De negentiende eeuw

n.a.v. George Harinck en Lodewijk Winkeler, ‘De negentiende eeuw’, in: Herman J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen 2006

Nederland en België samengevoegd
Onder druk van de successen van de geallieerden verlieten de Fransen in 1813 Nederland. Nederland werd een koninkrijk. Een stevige bufferstaat aan de Franse noordgrens was welkom, dus werd België deel van Nederland. De nieuwe grondwet die kwam werd door veel katholieken in België verworpen, juist vanwege de gelijkstelling van godsdiensten; men wilde het katholieke karakter van België in de grondwet verankerd zien. Maar de afwezigen op de vergadering werden bij de voorstemmers gerekend, waardoor de grondwet toch kon worden aangenomen. Willem I vestigde een liberaal bewind. Nederland telde nu 18 provincies, inclusief Luxemburg. Het inwoneraantal was 5 miljoen. 1/3 woonde in de steden, maar alleen Amsterdam, Rotterdam en Den Haag telden meer dan 50.000 inwoners. Van de arbeiders leefde de helft in armoede. Ruim 1/3 van Noord-Nederland was katholiek en meer dan de helft hervormd. In Noord-Nederland waren ook belangrijke katholieke gebieden, zoals Twente in het oosten. De samenvoeging van Zuid- en Noord-Nederland leverde een ruime katholieke meerderheid op, waar door de verlicht-liberale Noord-Nederlandse elite nogal op werd neergekeken.

Willem I’s politiek
Willem I was de ‘koopman-koning’. Hij stond een centralistische politiek voor. Hij voerde een actieve economische politiek, en er was sprake van een behoorlijke economische groei. Het activistische en autoritaire optreden van de koning was een verademing na alle politieke wisselvalligheden van de voorgaande decennia. Er kwam een gerichte beschavingspolitiek. Er moest een verlichte, liberale staat komen, waar eenheid, gematigdheid, harmonie en deugdzaamheid zou heersen. De Armenwet van 1854 legaliseerde de feitelijke verhoudingen: de overheidsarmenzorg bleef aanvullend. Gent, Luik en Leuven kregen een universiteit. In 1826 gaf de Nederlandse overheid meer dan tienmaal zo veel uit aan lager onderwijs als Frankrijk. Om de nieuw gevormde staat tot een eenheid te smeden, moest er een christendom komen in niet-leerstellige zin. Dit moest in het onderwijs tot uitdrukking komen. Van georganiseerde oppositie tegen de onderwijswet van 1806 was geen sprake, al hielden orthodoxe protestanten hun kinderen soms van school vanwege het verlicht-christelijke onderwijs of de daar verplichte koepokvaccinatie.

Belgische Opstand
In België bleef onvrede bestaan. Conflicten met de overheid zorgden ervoor dat particuliere onderwijsinstellingen (die werden niet door de overheid erkend) zoals bisschoppelijke colleges en kleinseminaries moesten worden gesloten. Willem I had namelijk een Collegium philosphicum in Leuven gesticht, om zo de katholieken te winnen voor zijn verlichte gedachtegoed. De katholieke kerk weigerde haar studenten daarheen te sturen. Uiteindelijk kwam er een Frans georiënteerd monsterverbond tussen katholieken en (zeer antiklerikale) liberalen: de Belgische Opstand. Het verlies van België, de vervreemding van Luxemburg (dat een groothertogdom werd) en de oorlogsschuld leidden de zwarte jaren 1845-1849 in: een economische malaise. De Belgische Opstand kon bij de katholieken in Noord-Nederland niet op steun rekenen.

Eenheid en centralisatie
De kerken hadden in de optiek van de staat vooral betekenis als opvoeders. De staat vormde een eenheid en daarin paste geen kerkelijke verdeeldheid. Het liefst had Willem I daarom de katholieken en protestanten samengebracht in één verlicht nationaal kerkgenootschap. In 1816 werd vrijwel zonder protest een Algemeen Reglement opgelegd. Dit reglement maakte van deze kerk voor het eerst een bestuurlijke eenheid. De particularistische organisatie uit de tijd van de Republiek werd vervangen door een unitaire, zodat de kerk een ‘besturenkerk’ werd. De synode besliste alleen nog over bestuurlijke zaken, niet over leerstellige. De leden werden gekozen door de koning. De bestuurslichamen waren overwegend bevolkt door predikanten; onafhankelijke bestuurlijke eenheden duldde Willem I niet meer. Nederland was nog steeds missiegebied voor de katholieken (Hollandse Zending), bestaande uit aartspriesterschappen.

Kerkbouw
Het was een paradox dat de bemoeienis van de staat met de kerk in Nederland nooit zo groot was als in de eerste decennia van de invoering van kerk en staat! In 1835 telde Nederland 3000 kerkgebouwen, 1/3 rooms-katholiek en 1/10 behorend bij de kleine protestante kerkgenootschappen. In hoog tempo werden gebouwen gemoderniseerd, vergroot of vervangen. De katholieken begonnen nieuwe kerken te bouwen, onder toezicht van de subsidiërende overheid. Ook kwam er evangelisatie bij de hervormden. De kerk diende bij de mensen gebracht te worden, bijvoorbeeld in de nieuw ontginningen of in dichtbevolkte gebieden. Qua stijl hielden de hervormden gewoonlijk vast aan de traditionele classicistische stijl. De katholieken daarentegen wendden zich tot de neogotiek, teruggrijpend op de Middeleeuwen. Kleine kerkgenootschappen of evangelisatieverenigingen kregen geen overheidssubsidie.

Christendom boven geloofsverdeeldheid
In Nederland had de Verlichting niet dezelfde antiklerikale gestalte aangenomen als in Frankrijk. Het werd een ‘christendom boven geloofsverdeeldheid’. Met name de remonstranten konden zich goed vinden in een christendom boven geloofsverdeeldheid. ‘Beschaving’ en ‘opvoeding’ werden sleutelwoorden. Men streefde naar redelijkheid, tolerantie, deugdzaamheid en sociabiliteit. Het supranaturele denken werd probleemloos verbonden met het verlangen naar een vredig Hollands bestaan, getuige ook Gezang 177:

Stedelingen! Looft den Heer!
Hoopt op d’ oude welvaart weêr;
Voor den koopman druk vertier,
Nering voor den winkelier,
Bezigheid voor handwerkslieden,
En, voor schamel’ armen, brood:
God, die ons den vreê gebood,
Wil zijn heil daartoe gebieden!

Beschavingsoffensief
Er kwam een beschavingsoffensief door oprichting van talrijke tijdschriften en geleerdengenootschappen, dilettantengenootschappen, letterkundige genootschappen maar ook genootschappen die de verheffing van de samenleving op het oog hadden, zoals de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Vooral liberaal-protestanten waren lid. ‘Het Nut’ beoogde het bevorderen van het algemene volksgeluk; er kwamen Nutsscholen, Nutsbibliotheken en Nutsspaarbanken. Ook genootschappen als het Nederlandsch Zendeling Genootschap en het Nederlandsch Bijbel Genootschap hadden beschavingsdoelen. ‘De ware christen de beste burger’ zo luidde het motto. De Nederlandsche Zondagsschool Vereeniging leerden veel kinderen lezen en schrijven (later zou de nadruk gaan liggen op evangelisatie onder het volk). Christendom en kennis/opvoeding waren in de vroege 19e eeuw nog bijna synoniem.

Armenzorg
Alleen wie kerkelijke lidmaat was kon aanspraak maken op steun van de diaconie. Armoede vloeide voort uit gebrek aan beschaving en belemmerde de economische ontwikkeling van de natie. Toen de overheid de armenzorg geheel aan zich wilde trekken, stak de hervormde kerk daar een stokje voor. De Wet op de Armenzorg (1818) bracht de instellingen voor armenzorg onder staatstoezicht, ook de kerkelijke. Kerkelijke armenbesturen weigerden echter steeds vaker gegevens te verstrekken ten bate van de overheidsrapportage over de nationale armenzorg.

Liturgische veranderingen
In 1829 bleek dat ‘de godsdienst-oefeningen des namiddags oneindig veel minder worden bezocht dan voorheen’. Een 19e-eeuwse kerkdienst duurde 2 uur, waarbij de preek de helft van de tijd in beslag nam. Men wilde de kerkdienst aantrekkelijker maken door welsprekendheid en betere gemeentezang. Het orgel kwam steeds meer op, hoewel het platteland daar nog lang op moest wachten. Doopbekkens maakten plaats voor statige doopvonten, elk kind kon gedoopt worden. Ter tegemoetkoming aan de bruidsparen werd het trouwen op een doordeweekse dag mogelijk (eertijds het voorecht van de rijken). Nieuw was het om een huwelijksbijbel uit te reiken. De hervormde synode waarschuwde in 1824 tegen gemengde huwelijken. Begrafenisdiensten kende men niet, maar toen vanaf 1829 het begraven in kerken niet meer was toegestaan, dreigden kerken een belangrijke inkomstenbron te derven. Zo vervoegden predikanten zich op de nieuw aangelegde begraafplaatsen en spraken er in de open lucht.

Pastoraat
De predikanten waren financieel niet van hun gemeenteleden afhankelijk. Zij werden bezoldigd van rijkswege en vormden los van hun kerkgenootschap landelijk een homogene beroepsgroep met een eigen professionele status en predikantenverenigingen. Aan pastorale bezoeken deden hervormde predikanten niet veel, totdat concurrentieoverwegingen (de uittocht van orthodoxen en arbeiders) daartoe noopten. Er bestond niet eens een handboek over pastoraat, dus men maakte op de theologische opleiding bij gebrek aan beter gebruik van de Schetsen uit de pastorie te Mastland. Het feit dat de katholieken zich niet invoegden in de verlicht-liberale samenleving veroorzaakte een weer toenemend antipapisme. De katholieken hielden zich afzijdig. Ze waren het gewend om zich onopvallend te gedragen. De Verlichting had onder hen nauwelijks weerklank gevonden. Organisatorisch was de katholieke kerk een rommeltje: staties, pastoors, kapelaans, aartspriesters, Jezuïeten, franciscanen, dominicanen en augustijnen.

Opleving
In de 19e eeuw vond in het rooms-katholicisme een opbloei plaats van het publieke devotionele leven. Echter, processies werden mondjesmaat door de vingers gezien. Er was ook sprake van een ongekende productie van kerk- en gebedenboeken. Ook was een toenemende oriëntatie op Rome te constateren, die ook waar is te nemen in andere landen waar een verlichte overheid een antikerkelijke politiek voerde. Dit zogeheten ultramontanisme (een gerichtheid ‘over de bergen’, namelijk de Alpen, Italië, Rome) gaf de toon aan. Onder protestanten was er sprake van het Reveil. Er was onvrede over het rationalisme en deïsme in kerk en theologie. Gezelschappen werden overal gevormd. Aanvankelijk was het Reveil niet maatschappelijk gericht, maar het latere Reveil legde veel nadruk op liefdadigheid en sociaal werk. O.G. Heldring is hier een bekende naam bij. De Vereeniging ‘Tot heil des volks’ werd opgericht. In 1834 vond er een Afscheiding plaats van de hervormde kerk. In hervormde kring was in 1858 veertig procent van de theologiestudenten in de pastorie geboren.

Groninger Richting
Ook de theologie werd geraakt door de opleving van persoonlijke vroomheid en orthodoxie in de kerk. Een groep ging zich keren tegen het rationalisme van de Verlichting. Deze Groningers spraken over bekering en het werk van de Geest en bepleitten een persoonlijke geloofsbeleving. Ze trokken bij het kerkvolk aandacht door hun warme, hartelijke preken en hun pedagogische zin. Ze concentreerden zich minder op liefdadigheid en meer op onderwijs. Kerklidmaatschap was in hun ogen een aspect van het burgerschap. Ze kritiseerden vermeende ‘on-Nederlandse’ elementen in de theologie, zoals het leerstellige calvinisme. Leiden had vier hoogleraren, de andere faculteiten drie. De kleinere protestante kerken hadden een eigen seminarie, dat veelal functioneerde in nauwe relatie met het Amsterdamse Atheneum. De oud-katholieken hadden al veel langer een afzonderlijk seminarie in Amersfoort.

Willem II treedt aan
De kerkbesturen vonden het in 1840 nodig dat de band tussen de hervormde kerk en het Oranjehuis in de grondwet werd verankerd, gezien de ‘woelingen van het pausdom’. Willem I trad kort daarop af en tot ontzetting van velen trouwde hij een jaar later met een Belgische rooms-katholieke vrouw! Willem II gaf kerken en kerkelijk leven aanzienlijk meer ruimte. Na 1840 werden er langzamerhand steeds meer katholieke en protestante bijzondere scholen opgericht, die de gelovigen dan wel zelf moesten bekostigen. Geestelijken van verschillende gezindten kregen in 1842 het recht een uur per week godsdienstonderwijs te geven op de scholen. Maar het schoolonderwijs zelf mocht voor geen van de gezindten aanstootgevend zijn. De openbare school zonder catechismus werd nu hier en daar een school waar de Bijbel was verwijderd. De predikanten verloren hun invloed op de openbare school. Een minister riep in 1848 op het christelijk onderwijs uit te bannen. De hervormde kerk, in 1815 nog het belangrijkste instrument voor de opbouw van de natie, zag deze ontwikkeling met zorg aan.

Nieuwe grondwet
Op 13 maart 1848 verraste Willem II vriend en vijand met de aankondiging van een volledige staatkundige hervorming. Er kwam vrijheid van drukpers en vereniging, een principiële uitbreiding van het kiesrecht en vrijheid van godsdiensten. De staat had de kerken niet meer nodig voor de natievorming; voor de realisering van dat streven waren weldenkende christelijke burgers veel beter geschikt. Thorbecke was een lutheraan. De hervormde synode beleefde deze ontwikkelingen als een bedreiging van haar eigen positie.

Herinvoering rooms-katholieke kerkprovincie
In 1853 werd de hiërarchie heringevoerd; Nederland was voortaan geen missiegebied meer, maar werd een kerkprovincie. De regering wilde niet dat in Utrecht de aartsbisschop kwam. Dit werd handig opgelost door de bisschop van Den Bosch tegelijk aartsbisschop van Utrecht te laten worden, terwijl hij kon blijven wonen in Den Bosch (Zwijsen). De keuze voor Utrecht en de opmerking van de paus over de ‘calvinistische ketterij’ was aanleiding voor de regering om haar gezant bij het Vaticaan terug te trekken. In Nederland barstte intussen de Aprilbeweging los: de eerst moderne massabeweging met een landelijk karakter. Zo’n 200.000 handtekeningen werden ingezameld. De petitie werd aangeboden aan koning Willem II, die de protestanten de hand reikte. Hierop trad het liberale kabinet-Thorbecke af. Hierna kwam een conservatieve regering-Van Hall. Zwijsen schijnt tegen de paus gezegd te hebben: ‘Heilige Vader, men kan in mijn land veel tot stand brengen, mits men het in stilte doet.’ In het encycliek Quanta cura en Syllabus errorum (1864) werden liberalisme, socialisme en staatsonderwijs veroordeeld.

Moderne richting
In de Ned.Herv.Kerk kwam de ‘moderne richting’ op: men wilde de kerk voor de cultuur behouden door haar theologie daarop te laten aansluiten. Voormannen waren C.W. Opzommer, J.H. Scholten en A. Kuenen (verwierf internationale faam door zijn historische kritiek op het Oude Testament). Wonderen in de Bijbel wezen ze af, men beklemtoonde de overeenkomst tussen het goddelijke en het menselijke. De Bijbel was geen openbaring, zonde en verlossing achterhaalde begrippen. De werking van God was gelijk aan de natuurwet. Het enige gezag dat gold was het eigen verstand. Deze theologie vroeg om een radicale keuze voor of tegen. Mensen die nog in de traditie van het Reveil en de Groningers stonden, waren D. Chantepie de la Saussaye (samen met J.H. Gunning jr. geldt hij als de vader van de ethische richting binnen de Ned.Herv.Kerk.), J.I. Doedes en J.J. van Oosterzee. In deze tijd trok H.F. Kohlbrugge ook aandacht met zijn geheel eigen prediking.

Kerkverlatende predikanten
Toen Conrad Busken Huet vanaf 1857 de ‘bijbelsche tooverwereld’ ontleedde, was dat voor een ruim publiek de afrekening met het gezag van de Bijbel (hij legde zijn ambt in 1862 neer). Op paaszondag 1864 verklaarde een Amsterdamse dominee niet te geloven in Christus’ opstanding. Deze personen waren in de veronderstelling dat zij met hun werk het wezen van het christendom behielden en een nieuwe impuls gaven. De onvermijdelijke vraag rees echter wat dan nog het unieke van kerk en christendom was. Scholtens leerling Allard Pierson kwam tot het inzicht dat mensheid boven christenheid ging en legde zijn ambt neer. Deze vervreemding van de kerk was een eerste gevolg van het modernisme. Dankzij de moderne theologie beseften zij dat er een onoverbrugbare kloof was ontstaan tussen kerk en cultuur.

Orthodoxe invloed neemt explosief toe
In deze jaren kreeg de brede volkskerk gestalte. De Bijbel werd niet langer alleen als het boek van de kerk aangeprezen, maar werd nu ook het boek van het huisgezin. De kerk werd minder een kerk voor predikanten en meer een kerk van het volk. Gemeenteleden roerden zich meer en meer in het kerkelijk leven, vaak ten koste van de status van predikanten, en ontwikkelden daar hun democratisch besef. In 1864 werd de Confessionele Vereeniging opgericht. Het volk protesteerde, krachtiger dan veel predikanten, tegen het modernisme. In 1867 kregen als uitvloeisel van het Algemeen Reglement van 1852 de mannelijke gemeenteleden stemrecht in de verkiezing voor ambtsdragers. Hiermee werd een orthodoxe opmars in de kerk in gang gezet, die geen bestuur meer stuiten kon. Er kwam een aardverschuiving ten gunste van de getalsmatig sterke orthodoxie. In 1863 werd de Vereniging Vrienden der Waarheid opgericht, die werkten aan kerkherstel.

Vrijzinnigheid vooral bij remonstranten en doopsgezinden
De vrijzinnigen gingen zich ook organiseren: de Nederlandse Protestantenbond (NPB). In Amsterdam werd in 1877 de eerste vrijzinnige kerk in Nederland gebouwd, een vrije gemeente (tegenwoordig is dit Paradiso). De moderne theologie won aan invloed in de kleinere protestantse kerkgenootschappen. Er vond daarom een uitstroom uit de steeds orthodox wordende Ned.Herv.Kerk plaats naar de Remonstrantse Broederschap en de doopsgezinden. Het modernisme bracht nieuwe leven in eerstgenoemd kerkgenootschap, dat voorheen een kwijnend bestaan leidde. De top van de doopsgezinden lag in 1920, toen het bijna 68.000 leden had. Vanaf de jaren 1880 gingen verschillende doopsgezinden over tot het socialisme, omdat dat een beter oog had voor de sociale problematiek dan het christendom (bijvoorbeeld ds. F. Domela Nieuwenhuis, die schreef Mijn afscheid van de kerk).

Vroomheid bij de katholieken
Het religieuze leven van de rooms-katholieken was veel minder theologisch gericht. Jaarlijks vond er huisbezoek plaats van een kapelaan, vroomheid werd er stevig ingehamerd door de volksmissies, de jaarlijkse grote schoonmaak, waarbij de massaal bijgewoonde planting van een groot kruis als blijvende herinnering gold aan de gemaakte goede voornemens. Devotionalisering vond plaats door de inkleding van het woonhuis. Ieder woonhuis had een kruisbeeld en een Mariabeeld, heiligenbeelden en een Heilig Hart-beeld.

Zending en diaconie
De verbinding die sinds eind 18e eeuw werd gelegd tussen beschaving, christendom en persoonlijke vroomheid was een krachtige stimulans geweest voor de zending. Om haar invloed op de samenleving te behouden richtte de kerk zich op de diaconie. De synode rekte de definitie van het lidmaatschap op: voortaan werden daartoe ook de ongedoopte kinderen van hervormde ouders gerekend, de zogenaamde geboorteleden. Zo hoopte men te voorkomen dat bijstand behoevende Nederlanders aan de deur van de diaconie voorbij zouden gaan. Toch liep het aandeel van de kerken terug.

Begin schoolstrijd
Thorbecke wilde een school waarin ‘ieders godsdienstige begrippen’ gerespecteerd dienden te worden. Zelfs subsidie aan het Joodse lager onderwijs werd nu ingetrokken. Tot dat moment had Groen van Prinsterer gestreden voor een christelijke staat en christelijke publieke instellingen als kerk en school, maar nu verliet hij de Tweede Kamer en pleitte hij voor een neutrale staat en bijzonder onderwijs. In 1860 werd de Vereeniging voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs (CNS) opgericht. Men streefde ernaar het woord ‘christelijke’ te laten vervallen in de wet op het openbaar onderwijs, om de feitelijke neutraliteit daarvan aan te tonen en de noodzaak van bijzondere christelijke scholen te propageren. Nicolaas Beets was hier heel kwaad over, dit streven achtte hij het onthouden van het christendom aan het volk, deze actie was ‘demonisch’. Ook de paus sprak zich uit tegen neutraal onderwijs. Zo gingen niet alleen protestanten, maar ook rooms-katholieken over tot een grootscheepse mobilisatie van de gelovigen voor het bijzonder onderwijs. Om tot mobilisatie van gelovigen te komen, werden veel blaadjes opgericht en brochures uitgegeven. Iemand zei dat de Ned.Herv.Kerk werd geregeerd door brochures. De bisschoppen wilden liever dat er helemaal niet gelezen werd door hun kerkleden; zodoende schreven ze dan ook niets.

Groei bevolking, mobiliteit en tegenaanval tegen bijzonder onderwijs
De Nederlandse bevolking groeide na een eeuw stagnatie flink: van 3 miljoen in 1850 naar 4,5 miljoen in 1890. Het verkeer werd intensiever: het spoorwegnet breidde zich over heel het land uit. Het bijwonen van bijeenkomsten in Utrecht of Amsterdam binnen een dagreis was eind 19e eeuw vanuit vrijwel elke plaats in Nederland mogelijk. De schoolstrijd ging ook door. Er werden veel bijzondere scholen opgericht. De liberalen zagen de zelfopvoeding van de orthodoxie met afgrijzen aan. Er werd een tegenoffensief ingezet door de sociaal-liberaal J. Kappeyne van de Copello. Zijn schoolwet uit 1878 stelde hogere eisen aan de kwaliteit van het onderwijs en verbeterde de salarissen voor het personeel fors. Dit alles kon het bijzonder onderwijs niet opbrengen. Er kwam een landelijke protestactie, een volkspetitionnement, waarbij de katholieken zich voegden. 300.000 protestantse en 165.000 rooms-katholieke handtekeningen werden ingezameld.

ARP
In 1879 werd de Antirevolutionaire Partij (ARP) opgericht. De doorbraak van deze partij kwam met de uitbreiding van het kiesrecht in 1887. De ARP groeide van 12 in 1879 naar 27 in 1888 (van de 100 Tweede Kamerzetels). Zo werd ze de grootste partij in de kamer. In 1888 kwam er een eerste christelijke coalitiekabinet-Mackay. Dit kabinet maakte met de schoolwet van 1889 overheidssubsidie voor bijzonder onderwijs mogelijk. In 1909 volgde de mogelijkheid voor middelbaar onderwijs. Volledige financiële gelijkberechting kwam in 1917, de ‘onderwijspacificatie’. Tegelijk werd het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd, als tegemoetkoming aan de niet-confessionelen. Deze wijziging in het kiesstelsel pakte echter juist heel voordelig uit voor de christelijke partijen. Zij zouden de politiek in het interbellum domineren.

Sociale wetgeving
Eind 19e eeuw stond Nederland aan de vooravond van de tweede industriële revolutie. In deze tijd vond een tweede massale immigratiestroom naar Amerika plaats. Maar de arbeidsomstandigheden verbeterden snel. De arbeider hoefde niet uitsluitend meer aan overleven te denken. Staatsinmenging in het sociale leven werd nu noodzakelijk geacht. Er kwam sociale wetgeving: een kinderwet, arbeidswet, veiligheidswet, woningwet en ongevallenwet (dit alles tussen 1874 en 1901). De onderwijzers, predikanten en priesters namen in deze ‘sociale quaestie’ het voortouw.

Abraham Kuyper
Abraham Kuyper (1837-1920) was opgeleid bij onder andere J.H. Scholten, van wie hij leerde een verbinding te zoeken van christendom en cultuur (A.A. van Ruler prijst Kuyper vanwege zijn grote mystieke hart, zijn enorme denkkracht, onbeperkte aandacht voor alles en mannelijke moed). Hij werd de man achter de tweede kerkscheuring: de Doleantie (1886). Het ging om een oplossing van het ‘kerkelijk vraagstuk’: los de vlammende verdeeldheid van de Ned.Herv.Kerk op. Kuyper vond veel orthodoxen tegen zich, zoals Gunning. Deze stelde tegenover Kuypers beklemtoning van de kerkvorm dat het aankwam op de gelovige persoonlijkheid. Hij was wars van partijvorming. Hoe liep de Doleantie?

De Doleantie
Toen in 1870 ook alternatieve doopsformules werden toegestaan en het beheer van kerkelijke goederen niet overging op de afzonderlijke gemeenten, maar op centralistische wijze, protesteerden de orthodoxen gezamenlijk. Maar Kuypers ideeën stuitten op weerstand van velen die zijn plannen niet deelden om de bestaande kerkelijke bestuursstructuur radicaal te wijzigen. In 1880 stichtte hij de Vrije Universiteit. Toen de synode de proponentsformule wijzigde, belegde Kuyper in 1883 te Amsterdam een landelijke conferentie voor bezwaarde kerkenraadsleden. Hij wees op de mogelijkheid van ‘doleren’ (klagen): het betekende een tijdelijke breuk met de kerkelijke organisatie, die obstructie pleegde jegens gemeenten. Toen de Amsterdamse kerkenraad hun goederen probeerden veilig te stellen grepen de bestuurders in en schorsten in 1886 de tachtig ambtsdragers die zich vergrepen hadden aan kerkelijk bezit. De kerkscheuring die nu ontstond werd uitvoerig in De Standaard en De Heraut uiteengezet. De meeste predikanten (5 procent) was nog jong. De Doleantie sloeg echter vooral aan onder gemeenteleden. De Doleantie was niet zo succesvol als Kuyper gehoopt had. Vanwege het grote aantal leden verschenen al spoedig grote (nood)kerkgebouwen, echte preekkerken.

De Vereniging van 1892
Een kerkgenootschap dat in de tweede helft van de 19e eeuw meer dan vier keer zo groot werd, was de Christelijke Gereformeerde Kerk. Deze afgescheiden kerk had 187.000 leden in 1889. De afzijdigheid van het nationale leven was sinds de jaren 1860 voor hen verleden tijd. De kerk was vooral vertegenwoordigd op het platteland en in de kleinere steden en telde omstreeks 1875 ongeveer 250 predikanten. Er verschenen grote kerken in het centrum van steden en dorpen, zoals de Burgwalkerk te Kampen en de Plantagekerk te Zwolle. Helenius de Cock, leraar dogmatiek in Kampen, stelde niet de uitverkiezing, maar het verbond centraal. De scheiding van kerk en staat was een stimulans om zelf vorm te geven aan een christelijke samenleving. Ds. Lucas Lindeboom kende het werk van Heldring en pleitte voor volksbibliotheken, ziekenhuizen, inrichtingen voor wezen en ook herbergen. In 1875 werd jhr. J.L. de Jonge als eerste afgescheidene lid van de Tweede Kamer. Herman Bavinck bracht de gereformeerde theologie, die een eeuw lang stil had gestaan, weer ‘in rapport met de tijd’. Een teleurstelling voor hen was dat Kuyper hen in 1886 niet zag staan, zich niet bij hen voegde. In 1892 vond de Vereniging plaats. De dolerenden hadden toen 306 plaatselijke kerken, 120 predikanten en 180.000 leden, tegenover 394 kerken, 305 predikanten en 190.000 leden voor de afgescheidenen. In ruim honderd plaatsen kwamen twee of meer gereformeerde kerken: A- en B-kerken. Pas in 1935 verenigden zich de laatste plaatselijke kerken. De Vrije Universiteit en de Theologische School te Kampen werden niet samengevoegd. Bavinck stapte over naar de VU!

Kuypers ideeën
Bavinck, Kuyper en F.L. Rutgers werkten nauw samen aan de opbouw van het nieuwe kerkgenootschap. Kuyper schreef in De Heraut een artikelenserie over de gemene gratie: daarin stelde hij het verbindende tussen christendom en cultuur voorop. Deze visie borg ook de mogelijkheid in zich van herstel van de christelijke invloed in de samenleving. Daar was in elk geval geen staat voor nodig en staatkundige hervormingen stonden bij gereformeerden niet hoog op de agenda. Het christendom diende via levensverbanden en personen heel de samenleving te doordringen. De kerk werkte volgens Kuyper niet als instituut, maar als een organisme op de natie in. Tussen het christelijke beginsel en het moderne beginsel bestond een antithese, die een geestelijke confrontatie onvermijdelijk maakte. De overheid diende afzijdig te blijven.

Zelfbewust kerkgenootschap
De Gereformeerde Kerken groeiden na 1892 niet sneller dan de Nederlandse bevolking, zoals de afgescheidenen voordien. De Amsterdamse Keizersgrachtkerk (1888) werd het symbool voor het nieuwe zelfbewuste kerkgenootschap. Ook de kerkgebouwen van architect Tj. Kuipers waren kenmerkend (zijn stijl ontwikkelde zich van neorenaissance naar functionalisme). Hij onderging de invloed van Kuyper, die het kerkgebouw primair zag als vergaderzaal en wenste dat de aanwezigen elkaar en de predikant goed konden zien, zoals in de halve cirkelvorm. In 1905 werd de zinsnede over de taak van de overheid om zich tegen heterodoxie te keren geschrapt uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 36. De taken van kerk en staat werden scherp gescheiden; het primaat lag bij de samenleving.

Expansie gereformeerden
De expansie van de gereformeerden stokte ook wel eens. Bavinck zei: ‘Men had een tijd lang gemeend alles met ‘beginselen’, theoretisch, deductief te kunnen oplossen, maar de werkelijkheid stoorde zich daar niet aan.’ Er kwam een herbezinning. De ethischen kwamen weer in het vizier. Had Kuyper de band met hen niet te radicaal doorgesneden? De Nederlandse Christen Studenten Vereniging (NCSV) verenigde gereformeerden en ethischen. Ook Bavinck stimuleerde een mentaliteitsverandering. In de politiek vermeden Th. Heemskerk en H. Colijn de antithese en beklemtoonden de noodzaak van samenwerking.

Gereformeerde Bond
In 1889 was voor het eerst minder dan de helft van de bevolking hervormd. Acht procent was gereformeerd. De Ned.Herv.Kerk bleef een verdeeld huis. Dat Kuyper ideologisch wel met de katholieken pacteerde en niet met vrijzinnigen was de hervormden een gruwel. Hendrik Pierson (een broer van Allard) zette het werk van Heldring voort. Hoedemaker had de leuze ‘heel de kerk en heel het volk’. In 1897 brak hij met de Confessionele Vereniging om dezelfde reden waarom hij met Kuyper had gebroken. In de tijd van de Doleantie kwamen de modernen erachter dat hun poging om christendom en cultuur met elkaar te verzoenen mislukt was. Vrijzinnige theologen kwamen tot de Leidse vertaling. Sommigen vonden de Confessionele Vereniging nog niet gereformeerd genoeg. In deze kring werd in 1896 het Gereformeerd Weekblad opgericht, en in 1901 de Gereformeerde Zendingsbond. In 1906 de Gereformeerde Bond (onder leiding van de hervormde theoloog en antirevolutionaire politicus H. Visscher). Tegenover Kuyper verzette de Bond zich tegen een scheiding van kerk en staat en beklemtoonden ze de bevindelijkheid, tegenover Hoedemaker en Gunning stelden ze explicieter de gereformeerde confessie op de voorgrond. In 1931 kregen ze een bijzondere leerstoel in Utrecht.

Leger des Heils, zevendedagsadventisme, CGK en GG
William Booth kwam in Engeland met het Leger des Heils, een militaire organisatievorm, uniformen, straatmuziek en kerstcollectes waren kenmerkend. Ook hun boodschap van bekering, planmatige hulpverlening aan zwakken en inzet van vrouwen, ook als predikers, een eenvoudig en praktisch christendom en openluchtbijeenkomsten (door een grondwetswijziging in 1914 mogelijk geworden) waren typisch voor hen. In de jaren 1890 kwam het zevendedagsadentisme in Amerika op, onder wiens invloed Johannes de Heer eerst stond, voordat hij afscheid van deze theologie nam. De Christelijke Gereformeerde Kerken, die sinds 1894 hun hogeschool in Apeldoorn hadden gevestigd, ontplooide maar weinig maatschappelijke activiteit. Ds. G.H. Kersen verenigde vrije gemeenten tot een kerkverband: de Gereformeerde Gemeenten (1907). Deze samenbinding van bevindelijk gereformeerden van uiteenlopende ligging was ook een teken dat de modernisering van de samenleving, met zijn eisen aan de organisatiegraad van diegenen die er deel van uitmaakten, nu tot in de verste uithoeken van het land begon door te dringen.

Parallellen ultramontanisme en gereformeerde orthodoxie
Zoals de orthodox-protestanten weer vastheid zochten in de Drie Formulieren van Enigheid oriënteerden de katholieken zich weer op Rome (ultramontanisme). In 1854 kwam er het dogma van de onbevlekte ontvangenis van Maria, er kwam een veroordeling van het liberalisme in 1864 en een afkondiging van de pauselijke onfeilbaarheid (1870). Theologische ontwikkelingen kwamen geheel tot stilstand, en de katholieken dompelden zich in een devotionele vroomheid (zie de parallel met de piëteit van Reveil en bevindelijk gereformeerden).

Politieke partijvorming
De Doleantie bleek de ARP niet te schaden bij de verkiezingen van 1888. Maar enkele jaren later trad er een scheuring op in de partij. Vanaf 1908 vormde zich de Christelijk-Historische Unie (CHU). A.F. de Savornin Lohman, hoogleraar aan de VU, moest daar vertrekken. Hij was namelijk de voorman van de CHU. Onder de katholieken was de vorming van een eigen politiek partij nog geen uitgemaakte zaak. De katholieke kamerleden kwamen alleen bij elkaar als de katholieke belangen op het spel stonden. Met de verrechtsing van de katholieke politiek groeide de politieke eenheid enigszins. Er werd in de wandelgangen al gesproken van een ‘Roomsche Staatspartij’. Vanaf 1926 kwam het tot de R.K. Staatspartij. In 1888 kwam het eerste christelijke coalitiekabinet tot stand. Katholieken en antirevolutionairen gingen samen regeren. In 1872 was de Bartholemeusnacht nog breeduit herdacht, maar de ware vijanden waren toch de liberalen en hun aan de Franse Revolutie ontleende beginselen. Net als bij de Doleantie verweten velen Kuyper dat hij met zijn coalitiepolitiek de protestantse natie verkwanselde. In 1901 werd Kuyper zelf minister-president.

De Vrije Universiteit
In 1876 was de Wet op het hoger onderwijs aanvaard, waardoor de theologische universiteiten een scheiding kregen tussen kerkelijke en niet-kerkelijke vakken (duplex ordo). Deze splitsing was gebaseerd op de inzichten van het modernisme. Ook kon men zo de theologie een plaats blijven geven aan de universiteiten en werd ze niet omgezet tot godsdienstwetenschap. De synode benoemde nooit orthodoxe kerkelijke hoogleraren, hoewel een groot deel van de leden wel orthodox was! In 1876 werd het Atheneum te Amsterdam ook een universiteit. Kuyper maakt gebruik van de nieuwe wet om zijn Vrije Universiteit op te richten. De opening vond plaats in de ‘nationale’ Nieuwe Kerk van Amsterdam, waar Kuyper een rede hield over Soevereiniteit in eigen kring. Het accent viel op de differentiatie van de samenleving. In de steden van de rijksuniversiteiten kwamen ook gereformeerde studentenverenigingen: de Societas Studiosorum Reformatorum (SSR). De wet-Kuyper van 1904 gaf erkenning van academische graden aan bijzondere universiteiten (de Vrije Universiteit werd dus een volwaardige universiteit). In 1935 werd de Vereniging voor Calvinistische (nu: Reformatorische) Wijsbegeerte opgericht.

Nieuwe visies op kerk en cultuur
De katholieken en de gereformeerden ontwikkelden een eigen visie op kerk en cultuur. Kuypers Encyclopaedie van de heilige godgeleerdheid en Bavincks Gereformeerde dogmatiek, alsmede Kuypers lezingen over het calvinisme in Amerika vormden het neocalvinisme. Het was een vertaling van de traditionele geloofsleer voor de moderne, differentiërende samenleving. De vrijheid van gezin, school en kerk ten opzichte van de staat werd beklemtoond. De katholieken beriepen zich op het subsidiariteitsbeginsel: de overheid vult alleen aan. In 1879 schreef de paus voor dat de wijsbegeerte van de middeleeuwse theoloog Thomas van Aquino basis werd voor het katholieke denken over de relatie tussen kerk, samenleving en moderne wetenschap.

Liturgische veranderingen
Theologische discussies mochten de gelovigen boven de pet gaan, veranderingen in de liturgie raakten rechtstreeks hun geloofsbeleving. Tot dan werden neorenaissancistische missen in de stijl van Palestrina en het gregoriaans naast elkaar gezongen. De paus ging de deelname van gelovigen tijdens de mis stimuleren. De gelovigen voelden zich weliswaar meer thuis bij de Nederlandse devotieliederen, maar aan de regel dat die uitsluitend na de mis mochten worden gezongen, werd strikt de hand gehouden. In protestantse kring werden van de 150 psalmen slechts een klein deel gezongen. Na de Tweede Wereldoorlog werd in de meeste kerken ritmisch gezongen. De liederen van Johannes de Heer waren ook populair, maar werden niet in de kerk, maar thuis gezongen. Veel liederen en melodieën waren afkomstig uit de Angelsaksische cultuur. Vooral Ira D. Sankey, de rechterhand van Dwight L. Moody, introduceerde veel nieuwe liederen. Verder gebeurde er in de liturgie: bij de gereformeerden werd de rol van de moeder bij de doop teruggedrongen vergeleken met de praktijk van de afgescheidenen; het gebruik van vaste formulieren kreeg de overhand.

De pers
In 1869 werd het dagbladzegel afgeschaft, waardoor het beheren van een blad goedkoper werd en binnen bereik van een breder publiek kwam. Er volgde een groei van het aantal confessionele dag- en weekbladen. De bisschoppen zagen de groei van de pers met lede ogen aan als ‘het gif der verleiding’. Kuyper meende dat de kerkelijke prediking onvoldoende was om de geest van de natie te veranderen en beklemtoonde daarom het belang van de periodieke pers. De Heraut (1871, weekblad), De Standaard (1872, dagblad), De Nederlander (1893, dagblad van De Savornin Lohman), De Rotterdammer (1903, dagblad) en het Friesch Dagblad (1903) waren bladen voor orthodoxe protestanten. Aanvankelijk was journalistiek een bijbaan voor de predikant of politicus, maar meer en meer werd de journalist een zelfstandig beroep. Ook deed de geïllustreerde pers zijn intrede.

Scholen
In 1868 behoorde 1/3 van de lagere scholen (931) tot het ongesubsidieerde bijzonder onderwijs, in 1908 was dat meer dan de helft! In 1878, toen de nieuwe schoolwet de godsdienstige neutraliteit van openbaar onderwijs afdwong, waardoor ook onvrede kwam in homogeen katholieke en orthodox-protestantse gebieden, werd de Unie ‘Een School met den Bijbel’ opgericht, die jaarlijks op de datum waarop deze wet was ondertekend een grote collecte hield. In 1887 kwam de doorbraak toen de liberalen hun verzet tegen subsidie opgaven in ruil voor antirevolutionaire steun aan kiesrechtuitbreiding. In 1890 stonden 2.959 openbare scholen met 454.920 leerlingen en 11.197 leerkrachten tegenover 1.252 geheel op eigen kosten onderhouden bijzondere scholen met 188.052 leerlingen en 4.340 leerkrachten. De Leerplichtwet van 1900 werd door alle confessionelen gezien als een inbreuk in het ouderlijke gezag. De groeiwet van het bijzonder middelbaar onderwijs vond plaats tot 1925, toen een ‘stopwetje’ daar vanwege een gebrek aan subsidiegeld tijdelijk een einde aan maakte.

Allerlei instellingen en verbonden
Charitatieve instellingen kwamen er ook. In 1884 stichtte de christelijk-gereformeerde L. Lindeboom de Vereeniging tot Christelijke Verzorging van Krankzinnigen en Zenuwlijders in Nederland. Kleinschalige instellingen kwamen er zoals Veldwijk te Ermelo. Ook kwamen er instellingen voor blinden en doven. In 1890 opende de Rotterdamse diaconie het ziekenhuis Eudokia. Vanaf de jaren 1870 was er een trek naar de grote steden. Er kwamen werkliedenverenigingen in de sector van slechte omstandigheden, lage lonen en geestdodend werk. Het leek op het vroeger gildenwezen, alleen was het niet christelijk. Daarom kwam de Nederlandse Werkliedenverbond Patrimonium in 1876. Kuyper organiseerde een christelijk-sociaal congres in 1891. Hier oefende Kuyper architectonische kritiek uit op het maatschappelijk bestel. Patrimonium ontwikkelde zich tot een emancipatorische arbeidersverenging, die met eigen bibliotheken, woningbouw, scholing, bijstandsfondsen en politieke actie bijdroeg aan de emancipatie van de arbeider. De oprichter van Patrimonium, Klaas Kater, verliet in 1900 het bestuur omdat hij te conservatief was. Patrimonium ontwikkelde zich tot een moderne vakbond. De gereformeerde predikant J.C. Sikkel had geen bezwaar tegen medezeggenschap binnen de onderneming, maar hij beschouwde haar als een organisch geheel waarbinnen externe organisatie van arbeiders niet thuishoorden. In 1909 fuseerde Patrimonium met het vele vakorganisaties overkoepelende Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV). Kapelaan Alphons Ariëns richtte in het textielgebied Twente de R.K. Twente Fabrieksarbeidersbond op.

Gepubliceerd in juni 2007

Advertenties