘Weest eensgezind en zoekt het goede’, in de volksmond ‘Weest eensgezind en zoekt een meisje’.

Het moederhart
Kuyper sprak over de ‘erepositie’ van de vrouw. Waterink stelde in 1932 dat dé kracht van het meisje in het moederhart ligt, ‘dat is haar eigenlijke wezen’. Volgens Waterink waren vrouwen ook geschikter voor geestdodende karweitjes dan mannen. ‘God is zo wijs dat hij aan de vrouw gaf dat mysterieuze, waardoor het haar mogelijk is zich te verlustigen ook in datgene wat voor het denken weinig bekoorlijks kan hebben’. Henriëtte S.S. Kuyper, A.C. Diepenhorst-de Gaay Fortman en A.M. Lindeboom-de Jong stonden aan de wieg van het blad Christelijk Vrouwenleven. Johanna Breevoort, een pseudoniem van M.G. Bakhoven-Michels, schreef in 1916 een boekje tegen de gevolgen van masturbatie onder de titel Stomme zonden. Toen daarvan in 1936 een tweede druk verscheen, aarzelde de invloedrijke pedagoog Waterink niet het boekje als ‘stom en zondig’ te veroordelen. Uitgeverij Kok in Kampen haalde het vervolgens uit de handel.

Theologen zonder baard
A.M. Lindeboom-de Jong vermaande moeders dat ze hun opgroeiende dochters niet zo wulps moesten kleden. Had Kuyper niet gezegd dat als het er op aankwam de vrouw de man in haar macht had ‘door de correspondentie tussen háár schoon en zijn zinnelust’? In deze tijd werd er ook sterk gewaarschuwd tegen de oude gewoonte van de ‘onkuische verkeering’: boerenzoons wilden zeker weten dat hun komende vrouw kinderen zou voortbrengen. De meisjesvereniging behandelde voor de pauze een bijbels onderwerp en na de pauze werd er kleding genaaid om uit te delen aan de armen. Die uitdeling was elk jaar rond Kerst. Legendarisch is de vrouwenvereniging die heette naar de bijbeltekst ‘Ik was naakt, en gij hebt mij gekleed’. Doorgaans kortweg aangeduid als ‘Ik was naakt’. Toch waren er aanvankelijk heel wat mannen die sceptisch stonden tegenover de beginselstudie door meisjes: ‘Geen slechter christenen hier op aard, dan theologen zonder baard’. Als er in de gezinnen al over geloof gesproken werd, was dat meestal door de moeders. Iemand schreef in 1950: ‘Daar schiep God moeder voor! (…) Met haar dikwijls niet boven het middelmatige uitgaande verstandelijke ontwikkeling, maar met haar grote, warme hart. Moeders met haar zachte stem en zachte handen, en zachte borst waartegen het verdrietige kinderhoofd zo heerlijk uitsnikken kan.’

Wij zijn in het huis des Heeren, wij zijn in de hand des Heeren
De harde kern van het kerkvolk, dominees, ouderlingen en diakenen, actieve leden van JV’s, hield zich op de hoogte, maar de grote meerderheid geloofde het wel. Een succesvol blad als De Reformatie had in 1920, een jaar na de oprichting, 7500 abonnees, maar in 1924 waren er nog maar 2500 van over. De intensieve omgang met het woord maakte van de gereformeerden geletterde mensen. Sommigen schreven schriften vol. Naar de kerk gaan heette ‘opgaan onder het Woord’, men sprak van de ‘dienst van het Goddelijk Woord’, de dominee was de ‘dienaar van het Woord’. De doorsnee gereformeerde is veel meer door preken gevormd dan door enig hooggeleerd geschrijf. Veel stadsgemeenten hadden twee morgendiensten na elkaar: ‘Sommige dominees waren zo boeiend dat we bleven zitten om hun preek nog een keer te horen.’ Op een dienst in de Tweede Wereldoorlog dreigde er een razzia, en iedereen was zenuwachtig. De predikant zei echter: ‘Wij zijn in het huis des Heeren, wij zijn ook in de hand des Heeren’.

Het Goddelijke Woord in een leugenachtige wereld
Al was de invloed van de preek groot, dat wil nog niet zeggen dat er altijd zo goed gepreekt werd. Een populaire predikant was Klaas Schilder, maar hij overschatte zijn gehoor. Hij hekelde de zogeheten ‘exemplarische’ preken. De Bijbel las men als een verzameling losstaande voorbeeldverhalen. Schilder benadrukte de Bijbel in zijn geheel als ‘heilsgeschiedenis’. In 1952 schreef de Kamper hoogleraar K. Dijk kritisch over de toen opnieuw opklinkende roep om verandering. Hij hekelt de neiging van dominees om met persoonlijke verhaaltjes indruk te maken. Een preek moet bovenal bediening zijn van het Goddelijk Woord. De dienaar van het Woord die zijn roeping serieus neemt, huivert, zegt Dijk: ‘Hij is de enige mens, die in deze leugenachtige wereld met goede grond kan zeggen: zó is het’. Keerzijde van het geloof in de waarheid was dat het mensen onbuigzaam maakte. Met het Woord lieten ze niet sollen, ze gingen voor niets en niemand opzij. Dat zou in de oorlog de karaktervolste verzetsmensen opleveren, maar door dezelfde eigenschap zouden kerkelijke ruzies fataal uit de hand lopen. De grootste verandering sinds de jaren vijftig van de twintigste eeuw is ongetwijfeld juist de afgenomen betekenis van het woord. De woordcultuur werd een beeldcultuur. Ook de toegenomen welvaart waardoor er meer vertier kwam dan lezen en studeren is een belangrijke factor.

Christelijke romans
De christelijke roman heeft nooit meegeteld en doet dat nog steeds niet. Toch hebben ze veel invloed gehad. De oorsprong hiervan ligt in het Reveil. Er werd in 1844 een boekenfonds opgericht bij uitgever H. Höveker. Van exclusief gereformeerde boeken is nooit sprake geweest. De protestants-christelijke leescultuur trok zich niets aan van kerkgrenzen. Voor sommige gereformeerde JV-jongeren fungeerde het oordeel van hun Bondsblad als de Index bij de rooms-katholieken. Sommige boeken werden afgekeurd omdat er ‘halfvloeken’ in stonden. ‘Verduveld’, ‘verdikkeme’ en ‘ik verdij het’ konden niet. Kok te Kampen wees in de jaren dertig het manuscript van Bartje van Anne de Vries af. Collega Callenbach zou er vervolgens goed aan verdienen! De eerste zondagsschool kwam in 1871. Het hoogtepunt van het zondagsschoolleven was de jaarlijkse viering van het Kerstfeest, wanneer alle kinderen een boekje cadeau kregen. W.G. van der Hulst en K. Norel waren bekende auteurs. Sil de strandjutter, Van een klein meisje en een grote klok, Rozemarijntje, Gerdientje, Van de boze koster, Bob, Bep en Brammetje en In de Soete Suikerbol zijn bekende titels.

De boodschap lag er dik bovenop
De verhalen waren vaak onnatuurlijk en onwaarschijnlijk. Veel jammerlijke ellende, gevolgd door een wonderbaarlijke bekering, waarna alles ten goede keerde. De boodschap lag er veel te dik bovenop. Hoewel Van der Hulst hervormd was, werd hij door de gereformeerden in de regel lovend besproken. Alleen was er wel eens kritiek op het ontbreken van voldoende evangeliserende elementen. Christelijke romans behoren tot de meest uitgeleende boeken in openbare bibliotheken. Het lezerspubliek bestaat voor 90 procent uit vrouwen. Er is wel gezegd dat de christelijke streek- en familieromans meer invloed hebben gehad op het christelijke volksdeel dan de zondagse preek. In een nogal verstandelijk ingestelde, zelfs harde wereld, waarin over de diepste zielenroerselen niet of nauwelijks werd gesproken, vonden ze in boeken de verwoording van hun verlangen en hun twijfel. Er werd wat af gebeden en gedankt, er werd wat af geworsteld.

Hellend vlak, machtsstrijd
In het najaar van 1920 komt er een kanselboodschap waarin kort samengevat klinkt: ‘Gereformeerden, hoedt u voor de boze buitenwereld!’ Vooral de opgroeiende jeugd is een punt van zorg: zij kennen de vervolgingen van de 19e eeuw niet meer. Het argument van het ‘hellende vlak’ wordt vaak gehoord. Dat de gereformeerde wereld in de jaren twintig op zijn grondvesten schudt, komt niet alleen door veranderingen van buitenaf. Veel van de idealen zijn bereikt. Bepaalde ontwikkelingen, zoals het kiesrecht voor vrouwen, bleken niet te keren. De wetenschap stelde de gelovigen ook voor grote problemen. Na Kuypers dood ontspon er een machtsstrijd. In dit kader vonden ook de gebeurtenissen die aan 1926 voorafgingen plaats.

Geelkerken moet zwijgen
Er openbaart zich een paradox: de gelovige die in het voetspoor van Calvijn werkelijk zélf de Schriften doorvorst, botst onvermijdelijk ergens op de muren van het machtige gereformeerde bolwerk. De NCSV wordt in de ban gedaan. De synode wil de touwtjes stevig aanhalen. Men waarschuwt tegen zedenverwildering. Geelkerken uit Amsterdam laat er geen spaan van heel in zijn preek na de kanselboodschap. Geelkerken moet niets hebben van een kerk die met de rug naar de wereld gaat staan; ze moet er juist op af. ‘Heus, een gezond lichaam hoeft voor infectie niet zo bang te zijn’. Een kritisch gemeentelid, procuratiehouder H. Marinus, dient een klacht in als Geelkerken in een andere preek het daadwerkelijk spreken van de slang relativeert. Geelkerken, die uit het hoofd had gepreekt, laat weten dat hij het feit van de zondeval op geen enkele manier ter discussie stelt. Maar de kerkelijke machines draaien op volle toeren. De kerkleiding wil de hele beweging voorgoed de mond snoeren (met onder andere hun liturgische vrijheden). Ze vrezen dat ze anders op den duur alle grip op de mensen zullen verliezen.

Wat nu? Bewaren wat we hebben!
Colijn volgt de kerkelijke verwikkelingen wel belangstellend, maar op afstand. Hij vraagt zich in een brief aan J. Ridderbos af of de hele wereld niet al denken dat de gereformeerden gek geworden zijn, dat ze een kerkscheuring laten ontstaan door het woordje ‘klaarblijkelijk’. De groep rondom Geelkerken, de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, telden 5500 leden, en tot het opgaan in de Ned.Herv.Kerk in 1946 in totaal 28 predikanten. De rijen sloten zich in de GKN. Velen die het wel met Geelkerken eens waren deinsden terug voor de gevolgen. Hepp schrijft onomwonden dat het goed is dat deze rotte plek is weggesneden. De verkiezingen van 1925 hadden als leus voor de ARP: ‘Bewaren wat we hebben’: heel typerend voor deze tijd. Colijn werd premier. Kuypers laatste grote rede in 1918 (die hij zelf niet meer kon uitspreken) was getiteld: ‘Wat nu?’ Hij pleitte ervoor het sociale vraagstuk hoog op de agenda te zetten. Colijn was een vertegenwoordiger van het grootkapitaal… Een man, die de kerk vaarwel had gezegd, schijnt tegen J.J. Buskes gezegd te hebben: ‘Ik kom nooit meer in de kerk, ik ben tegen Colijn!’

Pieter Kapenga, politieman in Kampen
Pieter Kapenga, hoofdagent bij de politie in Kampen, weigert mee te werken aan het wegvoeren van Joden. Hij wordt daarom naar kamp Vught en later naar Dachau gebracht. Dachau, dat op zesduizend man berekend was, herbergde in de winter van 1944 en 1945 veertigduizend gevangenen. Kapenga overleefde, volgens eigen zeggen omdat hij extra eten kreeg doordat een project snel klaar moest zijn. Ook had hij een ijzeren discipline door driemaal daags zichzelf luizenvrij te maken, ter voorkoming van vlektyfus. In zijn persoonlijk verslag aan zijn kinderen citeert hij Ps. 77. ‘Zou God zijn genâ vergeten? / Nooit meer van ontferming weten? / Heeft Hij Zijn barmhartigheên, / Door zijn gramschap afgesneên?’ Maar ook: ‘’k Zei daarna: “Dit krenkt mij ’t leven, / Maar God zal verand’ring geven. / d’Allerhoogste maakt het goed / Na het zure geeft Hij ’t zoet.’ Toen Kapenga uit Dachau terugkeerde, hoorde hij dat de kerk gescheurd was. Zijn vrouw behoorde tot de 5800 Kampenaren die voor de Vrijmaking hadden gekozen. Kampen had zich massaal geschaard achter Schilder. Zowel de synodalen als de vrijgemaakten rekenden op Kapenga, die ouderling was. Maar hij voegde zich uiteindelijk bij zijn vrouw, hoe verschrikkelijk hij het ook allemaal vond.

Oorlogsvragen
In 1944 werden 23 mannen van de Trouw-groep opgepakt, gevangengezet en gefusilleerd. Het had voorkomen kunnen worden door te beloven de krant niet meer uit te geven, maar ze gaven geen krimp. Er is een verhaal bekend van een boer die geen onderduikers wilde, omdat hij te bang was door de Duitsers gesnapt te worden. ‘Dus hield ik hem voor dat hij eens voor de rechterstoel van God verantwoording zou moeten afleggen voor wat hij nagelaten had’. De boer zweette ervan. ‘Je hebt gelijk; toch durf ik niet’. Mocht je verraders executeren? H.H. Kuyper was zo vervuld van de zorg voor de optimale voortgang van het kerkelijk leven, dat hij in feite aanpassing propageerde. Exodus 2 was een geliefde preektekst van Frits de Zwerver. Conform de gangbare preekstructuur moet hij het ongeveer zo hebben aangepakt: sabotage geboden, sabotage geslaagd, sabotage gezegend.

Klaas Schilder: geen getob! Het verbond!
Klaas Schilder was duidelijk: ‘De schuilkelder uit en de uniform aan’. Hij zag tijdens zijn promotieonderzoek in Duitsland in 1933 de opkomst van het nationaal-socialisme. H.H. Kuyper was zijn voornaamste tegenstrever. Velen haalden elke week likkebaardend De Reformatie uit de brievenbus: hoe zou Schilder nu weer toeslaan? Tegen Schilders felle polemieken was eigenlijk niemand opgewassen. Veel van de mensen die hij aanviel voelden zich daardoor bedreigd en reageerden navenant. Schilder hing de afgescheiden verbondsvisie aan. Het enige wat de mens hoefde te doen is het verbond gehoorzamen (en verder geen getob over uitverkiezing en veronderstelde wedergeboorte). De synode wilde de vervelende Schilder graag een kopje kleiner maken. Wat de zaak compliceerde was dat Schilder in augustus 1940 gearresteerd werd en een publicatieverbod kreeg toen hij in 1941 werd vrijgelaten. Omdat hij zich wel roerde in preken en persoonlijke brieven, woedde er een merkwaardig soort schijngevecht. De zaak werd op de spits gedreven doordat de oude synode zichzelf herkoos, vanwege de oorlogssituatie. Vanaf dat moment bond Schilder de strijd aan met deze kerkrechtelijke omstreden beslissing.

Meeslepend en meedogenloos was hij
Op 11 augustus 1944 was de Vrijmaking een feit. Er werd gezongen: ‘Zo Gij in ’t recht wilt treden…’ en ‘Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven…’ Na de bijeenkomst in Den Haag haastten veel jongemannen zich weer naar hun onderduikadressen. De GKN is de klap van 1944 nooit te boven gekomen. Het bleef een trauma. Klaas Schilder, daar draaide alles om. Niets voor niets zijn de andere namen allang weer vergeten: H.H. Kuyper en V. Hepp. Iedereen spreekt nog over Schilder. Hij was een groot geleerde, die meeslepend preken en schrijven kon, maar met zijn scherpslijperijen menigeen tegen zich in het harnas joeg. Charmant en aardig in de omgang voor zijn medestanders, maar medogenloos voor zijn tegenstanders. Wat Schilder vaak is verweten is zijn weigering om met mensen te praten. ‘Ik zou zoo graag gewild hebben dat je meer gesproken en minder geschreven had’, zo schrijft Veenhof.

Huilend van verjaardagen weerkomen
Het begin van de grote veranderingen wordt meestal gesitueerd in de jaren zestig, of: 1961. Of vormt de Tweede Wereldoorlog de breuklijn? 60.000 waren met Schilder meegegaan. Onder hen waren er velen die tot het kader behoorden, actieve leden en vooral jongeren. In plaatsen als Kampen, Groningen, Zwolle en Enschede hadden aanzienlijke delen van de kerkgemeenschap zich vrijgemaakt. Door de gereformeerde gewoonte om geen huwelijkspartners buiten de eigen kring te zoeken, vormden de gereformeerden eigenlijk één groot familie. De breuk ging nu dwars door familiebanden heen. Verlovingen werden verbroken. ‘Ik ben van (…) verjaardagen wel huilend thuisgekomen’. Uiteindelijk ging toch alles weer volle kracht vooruit. Met Colijn en H.H. Kuyper waren leiders gestorven. Jan Schouten en J.A.H.J.S. Bruins Slot hadden beiden naam gemaakt in het verzet en werden nieuwe leiders. In 1937 werden er 17 zetels behaald, 16,4 procent van de stemmen. In 1946 verloor de partij een kwart van haar zetels. De vrijgezelle antirevolutionaire leider Jan Schouten mocht zich vertonen op de jaarlijkse Bondsdag van de meisjesbond: ‘Daar is hij, krachtig, blozend, ietwat verlegen om zooveel maagdelijk enthousiasme voor hem alleen!’

Gereformeerden, waarheen?
In 1951 schreven A. Bouman en Thijs Booy het boek Gereformeerden, waarheen? Het was één grote aanklacht tegen de matheid en vanzelfsprekendheid. Men zag daarin de oerzonde van de mens: het willen zijn als God. Verontwaardigd keerden vooraanstaande figuren uit het kerkelijk leven zich tegen ‘deze vervaging van het uitzicht op ons gereformeerd levensbeginsel’. Er waren nu drie slechte B’s: Banning, Barth en Booy. In Amsterdam bleek slechts 14 procent van de jeugd niet naar de bioscoop te gaan. Dansen was alleen toegestaan met je eigen vrouw op de slaapkamer, in 1953 nog werd door de synode het paardansen verboden, omdat ‘de werveling waarin de dansparen worden opgenomen, kán overgaan in een roes, waarin men het vermogen verlies om energieën, die gebonden dienen te blijven, te beheersen’.

Het ijsje op zondag
Verreweg het ingrijpendst was de veranderde kijk op de zondag. Harry Kuitert vertelde in 1998 dat hij in 1962 voor het eerst met zijn kinderen op zondag een ijsje kocht. ‘Voor mij was het echt een daad! (…) Het verdwijnen van een cultuur’. Verhitte discussies werden er gevoerd. In 1961 debuteerde Jan Wolkers, zoon van een gereformeerde ouderling. Met zijn virtuoze pen, gedoopt in de tale Kanaäns, liet hij de gereformeerden huiveren. ‘Schande!’ ‘Zure haat!’ ‘Ongenuanceerd!’ ‘Inferieur!’, zo waren de reacties. Wolkers kon nog weggewuifd worden als afvallige, Ben van Kaam niet. Hij publiceerde in 1964 De parade der mannenbroeders. Bij veel oudere gereformeerden kwam het resultaat van dit speurwerk hard aan. Van Kaam hield hen genadeloos de spiegel voor. J.J. Buskes somt gebreken op van de Gereformeerde Kerken: het fundamentalisme, het moralisme, de eigengereidheid, de zelfverzekerdheid, de noodlottige toepassing van de antithese op het leven, de afgrijselijke verpolitieking van kerk en christendom. De kerk die hij heeft gehaat en liefgehad. De beroemdste ommezwaai was die van Trouw-hoofdredacteur Bruins Slot in de kwestie-Nieuw-Guinea. Geleidelijk kregen voorstanders van een evangelisch-radicale politiek meer invloed. De gereformeerde organisaties verwaterden, zodat er een reformatorische zuil ontstond in begin jaren zeventig.

Gezag van de Schrift wordt subjectief voordat het verdwijnt
De oude Waterink sloeg alle ontwikkelingen vanaf de zijlijn grommend gade: ‘Zij zijn de normen in hun leven kwijt’. In 1966 overleed hij. Waar vroeger de ‘waarheid’ als een paal boven water stond, brokkelden nu veel zekerheden af, in adembenemend tempo. De grote steden in het westen liepen voorop in de moderniteit. G.C. Berkouwer legde de basis voor een andere kijk op de Bijbel, die beslissend is geweest voor de GKN. Zijn Dogmatische Studiën verschenen tussen 1949 en 1972. Kenmerkend voor hem was dat hij de openbaring van God in Zijn Woord niet als zomaar een objectieve bron van informatie zag, maar dat hij die alleen wilde zien in relatie tot het geloof van de mens. De aard van het gezag van de Bijbel werd dus subjectief. De barmhartigheid is wel het grondmotief van zijn theologie genoemd: je kunt de soevereiniteit waarmee God verkiest alleen zien in het perspectief van Zijn oneindige barmhartigheid.

God met ons?
Ondanks deze veranderingen werd er niet meteen luchthartig gedaan over de zondigheid van de mens. En bovendien waren de regionale verschillen groot. De veranderingen gingen heel subtiel: men ging spreken in termen van Gods goedheid en zogenaamde bescheidenheid dat wij niet op elke vraag een antwoord hebben. Het besef van afhankelijk aan God verdween met de toegenomen welvaart en verbeterde gezondheidszorg. In 1961 kwam het definitieve ‘nee’ van de vrijgemaakten op alle pogingen sinds 1944 om de breuk te herstellen. De vrijgemaakten wilden dat de synodalen op alle fronten schuld zouden belijden. In 1971 traden de GKN toe tot de Wereldraad. In 1961 was er de groep van achttien: het begin van het Samen op Weg-proces. De Bijbel werd steeds meer gezien als een boek waarin verslag wordt gedaan van menselijke ervaringen. Het rapport God met ons uit 1980 werd na twee dagdelen vergaderen al goedgekeurd. Hierin werd afstand genomen van de Bijbel als van kaft tot kaft Gods Woord. Er werd gewezen op verschillende genres in de Bijbel, de betrekkelijkheid van de historische betekenis, fouten, en dat het ene wonder aanvaardbaarder is dan het andere. Gelovigen die niet meer geloven in de opstanding verdienden ‘een pastorale benadering’. Het rapport diende ook de genadeslag toe aan de beginselen. ‘Zo’n systeem bevat de bijbel niet, noch op het gebied van de moraal, noch op dat van de theologie!’ Een tegenrapport kwam er uit de hoek van de EO, De Bijbel in de beklaagdenbank.

Boycot van sinaasappels
Het rapport kwam niet uit de lucht vallen. Twee theologen werden berucht: Harry Kuitert en Herman Wiersinga. Kuitert groeide op in Drachten en maakte in zijn eerste gemeente de watersnood in Zeeland mee, waarna hij preekt over ‘t Scheepke onder Jezus’ hoede. Hij legde uit dat het niet zo simpel is als dit vrome versje voorstelt. Gods hand in het kwaad is een thema dat in zijn werk zou blijven terugkeren (de hervormde theoloog A.A. van Ruler zei: ‘God gaat aanmerkelijk ruiger met ons om dan ons lief is’). Hartstochtelijk wilde hij het christelijk geloof aannemelijk maken voor de moderne mens. Kuitert moet niets hebben van een tandeloze God die alleen liefde is. Hij rekende in 2000 af met God als een persoonlijk wezen. Ondanks alles wil Kuitert niet als een ongelovige gezien worden. ‘Ik wil een geloof dat onze wereld van vandaag serieus neemt’. Hierin klinkt de echo van Kuyper. Hoewel de synode Wiersinga’s opvattingen over de verzoening ronduit afwees, werden er geen verdere stappen tegen hem ondernomen. Gingen de gereformeerden een toontje lager zingen nu hun wereld instortte? Nee. In de jaren zeventig en tachtig werden de oude beginselen vervangen door nieuwe stokpaardjes: vrede, gerechtigheid, anti-apartheid, de positie van de vrouw, kernbewaping. De politiek rukte op in de kerk. Men kon preken horen waarin werd opgeroepen tot het boycotten van sinaasappels en complete landen, Dit schoot menige kerkganger in het verkeerde keelgat.

Waar moeten de stakker heen?
De vrijgemaakten noemden zich ietwat sektarisch ‘artikel-negendertigers’. De vrijgemaakten vormden geen homogeen geheel. Een belangrijk deel was met Schilder meegegaan omdat ze vonden dat hem groot onrecht was aangedaan. Zij waren het ook die de toenaderingspogingen tot de synodalen waardeerden. Schilder vond dat er per plaats maar één kerk kon zijn. Typerend is hoe Schilder in 1952 waarschuwde tegen de neiging om dissidente kerkleden al te gemakkelijk te verwijzen naar een andere kerk. ‘Naar welke kerk dan?’, vraagt Schilder zich hardop af. ‘Waar moet de stakker heen?’ ‘In werkelijkheid stoten we ze van de kerk in de hel’. De organisatiedrang van de vrijgemaakten kende geen grenzen. Zo kon men zelfs vrijgemaakt gaan volleyballen. Dat er aparte scholen kwamen, was mede hierom, dat men niet graag meer met synodalen aan dezelfde bestuurstafel wilde zitten; die confrontatie wilde men niet meer.

Buitenverbanders
Toenaderingspogingen werden er gedaan. Sommige gemeenten keerden terug tot de synodalen. In 1950 lag het ledental op 670.000 tegenover 91.000. Een vrijgemaakt predikant uit Groningen wilde niet afzien van contact met synodalen, waardoor hij geschorst werd. Toen kwam de Open Brief waarin 25 personen, hoofdzakelijk predikanten, het opnamen voor de Groninger predikant. Tussen 1966 en 1969 vonden er ‘grootscheepse zuiveringen’ plaats. Predikanten kregen een brief met vragen waarop men moest antwoorden. Zo kreeg de predikant van Wageningen de vraag voorgesteld of hij erkent dat de vrijgemaakt gereformeerde kerk aan de Kastanjeweg 2 het enige adres van Christus’ kerk is in deze plaats. In 1970 bleken er 29.000 mensen buiten het verband terecht te zijn gekomen (‘buitenverbanders’, vanaf 1979 Nederlands Gereformeerde Kerken). Schrijnend is de gebrokenheid bij H.J. Schilder, de neef van en hoogleraar Oude Testament in Kampen. Zijn vrouw en tien kinderen kozen voor de buitenverbanders, zoals de meeste Kampenaren voor hun geliefde predikanten kozen (hun oudste zoon Arnold zou directeur van de Nederlandsche Bank worden). Schilder zelf bleef vrijgemaakt en kwam dus alleen te staan in zijn gezin.

Weg synodes!
Na deze scheuring sloten de rijen weer. Er kwam een steeds verfijnder netwerk van gereformeerde scholen, waar de kinderen voortaan met de bus naartoe gingen. Aan de buitenkant is een vrijgemaakte niet te herkennen, maar toch heeft het moderne leven nog maar tot op zekere hoogte vat op hen. De zondagsrust staat nog altijd hoog aangeschreven. Er kwamen echter verschuivingen. In 1993 kregen de vrijgemaakte vrouwen actief kiesrecht in de kerk. Het geboortecijfer daalt ook, wat afnemend leerlingaantal op de gereformeerde scholen oplevert én dus verruiming van toelatingsnormen om de scholen in stand te houden. Het ledental van de vrijgemaakte kerken schommelen op dit moment rond de 125.000: na de PKN het grootste protestantse kerkverband van Nederland. De Nederlands Gereformeerde Kerken zijn heel divers. Door de kerkscheuringen die ze meegemaakt hebben, twee in 25 jaar, willen ze niets meer weten van synodes en ondertekeningsformulieren. Opmerkelijk is de invloed van de EO op hen: 95 procent is lid.

Het mysterie van de 20e eeuw
Bij het verschijnen van De eeuw van mijn vader van Geert Mak noemde de recensent van het Nederlands Dagblad de snelle teloorgang van de gereformeerde subcultuur ‘het mysterie van de twintigste eeuw’, zoals ooit de opkomst van de gereformeerden ‘het wonder van de negentiende eeuw’ was (Hendrik Algra). De gereformeerden bereikten in 1973/74 hun grootste ledenaantal: 880.000. Er kwam een sterke stroming op, die geïnspireerd door de bevrijdingstheologie, het evangelie vooral als radicale bevrijdingsboodschap voor onderdrukte volkeren ging zien. In de Keizersgrachtkerk in Amsterdam, waar de gereformeerde avant-garde samenkomt, ging het zondag aan zondag over Nicaragua. De oude garde ergerde zich aan het IKV. Ongehuwd samenwonen en alternatieve levenswijzen werden met een beroep op het gebod om God en de naaste lief te hebben overgelaten aan het pastoraat.

Max Havelaarkoffie en de Leprastichting
Trouw kent op elke honderd abonnees 26 gereformeerden, 20 hervormden, 14 rooms-katholieken en 31 onkerkelijken. Bij het CDA is 32 procent gereformeerd. Twee belangrijke momenten waren er: de opvattingen over het door God gegeven gezag werden ondermijnd in de kwestie-Indonesië en de ‘soevereiniteit in eigen kring’ botste met de opbouw van een verzorgingsstaat. Een afvallige gereformeerde zegt: ‘Geloven dat God je troost, het lijkt me heerlijk als je dat kunt, maar ook lekker makkelijk. Ik zit te wroeten en te spitten in mezelf, dat is veel lastiger’. Iemand ander: ‘Ooit zei ik ja tegen een God die een plan met mij had. Nu denk ik: dat plan moet ik zelf invullen’. Nog een ander: ‘Ik probeer mijn verantwoordelijkheid te nemen. Rekening houden met het milieu, Max Havelaarkoffie kopen. De mensen in je omgeving vriendelijk tegemoet treden’. Of: ‘Mijn kinderen staan niet meer in de traditie van de kerk. Maar als ik zie wat Jantje bijvoorbeeld voor de Leprastichting doet, dan vind ik wel dat ze in de traditie van het geloof staat. Het woord afvalligheid neem ik niet in de mond.’

Den Ham
Er zijn nog enkele gereformeerde bolwerken. Één daarvan is Dan Ham, waar het lijkt alsof je in de tijd bent aanbeland ‘toen geluk nog heel gewoon was’. Een gezin dat van Den Haag naar Den Ham verhuisde, verklaarde: ‘In Den Haag was het één en al IKV en kruisraketten, hier bestond dat helemaal niet. (…) In Den Ham zijn we weer echt gereformeerd geworden.’

Gepubliceerd in oktober 2007

Advertenties