De pneumatologie van Abraham Kuyper en zijn spoor

n.a.v. B. Wentsel, ‘De pneumatologie van Abraham Kuyper en zijn spoor’, in: Dogmatiek (deel 4a), Kampen 1995

De pneumatologie van Kuyper
Kuyper schreef Het werk van de Heilige Geest. Als motief noemde hij dat er weinig studies hierover verschenen zijn en dat onze eeuw het eist dat er weer over nagedacht wordt. Volgens J.C. Rullmann is Kuyper ook een ‘theoloog van de Heilige Geest’. De onderscheiding tussen Vader, Zoon en Heilige Geest is wezenlijk. We kunnen ons het Wezen niet ook maar één ogenblik zonder onderscheiding denken. Het specifieke werk van de Geest is om alles tot zijn bestemming te brengen. De Geest zweeft over de wateren om de levenskiemen in de schepselen te brengen, de Geest bezwangert de schepselen, bezielt de mens als redelijk schepsel en woont in de kinderen van God. De Geest raakt het schepsel onmiddellijk (=zonder middelen) aan. Het diepste en eigenlijke werk van de Geest is dat Hij ons de wederzijdse liefde van de Vader tot de Zoon en de Zoon tot de Vader te kennen geeft en doet ervaren. De Heilige Geest is ook de Schenker van talenten, gaven en bekwaamheden in ambacht en ambt. De Heilige Geest werkt niet alleen herscheppend, maar ook levengevend, bezielend en onderhoudend in heel de mensheid. De particuliere genade moet scherp afgegrensd worden van de gemene gratie. God handhaaft Zijn soevereiniteit tegenover satan en verijdelt zijn destructieve toeleg. God spaart krachtens Zijn lankmoedigheid en geduld de kinderen des toorns. De gemene gratie ligt verankerd in de predestinatie. Het kruis is het middelpunt van de wereldgeschiedenis. Het christendom nam de generale actie der gemene gratie (de Babylonische, Egyptische, Griekse en Romeinse cultuur) in zich op. Onder de inspiratie van de particuliere genade wordt de gemene gratie verdriedubbeld in kracht.

De gemene gratie
De niet-christelijke wereld valt mee. Hoe kan dit? Dat kan omdat God soeverein is. Kuyper beroept zich op de lankmoedigheid van God. Hij neemt zijn uitgangspunt in het noachitisch verbond. De begintijd van de algemene genade ligt in het paradijs. God heeft de bedreiging van de dood niet aanstonds voltrokken. De algemene genade bereidde de komst van Israël en de komst van Christus eeuwenlang voor. Kuypers bedoeling is een leemte in de gereformeerde theologie aan te vullen, te waarschuwen tegen een zich puur terugtrekken op de ziel en cultuurmijders de ogen te openen voor de goedheid en soevereiniteit van God in de boze mensheid mét handhaving van de leer van de corrupte natuur. S. van der Linde erkent in 1955 dat Kuyper het pneumatologische manco van de Nadere Reformatie en dat bij Calvijn inzake de cultuurarbeid als eerste heeft aangevuld. Oepke Noordmans waarschuwt tegen de gevolgen van het uit het oog verliezen van de negatieve kant van de algemene genade. Berkhof zegt dat het ‘de grote geest van’ Kuyper is geweest die de stillen in den lande weer tot deelname van het nationale en culturele leven heeft bewogen. ‘De ere Gods op alle terreinen des levens!’

De veronderstelde wedergeboorte: een omstreden motief
Inzake de heilsorde leert Kuyper de rechtstreekse wedergeboorte door de Heilige Geest zonder de bemiddeling van het Woord (de on-middel-lijke wedergeboorte). De Heere begint Zijn heilswerk met de inplanting van een nieuw levensbeginsel of het geloofsvermogen in het verbondszaad. Hierbij blijft de zondaar geheel passief. Dit wonder geschiedt meestal in de moederschoot of meteen na de geboorte. Waarom ontwierp Kuyper de veronderstelde wedergeboorte? Een eerste motief is een hard demografisch, statistisch gegeven. In zijn tijd wijzen de statistieken uit dat 56 procent van de jongeren van 1-20 jaar sterft, het gaat hier om niet minder dan het lot van de helft van de mensheid. Daar het noodzakelijk is wedergeboren te zijn om het Rijk van God binnen te gaan, mogen we aannemen dat God de kiem van nieuw leven in kleine kinderen heeft gelegd. Dit zou de normale orde moeten zijn. ‘De gedachte ligt dan ook voor de hand dat de schare voor den troon, die niemand tellen kan, voor verreweg het grooter deel bestaan zal juist uit zulke kinderen Gods, die uit dit leven zijn weggeroepen, eer zij den strijd des levens gekend hebben’.

Motieven waarom
Een tweede motief is dat de mens zonder meer corrupt is en een totale vernieuwing nodig heeft. Een derde motief is dat de roeping door het Woord wel de bekering maar nooit de wedergeboorte voorbereidt. Om het evangelie te kunnen horen moet de mens eerst het vermogen daartoe bezitten. Een vierde argument is dat in het Nieuwe Testament een stringent verband wordt gelegd tussen de doop en het voorhanden geloof. Het sacrament is alleen bestemd voor de gelovigen, dus dient er al geloof te zijn bij de doop. Een vijfde motief is dat wij niet zeker weten of we met uitverkorenen dan wel met potentieel verworpenen te doen hebben bij de doop. We moeten oog hebben voor de samenhang der geslachten. Kuyper onderscheidt meerdere gronden voor de doop: wedergeboorte (geestelijke grond), genadeverbond (rechtsgrond voor ouders en kerk) en het verkiezend welbehagen (de grond voor God en van Godswege). Ten zesde hanteert Kuyper een antropologische onderscheiding tussen zijn en bewijstzijn, het innerlijke levensprincipe en de uitingen daarvan, de kern en de omtrek.

Een opmerkelijke positie wordt ingenomen door J.C. Appelius (18e eeuw). Hij leert dat God in de sacramenten het heil onderwerpelijk verzegelt en dat alleen ware gelovigen recht hebben op het avondmaal. Ten aanzien van de kinderdoop leert hij echter dat God niet de belofte verzegelt aan het kind noch aan de ouders maar aan de gemeente. Zodoende staat hij een zeer ruime dooppraktijk voor. Kuyper was hier in zijn vroege periode een aanhanger van. ‘Doopt alles wat in het doophuis uitkomt!’ Kuyper beroept zich inzake de leer van de lijdelijk ondergane, onbewuste, sluimerende wedergeboorte op Maccovius. Kuyper kent een sacramentele genade. De leer van de sluimerende wedergeboorte heeft vele talentvolle en gezaghebbende verdedigers gevonden (Voetius, Van Mastrigt, Witsius), maar is nooit in de kerk als officiële leer aanvaard. Ook Kuypers conceptie werd in de GKN nooit officieel aanvaard.

Wedergeboorte en heiligmaking
Wat is wedergeboorte? Het is een wonder. De mens is volstrekt passief. God is de enige Bewerker. Het is een geheimenis, net zoals het ontstaan van een embryo of de geboorte van een kind. De wedergeboorte is geen vervanging van ons ‘ik’ door een ander ‘ik’. Het is evenmin een gelijk blijven van het ‘ik’. In de wedergeboorte krijgen we geen nieuw wezen maar wordt onze natuur herboren. Wie zou zeggen dat een wedergeboren mens precies gelijk is aan een niet wedergeboren mens zou daarmee volslagen miskennen het heerlijk werk van de Heilige Geest. Wat veranderd er dan in de mens? Zijn ‘ik’ wordt vernieuwd. Het centrum is door de zonde ontaard slecht geworden. De levendmaking kan geschieden vóór, met of na de verkondiging en het horen van het evangelie. Maar de wedergeboorte is een daad van God in ons, zonder ons en niet gebonden aan het middel van het Woord. De bekering geschiedt altijd door het Woord. Onze ziel wordt verenigd met Christus in een mystieke unie. Het gaat in de heiligmaking niet zonder meer om de levenspraktijk maar om een integrerend deel van het belijden, om een leerstuk, om een dogma. De leuze ‘geen leer maar leven en goede werken’ is misleidend en ongerijmd. In de heiligmaking gaat het om een kwaliteit, hoedanigheid en heilige hebbelijkheid. Tussen de binnenste kern van de wedergeborene en de omtrek daarvan blijft levenslang een spanning bestaan. Kuyper ziet de charismata als even onherhaalbaar als de vleeswording van de Zoon. Er is onderscheid tussen tijdelijke, buitengewone charismata en blijvende gewoonte. Er zijn ambtelijke en niet-ambtelijke gaven.
Kuyper noemt vier soorten gemeenteleden: er zijn uitverkorenen die al vóór hun doop wedergeboren zijn, er zijn er die niet alleen vroeg wedergeboren zijn maar ook zich al vanaf hun jeugdjaren bekeerden, er zijn er die op later leeftijd bijna gelijktijdig wedergeboren én bekeerd zijn en er zijn gedoopten die niet uitverkoren zijn en die in de wan als het kaf van het zaad straks afgeblazen worden.

Kleine balans
Kuyper heeft velen een goede dienst bewezen met zijn boek over de Heilige Geest. Het is misschien te boud gesproken dat hij met dit werk een radicale pneumatologische kentering of zelfs doorbraak heeft bewerkt. Kuyper was blijkens zijn vele meditaties een bevindelijk type. Hij beweegt zich in zijn pneumatologie in de (westerse) katholieke traditie. Hij neemt zijn uitgangspunt in het liefdeleven van de drie-enige God. De Heilige Geest herschept de misvormde zondaar tot een nieuwe schepping. Kuyper verwerpt de gedachte dat het in deze instorting zou gaan om een aan de mens toegevoegde bovennatuur of om een stoffelijke levenskiem. Onze afwijzende kritiek op Kuypers leer is gericht op: (a) De antropologische noties bewust/onbewust. (b) Zijn leer aangaande de onmiddellijke, sluimerende en veronderstelde wedergeboorte. (c) Zijn gedachte dat het nieuwe ‘ik’ een soort perfectibiliteit zou bezitten.

Er is een neo-Kohlbruggiaanse traditie, die zich taai en sterk verzet tegen de inklevende (inherente, ingegoten) gerechtigheid (iustitia infusa). Ook Th.L. Haitjema kwam sterk in verzet tegen de wedergeboorte als psychologische hebbelijkheid of als een heiligingsprincipe dat zich uit eigen inherente krachten min of meer zelfstandig ontwikkelt. In de dialectische theologie bleef een reserve tegenover de psychologie bestaan. Sommigen wijzen erop dat Kuypers wedergeboorteleer verminkt is weergegeven en hardnekkig is misverstaan. Hij wijt dit aan het overtrokken interpreteren van beelden (zaad, kiem) met een zin die Kuyper zelf er nooit in gelegd heeft. Kritiek kunnen we hebben dat Kuyper, ook al bleef hij Kohlbrugge met zijn vooropstellen van de rechtvaardiging eren, de wedergeboorte zo vooropstelde, dat dit binnen de gereformeerde gezindte de boventoon zou gaan voeren.

Kritiek op Kuypers leer van de veronderstelde wedergeboorte
We zien in meer dan één opzicht dat Kuyper tekort doet aan de innige samenhang tussen Geest en Woord. Hij leert dat de roeping door het Woord nooit de wedergeboorte voorbereidt. Kuyper scheidt hier Woord en Geest. Zijn schema onbewust/bewust is onjuist. De afstand tussen Woord en Geest wordt door Kuyper veel te groot gemaakt. De veronderstelling van de wedergeboorte bij kinderen van gelovige ouders roept vraagtekens op. Dit wil weer niet zeggen dat we prompt in een ander uiterste moeten vervallen en constant moeten twijfelen aan de wedergeboorte van de gemeenteleden of kinderen. Van Ruler verwijt Kuyper een historisering van de uitstorting van de Geest, vindt dat er sprake is van dualisme, omdat Kuyper iets toevoegt aan het mens-zijn. Ook verwijt hij dat Kuyper aan de innerlijkheid een absolute prioriteit toekent boven haar ethische gehalte in het openbare en handelende leven van de mens, dat Kuyper een individualiserende mensleer voorstaat, en dat de Geest te veel buiten het Woord werkt. W.H. Velema laat zien dat Kuypers onjuiste scheppingsleer beslissend is voor de rest van zijn leer. De gedachte van een kiem van leven, die zonder de Heilige Geest door de Zoon geschapen wordt, is geen vruchtbare bodem voor een gereformeerde pneumatologie.

Correcties op Kuypers leer
Kuypers conceptie, die zeker blijvende waarde heeft, moet gecorrigeerd of aangevuld worden.
1. Het is de Geest die als Schepper-Onderhouder het leven in stand houdt en alle cultuur mogelijk maakt.
2. We kunnen heel wat teksten aanvoeren die getuigen van Gods goedheid en barmhartigheid jegens de mensheid in het algemeen.
3. In Kuypers conceptie wordt niet slechts Gods goedheid beleden, maar ook gehandhaafd dat de zonde een levensontwrichtend en dodelijk karakter heeft.
4. Deze conceptie onderscheidt op duidelijke wijze tussen Gods bijzondere bemoeienis met Israël en de volken na de Pinksterdag enerzijds en de algemene en andersoortige bemoeienis van God met alle volkeren anderzijds.
5. Kuypers conceptie laat zien dat God de soevereine Koning van het unversum is en daarom over alle volken het bewind voert.
6. Deze conceptie geeft ons een middel in handen om binnen het christendom te onderscheiden tussen de zaligmakende, heiligende werkingen, gaven en werken van de Geest enerzijds en Zijn verlichtende, uitwendig-beschavende en kwaadstuitende werkingen, gaven en werken anderzijds.
7. Kuyper kan zich beroepen op de gereformeerde traditie.
8. Een groot gebrek is dat de algemene genade niet op de kennis Gods is gericht en wel op de ontplooiing van de cultuur. Het pelgrim-zijn van de christen komt volstrekt in de verdrukking. De gemene gratie moet veel sterker verbonden worden met de bijzondere genadeopenbaring van Israël en in Christus.
9. Niettemin heeft deze conceptie recht van bestaan.

Kuypers leer aangaande de Heilige Schrift
Kuyper schreef De hedendaagsche Schriftcritiek in haar bedenkelijke strekking voor de gemeente des levenden Gods. Het is zo verderfelijk, omdat het haar eigen bestaansgrond ondermijnt. Het ‘moet uitlopen op een doodbloeden der theologie’, zo zag Kuyper terecht. Kuyper verzet zich tegen de dictaattheorie of mechanische inspiratieleer. Want dan zou een schooljongen ook wel de brief aan de Romeinen geschreven kunnen hebben. Zijn Schriftleer kreeg de naam van organische inspiratieleer. Kuypers leer over de Heilige Schrift is een wezenlijk onderdeel van de pneumatologie. Veelschrijver Kuyper had nog wel eens de neiging om teksten op de klank af aan te halen, een tekst te misbruiken als motto of teksten uit het verband te rukken. Kuypers Schriftleer heeft een blijvende en actuele waarde. Kuypers inzet voor een gedegen wetenschappelijk onderzoek van de Schrift en zijn vasthouden aan de theopneustie van de Schrift is een beslist opvallende combinatie. Kuyper wilde de theologie met het eigentijdse bewustzijn in rapport brengen. De theologie mag niet ontaarden in de wetenschap aangaande de vrome christen. De Heilige Geest is het formele principe van de theologie. Het wedergeboren subject houdt rekening met de boosaardige neigingen en kan zelf ook verblind zijn of blinde hoeken hebben.

De rekbare inspiratieleer bood ruimte om ethische vermaningen zoals die inzake de slavernij en het zwijgen van de vrouw als tijd- en cultuurbepaalde uitspraken op te vatten en voor het heden niet meer als verplichtend gebod te laten gelden. Deze rekbaarheid heeft echter grenzen. In de 20e eeuw werd Kuypers overtuiging dat er tussen christenen en niet-christenen door het werk van de Heilige Geest een tegenstelling bestaat en dat christenen een eigen stijl en cultuur ontwikkelen nogal aangevochten, zodat bijvoorbeeld de christelijke identiteit van de Vrije Universiteit een strik om de hals kreeg. Ook is er andersoortige kritiek. Van Ruler, die Kuypers conceptie ook wel bewonderde, onderwierp het ook aan grondige kritiek. Zijn droom als neo-theocraat bleef onvervuld; de Nederlandse samenleving verhumanistiseerde en ontkerkelijkte steeds meer.

Strijd binnen de GKN
In 1905 kwam het tot een compromisuitspraak, waarin de legitimiteit van de kuyperiaanse gevoelens wordt erkend, maar aan de andere kant wordt gerelativeerd. De uitspraken van 1942 en 1946 sloten aan op 1905. Zij werden aan ambtsdragers bindend, hetgeen ernstige gewetensbezwaren opriep. In 1959 werd de Vervangingsformule van 1946 terzijdegesteld met als motief dat deze niet het effect had gehad dat het struikelblok op de weg naar hereniging met de vrijgemaakten werd opgeheven. In 1988 erkende de GKN dat de bezwaren van K. Schilder wel degelijk grond hadden. Na de kerkscheuring van 1944 maakte zich van meerdere gereformeerden een gevoel van teleurstelling en onbehagen meester over de gang van zaken in kerkordelijk en kerkstructureel opzicht. Toen in 1967 ook in de GKV een breuk ontstond, nam het gevoel van teleurstelling over het verschijnsel ‘gereformeerd-zijn’ toe. Het enthousiasme voor het katholiek-gereformeerde belijden, dat Kuyper bij velen had gewekt, ging bij meerderen aanzienlijk verkoelen. Opmerkelijk was dat de vrijgemaakt gereformeerden grote liefde voor de klassiek-gereformeerde confessie bleven koesteren. Een belangrijk gevolg van 1944 was de koudwatervrees bij de GKN voor het uitoefenen van tucht over ambtsdragers. Zo werd H. Wiersinga in 1976 ongemoeid gelaten. Het trauma van de scheuringen zat kennelijk zo diep.
Zijn trouwens kerkscheuringen geen teken van een ernstig manco inzake het vervuld zijn met de Heilige Geest? Een les van 1944 is dat het agenda van de kerk niet losgemaakt mag worden van het actuele gebeuren.

Overige
– De neo-rooms-katholieke theologie neemt aan dat alle niet-beëvangeliseerden een heilskans ontvangen op grond van Gods universele heilswil. Ook meerdere neo-protestanten zijn geneigd dit spoor te volgen.
– Er is strijd geweest over de eerste vraag in het Doopsformulier inzake het geheiligd zijn van kinderen: moet dit worden opgevat als innerlijke heiliging of uitwendige heiliging?
– A. Kuyper Jr. dreef de leer van de sluimerende wedergeboorte zo op de spits dat hij stelde dat Paulus al wedergeboren geweest zou zijn toen hij de gemeente Gods nog vervolgde! Hij werd hierom aangeklaagd door L. Lindeboom (1905).
– De leer van de veronderstelde wedergeboorte heeft meegewerkt aan de verschraling van de GKN en de massale kerkverlating: valse gerustheid en de dwaling dat alle mensen delen in het heil en dat het verschil tussen gelovigen en ongelovigen is dat de eersten het weten en de tweeden het niet weten.

Gepubliceerd in februari 2008