De razzia van Putten

n.a.v. Madelon de Keizer, Putten. De razzia en de herinnering, Amsterdam 1998

Inleiding
Zee en bos
Het huidige toeristencentrum Putten was vóór de oorlog al een geliefd vakantie- en herstellingsoord. Door de aanleg van de Zuiderzeestraatweg in 1830 en de spoorlijn in 1863 werd de plaats beter bereikbaar. De combinatie van de zeelucht van de nabijgelegen Zuiderzee en de Veluwelucht maakte Putten uiterst populair. Er verrezen landhuizen en pensions. Nicolaas Beets dichtte al: ‘Ik ken geen schooner kleuren / Dan die van ’t Puttensch Bosch / In volle najaarsdos’. Voor vertier kon men in Putten niet terecht, daarvoor moest men in het Gooi zijn. De gemeente Putten bestaat uit een dorp dat omgeven is door dertien buurtschappen. In 1837 preekte de afgescheiden predikant Hendrik de Cock op een boerderij in een buurtschap en hieruit ontstond de grote gereformeerde kerk van Putten.

Een redelijk groot dorp
In de 15e en 16e eeuw was Putten strijdgebied van de bisschop van Utrecht en de hertog van Gelre. Het dorp werd dan ook meerdere malen met de grond gelijk gemaakt. Rond 1750 was Putten een redelijk groot dorp, dat een bestrate weg kende. Ook was er een katholieke gemeenschap. Midden 18e eeuw telde Putten 1870 inwoners. Een echt boerendorp was het in die tijd niet. Er waren vele verzorgende bedrijven, winkels en openbare beroepen. Aan het einde van de 19e eeuw bood het kippen houden een nieuw bestaansmiddel. In de jaren 20 en 30 van de twintigste eeuw was Putten een plaats geworden die veel kunstenaars trok. Na de oorlog profiteerde Putten vooral van het massatoerisme. Toen de Flevopolder klaar was, leenden de randmeren zich bij uitstek tot strandvermaak en watersport. Bij Nulde kwamen strandfaciliteiten.

Mooie omgeving
Snel ging men beseffen dat de schoonheid van de streek gekoesterd moest worden. Bossen werden tot natuurgebieden van bijzondere waarde, de resterende zandwegen werden niet geplaveid of geasfalteerd, hoezeer de boeren er ook om vroegen. Er kwam een industrieterrein vlak bij de spoorlijn. Putten bleek gunstig te liggen in het geografisch centrum van Nederland. De bevolking groeide van 10.000 inwoners in 1944 tot 22.800 in 1998.

De razzia
Was Dolle Dinsdag de aanleiding?
De idee dat het Duitse optreden niet in eerste instantie een represaille voor de aanslag was geweest die het verzet zaterdagnacht 30 september 1944 enkele kilometers buiten Putten, op de rijksweg tussen Putten en Nijkerk, aan de Oldenallerse brug, had gepleegd op een auto met vier militairen, waarbij één officier werd gedood, maar dat de Duitsers al geruime tijd plannen tegen de gemeente beraamden, leefde destijds algemeen in de Puttense gemeenschap. Op Dolle Dinsdag was het in Putten toegegaan alsof de bevrijding een feit was. Van de toren van de Oude Kerk woei de driekleur, overal klonk het Wilhelmus, een groot deel van de illegaliteit maakte zich bekend, leden van de NSB werden ontwapend en een gevreesde SD-spion ontvoerd. Bovendien was er ’s avonds laat een schietpartij tussen enkele illegalen in een auto en een groep soldaten van het Hermann Göringregiment. Ook werden er veel aanslagen op de spoorlijn bij Putten gepleegd. Putten zou al langer bij de Duitsers bekend zijn geweest als ‘terroristennest’.

De aanslag
Een verzetsgroep van de RVV (Raad van Verzet) pleegde in de nacht van 30 september een aanslag op een Duitse legerwagen in de buurt van Putten. In de auto zaten vier Duitsers. Één officier werd gedood en een ander raakte gewond. De aanslag van de groep verzetsrijders mislukte echter doordat de Duitsers terugschoten waarbij een verzetstrijder aan zijn verwondingen bezweek. Van de verzetsgroep die de aanslag uitvoerde maakte ook een Britse parachutist deel uit die was ontsnapt aan gevangenneming bij Arnhem. Hij bediende een zware mitrailleur, waarmee op de Duitse legerwagen werd geschoten. De bij de aanslag gewond geraakte Duitse officier werd gevangen genomen door de verzetsstrijders, maar later in vrijheid gesteld in een poging de aangekondigde wraakactie van de Duitsers tegen Putten te keren. De meerderheid van de verzetsgroep bestond uit communisten maar hun aanvoerder Witvoet was dat niet. De leden van de groep die bij Putten de Duitse legerwagen overvielen zeiden later dat het bevel voor de overval persoonlijk kwam van Prins Bernhard. Hij zou dit later ontkennen. Door de aanslag op de Duitse legerwagen zou het dorp Putten de dag er na overvallen worden door Duitse eenheden, geholpen door Nederlandse SS’ers en politie. Twee leiders van de RVV, Dijkman en Thijssen, werden later verraden en werden na de aanslag van de hoogste SS-baas in Nederland Hanns Rauter bij de Woeste Hoeve op de Veluwe, waarbij hij zwaar gewond raakte, gefusilleerd. Dijkman zou tijdens de verhoren namen hebben prijsgegeven, wat de arrestatie van vele RVV-leden op de Veluwe tot gevolg had.

Zondagochtend 1 oktober
De meeste waarschuwingen voor de razzia kwamen die zondagmorgen 1 oktober 1944 vóór of tijdens de kerkdiensten. Zaterdagsavonds was de gereformeerde predikant De Ruig naar een ouderling gegaan met het bericht: ‘Morgen hebben wij razzia’. Moest men de kerkdiensten laten doorgaan? Daartoe werd besloten. Tijdens de kerkdienst bleek dat Putten afgezet werd. Elk paadje. Nu moesten de mannen in de kerk gewaarschuwd worden. Mannen in de leeftijd van 17 tot 50 jaar – de gebruikelijke leeftijd bij razzia’s – werden eerst aangespoord naar huis te gaan. In de Oude Kerk preekte ds. C.B. Holland over Hosea 6:1.

‘Komt laat ons wederkeren tot de HEERE, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.’

Zondagmiddag
De Duitsers bevolen ’s middags alle mannen zich in de Oude Kerk te verzamelen, later werden ze in de school geduwd. Als vóór zes uur ’s middags de dader of het lijk van de vermiste officier werd (aan)gegeven, zou Putten het er genadig van afbrengen. Zo niet, dan had Fullriede de opdracht het dorp ‘plat’ te schieten. Er waren veel mensen die zich eerst verstopten, maar uiteindelijk afgingen op de geruststellende woorden van een (Nederlandse) politieman en zich toch maar melden. Na de oorlog zou er een politiezuivering plaatsvinden, omdat het optreden van de Puttense politie voor velen desastreus was geweest. Er vielen die dag zeven doden, waaronder een jonge vrouw die van schrik voor de Duitse soldaten wegvluchtte. De mannen zaten in de school, de vrouwen in de kerk. Daar werden ze door een Duitse officier toegesproken vanaf het galerij. Sommige vrouwen lachten, maar er werd gedreigd dat, als er nog iemand lachte, er geschoten zou worden. Ze werden na een toespraak over de gang van zaken naar huis gestuurd met de opdracht om de volgende ochtend om tien uur weer terug te komen. Toen de vrouwen uit de kerk waren, werden de mannen er weer in gedreven.

Ds. Holland spreekt de mannen toe
De hele nacht zaten ze daar in het donker. Er was bijna geen ruimte om te zitten of te liggen en iedereen had vreselijke dorst. Toiletgelegenheid ontbrak. Het was ook erg koud. Dominee Holland sliep met de toga om zich heen geslagen. Hoewel hij al 66 was, mocht hij niet gaan. Hij vertelt er zelf over: ‘Zoo hebben wij verder de nacht doorgebracht. Toen het licht begon te worden (…) heb ik de menschen toegesproken. (…) Daarna heb ik een gebed gedaan met alle mannen, waarna ik gezegd heb, dat ik enkele verzen wilde laten zingen. (…) Wij hebben toen gezongen psalm 84, vers 3 en 4. Bij het tweede gedeelte van het tweede vers zag ik, dat verschillende mannen zeer ontroerd waren.’ Holland sprak ‘over de nabijheid Gods’, zo herinnerde zich iemand.

Welzalig hij, die al zijn kracht
En hulp alleen van U verwacht,
Die kiest de welgebaande wegen.
Steekt hen de hete middagzon
In ’t moerbeidal, Gij zij hun bron
En stort op hen een milde regen,
Een regen, die hen overdekt,
Verkwikt en hun tot zegen strekt.

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort,
Elk hunner zal in ’t zalig oord
Van Sion haast voor God verschijnen.
Let HEER’ der legerscharen, let
Op mijn ootmoedig smeekgebed!
Ai, laat mij niet van druk verkwijnen,
Leen mij een toegenegen oor,
O Jakobs God, geef mij gehoor!

Maandag 2 oktober
Maandagochtend 2 oktober werden de mannen van zeventien tot vijftig jaar naar buiten geleid. De anderen werden in de school vastgezet. Na een tijdje moesten die opnieuw de kerk in en daar kwamen nu ook de vrouwen met eten. De mannen van 17 tot 50 waren opgesteld op het plein. Op elke hoek van het plein waren mitrailleurs met soldaten erachter geplaatst. ‘De mannen trokken wit weg, en stonden op hun tanden te bijten.’ Ze dachten dat ze ter plekke doodgeschoten zouden worden. Op een gegeven moment dreigde iemand dat wat in ‘Polen’ gebeurd was, ook in Putten op het programma stond: dat de hele kerk met mensen en al opgeblazen zou worden. Ds. Holland realiseerde zich nu dat Putten een zware straf te wachten stond. Die dag werd de mededeling gedaan: ieder moest de kerk verlaten en om vier uur Putten uit zijn, want Putten zou verbrand worden. Dit sloeg in als een bom. ‘De kerk was vol van óóóóó-geroep’. Nadat NSB’ers en andere deutschfreundliche personen waren vrijgelaten werden de mannen naar het station geleid. De Duitsers waren druk bezig een trein te rangeren, wat niet erg wilde vlotten. De Puttense mannen werden in veewagons gestouwd. Er was weinig tijd om afscheid van elkaar te nemen. Christiansen, de opperbevelhebber van de Duitse troepen in Nederland speelde een belangrijke rol in de besluitvorming over de maatregelen tegen Putten en de uitvoering ervan. Er werd zo’n duizend man ingezet bij de actie tegen Putten. Het vonnis dat werd voorgelezen door Fullriede in de Oude Kerk was als volgt:

‘Im Namen des Wehrmachtsbefehlshabers in den Niederlanden wird das nachfolgende Urteil über die Gemeinde Putten ausgesprochen. 1. Das Dorf Putten wird plattgebrannt. 2. Die männlichen Einwohner der Gemeinde werden nach Amersfoort abtransportiert. 3. Das Dorf Putten zoll innerhalb 2 Stunden (…) vollständig evakuiert sein.’

De hel breekt los: Putten staat in brand
Ds. Holland nam maatregelen: ‘Ik had het doopboek en alles in huis en dacht: “Waar moet ik daarmee heen?” want zij mochten niet verbrand worden.’ Zijn smeekbede om kerk en pastorie te sparen haalde niets uit. Niet alle Puttenaren hoefden hun woningen te verlaten. Vrouwen van kleine kinderen, zieken en ouderen moesten een wit laken aan de voorgevel aan hun huis hangen ten teken dat zij vrijgesteld waren van de represaille. Toen het begon te schemeren begon de hel. De gereformeerde predikant G. de Jager zei: ‘De avond van 2 October 1944 is een buitengewone mooie avond geweest met een wolkelooze hemel, absoluut geen wind, het was zulk stil weer. De zwarte rook steeg uit verschillende haarden in kolommen ten hemel.’ Het vee schreeuwde onverdraaglijk. De hoop van sommigen dat alleen maar een paar oude krotten in vlammen zouden opgaan, was al direct vervlogen. De toezegging dat de kern van het dorp gespaard zou blijven, omdat daar dan woningen van deutschfreundlichte Puttenaren verwoest zouden worden, werd nagekomen. Alleen café De Heerdt naast de Oude Kerk werd ongewild verbrand. De brandstichting ging heel systematisch. Een groep van zo’n vijf tot zeven man reed door het dorp met een auto met springstoffen. Ze sloegen de ruiten van het huis stuk en staken de gordijnen en het tafelkleed in brand. Op tafel zette men een fles met ontploffingsmateriaal. Eenmaal buiten, gooiden ze vaak nog een handgranaat naar binnen. De brandstichters gingen als dollemannen tekeer. De soldaten waren beschonken en brachten hun opdrachten met veel plezier tot uitvoer. In het huis van de weggevoerde gemeentesecretaris speelden zij, voordat het in vlammen opging, ‘Stille nacht, heilige nacht’ op het orgel. In een enkel geval wist een politieman de plundering van huizen te voorkomen. Met auto’s voerden zij grote meubelen weg.

De wonden worden gelikt
Niemand wist of zijn huis in brand stond of niet. Een overkomend Engels vliegtuig ’s avonds laat begon ook nog te schieten, waardoor er een jongen omkwam. Dinsdagochtend gingen nog woningen en gebouwen in vlammen op. Die ochtend mochten de mensen weer terug naar het dorp. De intocht van de geëvacueerden in het nog rokende Putten was vreselijk. Vóór de brand telde Putten ongeveer 2000 huizen, waarvan 750 in de kom. In totaal waren er 75 woonpanden in brand gestoken, waarvan acht uit twee onder één kap woningen bestonden en waarvan één pand drie woningen telde. In totaal betrof het dus 84 woningen, waarin 94 gezinnen woonden. Het eigenlijke dorp was gespaard. Naast woonhuizen werden ook twee winkels, vier cafés, een bakkerij, een bezembinderij, een schoenmakerij, het huis van een metselaar-aannemer, dat van een rietdekker en een melkhandel door brand verwoest. Ds. Holland had geluk gehad. Iemand had alsnog de Bescheinigung die hij per ongeluk op zak had gehouden meegenomen en op zijn deur geplakt. Zijn huis werd zo gespaard. In de kerken werd in de daaropvolgende tijd gecollecteerd. Het bracht maar liefst 80.000 gulden op. Iedere zaterdag kwamen de mensen hun steun ophalen. Het hoofd van de afdeling sociale zaken van de gemeente, een NSB’er, keerde hun het weekgeld uit. Woensdag 4 oktober werd luitenant Sommer begraven, één van de beide officieren die in de Duitse auto hadden gezeten.


De weggevoerden
De cijfers
Aangrijpend was de aanwezigheid van zo vele in rouwkledij gestoken mannen en vrouwen in het gehavende dorp na de oorlog. De herinnering in Putten en daarbuiten aan de razzia en haar gevolgen blijkt sterk gevormd te zijn door analyses uit de psychoanalyse die destijds gangbaar waren. Theorieën over aanpassingsgedrag werden losgelaten op de ervaringen van gevangenen van werk- en vernietigingskampen. In de wens het hoge sterftecijfer van de uit Putten weggevoerde mannen te verklaren werden zulke theorieën speciaal op hen toegepast. De volgende cijfers spreken boekdelen:

Totaal aantal weggevoerde mannen: 661
Vrijgelaten in Amersfoort: 59
Weggevoerd naar Neuengamme: 602
Onderweg uit de trein gesprongen: 13
Gearriveerd in Neuengamme: 589
Na de bevrijding in Putten teruggekeerd: 49
In Duitse concentratiekampen omgekomen: 540
Tijdens de razzia doodgeschoten: 7
Kort na terugkeer overleden: 5
Totaal aantal slachtoffers: 552

In Amersfoort nog een goede stemming
Laat in de middag van 2 oktober 1944 werden de 661 mannen in veewagens van Putten naar Amersfoort gebracht. Iemand vertelt: ‘Wij waren op zondag opgepakt en droegen dus vrijwel allen onze beste kleding. Onderweg naar het kamp kwamen wij op de weg plassen water tegen en wij trachtten allen hieromheen te lopen, teneinde onze kleding niet vuil te maken. Het gevolg was, dat dit werd tegengegaan door de SS. (…) Hij gaf commando om te schieten en de kogels vlogen daarna over ons heen.’ De mannen zagen hun toestand niet erg somber in. De gereformeerde predikant De Ruig, die ook meegevoerd werd, zei: ‘Wij dachten dat wij over een paar weken weer thuis zouden zijn. (…) Alle factoren werkten mee voor een goede stemming, het was allemaal heel best.’ Een andere overlevende zegt: ‘Wij waren met een heel stel jongens, alles uit Putten en dan gingen wij bokkie springen en hadden veel plezier. Wij waren immers allemaal vrienden onder elkaar! (…) ’s Avonds maakten wij lolletjes, vooral de jongere jongens, wij gooiden elkaar met water, het was heus wel aardig!’

Transport naar Neuengamme
De eerste zondag van hun verblijf wilden ze net een godsdienstoefening houden, toen men naar appel moest. Het ging dus niet door. Ds. De Ruig ging elke avonds bij de mannen apart zitten om te praten en te lezen uit de Bijbel. In Amersfoort werden 59 mannen losgelaten, wat voor de helft bestond uit mannen buiten Putten, die ‘toevallig’ die zondag in het dorp geweest waren. Ds. De Ruig werd ook vrijgelaten. Toen de overige mannen al lang en breed op transport waren naar Duitsland, zonden de vrouwen van Putten een smeekschrift naar Rauter. ‘Geef ons onze mannen en kinderen, geef de kinderen hun vader terug’, zo schreven ze. Ze waren al op weg naar Neuengamme, een concentratiekamp dat spoorwegtechnisch dichtbij lag en weinig problemen bood. Het vervoer ging met een gewone personentrein. Sommige bewakers waren heel schappelijk en deelden sigaretten uit en namen briefjes voor familie aan, met bonnen geld erin, die allemaal nog aankwamen ook. 13 personen lukte het om uit de trein te springen als die vaart minderde. De reis duurde drie dagen en nachten. Ze leden honger en dorst. Onderweg werd er soms gestopt en mochten ze veevoederknollen uit het land trekken. Onderwijzer Van Harten schreef: ‘Vooral in A’foort heb ik telkens weer de troost van Gods nabijheid gevoeld. (…) Met Gods hulp komen we erdoor. Als het Koninkrijk der hemelen door dit alles nog uitgebreid wordt, is het niet voor niets.’ Aan de andere kant kon hij zijn wanhoop nauwelijks verbergen: ‘O, ik bid ieder ogenblik, dat Onze Vader in de Hemel ons zal verenigen weer. Maar zoveel andere gebeden heeft God niet verhoord. Gods wegen zijn nu wel ontzettend zwaar en diep.’

Onderverdeeld naar verschillende kampen
Niemand van de overlevenden zou ooit de aankomst in het kamp Neuengamme op zaterdagavond 14 oktober vergeten. Werken hoefden ze niet in Neuengamme. Ze deden er wel de nodige kampervaringen op, wenden aan de eindeloze appels, leerden het grove gedrag van kampbewaking en kampgenoten te verduren en het slechte voedsel te eten. De meesten bleven maar kort in Neuengamme. Zo’n honderd Puttenaren, geschoolde handwerklieden, zwakken en invaliden, bleven er. De rest werd verdeeld in een licht en een zwaar transport. Het lichte ging naar kamp Wedel, het zware naar Husem. De hele dag moest er gewerkt worden, tot het donker werd. Haast iedere dag vielen er doden. Die werden op de terugweg meegevoerd door gevangenen. Het graafwerk dat gedaan moest worden was heel zwaar. ‘De heele dag graven was dat. En als je een halve meter diep was, stond je al in het water, dus elke dag kwam je nat thuis. (…) We leden veel aan kapotte voeten.’ Begin november werd een deel naar een nieuw kamp gestuurd: Ladelund. Bij dit transport waren veel Puttenaren. Husum was nog heilig vergeleken met het bijna aan de Deense grens gelegen Ladelund. ‘We kwamen van de eene hel in de andere hel, dat was het. Hier was het nog erger’. Het werk dat verricht moest worden was hetzelfde: tankvallen graven. Men kreeg slecht schoeisel, die vreselijk schuurden. Wonden en ontstekingen aan de benen en voeten waren het gevolg. Het idee van de tankvallen was dat men een inval vanuit het Noorden vreesde. Daarom werden aan de noordgrens van het Derde Rijk tankvallen gegraven, grote gaten van vier meter diep en vijf breed. Het bleek allemaal tevergeefs: ‘Eine dreimonatliche Hölle und ein Massenmord ohne Sin’, want de geallieerden landden in Normandië.

Trieste balans
In het voorjaar van 1945 werd kamp na kamp bevrijd. Op 11 mei, daags na Hemelvaartsdag, arriveerde de eerste Puttenaar in Putten: lopend, liftend en op de fiets waren ze gekomen. Iemand zei hierover: ‘Ik had zulke dunne armen en zulke dikke benen, dat de mensen mij niet durfden te bezoeken’. In Ladelund en Neuengamme waren de meesten omgekomen. Verder kwamen er velen om in Bergen-Belsen, Engerhafe, Hamburg, Hamburg-Spaldingstrasse, Husum en Meppen. Bij het bombardement van schepen in de Lübecker Bocht stierven 21 man. Van 7 waren onbekend waar ze stierven. Het ging bij deze overledenen niet louter om Puttenaren. Er waren ook niet-Puttenaren onder, die soms toevallig in Putten waren, op bezoek of op doorreis, of evacués uit het westen en Arnhem. De totaal aantal overleden Puttenaren bedroeg 407.

Verre familie van mij
Van mijn oma hoorde ik niet lang voor haar overlijden in 2005 dat twee neven van haar ook omkwamen bij de razzia van Putten. Het waren de enige twee zonen van de zus van haar vader. Het zijn Anthonie Kamphuis, 21 jaar, geboren op 14 november 1922, overleden op 2 februari 1945 en Coenraad Kamphuis, 17 jaar, geboren op 16 oktober 1926 en overleden op 14 februari 1945. Anthonie ligt in Hamburg begraven, Coenraad in Neuengamme. Ze waren beiden ongehuwd. Anthonie was theologiestudent en Coenraad smid. Hun ouders waren Hendrik Kamphuis (uit Putten) en Woutera van de Poll (uit Oldebroek).


De berechting van Fullriede en Christiansen
Lage straffen
Van de hoofdrolspelers in het drama Putten werden er twee na de oorlog berecht: Friedrich Christiansen en Fritz Fullriede. Van Wühlisch, een derde betrokkene, pleegde in 1947 zelfmoord in zijn gevangeniscel. Rauter, het hoofd van de SS en de politie in Nederland, hoorde in het voorjaar van 1948 de doodstraf tegen zich uitspreken, die in maart 1949 werd voltrokken. Putten werd beschouwd als één van de ontzettendste drama’s die zich in de oorlog op Nederlandse bodem hebben afgespeeld. De belangstelling van pers en publiek voor de rechtszaak was enorm. Fullriede maakte nog de beste indruk. Hij was een vroegere ‘farmer uit Zuid-Afrika’. Hij had ook meegedaan aan het officierencomplot tegen Hitler, en verschool zich níet achter ‘Befehl’ of een onnauwkeurig geheugen. Hij oogde best sympathiek. Hij beriep zich niet op Befehl ist Befehl, maar hij sprak van een noodtoestand. Hij had de normen van oorlogsrecht en menselijkheid overtreden om erger te voorkomen. Hij wierp zich zo op als de ‘redder van Putten’. Uiteindelijk werd Fullriede veroordeeld tot 2,5 jaar gevangenisstraf met aftrek. Christiansen, die door Duitsland was uitgeleverd, zag zichzelf als ‘slaaf’ van zijn superieure en geslepen chef-staf Von Wühlisch. Hij zei toevallig in het leger te zijn gekomen en dat hij nooit beslissingen nam, maar afging op het oordeel van zijn stafofficieren. Christiansen, die op dat moment 68 jaar was, werd veroordeeld tot 12 jaar met aftrek van het voorarrest.

Verontwaardiging
De publieke opinie reageerde geschokt door de lage straffen van Fullriede en Christiansen. Velen vonden dat de opgelegde straffen niet in verhouding stonden tot de ongehoordheid van de razzia van Putten en de gevolgen daarvan. Maar een weekblad als Elsevier vond dat het hoog tijd werd een einde te maken aan de berechting en zuivering, omdat tussen goed en fout nu eenmaal niet scherp te onderscheiden was. Het voormalige illegale blad De Prinsestad en het jezuïetenblad De Linie stonden hier lijnrecht tegenover. Laatstgenoemd blad schreef: ‘Het Putten-proces had een proces in grote stijl kunnen worden, dat aan Europa zou tonen hoe over het schrikwekkend en tragisch probleem der represailles geoordeeld en rechtgesproken moest worden. (…) Putten stond bovenaan op de afrekenlijst van het Nederlandse volk (indien het jodendrama buiten beschouwing gelaten wordt als niet-militaire misdaad). (…) Alleen de Eeuwige Rechter zal een rechtvaardige rekening van schuld en boete kunnen opmaken.’

Mislukte rechtszaken
Trouw vond dat het drama-Putten in een puur juridisch steekspel was ontaard. Het blad zag gelijkenissen met de verschrikkelijke gebeurtenissen in het Tsjechische dorpje Lidice. Dit dorp werd volledig uitgemoord door de nazi’s, waarbij 340 mannen, vrouwen en kinderen omkwamen. Het proces-Christiansen versterkte bij pers en publiek de bestaande gevoelens van onvrede en verwarring. Men toonde zich ernstig teleurgesteld over de macht van de rechtspraak. Vrij Nederland constateerde dat de Nederlandse rechtspraak niet bij machte gebleken was de zaak tegen de grote politieke en oorlogsmisdadigers te voeren. Elsevier kopte met ‘Tragiek van de grote promotie’, doelend op Christiansen. De kijk op de procesgang werd ook sterk bepaald tot de toen hoogst actuele strijd van Nederland in Indonesië. De eerst politionele actie in 1947 was gevoerd, niet zonder oorlogsmisdaden van Nederlandse zijde. Loe de Jong zag het optreden van de Wehrmacht in Putten als een uiting van een mentaliteit waarmee de bevolking van bezet Nederland vóór september 1944 nauwelijks, maar daarna wel meer te maken kreeg. Het drama van Putten laat scherp zien hoe misdadig het bezettingsregime is geweest.

Psychiaters zoeken naar een verklaring
Dorp der weduwen
Toen in de loop van mei 1945 bekend werd dat zovelen uit één dorp in de Duitse kampen omgekomen waren, was men in het land verbijsterd. Putten leek in een notendop alle ellende en alle leed te belichamen. Het dorp werd een symbool. De Volkskrant kopte met ‘Rouw in Putten’, De Waarheid met ‘De tragedie van Putten’, Elsevier met ‘Dorp der weduwen’. In 1946 sprak minister-president Schermerhorn in zijn wekelijkse radiopraatje over de ‘tragedie van Putten’. Trouw vroeg zich af: ‘Wie is de schuldige van Putten?’ Diep onder de indruk van al die doden die Putten te betreuren had, vroegen velen zich af wat de oorzaak van het hoge sterftecijfer kon zijn. In het weekblad De Baanbreker verscheen een essay van de jonge Amsterdams arts Van Dantzig (zelf in de kampen van de Puttenaren geweest), die inging op de ‘abnormaal’ hoge sterfte onder de Puttenaren. Hij legde een verbinding tussen de socio-culturele achtergrond, theorieën uit de psychoanalyse over hoe en waarom mensen zich al of niet aanpassen aan extreme situaties en het gedrag dat hij gezien had van de Puttenaren in het kamp. Het artikel, ‘De tragedie der Puttenaren’, heeft sterk zijn sporen gedrukt op de herinnering aan de razzia.

De inhoud van Van Dantzigs artikel
Zijn artikel besloeg slechts één enkele krantenpagina. Centraal stond de stelling dat het in het kamp algemeen bekend was dat de Puttense groep minder dan andere gevangen opgewassen was tegen de situatie van het concentratiekamp. Daar ze bij hun komst in een goede fysieke toestand verkeerden en gewend waren aan lichamelijke arbeid, kon de oorzaak voor het hoge sterftecijfer van de mannen niet in hun fysieke conditie liggen. Van Dantzig constateerde een gebrek aan aanpassing aan het leven in het kamp. Zo werkten ze, gewend aan het spitten als ze waren, bij het graafwerk aan de tankgreppels harder dan verstandig was, gezien het weinige voedsel dat ze kregen. Ze namen rust als hun oorspronkelijke werkritme als landbouwers dat voorschreef, in plaats van wanneer het een veilig moment daarvoor was. Zij verwaarloosden hun beenwonden, omdat ze daarvoor uren lang in de rij voor het revier moesten staan ‘met kans op koude avondsoep en een slechte slaapplaats’, en zij dronken water naast de koffie en thee zonder te beseffen hoe dodelijk dat vervuilde water kon zijn. De Puttenaren waren als groep gearresteerd en zij konden zich daardoor niet losmaken van het collectief. De Puttenaren waren onschuldig gearresteerd, waardoor hun kampleven niet in hun levensloop kon worden geïntegreerd en het kamp dus een irrealiteit, een droombestaan, bleef. Gevangenen die om politieke redenen in het kamp zaten werden door hun strijdbare geest in de gunstigste positie geacht de ontberingen te overleven. Er ontstond een verlammend heimwee naar familie en dorpsleven, dat hun fysieke toestand ondermijnde.

Neutraliteit van Van Dantzig betwist
Van Dantzig wilde als ‘neutrale’ toeschouwer verslag doen van zijn bevindingen en observaties in het kamp. Na de bevrijding lag Van Dantzig vijf jaar lang op bed met tbc. In die periode schreef hij het artikel. Het is duidelijk dat zijn neutraliteit in twijfel kan worden getrokken, helemaal als we bedenken dat hij sterk beïnvloed was door de opvattingen van Freud over de werking van de menselijke psyche. Ook had hij een politieke inslag. De achtergrond van de Puttenaren werd door hem verworpen, want hij was een linksgeoriënteerde man. De religie van de Puttenaren werd door hem niet eens erkend als een religieus levensprincipe dat mensen weerbaar maakte. De Wind, een overlevende van Auschwitz, was één van de eerste Nederlanders die durfden te erkennen dat de aanpassings- of overlevingsmechanismen die in vroeger jaren door psychologen waren geponeerd, ‘uit subjectieve berichtgeving achteraf geconstrueerd’ waren.

Ze hadden het te goed gehad op hun boerderij
De RIOD heeft overlevenden geïnterviewd. Het stellen van vragen is hierbij van belang. Hierover zijn diepgaande studies geschreven. De ondervragers hadden soms hun eigen kampverleden en waren dus niet objectief. Men kwam op vier oorzaken voor de hoge en snelle sterfte van de Puttenaren: het gebrek aan vitaliteit van de mannen, hun nieuwelingschap in het kamp, hun werkethos en hun heimwee. ‘De menschen, die het het beste hadden gehad, waren er het slechtste aan toe, dat is werkelijk zoo. (…) Ik was al een beetje aan honger gewend. Dat was mijn voordeel. Die boeren hadden volop gehad en leden daarom veel meer. Ze waren kerngezond. (…) Zij waren een te goed leven gewend eigenlijk. De oorlog was vier jaar oud, maar in die vier jaren hadden zij nooit enig gebrek geleden.’

Ze werkten veel te hard
Ds. De Ruig vertelt: ‘Geestelijk hadden zij een bekrompen blik, zij kenden niets van de wereld buiten Putten. (…) Ze kregen teveel te verwerken. (…) Psychisch hadden zij zeer weinig weerstand, dat kan ik u wel zeggen. (…) De Putter legde in het algemeen een zeer zwakke vitaliteit aan de dag. (…) De Puttenaren hadden geen veerkracht.’ Juist die wil om te leven was hoognodig. Door hun nieuwelingstatus hadden ze een harde dobber aan het kampleven. De baantjes waren al verdeeld. Veel kampbewoners waren goed in de Bewegung, de goede schijn. De Puttenaren deden daar echter niet aan mee: ‘Dat was het ongeluk voor vele boeren, die werkten veel te hard, wel vijf keer zo hard als ik’, zo vertelt iemand. ‘Maar dat was onmogelijk met het weinige eten, dat wij kregen, dat merkte je toen al. (…) Die menschen waren het ook gewend, het was hun eigen werk zoo’n beetje, graven en spitten. Zij konden het te goed. Mijn voordeel was dat ik het juist heelemaal niet kon!’

Heimwee en water waren dodelijk
‘Als je heimwee kreeg, was je twee dagen later dood, dan was je weg.’ Iemand anders zegt over heimwee: ‘Dat was heel gek: zoo was het goed en gebeurde er niets en zoo was het mis en gingen zij kapot. Soms praatten ze over huis, maar meestal zeiden ze de heele avond niets en zaten stil in een hoekje. Zij leefden eenzaam en teruggetrokken en stierven op hun gemak. Ze konden niet meer.’ Een overlevende zegt: ‘Ik persoonlijk kon mij reuzegoed aanpassen in de nieuwe omstandigheden. Ik paste mij aan, direct. De anderen hadden altijd verhalen over thuis, en dat kon niet, daar raakte je kapot van.’ ‘Ik heb ontzettend weinig gedronken, dat heeft vast geholpen. (…) Je kreeg er (…) dysenterie van. (…) Hoe hongerig ik ook was, aan de rest heb ik mij niet gewaagd. Bij de boeren zat er heel weinig wilskracht achter, zij aten alles wat los en vast was.’

Rustig en juichend sterven
De gereformeerde predikant A. Debois schreef in 1946 De muren spreken, waarin hij een bundeling persoonlijke belevenissen van mensen in kampen gaf. Over Putten schreef hij ook, maar geen woord over de te hard werkende Puttenaren, hun gebrek aan levenslust of hun heimwee. De Puttenaren hadden het ‘buitengewoon slechts getroffen’, vond De Ruig, die dit schreef. ‘Mensen die geen ontberingen gewend zijn sterven het eerst, ook al zijn ze gezond en goed doorvoed. De overgang is dan te groot.’ ‘Zij kwamen zóó uit hun goede leven in deze ontzetting terecht.’ De Ruig beschreef dat de Puttenaren toch geen wanhopige mensen waren, want ze hadden elkaar om te helpen en op te beuren. ‘Hoevelen hebben in de ellende hun God gevonden als een vader (…) Het zijn er niet weinigen, die rustig en juichend sterven konden.’

De Ruigs kritiek op het godsdienstige leven van Putten
De Ruig was en bleef een buitenstaander in Putten. Hij was nog maar kort voor de razzia beroepen. Hij was geen ‘zware’. Binnen de duizend lidmaten tellende gereformeerde kerk van Putten waren veel mensen die niet uit Putten zelf afkomstig waren, reden waarom iemand van zijn signatuur beroepen kon worden. In 1947 diepte hij het thema van de ‘geestelijke inzinking’, van het gebrek aan ‘psychische weerstand’ of ‘vitaliteit’ uit. Als nieuw element wees hij nu op de specifieke religiositeit van de Puttenaren, waarover hij erg kritisch was. ‘Het geloof, dat velen er op na houden, beteekent niets, want zij hebben er niets aan. (…) Hun geloof was geen steun, geen kracht en de traditie was gebroken. Daar zaten zij nu in het kamp en omdat zij voor dien tijd ook buiten de zekerheid en de blijdschap van het geloof geleefd hadden, bleef dat daar ook zoo.’ De Ruig vond de Puttenaren te zwaar, zowel de hervormden als de gereformeerden. ‘Je hoort (…) alleen van de zwartheid. Je hoort van de zonde, maar niet van de verlossing.’ De Ruig kon beweren dat de Puttense godsdienst nauwelijks meer was dan ‘uiterlijkheid, gewoonte en traditie’. De band tussen geloof en levenspraktijk was ver te zoeken. ‘Dat is juist het merkwaardige hier. ’s Zondags zitten ze urenlang in de kerk, maar in de week kan er een hoop mee door. Ze maken zich dit niet bewust, maar onbewust redeneeren ze: “Zoo is de mensch nu eenmaal en als God dant niet verandert…” Zoo’n mentaliteit brak hen ook op in Duitschland, zij waren verliefd op de vloek waaronder zij leefden en deze gedachte was weerspiegeld in al hun reacties.’

De Ruigs kritiek slaat over en afkeer
De Ruigs uitlatingen beginnen iets negatiefs te krijgen. ‘Als je het evangelie predikte, dan kwam altijd de kritiek: “Je denkt er te gemakkelijk over, zoo gaat het niet. Je moet eerst op je knieën voor God!”’. De Ruigs gevoel als dominee tekort te schieten sloeg om in een afkeer van het dorp, zijn inwoners en hun mentaliteit. De Puttenaren hadden in de zwaarte van hun geloof een geestelijk leven dat geen kracht kende, meende hij. ‘Daarom deden deze menschen ook zoo weinig aan het verzet. (…) Je kon beter smokkelen, daar was nog wat aan te verdienen ook.’ De Ruig degradeerde zo de Puttenaren en bloc tot ‘foute’ Nederlanders. Hij gaat nog verder: ‘De inteelt heeft hier het geslacht verzwakt en dat merkte je in dergelijke omstandigheden. (…) Maar het is hier een van de ergste plaatsen in Nederland. Door inteelt, slechte woningtoestanden en bekrompen levensopvattingen zijn ze de kamptijd niet te boven gekomen.’ De Ruig had in de ogen van de Puttenaren de weggevoerden niet goed ondersteund. De Ruig verdedigde zich door te zeggen dat hun geslotenheid en de zwaarte van hun geloof hem afgestoten, hem verhinderd had hen geestelijk te bereiken. Wel hoorde hij eens een man zeggen: ‘Met mij loopt het niet goed af. Maar dat hindert niet Dominee, want ik ga immers naar boven.’ De Ruig zei daarop dat je ‘zulke dingen nooit hoorde hier in Putten!’

Van Dantzigs these omarmd
De meeste overlevenden van de Puttense groep beroemden zich op hun overlevingsstrategie, die hen naar zijzelf stellig meenden had gered. Zij klampten zich dankbaar aan de strohalm die Van Dantzig hun bood vast om te begrijpen waarom hun lotgenoten er wel onderdoor waren gegaan. De Puttenaren konden de kantjes er niet af lopen of doen alsof. Ze onderscheidden zich door een aangeboren werklust en stoere kracht bij het graven. Tot hun grote nadeel. Deze arbeid, die ze thuis gewend waren, steunde daar op degelijke, vetrijke, goede boerenkost. Ook nog in oorlogstijd. Weliswaar trachtten ze in de arbeid afleiding en vergetelheid te vinden. Men begon meer en meer te berusten. Velen werden passief, lusteloos. Moegebukt en zonder hoop, missende de dagelijkse omgang met familieleden, buren, vrienden en kennissen uit hun dorp. Een tegengeluid tegen Van Dantzig thesen liet zich lange tijd niet horen. Pas in het tiende deel van het overzichtswerk van Loe de Jong (1982), weersprak iemand op goede gronden de gangbare opvatting van het specifieke lijden van de Puttenaren. De Puttenaren kwamen volgens De Jong in een kamp terecht waar zij onvermijdelijk zwaardere verliezen leden dan anderen.

Rouw en steun
De dodenlijst
De gereformeerde predikant De Jager hield in februari 1945 een bidstond ‘om als gehele burgerij te roepen uit nood tot de enige Helper en Redder in de hemel, Wiens oordelen in grimmige baren over ons volk en ook over ons dorp gaan.’ Er kwamen eerst nog wel doodsberichten, maar later helemaal niets meer. Dat was moeilijk te verwerken. Er was een lijst opgesteld van namen van dorpsgenoten die volgens twee overlevenden waren omgekomen. In het dorp was bekend geworden dat deze lijst bestond en men dromde in de Dorpsstraat samen. De predikanten Holland en De Jager en anderen besloten na in dubio gezeten te hebben om de dodenlijst toch maar bekend te maken. Holland liet de mensen de Oude Kerk binnengaan en las de lange lijst van tweehonderd overledenen op. ‘Als de vrouwen de namen van hun mannen hoorden, werden zij lijkbleek en bleven star zitten. Dat moment is werkelijk vreselijk geweest.’ Holland hield geen kerkdienst. ‘Op zoo’n moment is het beter, het zwijgen er toe te doen’. Wel bezocht hij de getroffen gezinnen, wat de oude dominee te veel werd: hij kreeg een hartaanval. Op hemelvaartsdag, de dag dat de namen werden voorgelezen, werden alle vlaggen binnengehaald. ‘Putten was in diepe rouw. In elk huis is een dode, ja soms drie of vier.’ Toen iemand die op de dodenlijst stond levend naar Putten kwam, kreeg men weer hoop, maar niet voor lang. Het maandenlange wachten op de terugkeer van de mannen was fnuikend en bleef in het geheugen gegrift. ‘Ik heb nog heel lang gedacht, dat mijn man terug zou komen’, vertelde een weduwe.

Overal vandaan steun
De weduwen kregen een vaste financiële ondersteuning van het rijk, maar een vetpot was dit alles niet. Enkele weduwen zetten zo goed en zo kwaad als het ging het bedrijf van hun man voort. Het dorpsleven veranderde navenant. Was het vroeger een drukte van belang, nu, met ruim 400 mannen minder, was het stil geworden. Groot was de haat jegens alles wat Duits was. In het land leefde men intens mee met Puttens lot. Begin juli 1945 arriveerden vrachtwagens uit Rotterdam met levensmiddelenpakeketten. Dit was een gebaar van dank voor de hulp van Putten aan Rotterdam in de hongerwinter. Ook betoonde het koningshuis medeleven met Putten. Koningin Wilhelmina bracht op 4 juli 1945 een bezoek aan het dorp. Veel nabestaanden kregen dat jaar een schrijven van de koningin waarin zij haar medeleven met hun verlies uitte. Mensen uit de Amsterdamse bankwereld, die het geliefde toeristische dorp van hun vakanties kenden, richtten de stichting Puttens Jeugd op, doel was de kinderen van de slachtoffers financieel bij te staan.

De oproep van premier Schermerhorn
Premier Schermerhorn deed op de radio in maart 1946 een beroep op de bevolking om deze stichting te steunen. De Nederlandse Reisvereniging, het lagere personeel van de belastinginspectie in Den Haag, uit de Verenigde Staten en uit Pretoria (Zuid-Afrika): overal vandaan kwamen hulpgelden. Zelfs ging de opbrengst van een voetbalwedstrijd van Ajax naar Putten. De enorme respons op Schermerhorns oproep kwam deels omdat steun aan de Puttense jeugd nauw aansloot bij de heersende maatschappelijke onrust over de veronderstelde verslapte en ontaarde zeden in bezettingstijd. Voor het sociaal en economische herstel van het land achtte men een gezond gezinsleven onmisbaar. Er waren zo’n 250 weduwen en 750 vaderloze kinderen: onvolledige gezinnen dus, wat een gevaar in zich had. Uit het Engelse dorpje Stroud kwam geld waarmee een gelijknamig dorpshuis werd gebouwd. De wederopbouw verliep slecht. Er moesten veel nieuwe woningen gebouwd worden, er waren in totaal duizend woningzoekenden, maar het wilde niet vlotten.

Kan een jonge dominee troost bieden?
De diakenen werden aangespoord ‘troostvolle hulp’ te bieden en de weduwen te bezoeken. Het huisbezoek was vaak een erg emotionele aangelegenheid. Ds. L. Kievit, die 27 jaar was, was blij dat hij werd bijgestaan door een ervaring ouderling die zelf twee zonen verloren had bij de razzia. Een weduwe verweet hem eens dat hij nog te jong was om troost te kunnen bieden. Hij stond met de mond vol tanden. Maar desbetreffende ouderling Schuitemaker zei:

‘Vrouw, heb ik ook niks meegemaakt? Ja Dirk, zei ze: Jij bent ook een jongen kwijt. Ja, twee, zei hij toen. En hoeveel had je er? Twee. O, Dirk, zei ze: Dat is haast nog erger, twee jongens en twee kwiet, kun je datbegriepen? Toen zei hij: God had een jongen en Hij wilde Hem kwijt voor jou en voor mij. Kun je dat begrijpen? (…) En die vrouw, die nog nooit had kunnen huilen, een jaar later nog niet, barstte snikkend uit en zei: Daar heb ik niet aan gedacht.’

Zich sterken in God met David en God in het leed blijven zoeken met Job
Ds. De Jager sprak op 27 mei 1945 over de tekst ‘Doch David sterkte zich in de Heere zijn God’ (1 Sam. 30:6). Het ging hem om de vraag naar het waarom van Puttens zware lot te verbinden met verootmoediging voor God. Hij vond dat twijfel aan Gods bestaan, hoe begrijpelijk ook, verkeerd was. De Jager betrok het leed dat over Putten was gekomen heel concreet op Puttens zonde. ‘Als Putten ooit een krachtige roepstem tot bekering heeft gehad dan is het deze.’ Hij wees op de ‘valsche lijdelijkheid’ enerzijds en de ‘groote oppervlakkigheid en onverschilligheid’ anderzijds. Kievit preekte bij een herdenkingsdienst over het zware lot van Job. Zoals Job in al zijn leed God had gezocht en was blijven zoeken, zo moest Putten begrijpen dat God de hand in Puttens rampspoed had gehad. God stond waarachtig niet buiten de razzia:

‘Hij zegt nadrukkelijk: Zie, hier ben ik. Hier, in dit drama van Putten. Want het is geen lot, dat u treft, maar een God, die u slaat. Dat is een ondraagbare ernst, dat is tevens een onzegbare troost.’

Typering van de troost- en verklaringsprediking
Terwijl het voor De Jager, die uit een echt afgescheiden domineesfamilie stamde, vaststond dat God Putten had bezocht om het te straffen voor de zonde, bezigde Kievit het woord ‘zonde’ niet, maar sprak van kastijding en beproeving. Kievit stond voor de moeilijke taak zowel een verklaring als troost te bieden in een gemeenschap waarin geloofsafval niet zelden voorkwam. Door wat er gebeurd was op Christus te betrekken, hoopte de nieuwe generatie dominees, de lijdelijkere en passievere houding van de gelovigen om te buigen in een van grotere geloofszekerheid, blijmoedigheid en daarmee sterkere ontvankelijkheid voor de troost van het geloof. De gereformeerde dominee De Ruig ging hierin te ver naar Puttense maatstaven. Hij refereerde nauwelijks meer aan de zonde. Hij sprak over lijden zonder persoonlijke schuld. Hij sprak van ‘een lijden om Christus’ wil, een lijden dat God bestelt in ’t leven van Zijn kinderen om Zijn naam groot te maken en hun leven te bouwen.’ De Ruig preekte enkele malen over Job, de zwaar geslagene. Diens vrienden hadden zijn lijden als bewijs van grote zonde gezien. Die notie bestreed De Ruig fel. De Ruig leidde in oktober 1945 de rouw- en herdenksdienst en sprak over Jesaja 66:13, met als thema: ‘De Heere zal troosten als een moeder’. Er waren echter nogal wat Puttenaren die zijn prediking te ‘licht’ vonden. De tweede hervormde predikant G. Boer stond in een herdenkingspreek stil bij ‘Jezus in de storm’. Hij had het meer over Jezus’ bijstand dan over Gods tucht en Zijn bedoeling met Putten. Er waren er die zich van het geloof hadden afgewend. Boer zegt:

‘De Heere vraagt: Hoe gaat het in Putten? Hoe gaat het met U? En Hij zegt: Wist ge het niet, dat Ik het was, nu twee jaar geleden?’

Bijbelteksten en psalmen de refereren aan de razzia
Jarenlang vormden bepaalde bijbelteksten en psalmverzen het fundament waarop de bijbelvaste gemeenschap van toen elkaar verstond: de roede, waaraan honing kleefde, de roede die werd gekust (Ps. 94:7), God die als een vorst incognito Putten had bezocht, de veelgeciteerde regels ‘Bezwijkt dan ooit in bitt’re smart / Of bange nood mijn vlees en hart / Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed / Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed’ (Ps. 73:13). Na de brandstichting de psalmregels ‘Laat, zeiden zij, laat ons het ganse land / Geplunderd door onz’ overmacht doen zwichten’ (Ps. 74:8). De woorden ‘Want wij zijn weinigen, van velen overgebleven’ (Jer. 42:2) verwees naar de enkele teruggekeerden. ‘Rachel weent over haar kinderen en weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn’ (Jer. 31:15) verwees naar de vrouwen die hun zonen verloren hadden. De tekst op het monument ‘En God zal alle tranen van hun ogen afwissen’ (Openb. 21:4a) was de ultieme belofte van het geloof. Ps. 84:3 en 4 werden voor het eerst weer gezongen bij de herdenkingsdienst van ds. Boer in oktober 1946. Sindsdien is dit de psalm bij uitstek geworden die refereert naar oktober 1944, en wordt elk jaar weer gezongen bij de herdenking.

Herinnering en verzoening
Monument
Al direct na de bevrijding was het initiatief genomen in Putten een gedenkteken op te richten ter herinnering aan de razzia. Het werd een eenvoudige gedenksteen met de tekst ‘VAN HIER WERDEN ZIJ WEGGEVOERD’. Het beeld dat gemaakt werd door Andriessen was een vrouw die in de linkerhand een kerkboek had om het godsvertrouwen van de Puttense bevolking uit te drukken. Het comité wilde liever geen kerkboek. Het werd een zakdoek. Op het monument staat: ‘2 october 1944. Gewijd aan de gedachtenis van de zeshonderd, die niet terugkeerden. En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen (Openb. 21:4a)’. Dit beeld kwam voor de Oude Kerk te staan, want de provincie vond dat het tweemeter hoge monument niet geschikt was voor de open lucht. De onthulling werd groots aangepakt. Voorafgaand werd een herdenkingsdienst gehouden in de Oude Kerk onder leiding van ds. L. Kievit en zijn gereformeerde collega L. Kwakkelstein, die in 1947 De Ruig was opgevolgd. De dienst werd door koningin Juliana bijgewoond. Na afloop onthulde zij het monument. De blik van de treurende vrouw richtte zich over de symbolische graven voor haar heen naar de Oude Kerk, de plaats vanwaar de mannen waren weggevoerd en die het werkelijke centrum van het herdenken bleef. Het beeld was een creatie van de eenzame, gelaten vrouw uit het ‘dorp der weduwen’, die in al haar droefheid was uitgebeeld, en die in al haar soberheid de eenvoudige plattelandsgemeenschap verbeeldde. De datum van 2 oktober werd van grote betekenis. Het was naast 4 mei een plaatselijke rouwdag waarop de winkels dicht waren en een herdenkingsdienst werd gehouden.

‘Excursie’ naar Ladelund, het begin van de verzoening
Ladelund, het aussenlager van Neuengamme, lag op zo’n vijfhonderd meter van het gelijknamige dorp verwijderd. De inwoners van dit dorp hadden in de maanden november en december met verbijstering gadegeslagen wat er gebeurde met de mannen van het kamp. De mensen waren diep en diep geschokt over dit voor hen onverwachte aspect van het nazisme. Pastor Meyer van de Evangelische kerk in het dorp had van de kampleiding het verzoek gekregen de doden te begraven. Hij wilde dat, maar op voorwaarde dat hij de namen en antecedenten van de doden kreeg. In de loop van de zes weken dat kamp Ladelund bestond, borg hij in negen massagraven achter de kerk driehonderd doden, van wie 110 uit Putten. In het voorjaar van 1946 voelde hij de plicht om de familie van de overledenen ervan op de hoogte te stellen dat de doden een christelijke begrafenis hadden gekregen. In oktober van dat jaar wilde een groep nabestaanden de graven bezoeken. Het voornemen van de ‘slachtoffers’ om het land van de ‘daders’ te bezoeken trok grote aandacht in de pers.

De medelijdende Hogepriester
Drie bussen met zo’n 130 Puttenaren gingen met hun dominees Kievit en Kwakkelstein op weg naar Duitsland. Men wilde geen versiering in de kerk met bloemen en geen treurmuziek. De eerste dag reed men door tot net over de Deense grens, waar men in een hotel overnachtte. In Duitsland slapen was ondenkbaar. Samen zongen de Puttenaren en de Ladelunders in de kerk Ps. 84 en 73. Pastor Meyer zei: ‘Ik weet dat uw smart ook Jezus’ smart is en onze lijdensweg Zijn lijdensweg is waarop Hij naast ons staat. (…) De medelijdende Hogepriester was ook in Amersfoort, in Neuengamme en hier in Ladelund. (…) Daarom op naar Golgotha (…) Ik weet dat Duitse broeders u dit grote verdriet hebben aangedaan. Maar God zal ook hen kunnen vergeten als zij vluchten tot de troon der genade die nog eeuwig staat. Jezus Christus is de waarachtige brug tussen Holland en Duitsland.’

Wangedrag bij de Duitse douane
Bij de douane kregen de Puttenaren ernstige moeilijkheden. Men behandelde hen ‘als zou het een plezierreis zijn’. Door de Duitsers werd aan een Puttenaar verstaan gegeven dat ten gelovige van de vermoording van een Duitse officier door terroristen, de Duitsers het recht hadden op vergeldingsmaatregelen ten aanzien van de bevolking. Toen de Duitse regering dit ter ore kwam, reageerde ze fel. Het hoofd van de douanedienst bood zijn excuses aan en de twee douaneambtenaren die zich aan het wangedrag schuldig hadden gemaakt, vlogen de laan uit.


Koninging Juliana bezoekt Putten

Meyers tegenbezoek
Ook kwam Meyer met een tegenbezoek naar Putten, hij logeerde toen bij Kievit in de pastorie. ’s Avonds was er een bijeenkomst in de Oude Kerk, die werd bijgewoond door 1600 mensen. De schuldbekentenis die Meyer in naam van het Duitse volk aflegde maakte het sommige weduwen makkelijker te vergeven. Uit erkentelijkheid voor Meyer bood de burgemeester hem in 1950 een kelk aan, met graveringen van beide kerktorens en de tekst ‘En God zal al hun tranen afwissen’ in het Latijn. Meyer hield een preek die door Kievit werd vertaald, over Joh. 16:16-25.

‘Een kleine tijd, en gij zult Mij zien; en wederom een kleine tijd, en gij zult Mij zien, want ik ga heen tot de Vader. (…) Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat gij zult schreien, en klagelijk wenen, maar de wereld zal zich verblijden; en gij zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden. (…) En gij dan hebt nu wel droefheid, maar Ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uw blijdschap van u wegnemen.’

Meyer stuurde twee jaar later alle familieleden een brief met foto’s om te laten zien met hoeveel zorg de graven onderhouden werden. In Putten was de discussie op gang gekomen of men de doden in Ladelund moest laten of in Nederland moest herbegraven. Uiteindelijk sprak de gemeente Putten zich ervoor uit de doden in Ladelund te laten en de Nederlandse regering respecteerde deze voorkeur.

Het christelijk geloof en verzoening
De kerken ontfermden zich over de bedroefden. De lokale overheid schiep een passend herdenkingsritueel en een indrukwekkende rouwplaats: het Puttense monument. De natie leefde in woord en gebaar mee. ‘Religie biedt gelovigen niet alleen troost voor verdriet en een verklaring van het leed, maar leert ook hoe te leven in de wereld’. Indachtig de bijbelse opdrachten om je vijanden lief te hebben en dat aan God de wraak is, heeft de gemeenschap zich van haar christenplicht gekweten de vijand de hand te reiken en hem vergiffenis te schenken, ook al kwam het niet tot een werkelijke confrontatie met de daders.

De affaire-Christiansen
Geschokt werd kennisgenomen van de gratiëring van Christiansen in december 1951 vanwege gezondheidsredenen en hoge leeftijd. Dit werd vergroot door de nogal ongelukkige manier waarop minister Mulderije in de Tweede Kamer tussen neus en lippen door de gratiëring meedeelde: Christiansen zou ‘vóór Kerstmis’ vrijkomen. Het katholieke dagblad De Volkskrant sprak van een ‘zoveelste uiting van misplaatste barmhartigheidspolitiek van de regering’. Terwijl een algemene amnestie voor de Indonesië-weigeraars onbespreekbaar was, kon dit wel. Christiansen werd feestelijk onthaald in zijn geboorteplaats, het waddeneiland Föhr. Hij ging wonen in Innien (Sleeswijk-Holstein), dat niet ver van Ladelund lag. Er werd zelfs in 1952 een straat naar hem vernoemd! In 1964 werd hem een bijzondere onderscheiding van de burgemeester toegereikt. Een grote discussie barstte los in de Duitse pers. Groot was de verontwaardiging in Putten. De nieuwe predikant Richter van Ladelund belegde een persconferentie. Na een windstilte brak de storm weer los toen Christiansen overleden was en men terugblikte op zijn leven. De familie van Christiansen besloot eieren voor haar geld te kiezen en vroeg het stadsbestuur de straatnaam te veranderen (Richters had gedreigd eigenhandig het straatnaambord te verwijderen). Putten kreeg in haar protest steun van de Nood-Duitse gemeenschap zelf. De affaire werd steeds meer een Duitse aangelegenheid. Zij werden zich in de loop van de tijd hoe langer hoe meer bewust van hun problematische omgang met het verleden.

Voorzichtigheid geboden
Meyers opvolger in Ladelund, de jonge Richter, bracht verdieping in de betrekkingen tussen Putten en Ladelund. Doordat de doden in Ladelund bleven, bleef Ladelund de essentiële functie vervullen van begraafplaats voor de Puttense doden. In 1963 kwam hij naar Putten met een groepje jongeren om een krans bij het monument te leggen. De media toonden in de jaren 60 grote belangstelling voor de verzoening die Ladelund en Putten op zo’n indrukwekkende manier op gang brachten. In oktober 1969 zond de NCRV een dramatische documentaire daarover uit: De vaders en de broers van Putten. In Putten waren ook mensen die de relatie met Ladelund allerminst waardeerden en zich ervan afzijdig hielden. De Puttense gemeenteraad was nauwkeurig in de medewerking en steun die Putten aan welke instantie dan ook zou geven, om tweespalt in de gemeenschap te voorkomen. De uitgift van een Oost-Duitserse postzegel gewijd aan Putten werd verworpen (het was communistische propaganda tegen West-Duitsland), vrouwen kregen een brief van de Tsjecho-Slowaakse federatie van antifacistische strijders. Ze berichtten dat in de rozentuin van een oorlogsmonument in Lidice ook rozen voor Putten gezet waren. Deze en meer acties liet Putten voor wat het was. Zulke politieke pogingen tot ‘verzoening’ in solidariteit vielen in Putten in onvruchtbare aarde. Alleen de door Christus geïnspireerde en op Ladelund en de Evangelische Kirchengemeinschaft gerichte verzoeningsarbeid werd erkend als de ware verzoening, die in overeenstemming was met de Puttense identiteit.

De jaarlijkse plechtigheid
De plechtigheid op 2 oktober kreeg in de loop van de tijd een vaste vorm. Als 2 oktober op zondag valt, wordt de herdenking op zaterdag gehouden. De gemeente gaf die dag de mensen vrij. Eerst was er nog geen vaste tijd voor de herdenkingsplechtigheid. Met ingang van 1957 begon de plechtigheid om zeven uur ’s avonds en is er na afloop een herdenkingsdienst. Verder treedt er een zangkoor op. In de vroege avond luiden een halfuur de klokken in het dorp. De landelijke pers typeert de herdenking steevast als ‘sober’. Op het hoogtepunt van de Koude Oorlog toonde de CPN een enkele maal expliciet haar aanwezigheid. Burgemeester Quarles van Ufford stelde in 1974 voor om voortaan slechts eenmaal in de vijf jaar de razzia te herdenken. De reactie in de raad was zodanig dat hij het voorstel snel weer introk. Men kreeg oog voor het feit dat de jeugd de gebeurtenissen zou vergeten. Een groeiend dorp met veel mensen van buitenaf en een verlies van haar waarden en normen bracht desintegratie in de gemeenschap.

De moeilijke taak van iedere predikant van Putten
Iedere dominee die in Putten kwam te staan, zou zijn visie als christen op de ramp van Putten moeten geven. Op de tiende gedenkdag van de razzia in 1954 preekte ds. J. van Sliedregt. Het ging nu volgens hem om Gods Woord, om Zijn stem in het heden.

‘Waar die hoge hand des Heeren, die in Christus doorboorde hand toegewend en uitgestrekt wordt tot de verloren zondaar, gezien is, daar is in de lijdensnacht der kampen, nu tien jaar geleden, zeer haastig van God, genadig en almachtig, tot vervulling gebracht het woord van onze tekst: Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. Maar daar wordt ook – misschien in een verstild leven – zoete troost uit dit getuigenis genoten.’

Het van 1966 gedateerde kerkzegel van de hervormde gemeente van Putten had de tekst uit Jesaja 54:7. ‘Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten…met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen.’ 25 jaar na de razzia leidde ds. J. Smit de herdenkingsdienst. Hij had als tekst genomen ‘Doch David sterkte zich in de Heere zijn God’.

‘En ik heb gelezen, de eenzaamheid wordt groter, de kinderen getrouwd, alleen overgebleven. Wat kan dan toch het verdriet levensgroot voor u staan. Het kan een vrouw zonder man, een jongen zonder vader, een moeder die haar kind mist plotseling weer brengen in de diepte. Alles is weg. Wat heeft dit leven nog zin? Je loopt aan alle kanten vast! (…) De weg naar boven is nog open.’

De verzetsdiscussie
Hoewel hier en daar weleens de vraag rees wie nu eigenlijk de aanslag had gepleegd, en betreurd werd dat deze nooit was ‘gereconstrueerd’, bleven vragen met zo’n apert politiek karakter als deze onbeantwoord. Steevast werd in de pers het feit betreurd dat de resultaten van ‘het officiële onderzoek’ nooit bekendgemaakt waren. Men spreekt in dit verband van ‘gevoeligheden’. De verzetsgroep bleek te hebben afgesproken dat men veertig jaar niet over de aanslag zou spreken. Met de provorellen in die dagen schreef de Telegraaf dat de aanslag een ‘dolle, mislukte verzetsdaad’ was. Het Parool wees erop dat de dood van de Puttenaren niet voor rekening van de verzetsgroep, maar van de bezetters komt. Trouw sprak van een ‘amateuristisch optreden’ van de verzetsgroep en de ‘desertie van zijn commandant’. In 1974 betoogde een oud verzetsman dat Putten niet om de verzetsdaad gestraft was. De reden daarvan was dat er in de auto van de Duitse militairen een tekening was gevonden met de plattegrond van het hoofdkwartier van Hitler in Oost-Pruisen. De militairen in de auto zouden op weg zijn geweest naar Christiansen, die in het complot zat om Hitler te vermoorden. Uit vrees voor de Gestapo was Putten zo hard aangepakt. Veel gerucht veroorzaakte een radiodocumentaire van de NCRV in 1974 over de aanslag, de razzia en de wegvoering van de mannen, getiteld Dodenboek voor Putten. In de gesprekken met de mensen in Putten was het de journalist opgevallen dat de schuld voor het lot van het dorp en de bevolking ervan gelegd werd op de schouders van de illegaliteit. Dat kwam volgens hem doordat de mensen van het verzet die het weten konden, hadden gezwegen. Hier zou sprake zijn van een latent schuldprobleem. In feite draaide de verzetsdiscussie om iets heel anders. Het ging in de jaren 50 en 60 om de vraag in hoeverre het verzet wel gerechtigd was geweest tot het plegen van aanslagen die zo weinig rendement opleverden en zulke enorme gevolgen voor de lokale bevolking hadden.

De VARA-affaire
De televisiedocumentaire Putten op de Veluwe. Het spoor terug naar de tragedie van 1944, die de VARA eind december 1977 uitzond, markeerde een nieuwe fase in de geschiedenis van de herinnering aan de razzia. Het lokte een brede discussie uit. De gewijzigde houding van de televisiemakers hing samen met de groeiende betrokkenheid in Nederland bij de actuele problemen in de wereld en bij het lijden van de mensheid op dat moment. Een sterk subjectieve stijl, waarin de maker zijn eigen existentiële vragen openlijk voor de kijker etaleerde, won veld. Het ging er niet om te laten zien hoe het geweest was, maar om een beeld te geven van hoe dat dorp nu was. De productie van de documentaire, waaraan in 1972 begonnen was, verliep traag. De opnamen op de herdenkingsdag bleken mislukt, waarna een week later een herdenking in scène werd gezet! Iedereen vond dit zeer ongepast, maar er bestond geen wet om dit te verbieden. Een nieuwe kritische generatie programmamakers drukte sterk haar stempel op de oorspronkelijke opzet ervan. Dat viel te zien aan de manier waarop de rol van het geloof in de ondergang van de Puttense mannen in de kampen werd behandeld.

‘De kerk maakte de mensen weerloos’
Anders dan Van Dantzig koppelde Van Maanen, één van de schrijvers van de televisiedocumentaire, de snelle en massale dood van de Puttenaren aan de inhoud van hun geloof. Dat geloof had acceptatie van iedere vorm van gezag gepredikt, en de dominee (hij doelde op Holland) had zijn gemeente goed ‘onder de duim’ gehouden. De mannen en jongens hadden zich dus ook niet tegen hun arrestatie verzet, maar zich ‘gedwee’ laten wegvoeren. Dat alles was de wil van God geweest. De kerk heeft de mensen weerloos gemaakt. Putten explodeerde toen ze de inhoud van de documentaire vernam. De VARA, de ‘rode omroep’, die toch al niet zo’n beste naam in Putten had, kreeg heel het dorp over zich heen. Het huis van één van de schrijvers van de documentaire, die al tien jaar in Putten woonde, Van Maanen, werd met een windbuks beschoten. Het enige wat de VARA uiteindelijk deed was de uitzending verplaatsen van tweede kerstavond naar 30 december 1977. De reactie van de kijkers was niet ongunstig.

Wie was ds. Holland?
Er kwamen nieuwe elementen naar voren. Zo zouden de Puttenaren nooit naar de dokter gaan, waardoor ze alle ziekten die zich in de kampen voordeden kregen. Ze dronken hevig vervuild water ‘omdat ze zich niet konden voorstellen dat een door God gegeven natuurelement niet rein zou zijn.’ Ze klitten bij elkaar, ze hielden zich aan elkaar ast, voedden elkaar met heimwee. Er werd een fatalistisch beeld geschapen. Klopt het beeld van ds. C.B. Holland, die wordt afgeschilderd als degene die medeverantwoordelijk was voor de massale dood van de Puttenaren? Ds. G. Boer schildert hem als een evangelieprediker ‘in Kohlbrugges geest’. Hij was ‘prediker van de gerechtigheid Gods. Hij ging niet uit van het niet kunnen of niet willen van de mens, maar van het geschonden recht Gods. (…) Maar deze prediker wist de verslagene en arme van geest, die voor Gods Woord beefde, ook te spreken van de enige weg der verlossing.’ Holland was zeer geliefd geweest. Hij genoot groot gezag, hij spaarde niemand en ging recht op de man af. Hij was zeer begrijpend en meelevend. Hij had zelf een dochter en een zoon verloren en zijn vrouw moeten begraven. Hollands prediking uitte de zorg over de opgang van het verlichtingsdenken en het socialisme in West-Europa. Scherp onderkende hij het gevaar van het nazi-regime in Duitsland. De bijnaam die ds. Holland kreeg, ‘dominee Duitsland’, kan dus door de feiten worden weerlegd. Lijdelijk was hij helemaal niet.

Politiek component: Putten wijkt af van de Nederlandse hoofdstroom
De VARA-documentaire zegt over hem: ‘Als je leest wat er na de oorlog in Putten gepreekt is, dan raak je als niet-gelovige met verbijstering geslagen. Preken met de teneur: wij zijn slecht geweest, wij zijn gestraft, we moeten ons bekeren tot God. In plaats van dat de nabestaanden de kans kregen hun leed op fatsoenlijke wijze te verwerken, werden zij vanaf de kansel opnieuw gegeseld.’ De documentaire had een duidelijk politiek component. Putten was voor Van Maanen bij uitstek een gemeenschap die nog geen aansluiting gevonden had bij de hoofdstroom van de Nederlandse samenleving en bij de cultuur van de in die tijd zo succesvolle progressieve voorhoede van Den Uyl. Putten was in zijn ogen een extreem-rechtse, orthodox-protestantse deviatie van het algemeen beschaafd Nederlands patroon. Het verzet van de Veluwse boer tegen de overheidsbemoeienis is grotendeels verantwoordelijk voor het negatieve imago. Het drama van Putten werd zo uit zijn historische kader gelicht en gebruikt ter onderbouwing van de eigen seculiere levens- en geschiedopvattingen van vooruitstrevend Nederland. De tijdgeest was tegen Putten. Het dorp kon niet opboksen tegen de beeldvorming van het dorp door de atheïstische, linkse schrijver Van Maanen en de al even agnostische en linksgeoriënteerde psychiater Van Dantzig, die via het invloedrijke medium van de televisie hun opvattingen verspreidden.

De vrouwenbeweging en de vrouwen van Putten
Met de tweede feministische golf van de jaren 60 en 70 mochten de Puttense vrouwen zich ook ‘verheugen’ in de belangstelling van de vrouwenbeweging. Ze werden in stelling gebracht in de strijd van het feminisme voor erkenning van de gelijkwaardigheid van de vrouw. De weduwen vormden voor de strijdsters een typisch voorbeeld van stoere vrouwen die hun verdriet verbeten en zich zonder echtgenoot en vader voor hun kinderen door het leven hadden geslagen. Het feministische maandblad Opzij wijdde een groot deel van zijn meinummer van 1981 aan de vrouwen van Putten. Het blad ging voorbij aan de geestelijke steun van de kerk die de vrouwen kregen. Er werd een kunstmatige scheiding geconstrueerd tussen het geloof van de vrouwen, dat voor hen de grootste steun was geweest bij het dragen van het verdriet en de steun van de kerk destijds, die er nauwelijks geweest zou zijn. Er werd als voorbeeld aangedragen:

‘Een weduwe heeft mij wel eens verteld dat ze indertijd de dominee had gevraagd: “Waarom, dominee, waarom?” en dat hij toen alleen maar had geantwoord: “U moet niet vragen waarom, maar waartoe”.

Verschuivingen in de herdenkingspreken
De herdenkingsarbeid in Putten is sinds 1980 vooral gericht tegen het vergeten. Er bestond angst dat de jongeren het niet meer zouden weten. De Stichting Oktober 44 beijvert zich hiervoor. In de loop van de jaren 80 hielden de gereformeerden geen herdenkingsdienst meer. De hervormden bleven het doen. In 1989 was het de beurt aan ds. R.E. Kuus. Volgens hem was niet God debet aan de ramp van Putten, maar satan. Die was op de mensen losgelaten om hen in hun geloof te beproeven. Hij was als een bliksem uit de hemel komen vallen. Kuus refereerde aan actuele thema’s als abortus, euthanasie en echtscheiding: dat waren de demonische krachten van nu. Geestelijk verzet was daartegen geboden. Deze preek was geheel anders van toon dan vlak na de oorlog. Toen was het God, nu is het de satan die het deed. Toen werden er concrete antwoorden geformuleerd, nu was de preek ver af komen te staan van de werkelijkheid. Op de grote herdenkingsplechtigheid in 1994 (waar koningin Beatrix bij aanwezig was en dat rechtstreeks werd uitgezonden door RTL 4) preekte ds. J. Veldhuijzen over Ps. 91, over de schuilplaats van de Allerhoogste. Had men toen, in 1944, zo vele gevaren gelopen, dat was nu niet minder. Zolang men zonder Christus leefde was men niet veilig. Men moest kunnen zeggen: ‘Mijn God’. Díé mens alleen heeft eeuwig genoeg. Met dat ‘genoeg’ haakte hij aan bij de woorden van de Israëlische premier Rabin, die tegen Arafat zei onder goedkeurend oog van Clinton: ‘Genoeg bloed en tranen…genoeg…!’

Putten raakt steeds meer onbekend
Loe de Jong kwam in 1981 toe aan het thema ‘Putten’ in zijn omvangrijke werk over de Nederlandse bezetting. De verwachtingen waren hooggespannen. Hij zou het laatste woord gaan spreken. Maar zijn verhaal was weinig sensationeel. In het televisieprogramma De bezetting, in 1964 en 1965, wijdde hij 3 minuten aan Putten. In 1989 werd een herhaling van deze serie uitgezonden. In plaats van 3 minuten werden er nu nog maar 43 seconden over Putten besteed. Bovendien werd de aanslag foutief gedateerd op eind oktober 1944. De Haagse Courant kopte: ‘Wat was Putten ook al weer?’ Bij een herinneringsplaats die nog ongemarkeerd was, de Oldenallerse brug, waar in 1944 de aanslag was gepleegd, werd in 1996 een gedenksteen geplaatst. Dat er bij de herdenkingen veel Duitsers aanwezig waren, is opmerkelijk te noemen. Voorzitter Torsius van de stichting Oktober 44 brengt de verzoening zo onder woorden:

‘Haat, afgunst en verachting zijn de doodsvijanden van de kostelijke genade. God heeft mij geholpen mijn haatgevoelens te overwinnen. Dat geeft een gevoel van bevrijding en van vrijheid. Gods Woord maakt sterk en geeft moed. Ook dat moet het nageslacht weten.’

Gepubliceerd in augustus 2007

Advertenties