De ondergang van het atheïsme

n.a.v. Alister McGrath, De ondergang van het atheïsme. Opkomst en verval van het ongeloof in de moderne wereld, Kampen 2006

Oudheid, Reformatie en Piëtisme
Inleiding
“De imperiums van de toekomst zullen imperiums van de geest zijn”, aldus Winston Churchill in 1943. De grote machten van de nieuwe wereld zouden geen nationale staten zijn, maar ideologieën, geen naties, maar ideeën. Hij dacht hierbij vooral aan het nazisme en het marxisme. Het grootste van deze imperiums van de moderne geest werd het atheïsme. In 1960 was naar schatting de helft van de wereldbevolking in naam atheïstisch. Atheïsme openbaart zich in verschillende vormen: zachtzinnig en militant. Atheïsme betekent expliciete ontkenning van al het bovennatuurlijke en de eis dat al het transcendente illusie is. Het christendom wordt als onvolwaardig beoordeeld. Intellectueel gezien waren de centrale ideeën ervan belachelijk en onhoudbaar, sociaal gesproken was het reactionair en onderdrukkend. Ook boven het nieuwe rijk van het atheïsme is de zon in deze tijd alweer aan het ondergaan. Het is verre van duidelijk wat de toekomst van het atheïsme zal zijn.

Bastille en de Muur
Twee cruciale gebeurtenissen die precies tweehonderd jaar van elkaar afliggen: de val van de Bastille (1789) en de val van de Berlijnse muur (1989). In beide gevallen werd een gewelddadig bouwwerk vernietigd. De val van de Bastille werd symbool voor de maakbaarheid en creativiteit van een wereld zonder God, net zoals de latere val van de Berlijnse muur symbool stond voor de groeiende erkenning van de onbewoonbaarheid van zo’n wereld. Wat met de Franse Revolutie begon, werd door de Russische Revolutie voortgezet. Jarenlang was Berlijn brandpunt van het ideologische conflict tussen Oost en West. In 1989 was het marxisme in heel Oost-Europa in verval geraakt. Het enthousiasme en geloofwaardigheid waren sinds lang uitgehold en wat overbleef waren zuiver fysieke dwangmaatregelen. Op 9 november berustten de autoriteiten in Oost-Berlijn in het onvermijdelijke en stelden de doorlaatpunten naar het Westen open. Stukjes van de muur waren spoedig te koop.

Klassieke Oudheid
Twee eeuwen lang heeft het atheïsme de verbeelding van een tijdperk in zijn ban en zijn greep gehad. Hoewel er in de late oudheid al aarzelende geruchten over een wereld zonder god de ronde deden, beschikt het moderne atheïsme over een intellectuele stamboom en een culturele verfijning. Het atheïsme is zonder twijfel één van de grootste verworvenheden van het menselijke intellect. De oorsprong van het atheïsme kan tot het begin van de westerse beschaving worden teruggevoerd. Heinrich Schliemann ging in de 19e eeuw op zoek naar de schatten van Troje. Zijn interesse wijst op de wijdverbreide fascinatie met de antieke wereld die zo’n integraal aspect van de westerse cultuur heeft uitgemaakt. De grote epische gedichten van Homerus, de Ilias en de Odyssee laten zien dat de goden van Homerus corrupt, ijdel en zelfzuchtig zijn. Er is voortdurend gekissebis op de hoogten van de Olympus, waarbij de goden proberen het lot van hun favorieten op aarde gunstig te beïnvloeden. De goden zijn even wellustig als hun sterfelijke tegenhangers, inclusief seksuele driften, waardoor ze de aarde afschuimden om met aanlokkelijke stervelingen te paren, die het bestaan van sterfelijke helden met goddelijke ouders tot gevolg hadden.

Godenbeelden bij Homerus
Voor Homerus zijn de goden onsterfelijke mensen, met dezelfde emoties, ondeugden en machtsspelletjes. Onsterfelijkheid houdt niet meer in dan een oneindige voortzetting van het bestaan, en niet de oneindige projectie van morele eigenschappen. Elke godheid was soeverein binnen zijn eigen segment, daarbuiten was hij machteloos, daarbinnen kon hij volledig ongestraft handelen. Verantwoording afleggen is iets menselijks en de goden hadden zich al lang van die lastige beperking bevrijd. Deze verhalen van Homerus gaven aan dat de Grieken toenemend hun vragen hadden over de moraal van hun goden. De Olympische goden werden meer en meer gezien als een gênante herinnering aan een vervlogen tijd die door brute macht werd geregeerd. Hoewel het antieke Griekenland zijn klassieke goden nog eeuwenlang zou blijven vereren, was hun morele en intellectuele geloofwaardigheid definitief uitgehold.

De term ‘atheïst’ in haar oorspronkelijke betekenis
Nu kwam de term ‘atheïst’ in gebruik. Atheistos betekent niet ontkenning van het bestaan van bovennatuurlijke wezens, maar ontkenning van de traditionele godsdienst van het Atheense establishment. Het ontkennen van het bestaan van goden werd in de Griekse samenleving als een strafbaar feit beschouwd (Socrates, die volgens aanklager Melitus de jeugd van de stad bedorven had door hen aan te moedigen niet in de goden van de stad te geloven). Ironisch was dat de eerste christenen door de heidense critici van atheïsme werden beschuldig. Ze weigerden namelijk de officiële godheden van het Romeinse Rijk te vereren. Toch waren er wel geluiden van atheïsme: Lucretius bracht naar voren dat godsdienst alleen verschrikking opriep. Atheïsme bant deze angsten uit en stelt ons in staat ons te richten op de natuurlijke krachten en processen in onze omgeving. Maar de wereld was toen nog niet klaar om deze ideeën te horen. Die dag zou pas aanbreken in de 18e en 19e eeuw.

De Reformatie en kritiek op de gevestigde kerk
Met de Reformatie herontdekte de kerk haar oorspronkelijke visie; ze moest afzien van haar aanspraken op rijkdom, macht, status en invloed en terugkeren naar het Nieuwe Testament. Het opmerkelijke succes van deze beweging bracht een gevoel van bevrijding en macht voor de opkomende middenklassen in West-Europa, die nu eindelijk een voorvechter gevonden hadden gevonden. Paradoxaal genoeg is de historische oorsprong van het moderne atheïsme primair gelegen in kritiek op de macht en status van de kerk en niet in het verdedigen van de wereld zonder god. In de 18e eeuw begon men; het was de meest creatieve periode van het atheïstische experiment en één van de meest dynamische en opwindende tijdperken in de geschiedenis: een eeuw van optimisme, de geur van revolutie, er leek een schitterende nieuwe wereld in het verschiet te liggen, die zich aan de kluisters van de traditie had ontworsteld. De kerk werd als vijand van de vooruitgang gezien. In Frankrijk kreeg het atheïsme de meeste invloed. In Noord-Amerika werd het atheïsme als een middel voor maatschappelijke hervorming niet serieus genomen. Amerika zou de meest invloedrijke christelijke natie op aarde worden. Dit verhaal begon in de godsdiensttwisten in het Engeland van de 17e eeuw.

In Engeland moe van de godsdiensttwisten
Men wilde nooit meer godsdienstige conflicten, men was het moe. Was niet de beste manier om deze crises te voorkomen elk denkbeeld uit te bannen dat een bepaalde vorm van godsdienst de voorkeur verdiende, en in plaats daarvan elke overtuiging toe te laten en geen enkele de voorrang te geven? John Locke hield in Letter Concerning Toleration een dringend pleidooi voor de vrijheid van het geweten en van godsdienstige expressie. David Hume zei dat hij nog nooit een atheïst was tegengekomen. In Parijs werd er echter in de salons al over gesproken. Maar in Engeland werd het toen nog als gevaarlijk revolutionair en als lichtelijk excentriek gezien. Bisschop Butler liet in zijn Analogy of Religion zien dat het deïsme zelf op tamelijk wankele filosofische grondvesten berustte, en hij ontwikkelde een pleidooi voor de betrouwbaarheid van het christendom, op basis van een beroep op waarschijnlijkheid, niet zekerheid. De Glorious Revolution van 1688 maakte het mogelijk om frustraties over de bestaande maatschappelijk orde politiek te uiten.

De zegenrijke invloed van het piëtisme
De belangrijkste factor bij het dempen van de invloed van de kritieken op het christendom was de groei van het piëtisme in het 18e-eeuwse Engeland, dat in Duitsland was ontstaan (Spener). John en Charles Wesley (het methodisme) waren leidende figuren. Het piëtisme maakte het mogelijk om de gevestigde kerk als instelling te bekritiseren, terwijl het nog steeds vasthield aan het geloof dat deze kerk belichaamde en dit geloof hoogschatte. In Frankrijk vond het piëtisme geen voet aan de grond door het succes van de jezuïeten het jansenisme de kop in te drukken. Dit is de basis voor hun eigen ondergang een eeuw later, door de handen van de Franse revolutionairen.

De Franse Revolutie
Ongekende perspectieven
William Wordsworth zag de toekomst met vertrouwen tegemoet: “Het was een zaligheid om in die dageraad te leven / Maar om dan jong te zijn, dat was de hemel zelf!” Hoewel het terreurbewind een domper was, was de tendens dat er een goede tijd was aangebroken met ongekende perspectieven. De oude generatie vond alles wat plaatsvond schokkend. Uiteindelijk kregen de burgers met de Franse Revolutie veel meer dan ze verwacht hadden. Een teleurgestelde katholieke priester, Jean Meslier, was één van de eerste voorvechters van het atheïsme in Frankrijk. Hij deed een krachtige aanval op de kerk als een volstrekt bedrieglijke instelling, die alleen in stand werd gehouden door lachwekkende ideeën, een volslagen oneerlijke priesterklasse en een lichtgelovige bevolking. Als de godsdienst niet meer zou bestaan, zou de wereld bestaan uit goede burgers rechtvaardige vaders, gehoorzamen kinderen en zorgzame vrienden. Ja, ja…

Voltaire was geen echte atheïst
Toch was Meslier geen echte atheïst. Hij geloofde wel in de God van de ‘natuurlijke religie’, maar niet in de christelijke vervorming. Zo was het ook met de meeste radicale Franse filosofen uit de 18e eeuw, zoals Denis Diderot, Jean-Jacques Rousseau en Voltaire. Ze worden alleen geregeld als atheïsten aangeduid, maar zijn eigenlijk deïsten. In 1768 schreef Voltaire: “Als God niet zou bestaan, zou het noodzakelijk zijn Hem uit te vinden”. Deze uitspraak wordt vaak aangehaald om Voltaire’s atheïsme te bewijzen. In werkelijkheid verdedigt Voltaire het denkbeeld van een Opperwezen, dat gekaapt en vertekend is door de wereldgodsdiensten. Zijn strijdkreet ‘Écrasez l’infâme’ (wis de schande uit!) was gericht tegen de hiërarchie, moraal en ideeën van het Franse katholicisme. Zijn oorlogszuchtige stijl kwam omdat hij onverdraagzaamheid domweg niet wilde tolereren. Voltaire schreef in de encyclopedie een artikel over het atheïsme, waarbij hij het op één lijn stelde met het katholicisme, met dezelfde afschuw. Hervorm de kerkelijke instellingen, zo stelt Voltaire voor, en het atheïsme loopt sterk terug.

De Amerikaanse Revolutie: christendom als motivatie
Waarom toonde de Amerikaanse Revolutie geen belangstelling voor het atheïsme? Sommigen van de kopstukken (zoals George Washington) waren naar de godsdienstige maatstaven van hun tijd onorthodox; ze hadden duidelijke deïstisch denkbeelden, maar de revolutie had geen antigodsdienstige dimensie. Veel kolonisten stamden af van godsdienstige vluchtelingen uit Engeland. Het Genève van Calvijn, de godsstad bovenop een heuvel zodat iedereen hem kon zien en navolgen, was ook een republiek. Republicanisme en godsdienst konden dus wel degelijk samengaan. Voor Amerikaanse republikeinen leverde het christendom de motivatie en de koers voor hun strijd.

Descartes
Terwijl Voltaire terughoudend bleef, waren anderen bereid het bovenaardse geheel en al uit de weg te ruimen. Isaac Newton had gesteld dat alles in de natuur en het heelal een goddelijk ontwerp en een goddelijke besturing van het heelal was, maar D’Holbach beweerde dat deze op zuiver materialistische gronden verklaard konden worden. Een strenge toepassing van de wetenschappelijke benadering moet volgens hem tot atheïsme leiden. Schrijvers als Marin Marsenne en René Descartes gingen ertoe over het geloof in God voor sceptische aanvallen onkwetsbaar te maken. Ware kennis was universeel en noodzakelijk en kon met absolute zekerheid worden aangetoond. Descartes leek het bestaan van God, volgens zijn eigen criteria, onwaarschijnlijk. Hij zag af van elk beroep op godsdienstige ervaring. De zekere bewijzen van de godsdienst lagen in de filosofie en de natuurwetenschappen, in het denken. Alleen de filosofie kon de noodzaak en geloofwaardigheid van het christelijke geloof vaststellen.

En goedbedoelde maar desastreuze verdediging van God
Achteraf was het geen bijzonder verstandige strategie. Niemand twijfelde aan het bestaan van God totdat de theologen dit bestaan probeerden te bewijzen. Een goedbedoelde verdediging van God liep erop uit dat mensen beseften dat de positie van God verassend onzeker was. Descartes had een moedige strategie gekozen die spectaculair mislukte. Descartes stelde voor dat een volmaakt goddelijk wezen de beste verklaring was van het heelal. Maar zodoende maakte hij de weg vrij voor de reactie dat het heelal heel goed in staat was om zichzelf te verklaren. Want als God in hoogste mate volmaakt is, waarom bestaan er dan lijden en pijn? Hoe kon iemand geloven in een volmaakt goddelijk wezen als de wereld zo duidelijk onvolmaakt was? In de Franse kerk vonden er discussies plaats over de beste manier om het atheïsme te bestrijden. Men maakte hierbij elkaar zo zwart, dat elke theorie op zijn beurt werd afgekraakt.

Als God niet bestaat is alles geoorloofd
D’Holbach maakte het atheïsme geloofwaardig, de Marquis de Sade maakte het interessant. Deze Julien Offroy de la Mettrie beweerde dat het menselijk geluk afhangt van het atheïsme, dat als enige in staat was de mensheid te bevrijden van tirannie, oorlog en onderdrukking (die allemaal godsdienstige wortels hebben). Hij voerde een sterfbedscène op tussen een priester en een stervende. Laatstgenoemde gaat een stevig theologisch debat aan. Hij wilde een leven in het heden, waar we zoveel mogelijk van moeten genieten. Het obstakel moest worden weggeruimd dat de mensheid belette om werkelijk van zijn ondeugden te genieten. “Zes vrouwen, schoner dan het licht van de dag, wachten op de kamer hiernaast”. Sade gaat nog verder in Filosofie in de slaapkamer door plaats te geven voor ‘verrukkingen’ als sodomie, incest en flagellatie. Sommigen lazen dit boek ongetwijfeld alleen voor de pikante passages en sloegen de betogen over. Maar de koppeling was duidelijk: het atheïsme maakte seksuele experimenten legitiem en interessant. Als er geen God bestond, waren er aan het menselijk handelen geen grenzen gesteld.

Twee rivaliserende partijen
“Voltaire sprak onze intelligentie aan, Rousseau raakte ons hart”, zo werd er gezegd. Binnen de kerk waren er verschillende reacties op de revolutie: sommigen zagen het als hervorming, anderen als een goddelijk oordeel over een tekortschietende kerk en een verdorven natie. Binnen de revolutionaire beweging waren twee rivaliserende partijen. Voltaire en de zijnen betoogden dat elke positieve godsdienst een zuiver, rationeel godsbegrip, dat aan iedereen door de natuur en de rede bekend is, hadden bedorven. Er moest een nieuwe staatsgodsdienst komen, gefundeerd in de verering van het Opperwezen. Anderen huldigden een radicaler gezichtspunt: het geloof moest volledig worden omvergeholpen. Het atheïsme was een prometheïsche bevrijder. Om politieke redenen werden alle spanningen tussen beide partijen weggepoetst. Op de eerste verjaardag van de val van de Bastille werd nog een mis opgedragen, als onderdeel van de festiviteiten.

Het terreurbewind
De Revolutie ontbrak het aan centrale leiding. Machtige belangengroepen, facties en losse verbanden bestreden elkaar. De beroemdste was de jakobijnenclub, die haar bijeenkomsten hield in het geseculariseerde jakobijnenklooster. De Revolutie had een goede en een slechte fase. De slechte fase begon met het terreurbewind van de radicale jakobijnenfactie. Door een toenemende angst voor buitenlandse interventie, en vermoedens dat zelfs politieke bondgenoten potentiële verraders waren leidden tot de gewoonte dat elke bedreiging van de Revolutie, reëel of vermeend, onmiddellijk de kop moest worden ingedrukt. De onverdraagzaamheid jegens de kerk vermeerderde doordat Oostenrijk en Pruisen, die een contrarevolutie in Frankrijk wilden ontketenen, door hen gesteund werden. Toch werkte alles contraproductief.

Het Pantheon als religieus centrum
Men begon met het jaar 1, de namen van de maanden veranderden, en een metrisch systeem werd ingevoerd, uitgedacht door de briljante wetenschapper Antione-Laurent de Lavoisier, die ook naar de guillotine werd gestuurd, wat iemand deed opmerken: “Het kostte hun maar een ogenblik om dat hoofd af te hakken, maar misschien lukt het in geen honderd jaar om weer zo’n hoofd terug te krijgen”. Het Pantheon, een enorme kerk, was omstreeks 1789 gereed en werd geseculariseerd. Het werd een temple de la patrie. Net als de antieke Romeinse tempels van dezelfde naam zou het een plaats zijn die aan alle goden was gewijd. Maar welke goden? Sommigen zagen dat in de vergoddelijking van ideeën (het Festival van de Rede). Belangrijker was dat het een begraafplaats werd voor de grote helden van de Republiek. ‘Gepantheoniseerd’ worden was praktisch het wereldlijke equivalent van de canonisatie van een christelijke heilige. Het Pantheon werd een voorwerp van inspiratie, nu er geen God meer was. De term apotheose in haar oorspronkelijke betekenis sloeg op het verlenen van een goddelijke status aan bepaalde Romeinse keizers bij hun dood. Deze term werd door de Fransen ontdaan van haar transcendente elementen en geherinterpreteerd als ‘onsterfelijk gemaakt”. Ook de Amerikanen hebben zoiets in Washington D.C., bij de rotonde van het Capitool.

Mislukt experiment
De Franse Revolutie was dus niet fundamenteel atheïstisch. Het project van de Revolutie was enerzijds inspirerend en veredelend en anderzijds wreed en onderdrukkend. Men ging uiteindelijk over tot het gebruik van stelselmatig geweld. De beweging die monumenten naliet als de Verklaring van de Rechten van de Mens, gaf ook het Terreurbewind. Aan degenen die beweren dat de godsdienst voor alle kwaden van de wereld verantwoordelijk is, biedt de Revolutie een moeilijk verteerbaar tegenvoorbeeld. Napoleon maakte een einde aan de revolutie: “Burgers, de Revolutie is gevestigd op de beginselen die hem deden uitbreken: hij is voorbij”. De restauratie van het katholicisme kon beginnen. Voor het eerst in de geschiedenis was de mogelijkheid van een atheïstische staat onderzocht, het was mislukt. Toch was het ondenkbare gebeurd. Het had haar uitwerking over het hele Europese continent. Drie giganten traden naar voren om de intellectuele grondslagen van het atheïsme te leggen met een dwingende kracht en volharding die aan anderen was ontzegd: Feuerbach, Marx en Freud.

Feuerbach: God als uitvinder
Intellectuelen als nieuwe klasse
Zoals Blaise Pascal stelde, is de beste manier om een idee ingang te doen vinden mensen te laten weten dat het waar was, en hun dan te laten zien dat dit ook het geval is. Het atheïsme moest voet op de grond krijgen op twee niveaus: het populaire (volkse) en het intellectuele. Naarmate de macht van de geestelijkheid begon te tanen, vond men hun nieuwe leiders in de groeiende gemeenschap van intellectuelen. Ook de dichters en (roman)schrijvers kregen meer status. Het idee dat de mensheid zijn goden had uitgevonden, werd nog steeds beschouwd als weinig meer dan een interessante suggestie, zonder streng bewijs. Nu werd gezocht naar de beste beschikbare verklaring van de gegevens; dit deed onder andere Ludwig Feuerbach (1804-1872).

Ergernis over het establishment
Er kwam een liberaal, verenigd Duitsland, in plaats van de bestaande Duitse Bond die 35 soevereine monarchen en vier onafhankelijke vrije steden omvatte. De beste manier om op lange termijn onomkeerbare veranderingen tot stand te brengen was een verandering in de manier waarop mensen dachten. De hervormingen zouden niet aan de hoven maar in de universiteiten gaan plaatsvinden. De (lutherse) kerk werd mikpunt van kritiek. Het was nauw met het politieke establishment verbonden. Er kwamen studentenopstanden. De situatie was problematisch voor theologiestudenten. Slechts een derde kwam in een kerkelijk ambt terecht, omdat het aantal predikantsplaatsen terugliep (ondanks de bevolkingsgroei). Ook de universiteiten moesten bezuinigen. Diepe wrokgevoelens ontstonden omdat personen uit het establishment (zoals de landadel) een voorkeurspositie kregen bij het verwerven van aanstellingen in kerk en staat.

Godsdienst als verzekeringsmaatschappij
Feuerbach studeerde bij Hegel en Schleiermacher. Zijn academisch loopbaan stagneerde na publicatie van Gedachten over dood en onsterfelijkheid dat als oneerbiedig en potentieel opruiend werd beschouwd. Dit boek hekelde het christendom als ‘een soort verzekeringsmaatschappij’. Het christendom werd verarmd door de blik op de toekomstige hemel. Door een huwelijk met een welgestelde vrouw kon Feuerbach een gerieflijk bestaan leiden op een kasteel, echter hij woonde nu in een uithoek, ver van het intellectuele centrum vandaan. Zijn hoofdwerk Het wezen van het christendom betoogde dat het christendom in wezen een waanvoorstelling was. De mensheid had het idee van God uitgevonden als vertroosting en afleiding van het verdriet in de wereld. De mensheid laat zich door zijn eigen uitvinding onderdrukken. De mens geeft de naam ‘God’ aan zijn eigen schepping. “Godsdienst is de ceremoniële ontsluiering van de verborgen schatten van de mensheid, de bekentenis van zijn diepste gedachten en de open erkenning van zijn liefdesgeheimen”. Godsdienstige mensen leven in zalige onwetendheid van dit feit. Ze geloven dat wat zij geschapen hebben onafhankelijk van hen bestaat.

Mensen aanbidden, onwetend, hun eigen natuur
“Mensen blijken hun eigen natuur aanbeden te hebben. Mensen hebben zichzelf geobjectiveerd, maar niet ingezien dat zijzelf dit object waren.” Godsdienst is dus een menselijke constructie. Godsdienst zegt ons niets over God en alles over onszelf (onze hoop, onze vrezen en onze diepste verlangens). “God is het geopenbaarde en veruiterlijkte zelf van een menselijk wezen.” “Verre van onze meester te zijn, moet God onze dienaar zijn. Maar hadden we zo’n dienaar wel nodig?” Homo homini Deus est. De mens is zichzelf een god! We stellen een vraag aan Feuerbach: als het geloof in God een reactie is op een menselijk verlangen naar veiligheid, is het atheïsme dan niet een reactie op het menselijk verlangen naar autonomie? August Comte betoogde dat de ontwikkeling van het menselijk denken drie afzonderlijke fasen doorloopt: de theologische, de metafysische en de wetenschappelijke.

Marx: God als opium
Vertekend voorgesteld
Karl Marx (1813-1883) is zowel door vrienden als vijanden vertekenend voorgesteld. Zijn ideeën werden pas in de 20e eeuw (Rusland) verwezenlijkt. Hierdoor was er een aanmerkelijke historische en culturele afstand tussen de stichter van het communisme en degenen die zijn ideeën in praktijk brachten, en vaak op manieren waarvoor hij zich waarschijnlijk in zijn graf had omgedraaid. Friedrich Engels sprak in 1883 de grafrede uit in Londen, waar hij Marx’ denken samenvatte: “Marx ontdekte de ontwikkelingswet van de menselijke geschiedenis (…) dat de mensheid allereerst eten, drinken, onderdak en kleding moet hebben voordat hij zich kan bezighouden met politiek, wetenschap, kunst, godsdienst, enzovoorts; dat daarom de productie van de directe materiële middelen, en daarmee het niveau van economische ontwikkeling dat door een bepaald volk of tijdens een bepaalde periode bereikt wordt, de grondslag vormt waarop de staatsinstellingen, de juridische denkbeelden, de kunst en zelfs de ideeën over de godsdienst van het betreffende volk zich ontwikkeld hebben, en in het licht waarvan zij dus verklaard moeten worden, in plaats van andersom, zoals het tot nog toe het geval was geweest.”

Het begrip ‘materialisme’
Marx werd geboren in Tirol. Zijn vader was met het oog op zijn loopbaan van de Joodse geschiedenis tot het protestantisme overgegaan. Marx studeerde bij Hegel en werd een ‘jonge-hegeliaan’. Hij vestigde zich in Parijs als journalist. Hier werd hij uitgewezen door zijn politieke activiteiten, en ging met zijn vriend Friedrich Engels in Brussel wonen. In 1848 schreef hij het Communistisch Manifest. Ook hier kon hij niet blijven en hij verliet het Europese vasteland om naar Londen een “lange slapeloze nacht van verbanning” te leiden. Vanaf 1867 verscheen Das Kapital. Het begrip ‘materialisme’ is belangrijk bij het marxisme. De wereld bestaat uitsluitend uit materie, zonder enige geestelijke dimensies. Elk aspect van het menselijke leven en denken wordt bepaald door sociale en economische factoren. Ideeën en waarden worden bepaald door de materiële realiteiten van het bestaan. Godsdienst ontstaat vanwege leed en onrecht, maar deze komen op hun beurt voort uit de sociale situatie van het individu. Marx stelde dat Feuerbach deze sociale dimensie van het individu onvoldoende serieus had genomen.

Meest radicale godsdienstkritiek 19e eeuw
Marx betoogt dat “de godsdienst slechts de denkbeeldige zon is die om de mens lijkt heen te draaien, tot hij beseft dat hij zelf het centrum van zijn eigen omwenteling is”. God is dus louter een projectie van menselijke zorgen. Mensen maken godsdienst. Godsdienst is een product van sociale en economische vervreemding. Godsdienst is een vertroosting die mensen in staat stelt hun economische vervreemding te verdragen. Verander die omstandigheden zodat economische vervreemding wordt opgeheven en de godsdienst zal ophouden te bestaan. Er moet een omslag in de echte wereld plaatsvinden om van de godsdienst af te komen. “Godsdienst is de opium van het volk”. De godsdienst geeft een goddelijke rechtvaardiging voor de status quo, het establishment krijgt zo een schijn van gezag die onaantastbaar is. Er moet een radicale hervorming komen van het productieproces. De godsdienstkritiek van Marx is de meest radicale van de 19e eeuw. Hoewel de bronnen van het marxisme in West-Europa lagen, lag de verwerkelijking in Oost-Europa, Azië en China.

Freud: God als illusie
Instinctieve verlangens
Sigmund Freud (1856-1939) werd geboren in Tsjechië, in een Joods gezin waarin de godsdienst heel serieus werd genomen. Het gezin verhuisde al snel naar Wenen. Deze stad maakte tussen 1750 en 1914 een culturele gouden eeuw door met beroemdheden als Haydn, Mozart, Beethoven, Brahms en Mahler. Hij ging medicijnen studeren en gaf tegelijk blijk van diepe belangstelling voor godsdienstige en filosofische kwesties. Hij was al in zijn studentenjaren een overtuigd atheïst. Hij bewonderde Feuerbach. Freud zegt: “Godsdienst is een illusie en ontleent zijn kracht aan het feit dat hij aansluit bij onze instinctieve verlangens”. “We houden onszelf voor dat het heel prettig zou zijn als er een God was”. Freud noemt hier het geschapen zijn, de voorzienigheid, de morele orde en leven na de dood. Op basis van de inzichten van de net opkomende psychoanalyse ontwikkelde Freud een verklaring van de godsdienst.

Godsdienst als dwangneurose
Freud kreeg vooral veel invloed in Amerika, hoewel hij dit land slechts één keer bezocht. Het atheïsme van Freud was niet de uitkomst van zijn theorieën, maar werd voorondersteld voordat hij ging nadenken. In zijn geschriften gebruikt hij godsdienstige teksten en ideeën op een lukrake en zeer selectieve manier, al naargelang het voor zijn theorieën te pas komt. Zijn overtuiging is dat godsdienst gevaarlijk is, niet in het minst omdat deze een bedreiging vormt voor de Verlichting en de natuurwetenschappen. Godsdienstige rituelen vertonen overeenkomst met de dwanghandelingen van zijn neurotische patiënten en stelt hij dat de godsdienst in de grond een verwrongen vorm van dwangneurose is. De sleutelelementen in alle godsdiensten zijn de verering van een vaderfiguur, het geloof in de macht van geesten en de aandacht voor de juiste rituelen. Volgens Freud ontstaat godsdienst door innerlijke psychologische druk. Freud ziet een evolutie van de mensheid vanaf zijn onrijpe godsdienstige kinderjaren tot aan zijn rijpe atheïstische staat.

Het Oedipuscomplex
Freud ontwikkelde uiterst speculatieve ideeën over de plaats van het Oedipuscomplex (zonen brengen in het geheim hun vader om en worden met schaamtegevoelens achtervolgd; de godsdienst probeert deze schuld door verschillende rituelen te boeten) in de psychogenese van de godsdienst. Deze ideeën van Freud hebben zijn imago niet goedgedaan. De godsdienst vertegenwoordigt de voortzetting van een stuk infantiel gedrag in het volwassen leven. Geloof in een persoonlijke God is weinig meer dan een kinderlijke waanvoorstelling. Godsdienst is wensdenken, een illusie. Het is een projectie van de intense, onbewuste verlangens van de mensheid. Merkwaardig is Freuds vrouwenhaat. Vrouwen zijn volgens Freud gemankeerde mannen. Voor Freud is het christendom de vrouwelijke en daarom inferieure vorm van godsdienst. Het Judaïsme is de mannelijke en daarom superieure vorm. Freudiaanse concepten als het ego, id en superego en het Oedipuscomplex werden vanaf 1920 toonaangevend bij Amerikaanse intelligentsia. Met Freud was het tijdperk afgelopen dat de rationele aantasting van het geloof in God die door de Verlichting was ingezet, nu voltooid. Het zelfvertrouwen van het geloof was gebroken. De grote veranderingen die de westerse samenleving had meegemaakt werd treffend verwoord door Sir Richard Gregory:

Mijn grootvader preekte het evangelie van Christus.
Mijn vader preekte het evangelie van het socialisme.
Ik preek het evangelie van de wetenschap.

De opmars van de natuurwetenschappen
Botsing
Een merkwaardige ontwikkeling in de 19e is dat het idee opkomt dat er een permanent, fundamenteel verschil is tussen de natuurwetenschappen en de godsdienst. Het idee van God serieus nemen zou gelijk staan aan intellectuele zelfdoding. Wetenschappers zijn de bevrijders van de mensheid. Twee historische situaties worden in de populaire literatuur alom aangehaald als voorbeelden van dit godsdienstige obscurantisme: de kritiek van Calvijn op de heliocentrische ideeën van Copernicus en de afwijzing van de darwinistische ideeën van T.H. Huxley door bisschop Wilberforce. Johannes Calvijn zou gezegd hebben dat de Bijbel zegt dat de zon om de aarde draait, en daarmee was de zaak afgedaan. Hij zou dan geciteerd hebben de tekst: “De wereld is zo ingericht dat hij niet bewogen kan worden (Ps. 93:1). Dit verhaal is een mythe dat door Bertrand Russel in de wereld is gebracht; hij geeft voor zijn citaat van Calvijn geen bronnen. Nergens in Calvijns werken is het te vinden. Het is dus een puur verzinsel.

Als je iets maar vaak genoeg zegt…
Een tweede mythe is die over de bisschop van Oxford, Samuel Wilberforce, die in een discussie tegenover Darwins bondgenoot Thomas H. Huxley zou gezegd hebben of hij dacht “via zijn grootvader of via zijn grootmoeder van een aap te zijn afgestamd”. Huxley zou toen “met grote waardigheid” hebben geantwoord dat hij, als hij moest kiezen tussen “een ellendige aap als grootvader te hebben” of een getalenteerd man die zijn gaven alleen gebruikte “om een serieuze wetenschappelijke discussie belachelijk te maken”, altijd de aap zou kiezen. Dit verhaal schildert Wilberforce als een onwetende geestelijke die Huxley op een goedkope manier vliegen wil afvangen en dan beschamend tot zwijgend wordt gebracht. Ook deze legende bevestigt een feit waarop ooit door Karl Marx is gewezen: als je iets vaak genoeg zegt, beginnen de mensen te geloven dat het waar is.

Drie belangrijke aspecten
Er zijn drie belangrijke aspecten die we onder ogen moeten nemen: (1) Het geloof dat de natuurwetenschappen bevrijdingsgestalten zijn die in een gevecht op leven en dood zijn gewikkeld en slechts kan eindigen met de definitieve uitbanning van de godsdienst. (2) Het geloof dat de natuurwetenschappen al hun theorieën afdoende bewijzen. (3) Het algemene idee dat Darwins evolutietheorie het geloof in God onmogelijk heeft gemaakt en daarmee het atheïsme op wetenschappelijke gronden noodzakelijk heeft gemaakt.

(1) De wortels van de oorlog tussen wetenschap en godsdienst
Freeman Dyson schreef The Scientist as Rebel. Het is niet waar dat wetenschap en godsdienst zouden strijden tegen elkaar. De meeste historici zijn van mening dat de godsdienst over het algemeen een heilzame en constructieve relatie heeft onderhouden met de natuurwetenschappen in het Westen. Er zijn perioden van spanning en conflict geweest (Galileo), maar dit had meer te maken met de pauselijke politiek. De receptie van het darwinisme was vaak iets waar plaatselijke kwesties en persoonlijkheden voor het bepalen van de uitkomst van doorslaggevend belang waren. In het 18e-eeuwse Engeland was er een opmerkelijke synergie. In de tweede helft van de 19e eeuw veranderde echter alles. In Engeland was er een concurrentie tussen twee groepen: geestelijken en beroepsmatige wetenschappers. Het ging erom wie de elite was en wie niet. De academische vrijheid eiste een breuk met de kerk; om deze breuk tot stand te brengen werd het nuttig de kerk af te schilderen als de tegenstander van kennis en wetenschappelijke vooruitgang, en de natuurwetenschappen als hun sterkste voorvechters. Tegenwoordig heeft dit stereotype zijn geloofwaardigheid in hoofdzaak verloren.

(2) Atheïsme als wetenschap: de roep om godsdienstig bewijs
William Kingdon Clifford was ervan overtuigd dat menselijke vooruitgang alleen door de stelselmatige uitbanning van godsdienstig geloof tot stand kan komen. We zijn absoluut verplicht alleen datgene te geloven wat volgens de strengste waarheidscriteria rigoureus kan worden aangetoond. Als we zo gaan denken, moeten we wel eerlijk zijn door te zeggen dat zowel het atheïsme als het christelijk geloof buiten het gebied van de beschikbare gegevens liggen. Geen wonder dat Thomas Huxley in 1869 de term ‘agnostisch’ lanceerde ter aanduiding van iemand die inzag dat de grote levensvragen zich aan bewijsvoering onttrekken. De Oxfordse zoöloog Richard Dawkins heeft in zijn boeken De blinde horlogemaker en Kapelaan van de duivel consistent en krachtig gepleit voor een atheïstische wereldbeschouwing aan de hand van een beroep op de natuurwetenschappen, vooral de evolutionaire biologie. Hij betoogt opmerkelijk genoeg dat de wetenschap dingen bewijst. Hij zegt: “Wat heeft de theologie ooit gezegd dat voor iemand ook maar enig nut heeft?” Terwijl de wetenschap dingen bewijst op grond van gegevens, brengt de godsdienst opzettelijk onwaarheden naar voren die mensen misleiden, in verleiding brengen en onderdrukken. Dawkins beschouwt het geloof “als één van de grote kwaden van de wereld”, die “moeilijk uit te roeien is”. “Geloof, dat niet op bewijzen gestoeld is, is de voornaamste ondeugd van elke godsdienst.

Michael Polanyi drukt Richard Dawkins met de neus op de feiten
Michael Polanyi heeft erop gewezen dat natuurwetenschappers inzien dat ze bepaalde dingen moeten geloven waarvan ze weten dat deze later verworpen zullen worden, maar dat ze er niet zeker van zijn welke van hun huidige overtuigingen foutief zullen blijken te zijn. Hoe kan Dawkins dan er zo zeker van zijn dat zijn huidige overtuigingen waar zijn? Dawkins veronachtzaamt de geschiedenis. Ook veronachtzaamt hij de wetenschapsfilosofie. Had Darwins immers niet gezegd dat hij de best mogelijke verklaring wilde geven, maar graag bereid was zijn verklaring in het licht van aanvullende informatie op te geven of te wijzigen? Er zal dus altijd een element van geloof of vertrouwen in de natuurwetenschappen aanwezig blijven.

(3) De blinde horlogemaker: Darwin en een heelal zonder God
De evolutietheorie van Darwin deed in het victoriaanse Engeland een smeulende geloofscrisis opvlammen. Volgens velen zouden de ontdekkingen van Darwin tot atheïsme leiden en zou het over zijn met het geloof. In werkelijkheid heeft Darwins theorie niets te maken met de vraag of God al of niet bestaat. In het Engeland van de 19e eeuw verschenen, voordat Darwin opkwam, boeken die de groeiende scepsis over traditionele argumenten voor het bestaan van God wilden vervangen door op een nieuwe manier het bestaan van God te verdedigen. De belangrijkste naam hierbij was William Paley (1743-1805, A View of the Evidence of Christianity en Natural Theology). Hij betoogde dat elk aspect van de wereld aanwijzingen inhield van een intelligent ontwerp. Paley leverde een enorme verzameling observaties, van de ingewikkelde bouw van het menselijk oog tot aan de inrichting van de jaargetijden, die erop wezen dat de hele biologische wereld door een goedaardige godheid gepland was. Deze aspecten sloten op elkaar aan, alsof de hele constellatie met een welomlijnd doel in gedachten samengesteld leek te zijn. Hij gebruikte graag de analogie van het horloge. Dat moest wel ontworpen zijn, met een bepaald doel.

Paley’s redenatie door Darwin’s reizen onderuitgehaald
Paley schreef tegen de achtergrond van de opkomende industriële revolutie, een tijd dus met grote belangstelling voor dingen als horloges, telescopen, kousenfabrieken en stoommachines. Het was alsof elk natuurlijk schepsel leek uit te roepen: “Wij zijn ontworpen! Wij hebben een doel!” In zijn haast maakte Paley fouten, die rampzalige gevolgen hadden. Hij veronderstelde dat God alle soorten planten en dieren in hun huidige vorm geschapen had. God had alle dingen goed geschapen, dus zonder behoefte aan wijzigingen. Darwin was als jongeman onder de indruk van Paley geweest. Maar door zijn vijfjarige ontdekkingsreis met de Beagle door de zuidelijke zeeën en geheimzinnige landen en eilanden in de Grote Oceaan vergaarde hij veel biologische informatie bijeen die Paley’s overtuiging onderuit haalde. Hij kwam erachter dat sommige soorten waren uitgestorven. Hoe kon dit worden verklaard? Er was een ongelijkmatige verdeling van levensvormen over de wereld. Ook waren er rudimentaire structuren, zoals de tepels van mannelijke zoogdieren. Waarom zou God deze structuren kant-en-klaar geschapen hebben als ze geen nut hadden?

Darwins afkeer van de godsdienst
Darwin is het best te beschouwen als agnost, niet als atheïst. Hij was, in eigen woorden, “een warboel” als het gaat over zijn denken over theologische zaken. Maar een echte atheïst was hij niet. Darwins afkeer van de godsdienst had zijn oorsprong in de dood van zijn dochter. Hij kreeg een afkeer van de “verfoeilijke leer” van de eeuwige straf voor ongelovigen, die op dat moment in evangelicale kringen in zwang was. Merkwaardig dus, dat Darwins afkeer van de kerk grotendeels een gevoelszaak was. Dwight L. Moody was zo gevoelig voor deze kritiek dat hij afzag dit thema nog te noemen. Hij wist dat een steeds wereldwijzere cultuur zo’n idee domweg niet zou accepteren.

Verschillende interpretaties van Darwin
In plaats van Paley’s zorgvuldig geordende wereld stelde Darwin een slagveld voor, een strijd. Hij geloofde niet in een goddelijke voorzienigheid. Niet alle darwinisten waren afkerig van de godsdienst. Aartsbisschop van Canterbury Frederick Temple beweerde dat God iets veel schitterenders deed dan uitsluitend de wereld te maken; Hij stelde de wereld in staat om zichzelf te maken. Charles Kinsley beschouwde het als een “even verheven voorstelling om te geloven dat Hij oorspronkelijke vormen schiep die in staat waren tot zelfontwikkeling”. Asa Gray schilderde God af als de ontwerpende kracht achter evolutionaire verandering. Maar vooral in Amerika was een actieve minderheid die erop bleef aandringen dat men tussen Darwin en de Bijbel moet kiezen. Het debat is zelfs voor de rechter gebracht. In 1925 werd John Scopes, biologieleraar op een openbare school in Tennessee beschuldigd dat hij de plaatselijke wet overtrad die het onderwijs in de evolutie verbood. Aanklager William Jennings Bryan (driemaal kandidaat voor het presidentschap) sprak van een “duel op leven en dood” tussen het christendom en atheïsme. Bryan won, maar de geschiedenis wijst Scopes als winnaar aan. De Amerikaanse intelligentsia wisten de creationisten af te schilderen als onverdraagzame, achterlijke en onwetende stoethaspels die buiten de hoofdstroom van de Amerikaanse cultuur stonden.

Monod, Dawkins en Gould
Jacques Monod zei dat ons eigen bestaan een toeval is en dat we met deze verontrustende gedachte in het reine moeten komen. Alle godsdiensten zijn een streven van de mensheid om zijn eigen toevalligheid wanhopig te ontkennen. Monod betoogt dat de natuurwetenschappen een doelloze wereld onthullen, waarin we onze eigen waarden en geloofsovertuigingen moeten scheppen. Richard Dawkins schreef De blinde horlogemaker. “Natuurlijke selectie is de blinde horlogemaker”. Elk argument op grond van ontwerp moet opgegeven worden. Evolutionaire theorie leidt onverbiddelijk tot een godloze, doelloze wereld. Dawkins beschouwt dit niet als een probleem omdat hij in de natuur voldoende uitstekende dingen vond om hem te prikkelen en te troosten. Stephen Jay Gould was een zeer succesvol evolutionaire populariseerder. Hij schreef Wonderful Life en zei dat het heelal onverschillig staat tegenover ons lijden en ons daarom een maximale vrijheid geeft om op onze zelfgekozen manier te slagen of te mislukken. De wetenschap kan alleen met naturalistische verklaringen werken. Hij was agnost met een neiging naar atheïsme, maar begunstigde noch de atheïst, noch de gelovige in zijn beschrijving. In 1916 blijkt dat 40 procent van de wetenschappers enige vorm van persoonlijk godsdienstig geloof had. In 1996 werd dit onderzoek herhaald en liet geen wijzigingen zien. Dit had men toen nooit kunnen bevroeden. Dit bewijst ook dat het populaire idee van de onverbiddelijke uitholling van godsdienstig geloof binnen de beroepsgroep van natuurwetenschappers niet klopt.

Het wegvallen van de godsdienstige verbeelding
Erosie
In Engeland baseerden de dichters en romanschrijvers zich steeds sterker in hun verbeelding van de werkelijkheid op wereldlijke dan op godsdienstige grondslagen. De bronnen van goddelijke kunstzinnige inspiratie leken opgedroogd te zijn; en het was nodig om elders nieuwe inspiratiebronnen te vinden. Waarom juist in de victoriaanse cultuur? De toenemende intellectuele bezorgdheid over de geloofwaardigheid van het christendom, de bijbelkritiek, het onvermogen van de geestelijkheid en de opkomst van het darwinisme hebben hieraan bijgedragen. Misschien moeten we de erosie van het christelijk geloof in het latere victoriaanse Engeland niet toeschrijven aan zijn verzwakte appel op de menselijke rede, maar aan zijn onvermogen om de verbeelding van die cultuur in zijn greep te krijgen.

De natuur als alternatief voor God
God ontkennen is één ding. Het resultaat echter was een zielloos rationalisme waar niemand zich over kon opwinden, dat totaal niet in staat was een gevoel van verwondering op te wekken. Men moest iets anders vinden waaraan het verlangen naar het transcendente aan verbonden kon worden: ze vonden dit in de natuur. Maar als de natuur moest dienen als basis van een nieuwe wereldopvatting, onafhankelijk van God, moest hij op een nieuwe manier worden voorgesteld en verbeeld. De natuur werd namelijk als een gigantische mechaniek gezien. Dit proces van ‘herbetovering’ van de natuur begon vanaf rond 1790. Mary Robinson zag de natuur als de uiteindelijke grondslag van esthetische en morele oordelen. De schoonheid van de natuurlijke orde werd steeds meer als een volledig bevredigend alternatief voor God gezien. William Wordsworth dichtte:

Één indruk uit een zomers bos
Kan je over de mens meer leren
Van de moraal van goed en kwaad
Dan alle wijzen kunnen

Tegen het koude, klinische en abstracte, voor schoonheid en geheimzinnigheid
De romantische dichters kenden een gevoel van melancholie, verwondering en hunkering dat naar hun overtuiging zijn basis heeft in een fundamentele verwijdering of vervreemding van de werkelijke objecten van menselijk verlangen. De mensheid was losgeraakt van zijn werkelijke transcendente doelen en verlangens en moest daarmee opnieuw verbonden worden. Maar in dit proces van restauratie werd geen rol aan God toegekend. Keats laat zich vernietigend uit over Isaac Newtons wetenschappelijke verklaring van de regenboog. Deze theorie hielp ons dan wel de verschijnselen te begrijpen, maar ze ontdeed de regenboog van zijn luister. De terugkeer naar de natuur betekende een terugkeer naar het oude Griekenland, waarin de schoonheid van de natuur de mensheid geïnspireerd heeft om waardiger godheden te vereren.

Shelley: terug naar de herstelde natuur
De groeiende belangstelling voor het atheïsme bracht niet met zich mee dat men zijn geloof in het transcendente opgaf. Een krachtige bevestiging van het atheïsme kwam aan het begin van de 19e eeuw van Percy Bysshe Shelley. Deze man was als student uit Oxford weggestuurd (1811) vanwege zijn opstel ‘The Necessity of Atheism’. Hij deed een pleidooi voor een praktisch agnosticisme, in plaats van een pleidooi voor atheïsme. De dood van God moet volgens latere werken van hem worden toegejuicht, niet betreurd, omdat deze god allerlei wreedheden en misdaden heeft geheiligd. Godsdienst is dus destructief en bedrieglijk. De herstelde band van de mensheid met de natuur is de essentiële voorwaarde voor de herwinning van het paradijs. Maar God heeft in een dergelijk paradijs geen plaats omdat de godsdienst gezien wordt als de bedervende invloed die tot de ontaarding van de menselijke natuur heeft geleid, en als de oorsprong van strijd en conflict. “Het menselijk hart wendde zich dorstig tot een in ere herstelde natuur, zag dat deze mooi was en ervoer een sensatie van verrukking over de schoonheid van het maanlicht op stille wateren, de schittering van de met sneeuw gekroonde Alpen, het sublieme aanzien van zeeën bij storm of kalmte”. Het is belangrijk op te merken dat Shelley het bestaan van God niet expliciet ontkend. Hij lanceert alleen een krachtige aanval op de institutionele godsdienst, die zich vooral bezig heeft gehouden met macht en status en daardoor het beeld van God hebben beschadigd. God wordt bij hem aangeduid als ‘Macht’. Hij krijgt dus alleen een andere naam.

George Eliot
Bekeerlingen van een bepaald geloof zijn vaak de meest effectieve ambassadeurs. Mary Ann Evans (1819-1880), die later het pseudoniem George Eliot aannam, was een vrome en verlegen evangelisch christin in het Victoriaanse Engeland, die één van de belangrijkste voorstanders van het atheïsme werd. Ze maakte vòòr haar ‘bekering’ deel uit van studiegroepen van de enthousiastere vormen van het christendom. Het evangelische christendom oefende een sterke invloed op haar uit van haar 15e tot haar 22e levensjaar. Deze vorm van geloofsbeleving was voor velen aantrekkelijk, maar voor anderen afstotend. Eliot raakte ook vervreemd ervan. Op 2 januari stelde Eliot haar vader ervan op de hoogte dat ze niet langer naar de kerk wilde gaan. Hij weigerde om deze kwestie zelfs maar met haar te bespreken en dwong Eliot ertoe hem te schrijven. Ze schrijft onder andere: “…Ontleend aan Joodse denkbeelden, als hoogst oneervol voor God en hoogst schadelijk voor het geluk van mens en maatschappij”.

De kritiek van Nietzsche op “dit moralistische dametje”
Eliot vertaalde Strauss’ Het leven van Jezus in het Engels. Eliot vindt de God van de evangelicalen een harde en onaantrekkelijke God. Ze wees de immoraliteit aan van leerstellingen als de erfzonde, de predestinatie en de plaatsvervangende verzoening. Terwijl de puriteinen zich verlustigden in de soevereine God Die met Zijn schepselen kon doen wat Hij wilde, vonden veel victorianen dit sterk verontrustend en openlijk in strijd met hun gevoel van moraal en rechtvaardigheid. Eliot wendde zich tot een “godsdienst van de menselijke sympathie”. We kunnen goed zijn zonder God. Het geloof in God kan een belangrijke hinderpaal zijn voor het bereiken van individueel en sociaal geluk. Toch heeft Eliots kritiek weinig scherpte. Ze houdt haar sceptische argumentatie tegen God zorgvuldig onder controle. Wat een tegenstelling met bijvoorbeeld Friedrich Nietzsche! Deze vond de opstelling van Eliot een typisch Engelse sterfhuisconstructie. Ze wilde een christelijke moraal maar geen christelijk geloof; alsof die twee zaken van elkaar gescheiden konden worden. “We hoeven dat moralistische dametjes als Eliot niet kwalijk te nemen. In Engeland moet je elk emanciperend stapje uit de theologie weer goedmaken door op een indrukwekkende manier te laten zien hoe fanatiek je bent over de moraal”. Nietzsche sloeg hier de spijker op z’n kop! De romans van Eliot ondermijnden de geloofwaardigheid van God op verschillende manieren. Toch zegt ze: “Ik voel geen enkel verzet meer tegen ieder geloof dat uitdrukking geeft aan menselijk verdriet en een menselijk verlangen naar zuiverheid”.

Swinburne: Ere zij de mens in den Hoge…
Iemand die haar werk oppakte was Algernon Charles Swinburne (1837-1909). Het lijkt trouwens wel dat de victorianen geneigd waren aan God te denken in beelden die aan hun eigen context ontleend waren. God als een strenge oude man, zoals een hoofd van de kostschool, die altijd strenge tucht uitoefent. Swinburne was verslaafd aan het masochisme en flagellatie. Zijn geschriften zijn erotisch van aard en geven blijk van een fascinatie met het toebrengen van pijn. Hij wordt wel gezien als een slachtoffer van de victoriaanse cultuur, die voor openlijke seksuele activiteit betrekkelijk weinig uitlaatkleppen verschafte. Swinburne was een rebel. Hij beledigde de preutse cultuur in zijn omgeving en choqueerde ze. Hij schrijft: “…Hij die het allerhoogste kwaad is, God…” De godsdienst neemt een zon weg en geeft ons alleen maar een ster terug. God was de grote onderdrukker van de menselijke ziel, die in de mensheid een overweldigend verlangen had geschapen maar niets bood waarmee dit verlangen bevredigd zou kunnen worden, behalve dingen die als immoreel werden bestempeld. De dood van God is voorwaarde voor de vergoddelijking van de mens. Swinburne veranderde de grote christelijke lofzang “Ere zij God in den Hoge” in “Ere zij de mens in den Hoge!” Te Deum Laudamus werd Te Hominem Laudamus. Hij zegt godslasterlijk over Christus: “Gij heb gezegevierd, o bleke Galileër; onder uw adem is de wereld grijs geworden”.

De ‘Leben Jesu Forschung’
De Leven van Jezus-beweging heeft een vernietigende invloed uitgeoefend op de literaire verbeelding in de 19e eeuw. In de Byzantijnse basilieken staat de herrezen Christus centraal die in triomf over de krachten die de mensen onderdrukken heerst. Christus was de pantokrator van het heelal. Voor dit begrip van de persoon van Christus was in de 19e eeuw geen aandacht. Jezus was een verre zedenmeester, nuttig als leidsman in de moraal, en als rolmodel voor jonge kinderen. Zo luid een lied: “Christenkinderen, waar ge ook zijt / Weest mild, gehoorzaam, lief als hij”. Voor velen was de band tussen Christus en het goddelijke allang verbroken. G.E. Lessing legde in de 18e eeuw er nadruk op dat er historische afstand bestaat tussen Christus en het heden. “De toevallige waarheden van de geschiedenis kunnen nooit het bewijs vormen van de noodzakelijke waarheden van de rede.” Hij ontmantelde de bovennatuurlijke structuur die generaties van christelijke theologen rond Christus hadden opgetrokken. David Friedrich Strauss publiceerde Leven van Jezus. Hij betoogde dat de kerk Christus in een mythe had veranderd. Een ander was Ernest Renan, die zei dat Jezus een mens was die een overdreven gevoel had van eigen belang. Het was een hele opgave de zoon van God te zijn en daarom was het ook begrijpelijk dat hij er niets van kon waarmaken. George Tyrrel (rooms-katholiek) was verbijsterd over deze uitholling van de betekenis van Christus. De Jezus van de 19e eeuw was slechts een afspiegeling van de ideeën van deze eeuw en men ging er gemakshalve maar van uit dat de kerk in ieder geval niet de juiste visie op Jezus kon hebben. De zienswijzen van deze verlichte lieden waren al even willekeurig, dogmatisch en problematisch als de opvattingen die zij vervingen. De Christus die ooit de heldere poolster van de Britse cultuur was geweest, was verduisterd geraakt.

Was God gestorven of was Hij omgebracht?
A.N. Wilson schreef God’s Funerall. Het secularisatieproces had tegen het einde van de eeuw opmerkelijke successen geboekt. In politiek en maatschappelijk opzicht bleef het christendom echter van groot belang. De ideeën van het christendom werden in toenemende mate door romanschrijvers, dichters en kunstenaars als ontkracht, onaantrekkelijk en achterhaald beschouwd. Het christendom was op het niveau van de verbeelding en de rede op de proef gesteld en in beide opzichten tekortgeschoten. Matthew Arnold zegt over zijn vroeger zo robuuste geloof weemoedig dat het nu alleen nog maar “de uiteengespatte van een vergane tijd”. Bij hem was pijn en ontsteltenis over het feit dat de Engelse natie zijn godsdienstige ziel willens en wetens had verloren. De radicalere elementen van de Franse Revolutie dachten dat het uit de weg ruimen van God tot openbare feestelijkheden zou zeiden. Maar het was in werkelijkheid een langzame maar onvermijdelijke zonsondergang, gepaard met een gevoel van verlies dat eerdere generaties niet gemakkelijk hadden kunnen begrijpen. Plotseling kreeg het zin om in de westerse cultuur over de dood van God te spreken. Was God gestorven of was Hij omgebracht?

De dood van God
Time: ‘Is God dood?’
Op 22 oktober 1965 kwam het tijdschrift Time uit met een omslag die heel Amerika aan de grond genageld deed staan: ‘Is God dood?’ Iets waarover tevoren alleen gefluisterd werd, was nu gespreksonderwerp: in de westerse cultuur was God niet langer een levende werkelijkheid. De dood van God zou de hype van het millennium zijn. Het openbare atheïsme was ten slotte volwassen geworden. Een groot protest tegen God werd aangetekend in één van de grote romans van de 19e eeuw, Dostojevski’s De gebroeders Karamazov. Ook had hij Boze geesten geschreven. Zijn romans kunnen gelezen worden als een impliciete kritiek op het revolutionaire optimisme van het atheïsme. Het gaat om de vraag of het atheïsme een geloofwaardige wereldopvatting is en welke wereld we ons daarbij moesten voorstellen. Hoewel Dostojevski aandacht heeft voor de aantrekkelijkheden van een godloze wereld, is hij er duidelijk op uit om enkele meer verontrustende kenmerken van het atheïsme in de schijnwerper te plaatsen. Hij betoogt dat het atheïsme de deur kan openzetten voor een ongekende onmenselijkheid en onderdrukking, juist omdat het elke goddelijke beperking van menselijke handelingen wegneemt!

“Ik geef mijn kaartje terug”
De gebroeders Karamazov (1880) laat drie broers zien waartussen een sterke intellectuele en fysieke rivaliteit is. Een groot thema is de spanning tussen geloof en atheïsme. De ene broer onderwerpt zich, de andere komt in opstand. Er wordt gevraagd hoe je in God kunt blijven geloven als Zijn schepping vol is van onrecht? Op een gegeven moment komt de passage: “Het is niet dat ik God niet aanvaard. Ik geef hem alleen maar met alle respect zijn kaartje terug”. Geluk is alleen bereikbaar door de menselijke vrijheid in te leveren. Alleen de sterken, de enkelen aan de top van de machtsstructuur, moeten het gewicht en de verantwoordelijkheid van de vrijheid dragen. In Boze geesten beschrijft Dostojevski de lotgevallen van een groep revolutionairen die de Russische regering willen omverwerpen en de invloed van de kerk willen verzwakken. Dit vereiste absolute geheimhouding en het vermogen om met het oog op het politieke doel een reeks van verschrikkelijke misdaden te plegen. “Laten we eens aannemen dat er geen God is en geen onsterfelijkheid van de ziel. Vertel me dan eens waarom ik rechtvaardig zou moeten leven en goede daden zou moeten doen, als ik op deze aarde geheel en al sterf?”

Dostojevski als profeet vòòr het stalinistische tijdperk
Als er geen God is, volgt daaruit dat de hoofdpersoon uit het boek, Kirilov, God is. Wat Kirilov als een hoopvolle mogelijkheid beschouwt (dat God niet bestaat en alles is toegestaan) beschouwt Dostojevki zelf als een dreiging. Door beperkingen aan het menselijk handelen weg te nemen open je de poorten voor minder welkome ontwikkelingen, die leiden tot onbeperkte tirannie en gewelddadigheid. Dostojevski wil zijn lezers op de donkere kanten van het atheïsme wijzen. Inderdaad was het atheïsme de noodzakelijke voorwaarde voor het stalinistische tijdperk. Hoewel velen het atheïsme als bevrijder van de cultuur binnenhaalden, voorzag Dostojevski met de scherpe blik van een profeet iets veel verontrustenders. Het afschaffen van God neemt de uiteindelijke beteugeling van de menselijke onmenselijkheid weg.

Nietzsche en zijn pragmatische benadering
Nietzsche was de filosoof bij uitstek die met de ‘dood van God’ wordt geassocieerd. Albert Camus heeft erop gewezen dat Nietzsche “geen voornemen had om God te doden”, maar “hem dood aantrof in de ziel van zijn tijdgenoten”. Nietzsche’s grote thema was dat het “geloof in de christelijke God ongeloofwaardig is geworden”. Bij Nietzsche is dus eerder sprake van een culturele observatie dan van een filosofische redenering. Zijn benadering is vooral pragmatisch: het is domweg een feit dat God geleidelijk uit de moderne cultuur wordt weggeruimd. Nietzsche stelt zich voor dat het nieuws over de dood van God aan een ongelovige menigte wordt verkondigd door een gek, wiens boodschap op verzet stuit in De vrolijke wetenschap:

De dwaze mens. – Hebt u nooit gehoord van die dwaze mens die op een heldere morgen een lantaarn opstak, op de markt liep en onophoudelijk schreeuwde: “Ik zoek God, ik zoek God” – Omdat daar juist veel mensen waren die niet aan God geloofden, verwekte hij een uitbundig lachen. (…) De dwaze mens sprong midden onder hen rond en doorboorde hen met zijn blikken. “Waar God heen is?” riep hij, “ik zal het u zeggen: wij hebben Hem gedood, u en ik. Wij allen zijn Zijn moordenaars. Maar hoe hebben we het gekund? Hoe konden we de zee leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon uit te wissen? Wat deden we toen we deze aarde van haar zon losmaakten? Waarheen beweegt zij zich nu? Waarheen bewegen wij ons? Weg van alle zonnen? Vallen we niet voortdurend? En achterwaarts, opzij, voorwaarts, naar alle kanten? Is er nog een boven en een beneden?

Dolen we niet als door een eindeloos niets? Staart ons de lege ruimte niet aan? Is het niet kouder geworden? Nadert niet steeds meer en meer de nacht? Moeten niet op de morgen lantaarns worden aangestoken? (…) God is dood! God blijft dood! En wij hebben Hem gedood! (…) Is niet de grootheid van deze daad te groot voor ons? Moeten wij niet zelf tot goden worden, om haar ook maar waardig te schijnen? Eer was nooit een grotere daad – en wie na ons wordt geboren, behoort onwille van deze daad in een hogere geschiedenis dan alle geschiedenis voorheen!”

Hier zweeg de dwaze mens en keek weer zijn toehoorders aan: ook zij zwegen en zagen hem verwonderd aan. Hij wierp tenslotte zijn lantaarn op de grond zodat ze in stukken sprong en uitdoofde. “Ik kom te vroeg”, zei hij toen, “het is nog niet mijn tijd. Deze ontzaglijke gebeurtenis is nog onderweg en maakt haar trektocht nog – ze heeft nog niet het oor van de mensen bereikt. Bliksem en donder hebben tijd nodig, evenals het licht van sterren, daden hebben tijd nodig om ook, nadat ze verricht zijn, gezien en gehoord te worden. Deze daad is voor hen altijd nog verder weg dan de verste sterren – en toch hebben zij haar uitgevoerd!”

Ontzaglijke consequenties
Deze gek wil nog in God geloven, het probleem is dat hij het niet kan. Maar hij beseft dat zijn publiek nog niet bereid is om de waarheid van zijn boodschap te erkennen. Nietzsche benadrukt dat de dag zal aanbreken waarop God definitief uit de wereld zal zijn uitgebannen (ook al zal dat wel even duren omdat we mensen zijn). De consequenties hiervan zijn ontzaglijk. De moraal wordt niet langer vastgesteld met betrekking tot God, maar alleen met betrekking tot menselijke behoeften en strevingen. Er zijn geen feiten, alleen interpretaties, en deze interpretaties moeten beoordeeld worden op hun nut voor onze omgang met een zinloze wereld. Voor velen was dit nihilisme een nieuw evangelie. Voor Nietzsche zelf was dit zeker niet het geval. Hij gaf zich veel moeite om onder de onvermijdelijke conclusies van het nihilisme uit te komen. Hoewel Aldous Huxley (kleinzoon van T.H.) het meest bekend is gebleven door zijn roman Brave New World (1932), heeft hij veel aandacht gegeven heeft aan de vraag hoe we een ware menselijke vrijheid kunnen bereiken.

Diepgaande kritiek: het ontbreken van een laatste oordeel
Als de wereld geen betekenis heeft, staat het ons vrij om daaraan elke willekeurige betekenis toe te kennen. Één van de meest diepgaande kritieken op deze benadering is te vinden in de geschriften van de Poolse dichter Czeslaw Milosz die in 1980 de Nobelprijs voor literatuur kreeg. Hij heeft het nazisme en stalinisme aan den lijve ondervonden en zag dat het atheïsme tot bron van wanhoop en tirannie leidde. “Godsdienst, opium voor het volk! Aan al degenen die aan pijn, vernedering, ziekte en slavernij leden beloofde de godsdienst een beloning in het hiernamaals. En nu zijn we getuige van een transformatie. Een werkelijk opium van het volk is een geloof in niets na de dood – de enorme vertroosting van de gedachte dat we voor ons verraad, onze hebzucht, lafheid, moorden, niet geoordeeld zullen worden”! Als er geen God is, zijn de mensen dus vrij om te doen wat ze willen. Voor het nihilisme is een godsdienstige wereldbeschouwing onderdrukkend omdat die benadrukt dat we voor onze handelingen verantwoordelijk zullen worden gesteld. Er is bij het nihilisme geen oordeel over de zonden, er zijn zelfs helemaal geen zonden, behalve de handelingen die wijzelf als zondig aanmerken. Wallace Stevens merkte op dat het atheïsme een grote mogelijkheid bied voor de verbeelding; als er geen God is, is de verbeelding namelijk vrij om alle mogelijkheden te scheppen waar hij behagen in schept. Stevens betoogt dat het, als je niet langer in God gelooft, onmogelijk wordt om ongelovig te zijn. Het wordt noodzakelijk om in iets anders te geloven.

Camus en de absurditeit van het bestaan
Albert Camus (1913-1960) betoogde dat het menselijk leven zijn zin verliest door de dood, die het het individu onmogelijk maakt om aan zijn bestaan een zin te verlenen. Elke filosofie die gelooft dat het mogelijk is aan dingen een zin toe te kennen berust op een waanvoorstelling. We kunnen ons alleen verzetten door tegen de ‘uiteindelijke negatie’ van de dood in opstand te komen, door onszelf in het leven te storten. Er is geen god, geen betekenis, maar we kunnen onze eigen betekenissen scheppen en onszelf in de wereld storten die zij bemiddelen. Elke vorm van geloof in God staat gelijk aan ‘filosofische zelfmoord’. De absurditeit van het bestaan vergelijkt Camus met Sisyfus van Korinthe, die voor eeuwig een rotsblok naar de top van een berg omhoog moest rollen, die op het laatste moment altijd weer naar beneden rolde. De enige manier om gelukkig te zijn is door de absurditeit van de situatie te erkennen. Voor Camus moeten we de dood niet zien als een verlossing uit ons moeitevolle streven, maar als een ontkenning van alles wat we door onze inspanningen tot stand brengen.

Camus tegen Sartre en zijn vergoddelijkte mens
Camus schrijft tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog, met de wanhoop, zinloosheid en diepten. Camus stond kritisch tegenover de 19e-eeuwse tendens om de mensheid te vergoddelijken, die een nieuwe uitdrukking vond in de werken van Jean-Paul Sartre. Voor hem is het verlangen om God te zijn een constituerend element in de menselijke natuur. Sartre zegt dat we God uitvinden om te kunnen geloven dat de wereld betekenis heeft. We voelen ons voortdurend bedreigd door het spookbeeld van een kosmische zinledigheid, die we ondraaglijk vinden. Als er een God is, is het een God die we vrij hebben uitgevonden en vrij hebben aangenomen, met andere woorden: een vermenselijkte godheid, naar ons eigen beeld geschapen. Camus vindt dat de mensheid zijn vermogens op grove wijze heeft overschat, wat geleid heeft tot het messiaanse utopisme en het marxisme. Wanneer we God afwijzen moeten we niet toegeven aan de verleiding om te geloven dat we goddelijk zijn. Het zelfverzekerde, optimistische atheïstische geloof heeft plaatsgemaakt voor de meer bezorgde en onzekere vragen van Camus en vele anderen zoals Franz Kafka. Men is pessimistischer geworden. De mensheid zonder God is een wereld vol angst, wanhoop en vervreemding, heel wat anders dan het wereldlijke paradijs dat de dromers zich in de 18e en 19e eeuw hadden voorgesteld. Hoewel Camus ervan overtuigd is dat de wereld ‘onredelijk’ is, hunkert hij toch naar een wereld die enige betekenis bezit. Camus weet niet dat God niet bestaat; hij kiest er voor dit te geloven. Voor Camus is het idee van de dood van God beter uit te drukken in termen van stilte dan van zijn afwezigheid. Maar het is paradoxaal dat Camus, nadat hij het christendom heeft verworpen, een eigen geloof lijkt aan te nemen.

Eerlijke Jan: aanpassing aan de cultuur
De jaren 1960 markeerden een overgangsperiode. Voor de modieuze jonge generatie was God een ouderwets idee, of erger nog: een idee van de generatie van hun ouders. In Europa trok het marxisme ieders belangstelling. De Parijse studentenrevolte, die de steun kregen van 10 miljoen arbeiders, de helft van de werkende bevolking van Frankrijk, zei: “De bestaande morele orde is de vijand”. De oorlog in Vietnam bleef beroeren. In de jaren 1960 onderging het westerse christendom een ernstige vertrouwenscrisis waarvan het zich nog steeds niet heeft hersteld. Het boek Honest to God van John Robinson (1963) deed de suggestie dat christenen het helemaal zonder het idee van een God ‘daarbuiten’ moesten stellen en hun opvattingen moesten afstemmen op enkele leidende ideeën in de moderne cultuur. “Our image of God must go”, zo zei ‘Honest John’. Er was een nieuwe wereld aangebroken en christenen moesten hun ideeën daarop afstemmen. De boodschap was duidelijk: het christendom moest bij de tijd zien te komen of sterven. Menigeen verwachtte dit laatste.

Atheïsme in Amerika
In Amerika vooral vonden nog radicalere ontwikkelingen plaats. Het tijdschrift Time pakte uit met de voorpagina ‘Is God dood?’ Hierin kwamen verschillende theologen aan het woord die God vaarwel hadden gezegd. Het werd een sensatie en populair. Het onderwerp werd besproken in praatshows op tv, in de kolommen van de kranten en op bumperstickers. Zelden of nooit had een theologisch debat de verbeelding van een natie zo sterk in zijn greep gekregen. Maar de aandacht was van korte duur. Toen men ontdekte dat de dood van God niet inhield dat Amerikanen waren opgehouden om in God te geloven, verloren de media hun belangstelling voor deze beweging. Het debat produceerde ook meer hitte dan licht, want iemand als Thomas J.J. Altizer slaagde er niet in in eenvoudig Engels zijn ideeën uit te drukken. Het uit de weg ruimen van de godsdienst als een serieuze openbare intellectuele optie heeft altijd dicht bij de kern van het Amerikaanse intellectuele leven gelegen. Het was geen toeval dat de werken van Dietrich Bonhoeffer in deze tijd populair werden, over zijn “christendom zonder godsdienst”. Het atheïsme in Amerika, gevoed door de onbegrijpelijk godsbeelden die door benauwde vrijzinnigen in de belangrijkste kerkgenootschappen werden voorgesteld, beleefde in de jaren 1960 een hoogtepunt.

Liberale kerkleiders sloegen plank mis
Evenmin als het marxisme is het atheïsme in Amerika ooit echt aangeslagen. Dit is merkwaardig. Aan de hand van de ervaringen in Europa zou er een massale aanhang in Amerika hebben moeten ontstaan. Waarom dan toch niet? Het marxisme was te diep geworteld in de maatschappelijke situatie van Duitsland in de jaren 1840. Het marxisme liet zich niet naar een andere context overdragen. En in Amerika was geen staatskerk of was het christendom onderdeel van het establishment. In Amerika moest het atheïsme daarom steeds op zoek gaan naar een geschikte tegenstander. Het vond die ten slotte op 1 juni 1963, toen de uitspraak in de zaak Murray tegen Curlett de bijbellezing en de gebeden in de Amerikaanse openbare scholen afschafte. Aangemoedigd door dit succes ontdekten de atheïsten dat ze een onverwachte bondgenoot kregen: het intellectuele leiderschap van de protestantse kerkgenootschappen in de hoofdstroom. Dezen dachten dat de hoogtijdagen van God voorbij waren en wilden God ergens anders onderbrengen en op nieuwe en andere manieren visualiseren. Er kwam een nieuwe versie van het geloof. Ideeën als het eeuwige leven en de opstanding werden als oude lompen opzij gelegd. Als dit bedoeld was om de mensen weer massaal in de kerk terug te krijgen was het een complete mislukking. De cijfers vertonen een grimmig beeld. In de veertig jaar tijd tussen 1955 en 1995 was er een massaal ledenverlies, terwijl de kerken die aan traditionele leerstellingen vasthielden een groei doormaakten. De megakerken kwamen ook op. Erger nog: de nieuwe ideeën waren zo sterk aangepast aan de ideeën van het modernisme dat ze door de dood van het modernisme en de opkomst van het postmodernisme vernietigend zijn aangetast. De vrijzinnige kerkleiders van de jaren 1960 en 1970 leken vaak ideeën voor te staan die op dat moment tijdelijk populair waren, maar al binnen een tiental jaren uit de mode raakten.

De godsdienst in de Sovjet-Unie fysiek aangepakt
Velen waren ongeduldig en niet bereid het sterven van God af te wachten. Hun maatschappelijke en politiek experimenten vereisten dat God definitief uit de weg zou worden geruimd. Strengere en duurzamer maatregelen waren geboden: de Russische Revolutie van 1917, één van de belangrijkste gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis. Rusland was één van de meest achterlijke Europese naties, maar met ongekende mogelijkheden. De invloedsfeer was onmetelijk. De marxisten waren bereid over heel Eurazië hun radicale ideologie te verbreiden. Voor een werkelijke socialistische staat was atheïsme noodzakelijk. Maar in Rusland hield het geloof hardnekkig stand, in veel sterkere mate dan iedereen besefte. Men had aangenomen dat de godsdienst wel zou verdwijnen. Maar de godsdienst werd een ernstig probleem voor de marxistisch-lenistische theorie. Ten slotte zegevierde de theorie: de werkelijkheid moest in de pas gaan lopen met wat de theorie voorspelde. De godsdienst moest met geweld onderdrukt worden. Een verlangen om het geloof in God op het intellectuele of culturele niveau uit te bannen heeft het hoogst ongelukkige effect dat het anderen aanmoedigt om dit op het fysieke niveau te doen! Lenin voerde het met harde hand in. Het “langdurige gebruik van geweld” was het noodzakelijke middel zijn doel te bereiken. Men nagelde de godsdienst aan de schandpaal als de klassenvijand van het proletariaat en het socialisme.

Stalin en daarna: geen verzachting
Stalin ergerde zich aan het onvermogen van de Liga van Militante Goddelozen om godsdienstig geloof uit te bannen, vooral op het platteland, dat hardnekkig aan het oude geloof vasthield. Het muilkorven van God binnen de Sovjet-Unie bracht velen in verzet, waaronder de orthodoxe priester Gregory Petrov, die in het strafkamp juist de schoonheid van de natuurlijke wereld buiten zijn kamp als een onuitwisbare herinnering aan Gods aanwezigheid zag. De wouden, bergen en meren rond het kamp waren tekenen van een toekomstverwachting die zijn situatie verlichtten en transformeerden. Stalins poging om de macht van de georganiseerde godsdienst te breken, is in hoge mate gelukt. Stalins dood in 1953 leidde niet op een verzachting van de antigodsdienstige propaganda. Er kwam een versterkte inzet voor het atheïsme binnen de scholen van de natie. Schoolboeken legden herhaaldelijk de nadruk op de kwaadwilligheid van de godsdienst. “Het onderwijs in de schoolvakken moet van atheïsme worden doortrokken”. Het atheïsme werd staatsgodsdienst in de Sovjet-Unie. Na 1945 werd de invloedsfeer groot: Oost-Duitsland, Polen, Tsjecho-Slowakije, Litouwen, Estland, Letland, Roemenië, Bulgarije en Hongarije werden economisch, politiek en ook wat betreft het atheïsme sterk op Rusland betrokken. In 1965 schreef Harvard Harvey Cox een boek met de titel The Secular City. Het werd een bestseller. Het boek baseerde zich op een reeks van wat het als onweerlegbare kernovertuigingen beschouwde. Het secularisme zou blijven; God was dood; het christendom zou zich moeten aanpassen aan moderne gedachten en waarden; godsdienst ging over mensen, niet over God.

De onverwachte opleving van de godsdienst
‘Agnost’
In 1970 dacht menigeen dat de godsdienst had afgedaan. John Lennon (1940-1980) nodigde in zijn song ‘Imagine’ uit om zich een ideale wereld voor te stellen die geen conflicten kende omdat het geen godsdienst meer had: “Stel je eens voor dat er geen hemel is; probeer maar en het lukt / Geen hel beneden ons, daarboven alleen lucht.” Het was de tijd van de Vietnamoorlog en de vredesbeweging. De overtuiging was er dat de mensheid zich zou kunnen verenigen door godsdienst uit te bannen. Het atheïsme verloor echter in deze tijd zijn scherpte. Mensen gingen zich liever ‘agnosten’ noemen. Deze verschraling van wat eens een trotse strijdkreet was, liet duidelijk zien dat het atheïsme op zijn retour was. In zijn beste en meest authentieke vorm is atheïsme een protest. Waarom zouden intelligente mensen denken dat God bestaat? Dan moeten de wortels van dit idee in een verstoring van de geest liggen, in de subtiele invloed van het menselijke onbewuste of in de complexe maatschappelijk krachten. Atheïsten verklaren waarnemingen op basis van een vooraf ingenomen standpunt; maar ze verantwoorden dat standpunt zelf niet. Het glorieuze idee dat het atheïsme voor een denkend mens de enige optie is, is al lang vervlogen en vervangen door een steeds sterker besef van de beperkingen die aan de menselijke kennis zijn opgelegd.

Atheïsten dezelfde argumenten
Voor Thomas van Aquino is God de laatste oorzaak. Augustinus redeneert dat op grond van een christelijke opvatting van de schepping, we mogen verwachten dat de mensheid naar de aanwezigheid van God verlangt. “Gij hebt ons voor Uzelf gemaakt en ons hart kent geen rust tot het zijn rust vindt bij U”. Het verlangen naar God dat Feuerbach op grond van zijn atheïstische premissen als een waanvoorstelling van een verstoorde geest opvatte, wordt door Augustinus beschouwd als het natuurlijke resultaat van een mensheid die de contouren van Gods Geest weerspiegelt. Er is vaak op gewezen dat de argumenten die we bij Augustinus en Thomas vinden voor christelijke gelovigen bedoeld zijn. Precies op dezelfde manier bieden de argumenten van Feuerbach, Marx en Freud weinig meer dan een post hoc rationalisatie van het atheïsme door aan te tonen dat deze stellingname, als die eenmaal is voorondersteld, kritiek kan doorstaan. Thomas Huxley heeft erop gewezen dat er op basis van de beschikbare gegevens geen uitspraak over de kwestie over het bestaan van God mogelijk is. Er zijn twee conclusies: ofwel dat er geen beslissing bereikt kan worden (agnosticisme) ofwel een beslissing die op ander grond wordt bereikt. Pascal zei al dat de “redenen van het hart” bij de vorming van onze instelling jegens God een veel belangrijker rol spelen dan we beseffen.

Massamoorden 20e eeuw door atheïstische regimes
Atheïstische schrijvers doen vaak een beroep op de aanwezigheid van lijden in de wereld als een beslissende weerlegging van het bestaan van God. In Annie Besants boek Why I Do Not Believe in God (1887) staat: “Mijn hart komt in opstand tegen het spookbeeld van een Almachtige Onverschilligheid tegenover de pijn van wezens met gevoel. Ik geloof in de mens. In de verlossende kracht van de mens; in zijn vermogen tot hervorming.” Hier vinden we het contrast tussen een God die onverschillig staat tegenover menselijke pijn en verdriet, en een zorgzame, liefdevolle mensheid, die zich hartstochtelijk inzet voor het welzijn van allen. Besant staat model voor de velen die in het voetspoor van Iwan Karamazov hun entreebewijs aan God terug willen geven. We moeten er dan wel bij stilstaan dat degenen die de Holocaust beraamden en degenen die de deuren van de gaskamers in Auschwitz dichtsloegen mensen waren, dezelfde mensen die door Ludwig Feuerbach tot de nieuwe ‘goden’ van de moderne tijd waren uitgeroepen, vrij van alle goddelijke verboden of sancties, en van elke angst voor een toekomstig goddelijk oordeel.

Auschwitz als symbool van de diepten van het kwaad in de mens
Als er één wereldbeschouwing is die door het lijden en pijn van de 20e eeuw ongeloofwaardig wordt gemaakt, is dat het naïeve dogma van de 19e eeuw waardoor de mensheid vergoddelijkt werd. Meer geweld, bloedvergieten en onderdrukking kunnen we ons niet voorstellen. Het experiment was dus mislukt. Terwijl sommigen nog steeds betogen dat Auschwitz het bestaan van God weerlegt, zouden vele anderen liever betogen dat het de diepten aantoont waartoe een mensheid kan zinken die niet langer door een gedachte aan God of een angst voor zijn oordeel wordt ingetoomd. Voor sommigen werd het bestaan van God door het lijden aangevochten, maar ook een bron van vertroosting en ondersteuning. Dietrich Bonhoeffer sprak over “onze God…een lijdende God”. God blijft de Zijnen trouw door in dit lijden te delen en zal ze thuisbrengen op een plek waar lijden en pijn zijn weggenomen.

Het atheïsme verliest de greep op de verbeelding
Het wegvallen van de godsdienstige verbeelding rond 1800 heeft belangrijk bijgedragen aan de uitholling van het geloof. In de 19e eeuw kwamen velen tot de conclusie dat het christendom een wat kille en fantasieloze voorstelling van de werkelijkheid bood die weinig mensen kon aanspreken. De jezuïet William Lynch heeft erop gewezen dat de christelijke theologie, om voor mensen aantrekkelijk te blijven, een beroep op de verbeelding moest doen. In de 20e eeuw, na de Eerste Wereldoorlog, heeft zich een soort wedergeboorte van de ‘gekerstende verbeelding’ voorgedaan, waarbij steeds meer christelijke schrijvers een nieuw beroep op de verbeelding deden en de kracht van dit appel opnieuw ontdekten. C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien kunnen hiervoor als voorbeelden gelden. Het atheïsme leek in deze tijd zijn greep op de verbeelding verloren te hebben. Waarom? Door de (ontstellende) geschiedenis van de 20e eeuw.

Verlangen naar God
Hoe meer de mensen over de Sovjet-Unie en haar Europese vazalstaten te weten kwamen, hoe minder ze zich in dit beeld konden vinden. Het was ongetwijfeld een wereld zonder God, maar deze operatie leek veel van de vitale prikkels voor creativiteit en vreugde uit de wereld te hebben weggezogen. Rowan Williams zei in 2002 dat “het secularisme het verbeeldingsleven niet in stand kan houden”. Het verlangen naar iets met echte betekenis is voor uiteenlopende schrijvers als Augustinus en C.S. Lewis een verborgen verlangen naar niemand anders dan God. Anselmus van Canterburry (1033-1109) zei: “Heere, geeft me wat U me hebt doen wensen; ik prijs en dank U voor het verlangen dat U me hebt ingegeven; vervolmaak datgene wat U bent aangevangen en schenk mij datgene waarnaar U mij hebt doen verlangen.” God is de naam van degene naar wie we, zonder het te weten, ons hele leven gezocht hebben.

Verwachtingen niet uitgekomen
Het geloof in God zal een natuurlijke dood sterven of met geweld worden onderdrukt, zo was de verwachting van de gouden tijd van het atheïsme. In het postatheïstische Rusland heeft zich een opmerkelijke opleving van belangstelling voor de godsdienst voorgedaan, die zich bijvoorbeeld heeft gemanifesteerd in de heropleving van traditionele godsdiensten, vooral het Russisch-orthodoxe christendom. Het is een simpel feit dat de belangstelling voor de godsdienst sinds het hoogtepunt van het secularisme in de jaren 1970 wereldwijd is toegenomen, zelfs in de hoogst ontwikkelde gebieden in het Westen. Een veelzeggende aanwijzing voor de herlevende belangstelling voor de godsdienst is de koersverandering in de langlopende televisieserie Star Trek.

Het christendom heeft het vermogen steeds te veranderen
Het probleem was dat de meeste sociologen uit die jaren Europeanen waren, die uitgingen van de misplaatste veronderstelling dat hun plaatselijke (meestal Duitse en Franse) situatie voor de hele wereld bepalend was. Uiteindelijk gingen ze om. Er ontwikkelde zich een nieuw realisme: godsdienst is blijvend. Sociologen gaan steeds meer aandacht schenken voor een snelgroeiende wereldwijde vorm van het christendom: de pinksterbeweging. John Henry Newon had in de 19e eeuw al benadrukt dat het christendom een levend organisme is dat zich nog steeds verder ontwikkelt. Dit ontwikkelingsproces wordt geleid en gestimuleerd door successen en mislukkingen met inbegrip van geldige kritiek op de kerk door buitenstaanders. De atheïsten die het christendom op de korrel willen nemen, schieten op een bewegend doel! De pinksterbeweging is hiervan een voorbeeld. Harvard Harvey Cox, die in 1965 The Secular City schreef, waarin hij betoogde dat het christendom zich moest aanpassen aan een geseculariseerde cultuur die geen tijd voor godsdienst had, schreef in 1996 Fire from Heaven, waar hij bekende dat hij het verkeerd had. Volgens hem heeft de pinksterbeweging de sleutel in handen van het godsdienstige leven van de 21e eeuw. Tegenwoordig telt het aantal pinkstergelovigen, een beweging die pas in 1901 is ontstaan, al een half miljard mensen, en is daarmee verreweg de grootste stroming binnen het protestantisme. Pinksterlingen binnen de rooms-katholieke kerk en andere hoofdstroomkerken worden ‘charismatischen’ genoemd.

Pinksterbeweging in plaats van het marxisme in Latijns-Amerika
Twee factoren zijn er waarom deze vorm van het christendom zo populair is geworden: de nadruk op de directe, onmiddellijke ervaring van God en de vermijding van de droge en cerebrale vormen (daarom heeft de pinksterbeweging een belangrijke aanhang verworven in arme gebieden in ontwikkelingslanden die tegen traditionele vormen van protestantisme bestand zijn gebleken, vooral in het vanouds rooms-katholieke Latijns-Amerika) en het gebruik van taal en vorm van communicatie die haar in staat stelt culturele verschillen op een effectieve manier te overbruggen (het opmerkelijke vermogen zich aan te passen aan elke cultuur, vooral in Afrika en Azië). In veel opzichten is de pinksterbeweging het nieuwe marxisme van de derde wereld geworden en heeft ze in de affectie en trouw van de bezitlozen de plaats van haar wereldlijke rivaal ingenomen. Terwijl het marxisme gebruik maakte van vuurpelotons en geweld, stelt de pinksterbeweging het vertrouwen op de macht van God om het leven van mensen te veranderen.

Het verbroken contact met het heilige: protestantisme en atheïsme
Het wezen van de Reformatie
De Reformatie is een mijlpaal in de Europese geschiedenis en heeft de West-Europese cultuur veranderd en een beslissend effect gehad op de daaropvolgende transformatie van de wereldcultuur (uitgeweken protestanten naar Amerika en zendelingen naar alle werelddelen). Maar hoe kan een beweging die zo sterk is toegewijd aan de verbreiding van het christelijk geloof de opkomst van het atheïsme bevorderd hebben? Het protestantisme was de voorkeursgodsdienst van de nieuwe middenklassen. De macht verplaatste zich. Vooral op de nieuwe stedelijke middenklassen had de beweging veel aantrekkingskracht. De nieuwe godsdienst werd als een sterke ondersteuning van het opkomende individualisme gezien. Verlossing werd niet langer bepaald door lidmaatschap van de kerk, maar door ieders persoonlijke relatie met God. De instelling van de kerk was niet meer essentieel. De felste tegenstanders tegen de Reformatie kwamen uit de hoge standen. In zijn beroemde De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme (1904) heeft Max Weber betoogt dat er een intrinsiek verband bestond tussen protestantisme en kapitalisme. Hier ligt echter nog niet het verband tussen protestantisme en atheïsme. Dat lag in de scheiding tussen de gebieden van het heilige en het wereldlijke.

Ontheiliging van de natuur
Bij Zwingli en Calvijn zien we een ‘ontheiliging’ van de natuur. Dit onderscheid tussen het heilige en het wereldlijke wordt alom beschouwd als een factor in de opkomst van de natuurwetenschappen, die vooral in verband staat met het protestantisme. De verklaring dat de natuurlijke wereld op geen enkele wijze geheiligd was, baande de weg naar het wetenschappelijk onderzoek van deze wereld. De wereld werd meer en meer als een machine of instrument beschouwd. Gods aanwezigheid werd niet langer langs natuurlijke weg in de wereld gebracht. Het middeleeuwse katholicisme had een sterk en omvattend besef van de aanwezigheid van het heilige in de wereld. De godsdienst van het volk richtte zich vaak op de aangelegenheden van plattelandsgemeenschappen en weerspiegelde hun ritmes en seizoenen. De directe verbinding tussen godsdienst en dagelijks leven werd als vanzelfsprekend beschouwd.

Een afwezige God
De protestantse hervormers stonden zeer kritisch tegenover deze ideeën. Het katholicisme was ontaard in een populaire natuurgodsdienst. God had ervoor gekozen Zich door de Bijbel te openbaren. De architectuur van protestantse kerken centreerde zich rondom de preekstoel. De aandacht verschoof van de directe aanwezigheid van God in het brood en de wijn van het sacrament naar een indirecte manier om God te kennen via de prediking. Zwingli weigerde resoluut te erkennen dat spirituele werkelijkheden ooit door de stoffelijke wereld gekend konden worden. Christus was in de hemel. De opkomst van het protestantisme leidde dus tot een afwezige God die alleen indirect gekend werd, en daarbij via het verstand en niet via de verbeelding. Voor protestanten kan er geen besef zijn van een geheiligde ruimte of plaats. Prediking en de studie van de Bijbel werden als het allerbelangrijkst beschouwd. De uitkomst was onvermijdelijk en voorspelbaar. God werd in de wereld een afwezigheid.

Leven alsof God niet bestaat
Terwijl katholieke schrijvers konden gewagen van een wereld die “doordrongen was van de grootsheid van God” dachten protestantse schrijvers doorgaans aan God als een goddelijke bouwmeester of ingenieur. Door de gedachte van een onbelichaamde God was de stap klein naar een afwezige God. Als het bestaan van God weinig of geen uitwerking heeft op de ervaringen van het dagelijks leven kan dit leven ook wel zonder verwijzing naar Hem geleefd worden. Hugo de Groot, wees erop dat het uiteindelijke resultaat van dit alles een wereld was waarin mensen leefden etsi Deus non daretur, alsof God niet bestond. De overstap van een pragmatisch atheïsme (we leven alsof er geen God is) naar een ontologisch atheïsme (er is werkelijk geen God) was snel gemaakt. Tegen het einde van de 17e eeuw werd de protestantse theologie als droog en stoffig gezien, alleen van belang voor mensen met een obsessie voor zuivere ideeën. Het piëtisme was een belangrijke corrigerende invloed binnen het protestantisme. Charles Wesley dichtte bijvoorbeeld:

Ik hoor in mij de zachte stem,
Die fluistert van vergeven zonden;
Ik voel dichtbij ‘t verzoenend bloed
Waardoor Gods gramschap wordt gedwongen;
Ik ontvang leven uit Zijn wonden;
Ik voel mijn Heiland in mijn hart.

De christelijke verbeelding beknot
Het protestantisme leidde er dus toe dat de cultuur geen besef meer had van Gods aanwezigheid in haar midden. Een belangrijk onderscheidend kenmerk van het atheïsme is een besef dat het goddelijke uit de cultuur is verwijderd: komen protestantisme en atheïsme hier niet heel dicht bij elkaar? De aanklacht tegen het protestantisme is dat dit nu juist een dergelijke uitholling van elk besef van een directe ontmoeting met het goddelijke teweeg heeft gebracht. Door de kennis van God te beperken tot wat over Gods woorden en Gods wil gekend kan worden, hebben enkele zeer invloedrijke vormen van protestantisme uiteindelijk een embargo opgelegd aan elke directe kennis of ervaring van God. En dat is een hoge prijs. Het protestantisme heeft de christelijke verbeelding verarmd en heeft het atheïsme voor de verbeelding aantrekkelijker doen lijken. Want het protestantisme heeft zich sterk tegen elk beroep op verbeelding in het christelijk leven gekeerd, door te stellen dat God beter met woorden dan met beelden gerepresenteerd kan worden.

Beelden, hoewel nuttig, de kerk uit
Het middeleeuwse christendom erkende het belang van beelden en zag deze als een uitstekend middel om de mensen in Europa in direct contact te houden met de werkelijkheden van het geloof. Bonaventura (1221-1274) merkte al op dat de menselijke emoties “eerder opgewekt worden door wat men ziet dan door wat men hoort”. Het lijdt geen twijfel dat godsdienstige schilderingen, glas-in-loodramen, beeldhouwwerk en houtsneden in de populaire katholieke devotie een heel belangrijke rol speelden. De eredienst werd gezien als een middel om met het goddelijke in aanraking te komen. De grenzen tussen hemel en aarde werden weggenomen. De Reformatie onderwierp het gebruik van beelden aan een vernietigende kritiek. Luther twijfelde er weliswaar niet aan dat ze een positieve rol kunnen spelen bij het stimuleren en voeden van de christelijke verbeelding, maar het tweede gebod was duidelijk. Zwingli erkende dit ook, maar geloofde dat beelden mensen eerder van de ware godsdienst zou afleiden dan hen in de waarheden daarvan te bevestigen. Volgens Zwingli moeten kerken kale witte muren hebben. Calvijn legt nadruk op het punt dat God naar Zijn wezen niet afgebeeld kán worden. De Heidelbergse Catechismus vertoont ook sporen van een intellectuele superioriteit (vragen 96,97 en 98).

Kale gebouwen
Langzaam maar zeker begon elk besef van God als een levende, bezielende realiteit uit het protestantisme weg te glippen. De saaie, kale en onaantrekkelijke kerken van het protestantisme droegen de subliminale boodschap over dat de God die daarbinnen niet te vinden was deze onaangename kenmerken deelde. Het protestantisme gaf steun aan het denkbeeld dat God in de menselijke cultuur en ervaring afwezig was. De grote domkerk van Zürich was er één van grote ruimte zonder beelden of versiering. Het gebouw spreekt op subtiele wijze van een zwijgende, afwezige en ver verwijderde God. Het gaf een zicht op de wereld dat kaal en onvruchtbaar was, terwijl het verzadigd zou moeten zijn met de uitstraling van de glorie van God.

Postmodernisme: atheïsme en radicale culturele verandering
Langzaam en snel
In 1972 kwamen Stephen Jay Gould en Niles Eldredge een theorie van biologische evolutie voorgesteld die sindsdien bekendstaat als gepuncteerd evenwicht. Terwijl Darwin de evolutie had beschouwd als een langzaam, continu proces, zonder plotselinge sprongen, merkten Gould en Eldredge op dat de fossielen van organismen die in opeenvolgende geologische lagen gevonden worden, wijzen op lange tussenpozen waarin er niets veranderde. Nieuwe soorten verschijnen in grote aantallen gedurende korte perioden, misschien vanwege schokkende gebeurtenissen zoals de inslag van een asteroïde. Waarom is dit voor onze discussie relevant? Ook een cultuur ondergaat verandering, soms langzaam over een groot aantal jaren, soms met zo’n snelheid dat de gevestigde opvattingen van vele generaties binnen een enkele generatie worden opgegeven, en zelfs in hun tegendeel omslaan.

Modernisme en nazisme en stalinisme
Voor het modernisme was het atheïsme de uitgelezen godsdienst. De excessen, mislukkingen en uiteindelijk de onherbergzaamheid van het modernisme hebben echter het enthousiasme voor zijn doelen verloren doen gaan: het nazisme en stalinisme. Volgens een nieuwe zienswijze (het postmodernisme) is het beste waarop we kunnen hopen geen volledige maar gedeeltelijke kennis. Nietzsche’s beschrijving van de ‘dood van God’ is dat deze berust op een culturele observatie. Het modernisme (vooral in de Sovjet-Unie) legde nadruk op eenvormigheid en beheersing. Dit eiste het onderdrukken van verschillen en diversiteit. Het modernisme behandelde de godsdienst als een uitbraak van krankzinnigheid. Walter Benjamin zag de opkomst van het nazisme als een duidelijk teken van het echec van het modernisme. De troosteloosheid van de stalinistische stadsplanning heeft de bewoners van zulke moderne steden gedemoraliseerd; het bleek in hoge mate deprimerend te zijn. De nazi-concentratiekampen als Auschwitz en Birkenau waren de meest afschrikkende voorbeelden van de modernistische aandacht voor functionele doelmatigheid en de voorkeur voor rechthoeken en rechte lijnen.

Kenmerken postmodernisme
Het postmodernisme is een complexe en misschien uiteindelijk ondefinieerbare beweging. Twee algemene thema’s zijn afwijzing van het modernistische streven naar objectieve, kenbare waarheid en schoonheid en afwijzing van het geloof dat er in de verbrokkelde wereld waarin we leven toch samenhang en eenheid gevonden kunnen worden, zodat deze wereld met rationele en wetenschappelijke middelen gekend, begrepen en beheerst kan worden. Waarom dit verzet? Het was filosofisch onhoudbaar en het bevorderde onverdraagzaamheid en gebrek aan respect voor de ander. Tegen de totalitaire aanspraken vond het postmodernisme dat dit met wantrouwen behandeld moest worden. Het postmodernisme belijdt een filosofische bescheidenheid, en stelt grenzen aan onze kennis; het doet geen uitspraken. De geloofwaardigheid van het atheïsme wordt door het postmodernisme ingrijpend ondermijnd. Het postmodernisme is een culturele stemming die de verscheidenheid verheerlijkt. Men ziet elke poging om individuen te dwingen de gezichtspunten van anderen te aanvaarden als onderdrukking. Jacques Derrida kwam met de term ‘deconstructie’ en zegt hierover: “Deconstructie is geen omheinde ruimte binnen de leegte, maar een openheid naar de ander”.

De beschamende onverdraagzaamheid van het atheisme
Gore Vidal pleit voor een “totale oorlog tegen de monotheïsten”. Eenzelfde soort eis is te vinden bij Richard Dawkins, die oproept tot het uitroeiing van het geloof als het grootste kwaad ter wereld. Niettemin heeft de 20e eeuw één van de grootste en meest verontrustende paradoxen van de menselijke geschiedenis opgeleverd: dat de grootste onverdraagzaamheid en gewelddadigheid van die eeuw gepraktiseerd zijn door degenen die geloofden dat de godsdienst onverdraagzaamheid en gewelddadigheid veroorzaakte. Één van de meest verontrustende aspecten van de geschiedenis van het atheïsme in de 20e eeuw was: zijn gewelddadigheid. Mensen die het hebben over “de uitbanning van de godsdienst” geven geen uitleg hoe deze uitbanning zal moeten plaatsvinden. Wat moet er gebeuren als mensen op hun godsdienst gesteld zijn, en weigeren om die op te geven? Lenen en Stalin wisten wel antwoord…

Het linkse Westen wilde niet weten van de excessen in Rusland
De naïeve atheïst denkt dat er een cursus in goddeloosheid nodig is om een dankbaar publiek te bevrijden een drukkende illusie. De werkelijke situatie is bloedig, onderdrukkend en onmenselijk: vuurpelotons en gaskamers. Het is zoals in Animal Farm van George Orwell: de dieren hebben de gemene mensen verdreven en hun eigen republiek ingesteld met de pakkende leuze “vier poten goed, twee poten slecht”. Maar de arme Boxer, het vriendelijke oude paard werd naar de lijmfabriek afgevoerd. Het beest vertegenwoordigt de onderdrukte boeren, in naam van wie de revolutie plaatsvond. De boeren werden uiteindelijk net zo sterk onderdrukt als onder het oude systeem. De mensen in het Westen sloten hun ogen voor de gewelddadige excessen van psychopaat Stalin. Het atheïsme heeft de zorgwekkende neiging om zichzelf als het enig ware geloof te beschouwen en eist dat iedereen met zijn overtuigingen instemt. De geschiedenis van de atheïstische staat maakt duidelijk dat deze onvermijdelijk de weg opent voor onderdrukking.

Schokkende feiten achter het ijzeren gordijn
In de hoogtijdagen van het westerse liberalisme was het betrekkelijk gemakkelijk om de donkere kant van het atheïsme te negeren. Rapporten over terreur, marteling, hongersnood, massale deportaties en slachtingen in de Sovjet-Unie werden gemakkelijk van de hand gewezen als propaganda van reactionairen en politieke conservatieven. Maar de waarheid laat zich moeilijk de mond snoeren. De val van de Berlijnse Muur in 1989 gaf toegang tot de mensen en de archieven. Wat men daarin aantrof was schokkend. Het openen van de sovjetarchieven leidde tot onthullingen die definitief een eind maakten aan het idee dat het atheïsme een beschaafde, menslievende en edelmoedige wereldbeschouwing was. Na het verschijnen van The Black Book of Communism kwam er een storm van verontwaardiging los en vroegen velen zich af wanneer de Neurenbergse processen tegen het communisme zouden plaatsvinden. Het communisme was een ‘wereldomspannende tragedie’ met een totaal aantal slachtoffers van 85 tot 100 miljoen, een cijfer dat het aantal slachtoffers van het nazisme ver overtreft.

Prometheus en de rampzalige gevolgen van het-als-god-te-willen-zijn
Het communisme beloofde bevrijding uit de illusie van de godsdienst; het eindigde met een dodencijfer dat alle eerdere slachtingen in de geschiedenis overtreft. Uitsluiting leidde onverbiddelijk tot uitroeiing. Wanneer de godsdienst tot vijand wordt verklaard, is de uitkomst even onvermijdelijk als misdadig. Het loopt allemaal uit op misdaden tegen de menselijkheid. Lenin wilde een volstrekt irreële leer aan de samenleving opleggen. Eenmaal aan de macht maakten de bolsjewieken hun utopia tot een buitengewoon bloedige zaak. In de Griekse mythologie stal Prometheus het vuur van de goden zodat de mensheid zich daaraan zou kunnen warmen. De goden namen wraak. Zeus stuurde een pot die zij niet mochten openen. De mens kon de verleiding niet weerstaan en haalde de deksel van de pot, waardoor ze verschillende rampen liet ontsnappen die zich over de wereld verbreidden. Dit verhaal lijkt te impliceren dat de menselijke poging om de macht van de goden te grijpen ten slotte onvoorziene krachten zal ontketenen, met rampzalige gevolgen. Atheïsten kunnen de godsdiensten niet meer beschuldigen van geweld en oorlog; hun eigen geschiedenis is daarvoor te wreed.

De opstand van de atheïsten: Madalyn Murray O’Hair en anderen
Zoon tegen de vader
Één van de centrale thema’s in de geschiedenis van het atheïsme is de opstand van de zoon tegen de vader. De kinderen van anglicaanse geestelijken waren vaak de meest agressieve atheïsten. Elke generatie lijkt geloofd te hebben dat het christendom tijdens zijn leven zou verdwijnen. Als we aannemen dat er elke dertig jaar een nieuwe generatie opkomt, dat één van elke drie kinderen tegen het geloof van zijn ouders in opstand komt en daarmee het tempo van de teruggang bepaalt zouden de cijfers voor Engeland zijn: 100 procent in 1880, 67 procent in 1910, 45 procent in 1940, 30 procent in 1970 en 20 procent in 2000. Toch is tegenwoordig nog 72 procent (42 miljoen mensen) lid van de kerk, hoewel de betrekkelijk weinig kerkgangers wel een belangrijk probleem vormen.

Madalyn Murray O’Hair tegen Bijbel en gebed op school
Madalyn Murray werd in 1919 geboren. Ze diende in de oorlog bij de marine en na de Tweede Wereldoorlog scheidde ze van haar man. Ze raakte betrokken bij de communisten en werd atheïstisch. Ze probeerde werk te vinden in het door haar zo bewonderde Sovjet-Unie, omdat daar de toekomst van de wereld bepaald zou worden (zoals Lee Harvey Oswald ook deed). Tot haar grote ergernis werd haar verzoek afgewezen. Maar ze vond spoedig een nieuwe uitdaging. Tijdens een bezoek aan de school van haar zoon merkte ze dat de kinderen baden en uit de Bijbel lazen. Ze bedacht een plan en gaf haar zoon William opdracht een dagboek bij te houden van alle godsdienstige activiteiten op school. Hij diende als spion voor haar. Uiteindelijk werd het een zaak voor het hooggerechtshof. Het geld stroomde binnen uit heel het land. De zaak bracht veel beroering. Ze zegt: “We vinden de Bijbel misselijkmakend, historisch gezien onnauwkeurig, en vol geraaskal van krankzinnigen. We beschouwen God als sadistisch en wreed en als een voorbeeld van haat en wraakzucht.”

Meest gehate vrouw van Amerika
De meerderheid van het hof besloot om de Bijbel en het gebed voortaan buiten de openbare scholen te houden. Life noemde Madalyn de meest gehate vrouw van Amerika. In 1965 verhuisde ze naar Texas, na getwijfeld te hebben om misschien naar Cuba te gaan, wat door links Amerika toen als socialistisch paradijs werd beschouwd. Ze trouwde met Richard O’Hair. Met haar organisatie, American Atheists, probeerde ze de aandacht van de media te trekken. Ze probeerde in Texas de eis af te schaffen dat ambtenaren hun geloof in een Opperwezen moesten zweren. Hierbij legde ze een enthousiasme aan de dag waarover zelfs sommigen van haar volgelingen zich zorgen maakten. Madalyns reputatie berustte niet zozeer op de kwaliteit van haar argumenten, maar op haar vechtlustige houding. Haar argumentatie was zo primitief dat het de meeste mensen eerder zou afschrikken.

Zoon tegen de moeder in opstand
En toen was daar een abrupt einde: eerst bekeerde haar zoon William Murray zich tot het christendom. Ten tweede werd Madalyn in 1995 onvindbaar. Er kwamen nu ook feiten naar boven over haar privé-leven. Williams lange en complexe weg naar het geloof staat beschreven in zijn boek My Life Without God (1992). In 1995 verscheen van zijn hand Let Us Pray, een pleidooi voor het opnieuw invoeren van het gebed in de openbare scholen (dus net als de vrouw die de abortuskwestie bij het hooggerechtshof bracht, en nu tot andere gedachten is gekomen, gebeurt dat nu bij deze zaak ook). Voor Amerikaanse atheïsten vormt eerstgenoemd boek buitengewoon beschamende lectuur. Één van Madalyns standaardargumenten voor het atheïsme was dat mensen elkaar beter konden liefhebben wanneer ze waren ontslagen van de belachelijke eis om God lief te hebben. Maar bij Madalyn thuis leek dat niet te gelden.

Madalyns schokkende privé-leven
Madalyn woonde samen met haar ouders en twee kinderen. Ze lag regelmatig met haar ouders overhoop en verbood haar kinderen dan met hen te spreken. Ze vond dat de problemen te wijten waren aan haar vader en gaf William de opdracht een passende dosis rattengif in zijn grootvaders koffie te doen. Hij weigerde. Ze zei bij een woedeaanval tegen haar vader: “Ik hoop dat je dood neervalt! Dan kwak ik je verschrompelde lijf in de vuilnisbak!” Diezelfde middag kreeg hij een hartaanval en stierf. Toen Madalyn terugkwam van haar werk kreeg ze het nieuws te horen. “Heb je me nou. Waar is het lijk?” “In het mortuarium van het Memorial Hospital”. “Heb je alles geregeld?” “Nog niet”. Toen richtte ze zich tot William en zei: “Bill, bel een paar begrafenisondernemers en zoek de goedkoopste uit. En laat ze het lijk ophalen bij het Memorial”. Madalyn was ordinair, onbeleefd en neerbuigend. Ze had een bijzondere afkeer van homoseksuelen. Fraude kwam er ook binnen haar imperium. De ledentallen van de American Atheist werden gigantisch opgeblazen, om de media te misleiden. Ze spraken steeds over 70.000 gezinnen. In werkelijk hadden ze ongeveer 2000 leden, terwijl het ledental steeds verder daalde. Nog meer schandalen volgden.

Niet representatief, wel tekenend
In 1995 werd Madalyn, haar man en zoon Robin ontvoerd. De motivatie was: geld. Het bleek het werk te zijn van een voormalige werknemer van American Atheists. In 2001 werden de drie lichamen gevonden. De in stukken gesneden lijken werden op een veeboerderij bij Camp Wood, Texas gevonden. Een bizarre wending kwam toen de American Atheists het bezit van de drie lijken opeisten. Deze organisatie had hun leden gemakkelijk kunnen onderbrengen in een hoekje in één van de megakerken die overal in Amerika uit de grond schieten. We zijn een nieuw inzicht rijker: je hoeft niet in God te geloven om fundamentalist te zijn. Hoewel O’Hair niet representatief voor de beweging is, zegt het wel wat. Een beweging die zich altijd in de marge van het Amerikaanse openbare leven heeft bevonden lijkt gedoemd om daar te blijven.

Het einde van een keizerrijk: het tanende appel van het atheïsme
Proces
De viering van het diamanten jubileum van koningin Victoria in juni 1897 liet het Engelse rijk zien als het grootste dat de wereld ooit had gekend, een rijk waarboven de zon nooit onderging. Na de Tweede Wereldoorlog was het definitief gedaan met Engelands macht. Hetzelfde proces van opkomst en verval, groei en aftakeling kan in de grote keizerrijken van de menselijke geest worden gezien. Er komt een moment waarop hun groei stagneert, hun aantrekkingskracht verslapt en hun geloofwaardigheid terugloopt. Het atheïsme heeft het moeilijk. De gloriedagen ervan liggen ver in het verleden. Één van de aantrekkelijke kanten van het atheïsme was dat het de wereld in zwart-wit zag. “Een nieuwe ouderling is niet veel anders dan een oude priester”. Het atheïsme is op deze regel geen uitzondering.

Het horen bij een gemeenschap
Één van deze positieve aspecten van de godsdienst betreft het opbouwen van een gemeenschap. Hoe kan een gemeenschapsgevoel, als het verloren is gegaan, opnieuw worden opgebouwd? Engeland heeft een omvangrijke immigratie ondergaan uit het Indiase subcontinent. Een soortgelijke patroon is te vinden in Frankrijk, waar een omvangrijke immigratie heeft plaatsgevonden uit Algerije en andere Noord-Afrikaanse landen. In beide gevallen definiëren deze gemeenschappen zich in godsdienstige termen. Mensen willen ergens bij horen, niet alleen geloven: veiligheid en identiteit. Hoe ging dat in de Sovjet-Unie? De zaterdag vòòr Pasen werd als Communistische Zaterdag gevierd. Het jaar in de Sovjet-Unie werd zo ingericht dat het de grondprincipe van de regering en de gebeurtenissen rond de stichting en instandhouding van de Sovjet-Unie herdacht en bevestigde. Aanvullende rituelen werden uitgedacht als tegenhangers van de christelijke rituelen van doop en belijdenis, bijvoorbeeld de ‘Familiegebeurtenis’ om de geboorte van een nieuw kind te vieren of de plechtigheid bij toetreding tot de Communistische Partij.

De toekomst van het atheïsme
De atheïsten zijn er achter gekomen dat mensen geloof op prijs stellen, er steun aan ontlenen om hun leven structuur te geven en zelfs geloven dat het waarheid zou kunnen inhouden. Toch zijn er nog steeds karikaturen. Robert Ingersoll zegt: “Eeuwig straf moet gelijkstaan aan eeuwige wreedheid, en ik zie niet in hoe enig mens, tenzij hij de hersenen heeft van een idioot, of het hart van een wild beest, in eeuwige straf kan geloven.” Christelijke apologeten mogen niet verwachten dat de westerse cultuur zal knikken wanneer ze leerstukken als de eeuwige verdoemenis verkondigen. Een statisch atheïsme heeft aan een bewegend christendom een lastige tegenstander. Of een wereld zonder God al of niet aantrekkelijk is, hangt ervan af of de aanwezigheid van God als een positieve zaak wordt gezien. Daarom heeft het atheïsme zijn aantrekkingskracht en toekomstmogelijkheden niet volledig zelf in handen. Het is paradoxaal gegeven dat de toekomst van het atheïsme door zijn godsdienstige rivalen bepaald zal worden. Het westerse atheïsme bevindt zich momenteel in een soort schemergebied. Maar is dit de schemering van een zon die achter de horizon is gedaald en die door het duister en de koude van de nacht gevolgd zal worden?

Gepubliceerd in augustus 2007

Advertenties