De prediking van Ebenezer en Ralph Erskine

n.a.v. P.H. van Harten, De prediking van Ebenezer en Ralph Erskine. Evangelieverkondiging in het spanningsveld van verkiezing en belofte, ’s-Gravenhage 1986

Achtergrond en leven
Het algemeen aanbod van genade
De homiletische erfenis van de Erskines wordt gerekend tot ‘the best theological and devotional literature’ van Schotland. Hun preken in vertaalde vorm hebben ook in Nederland invloed uitgeoefend. Één bepaald aspect van hun prediking heeft vooral bekendheid gekregen, namelijk dat van het algemene aanbod van genade. De Erskines hebben ons geen volledig uitwerkte geloofsleer nagelaten.

De Reformatie in Schotland
Ebenezer werd in 1680 geboren, vijf jaar later Ralph. Hun vader Henry was predikant. De Reformatie had krachtig doorgewerkt in Schotland. De eerste martelaar, Patrick Hamilton, was een leerling van Luther geweest, en maakte ook een scherp onderscheid tussen wet en evangelie. Vooral John Knox was de stuwende kracht van de Schotse Reformatie. Hij richtte zich op Genève. Er is een langdurige confrontatie geweest van de Schotse kerk met de absolutistische aanspraken van de Stuarts. De kerkelijke vergaderingen werden ‘sessions’, ‘presbyteries’, ‘synods’ en de ‘General Assembly’ genoemd. In 1638 probeerde Karel I liturgische veranderingen in te voeren; dit leidde tot de massale ondertekening van ‘the National Covenant’. Eerder verbonden volgelingen van Wyclif zich al tot ‘bands’. Knox was er van overtuigd dat God Zich niet enkel op de enkeling richtte, maar volksgewijs werkte.

Einde van de strijd
Het ‘covenant’ van 1638 werd in 1643 gevolgd door ‘the Solemn League and Covenant’. In de jaren daarna kwamen tegenstellingen openbaar: de ‘Resolutioners’ en de ‘Protesters’. Tussen hen was ook onderscheid wat betreft prediking. Laatstgenoemden waren het meest evangelisch en onder het volk ook het meest geacht. De benaming ‘Godly partie’ zegt al genoeg. Toen de Stuarts dankzij de ‘restauration’ van 1660 weer aan de macht kwam, brak er een moeilijke tijd aan. Veel predikanten (270) werden afgezet, en die gingen ‘fieldmeetings’ houden. De ‘fieldpreachers’ riepen de mensen met ernst op de goede keuze voor Christus en Diens zaak te doen. De overheid deed allerlei ‘indulgences’, maar de meest vasthoudende presyberianen hielden voet bij stuk. Er zouden veel executies, verbanningen en gevangenschappen volgen. Toen zich in 1688 de ‘glorious revolution’ voltrok was de 130 jaar durende strijd definitief beslist in het voordeel van het presbyterianisme. Hoewel de Erskines vooral opgegroeid zijn in de ‘Post-Revolution-Church’, hebben de strijd en het geloofsleven van de ‘covenanters’ uit het midden van de 17e eeuw en later een diepe en blijvende indruk op hen gemaakt.

Soteriologische concentratie
Bij John Knox was de prediking het belangrijkste. Wezenlijk is dat het soteriologische element voor de inhoud van de prediking bepalend is. Niet alleen Calvijn, ook Luther beïnvloedde Schotland. Dat zien we in de bevindelijke instelling en evangelische warmte die het Schotse calvinisme kenmerkte. De persoonlijke geloofsband met Christus was belangrijk. In de ‘covenanted period’ beleefden de Schotse theologie en prediking hun hoogtepunt. Het scholastieke predestinatianisme werd kenmerkend in Schotland. Hier zien we beïnvloeding van Petrus Martyr en Martin Bucer. Vanuit Engeland was er een wijze van theologiseren ontstaan waarbij men de ‘ordo salutis’ centraal ging stellen. Terwijl men in het lutheranisme de uitverkiezing steeds meer uit het oog verloor, kwam men in het gereformeerd protestantisme ertoe deze steeds meer te beklemtonen. Zo werd het goddelijk initiatief benadrukt, en tegelijk alle verdienstelijkheid van de mens uitgesloten. De aandacht voor de uitverkiezing was dus vooral ten behoeve van de soteriologie, en niet door een gerichtheid op de soevereiniteit van God.

Ondanks het scholastiek getinte denken vanuit de predestinatie kreeg dit geen uitgewerkte plaats in catechese en prediking. Het evangelicale element bleef een sterke plaats innemen. Rutherford, bij wie mystiek en scholastiek samengingen, hing het supralapsarisme aan. Voor hem was de zonde een middel dat God aanwendde om een doel te bereiken dat anders onhaalbaar geweest zou zijn.

Aristoteles
Door de uitverkiezing naar voren te halen wilde men de gelovigen troost bieden. Het ging steeds meer gepaard met het handhaven van de ‘limited atonement’. Scholastieke begrippen werden in de theologie ingevoerd. Men had wapens nodig in het conflict met de rooms-katholieken, maar ook in onderlinge meningsverschillen. Daarom ging men het begrippenmateriaal van Aristoteles gebruiken. Het causale denken, dat kenmerkend is voor de Griekse wijsgeer, waarbij men God als de eerste Oorzaak zag, tot Wie men alles herleidde, heeft in de Westminster Confessie mede geleid tot een beklemtoning van de predestinatie en de soevereiniteit van God. Het veelvuldig verwijzen naar het welbehagen van God valt op.

De zekerheid van het geloof kon door middel van zelfonderzoek verkregen worden. De gelovige moest soms lang wachten en met veel moeilijkheden te kampen hebben, voor hij de onbedrieglijke zekerheid heeft. Zo zegt de Westminster Confessie. De Schotse kerk stelde zich onvoorwaardelijk achter de besluiten van de Dordtse Synode dat het arminianisme afwees. het arminianisme was des te meer verdacht omdat men het verbond met het Engelse episcopalisme (William Laud).

Schotland 1700
De situatie in Schotland omstreeks 1700 was niet best; het was een achtergebleven gebied. De verbindingen in het land waren slecht. De samenvoeging met Engeland ging niet van harte. Na de ‘union’ zouden de beslissingen voortaan alleen in Londen worden genomen. Voor het kerkelijk leven had dit verstrekkende gevolgen, in negatieve zin. Voor de economie betekende het echter een vooruitgang van de handel en de industrie. Het Schotland van de Erskines was van vóór de industriële revolutie. De samenleving droeg een agrarisch-ambachtelijk karakter. Doordat de urbanisatie nog niet haar intrede had gedaan, was ze overzichtelijk. De nationale kerk van Schotland omvatte bijna de gehele bevolking. In onderscheid van Engeland, waar het morele verval zich al vroeg in de 18e eeuw inzette, bleef in Schotland het puritanisme de levensstijl sterk beïnvloeden. Zo was er in de huizen vaak een binnenkamer, een ‘closet’, waar men zich kon terugtrekken voor persoonlijk gebed en meditatie. Het nodeloze verzuim van kerkdiensten kon op tuchtmaatregelen komen te staan. De kerkdienst was zo sober mogelijk; zelfs tegen het bidden van het ‘Onze Vader’ tijdens de diensten leefden bezwaren.

Avondmaalsdagen
Er waren kernen van geestelijk leven, ‘societies’, vergelijkbaar met de Nederlandse gezelschappen. In de tijd van de vervolging speelden deze societies een grote rol als haarden van verzet tegen de politiek van de Stuarts. De afscheidingsbeweging waaraan de Erskines leiding zouden gaan geven, zou juist in tal van deze societies met hun opgewekt geestelijk leven en met het misnoegen dat er meer dan eens was over de plaatselijke prediking, ingang vinden. Hoogtepunten in het kerkelijke leven waren de avondmaalsdagen, massale avondmaalsvieringen meestal in de zomermaanden, één keer per jaar. De avondmaalsdienst zelf was omgeven door een groot aantal andere kerkdiensten. Deze periode werd betiteld als ‘the Preachings’. Soms waren er enkele duizenden deelnemers. Er is ook kritiek op deze gewoonte gekomen. Zo vond Thomas Boston het jammer dat hij, om elders te assisteren, zijn eigen kerk moest sluiten. Whitefield zag het nadeel van de weinig frequente avondmaalsvieringen hierdoor. Deze dagen waren hoe dan ook uitzonderlijk in de kerkgeschiedenis.

Antropocentrische tendens
Een vrije nodiging tot het heil was lang niet algemeen in het 18e-eeuwse Schotland. Sommigen vonden bepaalde hoedanigheden nodig om tot Hem te gaan en door Hem te worden aanvaard. Gesproken wordt over de ‘necessary Gospel-Terms and Prerequisites’. Ondanks dat de prediking bedoelde te leiden tot Christus was er ook wel weer heel veel aandacht voor de mens: een antropocentrische tendens. Serieuze gemeenteleden waren voortdurend bezig op hun geestelijke bevindingen te letten. Men deelde de gemeente in verschillende categorieën in: beginnelingen, ‘rokende vlaswieken’, mensen met ‘an interest in Him’, bevestigde christenen, zij die hun eerste liefde verlaten hebben, zij die aan beproevingen onderhevig zijn. Veel serieuze gemeenteleden kwamen zo niet tot de zekerheid van het geloof. De wijze waarop over de heiligmaking werd gesproken is in dit verband ook belangrijk. De verbinding tussen Christus en de heiligmaking kwam niet altijd zo sterk naar voren.

Als oorzaak voor deze ontwikkeling is wel gedacht aan de Nederlandse theologie, ‘hyper-Calvinism, drawn largerly form the writings of Dutch theologians’. In Nederland bestond bij iemand als Witsius de neiging in de prediking de beloften op de achtergrond te dringen en die van de kenmerken op de voorgrond te stellen. We hebben hier te doen met een verdere uitwerking en doorwerking van gedachten en voorstellingen die in de periode daarvóór al lange tijd aanwezig waren. Dat soortgelijke gedachten ook elders voorkwamen, laat zien dat het hier ging om een wijdverbreide ontwikkeling in het gereformeerd protestantisme.

De gematigden
Vanaf 1700 begon ‘the Moderatism’ in Schotland veld te winnen, gematigdheid. Ze zouden omstreeks 1750 een overheersende rol gaan spelen in het kerkelijk leven. Uit vrees voor kerkelijke maatregelen hielden sommige ‘Moderates’ hun nieuwe inzichten verborgen. Ze weigerden dan ook niet de Westminster Confessie te ondertekenen. In hun prediking was echter de tendens aanwezig om de inhoud ervan weinig of niet te laten doorklinken. Wel hadden ze een zekere ernst en vroomheid. Deze stroming moeten we plaatsen tegen de achtergrond van de Verlichting. De vermoeidheid over de kerkelijke twisten droegen er ook toe bij. De belangrijkste vertegenwoordiger van de Verlichting in Schotland was David Hume, wel genoemd ‘de grootste scepticus van Europa’. Thomas Halyburton, hoogleraar te St. Andrews was een bekend bestrijder van het deïsme. Hij ervoer de twijfel aan het bestaan van God als de ergste verzoeking.

James Fraser
James Fraser constateerde in zijn tijd (17e eeuw) dat weinig predikanten een ‘gospel-spirit’ hadden. De belangrijkste oorzaak daarvan was dat de twee verbonden, het werk- en genadeverbond, niet goed werden onderscheiden. Weinig werd de heerlijkheid van Christus gepredikt. Om een grondslag te kunnen vinden voor de aanbieding der genade ontwikkelde hij hierin de gedachte dat Christus voor iedereen gestorven was. Het is aannemelijk dat er een, zij het indirecte, lijn loopt van Fraser naar de Erskines.

Ook iemand als Alexander Hamilton achtte het spreken over voorwaarden gevaarlijk. Veler prediking ervoer men als wettisch, ‘legal’, de poging om het heil geheel of ten dele door de werken der wet te verwerven.

De ‘Marrow-controversy’
In 1717 sprak de ‘General Assembly’ uit: ‘Het is niet gezond en orthodox te leren, dat wij de zonde moeten verlaten, om tot Christus te komen en ons in het verbond met God te begeven’. De bedoeling was elke vorm van wetticisme tegen te gaan. Thomas Boston stond achter deze stelling, maar vond de formulering minder geslaagd. In een pauze praatte Boston erover met een collega, en maakte hem tevens opmerkzaam op een boekje, geheten The Marrow of Modern Divinity. Dit Engelse geschrift uit 1645 was geschreven door Edward Fisher, lekentheoloog te Londen. Dit geschrift had 70 jaar lang geen kritiek ondervonden in Schotland, maar werd nu inzet van een lang en emotioneel leerproces.

Het was in de context van die tijd geschreven, een context die leek op het Schotland van een eeuw later. Het was een hartstochtelijk pleidooi voor de genade, tegen het afhankelijk stellen van de vergeving der zonden van berouw en het vooraf laten gaan van het begin van de heiligmaking aan de rechtvaardiging. Fisher leerde, om elke gedachte van verdienste te ontnemen, de rechtvaardiging van eeuwigheid en achtte de wet als norm voor het christenleven van weinig gewicht. Een christen bewees zijn dankbaarheid wel hartelijk en spontaan. Citaten van Luther nemen een grote plaats in.

Fishers theologie veroordeeld
In 1722 werd met grote meerderheid deze theologie van Fisher door de ‘Assembly’ veroordeeld. Een bezwaar was dat men de algemene verzoening leerde, in de zin dat Christus voor alle mensen voldaan had. Ook werd het verwijt gemaakt dat ‘The Marrow’ leerde dat de heiligmaking niet nodig was tot zaligheid. Nog een bezwaar was dat ‘The Marrow’ de vrees voor de hel en de hoop op de hemel als stimulansen voor de gelovigen uitsloot om te gehoorzamen. Datgene wat in het geding was, raakte het geestelijk leven van de gemeente en de praktijk van het pastorale werk, zeker ook dat van de prediking.

Het is waar dat sommige uitspraken van ‘The Marrow’ aanleiding tot misverstand konden geven. Dit alles neemt niet weg dat de veroordeling lichtvaardig is geschied. De ‘Marrow-controversy’ kan geplaatst worden binnen het kader van een bepaalde reeks van conflicten die het Engelse gereformeerde protestantisme gekend heeft. Het geschrift van Fisher was voor de Schotten een schok van herkenning.

De Secession
Directe aanleiding voor de ‘Secession’ was de ‘patronage’, waardoor de vrijheid van de gemeente werd aangetast; verlichte ‘patrons’ weerden namelijk de predikanten die bij het volk geliefd waren. In 1732 kwam het tot een uitbarsting. Vier predikanten besloten tot afscheiding. Het was de eerste afscheiding van de nationale kerk. In 1751 zou de Relief Church volgen en in 1843 de Free Church onder leiding van Thomas Chalmers. Ook bij deze afscheidingen speelde de kwestie van de patronage een beslissende rol. De afscheiding van 1733 is niet los te denken van de waarheidsopvatting van de Erskines en hun medestanders. Consequentie was dat ze de oude historische kerk moesten verlaten. Van de beide broers is Ebenezer degene geweest die het meest op de voorgrond is getreden in het kerkelijk leven. De afscheiding vond weerklank onder het volk. Vooral jonge predikanten behoorden tot de groepering. Hét kenmerk van de ‘Secession Churches’ was hun krachtige evangelieverkondiging. In 1760 telden ze al bijna 100 gemeenten. Het absoluteren van opvattingen leidde al spoedig tot een breuk met Whitefield.

Overige
– ‘Today it is easier to criticize the failures of the Puritans than it is to duplicate their vision or to rival their measure of actual achievement’.
– Ebenezer Erskine schreef, naar de gewoonte van zijn tijd, zijn preken helemaal uit. Wel was het de gewoonte dat de preken uit het hoofd werden gehouden.
– De ‘Marrow-men’ werden ervan verdacht van de Westminster Confessie af te wijken. De ‘Marrow-men’ wezen alleen de toen geldende interpretatie daarvan af, de Confessie zelf niet.
– Ralph Erskine had een zekere mildheid in zijn optreden. Toch nam hij in de kerkelijke conflicten dezelfde houding in als zijn broer. Inzake de afscheidingsbeweging had Ralph, in onderscheid van zijn broer, grote aarzelingen, die zelfs in zijn prediking tot uitdrukking kwamen. Hij had wel sympathie voor de afscheiding. Na veel gebed en strijd sloot hij zich in 1737 formeel bij de ‘Secession Church’ aan.
– Toen Whitefield in 1741 naar Schotland kwam en niet bereid was de ‘covenants’ te ondertekenen en het presbyterianisme als de enige juiste vorm van kerkregering te erkennen en zijn preken niet wilde beperken tot de kerkgebouwen van de Seceders, ook al zei Ralph Erskine dat ‘they were the Lord’s people’, kwam er afstand. De opwekkingen in Cambuslang werden zelfs scherp veroordeeld.
– In 1747 scheurde de Secession Church in tweeën. Ralph’s zoon John schaarde zich bij de ‘Anti-Burghers’, die de Erskines excommuniceerden. Twee jaar later, bij de opening an een ‘Synod’ van de ‘Burghers’, wees Ralph in zijn preek erop dat de eigen onverdraagzaamheid bij de afscheiding van 1733 één van de oorzaken van de verdeeldheid was.
– In 1748 verzocht de ‘Associate Synod’ Ralph de bestaande psalmbundel uit te breiden met schriftgezangen. Hij ging positief op dit verzoek in, maar zijn pogingen liepen op niets uit.
– Ralph overleed in 1752. Ebenezer zei toen: ‘Hij is mij tweemaal voor geweest. Hij was het eerst in Christus en nu is hij het eerst in de heerlijkheid’. Whitefield sprak van ‘God’s triumhant Saint’. Ebenezer stierf in 1754.
– Ebenezer was een krachtiger persoonlijkheid dan zijn broer. De gevoelige Ralph met zijn levendige fantasie was de meest begaafde.

Homilese en hermeneutiek
Waarheden voorstellen
Van Ebenezer Erskine zijn ongeveer 120 preken in druk verschenen, met in totaal 52 teksten (verschillende teksten werden meerdere malen bepreekt). Vaak was het een preek ter gelegenheid van een bepaalde gebeurtenis, zo is meer dan de helft gehouden op avondmaalsdagen. Van Ralph Erskine zijn 168 preken uitgeven, over 83 teksten. Bij ons als lezer blijft de indruk van een breedsprakigheid en wijdlopigheid achter. In de prediking ging het erom de ‘truths of the gospel’ aan de gemeente voor te stellen. Ook de wijze van kerkregering rekenden ze tot deze waarheden, immers de kleinste waarheid is een onwaardeerbare schat, zo zeiden ze. ‘Waarheden’ zijn niet dorre beschouwingen, maar raken het leven, hebben betrekking op Christus. De bron van die waarheden is de Bijbel. De Erskines citeren wel eens een heidense (Romeinse) schrijver, maar niet vaak.

De Schrift
De Bijbel is eenvoudigweg het Woord van God, van enige kritische benadering is bij hen geen sprake. Ze spraken vanuit de vastheid van het Woord. Christus is hét onderwerp van de Bijbel, alles wijst op Hem, zoals de naald van het kompas altijd naar de poolster wijst. De Bijbel is onuitputtelijk. Ontzettend vaak verwijzen ze ernaar. Het licht van de heilsopenbaring schijnt in het Nieuwe Testament het helderst, het Oude Testament is slechts voorbereiding. Toch zijn de meeste preekteksten gekozen uit het Oude Testament. Vanuit elke tekst leidde voor hen een weg naar Christus, of anders baanden zij er wel één. De Erskines legden een voorliefde aan de dag voor die teksten waarin het heil het meest tot uitdrukking komt. Hoe meer er van Christus in een tekst is, des te meer merg (‘marrow’!) en vetheid, des te meer geur en zoetheid zal de ziel die Hem kent erin vinden. De lectuur van ‘The Marrow’ hebben de Erskines ongetwijfeld geïnspireerd bij hun tekstkeuze. De ‘doctrine’ nam een grote plaats in de prediking in. Het gevaar dat op deze wijze toch een bepaalde dogmatische visie over de Schrift en de prediking gaat heersen, was dus niet denkbeeldig.

Exegese
De Erskines hanteerden een synthese methode, ofwel de Engelse methode. In onderscheid tussen de in Nederland in zwang zijnde analytische methode analyseerde men zo nauwgezet mogelijk de tekst en werd hier een bepaald thema of aspect van de christelijke leer centraal gesteld. De Erskines onthielden zich bij de uitleg van de tekst van geleerde en ingewikkelde betogen. De behoefte om bij de verklaring van de tekst eigen wegen te gaan was niet groot. Men sluit zich vrijwel altijd aan bij het eenstemmig getuigenis van vele orthodoxe schrijvers, de ‘gezonde’ godgeleerden uit de geschiedenis. Aan de verklaring van de tekst ging een korte uiteenzetting van het verband waarin zij voorkwam vooraf. Met name Ralph was goed in het bedenken van uitdrukkingen. Zo kon hij bij een preek onderscheiden tussen narration, explication, confirmation en application. Bij een andere tekst onderscheidt hij tussen elevation, agitation, separation en dejection.

Soms te kort door de bocht
Tijdsomstandigheden komen weinig ter sprake. Welke zonden het volk in een bepaalde tekst bedreven heeft, wordt bijvoorbeeld niet vermeld. Op het evangelische moment komt sterke nadruk. Als er staat dat de satan heeft begéérd te ziften, zegt Ralph: het is sléchts een begeren. We signaleren een behoefte de tekst dogmatisch te plaatsen. De Erskines ontkomen niet altijd aan het gevaar al te snel verbindingen te leggen. Men heeft de gewoonte een woord of beeld uit te tekst van zoveel mogelijk kanten te bekijken. Maar dit gaat wel eens mis: er wordt niet altijd rekening mee gehouden dat bijvoorbeeld de Palestijnse rivieren anders zijn dan de Schotse rivieren. Herman Bavinck constateerde al dat bij alle waardering die hij had de exegese soms te wensen overliet. Dat de Erskines niet ongelimiteerd allerlei inhoudelijk gezien ongewenste conclusies uit een bepaald beeld trokken, is te danken aan hun strak omlijnde dogmatische en theologische vooronderstellingen, die zij bij de uitleg hanteerden.

Christus in het Oude Testament
De vraag kan worden opgeworpen of het Oude Testament wel altijd voldoende wordt rechtgedaan. De tabernakel van David is eigenlijk de tabernakel van Christus, de man met het zwaard is Christus, de troon van God is de troon van Christus, ‘Christ is called Jehovah frequently in Scriptue, as well as the Father’. Van de voorzichtigheid van Calvijn met betrekking tot Christusprediking in het Oude Testament is bij de Erskines weinig te merken. We zien ook een piëtistische verenging van sommige Schriftgegevens. Het doel van de Erskines was de persoonlijke toepassing van de tekst. De Erskines werken graag en veelvuldig een bepaald gegeven uit in het licht van de hele gang van Gods heilshandelen, dus van de eeuwigheid via het heden tot in de voleinding.

Preekmethode
De Erskines hanteren een bepaalde homiletische opzet, waar zij slechts bij uitzondering van afwijken. Eerst werd het verband en de tekst zelf in het kort verklaard, daarna een bepaalde leerstelling vastgesteld, ‘doctrine’, waaraan soms nog een aantal ‘reasons’ werden toegevoegd, om deze te bevestigen. Daarna de toepassing, ‘application’, die dan op de uiteenzetting van de leer diende te volgen, in verschillende ‘uses’ gesplitst. Bij dit laatste onderdeel, de toepassingen, werden niet zelden actuele gebeurtenissen uit het kerkelijk leven onder kritiek gesteld. Thomas Boston had hier een afkeer van, omdat zij slechts de nieuwsgierigheid van de mensen prikkelde. Ralph Erskine zegt echter: ‘I love not to speak in the clouds’. Hij wil dus niet op een vage manier spreken. Aan het einde van het preek was er de ‘exhortation’, de climax, met een indringend en appellerend karakter. De boodschap blijkt hieruit allerminst vrijblijvend te zijn.

Te veel onderverdelingen
De Erskines conformeerden zich in deze preekmethode geheel aan die van de Puriteinen, die hun ook aan de universiteit was voorgehouden. Whitefield onderscheidde zich van de Erskines door een grote levendigheid en weinig schoolse vormen. Westminster waarschuwde een eeuw eerder tegen een teveel aan verdelingen, ‘scholastic to the extreme’, waar de Erskines zich eigenlijk wel schuldig aan maakten. Qua stijl was vooral Ebenezer sober en zakelijk. Van fraaie woordspelingen en menselijke welsprekendheid had hij een afkeer. Ralph gebruikte veel meer beelden en illustraties. De lengte van de preken van de Erskines moet ongeveer een uur zijn geweest. Het kon echter wel eens uitlopen. Ralph schijnt een keer een preek van vier uur te hebben gehouden!

Werkverbond en genadeverbond
Drie verbonden?
Bij de Erskines neemt de leer van het verbond een centrale plaats in. De vorm waarin wij deze aantreffen is die van het werk- en genadeverbond. De Erskines stonden met hun verbondsopvatting in een lang gevormde traditie. In de belijdenis van Westminster werd de leer van het werk- en genadeverbond officieel vastgelegd. Ook in Schotland werd de verbondsgedachte gemeengoed. Een nadere uitwerking kreeg de verbondsgedachte, toen men ging onderscheiden tussen drie verbonden. Spraken de Westminster theologen alleen nog van het werk- en genadeverbond, bij de verdere ontwikkeling werd het verbond der genade gesplitst in een verbond der verlossing en in het verbond der genade. Het verbond der verlossing werd geacht gesloten te zijn tussen de Vader en de Zoon in de raad des vredes en betrof de verlossing van de uitverkorenen. Op grond hiervan was het verbond der genade tussen God en de gelovige mogelijk. In de weg van het geloof kreeg men deel aan alle zegeningen die door Christus waren verworven. De leer van de drie verbonden kreeg een zekere populariteit in Schotland, bijvoorbeeld bij John Flavel.

De verbondsgedachte in de context van die tijd
De populariteit van de verbondsgedachte is niet los te zien van de maatschappelijke en politieke context van die tijd. Het feodale denken van de Middeleeuwen werd verwissend voor het denken in contracten. Allerlei verhoudingen werden door middel van op contracten lijkende ‘covenants’ geregeld. De belangrijkste factor in de ontwikkeling van de verbondstheologie was de behoefte naar zekerheid. Het Calvinisme leerde Gods soevereiniteit. Nodig is een vrijwillig Zich neerbuigen van Gods kant, waarbij de wederzijdse verhoudingen werden vastgelegd. Het belang van het verbond was dat deze afdaling daadwerkelijk had plaatsgevonden. De verbondstheologie betekende ook een doorbreking of afzwakking van de scholastieke tendensen in de theologie. Maar door het verbond als leidende gedachte te nemen ontstond een systematisering van de bijbelse boodschap, die laat zien dat de verbondstheologie zelf ook niet vrij is gebleven van de scholastiek. Ook is de verbondstheologie zelf niet aan een eenzijdig benadrukken van de uitverkiezing ontkomen. Het genadeverbond was in de eeuwigheid opgericht en betrof alleen de uitverkorenen.

IJdelheid van het aardse leven
Het begin van de Bijbel was voor de Erskines vooral belangrijk vanwege de oprichting van het werkverbond. Er is een positieve waardering voor het geschapene. Men spreekt graag van ‘the providence’. Maar vooral de gevolgen van de zonde in de schepping is een thema waar de Erskines op hameren. Het geschapene verkeert onder de vloek der zonde. Er is een besef van ijdelheid van dit aardse leven. Voor een christen is deze wereld een tranendal en een klaaghuis. Deze gereserveerde houding staat in contrast met de levenshouding van de ‘Moderates’, bij wie de levensgenieting hoog stond aangeschreven.

Het werkverbond
Het werkverbond (met Adam als hoofd) bevatte drie delen: een gebod, een belofte en een bedreiging. We moeten hierbij niet zozeer denken aan het proefgebod van Genesis 2:17, maar meer aan de zedelijke wet van God, een afschrift van Gods heilige natuur. Typerend voor het werkverbond is dat de gehoorzaamheid vooropging. Het nakomen van de plicht was de voorwaarde om de vervulling van de belofte te ontvangen. De belofte van het werkverbond was die van het eeuwige leven. Het niet nakomen betekende straf. De dood, de toorn en de vloek zijn de straffen van de wet, zoals die is opgenomen in het werkverbond. Door de val van Adam is het werkverbond verbroken. De eis is gehandhaafd, maar de belofte is verbeurd. Onze toestand is dus deplorabel. De rechtvaardigheid Gods betekent niet dat God behagen heeft in het straffen van Zijn schepsel, maar Hij heeft behagen in het bewijzen van Zijn rechtvaardigheid.

Het vonnis der wet is ten dele al uitgevoerd: ons lichaam is aan de dood onderworpen. Er is tussen de zondaar buiten Christus en het verterend vuur slechts een zwakke levensdraad. De macht van de dood is in handen van de duivel gekomen. De zonde heeft de vermogens van de ziel aangetast: het verstand is vervuld van onwetendheid, duisternis, dwaling, vijandschap en vooroordeel. De genegenheden zijn verstoord, het lichaam is verdorven, we zijn bezield met het beeld van de duivel. We zijn vijanden van God geworden.

Totally total verdorven
De Erskines waren zich in hun prediking bewust van de geweldige realiteit van de zonde. De verdorvenheid is ‘totally total’. De wijze waarop zij de beloften van het evangelie deden uitgaan, hield niet in dat zij zondaren ook in staat achtten daaraan in eigen kracht gehoor te geven. De Erskines hebben geen optimistisch mensbeeld. De plaats van het werkverbond is dus wezenlijk bij de Erskines, evenals in de hele Schotse theologie van die dagen. Tegelijk is de gedachte van het werkverbond ondergeschikt aan die van het genadeverbond. Het werkverbond ws vanaf het begin steigerwerk, God heeft nooit beoogd dat hierop de zaligheid van de mens zou gegrond worden. Het werkverbond werd slechts voor een korte tijd opgericht om de luister en de heerlijkheid van het nieuwe verbond des te helderder te doen stralen.

Het genadeverbond
Het gaat hier slechts om een openbaring van het genadeverbond, want de oprichting vond in de eeuwigheid plaats. Volgens Ebenezer was dit er eerder dan het werkverbond. Het uitgangspunt wordt genomen in de raad des vredes, ‘the council of peace’, en niet bij de verbondssluiting met Abraham (Gen. 17). In feite betreft het in de eeuwigheid gesloten genadeverbon alleen de uitverkorenen. De gehele constructie, dat de Vader, mede namens de Zoon, met de Zoon onderhandelt, doet nogal scholastisch en gekunsteld aan. We treffen hier de inwerking van het predestinatianisme aan. Vanuit het besef van de afstand tussen God en mens kwamen de Erskines ertoe het door velen gemaakte onderscheid tussen het verbond der verlossing en dat der genade af te wijzen, zo deed ook Thomas Boston, maar wel uit andere motieven. De Erskines zagen de onmogelijkheid van het rechtstreekse contact tussen God en mens als motief, Boston wilde vooral wetticisme voorkomen en het genadekarakter van het heil benadrukken. Essentieel is de alles beheersende plaats van Christus in het genadeverbond.

Supralapsarisme?
Het initiatief is van de Vader uitgegaan. Niet alleen Christus was vol mededogen. We mogen spreken over de alles te boven gaande liefde van de Vader. De Erskines spreken over het getal van de uitverkorenen, ‘an elect number’. Dat het supralapsarisme bij de Erskines aanwezigheid is, is wel duidelijk. Maar de wijze waarop ze spraken over de liefde en bewogenheid van God zwakte dit wel in sterke mate af. Gods liefde en recht staan tegenover elkaar. De ontmoeting van deze eigenschappen is niet een dramatisch gebeuren. Het is de allerhoogste God, Die bij Zichzelf te rade gaat hoe Hij Zijn deugden in Christus zal verheerlijken. De Erskines namen de aan de zakelijke en juridische sfeer ontleende terminologie kritiekloos over. Het heilshandelen van God in de eeuwigheid krijgt een zwaar accent. Wat in de tijd geschiedde, vloeide voort uit wat in de eeuwigheid besloten was. Het lijden van Christus was een oude besluit.

Algemene verzoening?
De centrale plaats voor het verlossingswerk is in het kader van de verbondsleer. De hele last en bevestiging van het eerste verbond is op Christus overgegaan. Wat is de reikwijdte van Christus’ verlossingswerk? Alleen op de uitverkorenen gericht of een universele strekking? Er zijn bepaalde overeenkomsten tussen de Erskines en Saumur, waar over ‘algemene verzoening’ werd gesproken, maar van beïnvloeding is geen sprake. Het is mogelijk te danken aan een bepaalde terughoudendheid en pastorale voorzichtigheid van de Erskines, dat zij deze kwestie niet in den brede in hun prediking aan de orde hebben gesteld. Toch zijn er een aantal duidelijke uitspraken die erop wijzen dat zij er als vanzelfsprekend van uitgingen dat Christus Zijn offer alleen heeft gebracht voor hen die Hem van de Vader waren gegeven. Ebenezer zegt ergens: ‘Christus heeft niet genoeg gedaan voor de gehele wereld, maar Hij is gestorven voor een bepaald aantal’.

De Erskines hielden vast aan de ‘limited atonement’. Ze dachten vanuit Gods heilsraad. De effectiviteit van het verlossingswerk is in het geding. De verwerving van het heil en de toepassing ervan liggen in elkaars verlengde. De Erskines zijn geen slaafse navolgers van ‘The Marrow’. Fisher had in het verbond bij de Sinaï slechts een herhaling gezien van het werkverbond. Ralph zegt daarentegen dat er daar ook sprake was van het genadeverbond, hoe duister ook.

De Middelaar van het verbond
Sterke nadruk leggen ze in hun prediking van Christus op Diens goddelijke heerlijkheid en Zijn Gode-gelijk zijn. Dit accent is niet los te denken van de controverse rond professor Simson, die werd aangeklaagd wegens arianisme, wat de Erskines zagen als aantasting van de heerlijkheid van Christus, ja het was ‘damnable blasphemy’. We kunnen niet één Persoon zien, zonder de Anderen te aanschouwen. Ebenezers beduchtheid voor het arianisme is zo groot, dat hij de uitdrukking dat de Vader de bron is van de Godheid, ontoelaatbaar acht. ‘God buiten Christus is een God, Wiens mond vol is van vervloekingen en bedreigingen, en Wiens hand vol vreselijke wraak is om die bedreigingen uit te voeren’. Luther wordt hier geciteerd: ‘Heere, laat mij niet te doen hebben met een God, zoals Hij volstrekt en in Zichzelf is, een God niet in Christus…’

‘God in Christus’ is de eigenlijke grondslag van de christelijke godsdienst. God is alleen in Christus toegankelijk voor ons. Wie God buiten Christus zoekt vindt Hem niet. Dat is het antwoord aan het atheïsme. Christus is het aangezicht van God de Vader. Hij is een levende spiegel. Daarom baden de heiligen in het Oude Testament dat zij Gods aangezicht, dat wil zeggen: Christus, mochten zien.

Christus, de Schatkamer
God de Vader is de bron van alle goed. Om er deel aan te krijgen, wijzen de Erskines naar Chrsitus. In Christus komt God tot ons als een schenkend God. De Vader komt eerst met Zijn gaven tot Christus als Middelaar, voordat Deze tot ons komt met Zijn genade. Dit geven van de Vader aan de Zoon is te verklaren uit de liefde. Deze liefde is voor ons een grote verborgenheid. Christus heeft alle heerschappij en macht van de Vader ontvangen, alle genade, alle zegeningen en beloften van het verbond. Daarom behoort deze wereld tot Christus’ Koinkrijk. De afwijzing van een bepaalde kerkpolitiek werd niet gemotiveerd vanuit bepaalde democratische idealen, maar door Christus’ Koningschap over de kerk.

Geen automatisme
Christus deelt Zijn schatten uit: Hij is ‘the Church’s Treasurer’, de beheerder van de genade. Dit geschiedt door de Geest. De Erskines zijn echter niet geneigd op het werk van de Geest afzonderlijk in te gaan. Dit kan ook te maken hebben met het feit hoe nauw Christus en de Geest met elkaar verbonden zijn. De Erskines waren overtuigd van de noodzaak van Christus’ aanwezigheid, met name in de prediking en de bediening van de sacramenten. Dit is niet automatisch, maar moet iedere keer weer geschonken worden. Zonder Christus kunnen de dienaren van het Evangelie niets doen. Hun gaven, bediening en vrucht op de prediking hangen af van de beschikking van Christus. Het gaat hierbij om een tegenwoordigheid van Christus door de Geest.

In het gereformeerd protestantisme is er de tendens dat de verbondsgedachte zo belangrijk wordt dat de persoon van Christus erdoor in de schaduw komt te staan. Theologen die in reactie hierop Christus in het middelpunt stelden waren Thomas Boston en de Erskines.

De Erskines spraken hun gemeente aan met de kleurloze uitdrukking ‘sirs’. Ze gingen ervan uit dat het grootste deel van hun hoorders onbekeerd was. Ook na de afscheiding bleef dit.

Prediking van de beloften
De prediking van de wet
Voor de Erskines was de prediking van het Woord van God voor alles een prediking van het evangelie en van de belofte. Er was prediking van de wet enerzijds en van het evangelie en van de belofte anderzijds. Hier zien we de tweeslag wet en evangelie, werkverbond en genadeverbond. Het evangelie prediken, dat wil zeggen Christus prediken, is het voornaamste werk van de predikant, maar tegelijk blijft de prediking van de wet tot overtuiging van zondaren noodzakelijk. De neiging van de puriteinen om berouw een voorwaardelijk karakter te geven, weerhield de ‘evangelicals’ uit de 18e eeuw niet toch de noodzaak van het werk der wet te erkennen. De Erskines vonden dat de prediking van de beloften onvoorwaardelijk moest zijn. Maar ook zegt Ralph dat ‘de meest vrije aanbiedingen kunnen niets vermogen op zondaren, voordat zij overtuigd zijn van zonde en ellende’. Ook de Erskines waren overtuigd van de noodzaak van de prediking van de wet. In het spreken over de wet in deze functie overheerst bij de Erskines niet het polemische, maar het pastorale element.

Verschrikkingen van de hel
Een geliefd beeld was de wet als spiegel. De prediking bedoelt ontmaskerend te zijn. De aankondiging van het gericht ontbreekt niet bij de Erskines. Ebenezer wilde nog wel eens de verschrikkingen van de hel en het gericht een grote plaats geven. ‘O, wie kan eeuwigdurende vlammen verdragen?’ Het aantal keren dat de Erskines bepaalde gebeurtenissen in verband brengen met de toorn van God is betrekkelijk gering. Het waren dan ook geen boetepredikers. De Erskines zeggen dat we bij de bedreigingen van de wet met God Zelf te doen hebben. Ralph betwijfelt sterk of iemand een gelovige is, als hij nooit gevreesd heeft voor de hel en de verdoemenis. De Geest brengt ons door de wet tot wanhoop aan onszelf, opdat de noodzakelijkheid van Christus wordt erkend. De Geest werkt door de prediking van de wet in haar geboden en bedreigingen voorbereidend op het evangelie. De wet is als het mes in de hand van de dokter. Maar niet elke overtuiging van zonde leidt tot Christus. Daarom is er bij de Erskines een terughoudendheid op te merken om de overtuiging door de wet als een zaligmakend werk op te vatten.

De concreetheid in het spreken over de hel heeft wel kritiek opgeroepen. Het zou ‘gruesome rhetoric’ zijn, ‘with such elaborate detail concerning the torments of hell’. Ralph ‘won fame by his vivid descriptions of the agonies of the damned’. Kortom, het laat zien ‘the hardness of their gospel’, zo concludeert iemand. Dit alles kan niet los worden gezien van de algehele ontkenning in die tijd van de traditionele leer van de eeuwige straf. De Erskines waren ervan overtuigd dat het vreselijk is te vallen in de handen van de levende God. We moeten dit niet uitvergroten. Slechts in weinig preken komt zulke oordeelsaankondiging voor. Én het was altijd dienstbaar aan het evangelieprediking.

De mate van zondekennis
Hoe spraken de Erskines over zondekennis? ‘Elke maat die het God behaagt te geven is genoegzaam, wanneer die maar eindigt met het aannemen van Christus’. We behoeven dus niet alle verkeerdheden van ons hart te kennen, we hoeven er niet mee in te stemmen verloren te gaan, want dat is de wil van de vijand van God. Zo diep moet het werk der wet zijn, dat het ons af doet zien van alle eigengerechtigheid. Het temporele aspect van de wet ontvangt veel nadruk, mogelijk onder invloed van Luther. In de verkondiging van het Evangelie lag toch hun kracht. Ze wilden liever Barnabassen (zonen der vertroosting) zijn dan Boanergessen (zonen des donders).

De beloften
Ook in hun aandacht voor de beloften staan ze in een lange traditie. In het bijzonder Andrew Gray moet genoemd worden. Bij de Erskines krijgt het spreken over de beloften een nadrukkelijke uitwerking. Voor hen is de blijde boodschap niets anders dan een belofte. Belofte en evangelie zijn hetzelfde. In de beloften gaat het om het heil dat belóófd is. Dit gaat terug op Gods heilsplan. De beloften zijn dus bestemd voor de uitverkorenen. Deze constatering was echter geen uitgangspunt in prediking en pastoraat. Een belovend God is ook een volbrengend God. Een aspect van de belofte is, dat zij ons het heil nabij brengt. Van de belofte geldt dat ze heilsmiddel is. Daar belofte en evangelie samenvallen, kan de eerste niet minder dan het laatste een kracht van God tot zaligheid zijn. De beloften zijn heel belangrijk voor de Erskines. De gedachte van de uitverkiezing is op de achtergrond steeds aanwezig.

Verscheidenheid
Als het gaat om het heil dat in de beloften tot ons komt, wijzen de Erskines op Christus. Tussen Hem en de beloften is er een meervoudige relatie. Niet alleen zijn de beloften in de raad des vredes aan Hem gedaan en zijn ze door Hem bevestigd en verzekerd, maar Hijzelf is er ook de inhoud van. De belofte is in Hem en Hij is de belofte. Ook wordt wel gezegd dat God Zelf de inhoud van de belofte is. ‘Ik ben de Heere, uw God’ is de voornaamste belofte, ‘leading promise’. De drie-enige God schenkt Zich aan iemand weg. De achtergrond van de beloftenprediking in haar verscheidenheid dienen wij te zoeken in het feit dat de puriteinen gewoon waren op de kansel ‘gewetensgevallen’ te behandelen, het oplossen van moeilijke persoonlijke geloofsvragen. Vragen die betrekking hebben op de heiligmaking nemen bij de Erskines een zeer ondergeschikte plaats in.

Beloften en noden
Tegenover de vele bezwaren, bedenkingen en noden van het menselijk hart plaatsten de Erskines de prediking van de beloften. De schatkamer ging open en de arme mens, of hij nu al tot geloof was gekomen of niet, werd gewezen op wat daar voor hem gereed lag. De beloften en noden zagen zij als op elkaar betrokken. De beloften zijn tot vervulling van de noden en de noden zijn er om de heerlijkheid van de beloften te laten uitkomen. ‘Als de ene belofte u niet voldoet, ga dan tot de andere. Als de ene haak voor u te groot is, kunt u een andere krijgen, die beter past’, zo zegt Ralph.

Onvoorwaardelijk
De Erskines constateerden in hun tijd veel wettische tendensen, voorwaarden en hoedanigheden waardoor het evangelie verduisterd werd. Als voorbeelden noemen ze treuren, bidden of het loslaten van de zonde. Het is een algemeen menselijke instelling: elk mens is gehecht aan de wet. Vermenging van wet en evangelie moet tegengegaan worden. De wet is een gebod, het evangelie een belofte. De wet is een dodend woord, het evangelie een woord des levens. Doel was ‘to separate the law and the gospel as far asunder as heaven and earth are separated’. De Erskines ontkennen dat er voorschriften in het evangelie zijn. Het evangelie is geen nieuwe wet. Bij de Erskines behoorden degenen die het verschil tussen de wet en het evangelie niet verstonden, tot degenen die van de tafel des Heeren werden geweerd.

Berouw niet als voorwaarde
Het geloof is instrumenteel, het is de hand van de bedelaar. Het is niet alleen middel om de belofte te ontvangen, maar ook de inhoud van de belofte. Indien het geloof zelf de voorwaarde was, zou de grote tegenwerping zijn: o, ik kan niet geloven. Als het geloof niet zonder voorwaarde beloofd zou zijn, zou het evangelie geen blijde boodschap zijn voor zulke zondaren die verootmoedigd zijn door het zien van hun gebrek aan geloof. Er is een niet opgeloste spanning: God roept tot geloof, én het geloof zelf is gave van God. Het krachtigst zijn de Erskines in hun afwijzing van de ‘repentance’ (berouw) als voorwaarde voor het heil. Dit kan namelijk alleen voorkomen uit het geloof.

Er is een voorbereidend werk nodig, maar dat is er juist op gericht ons van elke voorwaarde af te brengen. Een gesteldheid van het hart mag ook geen voorwaarde worden. Bij de Erskines zien we weinig oproepen om met de zonde te breken.

Waarom is het evangelie onvoorwaardelijk? Omdat Christus aan elke voorwaarde voldaan heeft. Naast de volstrekte beloften onderscheiden de Erskines ook beloften die voorwaardelijk of conditioneel zijn. De ene verbondszegen is aan de andere gehecht, zoals schakels van een keten. Er is een orde in Gods gaven. Het geloof wordt eerst gegeven, en dan, door het geloof, neemt men de andere zegeningen aan.

Het adres van de beloften
Waar de vrijheid van het verbond der genade zo wordt erkend, kon een ruime nodiging van het evangelie niet uitblijven. Vooral dankzij de ‘Marrow-controversy’ was de vrije en onvoorwaardelijke prediking van de belofte en daarmee het priesterlijke en vertroostende element in sterke mate aanwezig in de verkondiging van de Erskines. Als zo krachtig wordt getuigd van de volheid van de beloften en de vrije aanbieding van het evangelie, spreekt het vanzelf dat de nodiging ook tot iedereen dient uit te gaan. Toch twijfelen veel mensen, zijn bang dat ze zich schuldig maken aan aanmatiging. Zulke tegenwerpingen zien we veel in de preken van de Erskines. De oorzaak van deze onzekerheid moet gezocht worden in het nauwe verband dat de heersende theologie legde tussen de uitverkiezing en de beloften. De mensen werden wel van tijd tot tijd opgeroepen tot God te gaan, maar als het ging om de grond die men daartoe had, was er toch onduidelijkheid. We zien een tweeslachtigheid waarbij ruimheid van aanbieding en beperking tot de uitverkorenen samengaan.

Uitverkiezing mag geen blokkade worden
De Erskines onderscheidden zich van vele tijdgenoten, doordat zij naast de relatie tussen de uitverkiezing en de beloften en naast de relatie tussen de gelovigen en de beloften nog een derde erkenden, namelijk die tussen zondaren en de beloften. Dit was geen nieuw geluid, we vinden het al bij Andrew Gray en Hugh Binning. De verborgen dingen moeten we voor de Heere laten. De gedachte van de uitverkiezing mag op geen enkele wijze de prediking van het evangelie hinderen. De beloften worden geadresseerd, voorgesteld en aangeboden. God spreekt tot allen zonder onderscheid. God houdt de namen van de uitverkorenen als Hij in de prediking van het evangelie tot ons komt, voor ons verborgen. Maar tot de hoorders komt het evangelie daarentegen wel persoonlijk.

Spanning theologie en pastoraat
‘Christus wordt als het verbond aan u aangeboden, aan u, man, aan u, vrouw, aan u, die vóór mij zijt, in iedere hoek van deze ruimte; hoewel ik u niet zie, zo is nochtans Gods oog op u en Zijn woord is aan u gericht’, zo zegt Ralph. Een misverstand is te denken dat het heil slechts voor ogen geschilderd moet worden, en dat er dus van een werkelijk aanbod geen sprake is. In hun spreken over het offer van Christus ontbreken universalistische uitspraken niet. Misschien is hier sprake van een inconsequentie bij de Erskines. Er bestaat een zekere spanning tussen hun theologische en pastorale spreken. Pastoraal wilden zij zo ver gaan als maar mogelijk was. De waarachtigheid van God mag door niemand in twijfel worden getrokken. Boston zei dat het in de aanbieding van het evangelie wel is toegestaan te zeggen: ‘Christ is dead for your’, maar niet ‘Christ died for you’.

Misbruik van de beloften
De Erskines sloten hun ogen niet voor het feit dat men misbruik van de beloften kon maken. Er is echter niet de minste aanwijzing, dat deze wetenschap hun ertoe gebracht heeft de nodiging van het evangelie in te perken of met allerlei waarschuwingen te omgeven. Hebben alleen de leden van de zichtbare kerk recht op de prediking van Gods beloften of geldt dit alle mensen als zodanig? John Knox was de gedachte toegedaan dat God volksgewijs werkt. Velen dachten dat het volk van Schotland in een bijzondere relatie tot God stond. De stellingname van de ‘Marrow-men’ betekende dat deze 17e-eeuwse gedachtegang doorbroken werd. Gods beloften zijn namelijk aan alle zondaren van het menselijk geslacht bedoeld, zonder onderscheid van volk. De Erskines zijn wel erg op het eigen land gericht en zijn niet erg zendingsbewust.

Welmenend
De Erskines merkten steeds weer op dat het oprecht gemeend zijn van de aanbieding van het heil in twijfel werd getrokken. De Erskines wijzen erop dat God als de belovende God achter Zijn Woord staat. In Zijn Woord heeft God verklaard dat Hij niet wil dat iemand verloren gaat. Het speculatieve denken, dat door de predestinatiaanse theologie gevoed werd, wordt door de gerichtheid op het Woord teruggewezen. Het bekende woord ‘Alzo lief heeft God de wereld gehad’ wordt door de Erskines niet in een bepaalde richting afgezwakt. God is hartelijk en in alle ernst als Hij ons Christus en het behoud in Hem aanbiedt. Zijn liefde moet niet in twijfel worden getrokken omdat niet alle zondaren behouden worden. De liefde van God houdt niet in dat Zijn toorn is opgeheven. De spanning blijft gehandhaafd. Ze spreken tegelijkertijd over de liefde van God tot iedereen als over de liefde van God tot de uitverkorenen. De liefde van God tot de gelovigen is er één van welbehagen, verheuging en voldoening. De liefde van God tot ieder is er één van welwillendheid en goedwilligheid.

De doop
Slechts een enkele keer spreken de Erskines in dit verband over de doop. Dat dit slechts een enkele maal gebeurt, laat zien hoe de gedachte van het verbond een eigen ontwikkeling heeft doorgemaakt, onafhankelijk van Gen. 17. Wel is het zo voor de gedoopte: ‘See your claim’. De doop is een krachtige aanmoediging tot het geloof. De zichtbare kerk heeft een bevoorrechte positie. Al met al blijft het verwonderlijk dat de Erskines, die juist zo positief over de doop dachten, hieraan in hun prediking weinig uitdrukking hebben gegeven. En dit geldt te meer, als we zien dat zij in het leven van het gezin wel degelijk weet hadden van de troost en het houvast van de doop als teken van het verbond der genade.

Tot iedereen
Het pastorale motief, de ‘overtuigden’ vanuit het evangelie te vertroosten, speelde bij de ‘Marrow-men’ een sterke rol. Ze hadden dus minder oog voor de zorgeloze en ongevoelige zondaren, om die te raken met de prediking van de beloften. Maar toch is dat er wel. De Erskines komen ook rechtstreeks met de beloften tot de ongelovigen. Uit de wijze waarop zij het evangelie rechtstreeks tot de mensen brachten, blijkt dat de prediking van de Erskines beweeglijker is dan hun visie op het werk der wet zou doen vermoeden. Het stellen van de noodzaak van de zondekennis vormde in elk geval geen barrière voor de verkondiging van het evangelie. Hoewel de prediking van de beloften, zoals die door de Erskines gebracht werd, dus geen nieuw element in de Schotse kerkgeschiedenis vormde, verdient de nadrukkelijke wijze waarop zij de beloften in hun verscheidenheid, rijkdom en vrijheid predikten aan een ieder die hen hoorde, toch vermelding. Mede door hun toedoen werd een aspect van de evangelieverkondiging dat op de achtergrond geraakt was, of waar tengevolge van de theologische ontwikkeling onduidelijkheid over was, helder in het licht gesteld.

Het appel
Hun wijze van benadering toont grote waardering voor de mens als ‘redelijk’ wezen, naast het directe appel op het hart. Ralph zegt: ‘De beloften vliegen om uw hoofd en oren, vliegt er ook één in uw hart?’ Het was de overtuiging van de Erskines dat God in de wijze waarop Hij mensen naar Zich toebrengt, Zich allereerst richt op de rede. God doet de ziel geen geweld aan, maar Hij werkt met liefelijke en redelijke argumenten (with loving and rational arguements). We horen ze spreken van motives, advices, considerations en directions (beweegredenen, raadgevingen, overwegingen en aanwijzingen). Veel voorkomend is de vorm: ‘Consider…’ De Erskines wijzen op het gezag van de Vader, er is een uitdrukkelijk gebod van de Vader om Christus aan te nemen: ‘Dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus’. Een speciaal aspect vormt het beantwoorden van de verschillende tegenwerpingen, ‘objections’. Het menselijk verstand kan er volgens Ralph miljoenen inbrengen. Hier komt het zielzorgelijk aspect van hun prediking sterk naar voren.

Remonstrants
‘God wil niet, dat ge komt met hangende hoofden, als veroordeelde misdadigers tot hun rechter, om hun doodvonnis te ontvangen, nee, Hij wil, dat wij met vrijmoedigheid en vertrouwen tot Hem zullen komen, als kinderen tot hun Vader’, zo zegt Ebenezer. Mensen die zeggen dat geloven hun onmogelijk is, moeten opgewekt worden om te probéren in Christus te geloven. Een opmerkelijke passage is dat Ebenezer zegt dat het geen harde zaak is om kleine kinderen met een ABC-boek naar school te sturen, voordat zij ook maar één letter kunnen lezen. Ze krijgen het toch in handen en hun wordt opgedragen te lezen, juist opdat zij zullen leren. Zo gebiedt God te geloven. Het is geen hardheid van God, want Hij belooft ons Zijn hulp.

In ons land is in de 19e eeuw deze oproep van Ebenezer Erkine als ‘ongereformeerd’ en ‘remonstrants’ aangeduid. Wat hij er echter mee bedoelde is dat hij zijn hoorders niet op zichzelf wilden terugwerpen. Bij alles waren de Erskines ervan doordrongen dat het geloof een genadegave van God was en dat Gods almachtige kracht ervoor nodig was. Het gaat dan ook niet aan deze predikers, die vrij baan wilden hebben voor de genade van God, het ook door hen afgewezen arminianisme toe te schrijven.

Tegen passiviteit
Dat de Erskines toch niet ophielden de mensen op te wekken tot het geloof, kwam doordat zij enerzijds overtuigd waren van de menselijke verantwoordelijkheid onder het evangelie en anderzijds een hoge dunk hadden van Gods trouw en welmenendheid en wisten dat God de oproep wilde gebruiken om mensen naar Zich toe te trekken. Zich richtend tot mensen die zondaren waren en lettend op de nood en het gevaar waarin zij zonder Christus verkeerden, wilden zij zich niet blind staren op hun onmogelijkheden. Maar te meer dachten en predikten zij vanuit Gods geopenbaarde heilswil. Het gebruik van de middelen is hierbij van belang. Hier blijkt ook hoe afkerig de Erskines waren van passiviteit. Door op zorgeloze, niet gelovige wijze alles aan Christus over te laten, maakt men Hem ‘tot een dienstknecht der zonde en als tot een oorkussen der zorgeloosheid’.

Preparationisme
Tot de genademiddelen rekent Ralph het lezen en horen van Gods Woord, de aanhoudende overdenking van iemands weg of toestand, het gebed, de omgang met vromen en het zelfonderzoek. Bij de oproep de middelen te gebruiken ontbreekt de waarschuwing tegen het wetticisme niet. De gerichtheid op Christus en Zijn werk voorkomt dat de oproep om de middelen te gebruiken toch weer het karakter krijgt van een soort voorbereiding tot het geloof. Bij het preparationisme gaat het niet om te voldoen aan bepaalde voorwaarden, maar om bepaalde geestelijke werkzaamheden en hoedanigheden, die dienstbaar kunnen zijn om tot het geloof te komen. Gedacht kan worden aan het breken met een bepaalde zonde. In de Westminster Confessie ontbreek het preparationisme. Ralph wekt zondaren op zich te beijveren om alle verhinderingen en beletselen die het geloof en het aanvaarden van Christus in de weg staan te verwijderen.

Gebruik maken van de middelen
De indruk zou kunnen ontstaan dat er toch bepaalde voorbereidende verrichtingen plaats moeten vinden voordat men in het geloof tot Christus kon komen. Dit alles staat echter in een context waarin enerzijds de volstrekte onbekwaamheid en machteloosheid van zondaren gepredikt wordt, anderzijds de macht en de genade van God nadrukkelijk voor ogen wordt gesteld. Gebruik maken van de middelen kan in de weg van het geloven. God kan er Zijn zegen aan verbinden, omdat zij door Hem zijn ingesteld. ‘Geef het gebruik van de middelen niet op, maar wacht op Hem, Die wacht om genadig te zijn’. Thomas Gillespie had een andere mening. Hij zei dat zondaren niet mochten worden opgewekt om in de weg der middelen te wachten op Gods genade, maar dat zij onmiddellijk tot bekering moesten worden geroepen. En bij George Whitefield nam de onmiddellijke confrontatie met het Woord en de waarheid van God een grotere plaats in dan bij de Erskines. Toch bleef het directe appel bij de Erskines niet achterwege en lieten ook zij niet na aan te dringen op onmiddellijke geloofsovergave.

Ralph houdt ons voor de Heere Jezus te aanvaarden, en te zeggen: ‘I take Him’. Het beeld van de bruidegom is vaak gebruikt. Dan is niet de verhouding van Christus als de Bruidegom tot Zijn gemeente centraal, maar de verhouding van Christus tot de enkeling.

Het geloof en de zekerheid ervan
Geen nadruk op de wedergeboorte
De Erskines waren overtuigd van de beslissende betekenis van het geloof. Zoals van Christus wordt gezegd dat Hij rechtvaardig en zalig maakt, zo kan dit ook van het geloof gezegd worden. De Erskines komen met een scherpe veroordeling van het ongeloof. Het geloof kent twee zijden: een habituele zijde en het geloof naar zijn beoefening. Het geloof is één van de voornaamste effecten in de zielen van de uitverkorenen wanneer zij krachtdadig geroepen worden. Er is meer kracht voor nodig om zondaren te verlossen dan om mensen te scheppen. De kracht van God laat zich op een zeer stille en onmerkbare wijze gelden. Hoe hebben ze over de wedergeboorte gesproken? Veel minder dan mannen als Whitefield en Wesley. Dit kwam door het verschillende front waartegen ze zich geplaatst zagen.

Whitefield en Wesley keerden zich tegen het formalisme dat zij in de kerk waarnamen en riepen op tot een persoonlijk en doorleefd christen-zijn. De Erskines daarentegen zagen mensen voor zich die door geestelijke vragen in onzekerheid verkeerden.

Habitus en actus
De Erskines hanteerden ook het schema van de ‘habitus’ en de ‘actus’ van het geloof. Het geloof in zijn werkzaamheden en beoefening kan onderbroken worden. Het geloof ligt in zijn hebbelijkheid te slapen. Niet ongewoon is vaak ook dat de Erskines spreken van de ‘genade’ van het geloof. Een gevaar is een zekere substantialisering of verzelfstandiging van de genade, ook van de genade van het geloof. We zien dan vreemdklinkende opmerkingen: ‘Als het geloof Christus ziet, verdwijnt de genade uit het oog’. Een zeer wezenlijke element van het geloof is de kennis. Het is belangrijk dat de kennis gelóófskennis is. Het gaat om een existentieel kennen. Als ze spreken over een kennis vóór het geloof, is dat vaak in negatieve zin. De Erskines zijn bevindelijk, soms doet het herinneren aan de mystieke hoogte bij Samuel Rutherford.

Tot een echte confrontatie met de geest der eeuw kwam het bij de Erskines niet. Wel vinden we soms beduchtheid voor geestdrijvers als de Quakers. Ook de veroordeling van de opwekkingen in Cambuslang werden bekritiseerd vanwege de emotionele verschijnselen (hoewel bij avondmaalsvieringen van de Erskines soms dezelfde dingen plaatsvonden; Ralph waarschuwde er toen voor: men behoefde niet te denken dat iets buitensporigs of wanordelijks door Gods invloed zou zijn ontstaan). Hier speelden veel vooroordelen mee. Als ze persoonlijk zich op de hoogte waren gaan stellen, zouden ze wellicht een ander standpunt hebben ingenomen. Meer dan bij geestverwanten speelt bij de Erskines het verstandelijke element in de bekering een rol.

De beoefening van het geloof
Al wisten de Erskines van de ‘hebbelijkheid’ van het geloof, toch staat dit bij hen niet op de voorgrond. Geloven is voor hen toch bij uitstek een werkwoord. Het is een aannemen en rusten, een eten en drinken, een toevlucht nemen. Er is volgens de Erskines een niet weg te denken relatie tussen het geloof dat geloofd wordt (fides quae) en het geloof dat beoefend wordt (fides qua).

(1) De beloften worden gepredikt in hun volheid. Zo ontvangt een gelovige ook het hele heil, dat in de belofte vervat is. Wie één belofte heeft, heeft ze alle. Het is een gouden keten. De Erskines spreken over de drie ambten van Christus. Christus is echter niet gedeeld. Wel is het zo dat men eerst tot Christus vlucht als Hogepriester.

(2) De beloften zijn onvoorwaardelijk, ze worden ‘om niet’ aangeboden. Zo moet het heil ook door het geloof aanvaard worden. Het geloof is de zwakste en armste van alle genaden, zo zegt Ralph. De opmerking van een anti-marrow-theoloog, dat veel kerkgangers liever de troost van het evangelie hoorden dan de oproep tot zelfverloochening, is een misverstand. De genade van God, juist omdat zij genade is, kost ons alles.

Egoïsme?
(3) De beloften van het evangelie hebben een adres. In het geloof is een heilig egoïsme. Het is een goede tijding voor mij. Het moet komen tot een persoonlijke geloofsaanvaarding. Christus wordt míj aangeboden. Dit is wezenlijk voor het geloof. In de Bijbel wordt het geloof niet minder dan 300 maal aangegeven door het woordje ‘mij’ of ‘ons’. Dit lijkt op Luther, met zijn ‘meum’ en ‘nostrum’ als belangrijkste woorden van het evangelie. Inzake deze toe-eigening kan de schijn ook bedriegen. Er is een aanmatiging of vermetelheid, ‘presumption’. Persoonlijke betrokkenheid in het geloof, daar gaat het om. Toch is hiermee ook de vraag gesteld of het gemeenschappelijke aspect van het gemeentelijke leven niet te veel uit het oog verloren werd. Bij de Erskines functioneerde de gemeenschap der heiligen vooral in de ‘societies’. Waar het de Erskines vooral om gaat, als zij zo’n sterke nadruk leggen op het persoonlijke karakter en de persoonlijke toe-eigening van het geloof, is dat hier de zekerheid van het geloof in het geding is. Deze staat of valt met dit persoonlijk element.

(4) Inzake de aanbieding van de beloften wezen de Erskines op de welgemeendheid van Gods kant. Met andere woorden: Zijn hart klopt erin. Dit geeft de Erskines aanleiding te spreken over het geloof en het hart. De ratio wordt in het geloof niet geblinddoekt, maar juist verlicht. Ook Owen zei al, dat het geloof ten aanzien van zijn wezen en bestaan in het verstand zit. Het bijzondere is dat het geloof ons hart en onze wil raakt. Het geloof heeft dus ook een plaats in de wil, een sterk voluntaristische inslag dus. Het geloofsbegrip van de Erskines komt dicht in de buurt van Calvijn (een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons).

Geen stadia
De bekende indeling van kennis, toestemmen en vertrouwen wordt ook door Ebenezer Erskine weergeven. In de praktijk vallen toestemmen en vertrouwen samen. Het gaat om de hartelijke en vertrouwensvolle overgave aan en de aanvaarding van Gods openbaring in Christus. Evenmin als de Erskines allerlei onderscheidingen in het geloof hanteren, weten zij van allerlei nauwkeurig omschreven stadia in het leven van het geloof. Wel is er verschil tussen een groot en een klein geloof. Door het geloof worden wij met Christus verenigd. Niet de liefde, maar de toestemming is beslissend. In het geloof wordt de eigengerechtigheid verlaten en onderwerpt men zich aan Christus. Het geloof is ook de genade die de eenheid met Christus het meest bewerkstelligt. De gelovige is door de rechtvaardiging ontslagen van de eis en de vloek der wet. De Erskines hebben niet nagelaten te beklemtonen dat de gelovige vrij is van de wet.

De zekerheid van het geloof
Edward Fisher interpreteert de tekst ‘Gelooft in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden’ als een oproep tot een persoonlijke en hartelijke overtuiging dat Jezus de zijne is en dat Hij Zijn verlossingswerk ook voor hem gedaan had. Dit was omstreden. De discussie spitste zich toe op de vraag of de persoonlijke toe-eigening en de persoonlijke overtuiging dat Christus ook voor je eigen zonde gestorven is, tot het wezen van het geloof behoort of niet. Voor de Erskines was dit geen vraag. De ‘Marrow-men’ hadden hierbij ook de reformatoren aan hun kant. Het ‘Assembly’ van 1720 wees de persoonlijke en toe-eigenende daad van het geloof af; dit herinnerde de Erskines aan de onzekerheid over het persoonlijke heil bij de rooms-katholieke kerk. Het geloof heeft dus zekerheid in zich, zo vonden de Erskines. De zekerheid van het geloof staat of valt met deze persoonlijke toe-eigening en overtuiging. De tegenstanders van ‘The Marrow’ konden zich op de Westminster Confessie beroepen, die over de zekerheid zegt dat die niet tot het wezen van het geloof gerekend wordt en dat die soms na lang wachten en veel moeilijkheden pas verkregen wordt.

De ‘Marrow-men’ zagen de zekerheid opgesloten in de directe daad van het geloof; maar er is ook een zekerheid die gegrond is op geestelijke gewaarwording en verstandelijke bewijsvoering. Het syllogisme, zoals dat later in het gereformeerde protestantisme is ontwikkeld, kende Calvijn niet. De Westminster Confessie toont duidelijk een latere ontwikkeling. De Erskines wilden Westminster ook recht doen en dat deden ze door naast de zekerheid van het geloof ook een zekerheid te benoemen – de zekerheid van het gevoel – die níet tot het wezen van het geloof behoort en die door gevolgtrekking verkregen wordt.

De zekerheid van het gevoel
Dit alles houdt niet in dat de Erskines niet wisten van strijd en twijfel in het leven der gelovigen. In het geloof zelf is wel zekerheid, maar in de gelovigen is vaak veel twijfel. Het geloof en de gelovige mogen dus niet vereenzelvigd worden. Welke plaats namen het zelfonderzoek en de zekerheid van het gevoel in hun prediking in? Reeds in ‘The Marrow’ was er naast de zekerheid van het geloof sprake van een zekerheid verkregen door zelfonderzoek. Had de eerste vorm van zekerheid betrekking op de vraag hoe iemand zich op Gods genade kan verlaten, de tweede was van belang voor de persoonlijke heilszekerheid. ‘The Marrow’ introduceerden de term zekerheid van het gevoel, ‘assurance of sense’ om de reflexieve zekerheid te onderscheiden van de zekerheid die wezenlijk voor het geloof werd geacht. Het ‘gebruik van beproeving’ was een vast onderdeel van de prediking van de Erskines. Zelfonderzoek is als de hamerslagen op een kostbare steen die niet kapot kan. Gaat die wel kapot dan bleek het geloof niet echt te zijn. De oproep tot zelfonderzoek is er bewust op gericht de gelovigen die heen en weer geslingerd worden, troost en bemoediging te verschaffen.

Als een kind dat ademt
De Erskines hadden oog voor de eigen aard van het geloof en voor het feit dat het houvast en de zekerheid buiten ons liggen in het Woord en in de beloften. Ook blijkt dat zij in een bepaalde traditie stonden, waarvan ze zich niet konden of wilden losmaken: de reflexieve zekerheid. Hoeveel kenmerken de Erskines ook gaven, alle hoefden ze niet gekend te worden. Tot iemand die klaagt dat hij bepaalde kentekenen mist en daarom vreest dat hij alles mist, zegt Ralph: ‘Indien u werkelijk een recht zaligmakend kenmerk in u bevindt en het voor uzelf met geloof kunt aanvaarden, zo hebt u reden om voldaan te zijn. Als een kind dat niet kan gaan, maar kan zuigen… En als het dat niet kan, dan nog maar kan roepen… En als het dat ook niet kan, maar kan ademhalen, want dat is toch een blijk van leven. Zo kunnen er in geestelijk opzicht ademtochten zijn die blijken zijn van leven en geloof, terwijl andere dingen verborgen zijn. Hét kenmerk is Christus.

De Erskines kenden ook een rechtstreeks verkregen zekerheid van het geloof: in het hart wordt dan de liefde van God op een zielsverrukkende manier uitgestort. De bijzondere zekerheid vertoont een analogie met de onmiddellijke, mystiek aandoende verzekerdheid, zoals die in ons land aan te treffen is bij onder andere Herman Witsius.

Het leven van het geloof
Voor de Erskines dient het leven van een christen voortdurend een leven van het geloof te zijn. De eerste daad van het geloof is wel bepalend, maar slechts een begin. We kunnen ook niet leven als wij maar één keer voedsel tot ons nemen. Het is een bijzondere beproeving van het geloof als Gods handelen in strijd schijnt met Zijn belofte. Dan is het arendsoog van het geloof nodig om door deze donkere wolk heen te boren. ‘Beoordeel Zijn trouw niet naar de uitwendige verschijnselen, anders zult u nooit Zijn Woord geloven’, zo zegt Ralph. De kerk van Christus is een strijdende kerk. Ralph legt een grote kennis aan de dag van de listen en lagen van de satan.

‘Verwacht niet in een zegewagen naar de hemel te gaan. Reken op het ergste’.

Ondanks al het negatieve dat zij in hun tijd opmerkten, bleven zij niet in de klacht steken. ‘Up thy heart, believer, I have good news to tell thee’. De Erskines hechten veel waarde aan de groei van het geloof. Dit is de aard van het geloof. De mate van het geloof is ook bepalend voor de blijdschap.

Geloof en gevoel
In het puritanisme is er een spanning tussen het geloof en het gevoel. Reeds William Perkins waarschuwde dat onze godsdienst niet bestaat uit gevoelens, maar uit geloof. Hoewel het gevoel van Gods barmhartigheid een grote zaak is, verleent God dat niet altijd. Richard Sibbes zegt dat het vreselijk is, gedurende lange tijd zonder het gevoel van Gods liefde te zijn. Andrew Gray onderkent het gevaar dat meer met het gevoel gerekend wordt dan met het geloof. Zo kan hij ertoe komen het gevoel zelfs op één lijn te stellen met de vleselijke rede. Deze voortdurend in het puritanisme aanwezige spanning treffen wij ook bij de Erskines aan. Ook zij willen het gevoel van Gods gunst en nabijheid niet onderwaarderen. God is wel altijd tegenwoordig bij Zijn volk, maar dit geldt niet van Zijn gevoelige en vertroostende tegenwoordigheid. Ralph ziet de geestelijke ervaringen wel als een vrucht van het geloof, maar tegelijkertijd ervan onderscheiden. Het valt op dat hij vaak over het boek Hooglied spreekt, het gevoerd worden in het wijnhuis bijvoorbeeld. Dit doet denken aan Rutherford.

Faith piety
De neiging om sterke aandacht aan het gevoel te schenken werd versterkt, doordat de Erskines ervan uitgingen dat de aanvankelijke vervulling van de belofte in het leven van de gelovigen al begonnen is. Zo gezien kan zelfs gezegd worden dat de beloften eigenlijk niet eens meer beloften zijn. Het vertrouwen op gevoelens en gestalten mogen niet de plaats gaan innemen van het vertrouwen op Gods beloften. Wij moeten dagelijks om vers water naar de fontein. Wat wij vandaag ontvangen kan ons morgen niet helpen. De nadruk op het geloof is kenmerkend voor de prediking van de Erskines en geeft er een bepaalde nuchterheid aan. Wat C. Graafland zei blijft waar: de puriteinse vroomheid is en blijft ‘faith piety’.

De eschatologie kreeg slechts geringe aandacht bij de Erskines. De toepassing van het heil in het heden stond voor hen centraal. Toch ontbreekt het zicht op de toekomst niet geheel. Het al of niet positief reageren op de prediking van het evangelie is een zaak van eeuwigheidsgewicht.

De heiligmaking
Geen antinomianen
De beschuldigingen van antinomianisme tegen de Erskines waren hardnekkig. We vragen ons wel af of het afwijzen van het legalisme, anders gezegd het opkomen voor de vrijheid van de christen, de Erskines ertoe gebracht heeft de praktijk van de heiligmaking van minder gewicht te achten. Wel klaagt Ebenezer ergens over het gemis aan levensheiliging die hij om zich heen constateert en zegt hij dat ‘strict holiness’ de prijs op het einde zal wegdragen. Zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien. De Erskines waren zich ervan bewust dat de heiligmaking zoals die werkelijk beoefend dient te worden een geheim is dat slechts door weinigen wordt verstaan, het is ‘a mystery’. Het sleutelwoord dat ons toegang verleent tot het verstaan van de visie op de heiligmaking is het woord ‘evangelie’. ‘Het is de leer van het evangelie die leidt tot heiligheid’. Het gaat om een evangelische wandel, een evangelische regel. Voor de Erskines is het zo dat Christus ook voor de heiligmaking de Alfa en de Omega is.

Evangelische heiligmaking
De heiligmaking is in de belofte al toegezegd. Ook aangaande de heiligmaking geldt dat alle dingen uit God zijn als de Bron van alle zegeningen. Het kan niet genoeg beklemtoond worden dat Christus de Alfa en de Omega van de heiligmaking is. Zoals in Engeland Walter Marshall in de 17e eeuw in zijn postuum verschenen werk over de heiligmaking de band aan Christus en het geloof in Hem centraal stelde, zo deden ook de Erskines dat. We dienen eerst in Christus te zijn, voor wij in Hem kunnen wandelen. Dit impliceert niet dat ze een toegerekende heiligheid voorstonden. De Erskines erkenden, wat de rechtvaardiging betreft, wel een volkomen toerekening, maar wat de heiligmaking betreft een innerlijke werkzaamheid van God in de gelovige. Er voltrok zich in de zondaar een reële verandering, de mens wordt een nieuw schepsel.

Verandering van de mens
Het leven in de heiligmaking, ‘the actual holiness’, is er voor de Erskines pas, als wij door het geloof Christus hebben aangenomen. Uitvoerig spraken de Erskines over de aard van de verandering die zich voltrekt als het Woord en de Geest van Christus mensen aangrijpt. Het beeld Gods wordt in hen hersteld, de wet in het hart geschreven, veranderingen in de vermogens van de ziel, verlichting van het verstand, ombuiging van de wil, een richten van de genegenheden op God, een instorting van alle hebbelijkheden van de genade (infusion of all the habits of grace): geloof, hoop, nederigheid, broederlijke liefde, zachtmoedigheid, matigheid, ijver voor de dienst van God. Iemand kan een man van zijn woord zijn of eerlijk in de handel en toch verloren gaan. Maar het nieuwe beginsel van de genade verandert deze zedelijke deugden in genaden.

Hoe meer geloof, hoe meer de zonde overwonnen wordt. Het is als een passer: als de ene voet vaststaat, kan de andere een omtrekkende beweging maken. Zo dient een christen enerzijds vast te staan in Christus als Zijn middelpunt en anderzijds een christelijke wandel te kunnen beoefenen. Het leven in de heiligmaking dient een leven van het geloof te zijn. De nadruk op het geloof in Christus betekent dat in de praktijk van het leven der heiligmaking de blik toch van de gelovige wordt afgewend. De ‘hebbelijkheid der genade’ ziet Ralph als een schip dat niet voortkomt door de zeilen, maar door de wind. Zo geldt voor de gelovige dat met zijn eigen van God ontvangen genade hij niets tot stand kan brengen; nodig is de werking van de Heilige Geest, die op hem en op de ‘habitus’ van de genade inwerkt. Als een christen in ware geestelijke gehoorzaamheid wandelt, is dat alleen aan de genade van God toe te schrijven.

De wet
De Erskines stelden dat wie door het geloof in Christus behouden is, niet onder de wet verkeerde, maar onder de genade. De kracht van de zonde is weggenomen. Maar tot antinomianisme kwamen ze nooit. Er zijn nog zoveel zondige neigingen en begeerten die gedood moeten worden en er zijn nog zoveel genaden die opgewekt en verlevendigd dienen te worden, dat een gelovige voor heel zijn leven werk heeft. De Erskines gebruikten wel de uitdrukking ‘de wet in de handen van Christus’. Dit houdt niet in dat aan de inhoud van de wet iets is veranderd, maar het grote voorrecht van een christen dat hij het gebod ontvangt van God in Christus en niet van God als Rechter. De vraag komt op of op deze wijze geen afbreuk wordt gedaan aan het gezag van God als Wetgever en of zo de gehoorzaamheid aan de wet voor de gelovigen toch niet een te vrijblijvende zaak wordt. Als schepselen blijven de gelovigen gehouden aan het gezag van God als Schepper. Dit gezag komt evenwel tot hen door Christus. Juist de gelovigen zijn gehouden om de wet van de Schepper te onderhouden, maar dan zoals deze is in de hand van de Middelaar.

Een christen is niet van de gehoorzaamheid aan de wet ontheven, maar zijn nieuwe relatie tot God weerspiegelt zich wel in de verhouding tot de wet. Terwijl de wet in het kader van het werkverbond komt met het onverbiddelijke: doe dat en gij zult leven, komt de wet in haar tweede gestalte met de regel: leef en doet dat. Typisch puriteins is de nadruk op de godsvrucht in het gezin. Opvallend is dat de Erskines betrekkelijk weinig de gemeente opwekten om met God een verbond te sluiten. In het algemeen kan men zeggen dat de Erskines ervan uitgingen dat de geboden en de regels van het christelijk leven bekend waren. Waar het voor hen op aankwam, was dat de gemeente zou verstaan dat er alleen door genade een geheiligde wandel mogelijk is.

Motivatie
Het was de Erskines ernst met de heiligmaking. ‘Laat uw geloof werkzaam geloof zijn. Gelovigen behoren christenen te zin met de daad’, aldus Ralph. Wat zijn de motieven dat ze aandringen op een heilige levenswandel van de gelovigen? De verheerlijking van God, het getuigenis dat van de christen door zijn levenswandel uitgaat naar anderen, de zekerheid van het geloof – de echtheid van het geloof kan bevestigd worden en verschaft de gelovige troost –, de belofte van het loon, Gods kastijding (de gedachte dat de wet in de hand van Christus ook een roede en gesel kan zijn, lijkt ver van de Erskines af te staan. Nu Christus het oordeel van de wet gedragen heeft, is voor de gelovige het oordeel en de bedreiging van de wet een vaderlijke kastijding geworden).

Tegen de Moderates
Samenvattend kunnen we zeggen dat het front van de Erskines meer lag bij het wetticisme dan bij het antinomianisme. De Erskines bleven zich het meest tegen de meer verfijnde vorm van wetticisme verzetten. Overigens was hun protest tegen het wetticisme terecht. De ontwikkeling van de prediking in het 18e-eeuwse Schotland laat ons dat zien. Bij de ‘Moderates’ ontbrak het niet aan aanbevelingen van vroomheid, evenmin de erkenning van Gods hulp afhankelijk te zijn, maar wel ontbraken de krachtige oproep tot bekering en de wetenschap dat Christus alleen de krachtbron van het christenleven dient te zijn. Een zwak punt van de Erskines is dat ze vooral met betrekking tot de kerkelijke situatie heel veel kunnen zeggen over wat wel en niet moet, maar ze verzuimen om in te gaan op de vele concrete aardse aangelegenheden en noden. De slechte omstandigheden in Schotland, zoals een bepaalde vorm van slavernij of horigheid, wordt niet aangekaart. Van sociale bewogenheid, zoals bij George Whitefield, merken we bij de Erskines niets.

Invloed
Schotland
De conservatief begonnen Secession Churches vervulden een voortrekkersrol in het liberaliseringsproces dat zich in de 19e eeuw in de kerk van Schotland voltrok. De belangrijkste oorzaak was het veranderde levensbesef. Hun sociale en kerkelijke positie veranderde. In plaats van de vroegere soberheid en armoede was er welvaart gekomen. Zelfverzekerdheid en kerkelijk chauvinisme waren hen niet vreemd. Bij het 50-jarige bestaan van de kerk werden er veel lovende woorden over de Erskines gesproken, maar het geestelijke klimaat was toch geheel anders geworden.

Engeland en Amerika
Augustus Montague Toplady, dichter van ‘Rock of Ages’ waardeerde het werk van de Erskines. De volgelingen van Wesley vonden de preken van de Erskines ook aanvaardbaar, maar niet dan na het aanbrengen van de nodige coorrecties. De wijzigingen betroffen opmerkingen over onderwerpen als de uitverkiezing en de volharding der heiligen. In Amerika – waarheen gedurende de 17e en 18e eeuw vele presbyteriaanse Schotten geëmigreerd waren – deed de bekende Benjamin Franklin in 1745 in Philadelphia een aantal preken van de Erskines het licht zien. Hij gaf wel meer theologische lectuur uit. In Amerika werden de Erskines door sommigen gezien als tegenwicht tegen de heersende mentaliteit van ‘action, action, is now the watch-word of the church’. In South Carolina houdt de naam ‘Erskine Theological Seminary’ de herinnering aan de Erskines nog levend.

Van der Groe
In 1740 verscheen het eerste geschrift van de Erskines in een Nederlandse vertaling. Van de Groe gaf vijf uitvoerige inleidingen op uitgaven van de Erskines in het Nederlands. Hij wist ook van de ruimheid van de beloften. Hij omschrijft het gehele evangelie als een openlijke ‘aanbieding’ of ‘voorstelling’. Van der Groe was zo diep geschokt door het verval dat hij overal opmerkte, dat hij er als het ware door werd geobsedeerd. In plaats van datgene wat hij bij de reformatoren had ontdekt aan de gemeente voor te houden als de bron van het heil, ‘slaat hij ermee als met een zweep, waardoor de wonden van twijfel en kleingeloof niet genezen, maar groter en dieper worden’. Van der Groe gaat ook spreken over het misbruik van de beloften. Van der Groe heeft zeker door het grote gezag dat hij bij velen had, ertoe bijgedragen dat de Erskines in ons land meer bekendheid hebben gekregen. Hij heeft echter verzuimd in ‘een geesteloze tijd’ op een positieve wijze het evangelie te brengen. Het is dan ook bepaald onjuist om hem een ‘Hollandse Erskine’ te noemen.

Comrie
Comrie wordt wel een discipel van de Erskines en Boston genoemd. Comrie heeft in zijn jeugd onder het gehoor van de Erskines verkeerd. Invloeden zijn makkelijk wijsbaar, vooral zijn afwijzen van het wetticisme. Zeer vertroostend kon Comrie de gemeente toespreken: ‘Gij behoeft niet naar enige de minste betere bereidheid en geschiktheden te staan, om u daardoor bij Jezus te veraangenamen’. Uit al het donderen van de wet komt niets anders voort dan een Kaïnsberouw en een Judasbekering. Comrie wijst ook op de waarde van het sluiten van een verbond met de Heere. We kunnen Comrie ondanks dit alles toch niet op één lijn stellen met de Erskines. Daarvoor heeft hij toch weer te veel een eigen ontwikkeling gekend. Comrie was nogal scholastiek, bijvoorbeeld in zijn opvatting over het geloof. Zijn kracht lag in het observeren en analyseren van het geestelijk leven. In dit opzicht is hij een typische vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie in haar natijd. Een ruime en levendige verkondiging van het evangelie, zoals die bij de Erskines aanwezig is, vinden we bij Comrie niet.

19e eeuw
H.P. Scholte gaf een aantal preken van de Erskines uit. We zitten dan in het kamp van de afgescheidenen. Wat Scholte vooral aansprak was de oproep om in een tijd van moeite en aanvechting op een getuigende en weerbare wijze in de kracht van het geloof te staan. In 1853 vond de eerste uitgave plaats van al de werken van Erskine, bij de Amsterdamse uitgeverij H. Höveker. Onder de afgescheidenen was er de Drentse richting (geen plaats voor de aanbieding van de genade) en de Gelderse richting (de verantwoordelijkheid van de mens ten aanzien van het evangelie wordt benadrukt). Het was in deze strijd dat Erkinse van ‘remonstrantse gevoelens’ werd beschuldigd. A. Brummelkamp zei daarop dat iemand die andere uitdrukkingen gebruikt dan wij gewend zijn, daarom nog geen remonstrant is! A.C. van Raalte kreeg ook het bezwaar te horen dat zijn prediking te ruim was, en: dat hij zich blijkbaar bij de Erskines aansloot. Hier wordt dus een verband gelegd tussen de Erskines en hen die op een ruime wijze het evangelie wilden brengen. Herman Bavinck had oog voor de psychische zijde van het geloof, met zijn hoogten en diepten. Het bracht hem tot een positieve, zij het niet onkritische benadering van het piëtisme. Bij de Erskines ziet hij geestelijke zielenkennis. Hij waardeert de Schotse prediking omdat ze zich altijd beweegt tussen de beide polen van zonde en genade.

H.P. Scholte had vooral belangstelling voor de kerkelijke opvatting van de Erskines; dit is echter een uitzondering; vooral trok de prediking van de Erskines de aandacht.

20e eeuw
G. Boer zegt ergens: ‘Dat wij gaarne luisteren naar wat in Nederland en Schotland voor ons is gezegd, mag iedereen weten’. C. van der Wal schreef van Woelderink dat die hem vaak doet denken aan de Erskines. Tegen wat hij zag als ontsporingen en afwijkingen wees Woederink op de vastheid van het verbond en de betekenis van de beloften. Gods genade bereikt ons alleen door het kanaal van de beloften. W.L. Tukker was van mening dat de prediking van de Erskines, naast die van Kohlbrugge en Calvijn, hier goede diensten zou kunnen bewijzen. F. Mallan vindt dat de Eskines wat het aanbod van genade betreft te ver gingen, ‘al heb ik waardering voor hen’. Ook in ons land zijn ze niet onweersproken gebleven. Het riep tal van misstanden op. Merkwaardig is dat de ruime en onvoorwaardelijke evangelieprediking in Schotland niet in de laatste plaats in de afgescheiden kerken bewaard is gebleven. In ons land was het steeds weer juist in de afgescheiden kerken dat men het evangelie met voorwaarden wilde omgeven. Het gezag dat zij als erkende ‘oude schrijvers’ hadden, maakte het echter wel riskant hen tegen te spreken (C. Steenblok).

Samenvatting
Post-puritanisme
De Erskines moeten we plaatsen in het post-puritanisme, dat zich in de 18e eeuw nog krachtig in Schotland deed gelden. Ze speelden een belangrijke rol in de ‘Marrow-controversy’. Maar deze binnenkerkelijke discussie bracht niet met zich mee dat de confrontatie met de opkomende Verlichting hen onberoerd liet. Bij de ‘Marrow-controversy’ was bepalend dat de Erskines op bepaalde opvattingen in het post-puritanisme correcties wilden aanbrengen. Na de kerkscheuring werd hun type prediking maatgevend voor hun kleine maar groeiende kerkverband. Opvallend is dat een boek uit de 17e eeuw zo’n grote rol speelde.

Het woord ‘belofte’
De Erskines wilden in een tijd waarin het predestinatianisme en het wettische denken voorop gingen weer terug naar de Reformatie. Ze wilden zich richten op de prediking van de beloften tot iedereen. Luther maakte al onderscheid tussen Gods verborgen wil en de wijze waarop Hij Zich in Zijn Woord openbaart. Van Luther is de uitspraak dat God nooit anders met de mensen gehandeld heeft of handelt dan door middel van het woord der belofte. Bij Calvijn neemt de ‘belofte’ ook een grote plaats in. Van zowel Luther als Calvijn kunnen we van een ‘ruim aanbod’ spreken, zo zegt K. Exalto.

Voorliefde voor Luther
Het evangelie wordt door de Erskines als een boodschap van genade gezien. Vermenging van wet en evangelie was een oorzaak van veel dwaling. In de strijd van de Erskines ging het in wezen om de rechtvaardiging van de goddeloze. De voorliefde voor uitspraken van Luther is hierdoor verklaarbaar. Wel is er verschil tussen de Erskines en Luther in het spreken over wet en evangelie. Bij Luther is de spanning tussen wet en evangelie er het hele leven door, simul justus et peccator. De Erskines wisten daarentegen wel van de bedelaarsgestalte van het geloof, maar de overgang van de wet in de genade van het evangelie is voor hen meer een eenmalig gebeuren. Het markeert de overgang van het onbegenadigd zijn naar het begenadigd zijn. Dat God onze God niet kan zijn dan in Christus, raakt een hartader van de prediking van de Erskines.

Scholastische preekmethode
De preekmethode was scholastisch. Tegen het rationalisme van hun tijd in erkenden zij de Bijbel als het gezaghebbende Woord van God. Maar in hun benadering was vervolgens wel een scholastiek element; dogmatisme en confessionalisme waren hun niet geheel vreemd. De zorg voor de rechte leer en de zuiverheid van formulering woog hun zwaar. Wel werd door de omgang met het Woord de dogmatische benadering doorbroken. We kunnen hierbij bijvoorbeeld denken aan de wijze waarop zij ertoe kwamen om met het aanbod van genade zich tot iedereen te richten. Maar op de achtergrond was het gevaar van dogmatisme aanwezig. Hierin gaan de Erskines in een puriteinse traditie; Whitefield was veel minder bezig met theologisch verantwoorde formuleringen.

Soteriologische vragen centraal
De geestelijke verbondenheid met de puriteinen blijkt ook uit de sterke aandacht voor de toepassing van het heil. We zien een sterke gerichtheid op de soterologische vragen. Het maakt dat bepaalde aspecten van de bijbelse boodschap, zoals de schepping en de eschatologie, wel eens onderbelicht of zelfs geheel vergeten worden. Belangrijk is de grote plaats die de verbondstheologie in hun denken inneemt. De aandacht voor de doop blijft hierbij echter ver achter. De gedachte dat God Zijn verbond met de uitverkorenen heeft opgericht leidde er bij de Erskines niet toe ook de beloften van het evangelie tot deze categorie te beperken, zoals Van der Groe deed.

De Erskines zagen de gemeente niet als verbondsgemeente. De gemeente wordt opgesplitst in begenadigde en onbegenadigden. De kinderen van de gemeente worden nauwelijks genoemd. De aandacht voor de geleidelijkheid in Gods werk ontbreekt. Een diepgaande en abrupte bekering lijkt het enige dat zij mogelijk achten.

Toch onzekerheid
Over de zekerheid van het geloof wisten ze op reformatorische wijze te spreken, maar ze bleven ook veel waarde toekennen aan de zekerheid van het gevoel. De kenmerken en de oproep tot zelfonderzoek nemen zo een wel erg grote plaats in in hun prediking. Heel opvallend is de plaats die de uitverkiezing in hun denken innam. Pastoraal nemen ze hun uitgangspunt in de ruime en welmenende prediking van Gods beloften. Uitverkiezing mag geen hinderpaal zijn. Toch nemen ze bij de systematische uiteenzetting van de heilsleer hun vertrekpunt in de raad des vredes. De uitverkiezing is dus overal ‘a priori’ aanwezig. Maar er staat teveel positiefs tegenover om de Erskines vanwege dit als hypercalvinisten te bestempelen. Ze hebben niet onderkend dat deze wijze van denken de oorzaak van veel onzekerheid werd!

Reformatie en ‘Second Reformation’
Hun terugkeer naar de Reformatie wil niet zeggen dat de 17e eeuw hen niets meer zei. De ‘Protesters’ vertonen de meeste verwantschap met de Erskines, vanwege hun strakke kerkelijke opstelling, hun consequente trouw aan de ‘covenants’ en vooral hun evangelische prediking. De Erskines hebben de theologie en de prediking van hun tijd onder kritiek gesteld, maar niet die van de ‘Second Reformation’. Zij zagen deze als op één lijn met de Reformatie. Dit leidde wel tot een bepaalde spanning. Zo had hun vasthouden aan het reformatorische inzicht inzake de zekerheid des geloofs en aan de zekerheid van het gevoel iets tweeslachtigs. Verbonden hiermee is de spanning tussen het objectief in Christus gegeven heil en de persoonlijke betrokkenheid daarbij. Enerzijds is er het geloof dat zich richt op de genade buíten ons, anderzijds is er het gevoel dat zich richt op de genade ín ons.

Prediking: christocentrisch en evangelisch
Hun prediking was sterk christocentrisch. Wel was echter ook de tendens om te vervallen tot een christénprediking niet afwezig. Ondanks de sterke nadruk op Christus is hun prediking niet christomonistisch. Er is ook aandacht voor de Vader en de Geest. Echter óver de Heilige Geest wordt niet vaak gesproken. De prediking van de Erskines was evangelisch. De ernst van de zonde wordt erkend. Maar tegelijk wisten ze van de overvloed van de genade, die er is. Het evangelie is vrij en onvoorwaardelijk. Ze waren beducht voor alles wat er maar naar zweemde een verhindering te zijn om tot Christus te gaan. Het evangelie kent maar één voorwaarde, maar deze is door Christus Zelf vervuld in Zijn lijden en sterven.

Woordgebonden en nodigend
Hun prediking is ook sterk Woordgebonden. Er is sprake van een veelvuldig beroep op de Schrift. De gemeente van die dagen moet alleen al door de wijze van preken een schat van kennis uit de Schrift hebben ontvangen. Toen Whitefield in hun gemeente kwam preken, werd hij getroffen door het massaal openen van de Bijbel in de gemeente. De evangelieprediking is prediking van de beloften. Hun prediking draagt een sterk nodigend karakter. Allen en een ieder worden tot het heil geroepen. De gehechtheid aan de zuiverheid van de leer en de systematische uiteenzetting daarvan betekende dus niet dat hun prediking opging in de beschouwingen of vrijblijvend was. Grote bewogenheid hadden ze voor de ongelovigen. Was de prediking van Whitefield vooral gericht om zorgelozen wakker te schudden, de prediking van de Erskines was bedoeld om hen die in de geestelijke vragen verstrikt waren geraakt tengevolge van eenzijdige prediking, hoop en uitzicht te bieden. De prediking droeg dus een sterk therapeutisch karakter. De hoorders werden opgeroepen de middelen te gebruiken. De preekstoel was voor hen uiteindelijk geen katheder, maar een worstelplaats. Op de kansel lieten zij niet na met zondaren te worstelen voor God. ‘Laat u met God verzoenen’.

Geloofsmatig en bevindelijk
Het is een misverstand de Erskines van remonstrantse neigingen te beschuldigen. Door het schoolse karakter van hun prediking bereikten ze niet zoveel mensen als Whitefield. Het is wel betreuringswaardig dat ze de aansluiting bij de wijdverbreide opwekkingsbeweging van Whitefield gemist hebben, dit ten gevolge van hun beperkte blik op de kerkelijke toestand. De prediking van de Erskines was ook geloofsmatig. Hoe ruim ook, de noodzaak van een persoonlijk geloof ging voorop. De kenmerken van het geloof heeft niet iedereen, maar wel is er voor iedereen de grond van het geloof. Deze ligt altijd buiten ons in de belofte van God. Onze blik moet dus niet naar binnen gekeerd zijn, want dan neemt het gevoel de plaats van het geloof in. In hun prediking was het bevindelijke element heel duidelijk aanwezig. Ze volstonden niet met het te laten horen van de nodiging tot Christus. Ook het leven van de gelovige met zijn strijd en vreugde komt naar voren. Over heel hun prediking ligt als het ware een bevindelijke gloed.

Om zeker te zijn van de echtheid van het geloof moest de blik wel weer naar binnen gericht worden. In de praktijk was er toch vaak weer de onzekerheid of het geloof dat men beoefende wel echt was. Zo was het dus toch mogelijk dat de zekerheid in de praktijk van het geloofsleven op de achtergrond raakte.

De heiligmaking
In ons land zijn de Erskines vooral bekend geworden om hun onvoorwaardelijke aanbieding van de genade. Maar er zijn meer thema’s, zoals de heiligmaking. De beschuldiging van antinomianisme mist elke grond. De Erskines stonden ook hierin in de puriteinse traditie. Slechts door de innerlijke geloofsgemeenschap met Christus is heiliging mogelijk. De heiliging is niet slechts een bevestiging van het geloof, maar heeft vooral ten doel de eer van God en het welzijn van de naaste. Wel is het zo dat de Erskines in de concrete uitwerking hiervan teleurstellen.

Prediking van de wet
De Erskines hebben de prediking van de wet in haar ontdekkende functie niet geschuwd. Degenen die zich in ons land op hen beroepen ten gunste van een voorbereidend werk der wet doen dit terecht. Al dient tegelijk te worden bedacht dat zij de prediking van de wet opgenomen wilden zien in het geheel van de evangelieverkondiging. Het zou ondenkbaar voor hen zijn, dat zij een pleidooi zouden voeren voor een prediking van de wet zonder meer. Het had een dienende functie en kon nooit van het evangelie gescheiden worden. Maar: hebben ze toch niet de kennis van de schuld te veel vóór het geloof geplaatst? Er worden immers twee stadia onderscheiden, overtuigd worden door de wet en vervolgens aanvaarding van het evangelie.

De prediking van de wet wordt bij de Erskines meer verondersteld dan daadwerkelijk gebracht. S. van der Linde signaleert romantiek bij de Erskines: ‘Het klinkt bij hen wat minder grimmig, en soms wat te liefelijk’. Bij Ralph is de beschrijving van de ontmoeting van de goddelijke eigenschappen in Ps. 85:11 niet vrij van romantische trekken van gevoel en fantasie. We moeten echter wel bedenken dat veel preken gehouden zijn op avondmaalsdagen. Dan werden de registers van het evangelie voluit opengezet. In elk geval is het onbillijk te spreken over ‘the hardness of their gospel’.

Broers en broeders
De eenstemmigheid tussen beide broers betekent niet dat er geen verschillen waren. Zowel in stijl als in kennis van het geestelijke leven was Ralph de meerdere van zijn broer. Zíjn affiniteit met het puritanisme was het grootste. Ebenezer daarentegen was minder bevindelijk en inzake het geloof ‘nuchterder’. De wijze van spreken van Ebenezer was korter en zakelijker dan die van zijn broer. Deze viel weer op door zijn bewogenheid. Maar beide broers stemden overeen in de wijze waarop zij als ‘Marrow-men’ het evangelie verkondigd hebben: ruim en onvoorwaardelijk! Hun prediking gaat qua betekenis uit boven hun eigen tijd.

Gepubliceerd in juni 2008

Advertenties