De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795

n.a.v. A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795. Geschiedenis, theologische ontwikkelingen en de verhouding tot haar zusterkerken in de negentiende en twintigste eeuw, Kampen 2004

Verlichtingsdenken
Enkele uitspraken over de denkwijze begin 19e eeuw
Tijdens de 200-jarige herdenking van de Synode van Dordrecht (1819) was de algemene tendens dat men het scherp formuleren van de leer door het voorgeslacht afkeurde en bejammerde. De volgende uitspraken typeren deze tijd: ‘Hadden de mensen de natuur maar vlijtig bestudeerd en geluisterd naar de stem van de rede, dan zou een nadere openbaring overbodig geweest zijn.’ ‘Er is in de heilsfeiten niets dat het gezond verstand beledigt.’ Het was een supranaturalisme met sterk rationalistische inslag en een rationalisme dat voor excessen werd behoed door supranaturalistische elementen dat het hoogtij vierde.

Rede en openbaring: schriftgezag
Wat boven de rede is mag, als het onderwerp van ons geloof is, nooit tegen de rede zijn. Niet geloof en openbaring, maar rede en openbaring zijn elkaars correlaten. In de dogmatiek was de verhouding van rede en openbaring één van de meest besproken vraagstukken. De strenge geldigheid van het oude inspiratiedogma was vervallen door het rationele denken over de openbaring. Het gezag van de Schrift kon gehandhaafd blijven op een rationele grond: de ‘axiopistie’ (geloofwaardigheid) van de bijbelschrijvers.

Verwerping christologie, triniteit en verzoening door voldoening
Geen leerstuk werd radicaal verworpen, bijna alle werden tot op een minimum aan substantie uitgehold. In de christologie vond een vermenselijking plaats. Er was nadruk op de leer en voorschriften van Christus. Hij was een wijze Leraar. Het oude christologische dogma kon men niet aanvaarden. De persoonlijkheid van de Heilige Geest werd afgewezen. De eschatologie werd helemaal vergeten. Met de klassieke satisfactieleer kon men weinig beginnen. Het ‘ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’ van de Heidelbergse Catechismus werd vervangen door ‘niemand is geheel en al onschuldig’.

Nieuwe activiteiten en unificatiepogingen
Verschillende instellingen en genootschappen werden in deze tijd opgericht, zoals het Teylers Genootschap, het Haagsch Genootschap en het Nederlandsch Bijbelgenootschap. Ook waren er unificatiepogingen, maar alleen in Dokkum verenigden de remonstranten en doopsgezinden. Koning Willem I zou in Nederland graag het voorbeeld van zijn zwager Friedrich Wilhelm III van Pruisen gevolgd hebben, die in 1817 de Unie tussen gereformeerden en luthersen realiseerde. In een vertrouwelijk stuk ging deze koning heel ver: hij sprak de hoop uit dat men met medewerking van de paus tot een betere wereldorde en uitbanning van alle wapengeweld zou kunnen komen.

Nieuwe psalmberijming en invoering gezangen
De psalmberijming van 1773 en de Evangelische Gezangen van 1807 waren moraliserend, deugd en vroomheid werden geprezen. Er werd gesproken over ‘Eeuwig Wezen’ of ‘Opperwezen’. Men had het in het gereformeerde Nederland in onderscheid met het lutherse Duitsland met zeer weinig gezangen moeten doen. Dat berustte op wat Calvijn voorschreef. De commissie die zich met de gezangen bezighield, sloot een contract met een uitgever, wat een eeuwigdurend recht inhield, wat bij de invoering van de bundel van 1938 nog complicaties opleverde. Het rationalistisch supranaturalisme zat duidelijk in de gezangen. Zo werd er gesproken over de ‘voortreffelijkheid van de openbaring boven de rede’ en zat er ook piëtistisch-moralistisch heiligheidsstreven in, zoals Van Lodensteyn’s Jezus’ Voorbeeld. Er waren geen klassieke kerkliederen opgenomen. Ook uit de Nederlandse Reformatie stond er niets in: niets van Valerius, Utenhove of Vondel. Evenmin iets van Luther, de Middeleeuwen, de Vroege Kerk, behalve het Te Deum en Salve Caput Cruentatum.

Reacties
De gemeenten reageerden, tegen de verwachting in, geheel anders; velen vonden het onaanvaardbaar dat het besluit van de Dordtse Synode nu ongeldig was verklaard. Men vond dat de toon vaak was alsof de zingers ware christenen waren en weinig klachten en aanvechtingen in voorkwamen. Zo kwamen de synoden in een voor de hele 19e eeuw kenmerkende conflictsituatie: men huldigde vrijheid, was zeer tolerant inzake de leer, maar verzet tegen synodale besluiten werd niet geduld.

Avondmaalsvragen
Ook werden er avondmaalsvragen ingevoerd. De gemeente moest dan gaan staan, de predikant stelde de vragen en de gemeente antwoordde met een buiging, ‘waarmee zij haar belijdenis plegtig vernieuwt en bevestigt’. Duidelijk spreekt de geest van de theologie van de Verlichting in het feit dat in de eerste vraag de gelijkstelling van de Heilige Schrift met Gods Woord verruimd is tot Gods openbaring die vervat is in de Heilige Schrift. Het mensbeeld is ook minder somber.

Proponentsbelofte: quia of quatenus?
Er kwam ook discussie over de proponentsbelofte. Vier punten hierbij:
(1) Men moest de leer, in de formulieren vervat, ondertekenen (dus niet meer de formulieren zonder meer).
(2) De uitdrukkingen die gebezigd werden liet de mogelijkheid open dat de Dordtse Leerregels niet meegerekend hoefden te worden.
(3) De zin ‘…de leer, overeenkomstig Gods Heilig Woord…’ Twee mogelijkheden zijn er: omdat of voorzover (quia of quatenus).
(4) De term ‘Gods Heilig Woord’: werd bedoeld dat de Heilige Schrift Gods Woord is of dat zij Gods Heilig Woord bevat?

Verschillende personen
Jacobus Heringa: de dogmatiek moet berusten op kritische bijbelstudie (later kwam hij aan behoudende kant te staan). Johannes Henricus van der Palm: leverde geheel alleen een nieuwe bijbelvertaling, en een Bijbel voor de jeugd in 24 delen; theologisch kenmerkte hij zich door halfheid. Nicolaas Schotsman schreef in 1819 Eerezuil ter nagedachtenis van de te Dordrecht gehouden Nationale Synode. Dirk Molenaar schreef in 1827 anoniem Adres aan al mijn Hervormde Geloofsgenooten. Isaäc da Costa schreef in 1823 Bezwaren tegen den Geest der eeuw. Donker Curtius dacht in 1833 dat de kerk een schone toekomst tegemoet ging. In 1834 begon de Afscheiding…

De Groninger theologie
Nieuwe wijze van denken: de Groningers
Er komt op den duur een nieuwe wijze van theologisch denken op, die dieper wilde graven dan het rationalistische supranaturalisme en wilde voor de geest der verdraagzaamheid een hechter fundament leggen: de Groninger theologie. Hiertegenover kwam het Reveil te staan. Tot dusver durfde men er niet voor uit te komen dat men van de kerkleer afweek. Petrus Hofstede de Groot uit Groningen vond het echter hoog tijd om het vergen van die belofte af te schaffen. Hij koos nadrukkelijk voor de quatenus-interpretatie van de proponentsbelofte. Deze Petrus Hofstede de Groot, geboren in 1802, schreef een proefschrift over Clemens van Alexandrië als christenwijsgeer. Hij was vooral dogmaticus en kerkhistoricus. Vanaf 1837 verscheen het tijdschrift Waarheid in Liefde, bestemd voor ‘beschaafde christenen’.

Typering Groningers
De Groningers wilden leiders van het volk zijn. Hun prediking was redelijk, gemoedelijk, ethisch en praktisch. ‘De opvoeding des menschdoms…’ Men zette zich actief in voor zending, bijbelgenootschappen en drankbestrijding. Ook kwam er een armenverzorging door vrouwen. Opvoeding en onderwijs was vanzelfsprekend ook belangrijk. De Groningers had iets van de romantische fase van het humanisme, met haar historisch bewustzijn en nadruk op het gemoedsleven. Het was de nationaal-gereformeerde richting, zoals ze dat noemden, met vertegenwoordigers als Thomas à Kempis, Wessel Gansfort, Agricola, Erasmus, Episcopus, Hugo de Groot, Van Limborch, doopsgezinden, Coccejanen, Janssenisten en mystieken als Van Lodensteyn. Calvijn bracht een vreemde theologie in Nederland.

Schleiermacher, opvoedingsgedachte, dogmatiek, schriftgezag
Hofstede de Groot ontkent de invloed van Scheiermacher. Hij geeft aan zich nooit te hebben kunnen vinden met de voorstelling van de godsdienst als een gevoel van volstrekte afhankelijkheid. De opvoedingsgedachte was sterk aanwezig. Het christendom heette de vervulling van de ware humaniteit. Het menselijk geslacht zou gestadig van lager tot hoger opklimmen. De dogmatiek onderscheidde men in een theoretisch deel (dogmatiek, dienend de waarheid) en een praktisch deel (apologetiek, om de voortreffelijkheid van de christelijke religie uiteen te zetten). De theologia moralis stond bij hen hoger aangeschreven dan de dogmatiek. De apostelen waren niet onfeilbaar, maar toch feitelijk feilloos. De gehele Bijbel is geloofwaardig en historisch betrouwbaar. De Groningers waren felle bestrijders van Strauss’ Leben Jesu. Toch maakten de Groningers wel onderscheid tussen de Bijbel en Gods woord en weigerden zij bewijsplaatsen uit het Oude Testament te laten gelden voor de christelijke waarheid. De tweede bron om Christus te leren kennen was voor hen de kerkgeschiedenis.

Christologie en triniteit
De Groningers dachten christocentrisch. Dit bepaalde ook hun volgorde van de dogmatiek: voorop ging de christologie, dan volgden de godsleer, de antropologie en de soteriologie. De zondeloosheid van Jezus werd aanvaard, de maagdelijke geboorte zag op Jezus’ buitengewone persoonlijkheid. Bij de christologie van de Groningers past niet de vroeg-kerkelijke tweenaturenleer. Hun christologie maakte het wonder van de vleeswording van Christus tot een weliswaar wonderlijk, maar toch eigenlijk niet onbegrijpelijk gebeuren. De triniteitsleer werd afgewezen. Jezus noemde Zich immers ondergeschikt aan de Vader? De Groningers kozen voor Arius, de zijde van de weinigen dus. Voor een pneumatologie was bij hen nauwelijks plaats. De Geest is een kracht.

Als Christus de mensen Zijn broeders noemde, erkende Hij daarmee in hen, evenals in Zichzelf, een goddelijke aanleg. In de door Hem gestichte kerk toonde Hij dat de mens geleid kan worden tot wat waarlijk goed en goddelijk is, dat de daartoe nodige kwaliteiten de menselijke natuur aangeboren zijn. De verlossing door Christus is geen straf dragen in wettische zin, maar ze heeft een zedelijk doel, om de naar Gods beeld geschapen mens tot het door de zonde verloren geluk te brengen. Door wedergeboorte kan de mens de volmaaktheid bereiken. De plaatsbekleding wordt als solidariteit verstaan, de voldoening betekent ‘dat er aan ’s menschen zondaarsbehoefte door den Heer wordt voldaan’. De leer van Anselmus wordt als onevangelisch afgedaan.

Samenvattend
– De Groningse theologie is een dynamische theologie.
– Een christologische theologie. Christus is het hart van de openbaring.
– Er is geen radicale breuk in de antropologie, soteriologie en eschatologie; het is een crisisloze theologie; de verhouding van God en mens, heden en toekomst, verloopt niet zonder storingen, maar wel zonder wezenlijke discontinuïteit.
– Alles bleef gematigd en huiselijk; ze spraken over een gemoedelijke ‘leiding Gods’ in de geschiedenis en in het mensenleven.
– Ze hebben zich op den duur niet kunnen handhaven. De moderne theologie zou hun onkritisch biblicisme, hun naïeve beroep op kerk- en theologiegeschiedenis, verwerpen, hun een onklare en docetische christologie verwijten, en hun opvoedingsgedachte weldra door een evolutionistisch optimisme vervangen.
– Een felle aanval kwam van de Zeven Haagse Heren, waaronder Groen van Prinsterer (1842). Ze verweten de Groningers een stelselmatige verloochening van de leer en verraad aan de dierbaarste belangen van de kerk. In 1843 kwam een tweede adres, maar in Groningen ontstond grote verontwaardiging, vanuit de kerkelijke gemeenten nam men het voor de professoren op, omdat ze in brede kring geliefd waren.

Over de Afscheiding
– Miskotte vond de Afscheiding een beweging van diep en heilig belang, het wezenlijke van het Evangelie werd weer aan de dag gebracht.
– Johannes Willem Vijgeboom oefende al vanaf 1823 in een afgescheiden kerk: Herstelde Kerk van Christus. In 1835 sloot hij zich bij de afgescheidenen aan, die hem niet als predikant, maar als oefenaar aanvaarden.
– Hofstede de Groot tegen Hendrik de Cock: ‘De Cock, de Cock, hoe diep, diep zijt gij gevallen, en hoe donker is mij Gods raad, dat zulk een leer in de gemeente, die eens de mijne was, nu wordt verkondigd.’
– Het dopen bij niet-rechtzinnige dominees werd ‘den Moloch offeren’ genoemd.
– Scholte preekte in Ulrum uit Jesaja 8:11-15 met een duidelijke tendens: ‘Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op de weg van dit volk, zeggende: Gij zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest gij hun vreze niet, en verschrikt niet. De HEERE der heirscharen, Die zult gij heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking. Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling voor de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net voor de inwoners te Jeruzalem. En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden.’
– Rasker denkt dat het besluit tot afscheiding bij De Cock zelf al was gerijpt, en niet door Scholte was aangedrongen; ze hadden er alleen over gepraat en Scholte had adviezen gegeven.
– Toen De Cock vrijkwam, en niemand hem in Ulrum een huis durfde te verhuren of verkopen, vertrok hij met zijn gezin naar vrienden in Smilde. Na zijn ontslag maakte hij ‘apostolische reizen’ waarbij hij veel gemeenten stichtte in het noorden des lands.
– Bij de synode van Utrecht 1837 ging de synode wel van de Dordtse kerkorde uit, maar in zes dogmatische artikelen daaraan voorafgaand (in de geest van Scholte opgesteld) week men daar wezenlijk van af.
– De Cock overleed op 41-jarige leeftijd aan de pokken, vol zorg over de toekomst van zijn kerk.
– De vierde synode, in 1843, ook wel de ‘roverssynode’ werd niet meegeteld vanwege het ongeestelijke karakter.
– Toen Ledeboer de gezangbundel en synodale reglementen in zijn tuin begroef zei hij: ‘Daar liggen moeder en kind bij elkaar’.
– Volgens sommigen openbaarde de moderne democratie in Nederland zich het eerst in de Afscheiding van 1834.

Over het wereldwijde Reveil
– Het Reveil had ook aanrakingspunten met de politieke restauratiebeweging en had sympathie voor de Heilige Alliantie.
– Cesar Malan werd in Genève verboden in de prediking te spreken over de twee naturen van Christus, de erfzonde, de genade en de predestinatie. Hij wilde niet een vrije kerk, maar bouwde in zijn achtertuin een soort noodvoorziening.
– Adophe Monod ging niet met zijn broer Frédéric mee, die een nieuwe kerk stichtte. Hij zei: men moet niet een nieuwe orde van zaken opstellen, maar het godsdienstige leven zo ontwikkelen dat op Gods tijd de ware ordening van de kerk wel tot stand zal komen.
– In Duitsland was het Reveil praktisch van aard.
– In het Zwitserse en Franse Reveil zijn twee stromingen zichtbaar: de ene, die in samenhang met een religieus individualisme en de vrije-kerk-gedachte, betrekkelijk gemakkelijk tot separatie en nieuwe kerkstichting overging; de andere, die tot het uiterste kerksplitsing wilde voorkomen en daarbij zo nodig grote moeilijkheden wilde verdragen.
– Het Nederlands Bijbelgenootschap besloot de Bijbel niet langer in Gotische, maar in Latijnse lettertekens te laten drukken; dit bracht de Bijbel dichter bij het eenvoudige volk.
– Het theologisch studentengezelschap Sekor Dabar leefde in de geest van het Reveil.

Over Bilderdijk
– Bilderdijk was de ‘IJsbreker van het Reveil’ (Wagenaar),‘de incarnatie van alles wat tegen de lof dezer eeuw in verzet kwam’ (Noodenbos), ‘de grote ongenietbare’ (Huizinga) en ‘de Domper’ (scheldnaam).
– De koning wilde Bilderdijk wel benoemd krijgen op een universiteit, maar tegenstanders hielden dit tegen.
– Bilderdijk stemde in met het negatieve in Kants kenniskritiek, tegen de overschatting van het menselijke kennisvermogen. Maar aan de andere kant zocht Bilderdijk zijn sterkte niet in de autonomie, maar in de theonomie.
– Bilderdijks verzet tegen de natuurlijke religie en autonomie van de mens lag ook ten grondslag aan zijn afkeer van de moderne staatsleer. De volkssoevereiniteit was een gruwel in zijn ogen. Het diepste beginsel van de democratie is de autolatrie, de zelfverheffing van de mens, die eigen god en wetgever wil zijn.
– Willem I was voor Bilderdijk de ideale koning, maar het viel hem tegen. Komt er dan toch geen christenstaat, dan moeten wij vreemdelingen van de staat zijn. Dit vreemdelingschap dreef hem tot eschatologische verwachtingen.

Over Da Costa
– Isaäc da Costa behoorde tot de Sefardische of Portugese Joden. Na de val van de tempel vestigden ze zich in Spanje, maar daar werden ze ook weggedreven toen de inquisitie kwam. Velen gingen onder druk over tot het christendom. Isaäc’s voorouders keerden tot het Jodendom terug na vestiging in Amsterdam (1612).
– Was de kerk nu vol of niet bij de doop van Da Costa en Capadose? Groen van Prinsterer schreef: ‘…buitengewoon vol…’, maar Willem de Clercq tekende aan: ‘…zeer weinig toeloop…’
– Da Costa vergeleek Nederland vaak met Israël en het koningshuis met dat van David.
– Pierson vertelt dat Da Costa een lastige rustverstoorder was in het Nederland van die dagen, waarin men ‘zo genoegelijk bijeen was in den knollentuin zijner staatkundige gevoelens.’ Alleen Bilderdijk nam het openlijk voor Da Costa op, daarom werd Da Costa de ‘aap van den grimmigen Bilderdijk’.
– Een ander geschrift van Da Costa was De Sadduceeën: het farizeïsme is de rooms-katholieke kerkleer, het sadduceïsme is de neologie van de Verlichting en haar voorloper, het remonstrantisme.
– Da Costa hield zondagse bijbellezingen en nam daarvoor kennis van de meest actuele theologische publicaties en waagde het ook met de groten van zijn tijd, de Groningers, Strauss, Scholten, de strijd aan te binden.
– ‘De kracht eener Belijdenis ligt in hare verschheid. Eene Belijdenis voor onzen tijd moet ook van onzen tijd zijn.’ Met deze gedachtegang heeft hij in principe afscheid genomen van de restauratieve denkwijze; zijn blik was nu op de toekomst gericht.
– Da Costa zei in 1843 (dus 20 jaar na zijn Bezwaren): ‘In jonger leeftijd meende ik de genezing van het bestaande kwaad in Kerk en Godgeleerdheid en maatschappij grootendeels te mogen zoeken in de terugkeering tot een vroegeren toestand; thans zie ik die genezing alleen denkbaar in den weg van voortgang naar een nieuwe (van God gewilde, bereide, beloofde) uitkomst.’

Da Costa’s Bezwaren tegen den Geest der Eeuw
– Zijn Bezwaren tegen den Geest der Eeuw (1823) telde tien hoofdstukken:
(1) Godsdienst: de tijdgeest verzet zich tegen het ongeloof, maar het is in wezen een strijd tegen de grondwaarheden van het christendom. Wat vroeger ketterij was, is nu Verlichting.
(2) Zedelijkheid: velen menen dat zedelijkheid zonder godsdienst kan bestaan.
(3) Verdraagzaamheid en menselijkheid: de zogenaamde humaniteit is niets anders dan dwinglandij, regelementering, onverdraagzaamheid en wreedheid; de afschaffing van slavernij is een hersenschimmige menselijke wijsheid, die de Almacht wil vooruitlopen.
(4) Schone kunsten: de kunst van deze eeuw valt in het niet bij die van de Gouden Eeuw.
(5) Wetenschappen: de wetenschappen worden gebruikt als een wapen ter bestrijding van Gods openbaring, Zijn geboden en Zijn bestaan.
(6) Constitutie: de oppermacht van het volk.
(7) Geboorte: geboorte is geen louter toeval, maar zij geeft voorrechten, door God gewild, niet door eigen verdiensten verworven (Da Costa’s betoog dat verschillen in stand door goddelijke wijsheid zijn ingesteld, zou hij in 1840 min of meer herroepen).
(8) Publieke opinie: de publieke opinie berokkent alle kwaad.
(9) Onderwijs: de eerzucht van de kinderen wordt geprikkeld, kinderen worden ingebeelde wijsgeertjes, opgeblazen en verwend.
(10) Vrijheid en Verlichting: deze eeuw is in werkelijkheid een eeuw van slavernij, bijgeloof, afgoderij, onkunde en duisternis.
– Dit geschrift eindigt niet zonder hoop: de schrijver ziet al de kiemen van een betere tijd.

Over Capadose en De Clercq
– Capadose en De Clercq waren verontruste zielen, mannen die het moeilijk hadden met hun tijd, hun omgeving en met zichzelf.
– Capadose schreef tegen stoomboot en spoortrein, tegen verzekeringsmaatschappijen en tegen de bliksemafleider. Hij vond voor zijn ideeën geen weerklank. In Scherpenzeel hield hij oefeningen buiten de gewone erediensten om. Het was een eenzame figuur, die op een zijspoor raakte in het Reveil. In 1866 verliet hij de kerk, om zich bij geen andere aan te sluiten.
– Willem de Clercq was één van de centrale figuren in het economische leven in Nederland. Op zijn voorstel werd besloten de nieuwe industrie in Twente te vestigen, vooral in de vorm van huisindustrie; de werkloosheid aldaar verdween zo en er kwam zelfs tekort aan arbeidskrachten; De Clercq werd daar de gevierde man.
– De Clercq pleitte voor arbeidswetten ter bescherming van arbeiders tegen de willekeur van fabrikanten.
– De Clercq voelde zich bezwaar dat op Java 7 miljoen mensen werkten tot herstel van onze financiën; hij drong aan op afschaffing van slavernij in de West-Indische koloniën.
– Beroemd was De Clercq’s fabelachtige begaafdheid in het improviseren.
– De Clercq had er moeite mee dat Da Costa zoveel harmonischer was geworden.
– De Clercq over de maatschappelijke misstanden: ‘Hetgeen men doet zijn eigenlijk toch meer palliatieven. Maar wat is er te doen tegen die dagelijks toenemende kwaal?’
– Willem de Clercq bleef (naar aanleiding van de controverse tussen Kohlbrugge en Da Costa) op tragische wijze zijn hele verdere leven geslingerd tussen de vroomheid van Da Costa, die hem onbereikbaar scheen, en de kritische geest van Kohlbrugge, die zijn verlangen naar harmonie verstoorde.

Over Groen van Prinsterer
– Groen van Prinsterer is door verschillende personen beïnvloed. Bijvoorbeeld door Carl Ludwig von Haller, die de leer van het contrat social bestreed (dat de staat een kunstmatig voortbrengsel is van menselijke afspraak). De staat is voor hem meer een natuurproduct.
– Ook is hij beïnvloed door Bilderdijk, al maakte hij tegenover diens opvattingen wel ernstig voorbehoud (hij was te ongenuanceerd).
– Van De Lamennais leerde Groen ‘dat de Revolutie stelselmatig ongeloof is, evangelieverzaking met al den aankleve van dien.’
– Friedrich Julius Stahl fundeerde het overheidsgezag niet privaatrechtelijk, maar publiekrechtelijk; niet elke revolutie wordt veroordeeld; de vrijheidsbewegingen in Engeland en Amerika, welke vanaf het begin met het christelijke geloof samenging, is anders dan die in Frankrijk. Stahl waarschuwde ook voor individualisme, wat moet leiden tot overheersing van de meerderheid over de minderheid; dit moet in de kerk leiden tot reglementaire dwang, in de staat tot socialistisch despotisme.
– Wat de ideeën voor Plato waren, waren voor Groen de beginselen.
– Dat Nederland altijd een republiek had gehad en geen monarchie, ‘daarin betoonde Groen zich niet zeer gelukkig.’
– Groen van Prinsterer was bijna minister-president geworden. Hij heeft deze kans echter niet gegrepen, toen het hem duidelijk werd dat de koning het erom te doen was de liberale grondwet van 1848 gedeeltelijk ongedaan te maken; de koning wilde de volksgeest afleiden van ‘de zucht…om als het ware mee te regeren’. Groen wilde daaraan niet meewerken.
– De eenheid van het Reveil was gebroken toen Groen van Prinsterer in conflict kwam met J.J.L. van der Brugghen.
– Heldring deelde het standpunt van Groen van Prinsterer dat elke tak van filantropische volksopvoeding eigenlijk het werk van een belijdende kerk hoor te zijn.

Over Kohlbrugge
– Kohlbrugge streed op drie fronten: tegen de neologie, de Afscheiding en het Reveil. Zijn strijd gold niet zozeer hen die de heilsboodschap ontkenden of aanvielen, maar de vromen, die haar verdraaiden, die met de gerechtigheid en heiligheid van Christus niet ten volle tevreden waren.
– Kohlbrugge’s schoonmoeder had eerst bezwaar gehad tegen een huwelijk met een man zonder beroep, maar gaf toestemming na Kohlbrugge’s proefschrift te hebben gelezen: ‘Als hij Christus en zijn bruid zo verdedigt en zich daarvoor niet schaamt, dan schaam ik mij ook niet voor hem.’ Omdat zijn vrouw bemiddeld was kon hij voor het eerst in zijn leven zonder geldzorgen leven.
– Kohlbrugge ontving in zijn moeilijke leven veel sympathiebetuigingen, maar weinig of geen krachtdadige hulp.
– Zijn relatie met De Clercq verliep eerst stroef, maar zou later hecht zijn; met Da Costa was het eerst veel positiever, maar dat werd heel anders. Kohlbrugge zou later een felle brief naar Da Costa sturen, met onder andere de woorden: ‘…Dat het dus toch wel waar was, wat men beweerde, dat Da Costa zoo gematigd was geworden’.
– In 1826 bekeerde God hem van zijn scepsis, in 1833 bekeerde Hij hem van zijn bekering.
– Christus is onze heiligheid; een menselijk streven naar heiligheid sloot hij uit.
– Zijn beruchte preek over Romeinen 7:14 zag er als volgt uit:
(1) De zonde wordt bovenmate zondig door het gebod. We moeten ophouden het in de wet te zoeken, de wet uitdrijven en gaan naar Christus, de andere man.
(2) De christen is vleselijk. Alleen door het geloof is er rechtvaardigheid. Daarom wil hij niets van de wet weten. Paulus zegt niet: ik heb vorderingen gemaakt. Zij die menen dat de heiliging hun zaak is, dwalen.
(3) Wij zijn verkocht onder de zonde. God rechtvaardigt goddelozen en geen heiligen.
– Kohlbrugge gooide heel de vrome en onvrome wereld op één hoop.
– Hij gaf later een uitvoerige parafrase van Romeinen 7 uit, om misverstanden uit de weg te ruimen. Hij legde er daar de nadruk op dat er in het voorgeslacht van Christus veel, naar moralistische maatstaf bedenkelijke, vrouwenfiguren voorkomen: Tamar, Rachab, Ruth, Bathseba en Maria (die door Jozef van een misstap verdacht werd).
– Een Engels aanbod om docent aan een college in Londen te worden, sloeg hij af.
– Kohlbrugge werd uiteindelijk predikant bij een vrije gemeente in Elberfeld, waar ouderlingen hem in het ambt bevestigden, omdat geen predikant daartoe bereid was.
– Kohlbrugge preekte later in Vianen (1856), Utrecht (1863) en op uitnodiging van Kuyper in Amsterdam (1871), maar in afgescheiden gemeenten of vrije groepen preekte hij niet.
– De heiligheid van de mens is evenzo principieel verborgen als de godheid van Christus, maar ook evenzo waar.
– Kohlbrugge’s vader had al gezegd: ‘Indien gij de vijf boeken van Mozes verstaat, zoo verstaat gij de geheele Schrift’.
– In zijn catechismus luidde een vraag: Wat is het dankbaarste schepsel Gods? Antwoord: De hond.
– Kohlbrugge schreef Wozu das Alte Testament? Hij bewoog zich met zijn hermeneutische principes in de nabijheid van een mechanische inspiratieleer. Hij had een bijzondere gave om ook de schijnbaar onvruchtbaarste bijbelplaatsen tot leven te brengen.
– ‘Hoe kunt gij in God alleen uw heil stellen in leven en sterven? Ik weet het uit de Schrift en uit de ervaring: 1. dat ik een mensch ben en niets méér; 2. dat God God is; 3. dat Hij Zijne beloften ook aan mij vervult.’ Het komt dus op Gods beloften aan.
– Kohlbrugge maakte gebruik van een eigenaardige directe vertaling van Griekse aoristusvormen; zo werd het: ‘Zijn maaksel zijn wij, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voor bereid heeft, opdat wij in dezelve zouden gewandeld hebben.’
– Kohlbrugge was wat zijn oordeel over maatschappij en politiek betreft blijven staan bij Bilderdijks contrarevolutionair monarchistisch denken en bij Da Costa’s Bezwaren. Voor hem gold nog altijd het ‘drievoudig snoer Kerk, Oranje en Vaderland’.
– De Niederländisch-Reformierte Gemeinde van Elberfeld werd één van de steunpilaren van de Bekennende Kirche in de strijd tegen het nationaal-socialisme.

Gepubliceerd in juli 2007