De Nederlandse geschiedenis

n.a.v. Herman Belien en Monique van Hoogstraten, De Nederlandse geschiedenis in een notendop. Alles wat je altijd wilde weten, Amsterdam 2005

Tot 1566
Prehistorie, klimaatveranderingen, Romeinen
Volgens de hedendaagse geschiedkunde moet het zo zijn gegaan: de lage landen lagen verscholen onder een dik pak ijs, maar 13.000 jaar geleden begon het ijs te smelten; de lage landen veranderden in een toendragebied. 3.000 jaar later trad een volgende klimaatsverandering op; de temperatuur steeg opzienbarend, de toendra maakte plaats voor moerassen en bossen. Landbouw werd in 3400 voor Christus voor het eerst bedreven op de lössgronden van Zuid-Limburg. Vanaf 1700 voor Christus deed brons zijn intrede, in 700 ijzer. In deze tijd werden de doden niet meer begraven, maar verbrand, een verandering teweeggebracht door de nieuwkomers, de Germaanse en Keltische stammen. Het Romeinse Rijk veroverde heel Gallië tot aan de Rijn, maar pas laat, 12 voor Christus, kwam het zuiden van de lage landen echt onder Romeinse heerschappij. Men slaagde er niet in het gebied ten noorden en ten oosten van de Rijn te veroveren. Friezen boden moedig tegenstand. De Rijn (nu Oude Rijn) bleef voorgoed de noordgrens van het Romeinse Rijk. In 50 voor Christus arriveren de Bataven in de lage landen. Misschien als buffer tegen de opstandige Friezen. De naam ‘Betuwe’ herinnert nog aan dit volk. Ze waren vrijgesteld van belasting maar wel verplicht om soldaten te leveren. Dat kwam de Romeinen duur te staan. De Bataven kwamen in opstand, onder leiding van Julius Civilis. Zijn opstand bereikte niets, behalve dan dat hij later als eerste Nederlandse vrijheidsstrijder geëerd zou worden.

De tijd van de volksverhuizingen
De Romeinse invloed deed zich het sterkst gevoelen in het zuiden, in de provincie Gallia Belgica. Aan de bloei van het Rijk komt eind 3e eeuw een einde. De keizer is niet meer in staat de legers te onderhouden. Invallen van Germanen zetten het Rijk onder druk. De Romeinen verlieten de lage landen eind 4e eeuw. De stijging van de zeespiegel maakte een groot deel van het rivierenland onbewoonbaar en het veengebied in Holland, Zeeland en West-Brabant werd nog drassiger dan het al was. Pas in de 11e eeuw werden de eerste dijken aangelegd. Rivieren verlegden regelmatig hun bedding, moerassen konden tot meren worden. Frankische Germanen stroomden uit het oosten het Rijk binnen, Friezen breidden hun woongebied uit naar het zuiden, de Franken vestigden zich tot ver in het huidige Noord-Frankrijk. Een scherpe grens tussen Romaanse en Germaanse dialecten kwam later, in de 9e eeuw, tot stand. Daar loopt nu de taalgrens door België. Met het vertrek van de Romeinen was het centrale bestuur weggevallen. Het belang van de handel nam sterk af, op de Friezen na; die hadden een belangrijke handelsvestiging: Dorestad (nu Wijk bij Duurstede).

Kerstening
De komst van de Franken in ons gebied heeft grote consequenties gehad voor het geloof. Met het vertrek van de Romeinen was het christendom verdwenen, maar de Franken brachten het nieuwe geloof weer mee. In Utrecht werd in 630 een eerste kerkje gebouwd, die meteen door de Friezen verwoest werd. Toen de Franken de Friezen in 695 definitief verslagen hadden, was de verbreiding van het christendom niet meer te stoppen. In dat jaar stichtte Pippijn II het bisdom Utrecht. Willibrord werd de eerste bisschop. Samen met een andere Angelsaksische monnik, Bonifatius, was hij actief in het heidense gebied. Laatstgenoemde werd in 754 bij Dokkum vermoord. De kerstening werd voltooid onder Karel de Grote (768-814). Deze vorst kwam met het drieslagstelsel, waardoor de grond minder snel uitgeput en de opbrengsten hoger werden. Ook het schrift en studie van het Latijn kwam tot bloei. Er vonden gedwongen bekeringen plaats.

Leenstelsel van Karel de Grote
Van grote invloed was de invoering van het leenstelstel: omdat er geen inkomsten meer naar een centrale plaats stroomden, door de economische achteruitgang en omdat er vrijwel geen geld meer in omloop was, was Karel de Grote gedwongen onafgebroken door zijn rijk te reizen om in zijn onderhoud te voorzien. Hij verplichtte de bewoners van de streek waar hij verbleef om hem te onderhouden. Voor de handhaving van zijn gezag had hij de trouw van de graven nodig. Daartoe ontwierp hij het leenstelsel, op basis van het eeuwenoude gebruik van vazalliteit. De leenman zwoer een eed van trouw, waarbij hij zich verplichtte de heer bij te staan met raad en daad. In ruil daarvoor gaf Karel hem een ‘leen’ ofwel het bestuur over en de inkomsten van een stuk land. Echter, de leenmannen maakten dit recht erfelijk. Daardoor kregen ze uiteindelijk veel meer invloed dan hun oorspronkelijk was toebedeeld. Ze stelden zelfs achterleenmannen aan. Na de dood van Karel viel het rijk uiteen. Zijn zoon Lodewijk de Vrome verdeelde het gebied onder zijn drie zonen. Er vonden voortdurend rijksdelingen plaats. Vanaf 800 maakten de Vikingen het noorden van Europa onveilig. Dorestad verdween hierdoor. In deze tijd was de opinie dat de staat verdeeld is in drie soorten mensen, drie standen: bidden, vechten en werken.

Omslag, waterschappen, Investituurstrijd
Rond het jaar 1000 vond er een omslag plaats: de bevolking groeide, de handel herleefde, steden ontstonden. Die steden zouden uiteindelijk de macht van de adel overnemen. Kruistochtsridders en handelaren ontdekten een wijdere wereld. Universiteiten werden gesticht. De vroegst bekende tekst in het Oudnederlands dateert uit de 11e eeuw en luidde in het huidige Nederlands: ‘Alle vogels zijn met hun nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten we nog op?’ De bevolkingsgroei leidde tot een grote druk op de voedselvoorziening. Laagveengebieden in Holland en Utrecht werden ontgonnen. Voor dijkonderhoud en afwatering kwamen regionale organisaties van boeren tot stand, meestal als autonome instellingen; dat waren de waterschappen, die nu nog bestaan. De hoogste heer van de lage landen was de Duitse koning. Het leenstelsel had zeer nadelig uitgepakt voor de Duitse koningen. Daarom ontwierp men een nieuw stelsel: het Ottoonse stelsel. Het idee daarvan was zoveel mogelijk land toe te vertrouwen aan bisschoppen. Bij hen bestond immers geen gevaar voor vererving, omdat zij niet mochten trouwen. Echter, de paus van Rome verzette zich tegen deze verknoping van wereldlijke en geestelijke macht. De Investituurstrijd die hierop volgde eindigde in 1122. In het concordaat van Worms werd toen vastgesteld dat de Duitse koning geen zeggenschap meer had over kerkpolitieke zaken. De lokale edelen waren er als de kippen bij en maakten gebruik van de verzwakte positie van de koning en zijn bisschoppen. Zo nam de graaf van Gerle bijvoorbeeld rond 1200 de Veluwe over.

Den Haag, Floris V en de Hoekse en Kabeljouwse twisten
Vlaamse graven waren zeer succesvol. Één van hen schopte het zelfs tot keizer van Byzantium, toen hij op kruistocht ging naar het Heilige Land. Holland kwam ook op. De Hollandse graven verplaatsten hun residentie naar een omhaagd jachtterrein. Daar bouwde het in de 13e eeuw een ridderzaal en een hofkapel. Bij dit vorstelijk onderkomen ontstond het dorp Den Haag. Vooral Floris V wist het machtsgebied van de Hollandse graven uit te breiden, hoewel zijn eerste optreden weinig goeds beloofde: bij een veroveringstocht in 1272 tegen de West-Friezen strandden zijn ridders in het moeras. Hier moest hij concessies doen. Hij werd daarom ‘der keerlen god’ genoemd: de god van de boeren. Willem III van Henegouwen liet zijn dochter trouwen met keizer Lodewijk IV, hertog van Beieren. Deze dochter zou de aanleiding vormen tot een eeuw van grote verdeeldheid in Holland. Toen haar man namelijk overleed, vertrok ze naar Beieren. Haar zoon Willem liet ze achter; toen ze terugkwam weigerde haar zoon echter het bestuur weer uit handen te geven. Een familietwist was het gevolg. Alle onderdanen kozen partij. Een deel schaarde zich achter Willem; zij noemden zich Kabeljouwen. Een ander deel noemde zich Hoeken, ofwel ‘haken’, om de kabeljouwen te vangen. Telkens weer laaiden de Hoekse en Kabeljouwse twisten op.

Opkomst steden, schout, schepenen, hanze
Er kwamen nieuwe spelers in het machtsspel: de steden. In de stadsrechten die de steden van de landsheer kregen, werden het bestuur, de rechtspraak en de relatie tot de landsheer geregeld. Het stadsbestuur werd uitgeoefend door de schout en de schepenen. De schout vertegenwoordigde de landsheer, de schepenen werden door de burgerij aangewezen als haar vertegenwoordigers. Onder druk van de toenemende werkzaamheden kozen schepenen en raden na verloop van tijd uit hun midden een aantal burgemeesters. Sommige steden verwierven zelfs autonomie. In gebieden waar weinig of geen stedelijke nederzettingen bestonden, bleef de macht van de lokale adel lang onaangetast. Dat gold bijvoorbeeld voor Gelre. In Friesland maakten de grote boeren en handelaren de dienst uit. De machtigste steden lagen aanvankelijk in het zuiden: Brugge, Gent en Ieper. Vooral door textielnijverheid werden sommige steden groot. Een hanze was een organisatie van handelaren die zich gezamenlijk probeerden in te dekken tegen de risico’s van het vak in den vreemde. De Duitse Hanze is het bekendst geworden; hier waren ook Kampen en Deventer lid van.

Belfort, gotiek, ambachten, literatuur, burgerij
Boven de stadsmuren uit torende het belfort. Dat was de bewaarplaats van de schatkist en van de belangrijkste documenten van de stad, de stadsprivileges. Ook hingen daar de klokken die het ritme van het stadsleven aangaven (begin en einde werkdag en opening en sluiting stadspoorten). Vanaf 1200 werd gebouwd volgens de Franse mode: hoog, spits en licht: de gotische stijl. In de stad was aanvankelijk nog weinig steen, maar voornamelijk hout. Dit leidde met grote regelmaat tot branden. Vanaf de 12e eeuw werden steeds meer huizen in steen gebouwd. De ambachtslieden verenigden zich in gilden, die bescherming boden tegen het patriciaat, toezicht hielden op de kwaliteit van de producten en op de opleiding van leerlingen. De gilden hadden daarnaast een sociale functie (bij ziekte, begrafenissen, feesten en een gezamenlijk altaar). Er kwam een toenemende verfijning van het hofleven. Toernooien, steekspelen, muziek. In de literatuur wordt het ook zichtbaar. Waar eerst in ridderverhalen een verachting van vrouwen gemeengoed is, komt nu de liefde voor een onbereikbare vrouw tot uitdrukking. Op den duur zou de stedelijke burgerij de adel echter overvleugelen. Symbolisch hiervoor is Jacob van Maerland, die dichter en schrijver was; hij vermeerderde onder de burgerij kennis over bijvoorbeeld geschiedenis.

Teruggang bevolking, geestelijke vernieuwingsbewegingen
De Vlaamse steden bleven tot diep in de 15e eeuw dominant. Ook de IJsselsteden waren tot de 14e eeuw veel belangrijker dan de Hollandse. Toch begon Holland zich economisch te ontwikkelen, net toen in Europa de hongersnoden en de Zwarte Dood opkwamen en zorgden voor een scherpe daling van de bevolking. De verklaring is de uitputting van de grond, waardoor men moest handel drijven naar het Oostzeegebied. Op het platteland ontstond er een overschot aan arbeidskrachten door de overgang van arbeidsintensieve akkerbouw naar extensieve veeteelt. Velen trokken naar de steden, waar ze vaak werk vonden in de nijverheid. In de steden verschenen bierbrouwerijen; water was te vies en wijn te duur, dus daarom was bier volksdrank. Maar het was niet altijd smakelijk; daarom probeerden Nederlandse brouwers de lekkere Hamburgse bieren na te maken en met succes. Het was ook een tijd van religieuze vernieuwingsbewegingen. De orde der cisterciënzers werd gesticht, die de oorspronkelijke lijfspreuk van Benedictus (bid en werk) in ere herstelden. Er ontstonden ook bedelorden van Franciscus en Dominicus. Ook kwam er een mystieke beweging. Jan van Ruusbroec omschreef zijn opgaan in God als een bruiloft. Geert Groote bracht de hervorming van het geloofsleven binnen het bereik van de leken: de Moderne Devotie. Thomas à Kempis schreef De imitatione Christi. Verder kwamen de begijnen en begaarden op: vrouwen en mannen die in hoven samenwoonden. Beide bewegingen brachten het geloof dichter bij de mensen.

Bourgondiërs, Staten-Generaal, Habsburgers, Karel V
In de 15e eeuw breidde de macht van de Bourgondiërs zich uit. Filips de Goede was de eerste Bourgondische vorst die probeerde het bestuur van zijn gebieden te centraliseren. Hij besloot niet langer met alle gewesten afzonderlijk te overleggen, maar liet vertegenwoordigers van die gewesten op hetzelfde moment naar een centrale plaats komen, om er gezamenlijk te vergaderen: de Staten-Generaal, voor het eerst bijeenkomend in 1464. Zo werd men meer bewust deel uit te maken van een groter geheel waarbij ze gemeenschappelijke belangen hadden tegenover één en dezelfde vorst. Verder stichtte Filips een centrale rechtbank, de Grote Raad. Ook kwam er de Orde van het Gulden Vlies: een nieuwe Bourgondische ridderorde, waarin hoge dienaren van de hertog maar ook andere landsheren werden opgenomen. Aan het einde van de 15e eeuw volgde het Habsburgse huis Bourgondië op. De Nederlanden werden deel van een nog groter rijk, een wereldrijk. De grootste vijand was koning Lodewijk XI van Frankrijk. Karel V werd in 1515 ingehuldigd als heer van de Nederlanden. In 1516 volgde hij zijn grootvader op als koning van Spanje, waaronder de Spaanse koloniën in Noord- en Zuid-Amerika. In 1519 volgde hij zijn andere grootvader op als keizer van het Duitse Rijk. Nu kreeg hij dus ook te maken met de problemen van de hele wereld. Maarten Luther, de Turken, de Franse koningen: allemaal moeilijk zaken voor hem. Voor het bestuur van de Nederlanden benoemde hij een landvoogdes, die werd bijgestaan door onder andere de Raad van State (die een algemeen adviserende taak had). Aan het hoofd van de verschillende gewesten benoemde Karel V stadhouders. Karel V wilde de Nederlanden tot een eenheid samensmeden. Dat lukte hem, toen de hertog van Gelre als laatste in 1543 voor hem boog.

Welvaart, eerste martelaren, naaktlopers
Door de Zwarte Dood en hongersnoden was de bevolking van Europa met eenderde uitgedund. In de tweede helft van de 15e eeuw nam de bevolking weer toe. In de jaren tussen 1440 en 1470 schijnt de bevolking van de Zuidelijke Nederlanden een welvaartsniveau te hebben gekend dat ze pas daarna in de late 19e eeuw weer zou bereiken! Hollandse steden als Enkhuizen, Hoorn en Amsterdam groeiden zeer snel. Zij specialiseerden zich in de vaart op de Oostzee. Er werd een oorlog gevoerd tegen de Hanze om een vrije doorgang door het Oostzeegebied. Ondertussen brandde de eerste brandstapel in Brussel (1523): twee augustijner monniken uit ’s-Hertogenbosch; in 1526 Jan Jansen in zijn woonplaats Woerden, een jaar daarna Wendelmoet Claesdochter uit Monnikendam in Den Haag. De eerste vervolgingen van de godsdiensthervormers waren niet talrijk, maar maakten op de bevolking grote indruk. Erasmus was een humanist met een zachtmoedig karakter en tolerant uitgangspunt. Onder het gewone volk in Holland waren de wederdopers heel populair. In maart van 1534 probeerden ze in Amsterdam de macht over te nemen. Ze liepen naakt over de straat, omdat de waarheid ook naakt was, en bezetten het stadshuis. Nadat een nieuwe golf hervormers onder leiding van Johannes Calvijn de Nederlanden onrustig maakten, kwam er een Bloedplakkaat. De inquisitie begon zijn werk met volle toeren uit te voeren.

1566-1700
Smeekschrift, beeldenstorm, Egmond en Hoorne, Den Briel
Toen Spanje en Frankrijk in 1559 vrede sloten, vertrok Filips II uit de Nederlanden en benoemde halfzus Margaretha van Parma tot landvoogdes. De vertrouweling van Filips II, Granvelle, had veel invloed. Dit tegen het zere been van de hoge edelen, die zich gepasseerd voelden, waaronder Willem van Oranje, die stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht was. Zij stelden zich als eerste doel Granvelle het land uit te krijgen. De lage adel bood de landvoogdes in 1566 een smeekschrift aan, waarin dezelfde eisen waren neergelegd als de hoge adel had gesteld. Dit gezelschap werd door iemand aangeduid met les gueux, ofwel bedelaars. Dit werd een eretitel. De protestanten kwamen intussen steeds openlijker voor hun geloof uit. In hetzelfde jaar barstte de beeldenstorm uit. Filips II besloot tot een keiharde aanpak. De hertog van Alva werd gestuurd. De gematigde Oranje was niet blij met de beeldenstorm. Hij had echter wel alles gedaan om een volksoproer te voorkomen. Hij wachtte de komst van Alva niet af; hij vluchtte, samen met duizenden anderen. Zijn standgenoten Egmond en Hoorne hadden de situatie minder goed ingeschat; zij werden dan ook geëxecuteerd op de Grote Markt in Brussel. Willem van Oranje bereidde zich intussen op het slot de Dillenburg in zijn Duitse stamland voor op een inval in de Nederlanden. Hij verpachtte zijn goederen om legertjes te kunnen bekostigen; zijn aanval liep echter op niets uit. Op 1 april 1572 namen de Watergeuzen Den Briel in (‘op 1 april verloor Alva zijn bril’). Deze verrassingsaanval bleek het begin te zijn van de Nederlandse opstand. Enige Hollandse en Zeelandse steden sloten zich aan bij de opstandelingen en beloofden trouw aan Oranje.

Alva’s leger, Pacificatie van Gent, Unie van Atrecht en Utrecht
Het volk viel in drie kampen uiteen: fanatieke calvinisten, felle katholieken en een grote groep die nog geen keuze had gemaakt. Willem van Oranje was leider van die middengroep. Hij was tolerant. Alva’s leger trok in 1573 op en veroverde Mechelen, Zutphen en Naarden en moordde er de plaatselijke bevolking uit. Haarlem werd ook ingenomen, maar Alkmaar mislukte (‘bij Alkmaar begint de victorie’). Op de Zuiderzee behaalden de geuzen een overwinning. Het beleg van Leiden in 1574 moesten de Spanjaarden staken. Willem van Oranje slaagde erin alle gewesten, ook die in het zuiden en oosten, op één lijn te krijgen. Men sloot in 1576 de Pacificatie van Gent: ze erkenden de landsheer, Filips II, maar zijn troepen moesten het land uit. Voorlopig zou alles bij het oude blijven: calvinisme in Holland en Zeeland en katholicisme overal elders. Deze afspraken werden gemaakt ook met niet-opstandige gewesten. De euforie over deze overeenkomst was van korte duur. In 1579 sloten de zuidelijke gewesten de Unie van Atrecht. Tegelijk sloten de noordelijke gewesten en de grote Vlaamse en Brabantse steden de Unie van Utrecht. Waarom kon Spanje de oorlog uiteindelijk niet winnen? (1) Spanje kon nooit alle middelen mobiliseren tegen de opstandelingen (2) De verdediging van de christelijke wereld tegen de islam had prioriteit (3) Er was geen oorlog tussen twee legers gaande, maar tussen legers en steden. Bij de belegering van een stad was een groot leger eerder een last dan een lust. Het Italiaanse systeem van stadswallen met bastions had veel navolging gevonden in de Nederlanden, waardoor de steden onneembare vestingen waren geworden (4) Logistiek probleem: de soldaten moesten van ver komen, en per zee kon niet, want daar waren de Fransen. De soldaten misdroegen zich nog wel eens: bij de Spaanse Furie, die in 1576 Antwerpen teisterde, werden 7000 burgers vermoord. De grote winnaar van de Opstand was de stedelijke elite. Steeds scherper werd ook het verschil met de boeren van het omliggende platteland. Trots verhieven zich de gevels van hun huizen. De literatuur kreeg een impuls: rederijkerskamers.

Verlatinghe, moord op Oranje, ondergang Armada, uitroepen Republiek, raadspensionaris, stadhouder
In 1581 namen de opstandige gewesten met het Plakkaat van Verlatinghe officieel afscheid van hun landsheer Filips II. Het was echter niet gericht tegen hem, maar tegen zijn corrupte adviseurs en plunderende soldaten. In het geuzenlied staat immers: ‘Den coninck van Hispaengien heb ick altijt gheëert.’ De gedachte het landsbestuur in eigen hand te nemen paste niet in hun wereldbeeld. Oranje werd in 1584 vermoord door Balthasar Gérard. Hij kreeg niet een geldprijs van de koning van Spanje, want hij werd gepakt en gevierendeeld. In 1585 viel Antwerpen. De ondergang van de opstandige staten leek nabij te komen. De Armada werd echter een mislukking (1588). Met deze enorme vloot (Filips II haalde echt alles uit de kast) wilde hij in één klap zowel Engeland als Nederland onder zijn gezag brengen. God blies echter en de vloot bereikte haar bestemming niet! Na vergeefse pogingen buitenlandse vorsten de soevereiniteit aan te bieden, besloten de Staten-Generaal het zelf te proberen. Daarmee ontstond de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Een uitzonderlijke staatsvorm voor het monarche Europa. Het werd een tamelijk losse samenwerkingsverband, met de Unie van Utrecht als soort grondwet. Holland, dat het leeuwendeel van de algemene kosten voor zijn rekening nam, was het machtigste gewest. Daarbinnen hadden de regenten van Amsterdam weer het hoogste woord. Ook de generaliteitslanden kwamen onder het bestuur van de Staten-Generaal (de gebieden die na de Unie van Utrecht werden veroverd: Brabant, Limburg en Zeeuws-Vlaanderen). Namens de Staten-Generaal onderhield de raadspensionaris (secretaris van de Staten van Holland) als soort minister van Buitenlandse Zaken contacten met buitenlands mogendheden. De belangrijkste functionaris was de stadhouder; dit ambt bleef dus bestaan, alleen nu niet meer als plaatsbekleder van de landsheer, maar hoogste dienaar van de gewestelijke staten en opperbevelhebber van leger en vloot. Holland, Zeeland, Utrecht en Overijssel hadden dezelfde stadhouder, de opvolgers van Willem van Oranje. Drenthe, Groningen en Friesland hadden ook samen een stadhouder, van dezelfde Oranjefamilie.

Nieuwpoort, bestand, economie, VOC, WIC
Maurits behaalde als stadhouder het ene succes na het andere. In 1590 namen zijn troepen Breda in (met een turfschip). Daarna veel andere steden. Hij voerde legerhervormingen door: in de wintermaanden werden de soldaten niet ontslagen, maar moesten ze oefenen. De Republiek laadde een grote schuld op zich door het leger. Men werd oorlogsmoe. Bij Nieuwpoort stuitte Maurits op een Spaans leger. Hij behaalde de overwinning, maar stootte niet door (Slag bij Nieuwpoort 1600). Men sloot een bestand met Spanje voor twaalf jaar (Het Twaalfjarig Bestand 1609-1621). Holland en Zeeland vormden een solide economische basis. Ze ontwikkelden tot zeer welvarende gebieden. Amsterdam werd het middelpunt van de wereldhandel. De rijkdom liet zich zien in de decoratie van het imposante nieuwe stadhuis: op de voorzijde werd afgebeeld hoe de wereldzeeën hulde brengen aan de stad Amsterdam. De Republiek kende de eerste moderne economie. In de meeste andere delen van Europa was zelfvoorziening norm, maar niet in de Nederlanden. Landbouwers produceerden op vraag van de stedelingen. Door deze rationalisering van de landbouw ontstond er een arbeidsoverschot. Men ging zich ook toeleggen op specerijhandel. Geheel uit eigen beweging gingen ze naar Indië. De Houtman en Keyzer waren de eersten; de tocht kostte een schip en vele mensenlevens. Maar dit voorbeeld werd door velen nagevolgd. In 1602 nam Oldenbarnevelt het initiatief tot de oprichting van één grote maatschappij, de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Deze kreeg monopolie. De VOC werd de eerste aandeelhoudersmaatschappij ooit. Zogenaamde Kamers van de Compagnie, waarin lokale handelslieden hun belangen hadden, waren gevestigd in Amsterdam, Middelburg, Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen. Het dagelijks bestuur werd gevormd door de Heren XVII (Amsterdam leverde 8, Middelburg 4 en de overige steden elk één heer). De VOC verjoeg de Portugezen uit Indië. Bantam was eerst het centrum, maar Jan Pieterszoon Coen vestigde zich in het door hem veroverde Jacatra, wat omgedoopt werd tot Batavia (en niet Nieuw-Hoorn zoals Coen wilde). De West-Indische Compagnie werd opgericht na het Twaalfjarige Bestand (1621). De WIC hield zich vooral bezig met oorlogvoering en kaperij. De onderschepping van de Spaanse zilvervloot uit Amerika door admiraal Piet Hein in 1628 is een bekend voorbeeld. De inbeslagname van Manhattan vond in 1625 plaats; Willem Verhulst kocht het eiland van de Indianen voor 60 gulden. In 1634 veroverde de WIC Aruba, Bonaire en Curacao op de Spanjaarden en ook een stuk van Brazilië. Het meeste geld werd verdiend met de slavenhandel tussen Amerika en Afrika.

Joden, verstedelijking, schilders, godsdienst
In de Republiek waren ook veel Joodse handelaren, sefardische Joden. Omdat ze kennis van zaken en kapitaal meebrachten, waren ze van harte welkom. Zolang de economie bloeide, werden ze geaccepteerd, maar wanneer er een recessie dreigde, werden ze als lastig ervaren. De onafgebroken stroom van buitenlanders vormde samen met arbeiders op het platteland het werkvolk van de Republiek. In 1600 woonden er 1,5 miljoen mensen op het grondgebied van de Republiek, van wie 1/3 in de grotere steden. In heel Europa was vrijwel geen ander gebied zo sterk verstedelijkt. In 1612 werd in Amsterdam een begin gemaakt met de aanleg van de grachtengordel (Heren-, Keizers- en Prinsengracht). Elke stad was zelf verantwoordelijk voor de rust en de orde binnen de buren en men moest zichzelf verdedigen. De schutterijen fungeerden als stadspolitie. Ook werd er aan armenzorg gedaan. Alleen een hongerig volk komt in opstand, dachten de regenten. Het patriciaat en de burgerij konden behoorlijk wat geld uitgeven aan de verfraaiing van hun bestaan. Aan de grachten bouwden ze indrukwekkende stadshuizen, en in de Vechtstreek en het Kennemerland buitens om de zomers door te brengen. Uitgevers brachten werken uit voor een groot publiek, zoals van dichter Jacob Cats. De Nederlandse steden herbergden talloze schilders die ongeveer 5 miljoen schilderijen hebben gemaakt in de Gouden Eeuw! De gereformeerde godsdienst werd bevoorrecht; doopsgezinden en lutheranen mochten eigen kerken hebben, katholieken, 30 procent van de bevolking, mochten samenkomen mits ze onzichtbaar en onhoorbaar waren. Joden mochten ook openlijk hun godsdienst uitoefenen. In de generaliteitslanden ontstond de vreemde situatie dat een kleine gereformeerde bovenlaag heerste over een bevolking die bijna geheel katholiek was gebleven. Echter, de bestuurselite was beïnvloed door Erasmus’ ideeën over tolerantie; godsdienstig fanatisme zagen ze vooral als een gevaar voor de openbare orde. Het conflict rondom Arminius en Gomarus leidde tot onrust. Nadat de Staten van Holland de steden toestemming gaven soldaten te huren om de twist de kop in te drukken trok Maurits, die zich ergerde over dit tweede leger, daar hij toch opperbevelhebber was, partij voor de gomaristen. Oldenbarnevelt werd onthoofd. De Dordtse Synode van 1618/1619 bekrachtigde de leer van de gomaristen (=contraremonstranten).

Dertigjarige oorlog, Twente en Achterhoek, Vrede van Münster, stadhouderloos, Engelse oorlogen
In 1618 brak de Dertigjarige oorlog uit. Binnen deze algemene Europese oorlog hervatte de Republiek in 1621 haar oorlog tegen Spanje. Frederik Hendrik, broer van Maurits, volgde hem op na diens dood in 1625. Door zijn verovering van Oldenzaal en Groenlo bevrijdde hij Twente en de Achterhoek van de Spanjaarden (hoe later een gebied veroverd werd, hoe roomser het bleef). Daarna volgde de verovering van de generaliteitslanden met ‘s –Hertogenbosch, een reeks Limburgse steden, enkele Brabantse steden, Sas van Gent en Hulst. In 1648 sloten de Republiek en Spanje de Vrede van Münster. Willem II, de opvolger van Frederik Hendrik, vond vrede een obstakel voor zijn krijgsroem en besloot in 1650 een staatsgreep te plegen. Hij zette zes vooraanstaande Hollandse regenten gevangen in slot Loevestein en trok met zijn leger naar Amsterdam. Een postbode zag dit en wist eerder Amsterdam te bereiken waarop de stad haar poorten sloot en tot verdediging overging. Willem II overleed vrij snel na deze mislukking. Zijn vrouw beviel kort daarna van een zoon. De vijf gewesten zagen voorlopig af van het stadhouderschap. Om een toekomstig stadhouderlijk gezag verder te verzwakken werd tevens besloten dat elk gewest voortaan zeggenschap kreeg over de troepen die het betaalde. Dit was het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1651-1672). Johan de Witt werd raadspensionaris. Tegelijkertijd was Cromwell in Engeland leider. Hij vaardigde de Acte van Navigatie uit, wat een beperking betekende voor de Nederlandse overzeese handel. Hugo de Groot had echter in zijn Mare Liberum van 1609 betoogd dat de zee onder niemand gezag viel. Dus werd het oorlog: de Eerste Engelse Oorlog (1652). Dit werd een nederlaag en Holland moest toezeggen nooit meer een Oranje als stadhouder te erkennen; ook moesten ze de Acte van Navigatie eerbiedigen. Een zware vernedering was dit. Johan de Witt bouwde vervolgens aan een sterke oorlogsvloot en intervenieerde in een oorlog tussen Denemarken en Zweden in de Sont, en dwong een gunstige regeling af voor het Nederlandse handelsverkeer. De Tweede Engelse Oorlog vond plaats van 1665-1667 en werd roemrijk gewonnen mede door admiraal Michiel de Ruyter die op de Theems en ketting die bij Chatam over de rivier was gespannen stukvoer en veel oorlogsschepen vernietigde. Bij de Vrede van Breda verloor de Republiek weliswaar Nieuw-Nederland, maar in ruil daarvoor kreeg ze Suriname.

Het rampjaar 1572, Johan de Witt gelyncht, Willem III naar Engeland
Hoewel de vloot heel machtig was, werd het landleger verwaarloosd. Toen de Franse koning Lodewijk XIV in 1672 zijn leger noordwaarts stuurde, drong hij zonder veel problemen de Republiek binnen. Deze aanval leek uit te lopen op een regelrechte ramp voor de Republiek. Het land was reddeloos, de regenten waren radeloos en het volk was redeloos. Deze gebeurtenissen brachten de stadhouder opnieuw in beeld. De jonge Willem III werd weer stadhouder van Holland en Zeeland. De volkswoede over de miserabele toestand van het land richtte zich tegen Johan de Witt (rechtsboven). Hij en zijn broer werden in Den Haag door oranjeklanten gelyncht. Willem III beloonde de moordenaars met geld en een mooie functie. Willem III bevrijdde de bezette gebieden van de Franse troepen. Lodewijk voerde in Frankrijk een agressieve expansiepolitiek en vervolgde de hugenoten, die in grote getale naar de Republiek kwamen. In Engeland kwam de katholieke vorst Jacobus II op de troon. De Engelse elite vreesde voor geloofsvervolging. In het geheim werd Willem III, wiens vrouw Mary de dochter van de Engelse koning was, geraadpleegt. Deze stak in 1688 naar Engeland over. De Battle of the Boyne, die nog jaarlijks door de Noord-Ierse protestanten wordt herdacht, bracht Willem III op de Engelse troon: de Glorious Revolution. Intussen had de Republiek weer oorlog met Frankrijk; negen jaar zou het duren, tot in 1697 deze Negenjarige Oorlog werd beëindigd met de Vrede van Rijswijk: Lodewijk erkende Willem daarbij als koning van Engeland. Willem III overleed na het uitbreken van de Spaanse Successieoorlog in maart 1702.

1700-1848
Nederlaag, neergang, de Oranjes terug, patriotten en oranjeklanten
Na de dood van Willem III, de machtigste stadhouder aller tijden, verzwakte de internationale positie van de Republiek. Bij de Vrede van Utrecht 1713, waarmee een einde kwam aan de Spaanse Successieoorlog, had de Republiek nauwelijks een stem van betekenis. De Zuidelijke Nederlanden gingen over in de handen van Oostenrijk. Wel behield de Republiek de barrièresteden in de Zuidelijke Nederlanden. Er was sprake van oplopende werkloosheid en slinkende winsten van de VOC, ook pauperisme was er. De regenten hadden na de dood van Willem III voor de tweede keer de macht zelf in handen genomen. Door de Spaanse Successieoorlog hadden ze grote leningen moeten afsluiten en waren ze feitelijk bankroet. Toen Frankrijk dertig jaar later in de Oostenrijkse Successieoorlog de Republiek aanviel, lag de zuidgrens open. Het Franse leger veroverde in 1744 met een adembenemende snelheid de barrièresteden en viel de generaliteitslanden aan. Steeds luider klonk na deze militaire afgang de roep om Oranje, alweer! De beoogde stadhouder Willem IV, stadhouder van Friesland, werd in 1747 stadhouder namens alle gewesten van de Republiek: voor het eerst namens allen. Hij kreeg te maken met verschillende volksopstanden, belastingoproeren. Hij richtte weinig uit; in 1751 overleed hij al. Willem V volgden zijn vader op en met hem verscherpten de tegenstellingen tussen de stadhouder en de regenten opnieuw. Aanleiding was de opstand in 1775 in de Amerikaanse koloniën tegen het Engelse bestuur. Deze bevochten dezelfde Engelsen die verantwoordelijk waren voor de achteruitgang van de Republiek; dit alles was een bron van inspiratie voor een groepje mensen, de ‘democraten’. In 1780 brak dan eindelijk de oorlog uit met Engeland. Deze Vierde en laatste Engelse Oorlog verliep desastreus. Keizer Jozef II van Oostenrijk maakte van de zwakte van de Republiek gebruik door met succes de barrièresteden in de Zuidelijke Nederlanden op te eisen. De kritiek op de stadhouder werd steeds luider. Een geschrift van Joan Derk van der Capellen, Aan het Volk van Nederland, toonde de wandaden van de Oranjes; het hoogtepunt van de Oranjetirannie was volgens de auteur Willem V; hij was een despoot. Hij riep het volk op om zich te bewapenen en om niet langer afhankelijk te zijn van de stadhouder. Her en der verschenen vrijkorpsen van lieden die zich oefenden in het wapengebruik. Ze sierden zich met de naam ‘patriotten’ en hadden de keeshond als symbool. Meningsverschillen tussen de patriotten en oranjeklanten leidden tot ongeregeldheden.

Verlichting, verdere verachtering
De Verlichting zorgde voor ingrijpende veranderingen in het wereldbeeld. Newtons wetenschappelijk onderzoek toonde aan dat niet God, maar de natuurkrachten de wereld draaiende hielden. Montesquieu, Voltaire en Rousseau besloten de mens en samenleving aan een grondig onderzoek te onderwerpen; ze analyseerden de sociale en politieke verhoudingen van Frankrijk en zagen tekortkomingen die te wijten waren aan slecht bestuur, hebzucht, ijdelheid en domheid. Lodewijk XV en de katholieke kerk waren de schuldigen. Velen zagen Engeland als een voorbeeld van een fatsoenlijke monarchie. Montesquie wilde dat de adel een tegenwicht moest bieden aan het absolutisme, Rousseau was veel radicaler en bepleitte een vorm van volkssoevereiniteit. In de Republiek was het fysico-theologische onderzoek heel populair; dit maakte Gods hand in de natuur zichtbaar. Het verenigingsleven bloeide sterk op. De standenmaatschappij was het meest gediend als iedereen zich binnen zijn stand naar eigen vermogen zou ontwikkelen. De Maatschappij tot Nut van’t Algemeen maakte zich verdienstelijk voor het volksonderwijs. Burgers begonnen mee te denken en mee te praten. Bladen lieten niet een braaf, maar kritisch geluid horen. De vraag werd opgeworpen: hoe kon de eens zo grootse Republiek vervallen zijn tot een kwakkellandje van tweede garnituur? De grote klap voor de Republiek kwam in de 18e eeuw met een structurele verandering in de handel, waardoor Amsterdam haar wereldleidende functie verloor. De financiële sector groeide wel opzienbarend. Sommige critici zagen in de verfransing van de elite de wortel van het kwaad. Het gebruik van het Frans dateerde al uit de Bourgondische periode. Vooral in de 18e eeuw, toen in heel Europa de Franse cultuur toonaangevend was, ging de Nederlandse elite zich echter weer van het Frans bedienen.

Hattem, Elburg, Goejanverwellesluis en einde Republiek
Na de Vierde Engelse Oorlog grepen patriotten de macht in gewesten als Holland, Groningen, Overijssel, in de stad Utrecht en in Gelderse stadjes als Hattem en Elburg. Willem V stuurde in 1786 met succes zijn leger af op Elburg en Hattem. In 1787 besloot prinses Wilhelmina terug te gaan naar Den Haag (haar echtgenoot was bang en bleef achter). Onderweg werd ze bij Goejanverwellesluis (vlakbij Gouda) tegengehouden door een patriottische wachtpost. Woedend keerde ze terug. Voor de Pruisische koning was de smaad die zijn zuster was aangedaan aanleiding om zijn leger te laten optrekken naar de Republiek, die hier niet tegen gewassen was. Willem V maakte zo weer intocht in Den Haag. De patriottische bestuurders maakten plaats voor trouwe oranjeklanten. De harde kern van de patriotten namen de benen naar het buitenland. De Republiek was nu volkomen afhankelijk geworden van Pruisen en Engeland en was niet meer in staat om zelf te handelen. Niet lang hierna, in 1792 trokken de Franse legers de grenzen over. Patriottische ballingen keerden terug en vormden het Vreemdelingenlegioen, dat zich onder Frans gezag plaatste en in januari 1795 samen met de Fransen de dichtgevroren grote rivieren passeerde. Willem V en zijn familie luchtten vanaf het Scheveningse strand naar Engeland. De Republiek was ten onder gegaan…

Politieke structuur verandert
Veel inwoners plantten vrijheidsbomen. Vrijheid, gelijkheid, broederschap werd de leus. Familiewapens op grafstenen werden weggebeiteld om de overledenen de gelijkheidsgedachte in te wrijven. Nadat de verschillende stadsbestuurders waren vervangen door patriotten, gingen ook de Statenvergaderingen om. De Staten van Holland waren het meest voortvarend. Ze schaften het stadhouderschap, de ridderschap en het raadpensionarisambt af. De Bataafse Republiek werd een feit. Naar Frans voorbeeld kwam er een Nationale Vergadering die de inrichting van het land moest regelen. De eeuwenoude structuur van een statenbond werd vervangen door een nationalistische staat. Het onderscheid tussen de kerken werd opgeheven. Drie partijen tekenden zich af: de federalisten (handhaving gewestelijke opzet in verbeterde versie, verzoening), de unitarissen (sterke eenheidsstaat, hard optreden tegen oranjeklanten) en de moderaten (eenheidsstaat en verzoening). Omdat door de partijschap er geen besluit kon worden genomen, pleegden de unitarissen in 1798 een staatsgreep. Ze kwamen met een radicaal unitarisch voorstel. De Bataafse Republiek werd nu één en ondeelbaar. Een Eerste en Tweede Kamer vormden samen het wetgevend lichaam. De VOC en WIC werden opgeheven en hun activiteiten door de staat overgenomen. Kiesrecht werd uitgebreid.

Koning Lodewijk Napoleon, inlijving en bevrijding
Nederland moest een ingekwartierd Frans leger onderhouden. Ook moest het afstand doen van Maastricht, Venlo en Staats-Vlaanderen. In de buitenlandse politiek was er geen sprake meer van zelfstandigheid. De Franse dreiging groeide intussen. Napoleon had in 1799 de alleenheerschappij gekregen. Hij wilde ook dat er in Nederland een nieuwe, minder democratische grondwet kwam. Deze werd echter bij de verkiezingen in 1801 afgewezen, maar omdat de thuisblijvers als voorstanders werden geteld ging het toch door. In 1805 benoemde hij Rutger Jan Schimmelpenninck tot president van Nederland, onder de oude titel van raadpensionaris. Zijn hele leven had hij een scheiding van machten voorgestaan, maar nu accepteerde hij een bijna absoluut regime. Hij voerde veel ingrijpende veranderingen door. Maar al na een jaar zette Napoleon hem af en benoemde zijn broer Lodewijk Napoleon tot koning. Amsterdam werd uitgeroepen tot hoofdstad van het nieuwe Koninkrijk Holland. De Bataafse Republiek was dus ten einde. Deze eerste koning van Nederland was toegewijd en trok zich het volk werkelijk aan. Hij beschermde Nederland tegen de harde eisen van zijn machtige broer. Zo saboteerde hij het continentaal stelsel (handelsboycot tegen Engeland). Ook wist hij de algemene dienstplicht tegen te houden. Bij de ontploffing van het kruitschip in Leiden nu precies 200 jaar geleden (1807), begaf hij zich onder de slachtoffers en sprak hen moed in. Ook toen watersnood Nederland trof was hij ter plekke. Hij probeerde Nederlands te spreken, maar dat lukte niet erg. Hij schijnt gezegd te hebben: ‘Iek ben konijn van Olland’. Napoleon ergerde zich aan zijn broertje en toen een Engelse vloot Zeeland binnenviel was het gedaan met hem. In 1810 werd hij afgezet. Het hele Koninkrijk Holland werd nu deel van het Franse keizerrijk (ingelijfd). Amsterdam werd na Parijs en Rome uitgeroepen tot derde hoofdstad van het rijk. Napoleons macht was echter tanende. In de Volkerenslag bij Leipzig in oktober 1813 leed Napoleon een nederlaag. Een maand later trokken de Franse troepen ons land uit. Tien dagen later landde de prins van Oranje (Willem I) in Scheveningen, op dezelfde plek waar zijn vader in 1795 de benen had genomen. Het Koninkrijk der Nederlanden was geboren!

Willem I, België weer bij Nederland
Nederland was onherkenbaar veranderd. Het was een eenheidsstaat geworden, met staatsburgers en een centrale overheid waaraan provincies en steden ondergeschikt waren. In 1814 werd gekozen voor een grondwet waarin de vorst soeverein was. Hij benoemde de provinciale gouverneurs en de burgemeesters; deze werden geadviseerd door de Provinciale Staten en de gemeenteraden. Amsterdam werd hoofdstad, Den Haag regeringszetel. In 1815 werden de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden herenigd, afgedwongen door het Congres van Wenen, om een buffer tussen Duitsland en Frankrijk te creëren. Oostenrijk verloor dus dit gebied, maar kreeg in ruil hiervoor Venetië. Willem I moest afstand doen van zijn stamland Nassau. In ruil daarvoor kreeg hij het groothertogdom Luxemburg. Even schrok men op… Napoleon was uit zijn ballingschap op Elba ontsnapt. Maar bij de slag bij Waterloo op 18 juni 1815 verloor hij definitief en moest hij naar het eiland Sint-Helena voor de kust van Afrika. Een probleem deed zich wel voor met de hereniging van noord en zuid: de meerderheid van de bevolking was nu rooms-katholiek, terwijl de koning volgens de grondwet lid moest zijn van de Ned.Herv.Kerk. In de grondwet van 1815 kwam deze bepaling dan ook te vervallen. De Belgen hadden een demografisch overwicht, maar desondanks telde de Tweede Kamer 55 leden uit Nederland en 55 uit België. Beurtelings kwam het parlement bijeen in Brussel en Den Haag. In België werd dit alles afgewezen, maar door manipulatie ging het door (de thuisblijvers bij de verkiezingen werden weer als voorstemmers gerekend en de tegenstemmers als voorstemmers, omdat ze alleen tegen stemden wegens de godsdienstvrijheid, die toch niet in het geding was). Koning Willem I duldde weinig tegenspraak. Hij werd de koning-koopman genoemd. Hij liet wegen en kanalen aanleggen, als het Noord-Hollands kanaal, het Voorns kanaal, de Zuid-Willemsvaart, het kanaal van Gent naar Terneuzen en het nooit voltooide kanaal tussen de Maas en de Moezel.

Afscheiding Belgen, Van Speijk, cultuurstelsel, Negenmannen
In 1828 vonden de ontevreden Belgen elkaar; een jonge generatie en jonge liberalen vormden een monsterverbond. De julirevolutie van 1830 in Parijs was tot voorbeeld. De Belgen riepen de zelfstandigheid uit. In deze tijd liet Van Speijk zijn kanonneerboot op de Schelde in de lucht vliegen, liever dan te capituleren voor het opstandige gepeupel dat zijn boot bestormde. Op 2 augustus trok het Nederlandse leger België binnen, maar afgeschrikt door een oprukkend Frans leger bleef het bij een Tiendaagse Veldtocht. Pas in 1839 kwam het tot een compromis; het huidige Limburg kwam definitief bij Nederland en Willem I kreeg de Duitstalige helft van het groothertogdom Luxemburg weer terug. Het verlies van België werd door weinig Nederlanders getreurd. De afscheiding was zelfs aanleiding tot een nationale herleving. De Noordelijke Nederlanden bestonden weer ongeveer uit het gebied van de oude Republiek. Rembrandt werd ontdekt als ‘nationale’ schilder. Postgieter richtte in 1837 een tijdschrift op met de veelzeggende titel De Gids. Het moest tijdgenoten leiden naar een toekomst die net zo gloedvol zou zijn als het verleden was geweest. De Nederlandse inkomsten kregen vanaf deze tijd een flinke impuls door de invoering van het zogenaamde cultuurstelsel in Indië. In Nederland kwam het verzet tegen de autoritaire regeringswijze van de koning pas op gang door zijn halsstarrig weigeren van een regeling met België. Liberalen eisten vrijheid van drukpers, vrijheid van onderwijs en ministeriële verantwoordelijkheid. In 1844 diende een groep kritische Tweede-Kamerleden een voorstel tot een liberale grondwetsherziening: de Negenmannen. Het parlement wilde er echter nog niet aan. Vier jaar later ging het initiatief van de koning zelf uit, toen in Parijs, Wenen, Berlijn en Italiaanse steden liberalen tot opstand kwamen. Uit paniek deed de koning deze concessies. Naar eigen zeggen werd hij (Willem II) in één nacht van conservatief tot liberaal. Hij benoemde Johan Rudolf Thorbecke, één van de negen, tot lid van de commissie die een nieuwe grondwet moest opstellen.

1848-1900
Thorbecke’s maatregelen
Thorbecke voerde de volgende veranderingen door:
– Er moet een einde komen aan bestuurlijke willekeur.
– Vrijheid van drukpers, vereniging en vergadering.
– Duidelijke scheidslijn tussen kerk en staat.
– De macht van de koning beknotten door invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid.
– Tweede Kamer niet langer door de Provinciale Staten, maar rechtstreeks gekozen door de kiezers.
– Eerste Kamer niet meer door de koning benoemd, maar door de leden van de Provinciale Staten gekozen.
– Kiesrecht voor iedereen die een bepaald bedrag aan directe belasting (census) betaalde.
– Overheidsorganisatie op drie niveaus: rijk, provincie en gemeente.
– De macht van de koninklijk gouverneur, voortaan commissaris van de koning genoemd, sterk ingeperkt.
– De gekozen gemeenteraad die bijgestaan werd door wethouders en de door de kroon benoemde burgemeester.
– Thorbecke was ervan overtuigd dat de samenleving zich op geleidelijke wijze ontwikkelde en geloofde dat een staatsinrichting daarbij moest aansluiten. Nederland was hard op weg te veranderen in een samenleving waar niet langer afkomst speelde, maar talent.
– Een werkelijke voorstelling van een massademocratie kon hij zich nog niet maken.
– De overheid moest zich buiten haar ‘natuurlijk’ werkterrein (ordehandhaving, buitenlandse politiek en infrastructuur) terughoudend opstellen, zodat elke burger zich in vrijheid kon ontwikkelen.

Aprilbeweging, onderwijsstrijd, Thorbecke’s kabinetten, begin parlementaire democratie
De liberalen kregen tegenstand van de conservatief-liberalen; zij vonden Thorbecke te radicaal. Met een paar kleine aanpassingen voldeed het oude systeem prima, meenden ze. Floris Adriaan van Hall werd hun leider. Veel conservatiever waren de anti-liberalen uit calvinistische hoek, bijvoorbeeld Willem Bilderdijk. Diens leerling Isaäc da Costa schreef Bezwaren tegen de geest der eeuw. Ook Groen van Prinsterers Ongeloof en revolutie werd veel gelezen. Het kabinet-Thorbecke kwam ten val naar aanleiding van het volgende: in 1853 wilde de paus de kerkelijke hiërarchie in Nederland herstellen, na eeuwenlang Nederland als missiegebied te hebben gezien. Er barstte een protestantse volkswoede los: de Aprilbeweging. Bij de aanbieding van de petities liet de koning doorschemeren sympathiek te staan tegenover de zaak van de protestanten. Thorbecke ergerde zich hieraan (ook aan het feit dat de koning hem niet aansprak met ‘excellentie’ maar met ‘professor’) en beschouwde dit gedrag als ongrondwettelijk. Hij nam ontslag. Het onderwijs was ook een heikel punt. De staatscholen kregen lessen in godsdienst en algemene zedelijkheid. Groen van Prinsterer pleitte voor een verdeling van het nationaal onderwijs in protestantse, rooms-katholieke, joodse en liberale stromingen, al naargelang de lokale omstandigheden. Toen hij zag dat zijn verdelingsplan weinig kans maakte, verlegde hij zijn koers; hij maakte zich vanaf 1857 sterk voor de oprichting van bijzondere scholen en verlangde daarvoor financiële steun van de overheid. De katholieken stonden voor een dilemma; men wilde Thorbecke te vriend houden, want hij was het die veel voor hen betekend had; maar men was ook tegen het neutrale liberale onderwijs. Het laatste bleek uiteindelijk het belangrijkste. Het tweede kabinet-Thorbecke kwam in 1862 tot stand. Dit kabinet viel nadat Thorbecke weigerde het cultuurstelsel af te schaffen. Multatuli’s Max Havelaar wees in deze richting. In 1866 trad hij af. Het daaropvolgende kabinet bracht een beslissende confrontatie tussen de Kamer en de koning. De koning accepteerde beslissingen van de Kamer tot twee maal niet en ontbond tot tweemaal toe de Tweede Kamer en liet nieuwe verkiezingen uitschrijven. Bij beide verkiezingen kwamen er echter geen nieuwe machtsverhoudingen. De koning gaf nu toe; hij erkende het primaat van de Tweede Kamer. Nederland werd nu in de praktijk een parlementaire monarchie. De koning moest zich voortaan tevreden stellen met een hoofdzakelijk ceremoniële functie. In 1872 overleed Thorbecke.

Industriële revolutie, infrastructuur, begin verzuiling
In 1839 reed de eerste stoomtrein in Nederland, tussen Haarlem en Amsterdam. De industriële revolutie kwam in Nederland heel laat op gang. Slechts enkele fabrieken werden voor 1870 op kapitalistische wijze georganiseerd. Niet langer was er hier sprake van een meester met zijn handwerkslieden, maar van een eigenaar en een grote groep geschoolde en ongeschoolde arbeiders. De persoonlijke verhouding maakte plaats voor een zakelijke. De omslag kwam in Nederland vanaf 1870. In Twente concentreerde zich de textielindustrie. Winkels verschenen in het straatbeeld en verdrongen de markten en verkoop aan huis. Zelfs kwamen er chique warenhuizen. Wegen en tramlijnen werden aangelegd. Draden voor telefoon- en telegraafverbindingen slingerden boven de straten. Er kwamen meer producten dan ooit uit Nederlands-Indië. Door de opening van het Suezkanaal in 1869 werd de verbinding met de kolonie korter. De Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal werden in de jaren 1870 gerealiseerd. De bevolking nam toe van 3 miljoen in 1850 tot ruim 5 miljoen in 1900. Amsterdam telde in 1800 nog 200.000 inwoners, in 1900 meer dan 500.000. Bolwerken en stadswallen gingen onder de sloophamer en buiten de oude stadsgrenzen verrezen nieuwe woonwijken. Na de Woningwet van 1901 kwam er geleidelijk verbetering in de woonomstandigheden van de verpauperde bevolking. Het platteland werd in deze tijd getroffen door een zware crisis, door de invoer van goedkoop graan uit Amerika. Met de oprichting van landbouwscholen, coöperaties en boerenleenbanken en de introductie van mechanische werktuigen, kunstmest en nieuwe gewassen werd de crisis tegen het einde van de eeuw bedwongen. Rond 1900 lag er een spoorweg- en tramnet dat het hele land goed bereisbaar maakte. Telegraaf, telefoon en dagblad kwamen op. De dagbladzegel (een belasting op de krant) werd afgeschaft. In 1909 kwam er één nationale tijd. Het Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) begon zijn opmars. Velen voelden zich geroepen de uitwassen van de moderne samenleving te bestrijden; ze richtten organisaties op ter bestrijding van het drankmisbruik en de prostitutie, voor de opvang van ongehuwde moeders en voor betere huisvesting. Deze organisaties vervulden ook een sociale functie. De oude sociale verbanden verloren aan betekenis door de groei van de stad en de opkomst van nieuwe sociale groepen als ongeschoolde arbeiders en een middelklasse van winkeliers, kantoorklerken, typisten, onderwijzers en ambtenaren. Veel van de nieuwe verenigingen hadden een politieke of godsdienstige grondslag: het begin van de verzuiling.

Kleine luyden, uitbreiding overheidstaken, schoolstrijd, partijvorming
Met Thorbecke had de gegoede burgerij een stem in de regering gekregen. Tegen het einde van de eeuw eisten ook protestantse ‘kleine luyden’, het katholieke volk, de grote massa van de arbeiders en vrouwen hun plaats in het landsbestuur op. Er volgden een reeks kiesrechtuitbreidingen tot en met de vrouwenkiesrecht in 1919. Het beschaafde debat over het algemeen belang veranderde in een iets minder beschaafd debat over groepsbelangen. De staat ging een steeds grotere rol spelen in de maatschappij. De nazaten van Thorbecke dachten dat het principe van staatsonthouding zijn langste tijd had gehad. Gezondheidszorg en arbeidswetgeving kwamen nu ook in het takenpakket van de overheid. Zwakkeren beschermen tegen de vrijheid van de sterken. Drie kwesties speelden vooral: het onderwijs, het kiesrecht en de sociale zorg. In 1874 kwam het kinderwetje van Samuel van Houten. Dit was vooral vanwege economische overwegingen: de groeiende industrie had gezonde en geschoolde arbeiders nodig, en geen proletariaat dat al op jonge leeftijd volledig was gesloopt. Het onderwijs was een heet hangijzer. In 1878 diende minister Kappeyne van de Coppello een wetsvoorstel in dat aan alle scholen strenge eisen stelde; voor de bijzondere scholen een zware last. Abraham Kuyper wist driehonderdduizend handtekeningen te verzamelen en richtte een petitie aan de koning. Deze stond sympathiek tegenover de actie maar voelde zich verplicht de wet te tekenen. ‘Oranje breekt met zijn verleden,’ schreef Kuyper. In 1889 wonnen de confessionele alsnog het gevecht om subsidie voor het bijzonder lager onderwijs. Het opzienbarendste gevolg van de schoolstrijd was de toenadering tussen de protestanten en katholieken. Eerstgenoemden vormden de eerste politieke partij: de ARP (1879). De arbeiders organiseerden zich ook; onder de geschoolde handwerkslieden, diamantbewerkers en typografen, kwam voor het eerst een vorm van sociale zekerheid: de leden stortten geld in kassen waarop ze bij ziekte, ouderdom of invaliditeit een beroep konden doen. Protestanten vormden het gematigde Patrimonium, want ze vonden de andere vakbewegingen te vergaand.

CHU, Beweging van Tachtig, paternalisme m.b.t. Indië
Een ontwerp voor een nieuwe kieswet in 1893 leidde tot hevige debatten. De Kamer splitste zich in twee kampen, een scheidslijn die dwars door alle partijen liep. En elke fractie openbaarde zich een behoudende en vooruitstrevende stroming. De behoudende antirevolutionairen verlieten onder leiding van De Savornin Lohman de ARP en verzamelden zich in de nieuwe Christelijk Historische Unie (CHU). In 1894 ontstond de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP) onder leiding van Pieter Jelles Troelstra. De eerste feministen in deze tijd wezen op het verschil tussen mannen en vrouwen. Vrouwen zouden door hun vrouwelijke natuur een eigen bijdrage kunnen leveren aan het maatschappelijke en politieke leven. In de jaren 1880 kwam de Beweging van Tachtig op, een club van jonge Amsterdamse kunstenaars en literatoren. Ze overtraden alle fatsoensnormen. Ze drongen, hingen in cafés tot diep in de nacht, meden de kerk en schreven gedichten die geen enkel nut dienden. ‘Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten’, schreef de dichter Kloos in een sonnet. Tegenover de burgerlijke Gids kwam de opstandige Nieuwe Gids te staan. Een schrijfster hier was Henriëtte Roland Holst. De natuurwetenschappen en de techniek hadden de eerste plaats overgenomen van theologie, filosofie en letteren. In 1903 kwam er een einde aan een dertig jaar durende oorlog in Atjeh, waardoor de bezittingen in Indië fors werden uitgebreid. In deze tijd kwam het op om te spreken over ‘Een eereschuld’. Die bekritiseerden de heersende opvatting dat Indië puur diende als wingewest voor Nederland, De gedachte dat ‘vader’ Nederland de kinderen van Indië moest opvoeden en tot grotere welvaart brengen, werd leidraad van de Nederlandse koloniale politiek na de eeuwwisseling: de ethische politiek. Er werd nu aandacht besteed aan medische zorg, de aanleg van wegen en spoorwegen en onderwijs. Ook kwam er voorzichtig een vorm van zelfbestuur. Ook Suriname en de Antillen kregen na de Eerste Wereldoorlog een soort parlement, dat vooral een symbolisch karakter had.

Opvallende dingen uit de 20e eeuw:
– Premier Kuyper kwam in 1903 in conflict met de stakende spoorwegarbeiders; met zijn ‘worgwetten’ verbood hij toekomstige stakingen. Albert Hahn tekende een spoorwegemployé die met een kleine beweging van zijn hand de trein stopte. ‘Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil,’ schreef hij daarbij.
– Nederland wilde niet opvallen bij de grote buren; wel wilde het zijn gezicht tonen in internationale vredesorganisaties; het Vredespaleis werd in Den Haag gebouwd.
– Hoe weinig revolutionair Nederland was, blijkt uit het feit dat Troelstra zijn revolutie netjes in de Tweede Kamer aankondigde (1918).
– De confessionele gaven in 1917 toe op het stuk van het kiesrecht, de liberalen en de socialisten op dat van het onderwijs; een ruilhandel die wel de Pacificatie wordt genoemd; het ironische is dat de confessionele niet alleen een overwinning behaalden in de schoolstrijd, maar ook dat de kiesrechtuitbreiding voordelig uitpakte voor hun!
– In de crisisjaren verloren de burgers het vertrouwen in de democratie; politici zaten alleen maar te debatteren en brachten niets tot stand. Er was een overvloed van partijen en partijtjes. Één van de antidemocratische partijen werd de NSB van Mussert, vooral gevormd uit kleine boeren en middenstanders.
– Koningin Wilhelmina zei na de Duitse inval in Nederland: ‘Ik richt hierbij een vlammend protest tegen deze voorbeeldloze schending van de goede trouw en aantasting van wat tussen beschaafde staten behoorlijk is. Ik en mijn regering zullen ook thans onze plicht doen. Doet gij de uwe, overal en in alle omstandigheden.’
– Toen de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Marshall op bezoek kwam bij minister-president Drees in 1947 bood mevrouw Drees de Amerikaanse delegatie een kopje thee met een kaakje aan. Marshall schijnt in de auto terug te hebben gezegd: ‘Aan een land waar de first lady kaakjes serveert, is de hulp wel besteed.’ Nederland kreeg ruim 3 miljard gulden. De materiële schade van de oorlog bedroeg ongeveer 25 miljard gulden. Woonruimte was zo schaars dat vele jonggehuwden hun eerste jaren bij anderen moesten inwonen.
– Een stroom van gastarbeiders uit de landen rond de Middellandse Zee kwam op gang. Lang gingen de Nederlandse autoriteiten ervan uit dat deze arbeiders na verloop van tijd weer zouden terugkeren. Ze troffen dan ook geen voorzieningen voor de gastarbeiders en hun gezinnen.

Gepubliceerd in maart 2007

Advertenties