De oorlog om de waarheid

n.a.v. John MacArthur, De oorlog om de waarheid. De strijd om zekerheid in een tijd van bedrog, Doorn 2009

C.H. Spurgeon zei: “De kerk van Christus wordt altijd als een leger voorgesteld. Toch is de Aanvoerder de Vredevorst. (…) Niettemin is de kerk op aarde altijd de militante kerk, de gewapende kerk, de strijdende kerk (…). Het is de normale gang van zaken dat het zo moet zijn. De waarheid zou in deze wereld niet de waarheid kunnen zijn als zij niet iets strijdbaars was”.

In dit boek neemt John MacArthur (1939), predikant van de Grace Community Church in Sun Valley, Californië, de Amerikaanse evangelicale beweging onder de loep en signaleert massale afval van de waarheid. Het Engelse woord ‘evangelicaal’ laat zich in de Nederlandse context niet goed vertalen. In de Verenigde Staten worden reformatorischen en evangelischen onder deze noemer van evangelical geplaatst. Het gaat dan vanouds om bijbelgetrouwe christenen. Binnen de beweging van de evangelicals bestaat grote verscheidenheid. MacArthur is te positioneren aan de rechterkant. Zijn dagelijkse radioprogramma Grace to You, zijn studiebijbel en zijn meer dan 150 gepubliceerde boeken maken hem tot een vooraanstaand en gezaghebbend theoloog/exegeet in Amerika. Op www.gty.org staan al zijn preken vanaf 1969 op; hij heeft bijna het hele Nieuwe Testament doorgepreekt. Het is een echte aanrader om hier kennis van te nemen!

Waarom het de moeite waard is om voor de waarheid te strijden
Tegenwoordig vallen ‘christenen’ het begrip waarheid aan. In Amerika is het verschijnsel van Emerging Church, een informeel verband van christelijke kerken die de kerk een opknapbeurt willen geven en anders op de cultuur willen reageren. “We ontdekten de Bijbel als menselijk product (…). Ik ben opgegroeid met de gedachte dat we de Bijbel helemaal snapten, dat we wisten wat het allemaal betekende. Maar nu heb ik van het meeste geen idee meer wat het betekent. En toch heb ik het gevoel dat het leven weer groots is, het gevoel van: vroeger was het leven zwart-wit en nu is het in kleur”.

De waarheid wordt iets vaags, iets wat je misschien wel nooit kunt weten. Men voelt zich ongemakkelijk bij elke zweem van zekerheid ten aanzien van de betekenis van de Bijbel. “Niemand van ons heeft de rechte leer”. Er is een diepe afkeer van zekerheid. De idee dat de christelijke boodschap plooibaar en meerduidig gehouden dient te worden schijnt vooral aantrekkelijk te zijn voor jonge mensen die meegaan met de cultuur, van de tijdgeest houden en het niet kunnen uitstaan dat gezaghebbende bijbelse waarheden nauwkeurig worden toegepast om een wereldse levensstijl, onheilig denken en goddeloos gedrag te corrigeren. En het gif van deze manier van denken dringt steeds verder door in de evangelicale wereld.

Niet weten wat je gelooft is per definitie een vorm van ongeloof. Het promoten van vaagheid, het verheerlijken van onzekerheid of op andere wijze bewust vertroebelen van de waarheid is een zondige manier van ongeloof koesteren. De Schrift zegt dat één van de voornaamste kenmerken van “hen die verloren gaan” is dat “zij de liefde tot de waarheid niet aanvaardt hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden” (2 Thess. 2:10). De wijze raad van Salomo is toepasselijker dan ooit: “Koop de waarheid en verkoop ze niet” (Spr. 23:23).

Niets ter wereld is zo belangrijk of waardevol als de waarheid. En de gemeente wordt verondersteld een “pijler en fundament der waarheid” te zijn (1 Tim. 3:15). De geschiedenis staat bol van de verhalen over mensen die liever martelingen en de dood accepteerden dan de waarheid te verloochenen. Alle apostelen, mogelijk Johannes uitgezonderd, zijn de marteldood gestorven. Waren deze mensen slechts dwazen die hun eigen overtuiging te hoog hadden zitten? Kennelijk denken tegenwoordig veel mensen zo.

Trouw aan de waarheid kost je op de een of andere manier altijd iets. Dat de waarheid gedevalueerd wordt door in te spelen op het verwende gehoor van mensen mag de evangelicale beweging voor een deel ook zichzelf toerekenen. Strijden voor de ware leer is iets wat de meeste kerkgangers volkomen vreemd is. Christenen van tegenwoordig willen niets liever dan dat de wereld hen aardig vindt. In zo’n klimaat is het bestempelen van iemands leringen als verkeerd een smakeloze en gevaarlijk anticulturele suggestie.

God en de waarheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. En daarom is het ook niet zo verbazingwekkend dat iemand die God niet erkent ook Zijn waarheid verwerpt. Veel mensen die zich vandaag de dag evangelicaal noemen, vragen zich openlijk af of er wel zoiets als waarheid bestaat. Deze onzekerheid heeft epidemische vormen aangenomen, zelfs onder enkele leiders. Sommige vooruitstrevende evangelicalen doen soms alsof de neergang van de zekerheid een dramatische nieuwe intellectuele ontwikkeling is. Zij zien niet in wat het werkelijk is: de echo van het heel oude ongeloof.

We kunnen het niet maken om met onze armen over elkaar te blijven zitten terwijl wereldse, revisionistische en sceptische opvattingen over de waarheid de kerk infiltreren. Volgens de Schrift is het eeuwenoude conflict over de waarheid geestelijke strijd, een kosmische strijd tussen God en de machten van de duisternis. Jammer genoeg lijken nog slechts uiterst weinig christenen bereid om de dreiging serieus te nemen. De kerk is lui geworden, werelds en zelfgenoegzaam. Het tweede gebod waarschuwt ons dat de Heere de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht. Elders maakt de Schrift duidelijk dat kinderen nooit rechtstreeks voor de zondeschuld van hun vader worden gestraft; de natuurlijke gevolgen van die zonden gaan echter wel van de ene generatie op de andere over. Kinderen leren van het voorbeeld van hun vader. Als vaders van nu de waarheid dus verlaten, kost het een aantal generaties om het verloren terrein weer te herinneren. Kerkleiders dragen een bijzondere verantwoordelijkheid!

De waarheid is altijd met God verbonden. Dat alle waarheid met God begint heeft vergaande gevolgen. De ultieme waarheid is een objectieve werkelijkheid. De echte waarheid (de ‘ware waarheid’ zoals Francis Schaeffer het noemde) is de onveranderde en niet veranderende uitdrukking van wie God is. De waarheid wordt nooit bepaald door naar Gods Woord te kijken en zich dan af te vragen: ‘Wat betekent dit voor mij?’ Wanneer iemand zo praat, moet je hem vragen: ‘En wat betekende de Bijbel voordat u bestond? Wat bedoelt God met wat Hij zegt?’ De betekenis van Gods Woord is niet zo onduidelijk of moeilijk te bevatten als de mensen tegenwoordig wel doen voorkomen. Natuurlijk gaan we dingen beter begrijpen naarmate we ouder worden. De waarheid zelf verandert echter niet omdat onze gezichtspunten veranderen. Naarmate wij groeien in ons vermogen om de waarheid te verstaan, blijft de waarheid hetzelfde. Het is onze taak om al onze gedachten aan de waarheid te conformeren (Ps. 19:15). Beweren dat de Bijbel niet duidelijk genoeg is, is een aanval op Gods wijsheid en integriteit.

Christenen zijn het onderling oneens geweest over randkwesties. Maar historisch en als geheel gezien zijn christenen het altijd volkomen met elkaar eens geweest over het feit dat wat waar is waar is, of iemand dit nu begrijpt, leuk vindt of als waarheid accepteert of niet. De laatste tijd zijn er echter mensen met subjectieve, relativistische ideeën over de waarheid aan het experimenteren, die ze ‘christelijk’ noemen. Zoals altijd is er een oorlog tegen de waarheid gaande. En wij staan óf aan de ene, óf aan de andere kant. Er is geen tussenweg, geen veilige zone voor wie zich niet wil binden. Hele massa’s, qua kennis van de Bijbel en de leer ondervoede christenen, vinden controverses iets wat je altijd tegen elke prijs dient te vermijden.

Aan het einde van het Nieuwe Testament vinden we drie korte brieven met als gemeenschappelijk thema de trouw aan de waarheid temidden van een conflictsituatie. Judas schreef de derde van de ‘briefkaartbrieven’. Hij spoort ons aan tot het uiterste te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is. Christus verweet die gemeenten in Openbaring 2 en 3 die dwaalleraars in hun midden hadden getolereerd. De gemeente te Efeze prees Hij juist omdat zij de uitspraken van bepaalde valse apostelen hadden onderzocht en hen als leugenaars hadden ontmaskerd. Tegelijkertijd dienen we er goed op te letten dat een polemische verdediging van de waarheid geen enkele garantie is voor een gezonde gemeente. Christus verweet de Efeziërs, die gezond waren in de leer, dat zij hun eerste liefde hadden verlaten.

Kan de waarheid in een postmoderne maatschappij overleven?
De Heere Jezus zei dat Hij in de wereld gekomen is “opdat Ik voor de waarheid zou getuigen” en dat een ieder “die uit de waarheid is, hoort naar Mijn stem”. Pilatus echter antwoordde: “Wat is waarheid?” (Joh. 18). ‘Waarheid’ is een heel essentieel begrip en de menselijke geest kan er niet zonder functioneren. Een definitie: de waarheid is datgene wat consistent is met de gedachten, de wil, het karakter, de heerlijkheid en het wezen van God. De waarheid is Gods zelfuitdrukking. Waarheid is theologisch en ontologisch (het is zoals de dingen werkelijk zijn). Het Oude Testament noemt de Heere “God der waarheid”, Jezus Zelf zegt dat Hij de waarheid is. God openbaart in de natuur fundamentele waarheid over Zichzelf.

De waarheid buiten God om heeft niets te betekenen. Wanneer iemand de waarheid van de kennis van God probeert los te koppelen, heeft dit ook serieuze morele implicaties. Paulus schrijft: “En daar zij het verwerpelijk achten God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verwerpelijk denken om te doen wat niet betaamt” (Rom. 1:28). We zien het om ons heen, bijvoorbeeld de brede acceptatie van homoseksualiteit.

Elke aanspraak op waarheid buiten Hem om is absurd. Velen hebben het geprobeerd: Socrates, Plato, Aristoteles, Descartes, Locke, Kant, Hegel, Kierkegaard, Nietzsche, Marx. Na duizenden jaren hebben de beste menselijke filosofen allemaal volkomen gefaald in het verklaren van de waarheid en het menselijk kennen buiten God om. De meest waardevolle les die de mensheid eigenlijk van de filosofie had moeten leren is dat het onmogelijk is om iets zinnigs over de waarheid te zeggen als men God niet als noodzakelijk uitgangspunt daarvan erkent.

De laatste tijd hebben veel ongelovige intellectuelen toegegeven dat de ketting kapot is. En de boosdoener, zo hebben zij besloten, is de absurditeit van elke vraag naar de waarheid. Zij hebben de jacht op een antwoord op die vraag dus als iets volledig zinloos opgegeven. In bijna alle lagen van de maatschappij zien we een zeer radicale paradigmaverschuiving, een grootschalige revisie van de manier waarop mensen over de waarheid zelf denken. Dit onderstreept de ware reden voor elk ontkennen van de waarheid: “De mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun werken waren boos” (Joh. 3:19). Mensen verwerpen de waarheid ten diepste om morele redenen, niet om intellectuele redenen. Zondaars houden van hun zonde en daarom ontvluchten zij het licht / de waarheid en ontkennen zij zelfs dat het bestaat.

De paradigmaverschuiving heeft ons uit de tijd van het modernisme naar het postmodernisme gebracht. Het modernisme werd gekenmerkt door het geloof dat de waarheid bestaat en de wetenschappelijke methode de enige betrouwbare manier is om die waarheid vast te stellen. Uit deze veronderstellingen is het darwinisme voortgekomen, dat op zijn beurt weer een hele reeks humanistische ideeën en wereldbeschouwingen heeft voortgebracht. De desastreuze gevolgen zijn bekend: twee wereldoorlogen, sociale revoluties, ideologieën. Daarom hebben de meeste mensen in de academische wereld het modernisme dood verklaard.

Het postmodernisme beschrijft een manier van denken die elke duidelijke definitie tart. Men wijst de mogelijkheid van een zeker en vastgesteld kennen van de waarheid af. Dat komt omdat de subjectiviteit van de menselijke geest het kennen van de objectieve waarheid onmogelijk maakt. Objectiviteit is een illusie. Anders ben je arrogant en naïef. Het postmodernisme heft geen positieve agenda om iets waars of goed te verklaren. Alleen de zwaarste misdaden worden nog als iets slechts gezien (al zijn er tegenwoordig al veel mensen bereid om te debatteren over de vraag of er eigenlijk wel iets ‘slecht’ kan zijn). Het enige doel en de enige activiteit van het postmodernisme is het systematisch afbreken van elke andere aanspraak op de waarheid. Men verwerpt alles wat maar enige vaste overtuiging uitdrukt.

Het ter ziele gaan van het modernisme en de klap die dit voor de rationalistische menselijke arrogantie was, zijn zeker iets om blij mee te zijn. Maar vanuit geestelijk oogpunt is de opkomst van het postmodernisme een allesbehalve positieve ontwikkeling. Postmodernisten staan over het algemeen wantrouwig tegenover alle vormen van rationaliteit en logica. Zij houden er met name niet van om in eenvoudige propositionele termen over de waarheid te discussiëren. Men huldigt de opvatting dat irrationaliteit superieur is aan het rationalisme.

Rationaliteit wordt in de Schrift nooit veroordeeld. Het geloof is niet irrationeel. Ook is de logica geen typisch ‘Griekse’ stijlvorm die op gespannen voet zou staan met de Hebreeuwse context van de Schrift. Tegenwoordig redeneren zelfs sommige mensen die zich christen noemen ook al zo: “Als de waarheid persoonlijk is, kan zij niet propositioneel zijn. Daarom is het grootste deel van de Schrift ons in vertelvorm, als een verhaal, overgeleverd en niet als een reeks proposities”.

De reden voor de minachting van het postmodernisme voor propositionele waarheid is niet zo moeilijk te begrijpen. Een propositie is namelijk een als een logische bewering opgestelde gedachte die iets bevestigt of ontkent en zo is uitgedrukt dat zij waar of onwaar moet zijn. Ironisch genoeg heeft men voor het opstellen van steekhoudende argumenten tegen het gebruik van proposities juist propositionele stellingen nodig! Voor alle duidelijkheid, natuurlijk brengt de waarheid meer met zich mee dan louter proposities. Er zit zonder enige twijfel ook een persoonlijk element in de waarheid.

Het verwerpen van de propositionele inhoud van het Evangelie staat gelijk aan het afwijzen van het reddende geloof, punt uit. Postmodernisten voelen zich om duidelijke redenen met proposities niet op hun gemak: zij houden niet van helderheid en onwrikbaarheid. Dit werkt in een postmoderne cultuur gewoon niet meer. Onzekerheid als nieuwe waarheid: dit is vandaag de dag extreem populair. Twijfel en scepsis zijn gecanoniseerd als een vorm van nederigheid. Deze opvattingen komen ook de kerk binnen. De Emerging Church-beweging is bijvoorbeeld vergeven van een voortdurende toon van postmoderne angst voor teveel zekerheid; ze zijn begonnen om het christendom aan een postmoderne cultuur aan te passen. Een christen moet het postmoderne dialect gaan spreken, willen zij een postmoderne generatie nog kunnen bereiken. Daarom hebben sommige gemeenten de voorganger afgeschaft en vervangen door een ‘verteller’. Om voor de hand liggende redenen is in zo’n omgeving een gezaghebbend “zo spreekt de Heere” niet welkom.

Een thema dat als een rode draag door de meeste geschriften van Brian McLaren, een man uit de Emerging Church, loopt, is de gedachte dat “er een groot gevaar schuilt in het streven om het bij het juiste eind te hebben”. Anderen beweren dat de christelijke theologie herdacht, gereviseerd en aangepast dient te worden om in deze tijden van verandering bij te blijven en relevant te blijven. Geen enkele kwestie mag ooit als definitief vastgesteld beschouwd worden. Theologie dient dan een nederig menselijk pogen te zijn om “Hem te horen” en niet een rationeel benaderen van teksten. Theologen van de Emerging Church hebben de grens tussen zekerheid en alwetendheid vervaagd. Zij schijnen aan te nemen dat als we niet alles volkomen kunnen weten, we dan ook werkelijk niets met enige zekerheid kunnen weten. De Schrift zegt echter: “Maar wij hebben de zin van Christus” (1 Kor. 2:16). Dat wil natuurlijk niet zeggen dat we over een uitputtende kennis beschikken. Maar we bezitten wel een onfeilbare kennis van wat de Schrift openbaart.

De boodschap van postmoderne evangelicalen is: zekerheid is overschat. Van iets verzekerd te zijn is arrogant. Je kunt beter steeds van gedachten veranderen en je theologie in een voortdurende staat van verandering houden. Op deze manier is de eeuwenoude strijd tegen de waarheid midden in de christelijke kerk terecht gekomen en is de gemeente zelf een slagveld geworden. En het is een slecht voorteken dat er in de kerk van vandaag maar zo bitter weinig mensen op die strijd zijn voorbereid. Dit is echt niet de eerste keer dat de oorlog om de waarheid de kerk is binnengekomen. Het is in elke belangrijke periode van de kerkgeschiedenis gebeurd.

In één bepaald opzicht is de drijfveer achter de Emerging Church-beweging juist: het huidige postmoderne klimaat vormt wel degelijk een pracht van een gelegenheid voor de kerk. Het arrogante rationalisme dat de moderne tijd heeft gedomineerd is op sterven na dood. Een groot deel van de wereld is aan desillusie en verwarring ten prooi gevallen. De mensen missen aan alle kanten zekerheid en weten niet waar ze de waarheid moeten zoeken.

We zijn niet alleen ambassadeurs. We zijn tegelijkertijd ook soldaten met een opdracht om te strijden voor de verdediging en de verbreiding van de waarheid, ondanks talloze aanvallen erop. We moeten het postmodernisme benoemen als trotse rebellie tegen de goddelijke openbaring. Maarten Luther zei: “Als ik met de luidste stem en de duidelijkste uiteenzetting elk deel van de waarheid belijd behalve dat ene kleine punt dat de wereld en de duivel op dit moment aanvallen, dan belijd ik Christus niet”.

Geestelijke strijd: plicht, gevaar en gegarandeerde overwinning
“Oorlog is een hel”, zei generaal William Tecumseh Sherman. “Ik ben moe van al dat vechten; ik ben het spuugzat”. Maar hoezeer hij ook walgde van oorlogvoeren, hij scheen zich er niet los van te kunnen maken. Soms is oorlogvoering namelijk absoluut noodzakelijk. Er zijn zaken waarvoor het een nog veel groter kwaad is om niet te strijden.

De in het Nieuwe Testament beschreven geestelijke strijd is geen letterlijk vlees-en-bloedgevecht dat met aardse wapens en fysiek geweld wordt geleverd. Nog niet zo lang geleden (tot 11 september 2001) was dit vrijwel vanzelfsprekend. Nu niet meer. De toestemming om fysiek geweld te gebruiken is nooit aan de kerk gegeven. Het is een strijd om de waarheid, het gaat over ideeën. Tegenwoordig horen we steeds vaker mensen dingen zeggen als: “Kom op, laten we niet kibbelen over wat we geloven. Dat is maar leer. Laten we ons liever op onze levensstijl concentreren”. De Heere Jezus liet nooit enige ruimte voor de gedachte dat de propositionele inhoud van Zijn leer optioneel is zolang we Zijn gedrag maar imiteren.

Het is helemaal niet aardig, maar juist de ergste vorm van wreedheid om de suggestie te wekken dat het niet zoveel uitmaakt wat mensen geloven, als zij zich maar geestelijk voelen en goed doen. Zo gaat Brian McLaren zo ver dat hij beweert dat aanhangers van andere godsdiensten in praktische termen ook volgelingen van Christus kunnen zijn. Het gaat er volgens McLaren niet om “of we het ‘bij het rechte eind hebben’, het gaat er om als volgelingen van Jezus ‘goed te zijn en goed te doen’ in onze unieke tijd en op onze unieke plaats, in overeenstemming met het actuele verhaal van Gods reddende liefde voor de planeet Aarde”. Dit alles is een prachtig voorbeeld van de typisch postmoderne kijk op dingen. McLaren heeft de goede werken van de zondaar boven het belang van een op de waarheid van het Evangelie gebaseerd geloof verheven. Geen wonder dat hij zo’n affiniteit met hindoes en boeddhisten voelt. Hiermee zou de apostel Paulus dan een slecht christen geweest zijn, om nog maar niet van Jezus te spreken.

Natuurlijk, orthodoxie omvat ook orthopraxie. Maar vrome daden die gespeend zijn van enige waarachtige liefde voor de waarheid zijn naar geen enkele maatstaf ware orthopraxie. Integendeel, dat is de ergste vorm van zelfrechtvaardigende hypocrisie. Het is dus de moeite waard om voor de waarheid te strijden. Voor de meeste verstandige mensen is het duidelijk dat niet elk punt van de waarheid even belangrijk is. De voornaamste slagvelden zijn de objectiviteit en de kenbaarheid van de waarheid zoals deze in Gods Woord is geopenbaard. Waar het dus werkelijk om gaat, dat zijn diezelfde waarheden die de slang al wilde ondermijnen toen hij Eva vroeg: “Is het ook, dat God gezegd heeft…?”

Afvalligheid gebeurde al op grote schaal toen de kerk nog maar in de kinderschoenen stond. Paulus waarschuwde de gemeente van Efeze dat na zijn heengaan er grimmige wolven zouden komen die de kudde niet sparen en dat uit hun eigen midden mannen op zullen staan die verkeerde dingen spreken. En zo is het ook gebeurd. Aan het einde van de eerste eeuw, toen de apostel Johannes het boek Openbaring schreef, bevatte de boodschap van Christus aan de gemeente te Efeze een goedkeurende knik omdat “gij op de proef gesteld hebt, die zeggen, dat zij apostelen zijn, maar het niet zijn, en dat gij hen leugenaars hebt bevonden”. In hetzelfde verband veroordeelt Christus “de werken van de Nikolaïeten”. Dat was een gevaarlijke sekte; het is goed mogelijk dat dit de “wolven” waren waar Paulus over sprak. Hun leer was een soort radicale losbandigheid: ze gebruikten de christelijke vrijheid als een dekmantel voor allerlei kwaad en als aanleiding voor het vlees. Dit was kennelijk hetzelfde soort dwaling als waarop ook de Brief van Judas een reactie was. Judas noemt de dwaalleraars tegen wie hij in het geweer kwam immers “goddelozen, die de genade van onze God in losbandigheid veranderen” en spreekt ook over Bileam. Losbandig gedrag en hebzucht waren de voornaamste kenmerken van alle vormen van gnostiek. De Nikolaïeten vertoonden veel kenmerken van latere vormen van gnostiek.

De technische naam voor ernstige dwalingen die binnen de kerk opkomen en een verwoestende uitwerking op de ziel hebben, is afvalligheid (Gr. apostasia, nauw verwant aan een woord voor echtscheiding). Het spreekt over verlaten, scheiden, deserteren. Kan een echte christen van het geloof afvallen en een afvallige worden? Nee. Bijvoorbeeld 1 Joh. 2:19 “Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn; maar aan hen moest openbaar worden, dat niet allen uit ons zijn”. Zij geloofden de waarheid nooit echt met een ongedeeld hart. Een afvallige is iemand die van de waarheid is weggelopen. Hij heeft de waarheid gekend, heeft er uiterlijk zijn erkenning van betuigd, haar misschien wel een poosje verkondigd, maar haar uiteindelijk verworpen. Het is typerend voor een afvallige om voor te geven dat hij de waarheid gelooft en verkondigt. Zulke mensen zijn een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de kudde, ook al leunen zij meestal achterover om vriendelijk, innemend en vroom over te komen. Daarom vergelijkt Jezus hen met roofzuchtige wolven in schapenvacht.

Afvalligheid kan vergaande en rampzalige gevolgen voor de geestelijke gezondheid van een gehele gemeente hebben. De strijd om de waarheid in de kerk is altijd een zeer, zeer moeilijk maar wel noodzakelijk conflict geweest. Het evangelicalisme als beweging is historisch gezien altijd tegen het zo nonchalant omgaan met belangrijke bijbelse doctrines geweest. Maar de evangelicale beweging is niet meer zo erg evangelicaal. Intussen doet een groot deel van de evangelicale wereld al heel lang alsof het onze voornaamste taak is om op de hoogte te blijven van de grillen en bevliegingen van onze wereldse cultuur om de goedkeuring van elke volgende generatie weg te kunnen dragen. Evangelicalen die zo nodig de cultuur moeten volgen, lopen sowieso altijd enkele jaren achter en slagen er telkens weer in om een vreemde en onhandige indruk te maken doordat zij er nooit in slagen de wereld bij te houden, hoe hard zij het ook proberen.

Laten we niet vergeten dat onze echte vijanden niet slechts van vlees en bloed zijn. We hebben het over een kosmische oorlog waar de legers van de hel bij betrokken zijn, die zich tegen Christus hebben opgesteld. Dit is dus de context waarin de Schrift ons oproept om voor de waarheid te strijden: het is een taak om bang van te worden. De vijand is angstaanjagend. De gevaren ontmoedigend. Maar er wordt ons wel beloofd dat zo’n offer altijd de moeite waard zal zijn. En onze eindoverwinning is ook gegarandeerd omdat we in Jezus Christus bewaard worden (Judas 1).

In het conflict meegesleept:waarom we voor de waarheid moeten strijden
“Geliefden, daar ik mij in alle opzichten beijver u te schrijven over ons gemeenschappelijk heil, zie ik mij genoodzaakt het te doen met de vermaning, tot het uiterste te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is” (Judas 3).

Judas was de jongste halfbroer van Christus. Het Nieuwe Testament laat ons met minstens zes verschillende Judassen kennismaken, onder wie twee van de oorspronkelijke twaalf discipelen: er was natuurlijk Judas Iskariot, maar ook een Judas “niet Iskariot”, “de zoon van Jakobus”, ook wel Lebbeüs of Taddeüs genoemd. Verder heb je Judas de Galileeër (Hand. 5:37), Judas Barsabbas (Hand. 15:22) en Judas die in de Rechte Straat in Damascus woonde (Hand. 9:11). Onze Judas is de jongste zoon van Jozef en Maria. Wat Judas niet over zichzelf zegt, is bijna net zo interessant als wat hij wel zegt. Hij noemt zich een broeder van Jakobus, één van de leiders van de vroege gemeente te Jeruzalem – niet te verwarren met Jakobus de apostel, die door Herodes’ toedoen de marteldood stierf (Hand. 12:1-2). Hij maakt zich niet expliciet bekend als de jongste broer van Jezus.

We mogen niet vergeten dat de broers van Jezus aanvankelijk niet in Hem geloofden. “En zij namen aanstoot aan Hem”, zo lezen we in de Evangeliën. Ook Judas heeft zich aanvankelijk door scepsis laten meeslepen. “Zelfs Zijn broeders geloofden niet in Hem”. Later is Judas wel gaan geloven. Maar hij schijnt in het begin meegelopen te hebben met de massa in hun afwijzing van het gezag van Jezus. Zijn ervaring dat hij bijna misleid was door zijn oren te veel naar de publieke opinie te laten hangen, verklaart zeker de intensiteit van zijn ijver als volwassen strijder voor de waarheid.

Hij en zijn familie waren in de vroege kerk kennelijk bekend, want ook al maakte hij geen aanspraak op een titel en noemt hij geen persoonlijke kwalificaties, hij hoeft nauwelijks voorgesteld te worden. Het was voldoende om zich in vers 1 eenvoudig voor te stellen als “een dienstknecht van Jezus Christus en een broeder van Jakobus”. Wat is het trouwens opmerkelijk dat twee van Jezus’ aardse broers door de Geest van God zijn gebruikt om boeken van het Nieuwe Testament te schrijven. De nederige wijze waarop Judas zich bekendmaakt als “een dienstknecht van Jezus Christus” zegt veel over deze man. Kennelijk zijn al Jezus’ broers en zussen na de opstanding tot geloof gekomen, dat impliceert Hand. 1:14 althans: “Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broeders” waren vlak voor de Pinksterdag namelijk gezamenlijk in de opperzaal aan het bidden.

Judas was tegen de tijd dat hij zijn beroemde brief schreef duidelijk een gerespecteerde en gezaghebbende stem temidden van de heiligen en hij was een effectief strijder voor de waarheid geworden. Zijn geadresseerden waren vooral Joodse gelovigen, want de brief staat vol oudtestamentische beelden. Judas kende hen ook: hij noemt ze “geliefden”. Hij schreef met een toon die even urgent is als de brief kort is. Het was aanvankelijk zijn bedoeling geweest om een opbouwende boodschap van troost en bemoediging te schrijven over het heil dat alle gelovigen genieten: ons gemeenschappelijk heil. Hoe het ook zij, de Heilige Geest bracht Judas zo ver dat hij iets ging behandelen wat hij niet van plan was geweest: het werd in plaats van een bemoediging een luidkeelse roep tot mobilisatie. We hebben som de neiging te denken dat de vroegchristelijke kerk smetteloos en zuiver was en geen last had van ernstige dwalingen. De waarheid is dat dit helemaal niet zo was.

Hier en daar bevat de Brief van Judas bijna exacte herhalingen van de woorden van de apostel Petrus in diens tweede brief, die vrijwel zeker al eerder waren geschreven en de ronde hadden gedaan. Verder wordt in 2 Petr. 2:1-2 en 3:3 de komst van dwaalleraars verwacht, terwijl Judas duidelijk stelt dat “er zekere mensen zijn binnengeslopen”. Er hadden dus al dwaalleraars de kerk geïnfiltreerd. Judas drong er bij de gelovigen op aan om hen te ontmaskeren en niet te accepteren. Het leven van de gemeenten hing er van af. Of zij het nu beseffen of niet, dwaalleraars zijn zendelingen van satan die gezonden zijn om nog meer afvalligen voort te brengen. Afvalligheid is in de Schrift een veel voorkomend onderwerp. Judas is het enige bijbelboek dat uitsluitend aan dit onderwerp gewijd is.

In Jezus’ gelijkenis van het zaad beelden drie van de vier soorten grond mensen uit die het Woord horen en zich ervan afwenden. De grootste bedreiging komt wel van de ondiepe-grond-luisteraars. Zij ontvangen het Woord met blijdschap, maar ze hebben geen wortel, geloven voor een tijd en als er beproeving komt worden zij afvallig. En dat is de essentie van afvalligheid: de waarheid horen, weten wat het is, belijden haar te aanvaarden en haar dan uiteindelijk verwerpen. En omdat het afzweren van de waarheid heel bewust gebeurt, is dit een fatale afvalligheid die niet meer terug te draaien is. Het is precies de zonde die in Hebr. 6:4-6 wordt beschreven: “Want het is onmogelijk, degenen die eens verlicht geweest zijn en de hemelse gave gesmaakt hebben en de Heilige Geest deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen betreft de Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken”.

Het kan ook leidende figuren in de christenheid overkomen. Dikwijls blijven zij gewoon doorfunctioneren. Zij maskeren hun desertie heel subtiel. Zij belijden de waarheid trouw te zijn terwijl zij tegelijkertijd proberen de fundamenten ervan te ondermijnen. Zij vormen waarschijnlijk het grootste interne gevaar van de kerk. De vele verdorven tv-evangelisten in onze tijd bijvoorbeeld, die met hun hebzucht, hun zedelijk falen, valse profetieën, nepwonderen en dwaalleringen een schande voor het christendom zijn en een struikelblok voor mensen die geen onderscheid hebben.

Een afvallige is iemand die wel het licht maar niet het leven heeft ontvangen, wel het zaad maar niet de vrucht. Hand. 8:9-25 geeft een klassiek voorbeeld van hoe afvalligheid zich kan voordoen. We ontmoeten daar Simon, een tovenaar, die de mensen van Samaria verbijsterde met ‘toverij’ (waarschijnlijk goocheltrucjes). Door de prediking van Filippus kwam hij echter tot geloof en, na gedoopt te zijn, bleef hij voortdurend bij Filippus, verbijsterend door de tekenen en grote krachten, die hij zag geschieden. En op een gegeven moment biedt hij de apostelen geld aan en zei: Geef ook mij deze macht. Maar Petrus zei tegen hem: “Uw geld zij met u ten verderve”. Petrus beschouwde de vraag van Simon duidelijk als een bewijs dat de tovenaar in het geheel geen echte gelovige was. “Gij hebt part noch deel aan deze zaak, want uw hart is niet recht voor God”.

Let op dat in de daaropvolgende oproep van Petrus aan Simon om zich te bekeren de apostel in bijna hypothetische termen over vergeving spreekt. Dit wekt de suggestie dat de zonde van Simon zo ernstig was dat er misschien wel geen vergeving voor was: “Bekeer u van deze uw boosheid en bid God, of misschien u deze overlegging van uw hart vergeven moge worden; want ik zie, dat gij gekomen zijt tot een gal van bitterheid en een warnet van ongerechtigheid”. Simons angstgevoel bij het vooruitzicht van zijn afvalligheid schijnt niet lang geduurd te hebben. Hij moet nog diezelfde dag voor altijd van Christus afgevallen zijn. Lukas noemt hem nergens meer en ook elders in de Bijbel lezen we niets meer van hem. Maar Justinus Martyr, een apologeet in de vroege kerk die zelf ook een Samaritaan was en hooguit een generatie na Simon leefde, heeft ons nog enkele bijzonderheden over Simon nagelaten. En we hebben geen reden om aan zijn verslag te schrijven.

Simon is één van de eerste quasi-christelijke sekten begonnen. Veel historici beschouwen Simon als de stichter van de eerste vol ontwikkelde gnostische sekte. In de kerkgeschiedenis is hij bekend als Simon Magnus en van zijn naam komt de term simonie, de praktijk van het voor geld verkopen van kerkelijke ambten. Niemand is gevaarlijker voor het christelijke geloof dan een agressieve afvallige.

Zoals de zonde zelf is ook afvalligheid echt geen fenomeen van de laatste tijd. In het Oude Testament lezen we al dat Israël telkens opnieuw werd gewaarschuwd om niet af te vallen. In de tijd van Elia, toen de totale bevolking van Israël toch vrijwel zeker enkele miljoenen beliep, was het aantal getrouwen tot zo’n zevenduizend mensen gedaald. Elia dacht zelfs enige tijd dat hij de enige overgebleven ware gelovige was! In de tijd van Jeremia was de omvang van het getrouwe overblijfsel waarschijnlijk nog kleiner. Bijna iedereen in Israël stond erg vijandig tegenover de dienst van Jeremia. Na veertig jaar krachtige prediking stond de grote profeet in feite alleen. De Schrift geeft geen aanwijzing dat hij ooit ook maar één bekeerling heeft meegemaakt.

Perioden van wijdverbreide trouw onder het volk, zoals de in Nehemia 8 beschreven allesomvattende opwekking, waren uitzonderlijk en duurden meestal slechts kort. Uiteindelijk werd het gehele volk zo afvallig dat bij de geboorte van de beloofde Messias bijna iedereen de ware betekenis daarvan miste. Vanuit menselijk oogpunt lijkt het wel alsof de vijanden van de waarheid in de tijd van het Oude Testament gewoonlijk de boventoon voerden. Zelfs de dienst van Jezus biedt een verbazingwekkend beeld van afvalligheid in het dagelijks leven. Joh. 6 vertelt dat grote drommen mensen op Hem afkwamen wanneer Hij wonderen deed. Maar zodra Hij waarheden begon te verkondigen die zij niet wilden horen, keerden zij zich massaal van Hem af. We weten dat één van de grote keerpunten aan het einde van deze tijd een wereldwijde verloochening van de waarheid en een volkomen verwerping van Christus zal zijn, in 2 Thess. 2:3 ‘de afval’ (apostasia) genoemd.

Dwaalleraars hoeven niet perse zo op te vallen. Ze dragen geen stickers met ‘afvallige’ erop. Paradoxaal genoeg denken mensen tegenwoordig soms dat er helemaal geen dwaalleraars en afvalligen bestaan omdat het christendom zo breed en allesomvattend is geworden. Veel christenen van vandaag zijn de lange oorlog om de waarheid beu. “Wordt het geen tijd om onze verschillen aan de kant te schuiven en gewoon elkaar lief te hebben?” Maar conflicten zijn niet altijd te vermijden. Dat is wat Judas met deze hele brief wil zeggen. Om de waarheid trouw te kunnen blijven moet er af en toe zelfs een ‘burgeroorlog’ binnen de kerk uitgevochten worden.

De uitdrukking “tot het uiterste te strijden” is de bijna letterlijke vertaling van het krachtige Griekse werkwoord epagonizomai, wat een intense, inspannende en uitputtende strijd betekent. Judas zegt zelf dat hij zich genoodzaakt voelde om dit bevel te schrijven. Hij voelde een sterke, van God afkomstige gedrevenheid om deze dingen te schrijven. Het had een heel nauwkeurig omschreven doel: “Het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is”. Judas heeft het hier over de leer der apostelen, want let wel: niemand heeft het christelijk geloof ontdekt of uitgevonden. Het is aan ons overgeleverd. Het is geen strijd van intelligente koppen of alleen maar academisch van aard. En het is zeker geen spelletje.

Dit is een strijd die we niet effectief kunnen voeren als we altijd proberen om bij de wereld over te komen als alleen maar vriendelijke, nonchalante, meegaande, aangename mensen die van plezier houden. Het verschil tussen een onbeduidend meningsverschil en een serieuze bedreiging van een kernwaarheid van het christendom is niet altijd duidelijk zichtbaar. Meestal wel, maar niet altijd. En dan zijn volwassen wijsheid en zorgvuldig onderscheid voor elke christen absoluut van cruciaal belang. De Schrift en de Schrift alleen is op dit gebied de enige veilige gids.

Sluipende afvalligheid: hoe dwaalleraars stilletjes binnendringen
Jezus noemde verbreiders van dwaalleer wolven in schapenvacht en gewitte graven. Hun religie is dus een knappe poging tot camouflage. Deze bedriegers worden “schandvlekken bij uw liefdemalen” genoemd (Judas 12). Het Griekse woord dat hier met ‘schandvlek’ is vertaald is een specifieke term die dikwijls werd gebruikt om gevaarlijke, net onder het wateroppervlak verborgen riffen in zee aan te duiden. Met andere woorden: deze dwaalleraars vormden een dodelijk geestelijk gevaar. Zij lagen bewust op de loer. Zij waren moeilijk te onderkennen. Maar zij waren wel in staat om rampzalige geestelijke schipbreuken te veroorzaken. Dwaalleraars en leerstellige saboteurs binnen de kerk hebben altijd meer mensen in verwarring gebracht en meer schade aangericht dan openlijke tegenstanders van buitenaf.

Dit soort aanvallen van binnenuit kwam al heel vroeg aan het licht, nog voordat de canon van het Nieuwe Testament voltooid was. Het Nieuwe Testament geeft aan dat dwaalleraars al heel snel in bijna alle hoeken en gaten van de vroegchristelijke kerk opstonden. Een incident in Thessaloniki bijvoorbeeld. Iemand stuurde een vervalste brief, zogenaamd van de apostel Paulus, met de mededeling dat de dag des Heeren al was aangebroken (2 Thess. 2:1-2). Er ging een golf van angst door de gemeente: dit betekende immers een tijd van door rampen vergezelde oordelen, een geweldige toekomstige uitstorting van Gods toorn die tenslotte het laatste oordeel zal inleiden en de vernietiging van het gehele door de zonde vervloekte heelal (2 Petr. 3:10). Het was allemaal niet meer dan een moedwillig bedrog om die gemeente te ontmoedigen en in verwarring te brengen.

In een ander geval (2 Tim. 2:17) waarschuwde Paulus Timotheüs voor de invloed van Hymeneüs en Filetus, die uit het spoor der waarheid geraakt zijn met hun bewering dat de opstanding reeds heeft plaatsgehad, waardoor zij het geloof van sommigen afbreken. De apostel Johannes maande op zijn beurt tegen de invloed van Diotrefes, een op macht beluste leider in de gemeente, die onder hen de eerste tracht te zijn. Interessant genoeg noemt Judas de dwaalleraars nergens bij hun naam en gaat hij al evenmin in op de specifieke inhoud van hun dwaalleer. Zijn voornaamste bedoeling hier is de absolute noodzaak voor trouwe christenen te onderstrepen om strijders voor de waarheid te zijn. Misschien heeft hij de Judaïsten bedoeld, dezelfde valse, farizeïsche religie waar Paulus herhaaldelijk mee in aanvaring kwam. Of wellicht had hij het over een aantal vroege gnostici.

Judaïsten beweerden dat heidenen zich aan bepaalde oudtestamentische rituelen moesten houden om werkelijk gerechtvaardigd te worden. De Brief aan de Galaten is Paulus’ reactie op die dwaling, die hij vervloekt en als vals bestempelt. Omdat hun leer het Evangelie op fatale wijze verdierf, zag Paulus onmiddellijk in dat de leer van de Judaïsten weerlegd moest worden en dat men er hard tegenin moest gaan, anders zou het Evangelie ten prooi vallen aan dwalingen binnen de kerk. Het verschil tussen Paulus en de Judaïsten leek puur rationeel gezien maar heel klein. Het hele geschil kon tot een enkel punt worden samengevat en in een eenvoudige zin worden weergegeven: het verschil betrof alleen de logische volgorde.

Paulus zei dat een mens (1) eerst in Christus gelooft, (2) dan voor God wordt gerechtvaardigd en (3) zich meteen daarna aan Gods wetten gaat houden. De Judaïsten zeiden dat een mens (1) in Christus gelooft, en (2) zich zo goed mogelijk aan de wetten van God houdt en dan (3) wordt gerechtvaardigd. Moderne ‘praktische’ christenen zouden dit waarschijnlijk een in hoge mate subtiele en ongrijpbare zaak vinden, in het licht van de grote mate aan overeenstemming op praktisch gebied nauwelijks de moeite waard om eens goed naar te kijken.

De onenigheid betrof dus wel degelijk een zeer vitaal punt. Het hele Evangelie draaide om het punt dat de Judaïsten ontkenden: zondaars worden uitsluitend gerechtvaardigd op grond van wat Christus al voor hen heeft gedaan, en nooit op grond van iets wat zij voor Hem doen. Het besef dat zelfs een apostel als Petrus een tijdlang door de subtiliteit van deze dwaalleraars bij de neus genomen kon worden, moet ons toch nog alerter maken.

De meeste latere nieuwtestamentische brieven gaan tegen ideeëngoed in dat ten diepste gnostisch was. Zo vormen de leerstellig argumenten die Johannes in zijn eerste brief aanvoert een prachtige catalogus van antwoorden op een aantal favoriete dwalingen van de gnostiek. Het gnostische denken bood de mogelijkheid om godsdiensten te ‘ontwerpen’. Elke vorm van gnostiek begint met de gedachte dat de waarheid een geheim is dat slechts aan een select groepje verhoogde en verlichte geesten bekend is (gnosis = kennis). Gnostische leraren vergaarden zowel rijkdom als volgelingen door hun discipelen de geheime kennis te beloven – natuurlijk wel tegen een bepaalde prijs. De gnostiek was een zeer concurrerende vorm van ketterij en de meeste aanhangers ervan waren goed getrainde polemisten.

Dikwijls sloten gnostische leiders zich bij de gevestigde kerken aan om geloofswaardigheid te winnen. Zij waren heel actief in het werven van volgelingen van binnen de plaatselijke gemeente. Zij bleken een veel groter gevaar voor de kerk dan alle vervolgingen die ooit door Romeinse keizers op touw zijn gezet. De tweede eeuw werd gedomineerd door een steeds terugkerende strijd tussen de vroege gnostiek en het evangelie. Daarom noemt men een aantal belangrijke figuren die in die periode van de kerkgeschiedenis toonaangevend waren wel apologeten (verdedigers van het ware geloof): Ignatius, Irenaeus, Justinus, Tertullianus.

Een voorbeeld van hoe gnostici probeerden de leer van de vleeswording te ondermijnen, zien we bij een van de eerste gnostische sekten die door een dwaalleraar genaamd Cerinthus werd geleid. Hij leerde dat Jezus (de mens) in werkelijkheid een goddelijk geesteswezen in zich had wonen dat bekend stond als ‘de Christus’. Daarom beweerde Cerinthus dat de goddelijkheid van Jezus een illusie was. Deze leer bracht veel mensen in de vroegchristelijke kerk in verwarring en daarom weerlegde de apostel Johannes hem in zijn brieven grondig: “Wie is de leugenaar dan wie loochent, dat Jezus de Christus is?” (1 Joh. 2:22). Een andere dominante vorm van gnostiek (bekend als het docetisme) leerde dat alle manifestaties van Jezus’ menselijke natuur slechts illusies waren. God kon niet echt in de ware materiële vorm van authentiek menselijk vlees op aarde zijn gekomen. De apostel Johannes reageerde hierop: “Hieraan onderkent gij de Geest van God: iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God, en iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist…” (1 Joh. 4:2-3).

Johannes zegt zelfs van de dwaalleraars: “Ontvang hem niet in uw huis en heet hem niet welkom” (2 Joh. 10). Irenaeus (kort na Johannes’ dood geboren) vertelt dat Johannes op een keer weigerde een openbaar badhuis in Efeze te betreden toen hij hoorde dat Cerinthus daar ook was. De vele publiciteit rond vroege pseudo-christelijke documenten als het Evangelie van Thomas en het Evangelie van Judas kortgeleden was overdreven. In werkelijkheid zijn deze ‘evangeliën’ allebei goed gedocumenteerde gnostische werken. Zij zijn pure fictie die als geschiedenis wordt gebracht. Zo is ook de populaire bestseller de Da Vinci Code gebaseerd op een handjevol herleefde gnostische mythes.

Paulus zei het krachtig: “Men moet hun de mond snoeren” (Titus 1:11). Hij bedoelt geen fysiek geweld, maar het is inderdaad niet politiek correct wat hij zegt. Dit is geen boodschap die in onze tijd past. Het is het toppunt van dwaasheid (en ongehoorzaamheid) als christenen van onze generatie plotseling in de naam van de ‘liefde’ besluiten dat we alle afwijkende gedachten over het Evangelie terzijde moeten schuiven en onvoorwaardelijk iedereen moeten aanvaarden die een christen beweert te zijn. Daarom leg je de hele strijd om de waarheid in de handen van de vijand. Wij moeten doorvechten.

Ketterij is subtiel: waarom we waakzaam moeten blijven
“Want er zijn sommige mensen ingeslopen…” (Judas 4).

Saboteurs en vandalen van de waarheid lijken dikwijls makkelijker hun werk te kunnen doen dan de gewetensvolle gelovige die oprecht probeert bijbels onderscheid toe te passen. In Engeland is de regerend vorst drager van de kroon fidei defensor, ‘verdediger van het geloof’ (de afkorting hiervan, FD, staat op alle Britse munten). Prins Charles gaf echter in 1994 aan dat hij er de voorkeur aan gaf ‘verdediger van geloof’ te zijn, zodat andere godsdiensten daar ook inpassen. Het ongemakkelijke gevoel dat prins Charles bij die koninklijke titel had, is een exacte weergave van wat er in de evangelicale beweging is gebeurd. Veel evangelicalen hebben de verdediging van de waarheid jarenlang verwaarloosd en weigeren die taak nu eenvoudigweg.

Al aan het einde van de derde eeuw bestond er binnen de kerk op verschillende punten ernstige onenigheid over de goddelijkheid van Christus en de natuur van de drie-enige Godheid. Er ontwikkelde zich een hele nieuwe golf van ketterij. Sabellius uit Rome bijvoorbeeld benadrukte de eenheid van de Godheid en gin daarbij zo ver dat hij elk beduidend onderscheid tussen de leden van de Drie-eenheid loochende. Hij stelde dat de drie namen wel allemaal tot één goddelijk persoon behoorden, maar dat Hij Zichzelf gewoon op verschillende tijdstippen in verschillende karakters manifesteerde. Dit heet het modalisme. Hij vermengde de Personen, verduisterde hierdoor de leer van de verzoening en kwam uiteindelijk op een systeem uit die totaal niet christelijk meer was.

Zijn belangrijkste tegenstander was Tertullianus, wiens werken tijdens de Renaissance grotendeels teruggevonden zijn. Het door hem en anderen verrichte werk was zo doorslaggevend dat het sabellianisme sinds het einde van de derde eeuw door elke tak van het christendom algemeen verworpen is als een ernstige ketterij. Nog ernstiger was de bedreiging van het arianisme: het was een frontale aanval op de godheid van Christus. Arius uit Alexandrië was een serieuze en uitgesproken man, met een scherpe geest en een opvallend knap uiterlijk. Hij kwam als engel des lichts ten tonele. Zijn antwoord op het sabellianisme was nog erger dan de oorspronkelijke dwaling. Hij beweerde dat de Vader en de Zoon twee afzonderlijke wezens met totaal verschillende naturen waren.

Arius werd geëxcommuniceerd, maar hij bedacht slimme manieren om zijn leer acceptabel te maken en te verbreiden. Zo bracht hij zijn opvattingen terug tot korte eenvoudige zinnetjes op rijm, daarna voorzag hij deze lyriek van pakkende melodieën. Zijn liederen werden al snel de populaire muziek van die tijd. En zo werden de ideeën van Arius door zeelui en reizigers door het gehele rijk verspreid.

Arius erkende overigens dat Jezus meer was dan een gewoon mens. Hij bleef echter beweren dat Hij minder was dan volledig God, meer een aartsengel. Daarmee verlaagde hij de volledige godheid van Jezus tot een soort quasi-volmaaktheid. Hij sprak dus wel over de ‘goddelijkheid’ van Christus, bevestigde dat Jezus ‘Heere’ is en erkende dat Christus een waardig voorwerp van onze aanbidding is. In het systeem van Arius was Jezus bijna God, maar net niet helemaal. Door zorgvuldig te nuanceren wist Arius de ernst van zijn dwaling met orthodox klinkende woorden te maskeren. Hij zei bijvoorbeeld dat hij elk woord van de apostolische geloofsbelijdenis kon beamen. Hij interpreteerde de woorden alleen wel anders…

Helaas had een gevoel van gemak en comfort veel christenen in die generatie zo te pakken gekregen dat zij zich totaal niet meer om de leer bekommerden. Keizer Constantijn had zich nog maar kort te voren tot het christendom bekeerd en had het decreet van Milaan uitgevaardigd (313), zodat elke vorm van christenvervolging voorbij was. Voor het eerst in de kerkgeschiedenis heerste er een sfeer van welwillendheid jegens de kerk. Vanzelfsprekend wilde niemand graag een conflict over de leer riskeren. Daarom kon de ariaanse leer voortwoekeren. Athanasius was de grootste vijand van Arius.

Tenslotte draaide het conflict nog slechts op één lettertje: homoousion (van hetzelfde wezen) of homoiousion (van gelijksoortig wezen). Tijdens de discussies in Nicea werden er echter uittreksels uit preken en brieven van Arius voorgelezen, en daarin waren zijn ontkenningen van de godheid van Christus niet zo zorgvuldig verhuld. Toen de bisschoppen uiteindelijk in ondubbelzinnige bewoordingen hoorden wat Arius werkelijk leerde, stelde het concilie met een overgrote meerderheid de befaamde Geloofsbelijdenis van Nicea op.

Dat het concilie zo’n strenge resolutie tegen Arius aannam was opmerkelijk en verrassend. God had er in Zijn voorzienigheid voor gezorgd om zo de ware kerk van Christus te bewaren. Maar Arius zat niet stil. Hij werkte hard aan het verfijnen van zijn taalgebruik om maar zo rechtzinnig mogelijk te klinken. Na verloop van tijd won hij weer aan sympathie en slaagde erin zijn tegenstanders als liefdeloze dwarsliggers af te schilderen. Keizer Constantijn, die tweedracht binnen de kerk pijnlijker en angstaanjagender vond dan oorlog, werd het geruzie verschrikkelijk moe. Hij kondigde een amnestie af voor de ariaanse leiders. Athanasius weigerde dit compromis en moest in ballingschap. Naarmate Arius zich agressiever ging opstellen, verviel de weinig oppositie die er nog tegen zijn leer bestond langzamerhand tot zwijgen.

Hoewel Arius elf jaar na Nicea plotseling stierf, leek het wel of de gehele kerk ariaans zou worden. Hiëronymus vertelde later dat de hele wereld kreunend wakker werd, “verbaasd dat zij ariaans was geworden”. De stem van de kerk die zicht het luidst tegen het arianisme bleef verzette was Athanasius. Hij bleef over de godheid van Christus schrijven en prediken. Toen iemand tegenover hem opperde dat de hele wereld tegen zijn ontoegeeflijke compromisloze houding in de controverse was, antwoordde hij: “Dan ben ik dus tegen de wereld”. Tot op de dag van vandaag is de slogan Athanasius contra mundum de epitaaf die meestal met zijn naam wordt geassocieerd. Hij bleef pal staan, werd vijf keer in ballingschap gestuurd en stierf nog voordat hij de volledige vruchten van al zijn werk zag. Maar tegenwoordig herinneren we ons hem als één van de moedigste strijders voor de waarheid die de kerk ooit heeft voortgebracht.

Het arianisme kon op de lange duur gewoon niet standhouden tegen nauwkeurig bijbelonderzoek. Zonder het persoonlijke charisma van Arius werd het ware karakter van het arianisme al snel heel duidelijk. Hoe stierf Arius? Hij had zich in 336 tot de keizer gewend met een verzoek om hem weer formeel in de kerk op te nemen. Dat gebeurde en hij ging meteen naar de kerk om aan het Avondmaal deel te nemen. De godvruchtige bisschop van Constantinopel weigerde hem echter. Hierop kondigden een aantal vrienden van Arius aan dat zij de volgende dag als protest met een grote groep Arius naar de kerk zouden begeleiden om samen deel te nemen aan het Avondmaal. De bisschop van Constantinopel moet toen gebeden hebben: “Als Arius morgen weer lid van de kerk moet worden, laat mij dan gaan en vernietig de vrome niet met de goddeloze. Maar als U medelijden met ons heeft en de kerk wilt sparen…, neem Arius dan weg, zodat er met hem geen ketterij zal binnenkomen en goddeloosheid niet als vroomheid beschouwd zal gaan worden”. Getroffen door een acute, hevige aanval van cholera stierf Arius nog diezelfde dag, nadat hij bij zijn vrienden had gebluft over zijn op handen zijnde triomf.

Binnen honderd jaar was het arianisme zo goed als uitgestorven. Maar nu zijn er bijvoorbeeld de Jehova’s Getuigen en de Mormonen. De waarheid verandert nooit mettertijd, dwaalleer en ketterijen veranderen juist altijd. Geen enkele dwaling kan ooit met een gerust hart doodverklaard worden, ze komen allemaal in een nieuw jasje weer terug. Onze verlossing hangt af van een recht verstaan van Christus en wie Hij is. Een van de grote lessen van de Brief van Judas is dat christenen de strijd nooit moeten opgeven. Judas noemt de lange strijd tussen waarheid en leugen: de val van satan en de engelen, de weg van Kaïn, de prediking van Henoch, de immoraliteit van Sodom en Gomorra, de dwaalleer van Bileam, de rebellie van Korach.

De valse kerk groeit. De golven van afvalligheid worden hoger en hoger naarmate we steeds dichter bij de wederkomst van onze Heere Jezus Christus komen. De dag des Heeren zal voorafgegaan worden door ‘de afval’. De eeuwenoude oorlog tegen de waarheid bereidt zich gewoon voor op die laatste wanhopige oprisping. De hele geschiedenis is één grote lange mars naar dat doel geweest. En nu is het dichterbij dan ooit.

Het kwaad van dwaalleer: hoe dwalingen genade in vrijgevochtenheid kunnen veranderen
“Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die reeds lang tevoren tot dit oordeel opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandigheid” (Judas 4).

Waarom is het van zulk vitaal belang om voor de waarheid te strijden? Omdat de waarheid het enige is wat mensen van de zondeslavernij kan bevrijden. Buiten het horen en geloven van de waarheid over Christus is er geen hoop op behoud. Daarom is er niets verderfelijker dan een valse godsdienst. Het verbergt niet alleen de kern van alle waarheid voor mensen die dit juist het hardst nodig hebben, het brengt ook nog eens alleen maar meer ongerechtigheid voort. Afvalligheid wordt in de Schrift altijd als een dodelijk gevaar voorgesteld. Het is zeker niet zonder betekenis dat de Heilige Geest ons er zo dikwijls aan herinnert voortdurend op onze hoede te blijven.

De drijvende kracht, het werkelijke doel, van alle dwaalleraars is hun begeerte, de genade van God veranderen in losbandigheid. Petrus zei precies hetzelfde: spotters worden gedreven door “hun eigen begeerten” (2 Petr. 3:3). De vele parallellen tussen 2 Petrus en Judas wijzen er op dat beide brieven heel waarschijnlijk zijn geschreven om met dezelfde vorm van ketterij af te rekenen. Judas schrijft in vers 4 dat dwaalleraars “zekere mensen” zijn die “reeds lang tevoren tot dit oordeel opgeschreven” zijn. Deze frase is een impliciete bevestiging van Gods soevereiniteit over het werk van de dwaalleraars. Laat ze maar proberen wat ze kunnen, de eeuwige raadsbesluiten van God kunnen zij niet omverwerpen. Zijn eeuwige plan omvatte zelfs hun uiteindelijke veroordeling!

Is God werkelijk soeverein over het kwaad? En zo ja, waarom heeft Hij er dan nog steeds geen einde aan gemaakt? Deze vragen behoren tot de moeilijkste in de theologie. Het Griekse woord dat Judas hier gebruikt is prografoo, letterlijk “van tevoren schrijven”. Gods eindoordeel over de dwaalleraars is onvermijdelijk. Hun afvalligheid bestempelt hen tot mannen die geen hoop op verzoening meer hoeven te hebben. We proberen natuurlijk wel hun slachtoffers een eender lot te besparen.

Judas verklaart hetzelfde als Petrus in 1 Petr. 2. Deze mannen waren door God “bestemd” om ten onder te gaan. De Schrift stelt geen grenzen aan Gods soevereiniteit. Elk detail van Zijn eeuwige plan zal absoluut in vervulling gaan. En daarom kan hun kwalijke werk geen enkel onderdeel van Zijn plan ooit verstoren. De Heere oefent soevereine macht uit over dwaalleraars en alles wat zij doen. Hij stelt grenzen aan hun afvalligheid en omschrijft tot hoever hun invloed mag reiken. Dit betekent echter niet dat God het middel of de directe oorzaak van enig kwaad is. We moeten niet denken dat God slechte mensen bewust duivels maakt in dezelfde zin als Hij ware gelovigen op Zijn soevereine wijze naar het beeld van Christus omvormt. Hun bewuste afwijzing van de waarheid is een zonde waar zij en zij alleen geheel voor verantwoordelijk zijn. God dwingt of verleidt hen niet tot zonde.

Let op de manieren waarop God volgens de Schrift Zijn soevereine invloed op de wil van de zondaar laat gelden: Hij verandert een halsstarrig hart in steen en verduistert of onthoudt soms de waarheid aan mensen die de waarheid toch al haten. God zal uiteindelijk aan elke boze daad en aan elke kwaadwillige bedoeling van elke boosdoener een einde maken. Intussen is Hij vrij om elke boze daad van gevallen schepselen te gebruiken om er uiteindelijk iets goeds uit te laten voortkomen. En dat doet Hij ook onophoudelijk. Maar God zal nooit iets kwaads doen om er iets goeds uit voort te laten komen.

Er zijn twee algemene denkfouten. De ene is de gedachte (die soms door hypercalvinisten wordt voorgestaan) dat God boosdoeners actief en direct boos doet zijn. Nee, want God is geen God Die lust heeft aan goddeloosheid (Ps. 5:5). En aan de andere kant moeten we niet denken dat Gods heerschappij over het kwaad en over boosdoeners beperkt is tot een soort passieve, vooruitziende voorkennis waarbij Hij aarzelend en tegen Zijn wil instemt met iets waarvan Hij weet dat boosdoeners dit toch wel gaan doen. Het beeld van de goddelijke soevereiniteit in de Schrift is juist dat God positief verordineert wat er allemaal gebeurt. Hij handelt altijd met een doel voor ogen. God werkt alles naar de raad van Zijn wil (Ef. 1:11). Hij werkt in en door alles wat er gebeurt. Hij gebruikt de daden van de goddelozen gewoon om Zijn goede en volmaakte doelstellingen te bereiken. Het kruis was de ergste wreedheid die de gezamenlijke machten van het kwaad ooit hebben gepleegd. Maar in de handen van een soeverein God was het ook het grootste goed dat ooit voor zondaars is gedaan!

Nu zou iemand in de verleiding kunnen komen om te denken dat als God soeverein is en altijd de kwade bedoelingen van zondaars de baas is, de dreiging van de kant van afvalligheid en dwaalleer niet echt kritiek kan zijn. Natuurlijk zegt de Schrift iets anders. Gods toorn tegen de zonde is echt en angstaanjagend, vooral tegen valse profeten is die hevig. De veroordeling van afvalligen was een algemeen thema in de profetische geschriften van het Oude Testament. Let wel dat zowel de valse profeten als de mensen die van Gods Woord zijn afgeweken om hun leugens te volgen allemaal door Gods oordeel verslonden worden. Waarom al die herhaalde waarschuwingen en uitspraken over oordeel tegen mensen die zich van God hadden afgekeerd? Als hun oordeel werkelijk vaststond, als God Zijn aangezicht al van hen had afgewend, als er geen genade meer was om hen nog te redden, de afvalligen zouden zich toch niet van hun dwaling bekeren?

Deze waarschuwingen zijn vooral een boodschap voor degenen die nog onder de invloed van de waarheid staan. Het is allereerst een afschrikmiddel voor mensen die op de wip zitten. De veelvuldige waarschuwingen zijn ook een herinnering voor alle trouw gelovigen dat de oorlog om de waarheid een serieuze zaak is. We hoeven ons niet in te houden. Dwaalleer met fluwelen handschoenen aanpakken is nooit een goede tactiek. Doe wat Judas deed: geef een duidelijk signaal af. Judas doet bewust een heel duidelijke oproep tot de strijd. Het gevaar van deze afvalligen was voor Judas op dat moment veel belangrijker dan de beleefdheden van een vriendelijk gesprek. Hij wil niet zeggen dat elke kleine afwijking in iemands denken over onbelangrijke of moeilijke leerstellingen een gelegenheid is om maar meteen met zwaar geschut te komen.

De dwaling waar Judas aan denkt komt niet voort uit een klein misverstand over een moeilijke tekst. Hij heeft het over ketterij die uiteindelijk is geworteld in bewust ongeloof. Hij heeft het over een dwaling die veroordeling verdient. De enige manier om het noodzakelijke onderscheidingsvermogen te ontwikkelingen om dwalingen te kunnen ontdekken is zichzelf gewetensvol wijden aan de taak van het recht snijden van het Woord van God. En die vaardigheid dient mettertijd door trouwe toewijding vervolmaakt worden.

Teksten als “Oordeelt niet” worden nogal eens abusievelijk geciteerd als argument om helemaal niet te oordelen. Toch is overijverigheid ook een gevaar om zorgvuldig voor te waken. Er zijn in onze tijd inderdaad fulltime critici aan het werk. Trap niet in de valstrik van de veronderstelling dat de meest kritische en muggenzifterige meningen automatisch de meningen met het beste ‘onderscheid’ zijn. De Schrift zegt trouwens ook dat degenen die alleen maar strijdlustig en twistziek zijn niet voor geestelijk leiderschap deugen (1 Tim. 3:3). Tot het uiterste strijden voor het geloof betekent niet dat we zoiets als straatvechters moeten worden. Maar het allergrootste gevaar dat de kerk tegenwoordig bedreigt is de volkomen apathie ten opzichte van de waarheid en onverschilligheid als het gaat om dwaalleer.

De goddeloosheid van dwaalleraars heeft meerdere dimensies. Het is een van de sleutelwoorden in de Brief van Judas. Alleen al in vers 15 gebruikt hij het woord vier keer: de Heere is gekomen “om over allen de vierschaar te spannen en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die zij goddeloos bedreven hebben, en voor al de harde taal, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben”. Op drie belangrijke manieren kwam de goddeloosheid van de dwaalleraren aan het licht: hun karakter (zij waren niet integer, geen mannen van principes, geen levende band met Hem), hun gedrag (aanmatigend, vrijbrief voor immoreel gedrag, zij beloven vrijheid, maar zijn slaven van het verderf) en hun geloofsbelijdenis (zij verloochenen onze enige Heerser en Heere, Jezus Christus).

Het bewijs dat goddeloosheid in evangelicale kringen wijdverbreid is, is goed in megakerken te zien die zogenaamd voorzien in datgene waar de goddelozen de voorkeur aan geven: aan amusement en entertainment in plaats van echte aanbidding en bijbelonderwijs. Een ander bewijs vinden we in een populair leerstellig systeem dat het Heere zijn van Christus bewust uit de verkondiging van het Evangelie verwijdert om vleselijke christenen (mensen die beweren in Christus te geloven maar een goddeloos leven leiden) een theologische rechtvaardiging te bieden. Nog meer bewijs zien we in de erosie van de evangelicale verdediging van duidelijke bijbelse morele waarden. Er gaan meer en meer stemmen op dat evangelicalen zich niet moeten bezighouden met het strijden tegen de westerse cultuur over morele kwaden als abortus en homoseksualiteit.

Obsceniteit is een van de voornaamste kenmerken van de Emerging stijl. De meeste schrijvers binnen die beweging maken overvloedig gebruik van vuile taal, seksueel getinte toespelingen en kritiekloze verwijzingen naar de meest onintellectuele elementen van de postmoderne cultuur en geven blijk van een ongepaste goedkeuring van goddeloze aspecten van de seculiere cultuur. Er is zelfs een voorganger die genoemd wordt ‘Mark, de vloekende voorganger’.

Hele gemeenten zijn welbewust in ‘de cultuur’ opgegaan (waarmee zij eigenlijk bedoelen wat de wereld op dit moment leuk vindt). Men neemt geen afstand meer van de jongerencultuur met haar eigentijdse muziek. In de naam van “contact maken met de cultuur” pochen zij dat ze de laatste programma’s op MTV hebben gezien. Het is net radioactief gif; degenen die zich erin bewegen merken de gevolgen ervan niet meteen, maar kunnen toch niet aan de onvermijdelijke, zielsverwoestende vervuiling ontkomen. Op de keper beschouwd willen ze gewoon koning over hun eigen koninkrijkje zijn. Afvallige dwaalleraars zijn niet nederig. Zij zijn niet verbroken. Ze onderwerpen zich aan niemand. Ze zijn niet zachtmoedig. Ze zijn onbeschaamde, trots soevereine heersers van hun eigen religieuze koninkrijkjes.

De aanval op het goddelijk gezag: Christus afgewezen als Heere
“Want er zijn zekere mensen binnengeslopen… Die onze enige Heerser en Heere, Jezus Christus, verloochenen” (Judas 4).

In deze tijd is het mode om alles in twijfel te trekken. Ze willen gewoon iets nieuws, iets vers. En ze willen vooral – en daar doen ze alles voor – met de wereld in de pas blijven lopen. Hoe dikwijls zien we niet dat bekende leiders uit de evangelicale wereld prachtkansen verprutsen om de waarheid helder en duidelijk te maken wanneer zij door de seculiere media een microfoon krijgen voorgehouden? Ze schrikken ervoor terug of geven gewoon het verkeerde antwoord als ze plotseling geconfronteerd worden met vragen of Christus werkelijk de enige weg naar de hemel is. Kennelijk zijn sommige evangelicalen bereid om het dogma van de politieke correctheid elk geloofsartikel te laten overtroeven. Die houding overheerst met name in de elitaire geledingen van de evangelicale academische wereld.

De moderne evangelicale wereld schijnt erop uit te zijn de meest stijlvolle en trendy beweging in de kerkgeschiedenis te willen worden. De afgelopen ruim twintig jaar is de evangelicale beweging met een niet aflatend spervuur van exotische ideeën, filosofieën en programma’s bestookt. En nooit eerder in de kerkgeschiedenis heeft er tegenover zoveel innovatie zo weinig kritisch denken gestaan.

Strijden voor het geloof is nooit een eenvoudige zaak geweest. Om vandaag de dag een effectief strijder in de oorlog om de waarheid te zijn, is een aantal ouderwetse (in de positieve zin van het woord) deugden van Christus absoluut essentieel: bijbels onderscheidingsvermogen, wijsheid, kracht, beslistheid, volharding, goed met de Schrift kunnen omgaan, sterke overtuigingen, het vermogen om vrijmoedig te spreken zonder in geklets te vervallen en een bereidheid om het conflict aan te gaan.

De brede evangelicale beweging is tegenwoordig geobsedeerd van opiniepeilingen, merknamen, marktonderzoek, verkoopstrategieën, innovatieve strategieën en getalsmatige groei. Het bewaren van een positief imago is belangrijker geworden dan het bewaren van de waarheid.

De pr-gemeente. In de woorden van Rick Warren: “Als je bij niet-kerkgangers reclame voor je gemeente wilt maken, moet je leren denken en spreken zoals zij”. In plaats van het te zien als een boodschap van God die christenen als ambassadeurs van Christus hebben te verkondigen, behandelen zij het evangelie nu als een goed dat op de markt verkocht dient te worden. In plaats van gewoon het Woord van God zo te prediken dat de kracht en de waarheid ervan werkzaam worden, doen zij er alles aan om de boodschap te verpakken om haar subtieler en aantrekkelijk voor de wereld te maken.

Op hol geslagen pragmatisme en nutteloze activiteiten. Niet “wat is waar?” maar “wat werkt?” is de meest urgente vraag geworden. Men maakt zich drukker over methodologie dan over theologie. Dit is precies waarom evangelicale leiders al jarenlang systematisch elke wereldse, oppervlakkige en frivole idee dat de gemeente binnenkomt omhelzen en koesteren. Moderne gemeenteleiders hebben het zo druk met het proberen van de laatste rages op de hoogte te blijven dat ze maar zelden nuchter nadenken over veel gewichtiger schriftuurlijke zaken. Gemeenten strijden in een door de media beheerste wereld om aandacht; en dus probeert men tevergeefs een grootser en opzichtiger spektakel te bieden dan de wereld.

Evangelicaal trendsurfen. Hedendaagse evangelicalen lijken veel op onmondigen, die heen en weer geslingerd worden onder invloed van allerlei wind van leer. Zij staan in de rij om elke beroemdheid te zien die geestelijk klinkende taal spreekt. Zij kijken vol verwachting uit naar de volgende Hollywoodfilm met een of ander ‘spiritueel’ thema of met religieuze beelden waar zij zich aan kunnen vasthouden. En zij praten eindeloos over deze rages en bevliegingen alsof elk cultureel icoon dat de aandacht van evangelicalen weet te boeien een diepe en serieuze betekenis heeft. Er is een tijd geweest dat gemeenten die in wilden zijn seminars moesten sponsoren om mensen te leren het gebed van Jabez te bidden. Maar wee de gemeente die nog steeds met Jabez bezig was toen Doelgericht leven in het middelpunt van de belangstelling kwam te staan… De hele evangelicale agenda wordt gedreven door wat op een bepaald moment populair is en daardoor zijn zij volstrekt niet meer toegerust om enige mate van bijbels onderscheidingsvermogen in praktijk te brengen.

Het dwaze najagen van ‘relevantie’ die niets met de leer te maken heeft. Daardoor wordt alles oppervlakkig en laten we de agenda van de wereld over ons heersen. Het is bovenal kinderlijk, en dat moet niet volgens de Bijbel (Ef. 4:14; 1 Kor. 14:20; 2 Tim. 4:3-4; Hebr. 5:12-14). Wat is de kern van het probleem? Het komt hierop neer: een groot deel van de evangelicale beweging is vergeten wie de Heere van de gemeente is. Men roept wel “Heere, Heere” maar veracht Zijn goddelijk gezag. Christus wordt van Zijn legitieme plaats als Heere van de gemeente beroofd.

Methodieken zijn gericht op zoekenden. In gemeenten die hun zondagse diensten aan de smaak van zoekenden hebben aangepast, wordt steeds minder nadruk gelegd op het opbouwen van de heiligen en meer en meer nadruk op het leuk bezighouden van ongelovigen. In de orde van de dienst hebben drama, muziek en komedie nogal eens de plaats van de prediking ingenomen.

Volgens een opvatting is de overgave aan Christus als Heere niet meer dan een optie, die pas relevant wordt als iemand al enige tijd christen is. Daarom wordt het evangelie gereduceerd tot een uitnodiging om in Jezus als Verlosser te geloven en wordt elke toespeling op Zijn gezag als Heere zorgvuldig vermeden. Verdwenen zijn de oproep van Christus om een discipel te worden en al Zijn lastige eisen over kruisdragen en zelfverloochening. Het ‘evangelie’ zonder Heere vermijdt ook zorgvuldig om zondaars tot bekering te roepen. Deze boodschap heeft de gemeenten gevuld met mensen die het aan geestelijke vruchten ontbreekt.

Volgens de leer die Christus als Heere ontkent behoort iemand met een volkomen liederlijke levensstijl desondanks als een waar christen aanvaard te worden als hij of zij ooit eenmaal heeft beleden in Christus te geloven. Natuurlijk betekent dit het einde van enige betekenisvolle uitoefening van kerkelijke tucht. Eigenlijk kan men zich nauwelijks een directere of meer doelbewuste aanval op de rechtmatige positie van Christus als Heere van Zijn kerk voorstellen.

Men past zich aan, aan wat politiek correct is. Evangelicalen die bereid zijn om bijbelse waarheden te verdraaien om het christendom meer politiek correct te laten lijken, loochenen in feite Christus als het ware Hoofd van de kerk. Om maar een voorbeeld te noemen: de Schrift verbiedt vrouwen uitdrukkelijk in de gemeente mannen te onderwijzen of gezag over hen uit te oefenen. Veel evangelicalen hebben ervoor gekozen dit principe te negeren en het soms zelfs als persoonlijke mening van Paulus te betitelen. Het is een opvatting die het christendom als zodanig altijd algemeen heeft afgewezen, tot op de generatie van nu. De aanvaarding van het feminisme laat zien hoeveel mensen binnen de kerk vastbesloten zijn om de Schrift koste wat kost te verdraaien om haar maar aan wereldse opvattingen aan te passen.

Het hoofdschap van Christus binnen de kerk wordt ook aangetast door de mensen van de Emerging Church-beweging, die beweren dat de Schrift gewoon niet duidelijk genoeg is om het ons mogelijk te maken met enige mate van helderheid, zekerheid of overtuiging over de waarheden erin te preken. Het ‘evangelicale’ postmodernisme heeft zo twijfel, onzekerheid en bedenkingen over vrijwel elke leerstelling van de Schrift tot een hoge deugd verheven. Deze benadering wordt door sommigen wel “een hermeneutiek van nederigheid” genoemd. Maar het is in feite een godslasterlijke vorm van arrogantie.

Let wel dat Christus de Farizeeën herhaaldelijk berispte omdat zij de Schrift verdraaiden, niet gehoorzaamden en terzijde schoven. Jezus beschouwde het kennen en verstaan van de Schrift als een verantwoordelijkheid niet alleen van de Farizeeën maar ook van het gewone volk. “Hebt gij niet gelezen…?” was een regelmatig gebruikt verwijt aan het adres aan degenen die wel Zijn leer betwistten, maar de Schrift niet kenden of verstonden zoals het zou moeten. Het probleem van de Emmaüsgangers zat hem niet in een gebrek aan duidelijkheid van de Schrift, maar in hun trage geloof.

De apostel Paulus, over wiens geschriften wetenschappers tegenwoordig het meest debatteren, schreef vrijwel al zijn brieven voor de gewone man, niet voor wetenschappers en intellectuelen. Het protestantse christendom heeft altijd gezegd dat de Schrift begrijpelijk is. Het totaal van tweeduizend jaar christelijke geleerdheid is op alle hoofdpunten zo goed als consistent. De postmoderne notie dat alles altijd ter discussie staat en dat er niets echt zeker is of vaststaat, is een eenvoudige, klinkklare ontkenning van zowel de duidelijkheid van de Schrift als van het unanieme getuigenis van het volk van God door de heilsgeschiedenis heen. Het postmodernisme laat de mensen over vrijwel alles in het duister tasten.

Veel gemeenten hebben de bijbelse leer over zonde en heiliging vervangen door allerlei vormen van menselijke psychologie en zelfhulptherapie. Overal waar het werk van Gods Woord wordt vervangen door twaalfstappenplannen en andere surrogaten, wordt Christus’ hoofdschap over de kerk in de praktijk geloochend. De Heere heerst niet door middel van het “hout, hooi of stro” (1 Kor. 3:12) van slimme, ijverige leiders die de gemeente als een onderneming runnen, maar uitsluitend door Zijn geopenbaarde waarheid als die juist gepredikt, uitgelegd, toegepast en vastgehouden wordt.

Wat omvat de bijbelse gedachte van hoofdschap? Door toedoen van het evangelische feminisme is het in onze tijd een zeer omstreden gedachte; men zegt dan dat het woord ‘hoofd’ in Ef. 5:23 niet meer betekent dan ‘bron’. Deze gedachte, dat hoofdschap geen link met leiderschap of gezag zou bevatten, ontbeert elke steun vanuit de taalwetenschap. Het Griekse woord dat in Efeziërs 5 met ‘hoofd’ wordt vertaald is kefalè. Iemand heeft dit woord diepgaand in de antieke Griekse literatuur onderzocht, en wat blijkt? Telkens als het woord voor een persoon wordt gebruikt, is er altijd sprake van iemand in een positie van gezag.

Afvalligen en hun dwaalleraars denken eigenlijk dat zij hun eigen meester zijn. Ze verklaren het als ze proberen de kerk opnieuw uit te vinden en wel zo dat zij de wereld beter bevalt. Calvijn zegt: “Als iemand ons ergens anders heen roept dan naar Christus (…) laten we hem daarom met een gerust hart vaarwel zeggen”.

Hoe te overleven in een tijd van afvalligheid: van de geschiedenis leren
“Maar ik wil u indachtig maken, gij hebt het immers alles eens voor goed vernomen…” (Judas 5).

Waarom doen zoveel evangelicalen alsof dwaalleraars in de kerk in deze generatie nooit een serieus probleem kunnen zijn? Hele volksstammen schijnen ervan overtuigd te zijn dat zij rijk zijn, zich verrijkt hebben en aan niets gebrek hebben, en zij weten niet dat zij ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt zijn. In werkelijkheid is de kerk tegenwoordig waarschijnlijk heel wat vatbaarder voor dwaalleraars dan in elke andere generatie in de kerkgeschiedenis. Het gebrek aan bijbelkennis binnen de gemeente kon wel eens groter en wijder verbreid zijn dan ooit sinds de Reformatie het geval geweest is. Preken zijn bijna altijd kort, simplistisch, doorspekt met zoveel mogelijk verwijzingen naar de popcultuur en overladen met anekdotes en grappen. Voor een gemiddelde preek geeft men veel liever de voorkeur aan onderwerpen waarbij de mens centraal staat en daarmee wordt aan de vele Christus verheerlijkende leerstellige onderwerpen van de Schrift voorbijgegaan. Met ander woorden, wat de meeste moderne predikers doen is vrijwel het tegenovergestelde van wat Paulus beschreef toen hij zei dat zijn doel was om “al de raad van God te verkondigen”.

Elk antoniem voor het woord publiekstrekker is waarschijnlijk een goede omschrijving van Paulus en zijn stijl van spreken. Daarentegen lijken de gemeentegroeideskundigen van tegenwoordig geen enkel vertrouwen in de kracht van de Schrift te hebben. En na veertig jaar van die benadering zitten de evangelicalen nu met de brokken: veel te weinig onderwijs gehad, totaal niet voorbereid op het verdedigen van de waarheid en vrijwel geen benul van wat er op het spel staat. De evangelicale beweging is een wangedrocht geworden en haar enorme omvant en zichtbaarheid verdoezelen haar bijna volledig geestelijk falen.

Postmodernisten die de evangelicale beweging beginnen te domineren maken gebruik van precies dezelfde strategieën als destijds. Zij pleiten voor hetzelfde soort leerstellige wijzingen en gebruiken zelfs dezelfde argumenten als de modernisten toen dezen een eeuw geleden de belangrijkste denominaties overnamen. Deze kerken vervallen nu tot een punt waar ze geen enkele rol meer spelen. Ze zijn op weg om al haar leden te verliezen en (terecht) binnen een aantal jaren bankroet te gaan. En dat kan niet snel genoeg gebeuren. Elke denominatie die modernisten welkom heeft geheten aantoonbaar gefaald, en nog op spectaculaire wijze ook.

Juist toen evangelicalen de overwinning van de bijbelse doctrines en evangelicale principes behoorden te gaan vieren warvoor zij zo lang tegen modernistische invloeden hadden gestreden, namen grote delen van de evangelicale wereld het postmodernisme aan. Er zijn nauwe parallellen tussen het vroege modernisme en de nieuwe filosofie die is gericht op het dienen van zoekende mensen.

De evangelicale beweging zoals we die nu kennen is al tot de ondergang gedoemd. Zij staat ongeveer daar waar de grote denominaties in het begin van de 20e eeuw stonden. Dat is een griezelige overeenkomst. Het is tijd dat het trouwe overblijfsel weer duidelijke grenzen gaat trekken en meer energie in de oorlog om de waarheid gaat steken door tot het uiterste voor de waarheid te strijden.

Het Westen houdt van openheid, verdraagzaamheid, vrijheid en aanvaarding. En dat is tot op zekere hoogte natuurlijk begrijpelijk. Maar laat morele waarden varen, doe er een paar wetteloze terroristen bij en de situatie verandert. Een groot deel van Europa is nog altijd tegen de gedachte om de terreurdreiging met militaire middelen te bestrijden. Postmoderne waarden en politieke correctheid sluiten profilering, afluisteren van gesprekken van verdachte personen, opsporing van illegalen en andere middelen uit waarmee men terroristen zou kunnen identificeren. Analisten in de media voeren allerlei intellectuele acrobatische toeren uit om maar niet te hoeven zeggen dat de wortels van het terrorisme iets met een bepaalde cultuur of religie te maken hebben. De evangelicale beweging is ook zo naïef.

Het is niet de bedoeling dat christenen onnozel zijn. We kunnen gewoon niet alles omarmen zonder dat er dan dwaalleraars binnensluipen en hun vernietigend werk gaan doen. En dat gevaar is zowel reëel als levensgroot. Judas schudt ons wakker en roept ons op tot de strijd. Hoe moeten we reageren? Judas zegt: “Herinnert u de woorden, die voorzegd zijn door de apostelen van onze Heere Jezus Christus, dat zij u gezegd hebben, dat er aan het einde van de tijd spotters zullen komen…” (Judas 17-18). Deze woorden zijn van Petrus (2 Petr. 3:3). Het is een oproep om waakzaam te zijn. Als een volkomen betrouwbare bron ons vertelt dat er terroristen op komst zijn, dan past het om uit te zoeken wie ze zijn en hen te ontmaskeren voordat ze hun schadelijke werk kunnen doen.

Een andere manier om op afvalligheid te reageren is trouw blijven. We dienen elkaar op te bouwen in het geloof en onze geestelijke stabiliteit niet op te geven. En bovenal, blijf de waarheid toegedaan, ga niet twijfelen. Judas zegt dat we onszelf moeten opbouwen in het allerheiligst geloof, dit verwijst naar de gezonde leer. Petrus zegt in het parallelle gedeelte: “Wast op in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus (2 Petr. 3:17-18). We moeten ook geestelijk stabiel en evenwichtig blijven door te bidden in de Heilige Geest. Verder moeten we onszelf bewaren in de liefde van God; Johannes zegt daarover: “Blijft in deze Mijn liefde. Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven” (15:9-10). En tenslotte moeten we de ontferming van onze Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven verwachten: dat spreekt van een vurige verwachting van de wederkomst van Christus.

Judas noemt een manier om in een tijd van afvalligheid te reageren: proberen anderen te bereiken. Er zijn niet alleen bedriegers in de kerk; veel mensen zijn ook bedrogen. “En weest ook barmhartig jegens sommigen, die twijfelen, redt hen door hen uit het vuur te rukken, maar weest jegens anderen barmhartig in vreze, uit afkeer zelfs van het kleed, dat door het vlees bevlekt is” (Judas 22-23). Judas beschrijft hier drie soorten mensen die door afvalligheid zijn besmet. Als eerste de twijfelaars. Schrijf hen niet af omdat ze zwak zijn en heen en weer geslingerd worden. Ze zijn verward omdat ze volkomen open staan voor elke mogelijke prediker. Gemeenten van vandaag zitten vol met dit soort mensen. Ze zwerven van gemeente naar gemeente. Meestal gaan ze om zelfzuchtige redenen in godsdienst op. Ze willen een beter leven. Dit zijn de eerste slachtoffers van een valse religie.

Groep twee zijn degenen die overtuigd zijn. Die vormen een lastiger probleem. Je moet hen uit het vuur rukken, zegt Judas. Ze hebben de dwaalleer (tot op zekere hoogte) aangenomen. En de hel schroeit hen al. Ze hebben meer nodig dan alleen barmhartigheid; er moet dringend een reddingsoperatie op gang komen. We moeten alle mogelijke middelen gebruiken. Deze omstandigheden vereisen harde actie. De derde groep zijn mensen die toegewijd zijn. Hier zien we het stelligste en meest levendige taalgebruik van Judas: “Maar weest jegens anderen barmhartig in vreze, uit afkeer zelfs van het kleed, dat door het vlees bevlekt is”.

Mensen uit het vuur van de afvalligheid rukken betekent natuurlijk wel dat je dichtbij hen moet komen. Judas suggereert dat daarin een groot gevaar schuilt. Daarom moeten we dat in vreze doen, omdat je er een hekel aan hebt om door hun kwaad bezoedeld te worden. De uitdrukking die Judas hier gebruikt is schokkend. Weinig uitdrukkingen in de Schrift zijn zo grof als deze. Judas gebruikt voor ‘kleed’ een Grieks woord dat ‘ondergoed’ betekent en voor ‘bevlekt’ een woord dat betekent: ‘bezoedeld en besmeurd door lichaamsfuncties’. Hij vergelijkt de bezoedeling van dwaalleer dus met bevuild ondergoed.

Één van de belangrijkste aspecten van de hele boodschap van Judas is dit onderwerp: dwaalleer is het dodelijkste en afschuwelijkste van alle kwaden. Ketterij die het Evangelie ondermijnt brengt zielen in een eeuwig gevaar onder de duistere dekmantel van leugens, die mensen voortdurend in hun zonde gebonden houden. Daarom is er niets zo weerzinwekkend als ketterij. In Jesaja 64:6 klaagt de profeet over de afvalligheid van Israël: “Wij zijn allen geworden als een onreine, en al onze gerechtigheden (d.w.z. zelfrechtvaardiging en valse religie) zijn als een wegwerpelijk (of bezoedeld) kleed”. In deze tekst gebruikt Jesaja een Hebreeuws woord dat door menstruatie bevuilde kleding aangeeft. In Openb. 3:4 zegt Christus tegen de gemeente te Sardes: “Doch gij hebt enkele personen te Sardes, die hun klederen niet hebben bezoedeld (of bevlekt)”. Hier geld een soortgelijke betekenis. Hij heeft het over de bevuiling van ketterij en afvalligheid.

Wat is waarheid nu eigenlijk? De waarheid is niet iemands mening of verbeelding. De waarheid is wat God besluit. En Hij heeft ons in Zijn Woord een onfeilbare bron van reddende waarheid geschonken. Zijn er in de waarheid die God heeft geopenbaard ook geheimenissen? Natuurlijk. Maar Christus heeft ons in Zijn genade voldoende waarheid en voldoende begrip geschonken om ons voor alle goed werk toe te rusten, inclusief het tot het uiterste strijden voor het geloof tegen bedriegers die de waarheid van het Evangelie verdraaien. En we hebben de opdracht om aan die strijd deel te nemen. Voor de trouwe christen kan het aardse leven nooit een altijddurende staat van gemak en vrede zijn. Daarom staan er in het Nieuwe Testament zoveel beschrijvingen van het christenleven als een non-stop oorlog.

Naar welke periode uit de kerkgeschiedenis we ook kijken, we zien steeds hetzelfde belangwekkende feit: wanneer het volk van God vrede met de wereld nastreefde of een verbond met een valse religie sloot, kwam er een periode van ernstig geestelijk verval, soms zozeer dat de waarheid bijna ten onder leek te gaan. Maar wanneer christenen tot het uiterste voor het geloof streden, groeide de kerk en bloeide de zaak van de waarheid. De oorlog om de waarheid is een goede strijd (1 Tim. 1:18 en 6:12).

Waarom onderscheidingsvermogen uit de mode is
“En dit bid ik, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, om te onderscheiden, waarop het aankomt. Dan zult gij rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus” (Fil. 1:9-10).

Veel mensen stellen voor zichzelf een lapjesdekenreligie samen, doorzoeken stapels religieuze ideeën en proberen overal iets goeds in te vinden. En dan denken ze dat hun godsdienst iets moois is, maar in Gods ogen is het afschuwelijk. Onze generatie wordt aan meer religieuze ideeën blootgesteld dan alle voorgaande in de geschiedenis. Wie geen onderscheidingsvermogen bezit kan onmogelijk vaststellen wat waar is. Onderscheidingsvermogen is in een cultuur als de onze eerlijk gezegd niet erg welkom. Ga maar na: iets ‘waar’ noemen en het tegenovergestelde ervan ‘verkeerd’ is een inbreuk op het laatste onaantastbare dogma van het postmodernisme. Hier wordt automatisch het etiket ‘te kleingeestig’ opgeplakt.

IJver voor de waarheid is politiek incorrect geworden. In feite bestaat er in een zo ‘tolerant’ klimaat geen enkele tolerantie voor bijbels oordeelkundig inzicht. De cultuur om ons heen heeft alle bijbelse normen de oorlog verklaard. D. Martyn Lloyd-Jones merkte in zijn schitterende boek Prediking en predikers een trend op dat de moderne maatschappij niet meer op zijn gemak is met het begrip ‘prediking’, maar dat men meer een ‘toespraak’ willen of Quiet Talks. “Preken is natuurlijk iets vleselijks dat te weinig spiritualiteit bezit; wat we nodig hebben is een praatje bij de open haard, rustige gesprekken, dat soort dingen!” Hij merkte de subtiele voorboden van de postmoderne minachting voor helderheid en gezag op. Een probleem dat in zijn tijd in embryonale vorm bestond, is nu een volwassen monster geworden.

Een vertegenwoordiger van de Emerging Church zei: “Preken werkt niet meer”. We moeten een volledig open gesprek aangaan. “Een preek is nogal eens iets gewelddadigs. Het is een vorm van geweld tegen de wil van de mensen die daar moeten zitten en het over zich heen laten komen”. Sommigen zeggen: “Waarom geeft u de waarheid niet gewoon in positieve termen weer en negeert u de opvattingen waar u het niet mee eens bent?” Lloyd-Jones noemde het moderne wantrouwen tegen de polemiek “erg los en erg verkeerd en erg slap denken. (…) De Schrift staat vol discussies, vol polemiek”.

Niet elke zaak is zwart wit. De Schrift spreekt zich heel duidelijk tegen homoseksualiteit uit. Niettemin worden zaken als deze steeds meer als grijs gebied behandeld. Mensen willen het onderhandelbaar maken. Ze aarzelen om met gezag te spreken over zaken waar de Schrift duidelijk over is. Het principe van de antithese is fundamenteel voor elk waarachtig onderscheidingsvermogen. We komen op bijna elke pagina van de Bijbel antithese tegen. “Mensen die de Bijbel diepgaand bestuderen, ontwikkelen een antithetisch denken: zij denken in termen van contrasten of tegenstellingen” (Jay Adams). De oudtestamentische wetten die onderscheid maken tussen reine en onreine dieren hebben een bepaald doel: Gods volk moet voortdurend nadenken over het verschil tussen Gods wegen en de wegen van de wereld en zo een antithetische mentaliteit ontwikkelen.

Wie heeft vandaag nog de moed om alleen te staan? Veel christenen vandaag de dag zijn geobsedeerd door het zoeken naar punten van overeenstemming. Het doel is integratie geworden en niet langer confrontatie. Het is interessant om eens te speculeren over hoe de kerk er vandaag uit zou zien als bijvoorbeeld Luther liever compromissen had gesloten. Scheuring is af en toe gepast en zelfs gezond. Onderscheidingsvermogen vereist dat we met de grootst mogelijke hardnekkigheid aan bijbelse overtuigingen vasthouden.

De kerk in onze tijd is helemaal in beslag genomen door image en invloed. Als we de wereld zover kunnen krijgen dat zij ons aardig gaat vinden, zullen ze onze Heiland ook wel omarmen… Zo’n filosofie suggereert dat christenen moeten proberen ervoor te zorgen dat onbekeerde zondaars zich bij de christelijke boodschap op hun gemak voelen. Waar het eigenlijk om gaat is ervoor te zorgen dat de gemeente in geen enkel opzicht een dreigende plaats is, maar een plek waar ongelovigen het gevoel hebben dat ze daar gewoon thuishoren. Niet-christenen dus laten watertanden in plaats van hen te confronteren met hun ongeloof. Vrienden worden met de wereld in plaats van je ervan af te zonderen. Het is een vorm van compromis met de wereld. Jakobus noemt het geestelijke hoererij (4:4).

Binnen de Emerging Church-beweging heeft de waarheid moeten wijken voor de scepsis. Wanneer een predikant zou proberen voor de waarheid uit te komen en een heldere bijbelse boodschap neer te zetten, is de kans groot dat hij gevraagd wordt om weer te gaan zitten. Hij is een probleem, hij brengt mensen in verlegenheid en werkt afstotend op niet-christenen. Sinds wanneer mag de kerk met recht de wereld voor zich proberen te winnen? Schreef de apostel Johannes niet: “Verwondert u niet, broeders, wanneer de wereld u haat” (1 Joh. 3:13). Bijbelgetrouwe christenen hebben altijd begrepen dat ze de wereld moesten mijden.

Paulus probeerde de wereld nooit te winnen door zich intellectueel acceptabel te maken. “Wij zijn als het uitvaagsel der wereld geworden, als aller voetveeg” (1 Kor. 4:13). Durven we onszelf af te zonderen van de godvruchtige mannen uit het verleden, die allemaal voor de waarheid moesten strijden? Spurgeon heeft gezegd: “Ik kijk niet naar andere manieren om mensen te bekeren dan de eenvoudige prediking van het Evangelie en het opengaan van menselijke oren om het te horen. Op het moment dat de kerk de preekstoel gaat minachten, gaat God de kerk minachten”. Iedereen die de waarheid verwerpt neemt aanstoot aan Hem. Op de juiste manier denken en leven vereisen zorgvuldige discipline en een onwrikbaar staan voor de waarheid.

Een andere fundamentele factor voor de afname van het onderscheidingsvermogen is een wijdverbreid falen om de Schrift juist te interpreteren. Hermeneutiek is een veeleisende wetenschap. Maar tegenwoordig wordt in teveel preken de betekenis van de Schrift volkomen genegeerd. Preekstoelen staan vol met predikers die niet bereid zijn om het noodzakelijke zware werk te verrichten om de Schrift juist te kunnen interpreteren. Zij vullen hun boodschappen met verhalen, anekdotes en knap gemaakte overzichten, die allemaal maskers zijn voor een zwakheid of gebrek aan bijbelse inhoud. Sommigen gaan zelfs zo ver dat zij opperen dat een al teveel bezig zijn met de betekenis van de Schrift ongezond is.

Hoewel de toepassing van cruciaal belang is, komt zorgvuldige uitleg altijd eerst. B.B. Warfield zei: “De bedoeling van de Schrift is de Schrift”. Met andere woorden, zonder de ware betekenis van de Schrift heb je helemaal geen Schrift. Bijbeluitleg is een vaardigheid die nauwkeurig werken vereist, kennis van de betekenis van de oorspronkelijke talen, een toepasbare kennis van de grammatica en de logica, een verstaan van de historische gegevens, theologische competentie en een breed verstaan van de gehele Schrift. Wie geen Grieks en Hebreeuws kent dient des te voorzichtiger te zijn en er commentaren, woordenboeken en ander studiemateriaal op na te slaan om de tekst zo nauwkeurig mogelijk te analyseren.

De kromme gedachte van postmodernisten is dat bijbelinterpretatie een volledig subjectieve oefening is en dat geen enkele tekst daarom ook maar één enkele objectieve, bedoelde betekenis heeft. Een soortgelijke houding is er de reden voor dat sommige mensen het gebruik van commentaren en andere hulpbronnen in hun bijbelstudie afwijzen, alsof hun eigen eerste indruk net zo goed is als een zorgvuldig onderzoek met behulp van verwijsmateriaal. “Ik lees geen commentaren en boeken over de Bijbel, ik beperk mijn studie tot de Bijbel zelf”. Dat mag dan heel erg vroom klinken, maar is het dat ook? Is het in werkelijkheid niet aanmatigend? Hebben de geschreven erfenissen van godvruchtige mannen dan geen waarde voor ons?

Meestal geloven mensen dwaalleer niet opzettelijk. Ze dwalen omdat ze in de omgang met de Schrift lui, onbekwaam, onzorgvuldig of dwaas zijn. De kerk heeft een hoge, heilige standaard te hanteren. De geschiedenis van Ananias en Saffira was niet bepaald een ‘op zoekenden gerichte’ strategie; het was ervoor opdat de anderen bang zouden zijn om te zondigen. De belangrijkste boodschap van de gemeente behoort niet te zijn: “Dit is een fijne plek en het zal je hier bevallen”. Integendeel, de boodschap behoort te zijn: “Dit is een heilige plek waar zonde wordt verfoeid”.

Veel gemeenteleden zoeken gevoelens en ervaringen. Ze zoeken onzeker naar gemakkelijke en snelle oplossingen voor de dagelijkse beproevingen van het leven. Het soort christendom dat in deze generatie overheersend is, kon wel eens oppervlakkiger zijn dan ooit in de kerkgeschiedenis. Gedegen prediking met diepe inhoud en gezonde leer is voor de groei van christenen essentieel. Maar vandaag de dag onderwijzen gemeenten hooguit de meest elementaire zaken, en dat soms nog niet eens. Daarom zitten gemeenten vol met babychristenen, mensen die geestelijk gezien nog kleine kindertjes zijn; en kenmerkend voor een klein kind is egoïsme.

Ze zeggen nooit ergens “dankjewel” voor. Ze kunnen anderen niet helpen; ze kunnen niets geven. Ze kunnen alleen maar ontvangen. En dat is precies de geestelijke toestand van hele massa’s mensen in de kerk van tegenwoordig. Ze zijn alleen maar met zichzelf bezig. Ze willen hun problemen opgelost hebben en ze willen meer comfort en meer gemak. Zoals een baby over de grond kruipt en alles in zijn mond steekt wat hij tegenkomt, weten ook geestelijke baby’s niet wat goed voor hen is en wat niet. Paulus roept christenen herhaaldelijk op om geestelijk te groeien. Hoe kunnen we dat? Door ons in liefde aan de waarheid te houden.

Onderscheid en volwassenheid gaan hand in hand (Ps. 119:66; Spr. 2:2-5; 10:13; 16:21). De enige manier om geestelijk volwassen te worden is het Woord van God kennen. Zorgvuldig nadenken, een levendige belangstelling, grondig analyseren, nauwkeurig observeren, en daarbij nog waakzaamheid, aandacht, bedachtzaamheid en bovenal liefde voor de waarheid. Onderscheidingsvermogen verwerven we niet in tijd van een paar dagen of door een mystieke ervaring.

Judas eindigt zijn brief met een onvoorstelbaar mooie dankzegging:

Now unto Him that is able to keep you from falling,

and to present you faultless

before the presence of His glory with exceeding joy,

to the only wise God our Saviour,

be glory and majesty,

dominion and power,

both now and ever.

Amen.

Gepubliceerd in augustus 2010

Advertenties