De Reformatie (weekblad)

n.a.v. George Harinck, De Reformatie. Weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven 1920-1940, Baarn 1993

1. Inleiding
‘Sommigen vragen: de wereld staat in brand, hoe kunnen ze zoo polemiseeren? Ik vraag: de wereld staat in brand – vooral vanwege dergelijke opvattingen van ‘religie’ –, hoe kunnen ze zoo ireniseeren?’ Aldus Klaas Schilder in 1935. Prof. dr. C. Gerretson zei dat ‘het grootste, wat het calvinisme heeft gewrocht: de verheerlijking van de menselijke persoonlijkheid, ook in de geringste van de volksgenoten, door die persoonlijkheid onmiddellijk afhankelijk te proclameren van God en Zijn gebod’. De 17e-eeuwe Republiek maakte faam door haar polemieken: Gomarus contra Arminius, Voetius contra Coccejus.

Iemand als Abraham Kuyper had behoefte aan formuleren. Hij heeft de dag- en weekbladpers tot het uiterste benut. Critici spreken van letterknechterij, maar toen Hendrik de Cock een beroep deed op de Drie Formulieren van Enigheid bewerkte hij geen formuliergeloof, maar een geestelijk reveil binnen de kerk. K.H. Miskotte schreef dat ‘die gereformeerde rechtzinnigheid toch maar veel kabaal heeft gemaakt’; hij doelde op de schotschriften van De Cock vol beledigende adjectieven.

Tegen de achtergrond van het scripturale karakter van de gereformeerde overtuiging hier te lande is het verklaarbaar dat bij de strijd die het gereformeerde volksdeel in de 19e eeuw voerde voor zijn vrijheid, de polemiek zo’n grote rol speelde. De kerkelijke twisten van de afgelopen twee eeuwen binnen gereformeerde kring begonnen in de regel met perspolemiek en eindigden in aparte kerkformatie. De Afscheiding van 1834 was ondenkbaar zonder De Cocks strijdschriften, de Doleantie zou zonder De Heraut nooit ontstaan zijn, het hersteld verband in 1926 kwam door Geelkerkens artikelen, de Vrijmaking van 1944 door Schilder in De Reformatie en de scheuring in de vrijgemaakte kerken in de jaren zestig door het ontstaan van Opbouw.

Een kerkelijk leven met als enige lectuur de Bijbel en toelichtingen daarop hebben de gereformeerde kerken nooit gekend. Er was altijd behoefte aan meer: aan strijd, aan confrontaties op papier. Het aantal kerkbodes en kerkelijke weekbladen was groot. De Reformatie verscheen tussen 1920 en 1940 in de kring van de Gereformeerde Kerken in Nederland, die in 1920 ongeveer 570.000 en in 1940 een 650.000 zielen telden.

De generale synode van 1914 was in de gereformeerde kerkelijke pers eensgezind lof toegezwaaid. In 1920 waren de tegenstellingen over de koers van het gereformeerde leven verscherpt. Er kwam verlangen naar vernieuwing, de opkomst van een nieuwe generatie die leed aan de gescheidenheid met zoveel hervormden, met wie zij zich geestelijk verwant voelde. Daarom kon de Doleantie en alles wat daarvan het gevolg was geen doorslaggevende norm voor haar gereformeerd kerkelijk denken zijn. De schoolstrijd was beëindigd en de antirevolutionairen vormden een erkende politieke macht. De tijd van oppositie leek voorbij. Deze veranderde positie vereiste een andere houding jegens de samenleving. De noodzaak om als een gesloten falanx in de samenleving te opereren was weggevallen.

Tot het einde van de 19e eeuw waren positivisme en naturalisme dominante stromingen in de cultuur. Ze hadden de gedachte gemeen dat de werkelijkheid objectief kenbaar was. Het streven naar kennis van de materie had de plaats ingenomen van de metafysische kennis en bezinning, en stond daar feitelijk afwijzend tegenover. Met de ontdekkingen van de kwantummechanica door Max Planck en de relativiteitstheorie van Albert Einstein leek het positivistische streven naar zekerheid tot nieuwe onzekerheid te leiden: het resultaat van wetenschappelijk onderzoek leverde het tegendeel op van een afgerond wereldbeeld.

Deze nieuwe onzekerheden vormden niet de inleiding tot een hernieuwde aandacht voor de metafysica. Men greep niet terug op het scheppingsgeloof als laatste verklaringsgrond voor de zich toch als problematisch voordoende werkelijkheid, maar formuleerde een religie van de ‘nieuwe mens’, de schepper van zijn eigen werkelijkheid, inclusief zijn eigen moraal, hetzij voor hem zelf alleen, hetzij voor de gemeenschap. Bavinck merkte binnen gereformeerde kring als eerste tekenen van deze kentering op, en begroette haar ‘opgelucht’ als mogelijkheid om het gesprek tussen kerk en cultuur te hervatten.

Hij begreep dat het moderne wereldbeeld niet overeenstemde met het christendom, maar constateerde tevens dat het godsdienst niet langer zonder meer uitsloot. Bavinck leerde de moderne problemen verstaan als ernstige vragen aan het christendom. We moeten ons niet afzijdig houden in deze ‘gansch andere wereld’. Het probleem hierbij was dat de meeste gereformeerden zich nooit diep hadden bezonnen op praktische cultuurvragen. Kuyper had door middel van het leerstuk van de gemene gratie een opening geboden tot deelname aan de samenleving, maar de meesten waren zozeer doordrongen van de gevaren van de cultuur, dat zij er moeilijk toe kwamen feitelijk deel te nemen aan letterkunde en muziek, laat staan aan toneel. Aan dit gebrek had de gereformeerde kring steeds geleden, maar het kwam duidelijk aan het licht, toen de gereformeerden als maatschappelijke en kerkelijke groepering volwaardig deelnamen aan de nationale cultuur.

De herbezinning kreeg nieuwe betekenis door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Wat betekende het christendom nog nu tegen deze vernietigingsdrang geen sociale en religieuze waarden en overtuigingen bestand bleken? Ontgoocheld door de gebleken zwakte van de westerse beschaving kwamen velen ook in hun verhouding tot God in een crisis, en werden zij teruggeworpen op zichzelf. Twijfel en desillusie voerden de boventoon. H.H. Kuyper vreesde voor de toekomst van het christelijk Europa. Bavinck was van oordeel dat een concreet antwoord moest worden gegeven op de vraag: ‘Is er voor de navolging [van Christus] nog plaats in het cultuurleven van den tegenwoordigen tijd?’

Deze gebeurtenissen wekten bij sommigen onrust en onzekerheid over de toekomst van de kerk; bij anderen riepen zij de hoop wakker op een bewuster, radicaler gereformeerd leven. De eerste zinnen van het openingswoord van de redactie in De Reformatie legden van dit gevoelen getuigenis af: ‘Door geleidelijke overgangen en catastrofale gebeurtenissen zijn wij gekomen in een veelszins andere wereld…’ Het verlangen dat de oprichters van De Reformatie bezielde is te omschrijven als de wens om de gereformeerde overtuiging te vertolken voor de ‘nieuwe tijd’.

De inzet was voor die dagen niet gering. Op het terrein van de kerkelijk-gereformeerde pers waren de belangrijkste posities reeds tientallen jaren in handen van invloedrijke leiders. De oprichting van De Reformatie getuigde daarom van durf. Er ontwikkelde zich een roep om herziening van de verhouding tussen christendom en cultuur. Prof. dr. F.W. Grosheide zei in 1919: ‘De oude problemen zijn er nog wel, maar toch beslist in anderen vorm (…). Vroeger was ‘t: wat nemen wij er uit? Nu: wat dragen wij er in?’

De ondertitel van De Reformatie luidde: ‘Weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven’. De ondertitel formuleerde voorzichtig wat vele gereformeerden in 1920 van het blad verwachtten: een bezinning op en vernieuwing van de gereformeerde overtuiging en het kerkelijk leven, mede met het oog op de moderne cultuur. Het probleem was echter dat niemand binnen de GKN duidelijk aangaf welke koers in de toekomst gevaren moest worden. Niemand wilde het imposante werk van Kuyper en Bavinck loslaten.

2. Iets over de beweging der ‘jongeren’
In het begin van de 20e eeuw werd het gereformeerde volksdeel gekenmerkt door een combinatie van confessionele belijndheid en een groot politiek elan. Men zag hier vaak alleen het stempel van Kuyper in, maar hij is mede gevormd door Bavinck die vooral de man van de gedurige bezinning op religie en cultuur was. Bavinck had het optreden van de hervormde theoloog Kuyper vanaf de vroege jaren zeventig van de 19e eeuw geboeid gevolgd. Na zijn benoeming aan de VU trad zijn belangstelling voor praktische culturele vraagstukken meer en meer op de voorgrond.

Met de theologie alleen kan volgens Bavinck niet worden volstaan, omdat ze onvoldoende inzicht bood in de beweegredenen van de moderne mens. Om zich daarin te kunnen verdiepen wierp hij zich op de studie van de wijsbegeerte en de nieuwere psychologie. Hij verzorgde in 1911 nog wel de tweede uitgave van zijn Dogmatiek, maar hij had zijn aandacht toen reeds blijvend verlegd, en verkocht enkele jaren later zelfs zijn theologische bibliotheek: ‘Ik doe daaraan toch niet meer’.

Deze verandering in het denken van Bavinck deed hij sommige gereformeerden vragen rijzen ten aanzien van de verzorging van het dogmatisch onderwijs aan de VU, maar zijn studenten waren geboeid door zijn bespreking van moderne cultuurvragen. Bavinck was voorzichtig in zijn bejegening van andersdenkenden. Zijn bezwaar tegen Kuyper was (1918) dat hij ‘problemen van deze tijd op zij [heeft] geschoven. (…) Maar kwam niet vooruit, en ging niet door, greep naar ’t verleden terug, maar zorgde niet naar de toekomst, werd conservatief’. Bavinck begreep dat voor een bespreking van de nieuwe vragen in de GKN ruimte diende te worden geschapen, maar hijzelf zag daartoe in het heersende klimaat toch eigenlijk onvoldoende mogelijkheden, en ging daaronder gebukt.

Een van de eerste oproepen kwam van ds. J.C. Aalders (1881-1966), gereformeerd predikant te Beetgum; hij publiceerde in november 1916 de brochure Veruitwendigen onze kerken? Hij bedoelde met dit begrip de levensverhouding van de moderne mens te typeren. Niet langer belemmerd door opgelegde traditionele waarden en normen, beschouwde de moderne mens het als zijn levensroeping zijn eigen waarden te verwerkelijken. Het was zijn ideaal om door een gezond en daadkrachtig leven, waarin hij zijn scheppende macht kon laten gelden, zijn eigen overtuiging te ‘veruitwendigen’.

Aalders’ gebruik van dit woord suggereerde nog een tweede betekenis. De veruitwendiging stond niet tegenover het inwendige als een keerzijde van het religieuze leven, maar gold als kenmerk van een nieuw normen- en waardenpatroon. De moderne mentaliteit van vitaliteit en dynamiek liet zich betrekkelijk eenvoudig verbinden met het toenmalige strijdbare gereformeerde levenspatroon. Het probleem dat Aalders trachtte te benaderen was het moderne besef van de afwezigheid en onbereikbaarheid van God.

Er werd tamelijk kritisch op Aalders gereageerd. De jonge prof. dr. F.W. Grosheide (1881-1972) deed een goed woord voor hem. Hij zei in een rede voor studenten: ‘Vernieuw u en verjong u niet door in wezen te veranderen, maar door oog en oor te hebben voor onze moeilijkheden. (…) Veroordeel niet, die buiten staan, waardeer liever het goede. (…) Maak de eredienst wat aantrekkelijker, voer beurtzang in, preek korter’. Omdat hij niet overal goed was begrepen schreef Aalders een tweede brochure: De critiek der jongeren (mei 1918). Met de introductie van het begrip ‘jongeren’ wilde Aalders Grosheide’s visie aanvullen. De hoogleraar had volgens hem ten onrechte gesuggereerd dat de kritiek terug te voeren zou zijn tot de wilde haren van de jeugd.

Het was volgens hem niet zozeer een kwestie van leeftijd, maar van mentaliteit, die paste bij de jongste tijd. Aalders betoogde dat de ‘jongeren’ niet uit modieuze overwegingen aandacht vroegen, maar dat zij de roeping van de kerk op bepaalde punten meenden te verstaan en in breed verband wensten te plaatsen. ‘Onze kerken komen voor de ontzagwekkende tijdvraag: christendom of cultuur’.

Met deze presentatie van de ‘jongeren’ trad een nieuwe mentaliteit binnen de GKN aan de dag. Zij bepleitten bezinning op de inhoud en de vorm van de gereformeerde overtuiging in de moderne cultuur. Daarbij stonden zij kritisch jegens de overgeleverde opvattingen. De ‘jongeren’ trachtten de neiging te weerstaan om zich aan de sombere moderne levenshouding over te geven. Ze werden geleid door het religieuze verlangen de desperate levenshouding van hun tijd met de boodschap van het Evangelie te overwinnen. Deze wens kwam onder andere tot uiting in de voorliefde van de ‘psalm van het verlangen’, Psalm 42. Zij hadden het leven in de nieuwe tijd lief en wilden hun gereformeerde overtuiging daarvan niet afzonderen, maar haar vanuit een ‘hartstocht naar realiteit’ beleven. Hun mentaliteit werd herkend in ethische kring, maar zij zochten toch voor alles erkenning binnen eigen, gereformeerde kring.

De beleving van de ‘jongeren’ week op wezenlijke onderdelen af van wat gangbaar was, zoals het moderne idioom waarin zij zich uitdrukten. Het cultuurvraagstuk werd in gereformeerde kring gewoonlijk omschreven in beelden, zoals dat van de weegschaal, die christendom en cultuur in een evenwicht moest houden, of de brug van de gemene gratie, waarover de heiden in de kerk komt. Voor het besef van de ‘jongeren’ bestond er geen vaststaande en geordende wereld meer. Het was veeleer een dynamisch proces. Ze spraken daarom in verband met het kerkelijk leven in de dynamische termen van vooruitstrevendheid contra behoudzucht en beweging contra verstarring.

H. Bouwman schreef dat ‘in den laatsten tijd de strooming meer naar voren [komt] om datgene, wat men gelooft, te ervaren en te beleven. Dit is heerlijk (…) Als nu maar de evenaar niet overslaat in de richting van het ervaren. Een harmonisch christendom schijnt zoo moeilijk te zijn’. Maar het merendeel van de gereformeerden toonde zich niet zeer ontvankelijk voor het verlangen van de ‘jongeren’. Ze beschouwden hun optreden meer als een teken van geestelijke inzinking dan als stimulans tot bezinning. Hoewel de ‘jongeren’ niet wensten te worden afgescheept met het verwijt van ethische sympathieën, kwam de kritiek daar toch vaak op neer.

A. Zijlstra gaf een badinerende typering van de ‘jongeren’. ‘Ik zie ze gaan (…) vaak met wapperende manen. Je moet weten dat de peinzende hersenen geen druk kunnen verdragen. Hun gezicht staat vreeselijk ernstig. Vanwege de problemen, weet ge? Zij worstelen met de problemen van onzen grooten tijd, weet ge?’ Er was dus een onwelwillende atmosfeer, discussie was even noodzakelijk als riskant, omdat misverstanden en tegenstellingen niet waren uitgesloten.

Er was een kring waar de hier genoemde vragen wel besproken werden, zelfs met stille medewerking van Bavinck, namelijk binnen de in 1896 opgerichte (algemeen-christelijke) Nederlandsche Christen-Studenten Vereeniging (NCSV). Hier konden hun vragen onbelemmerd worden doorgesproken. Maar daarmee was nog geen oplossing gevonden voor de vragen van de ‘jongeren’ binnen de GKN. De GKN waren niet gebaat bij studenten die hun geestelijke bezinning enkel daar buiten vonden.

Een bezwaar was echter, dat de gereformeerde studentenvereniging SSR niet voldeed als geestelijke wijkplaats van de ‘jongeren’. Volgens sommigen stond binnen deze vereniging de gezelligheid te veel voorop en was ze de afgelopen jaren ‘schier onmerkbaar in een hoe langer hoe meer ongeestelijk teeken’ komen te staan. Op Bavincks initiatief werd in 1918 de Gereformeerde Studenten Beweging (GSB) opgericht. Maar er was meer nodig dan onderlinge gedachtewisseling. Om deze reden opperde Aalders de mogelijkheid van een eigen persorgaan voor de ‘jongeren’.

3. De oprichting van De Reformatie
Iemand als de hervormde dr. H.Th. Obbink poogde met zijn blad Bergopwaarts ook gehoor onder de ‘jongeren’ te krijgen. Maar ondanks een zekere waardering voor het blad, bleef Obbinks invloed vanwege het uitgesproken ethisch karakter onder de gereformeerde ‘jongeren’ beperkt. De kerkelijk-gereformeerde persorganen liepen vrijwel in de pas met het invloedrijke weekblad De Heraut, dat ruim 25 jaar was verschenen met de bij zijn status passende ondertitel van de Gereformeerde Kerken.

Sinds de eerste jaren van de 20e eeuw zette H.H. Kuyper wekelijks even voorzichtig als duidelijk de koers uit voor de GKN. Als bekwaam leider dreef hij tegenstellingen niet op de spits, maar trachtte met een gematigd beleid de eenheid en de rust binnen de kerken te bevorderen. Naast De Heraut (1880, VU) was er De Bazuin, al in 1854 opgericht als het officiële orgaan van de Theologische School in Kampen. De standpunten ontweken elkaar niet veel, alleen was de toon in het Kamper blad wat scherper.

Naast de uitgebreide kerkelijke pers bleek nog plaats te zijn voor twee brochure-reeksen, Ons Arsenaal en Schild en Pijl geheten, waarin principiële voorlichting werd gegeven onder allerlei actuele zaken. Opvallend was de Arsenaal-brochure Bijbelcritiek uit 1918 van dr. C. Veltenaar, die als in strijd met de gereformeerde theologie werd bestempeld. De enige collega die Veltenaar in de pers met begrip tegemoet trad was de jonge dr. H.W. van der Vaart Smit. Die werd vervolgens gevraagd een nieuwe brochure over dit onderwerp te schrijven, maar hij wilde niet. Hij legde zijn gedachten voor aan uitgeverij Oosterbaan & Le Cointre te Goes, een gereformeerd bedrijf in opkomst. Hij kwam ook met een plan: de uitgave van een sprankelend kerkelijk weekblad. Daarmee was de eerste stap gezet tot oprichting van De Reformatie.

Hij benaderde dr. B. Wielenga die in 1912 benoemd was tot hoogleraar in de ambtelijke vakken te Kampen maar had bedankt. Als geregeld bezoeker van Duitsland – ‘een groot volk, dat een grooten tijd doorworstelt’ – was hij bij toeval op 1 augustus 1914 in Berlijn geweest, waar hij na de oorlogsverklaring de aangrijpende woorden van keizer Wilhelm II hoorde: ‘Nun gehet hin in die Kirche und betet!’ Wielenga was literair aangelegd. Sommige gereformeerde autoriteiten stonden kritisch tegenover hem. De VU achtte hem in 1920 niet geschikt, want ‘zijn geschriften doen vreezen, dat hij de jongelui een verkeerden kant zou uitdrijven’.

Bavinck was er voorstander van dat er naast ‘jongeren’ ook woordvoerders uit andere schakeringen van de GKN bij het blad betrokken werden. Bavinck is altijd meer bezinner dan man van de daad geweest. Hij wenste daarom ook nu geen op de voorgrond tredende rol te spelen. Wel liet hij zich nauwkeurig op de hoogte houden over de totstandkoming van het blad. Hij wilde ‘een blad dat meer en anders dan de bestaande kerkelijke bladen zich tot een spreektribune zou stellen voor velen en zoveel mogelijk alle erkende nuanceeringen van het gereformeerde leven tot recht zou doen komen, doch in beslist gereformeerden zin’.

Op de eerste vergadering, in 1919, waren er zes predikanten, geen ‘jongeren’, maar wel geïnteresseerd in het plan voor een breed opgezet blad. Even later werd het Comité nog verder uitgebreid. Er ontspon zich een uitvoerige discussie over het karakter van het blad. Er bleken nu ten aanzien van de betekenis van de meer dan driehonderd jaar oude belijdenisgeschriften voor de moderne mens wezenlijke verschillen in opvatting te bestaan. Met name dr. J.C. de Moor weerde zich geducht op de vergadering. Wel kwam men overeen wat de naam van het blad zou worden: De Reformatie.

De invloed van de ‘jongeren’ binnen de kring van de oprichters was inmiddels behoorlijk afgenomen. De beleving der ‘jongeren’ werd bedreigd door de kerkelijke procedure tegen één van haar vertegenwoordigers, ds. J.B. Netelenbos, die een meer persoonlijke geloofsbeleving bepleitte en trachtte haar te bevorderen door het aanhalen van de banden tussen gereformeerden en ethischen. Hij had ook eens een hervormde kerkdienst geleid. Netelenbos werd in 1919 afgezet.

Van der Vaart Smits brochure Over de bijbelcritiek in 1919 had tot gevolg dat zijn naam volgens De Moor te veel in diskrediet was geraakt dat zijn aanblijven als redactie-secretaris misverstanden zou kunnen oproepen. Van der Vaart Smit liet nog een brief van Bavinck zien, die zei: ‘Uw verhandeling over bijbelcritiek heb ik met genoegen gelezen; wel laat zij verschillende moeilijkheden onbesproken, maar dat kan ook niet anders in zoo’n beknopte brochure’.

Dr. Valentijn Hepp werd binnen het Comité (dat later werd omgezet in een Consortium, onder leiding van De Moor, Grosheide en Lindeboom) aanvaardbaar geacht op deze sleutelpositie. Hepp had geen sympathie voor de ethischen, maar deelde de mening van de ‘jongeren’ dat de moderne culturele ontwikkelingen om een duidelijk reactie van gereformeerde zijde vroegen. Hoewel Wielenga bepaald mild jegens de ‘jongeren’ stond, verwachtten De Moor en zijn medestanders met de belijnde Dijk en de stellige Hepp aan zijn zijde geen wezenlijk moeilijkheden meer in de redactiecommissie. De Moor wilde het ‘jongeren’-element zeker niet geheel uitbannen. Voor hem was De Reformatie een middel om de goedwillende ‘jongeren’ aan de GKN te binden. J.C. Sikkel was nog iets radicaler: er moet volgens hem niet ‘een zorgen zijn dat er niets tegen de gereformeerde belijdenis komt, maar een bewust, beslist, krachtig opkomen in leerling en leiding uit de gereformeerde belijdenis. Die mannen moeten wij hebben, en die alleen!’

Een moeilijke kwestie binnen het nieuwe orgaan was het precieze karakter van de binding aan de gereformeerde belijdenis. Geelkerken was er reeds enkele jaren van overtuigd dat de belijdenisgeschriften in het moderne leven niet zonder meer als rechtsnoer konden fungeren. ‘Elk dogma is de benadering met ons verstand van den Eeuwige en Zijn eeuwige, geestelijke dingen’. Het kwam er volgens hem op aan bewust gereformeerd te zijn in de moderne tijd.

Het dilemma was al met al duidelijk gesteld: moest de nadruk liggen op het naspreken van de in de Schrift geopenbaarde waarheid, geheel overeenkomstig de drie formulieren van enigheid, óf op het spreken in rapport met de tijd, waarin de uitdrukking van de waarheid zich kon wijzigen. Tot een overeenstemming kwam het niet. Daarom werd van de verschijning in januari 1920 afgezien. Uiteindelijk berustte men er in de bedoeling van De Reformatie voorlopig met de niet nader omschreven formulering ‘reformatorisch streven’ aan te duiden en uit te spreken ‘dat er in de Gereformeerde Kerken een achterstand [is] ten opzichte van hare belijdenis’ en ‘de noodzaak van dogma-vorming’ te erkennen. Er hing veel af van de vraag of de redactie erin zou slagen het onderling eens te worden over de concrete koers en de inhoud van het blad.

Prof. Bouwman vond dat de ‘jongeren’ zich gereformeerd dienden te gedragen of anders wat hem betreft wel konden heengaan. ‘Het eind zal wel worden dat zij duidelijk openbaren niet meer tot de Gereformeerde Kerken te behooren’ (in De Bazuin). De omstandigheden waaronder De Reformatie zou gaan verschijnen leken gecompliceerder te worden. Het had er alle schijn van, dat de beweging der ‘jongeren’ ten gevolge van de ontwikkelingen in de jaren 1918 en 1919 uiteen gevallen was, nog voor zij goed en wel vorm hadden gekregen. De eerste uitdaging was of het blad er in kon slagen deze kritische groep gereformeerden te winnen, zoals de oorspronkelijke bedoeling was geweest van de initiatiefnemers.

4. De eerste twee jaargangen
Op 24 september 1920 verscheen eindelijk het proefnummer. De opmerkelijkste namen in de rij van redacteuren en vaste medewerkers waren de oudste, H. Bavinck, en de jongste, ds. K. Schilder (toen 29 jaar oud). In het program stond de opmerking dat de GKN een achterstand kenden inzake haar belijdenis, en dat deze reconstructie en uitbouw behoefde. De Reformatie kwam, zag en overwon. Het aantal abonnees steeg binnen enkele maanden van honderden naar duizenden, tot 7500 abonnees. Dat was een ongekend succes. Het werd het meest gelezen blad binnen kerkelijk-gereformeerde kring.

Achteraf is het opmerkelijk dat De Reformatie zonder slag of stoot een vooraanstaande plaats heeft kunnen verwerven in de kerkelijke pers. Er kan geconcludeerd worden, dat de bestaande landelijke bladen in 1920 kennelijk maar matig voldeden. Het officiële openingsartikel van de hand van Wielenga begon met deze zin: ‘Door geleidelijke overgangen en catastrofale gebeurtenissen zijn wij gekomen in een veelszins andere wereld’. Na het overlijden van Abraham Kuyper op 8 november 1920 liet H.H. Kuyper De Heraut vanaf 1921 overgaan ‘uit den monarchalen in den republikeinschen redactievorm’.

Enkele weken na de verschijning van De Reformatie diende zich het eerste conflict aan, naar aanleiding van de synodebesluiten van Leeuwarden 1920. Geelkerken hekelde het Getuigenis als een machteloos gebaar. In plaats van een defensieve en vreesachtige houding aan te nemen jegens de ‘ongoddelijken en verderfelijken tijdgeest’, diende de kerk volgens Geelkerken haar kracht te ontplooien door zich over de wereld te ontfermen. Dijk had geen goed woord over voor Geelkerkens ‘aanval op de synode’, maar Wielenga prees Geelkerkens ‘moedige’ daad. De irenische Wielenga schikte zich in de opvatting van zijn onverzettelijke mede-redacteuren. Maar Wielenga was over de gang van zaken al spoedig teleurgesteld. Hij voelde zich reeds na enkele maanden binnen de redactie als een vreemde in eigen huis.

De Reformatie genoot in deze eerste periode nog het voordeel van de twijfel. In de eerste jaargang bewogen de artikelen zich rondom de thema’s van traditie en ontwikkeling. Dankzij de laatste synode en De Reformatie waren de gevoelens van onbehagen in de kerken verminderd. Een tijd van progressie was volgens Hepp aangebroken. ‘Wat ons voor oogen staat en steeds scherper voor oogen moet staan is de behoefte aan voortgezette, aan doorgaande, aan dagelijksche reformatie’. Hepp bleek uit journalistiek oogpunt voor velen een ontdekking. De Reformatie werd al spoedig ‘het blad van Hepp’ genoemd. Naast de wat traditioneel getoonzette bijdragen van Dijk en de literair goed verzorgde, maar weinig concrete artikelen van Wielenga sloeg Hepp in zijn journalistiek een eigen toon aan: zijn betoog werd gekenmerkt door korte, kernachtige zinnen.

Was in Hepp dan eindelijk een leider van de ‘jongeren’ opgestaan? Hij wees ze niet zonder meer af, maar trachtte hen te beïnvloeden en voorzichtig te corrigeren. Een aantal ‘jongeren’ verwijderde zich reeds in de loop van de eerste jaren van De Reformatie. Hun teleurstelling richtte zich aanvankelijk op de bijdragen van Dijk (dat hij – samen met De Moor – tevens liturgische vernieuwingen voorstond en niet voorbijging aan sociale vragen, liep minder in het oog). In 1921 begon het abonneetal te dalen en werden er in de kring van het Consortium plannen gemaakt voor een nieuw orgaan. In 1925 zou dit streven leiden tot de oprichting van Woord en Geest.

Op 29 juli 1921 overleed Herman Bavinck, zonder dat hij aan De Reformatie één bijdrage had kunnen leveren. Dit was een ernstige tegenslag voor de beweging der ‘jongeren’ (het was paradoxaal dat juist Hepp een biografie over hem schreef). Van der Vaart Smit schreef: ‘Wij willen dat, wat in dr. Bavinck was!’ Terwijl hij met een hoofdartikelenreeks bezig was, plaatste Hepp enkele kritische ingezonden stukken hiertegen en mobiliseerde hij de ‘Persschouw’ contra deze hoofdartikelen in eigen blad! Hepp stelde zijn gereformeerde opvatting tegenover de zijns inziens naar het ethische standpunt neigende mening van Van der Vaart Smit.

Hepp schreef publiekelijk dat de ideeën van Van der Vaart Smit onrijp waren. Diens dilemma van de vrije persoonlijkheid óf de onderwerping aan de leer was voor Hepp onaanvaardbaar. Van der Vaart Smit wilde de dogmatiek als dorre vorm uit het centrum van de theologie dringen. Het Consortium veroordeelde op voorstel van Grosheide zowel het plaatsen van de artikelen van Van der Vaart Smit als Hepps reactie daarop. Deze formele uitspraak deerde de redactieleden niet en loste evenmin het conflict op. Een breuk in de redactie werd met name dankzij de inspanningen van Hepp en De Moor voorkomen. Met hernieuwde moed, maar zonder wezenlijk nader tot elkaar te zijn gekomen, zetten de redacteuren de tweede jaargang van De Reformatie voort.

Hepp werd benoemd tot opvolger van Bavinck op de VU, hoewel er vragen waren over zijn persoon, die niet vrij was van ego-centrische neigingen. Interessant is de reactie van Klaas Schilder: ‘Ongetwijfeld is deze benoeming voor onze Vrije Universiteit een rijke aanwinst’. Achteraf beschouwd lijkt er geen twijfel over te kunnen bestaan, dat van Hepp geen vernieuwing te verwachten viel. De Reformatie deelde in de eer van Hepps benoeming. Met ingang van de derde jaargang ik oktober 1922 sierde een nieuwe, modern gestileerde kop het blad, met de bijbeltekst ‘die uwe jeugd vernieuwt als eens arends’ (Ps. 103:5). De Reformatie had dit op de meer ‘apodictisch’ sprekende Heraut voor, dat de vraagstukken er van meerdere zijden werden bezien, waardoor het vormen van een zelfstandig oordeel bij de lezers werd bevorderd.

5. Het vertrek van drie redacteuren
Toen eenmaal duidelijk was dat de ‘jongeren’-beweging verzandde, nam Hepp in de volgende jaren meer afstand tot hen, ondermeer door het woord ‘jongeren’ consequent te vervangen door ‘reformatorischen’. Reformatorischen waren volgens hem alle gereformeerden die de geleidelijk voortgaande reformatie steunden; maar tot deze groep rekenden vele ‘jongeren’ zich juist niet. De aandacht voor de ‘jongeren’ ebde na 1920 bijna ongemerkt weg. De kritische houding van de synode van Leeuwarden was de ‘jongeren’ opgebroken. De ‘jongeren’ hadden geen woordvoerders. Als beweging hielden ze op te bestaan. Slechts enkelen bleven ageren tegen de bestaande toestanden, maar het aantal ‘malcontenten’ was zo klein en ze traden zo individueel op, dat zij in de kerkelijke pers gemakkelijk als te radicaal konden worden buiten gesloten.

Tussen de informatieve, maar weinig bezielende Reformatie-artikelen vielen aan sommigen de levendige bijdragen op van ds. K. Schilder. Geboeid door Nietzsche’s afwijzing van ‘de bleke Jezus’ me zijn ‘kleurloozen godsdienst’, tekende hij in De Reformatie Christus als de ‘koningsmensch’. Met zijn intensieve aandacht voor de cultuur deed Schilder aan Bavinck denken. Hij viel ook onvervaard aan op dode liturgische vormen, op verouderde kanseltaal en antieke berijmingen. In Schilders toon klonk opstandigheid door, maar hij voelde zich in onderscheid van verscheidene ‘jongeren’ niet beperkt door het gereformeerde klimaat van die dagen. Hij kon er leven zoals hij wenste: zich confronterend met wie hij wilde. Weinigen beseften in de vroege jaren twintig dat Schilder gaandeweg werkte aan wat de ‘jongeren’ zochten.

Met ingang van de vierde jaargang (oktober 1923) kreeg ‘den pikant schrijvenden’ predikant de verzorging van een nieuwe rubriek opgedragen: de ‘Kroniek’ (slechts een half jaar lang, Schilder achtte zich achteraf niet geschikt als kroniekschrijver). K. Dijk publiceerde in 1923 een serie hoofdartikelen over de positie van de gereformeerden in de samenleving. Hij erkende wel een roeping van gereformeerden op het brede gebied van de cultuur, maar de vervulling stelde voor problemen: is het hele terrein der kunst geschikt voor gereformeerden, ook het toneel? ‘Ik meen, dat God van ons vraagt het offer. (…) Liever in ons isolement ons teruggetrokken en met de wereld geen aanraking, dan een contact, dat tot verslapping en inzinking leidt’.

In de loop van de derde en vierde jaargang verloor het blad tweederde van het aantal abonnees. Begin 1924 waren er nog slechts 2500 van de 7500 overgebleven: een dramatische achteruitgang! Een nieuw redactieconflict kwam er na het toneelstuk ‘Saul en David’ van de studenten van de VU. Waar H.H. Kuyper in 1922 nog begrip voor de behoefte aan toneelbezoek onder ontwikkelde en beschaafde mensen toonde, sprak Hepp zich in De Reformatie onomwonden uit tegen de uitvoering. Hij zegt:

‘We moeten het ons goed indenken: wanneer het beginsel, dat aan dit toneelstuk ten grondslag ligt, onder ons zou doorwerken, zou ons gereformeerde volk worden een hoop slappelingen, zou onze Vrije Universiteit te gronde gaan, zou onze Anti-revolutionaire Partij met volkomen lamheid zijn geslagen, zou “Patrimonium” en met haar alle sociale actie aan de ongeloovigen zijn overgeleverd en ons Nederlandsch calvinisme zou tot het verleden behooren, het zou niet meer zijn’.

Voor Hepp was de toneelopvoering een point of no return. Mederedacteur F.J.J. Buijtendijk (hoogleraar VU) was het oneens met Hepp. Hij deelde in De Reformatie mee zijn redacteurschap met onmiddellijke ingang neer te leggen. Met verontwaardiging concludeerde de kerkelijke pers dat een hoogleraar van de VU het voor de toneelspelende studenten opnam. Maar in een verklaring protesteerden 75 VU-studenten tegen Hepps artikelen over ‘Saul en David’. Ook in de senaat van de VU ontmoette Hepp kritiek.

Hepps scherpe optreden in de toneelkwestie had irritatie en verdeeldheid gewekt (met name zijn kwalificatie als zou het stuk onzedelijk zijn). Juist nu werd het diplomatieke optreden van de in Zuid-Afrika verblijvende H.H. Kuyper door sommigen node gemist. Voor zover de ‘jongeren’ dat nog niet hadden gedaan, was de toneelkwestie een reden zich van De Reformatie te distantiëren. Het blad had één redacteur verloren, vond Geelkerken nu openlijk tegenover zich en was volgens velen beland in het traditioneel-gereformeerde kamp. Consortium-voorzitter De Moor keurde Hepps toneelartikelen af als een breuk met het meer behoedzame redactiebeleid. In een brochure over de toneelkwestie toonde hij meer begrip voor toneelspel dan Hepp had gedaan. Zover gingen Dijk en Grosheide niet.

Wielenga wenste na Hepps rigoureuze toneelartikelen niet langer met hem samen te werken. Dijk achtte Hepps optreden zo onbeheerst, dat hij niet langer aan diens zijde wenste te staan. Het einde van De Reformatie leek zich aan te kondigen. Met het oog op de kring rond Geelkerken wilde de meerderheid van het Consortium Hepp niet in het publiek afvallen. Enkel dit gegeven voorkwam het ontslag van Hepp. Ondanks de grote leegloop besloot het Consortium nog niet tot opheffing van het blad. Het was aan de volharding en overredingskracht van Hepp te danken, dat de overgebleven leden van het Consortium uiteindelijk niet tot opheffing van De Reformatie besloten. Mede om Geelkerken en de zijnen niet met een opheffing van het weekblad in de kaart te spelen. Het bezuinigingsvoorstel van uitgever Oosterbaan werd gedeeltelijk aanvaard, zodat veel lege plaatsen onvervuld bleven. Twee jonge predikanten werden in de redactie benoemd: ds. K. Schilder en dr. J. Waterink.

6. De Reformatie los van de ‘jongeren’
Voor de buitenwacht was onopgemerkt gebleven, dat het blad bijna ten onder was gegaan ten gevolge van de redactiebreuk. Hepps reis naar de Verenigde Staten verbloemde het. Voor hem was deze reis van veel betekenis voor zijn internationale oriëntatie; de plannen die hij in de komende jaren zou ontvouwen getuigen daarvan. C. Tazelaar nam het tijdelijk van hem over.

Schilder en Waterink waren jaargenoten van elkaar geweest, maar hun verhouding was niet hecht. Waterink was in 1923 gepromoveerd op Plaats en methode van de ambtelijke vakken. Hij was een vruchtbaar auteur met een vlotte, populaire stijl. Op kerkelijk gebied gaf hij geen eigen geluid. Hij had vooral culturele interesse. In 1926 werd hij buitengewoon hoogleraar in de catechetiek en pedagogiek aan de VU. Al spoedig bleek dat het blad met Schilder en Waterink twee redacteuren had verworven, die het vertrokken drietal in ijver moeiteloos overtroffen. Hepp leek nu bovendien verlost van de steeds terugkerende debatten over de ‘jongeren’.

De redactiewisseling leidde niet tot herstel van de verhouding tussen De Reformatie en de ‘jongeren’. Schilder behandelde de kritiek op de GKN op zijn eigen manier. Hij schonk geregeld uitvoerig aandacht aan hun kritiek. Dankzij hem kwamen hun standpunten weer ter sprake. Schilders artikelen kenmerken zich echter niet door de milde, begripvolle toon van Wielenga, hij vroeg geen begrip voor het ‘jongeren’-standpunt bij zijn lezers. Een deel van hen was geradicaliseerd.

Zonder met Hepp over hun opinies te verschillen, ging hij dieper in op hun kritiek, dan deze ooit had gedaan. Schilder was na 1924 hun scherpste criticus in gereformeerde kring, maar tevens hun enige serieuze publieke gesprekspartner. Schilder zag mogelijkheden voor een eigentijdse geloofsbeleving binnen de GKN, voor hemzelf, maar ook voor de ‘jongeren’. Hier lag volgens Schilder de kern van de problematiek van de ‘jongeren’: ze miskenden de betekenis van de kerk, waar ze geen gehoor vonden, en stelden daarvoor in de plaats de godsdienstige kring van gelijkgezinden.

In 1925 werd een nieuw gereformeerd kerkelijk weekblad opgericht, onder de naam Woord en Geest. De kwestie-Geelkerken zou de inhoud van het blad gaan beheersen. De verschijning van een orgaan onder deze leiding (onder andere Geelkerken) werd in het licht van de kerkelijke omstandigheden van die dagen opgevat als partijvorming en wekte daarom bij sommigen ergernis en verzet.

Schilder begon in 1926 een artikelenserie onder de titel ‘Van kerk tot kring … een afval’. Hij poogde de moderne culturele vraagstukken te belichten. Zijn kritiek op de ‘jongeren’ was, dat zij de Eerste Wereldoorlog en haar gevolgen beschouwden als het einde van een traditie. ‘Het christendom, zoo zeggen ze, heeft fiasco geleden’. Schilder beschouwde de problematiek niet vanuit de cultuur, maar vanuit de religie, vanuit het christendom. Hij legde het accent bij het eenmalige karakter van Christus’ optreden en van de geschiedenis, dat het leggen van een nieuw fundament uitsloot: ‘Zij willen overdoen, wat anderen deden; zij willen het christendom verjongen. Maar God zegt, dat de vernieuwing van de jeugd van het christendom allereerst gelegen is in de vernieuwing van het diepe hart der christenen’.

Opvallend was zijn hoog-kerkelijke invalshoek bij de bespreking van vraagstukken van de dag. Schilders kritiek op de ‘jongeren’ was van puur theologische aard, maar in 1950 zou hij er blijk van geven ook oog te hebben gekregen voor de morele kritiek van de ‘jongeren’ op de kerkelijke leiding. In 1926 negeerde hij dit nog volledig. In een brief aan Buskes schrijft hij: ‘U schrijft alweer dat u de heeren Kuyper en Hepp zoo verschrikkelijk vindt’. Schilder heeft door zijn artikelen wel andere gereformeerden geboeid met zijn krachtige en als nieuw klinkende overtuiging: een moderne vertolking van de gereformeerde overtuiging. Maar het merendeel van de vernieuwingsgezinde gereformeerden bereikte hij in 1926 met zijn Reformatie-artikelen niet meer.

7. De Reformatie en de kwestie-Geelkerken
Hepp schreef bijna wekelijks over de kwestie in De Reformatie. Hij werd Geelkerkens voornaamste tegenspeler. Omdat de zaak in Schilders ogen precair (bedenkelijk) was, liet hij zich pas over de inhoud van de kwestie uit nadat Geelkerken al geschorst was. Hepp had haast: de kerkelijk atmosfeer moest gezuiverd worden, en de zaak was volgens hem veel ernstiger dan velen dachten. Hepp kon tevreden zijn over de synode, die zijns inziens de hoogste mate van objectiviteit waarborgde.

Sinds 1924 waren Hepp en Geelkerken de twee meest uitgesproken tegenstanders binnen de GKN, maar Hepp zweeg in De Reformatie over het persoonlijk element in de zaak. Hepp toonde geen begrip te hebben voor de beschouwing van Wielenga, dat de kerk ‘niet louter en alleen een bestuurslichaam, een rechtelijk college, maar vóór alles de “moeder” is’.

Hepp meende nu van de kritiek van Geelkerken en zijn medestanders verlost te zijn dankzij de synodale ‘operatie, welke uiterst pijnlijk was, maar die genezing bracht’. Sindsdien was wat Hepp betreft de tijd aangebroken voor het verrichten van positieve arbeid. Hij somde op: verbeterde bijbelvertaling, uitbouw van de belijdenis, herziening van de liturgie, reorganisatie van de kerk in de grote steden en de bepaling van het standpunt jegens de cultuur. Vrijwel alle door Hepp genoemde punten herinnerden aan de beweging der ‘jongeren’.

Hoewel minder dan één procent van de 540.000 leden uittrad, was haar invloed op het kerkelijk leven onevenredig veel groter. In de eerste plaats bleek ook deze scheuring diep in het kerkelijk leven in te grijpen en schaadde ze het spreekwoordelijke zelfbewustzijn van de kerkelijk-gereformeerden méér dan op het eerste gezicht leek. Ten tweede behoorden relatief veel hersteld verbanders tot de kring van gereformeerde academici, die in de laatste tien jaar sterk was gegroeid. Vooral ds. J.J. Buskes was een typische vertegenwoordiger van deze groep, die krachtig bleef protesteren tegen de besluiten van Assen. Juist het vertrek van dit type gereformeerden werd door achterblijvenden betreurd, die hun vragen begrepen, maar hun inzichten niet rijp en hun gevolgtrekkingen voorbarig achtten.

Als derde werd het binnen de GKN als teleurstellend ervaren dat zo weinig confessioneel-gereformeerde geestverwanten buiten haar kring hun instemming met de Asser besluiten hadden betuigd en dat integendeel gezaghebbende woordvoerders in de Ned.Herv.Kerk en de CGK kritiek oefenden op de geest van Assen. Bovendien bevond zich binnen de GKN een nog niet duidelijk te omschrijven groep bezwaarden, die in de besluiten van Assen berust hadden, zonder er enige sympathie voor te hebben. Schilder trachtte de van de GKN gescheide leden nog lang van de onjuistheid van hun beslissing te overtuigen, maar met name Hepp aanvaardde de breuk als een fait accompli. Hij keek niet langer om, maar voorzag een periode van ontplooiing.

8. De Reformatie en Karl Barth
Met name onder hervormde theologen wonnen de opvattingen van Karl Barth (1886-1968) snel aan invloed, zozeer zelfs, dat in de jaren veertig de kerkelijke hoogleraren aan de rijksuniversiteiten allen van barthiaanse signatuur waren. Niemand heeft stelliger dan Schilder de dialectische theologie afgewezen. Vele ‘jongeren’ waren gegrepen door Barths Römerbrief. Barths profetische boodschap trok in het chaotische Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog direct de aandacht. Door de wereld radicaal onder Gods oordeel te plaatsen en God als de gans Andere daar boven en tegenover te stellen, leek Barth geen relatie tussen God en de wereld te erkennen.

Zo vatten de ‘jongeren’ Barths theologie niet op. Opgevoed in de gereformeerde wereld beleefden ze de moderne tijd als een uitbarsting van kracht en geweld, waartegen geen kuyperiaanse zekerheid meer opgewassen leek. Barth proclameerde de onmogelijkheid van de religie tot hoeksteen van zijn religieuze denken. De mens stond immers met lege handen voor God en in het licht van Zijn majesteit verschrompelde alle menselijke religie; een beroep op de traditie kon niet baten. Voor het besef van sommige ‘jongeren’ nam Barth de draad op, waar Bavinck hem uit handen had gegeven.

Hepp gaf als eerste gereformeerde hoogleraar een globaal oordeel over Barths theologie. Hij zag hem als een oorlogskind, die op alles de dood geschreven had. Enerzijds was Barth in zijn ogen een begaafd theoloog. Anderzijds zag Hepp hem net als Kierkegaard als een twijfelaar, dat hij de schijnbare tegenstelling in het kennen, de zogenaamde paradox, als een werkelijke aannam. Hij hoopte dat de twijfelaar Barth de hogere stelling zou vinden van Calvijn, en ‘dat hij dan mag worden een man uit onze gelederen’.

Duidelijk bleek dat Hepp niet geraakt was door Barths theologie, maar hij besefte dat zijn oordeel door de ‘jongeren’ kritisch zou zou worden gewogen. Daarom was het van betekenis, dat hij niet alleen verschilpunten noemde, maar ook een verwachting ten aanzien van Barth uitsprak. Hepp wees Barths fundamentele tegenstelling tussen God en mens af op andere gronden, dan welke later door Schilder en Berkouwer naar voren zijn gebracht. Hepp verwierp haar, omdat daarmee de eeuwigheid haar dimensie verloor. Schilder en Berkouwer waarschuwden daarentegen voor de egalisering van het menselijk bestaan als een gevolg van Barths diastase. Zij wezen daar tegenover op de keuze tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, zoals Kuyper die in zijn theologie had gesteld. Dit accentverschil in de kritiek op Barth keerde ruim tien jaar later terug in de polemiek tussen Hepp en Schilder over de mens als mede-arbeider van God.

Schilder prees Barths verzet tegen het subjectivisme, maar was minder te spreken over ‘jongeren’ die naar Zwitserland en Duitsland trokken ‘om gedachten te leenen, die de waarachtige gereformeerde al lang vóór dien gegrepen en gepredikt heeft’. Deze opinie week niet af van de algemene indruk binnen kerkelijk-gereformeerde kring, dat de gereformeerde theologie hier te lande na het werk van Kuyper en Bavinck aan weinig anders behoefte had.

Dat Barth voor de gereformeerden in de verte bleef, was mede het gevolg van de wijze waarop Th.L. Haitjema, een hervormd hoogleraar, ten aanzien van het cultuurvraagstuk Barth herhaaldelijk tegenover Kuyper en Bavinck plaatste. Hij zei reeds in 1919 dat de gemene-gratie-gedachte van Kuyper moest leiden tot verwereldlijking van het christelijk leven. Ook bracht Haitjema Barth tegen Assen in stelling. Haitjema had zich met zijn kritiek op de gemene gratie in feite ook tegen het cultuurstreven van de beweging der ‘jongeren’ gekeerd, maar nu hij bezwaar maakte tegen de synode-uitspraak van Assen, bleek Haitjema als bondgenoot van Geelkerken (die hij ook bekritiseerde) en andere ‘jongeren’ te kunnen dienen.

Schilder heeft in 1926 en 1927 in De Reformatie twee keer een serie hoofdartikelen gepubliceerd over de theologie van Karl Barth. Geloof en rede waren volgens Barth niet te verbinden. Dit uitgangspunt zou volgens Haitjema de verwereldlijkte gereformeerde theologie van zijn dagen kunnen genezen. De verheerlijking van de paradox was volgens Schilder een revolutie in het theologisch denken. Tegenover Barth en Haitjema verdedigde Schilder dat het calvinisme hun kritiek op het redelijk denken voortzette, waar zij halt hielden voor de paradox. ‘Het paradox (…) moet de gereformeerde denker volstrekt verwerpen’.

Schilder liet het echter niet bij deze afwijzing, maar ontwikkelde in reactie op het standpunt van Barth, en dus ook van Haitjema, het zijne. Hij poneerde tegenover Barths transcendentalisme plastisch zijn tegenstandpunt: ‘In zijn alledaagsche werk van “de horizontale vlakte” kan (…) een putjesschepper medearbeider Gods zijn’. Ook nam Schilder Barths begrip ‘crisis’ onder de loep. Volgens Barth betekende geloven: zich onderwerpen aan de crisis, het oordeel van God over al ons denken en doen, dogmatiek en ethiek. Schilder respecteerde de bedoeling van Barth, om aan de moderne mens met ernst te verkondigen, dat hij onmiddellijk met God heeft te doen. Maar volgens Schilder brengt de openbaring geen crisis over het doen en denken van de mens als zodanig. ‘Het oordeel gaat (…) over het ondernemen van het waagstuk der zonde’.

Volgens Schilder waren Barths opvattingen van zo ingrijpende betekenis, dat de gereformeerde kring zich er grondiger dan tot nu toe was gedaan rekening van diende te geven. Hij maakte niet een winst- en verliesrekening op van Barths theologie, zoals de kerkelijk-gereformeerden in het gunstigste geval hadden gedaan, maar confronteerde zich er frontaal mee. Schilder had de keuze, die Barth van zijn lezers eiste, scherp beseft: óf zijn standpunt aanvaarden, maar dan breken met zijn tot dan toe verworven inzichten, óf vasthouden aan de klassieke standpunten – tot en met de uitspraken van Assen – maar dan ook het antwoord van Barth met een radicaal ‘neen!’ afwijzen. Schilder koos bewust voor de afwijzing van Barth, maar hij was inmiddels zo existentieel door Barth geraakt, dat het daarbij niet kon blijven. Waar Barth zo indringend zijn stellingen poneerde, diende volgens Schilder van gereformeerd standpunt een duidelijk weerwoord gesproken te worden.

Schilder richtte zich in deze artikelen met name tot jongeren onder zijn lezers. Het ging in het blad niet langer alleen om het behoud van een kerkelijke positie, maar om een krachtmeting van overtuigingen. Het meest opvallend was dat Schilders ontvankelijkheid voor andere opvattingen hem niet bracht tot enige omzichtigheid in het uitdragen van de gereformeerde overtuiging. Zijn bezinning op religie en cultuur voerde niet tot het peinzen van Bavinck, maar tot confrontaties met anderen. Hoe meer Schilder zich verdiepte in het geestelijk klimaat van zijn tijd, hoe meer hij gesterkt werd in zijn overtuiging, dat de calvinist de nood van de moderne cultuur het diepst peilde, en het gereformeerde antwoord voor de moderne mens een weldaad moest zijn. ‘Men moet zich dus niet schamen voor de tegenwoordig haast levensgevaarlijke uitspraak: ik heb vasten bodem onder de voeten’.

Barth en Schilder gaven beiden in hun werk en optreden antwoord op de vraag, die jongeren sinds tien jaar gesteld hadden: kan ook een modern mens in het gereformeerde huis wonen? De Reformatie toonde zich dankzij Schilder na 1926 bij vlagen vitaler en militanter dan de ‘jongeren’ in 1920 in hun stoutste dromen hadden gedacht. Het gelukte Schilder, wat Hepp ondanks al zijn pogen daartoe in de afgelopen vijf jaren niet gelukt was: het blad begon jonge gereformeerden te boeien. Tot de enthousiaste lezers van zijn Reformatie-artikelen behoorden in deze jaren ook reeds de jonge Kamper studenten, die achteraf als de kern van Schilders kring van leerlingen kunnen worden aangemerkt: C. Veenhof, B. Holwerda, M.B. van ’t Veer en anderen.

9. Nieuwe tegenstellingen
Wie had kunnen voorzien dat Hepp en Schilder, die het in opzet over Assen geheel eens waren, twee jaar na de kerkelijke scheuring binnen de redactie tegenover elkaar kwamen te staan? Er kwam verwijdering, die vergaande gevolgen zou hebben niet alleen voor het blad, maar ook voor de GKN. Per jaargang publiceerden meer dan 25 scribenten in De Reformatie. Zonder dat het tot vriendschappen kwam, had men in de redactie waardering voor elkaars werk.

Konden zij die kerkelijk de zijde van Geelkerken en dus tegen de synode kozen, als docenten verbonden blijven aan de VU? Directeur H. Colijn vond dat ‘zuiver kerkistische strevingen buiten onze deuren [moesten] worden gehouden’. Hepp zei: ‘Aan onze hartelijke instemming met de besluiten van de synode van Assen zal wel niemand twijfelen. Wij mogen echter geen ander standpunt innemen dan dat zij als kerkelijke uitspraken voor de universiteit niet gelden’. Maar Schilder vond dat de VU haar grondslag had verloochend.

De Asser beslissing betrof volgens Schilder een levenskwestie, die op geen enkel gebied ontlopen kon worden. Schilders radicale standpunt, dat afweek van de mildere opinie van Hepp en Colijn, vloeide voort uit zijn redeneertrant. Hij liet zich niet leiden door Kuypers gedachte van de soevereiniteit in eigen kring. Schilder beleefde de werkelijkheid niet als statisch, in terreinen opgedeeld, maar als een dynamisch proces, waaraan elk individuele handeling mede vorm gaf. Evenals de ‘jongeren’ had hij bedenkingen tegen bepaalde kuyperiaanse denkpatronen aangaande kerk en wereld.

Wie Schilders artikelen en opmerkingen over het actuele kerkelijke leven nauwkeurig las, bemerkte dat hij en passant de vertrouwde gereformeerde begrippen beproefde op hun ware betekenis. Uit zijn vele woordspelingen en puntige conclusies – voor sommigen een ernstige hindernis om hem te lezen – sprak ‘de ernst van zijn wroeten’. Zijn theologiseren naderde de ernst en bewogenheid van zijn tegenvoeter Barth. Zijn felle kritiek op de Zwitserse theologie kwam mede voort uit zijn verwantschap ermee. Schilder waarschuwde tegen een interpretatie van de gedachten van Abraham Kuyper over de pluriformiteit van de kerk, volgens welke de feitelijke kerkelijke toestand gerechtvaardigd werd.

Hepp meende, dat de toekenning van een absoluut karakter aan de uitspraken van Assen, zoals Schilder deed, blijk gaf van een eenzijdige overschatting van de plaats van de kerk in het Koninkrijk Gods. De heiligheid en de eenheid van de kerk vormden voor Hepp geloofsstukken, in de zin van idealen, die op aarde maar zeer ten dele te verwezenlijken waren. Terwijl hun meningsverschil liep, publiceerde Hepp in 1928 een hoofdartikel over wat hij ‘Nobilisme’ noemde, het vertoon van moed, durf en waaghalzerij in de jaren twintig. ‘Maar er is toch o zooveel imitatie bij (…) Het liefst behoort men tot een richting, die nog niet zoo heel erg algemeen is. Men geeft zich door die aan te hangen een schijn van moed’.

Hepp vond ook dat Schilders standpunten nobilistisch, een breken met de traditie. Schilder en de ‘jongeren’ behoorden voor hem tot het slag gereformeerden, dat door de moderne cultuur uit hun evenwicht was geslagen, en daarvan uiting gaf door naar fundamentele, radicale vernieuwing te streven. Hepp schreef daarom ironisch over Schilders ernst en bezinning. Hij vond het een zinloze en onverantwoordelijke expeditie.

Schilder voelde zich door Hepps besliste koers het zwijgen opgelegd. Schilder raakte nu het tere punt aan van Hepps gebrek aan goede samenwerking, dat in de vorige redactiesamenstelling reeds herhaalde malen tot conflicten had geleid. Hepp stuitte in dit conflict voor het eerst op een stugge trek in Schilders karakter. Schilder bakende als mede-redacteur met bijna juridische precisie zijn positie af tegenover die van Hepp. Beide redacteuren gingen elkaar in De Reformatie bestrijden! Schilder stelde op 16 juli 1928 een daad. Hij diende met ingang van de volgende jaargang zijn ontslag als redacteur in. Hij kon zijn journalistieke werk onmiddellijk voortzetten in De Rotterdammer.

Hepp stelde aan Schilder voor de ontslagbrief aan het Consortium in te trekken en de gehele zaak eerst alsnog binnen de redactie te bespreken. Schilder zag hierin mogelijkheden en trok zijn ontslagbrief alsnog in. Er werd een redactieregeling vastgesteld: overeengekomen werd dat over bijdragen, waarvan de auteur vermoeden kon dat daarover binnen de redactie verschil van mening zou kunnen rijzen, eerst met de mede-redacteuren diende te worden overlegd en dat niets zou worden gepubliceerd over de betreffende kwestie zonder voorafgaand overleg. Het vrije-tribune-standpunt was nu definitief verlaten.

10. Het einde van Hepps redacteurschap
Hepp was de redacteur met de mondiale blik. Het buitenland viel theologisch-kerkelijk gezien buiten de belangstellingssfeer van Schilder, Waterink en Tazelaar. Zijn reizen naar het buitenland hadden zijn naam gevestigd als kenner van de buitenlandse kerkelijke zaken. Hepp mocht in 1930 de Stone-lezingen houden – Kuyper en Bavinck waren hem voorgegaan in 1898 en 1908. Hepp besloot tegelijk op een rondreis van drie maanden in vele plaatsen lezingen te verzorgen, onder meer over het internationale calvinisme. Zwaar was de slag die hem trof, toen enkele dagen voor zijn vertrek zijn jongste zoon en naamgenoot Valentijn, op weg naar huis om afscheid te nemen van zijn vader, overreden werd door de Gooische Tram. Hepp stelde zijn vertrek naar Amerika een week uit.

Hepp hield vijf Stone-lezingen over ‘Calvinism and the philosophy of nature’. Tegelijk met hem moest ook Schilder zijn medewerking aan het blad tijdelijk opschorten vanwege zijn promotiestudie in Duitsland. De afwezigheid van de beide voornaamste redacteuren in het voorjaar van 1930 zou mede bepalend zijn voor de nieuwe strijd binnen de redactie, die zou uitlopen op het voor de lezers plotselinge en destijds nooit opgehelderde vertrek van Hepp als eindredacteur van De Reformatie. De aanleiding tot het conflict was een verschil van mening binnen de redactie over het meest ambitieuze plan dat Hepp tijdens zijn tienjarig redacteurschap in De Reformatie heeft ontvouwd: de oprichting van een internationale calvinistische organisatie met nationale afdelingen.

Zijn streven trok mede in het licht van de veldwinnende oecumenische gedachte de aandacht, zij het dat zijn plan geheel anders gericht was en een uitgesproken calvinistisch karakter droeg. Op 19 december 1929 werd de ‘Bond van Gereformeerden (Calvinisten) in Nederland’ opgericht. Het initiatief lag bij Colijn. Het koste moeite om de grondslag zodanig te formuleren, dat zowel de kerkelijk-gereformeerden, als de van het ‘neo-calvinisme’ van deze groep afkerige hervormde confessionelen én de voor de ‘Asser-geest’ beduchte hersteld-verbanders ermee akkoord konden gaan. Uiteindelijk bleken alleen Haitjema en ds. G.H. Kersten van deelname af te zien.

Hoewel Hepp liever had gezien, dat de nationale organisatie met het oog op de gevoelige kerkelijke verhoudingen na de kwestie-Geelkerken bescheiden van opzet was gebleven en dat men eerste zijn krachten had gegeven aan de vorming van een internationale organisatie, beschouwde hij deze Calvinistenbond als zijn geesteskind.

Hepp had in De Reformatie al eerder zijn zorg uitgesproken over in zijn ogen kerkistische tendenzen binnen eigen kring. De hoogleraren Greijdanus en Bouwman hadden het niet-kerkelijke karakter van de door Hepp voorgestelde internationale calvinistenorganisatie als zwak punt aangemerkt. Voor Hepp brak het uur van de waarheid aan. Nu in zijn kerkelijke kring naar verwachting een storm van kritiek zou losbarsten tegen het niet-kerkelijk karakter van de organisatie, achtte hij zich in zijn dubbele hoedanigheid van medeoprichter van de Calvinistenbond en Reformatie-redacteur meer dan een ander geroepen het pleit te voeren voor die bond. Hepp stond echter voor een haast onmogelijke taak.

Het standpunt van Schilder was Hepp bekend: in een organisatie die stond op de grondslag van de Drie Formulieren van Enigheid wees hij samenwerking met niet-kerkelijk-gereformeerden af. Hepp had voor zijn vertrek naar Amerika nog slechts zes weken om de Calvinistenbond te verdedigen. Hij verweet de critici een negatieve en passieve houding. Hepp plaatste indirect zijn mederedacteur Schilder in de kerkistische hoek. Het was duidelijk waar Hepp op aanstuurde: hij koos niet voor redactioneel overleg, maar voor zijn beproefde tactiek van zelfstandig optreden. Hij besefte dat hij achteraf veel energie zou moeten besteden aan een verzoening met Schilder, maar daartegenover stond in dit geval het voor hem belangrijke voordeel, dat hij zes weken lang ongestoord de Calvinistenbond zou kunnen introduceren.

Hepp genoot in gereformeerde kring niet meer zo’n groot respect. De ergernis over Hepp bleek zo groot, dat niemand van de redacteuren bereid was nog langer met hem samen te werken. Ze wilden Hepp geen kans meer geven. Schilder verzorgde Hepps rubriek ‘Kerkelijk leven’ gedurende zijn verblijf in Amerika en was daarbij vrij ook zijn mening te geven over de Calvinistenbond. Schilders kritiek spitste zich toe op deelname van hersteld-verbanders aan de Calvinistenbond. Hij vond dit een inconsequentie, die niet te aanvaarden is.

Hepp had voorlopig om vertrouwen gevraagd, maar Schilder schonk hem dat niet meer. Hij bracht in ‘Persschouw’ wekelijks scribenten uit alle delen van het land, uit grote en kleine bladen, met hun bezwaren tegen de Calvinistenbond. Machteloos moest Hepp vanuit Amerika toezien hoe de kritiek op zijn geesteskind door zijn eigen persorgaan werd aangevoerd! ‘Het hooge woord moet er maar eens uit: ik vind, dat in onzen tijd de verslapping algemeen is. En over de geheele linie. En ik vind, dat het groote gevaar, dat ons dreigt, niet ligt in een acute ketterij, maar in een permanente. (…) Ik heb hierop het oog: dat men niet meer zoekt naar het absolute in elk concreet ding. Vooral niet in de dingen der kerk’.

Zowel Hepp als Schilder verdedigden een reëel standpunt, waarbij de een het accent legde op de katholiciteit en de ander op de identiteit van de gereformeerde levensovertuiging. Deze beide aspecten werden in de eerste 25 jaar na de Vereniging van 1892 op kerkelijk-gereformeerd terrein onder leiding van Kuyper en Bavinck verbonden, maar reeds tien jaar na hun overlijden was voor Hepp en Schilder op dit punt geen overeenstemming meer mogelijk.

De uitgever achtte zich niet langer gebonden aan Hepp. Een voortgaande samenwerking met Schilder en ook met Waterink en Tazelaar leek onmogelijk geworden. Het tienjarig eindredacteurschap van De Reformatie is voor Hepp van grote betekenis geweest. Niet alleen heeft hij in deze functie, meer dan als hoogleraar, concrete leiding gegeven aan het gereformeerde leven, maar ook heeft hij in dit blad zijn streven op kerkelijk-theologisch gebied breedvoerig uiteen kunnen zetten. Hij begon als outsider, maar werd binnen korte tijd de belangrijkste redacteur. Hij kreeg zelfs een centrale plats in het kerkelijk leven rond 1926. Het leek erop dat Hepp zich als een toonaangevend woordvoerder in gereformeerde kring zou ontplooien, maar al spoedig bleek zijn ideaal te mat en zijn persoonlijkheid te weinig pregnant (zinrijk) om een nieuwe generatie gereformeerden te kunnen bezielen. Toen bovendien nieuwe thema’s en denkwijzen in het kerkelijk leven de aandacht vroegen, neigde Hepp er opnieuw toe vóór alles gematigd te willen optreden.

Het is begrijpelijk, dat Hepp met name Schilder verantwoordelijk hield voor de beknotting van zijn streven, maar materieel gezien was dat niet geheel juist. Bij diverse gelegenheden in verschillende kringen waren bezwaren gerezen tegen het optreden van Hepp. Over Hepps ontslag werd in de pers gezwegen, hetgeen gelet op zijn vooraanstaande positie in het grootste gereformeerde kerkelijke weekblad opmerkelijk mag heten.

De wegen van Hepp en Schilder waren ver uiteen gegaan. Zij zouden na enige jaren in volle wapenrusting tegenover elkaar staan. De bittere strijd die toen tussen hen ontbrandde, en waarin zij elkaar in niets gespaard hebben, kan niet worden doorzien zonder kennis te hebben genomen van de jaren van nauwe samenwerking in De Reformatie én de fatale redactionele breuk die daaruit ontstond. Het was een onheelbare breuk, die zowel van persoonlijke aard was als bepaald werd door onoverbrugbare geestelijke en theologische verschillen van inzicht.

11. Het interregnum-Waterink
Hoe moest De Reformatie nu verder zonder Hepp, de redacteur die meer dan wie ook het blad een eigen gezicht had gegeven? De overgebleven redacteuren wilden niets anders dan het blad op de oude vertrouwde wijze voortzetten. Maar dit bleek geen eenvoudige opgave. Wie kwam als vervanger van de nijvere Hepp in aanmerking? Schilder leek de aangewezen persoon, maar hij had het komende jaar vrijgemaakt voor studie, en zou daartoe veel in het buitenland vertoeven. De neerlandicus Tazelaar kwam als leidinggevend redacteur voor een kerkelijk orgaan niet in aanmerking, zodat alleen Waterink overbleef. Hij was de laatste jaren juist de minst productieve redacteur van de vier, tot ergernis van Hepp.

Waterink kon niet vermoeden dat zijn tijdelijke inspanning voor De Reformatie nu het begin zou vormen van de belangrijkste periode in zijn redacteurschap van ruim tien jaar. Zijn artikelen waren populair geschreven en heel wat lichter van toon dan de bijdragen van Hepp en Schilder. Zijn toon was doorgaans niet scherp-kritisch, maar vaderlijk-vermanend. Hij bleef de standpunten van Bavinck en Kuyper zonder meer trouw en richtte zich graag tot de eenvoudige lezer. Zijn praktische verdienste was, dat hij het karakter van de moderne cultuur eenvoudig en concreet beschreef.

Hij constateerde allerlei levensontbindende factoren: de toename van het verkeer en de opkomst van de radio gingen zijns inziens ten koste van de degelijkheid van vroeger. Steeds deed hij pogingen om de eigentijdse cultuur te typeren en de eigen positie van de gereformeerde daarin te markering. Waterink bood geen diepe doordenking, maar gaf praktische wenken.

Hoewel het verzet in De Reformatie tegen de Calvinistenbond Grosheide onaangenaam was geweest, bleef hij als vaste medewerker verbonden. Hij schreef in 1931 zelfs ten gunste van de bond in het blad. Een dergelijke ruime opstelling herinnerde aan de oorspronkelijke bedoeling van het blad. Na Hepps vertrek uit het blad verbeterden de verhoudingen binnen De Reformatie-kring. Het eerste nummer van de elfde jaargang (1930) opende met het voornemen aan het blad een meer algemeen cultureel karakter te geven.

Terwijl het kerkelijk leven een wat matte indruk maakte en in de afgelopen jaren voor veel studenten en academici teleurstellend was, leek de verplaatsing van de aandacht van De Reformatie van het kerkelijke naar het algemeen-culturele terrein op dat moment aanlokkelijk. Er debuteerden ook jonge theologen in het blad, zoals ds. G.C. Berkouwer en ds. S.G. de Graaf.

Waterink wees erop dat het blad in het verleden een sterk kerkelijk karakter had gedragen, maar dat dit allerminst de bedoeling van de oprichters was geweest. Zij hadden een blad begoogd, dat de ontwikkeling van heel het gereformeerde leven nastreefde. ‘Immers een ontwikkeld gereformeerde moet ook een algemeen ontwikkeld mensch zijn’. Daarom kwamen er populair-wetenschappelijke beschouwingen over luchtschepen en vulkaanuitbarstingen! Waterink had een typerende voorliefde voor de praktijk.

Uit Waterinks levenshouding sprak een zeker verzet tegen een stroef-conservatisme in gereformeerde kring, dat door angst voor het onbekende was ingegeven. Inzake techniek, politiek, opvoeding, onderwijs en kunst – niet op theologisch terrein – poogde hij die weerstand, die hij zelf als geïnteresseerd en joviaal mens niet kende, te overwinnen. Hij oefende daarmee invloed uit op het karakter van het blad. Over spanningen in het kerkelijk leven werd van de ene op de andere week in het blad niet meer gesproken!

Waterinks poging aan De Reformatie een populair algemeen-cultureel karakter te verlenen was geen blijvend succes. Met zijn organisatietalent en contacten in vele kringen wist hij in de periode 1930-1931 nieuwe scribenten uit verschillende maatschappelijke verbanden en wetenschappelijke disciplines te verbinden aan het blad, zodat het aantal scribenten in die tijd verdubbelde tot rond de vijftig. Mede dankzij deze impuls vertoonde De Reformatie gedurende zijn interregnum een gevarieerder karakter dan de andere kerkelijk-gereformeerde weekbladen en trok het blad jonge academici aan. Het behield dit karakter gedurende de jaren dertig, ook al ging de kerkelijke berichtgeving na Schilders terugkomst in 1931 weer volop domineren.

12. Schilder in Erlangen
Toen Schilder in de zomer van 1931 na een afwezigheid van vijftien maanden uit Erlangen terugkeerde, loste hij Waterink af als leidinggevend redacteur en hij zou die positie niet meer uit handen geven. De actuele ontwikkelingen van het kerkelijk leven vormden opnieuw het hoofdthema van het blad. De ernstige kritiek op het actuele kerkelijke leven, die de ‘jongeren’ bij Hepp node hadden gemist, voerde nu de boventoon in het blad. Schilders verblijf in Duitsland had hem tot zelfbezinning gebracht. Hij leefde in het Beierse universiteitsstadje in zekere afzondering. Schilder nam met belangstelling kennis van de Duitse samenleving, vooral van het lutheranisme in de kerk en het opkomende nationaal-socialisme op de universiteit en in de straten van het stadje. Hij voelde zich eenzaam. Hij ordende zijn gedachten en zag nu in dat er een verschil van inzicht bestond tussen hem en enkele kerkelijke leiders over wat gereformeerd was.

Hij kwam tot het inzicht dat de GKN in hun bestaan bedreigd werden. En dat niet om redenen buiten die kerken gelegen, maar van binnen uit, vanwege ‘de slappe probleemstelling der orthodoxie’, die ertoe geleid had, dat de gereformeerden omwille van hun in maatschappelijk en kerkelijk opzicht gevestigde positie ‘de tegenstellingen in de controverses afslijpen’. Schilder voorzag een ‘proces van Schrift-verwerping en kerk-verlating’. Velen lachen hierom, maar hun ontkerstende kinderen en kleinkinderen zullen op hun graf treden, aldus Schilder. ‘Ze zullen geen christen meer heeten. (…) van de kerk los’.

Schilder was niet de eerste, niet de enige, die ertegen waarschuwde. Maar hij was wel de enige scribent binnen kerkelijke kring, die het niet liet bij een voorzichtige terechtwijzing of een enkel krachtig protest. Schilder besefte uiteraard dat hij met zijn kritiek onrust zaaide. ‘En intusschen gaan de jaren verder, en wordt het gereformeerde kleed van de motten gegeten. De strijd begint pas. “Wilt gijlieden ook niet heengaan?”’ Voor sommigen gold Schilder als criticaster, voor anderen echter als bezieler.

Zijn inzicht was geen bevlieging, maar een gevormde overtuiging. Schilder ging van nu af aan, ook binnen de redactie van De Reformatie, meer en meer een eigen weg, en kwam daar ook duidelijk voor uit. Hoofdonderwijzer A. Janse schreef hem: ‘Uw getuigenis van onzen Heere in de taal van onzen tijd is heerlijk’. Het merkwaardige is, dat Schilder nooit concrete doeleinden heeft geformuleerd. Schilders program was veeleer gericht op de verandering van een mentaliteit, en luidde even eenvoudig als radicaal, dat heroverweging van al wat in gereformeerde kring sinds jaar en dag gezegd en geschreven werd, plicht was. De kuyperiaanse probleemstellingen voldeden hem niet meer.

In diezelfde periode vormde zich een kring van enthousiaste leerlingen rond twee jonge hoogleraren van de VU, de jurist dr. H. Dooyeweerd en de theoloog dr. D.H.Th. Vollenhoven. Hoewel ze zich nadrukkelijk beriepen op het gedachtegoed van Kuyper, bekritiseerden ook zij hem op bepaalde onderdelen. Waterink betreurde het dat Schilder in de zomer van 1931 in enkele weken tijds De Reformatie weer teruggebracht in het oude kerkelijke spoor. Hij maande Schilder niet zoveel aandacht te besteden aan gebeurtenissen, die in zijn ogen niet van wezenlijke betekenis waren. Bij Schilder groeide op dit punt meer en meer ergernis over Waterinks manier van optreden.

Er kwam onenigheid tussen beide redacteuren. De aanleiding vormde het jubileum van het antirevolutionaire dagblad De Standaard (zestigjarig bestaan in 1932). Schilder uitte kritiek over het feit dat afwijkende standpunten er vaak meer aandacht kregen dan de kerkelijk-gereformeerde. Toch brachten Tazelaar en Waterink namens de redactie van De Standaard de felicitaties over. Dit tot ergernis van Schilder. Zijn verhouding met Waterink bekoelde na dit incident.

Tot ieders tevredenheid was het aantal abonnees op De Reformatie in het afgelopen jaar toegenomen. Op de jaarlijkse Consortium-vergadering werden over bijdragen van Schilder kritische vragen gesteld. ‘Is de inhoud niet wel eens wat te zwaar? Wordt over sommige dingen niet wat te lang geschreven? (…) Is positief voorlichten niet beter dan veel polemiseeren?’

13. Over cultuurvragen
Door Waterink werd Schilders proefschrift geprezen als ‘één van de belangrijkste uitingen van de hedendaagsche theologische wetenschap’. Hij roemde de stijl van het boek: niet fel, niet polemisch, niet gehaast en emotioneel, maar met een sterk opgezet betoog, dat in rustige toon gesteld was. Zo las Waterink Schilder het liefst, ook in De Reformatie. Waterink keek met goede herinneringen terug op zijn jeugdjaren, toen hij klasgenoot van Schilder was: ‘Welk een stille blijheid was er altijd toen we (…) geregeld elken zondagmorgen uit de kerk bij je onvergetelijke moeder (…) in Kampen samen koffie gingen drinken’.

Tot Schilders teleurstelling reageerde Barth op geen enkele wijze op zijn proefschrift. Ook Miskotte en Berkouwer zonden hun proefschriften toe aan Barth, zonder daarop een reactie te ontvangen. Barth liet, blijkens de maagdelijke staat van de exemplaren in zijn bibliotheek, de drie boeken ongelezen, en zal zich beperkt hebben tot inzage! Schilder reageerde wel steeds snel op Barths nieuwe boeken, maar waar kregen zíjn inzichten aandacht? Hij moest als theoloog vooralsnog alleen op eigen kracht verder.

Begin 1933 bracht Schilder in het blad Kuypers cultuurvisie in bespreking, naar aanleiding van een opstel van zijn hand in de eind 1932 verschenen bundel Jezus Christus en het menschenleven. De breuk tussen Schilder en de barthiaanse theologen werd hierin definitief. Het was een duidelijk voorbeeld van Schilders poging het gereformeerde denken te moderniseren. Schilders levenshouding werd door het culturele démasqué van de Eerste Wereldoorlog bepaald. Kuypers zinsneden over ‘paradijs-resten’ hoorden volgens het moderne levensbesef thuis in een sprookjesboek.

Schilder heeft het woord ‘genade’ in zijn bezinning op de cultuur sindsdien alleen nog gebruikt in combinatie met zijn pendant: de vloek. Daarom was het voor Schilder een vraag geworden, of men bij de bezinning op het cultuurleven nog wel in het spoor van Kuyper diende uit te gaan van het verbond, dat God na de zondeval met Noach had gesloten. Voor zijn correctie op Kuyper benutte Schilder het klassiek-gereformeerde ambtsbegrip, dat hij in plaats van het genade-begrip tot uitgangspunt nam voor zijn cultuurvisie. Maar hij gaf er een moderne vulling aan. Het accent viel niet op het recht, maar op de plicht. Ook de beschadigde en vernederde mens bleef drager van het ambt.

Met deze accentverschuiving kwam het handelen van de mens centraal te staan: ‘Hij móét nu eenmaal in deze verwrongen wereld zijn plicht voor God vervullen’. De 19e-eeuwer Kuyper had de mens nog beschouwd als deel van een groter geheel, waarin hij zijn vaste plaats had en zijn omschreven taak had te vervullen. Bij Schilder was de plaats van de mens niet statisch, maar dynamisch geworden.

Als eerste bezwaar tegen Kuypers aanpak wees Schilder op de casuïstiek, die er het gevolg van was: wie begint bij de stelling, dat er ‘nog’ zo veel goeds te genieten valt in de wereld, roept ook de vraag op, wat er ‘nog’ mee door kan. De ambtsgedachte daarentegen vangt aan met het werk, waartoe God de mens geroepen heeft en dat ‘nog niet’ voltooid is. Dit uitgangspunt leidde tot een ander ethos. Niet de majesteit van God was door de oorlog in geding geraakt, maar de mens, die zijn verantwoordelijkheid had verzaakt.

Schilder kritiseerde het genotselement in de ‘gemeene gratie naar volksrecept’. Naast de ‘gratie’ kende het paradijs immers ook het bevel en het gebod: ‘Is er een zwaarder ding, dan cultuur te doen?’ Ook kritiseerde Schilder het gebruik van het woord ‘gemeen’ in het dagelijks spraakgebruik. Er is geen ‘gemeen’ terrein tussen de fronten. De ondertitel van De Reformatie kreeg in deze jaren een scherp geformuleerde inhoud, die de lezers nadrukkelijk stelde voor de keuze vast te houden aan het oude of te kiezen voor iets nieuws.

Er kwam een uitvoerige publieke reactie van K.H. Miskotte. Zijn centrale bezwaar was, dat Jezus Christus door de neo-calvinisten binnen de verhoudingen van deze wereld geplaatst werd ‘in een verband van onmiddellijkheid’. Miskotte achtte in navolging van Barth de majesteit van God zo hoog, dat hij beslist geen direct verband wilde leggen tussen Hem en de verworven beschaving van Europa, iets wat Schilder en Colijn zijns inziens deden. Omdat in Schilders opstel volgens Miskotte dit direct verband tussen Gods werk in deze wereld en het mensenwerk zo nadrukkelijk werd gelegd, was het volgens Miskotte ‘haast niet om te lezen: zoo oneerbiedig, zoo bijna godslasterlijk vind ik zulk spreken’.

Schilder had in zijn generatiegenoot Miskotte een opponent van formaat getroffen, die evenals hij literaire begaafdheid met een bijzondere emotionaliteit combineerde. Nu had Schilder een theologische gesprekspartner getroffen, maar had deze hem verstaan? Miskotte las over Schilders correctie op de gangbare gereformeerde cultuurvisie heen! Dit bevreemdde Schilder en hij besloot daarom de kern van zijn opstel nogmaals en duidelijker te formuleren. Schilder constateerde dat Miskotte ‘vrij hevig van het barthiaanse hondjes gebeten was’.

Een redacteur van Woord en Geest, ds. J.J. Buskes, bekende eind 1933 openlijk in het verleden onbillijk te zijn geweest in de beoordeling van Schilders standpunt inzake Barth. Hij vroeg zich nu echter af, waarom Barths strijd tegen het nationaal-socialisme in De Reformatie niet meer aandacht kreeg. Wat Barth betreft, oordeelde Schilder, dat diens protest op de keper beschouwd niet het nationaal-socialisme, maar de kerk betrof. En dat was voor De Reformatie oud nieuws. Barth kwam in het geweer, omdat en voorzover het nationaal-socialisme zich aan de vrijheid van de kerk vergreep, maar het nationaal-socialisme als zodanig bleef toch eigenlijk buiten schot. Inderdaad blijkt uit latere geschiedschrijving dat de kerkstrijd ook vooral een interne machtsstrijd was.

Miskotte antwoordde Schilder niet meer, want hij wilde niet verleid worden tot nieuwe scherpslijperij. Haitjema reageerde wel. Hij zocht de verklaring voor Schilders reactie in diens geestesgesteldheid: hij zou in ‘dolzinnige overhaasting’ met ‘het fanatisme van den wachter op de muren van het Nieuw-Calvinistisch Zion’ Miskotte bestreden hebben. ‘Zooveel zinnen, zooveel roekeloze aantijgingen. Hier speurt men de zonde van het generaliseeren, en loketteeren, en ketterjagend typeren in al haar verdachtmakende zwartheid. Wie op zulk een wijze zijn fantastisch divinatie-vermogen den teugel viert bij zijn verkenningen van de theologische stellingen van den tegenstander, moet voorloopig op geen enkele manier geprikkeld worden tot nieuwe uitbarstingen van den rabies theologorum’.

Schilder antwoordde heel realistisch op Haitjema’s uitval. Hij wees erop, dat hij zijn standpunt beargumenteerd had, terwijl Haitjema dit had nagelaten. ‘Dat dr. Haitjema thans weer ach en wee roept over een door ons beschadigde “ziel”, is een zwakheidssymptoon, waaraan wij gewend zijn’. De zelfbewuste toon van Schilders weerwoord op Miskotte’s recensie en op Haitjema’s reactie wekte ergernis in hervormde kring, evenals Kuyper dat een halve eeuw eerder zo menig maal had gedaan. Men had er echter geen oog voor, dat voor het eerst sinds jaren de kritiek van gereformeerde zijde op een hervormd theoloog niet bestond uit de herhaling van reeds lang bekende, traditionele argumenten, maar dat deze kritiek tevens een actuele uiteenzetting vormde van het gereformeerde denken. Het falen van dit gesprek valt te betreuren.

Schilder was van mening dat hervormde theologen als Miskotte en Haitjema in hun bewondering voor de barthiaanse theologie zich te zeer afzetten tegen de nationale gereformeerde theologische erfenis van Dordrecht. Barths vaak ongezouten kritiek op allerlei theologische opvattingen werd door zijn volgelingen heilzaam geacht, maar dat Schilder op zijn beurt met eenzelfde geladenheid Barths opvattingen bekritiseerde was voor hen niet aanvaardbaar. Terwijl Miskotte in zijn recensie Schilders artikel ‘bijna godslasterlijk’ noemen mocht, was men geschokt over Schilders tegenwerping, dat Miskotte sprak in een taal ‘die ernstig lijkt en vroom, maar die zich stelt in dienst van een versnijding van het evangelie’.

Wat niemand in die dagen wist: ook Schilder kende de aarzeling bij het gebruik van scherpe taal en schroeiende verwijten. Ondanks zijn vaste overtuiging was hij over zijn uitlatingen wel eens onzeker. ‘Ik heb, zooals gewoonlijk, direct geschreven, maar zooals meer gebeurt, tien keer gedacht: laat ik telegrafeeren, dat ze het niet moeten plaatsen, maar door zending van proef me gelegenheid moeten geven tot wijziging of beperking’. Anderzijds beschouwde hij zijn rusteloos polemiseren als een ‘eenvoudigen plicht’.

Op de Consortium-vergadering van 1933 was Schilder ‘zeer benieuwd of ze zullen durven pruttelen’. De irritatie over Schilders artikelen was inderdaad toegenomen. Grosheide meende dat zijn aanhoudende polemiek geen doel trof. Maar Schilder weigerde op het punt van de polemiek concessies te doen. Het is bij hem geen aanleg of liefhebberij, maar een moeten. Schilder was niet ongevoelig voor de kritiek, maar het groeiende abonnementental sterkte hem in de juistheid van zijn koers.

In hetzelfde jaar werd Schilder naar ieders verwachting benoemd tot hoogleraar in Kampen. H.H. Kuyper schreef zeer welwillend: ‘Dr. Schilder is zeker onder onze predikanten een der meest begaafden. Er schittert iets geniaals in zijn werken en persarbeid. (…) Van zijn optreden als hoogleraar mag daarom veel verwacht worden’. Schilder, de polemische redacteur van De Reformatie, ging nu zelf tot de autoriteiten behoren van een kring waarbinnen hij de laatste jaren zijn kritiek soms vrijmoedig had geuit. Zou dit binnen de GKN spanningen en meningsverschillen gaan geven?

Voor De Reformatie had deze nieuwe situatie grote gevolgen. In de komende paar jaren zou het redactiebleid beheerst worden door de onuitgesproken vraag, of het blad de motor van een door Schilder veroorzaakte vernieuwingsbeweging binnen de GKN zou worden, of een blad waarin meerdere opvattingen naast elkaar hun plaats zouden blijven innemen.

14. Waarschuwingen
Slechts tien jaren duurde Schilders hoogleraarschap aan de Theologische School te Kampen. Schilder zou haar op hoger niveau brengen, net als Bavinck een halve eeuw eerder. Hij was terug in zijn geboortestad. In de maand van Schilders inauguratie (januari 1934) verscheen in een studentenblad een artikel van V. Hepp over ‘De pluriformiteit van de kerk’. Hepp keerde zich tegen recente kritiek uit eigen kring op Kuypers leer van de pluriformiteit van de kerk. Schilder was van mening dat Kuypers leer in feite de kerkelijke verdeeldheid sanctioneerde. Volgens Schilder zou de verdeeldheid niet tot rust, maar tot activiteit moeten leiden.

Hepp was het met deze kritiek op Abraham Kuyper hartgrondig oneens. ‘Het voornaamste gebrek, waaraan zij lijden, is het gebrek der kleine geesten: bewustzijnsvernauwing’. Hepp betoogde dat Kuyper teruggreep ‘naar de beste periode van de reformatie’. Het artikel van Hepp werd door Schilder gelezen als een persoonlijke aanval op zijn wetenschappelijke en morele betrouwbaarheid. In een lange reeks artikelen verdedigde hij, eveneens met een beroep op Calvijns Institutie, ‘dat de eenheid der geloovigen behóórt uit te komen in één, hen allen vergaderend, instituut’. Na vrijwel iedere passage van het artikel rijkelijk becommentarieerd te hebben, concludeerde hij dat Hepp het tegenovergestelde had verdedigd van wat Calvijn had geleerd. ‘Hoe het kan? Alleen doordat men (…) net zoo lang zijn onmiddellijke voorgangers nagepraat heeft, dat men niet meer in staat was terug te gaan tot de bron, en Calvijn deugdelijk te lezen’.

Schilders artikelenreeks stimuleerde de bezinning op het kerkelijk vraagstuk, maar riep vanwege de scherpe toon jegens Hepp ook protest op. Tazelaar schreef hem: ‘Schei met die polemiek uit. Ze moge theoretisch nuttig zijn – praktisch doet ze niets dan schade. (…) Je overtuigt niemand’. Schilder ging gewoon verder. ‘En nu niet boos worden. (…) We gaan verder, natuurlijk’. Maar op deze manier wilde Waterink beslist niet verder gaan. Hij schreef Schilder een verontwaardigde brief: ‘Hoor eens, dit is geen persmanier, man. (…) Heusch kerel, je hebt je veel en veel te veel laten gaan’.

Er begon zich langzamerhand een nieuwe generatie gereformeerden af te tekenen, die in haar bezinning door Schilder werd gestimuleerd. Hepp beschouwde Schilders onrustige bezinning als ‘oorspronkelijkheidszucht’, en als een breken met een recent verleden, waaraan de gereformeerden zoveel te danken hadden. Wat H.H. Kuyper had gevreesd, toen hij waarschuwde voor een ‘versterkte Kampen-speciaal-richting’, dreigde realiteit te worden. Bij deze door velen met verbazing en bezorgdheid gadegeslagen strijd op hoog niveau tussen de dogmatici van de VU en de Kamper School, voegde zich nog een openlijke onenigheid tussen de hoogleraren Waterink en Vollenhoven, die beiden aan de VU doceerden. Er kwam een langzame toenadering tussen Schilder en de wijsgerige vernieuwers aan de VU. Het zou uitgroeien tot een bondgenootschap van tien jaren.

In het Consortium was de eenheid inmiddels verbroken. Alleen Schilder leek voorlopig tevreden net de situatie. ‘Voorloopig zie ik hierin iets wonders: dat men mij juist nu in niets met een enkel woord heeft gehinderd of vermaand’.

15. De definitieve breuk
In 1934 vond in Amsterdam een Internationaal Congres van Gereformeerden (Calvinisten) plaats. Schilder bedankte, hij hield zijn bezwaren tegen de brede opzet. Waterink zegde wel medewerking toe. Een discussie binnen de redactie kon moeilijk uitblijven. Waterink vroeg Schilder eerst over het komende Congres in De Reformatie te schrijven, nadat ze er samen over hadden gesproken. Maar daarop wilde Schilder niet wachten: alleen reeds deze mededeling deed voor hem de deur dicht. Een verschil van mening tussen de redacteuren achtte hij aanvaardbaar. Een aanleiding voor een redactiebreuk diende zich nu onverwacht aan.

Waterink bevond zich in een moeilijk parket. Omdat Waterink vermoedde, dat Schilder in het geval van een redactiebreuk met een eigen blad zou uitkomen, meende hij echter een tegemoetkomende houding te moeten aannemen en Schilder, die ook in het verleden als enige redacteur over de Calvinistenbond en aanverwante zaken had geschreven, in De Reformatie de vrije hand te laten. Zo was Schilder alsnog in de toestand geraakt, die hij in juni had willen vermijden: samen met een van de Congres-organisatoren lid te zijn van de redactie van De Reformatie. Het initiatief tot een redactiebreuk, dat hij aan Waterink had willen laten, lag nu bij Schilder. Schilder werd ondertussen ook gevraagd als hoofdredacteur van De Bazuin, als opvolger van Honig, maar hij wees het verzoek voorlopig af, omdat hij er in zijn schrijven niet geheel werd vrijgelaten.

‘Men heeft mij gevraagd of isolement altijd nuttig is. Antwoord: wie het begeert is ziek. Wie het, als hij ertoe gedrongen wordt, niet aandurft, is nog zieker’. Schilder voegde er het in 1875 door Kuyper in de Tweede Kamer geciteerde vers van de Amerikaanse opwekkingsprediker Sankey aan toe: ‘Dare to be a Daniel! / Dare to stand alone! / Dare to have a purpose firm! / Dare to make it known’.

Waterink antwoordde voorlopig niet meer. Hij aanvaardde de zaken zoals ze stonden, en wenste na zijn verregaande tegemoetkoming aan Schilder niet bovendien verantwoordelijk gesteld te worden voor een eventuele breuk. Schilder besloot zelf op te treden. Het Consortium stond voor de taak recht te spreken tussen de twee redacteuren. Waterink noemde Schilders eis dat hij de redactie moest verlaten onredelijk.

‘Sommige heeren willen “De Reformatie” een vrije tribune doen zijn; ik wil een blad van zeer bepaalde beteekenis en richting. Ik wil doelbewust een bepaalde gedachtengang voorstaan en niet zitten in een positie waarin je telkens aan elkaar moet toegeven’. De uitgeverij besloot in te grijpen. Hij brak met het Consortium en ging in zee met Schilder alleen, die als auteur en redacteur zakelijk gezien de beste perspectieven voor het blad bood. Waterink en Tazelaar konden aan het eind van de jaargang vertrekken. Nu moest Schilder nieuwe medewerkers gaan zoeken. Schilder wilde niet meer redacteuren naast zich.

Waterink trachtte een eigen orgaan te verkrijgen. Dat was uiteraard zijn recht, maar Schilder had er geen goed woord voor over. ‘Ik beschouw [dit] als een der vele wendingen (…) die in heel je houding geweest zijn. Je bent niet recht door zee gegaan. Je hebt je niet als man gedragen. (…) Ik zal je dat blijven vergeven. Maar daarin heb je meteen het bewijs, dat ik het een zonde van je vind’. Waterink schreef terug: ‘Wat meer zelfcritiek amice, zou je voor onrechtvaardigheden tegenover anderen bewaren’. Ook op het persoonlijke vlak was de breuk volkomen.

Nieuwe medewerkers werden C. Veenhof, M.B. van ’t Veer, D. van Dijk, A. Janse en anderen. Maar eerst moest de oude redactie nog driekwart jaar aanblijven. Toch voerde Schilder reeds halverwege de 15e jaargang de redactie feitelijk alleen. Er werd namelijk gelekt naar de antirevolutionaire dagbladen waarin de teneur was dat de geschiedenis van De Reformatie als een repeterende breuk van aftredende redacteuren was. Schilder wilde nu een spoedig vertrek van Waterink en Tazelaar. En dat gebeurde.

Met één zin, zonder een woord van dank aan de aftredende redacteuren, kwam een eind aan een meer dan tienjarige redactionele verantwoordelijkheid van Waterink en Tazelaar. Sinds 12 april 1935 was het weekblad in bijzondere mate het blad van Klaas Schilder, en zou dat tot zijn dood toe blijven. Met voortvarendheid zou hij zijn nieuwe taak ter hand nemen, waartegen hij als scribent volkomen was opgewassen. Maar van wat daaraan achter de schermen vooraf was gegaan, ontvingen de lezers van het blad destijds geen enkele nadere informatie.

16. De vuurproef
Toen Schilder in april 1935 enig redacteur van De Reformatie werd, ging zijn stille wens in vervulling: te beschikken over een eigen blad. Hij kon onbelemmerd schrijven. Deze redactionele vrijheid bleef niet zonder gevolgen voor de GKN! Het was een unieke omstandigheid dat hij alleen het redactiebeleid bepaalde. De Reformatie stond na april 1935 een eigen kerkelijke en theologische koers voor. Hij slaagde er in de themata van Kuyper en Bavinck in zijn blad te vervangen door nieuwe standpuntbepalingen. Wat stond de gereformeerde wereld te wachten? Zou Schilder de jongeren meekrijgen? Zou hij zichzelf matigen óf tomeloos zijn kritiek uiten?

Schilder was, anderhalf jaar na zijn inauguratie, voor velen het symbool van de Kamper School. Hij schreef vooral over drie onderwerpen: over veel wat binnen eigen kring voorviel, over het barthianisme en over het nationaal-socialisme. In het eerste nummer dat onder zijn verantwoordelijkheid verscheen, plaatste hij reeds een ‘Open brief’ aan H.H. Kuyper, man van historische wetenschap – de jaargangen van zijn blad De Heraut bevatten een indrukwekkende reeks minutieuze historische studies over de 16e en 17e-eeuwse gereformeerde theologie. In het van zijn vader geërfde weekblad bekleedde hij in formeel opzicht dezelfde positie als thans Schilder in De Reformatie.

In rustige en evenwichtig gestelde betogen gaf hij wekelijks in een verzorgde stijl zijn opinie over actuele kerkelijke zaken. ‘Je had werkelijk de idee, als je H.H. in De Heraut las, dat hij bij alle raadsbesluiten van God aanwezig was geweest’, zegt iemand. Zijn langdurig hoogleraarschap en journalistieke publicaties kenmerkten zich over het algemeen door een behoedzaam optreden in het publiek en een zorgvuldig overwogen tactiek achter de schermen. Maar deze afstandelijkheid, die voorheen als teken van gezag had gegolden, werd na 1926 in veler oog meer en meer een schaduwzijde van zijn optreden. Degenen binnen de GKN die de afzetting van Geelkerken betreurden, verfoeiden het beleid van H.H. Kuyper, dat in alle stilte daartoe geleid had.

In 1935 was in Frankrijk een internationaal congres gehouden ter herdenking van de verschijning van Calvijns Institutie. Bij die gelegenheid was aan H.H. Kuyper en V.H. Rutgers een eredoctoraat verleend. Schilder noemde dit de ‘bolleboozen-bullen-uitreiking’. Toen H.H. Kuyper in De Heraut zijn ongenoegen liet blijken over de zijns inziens te pas en te onpas terugkerende kritiek op contacten met calvinisten buiten de GKN, antwoordde Schilder prompt met de ‘Open brief’. Schilders kritiek op H.H. Kuyper was dat hij kritiek ter zake afdeed als ‘kleinzielig’. ‘Ik weet wel dat ik vervelend ben’, citeerde Schilder Multatuli.

H.H. Kuyper wenste eenvoudig geen oppositie binnen eigen kring. Maar Schilder achtte een onderling debat wezenlijker voor de oecumene dan vertoon van eensgezindheid in het buitenland. Wanneer er in een kring niet openlijk over actuele zaken mocht worden gesproken, zou dat volgens hem tot fractievorming binnen de GKN leiden, precies het gevaar dat H.H. Kuyper en anderen van Schílders optreden vreesden! Deze omkering van Kuypers bezwaar was niet louter een spitsvondigheid van Schilder. Hij schreef namelijk ‘dat de kloof tusschen de kerken en enkele vooraanstaande figuren in het gereformeerde leven al grooter wordt’. Schilder speelde met de ‘Open brief’ in op de bij velen bestaande reserve jegens H.H. Kuyper.

Schilder deed wat Abraham Kuyper in zijn oppositionele jaren binnen de Ned.Herv.Kerk ook had gedaan: zijn recht op een eigen opinie tegenover de kerkelijke leiders verdedigen met een beroep op het gevoelen van het gereformeerde kerkvolk. De ‘Open brief’ was meer dan een pleidooi voor het recht van oppositie: het was voor die dagen een oppositionele daad. Schilder liep storm tegen een deftige, aristocratische wijze van leidinggeven. Zijn adagium, dat het absolute in elk concreet ding gezocht moest worden, had al verscheidene gevestigde opinies doen sneuvelen. Er was volgens Schilder te lang geapplaudisseerd voor de leiders. Schilder riep nu om een open en zakelijk ‘godsdienstgesprek’. ‘Niet polemiseeren beteekent ook volgens ons: buiten de geschiedenis gaan staan, d.w.z. geen ambt bedienen’.

H.H. Kuyper had er niet de minste waardering voor. De rust werd onnodig verstoord. Velen kozen openlijk partij. Het aantal schrijvers in De Reformatie werd opgevoerd tot liefst zestig per jaargang. Schilder wenste er ook op deze wijze voor te waken, dat De Reformatie het orgaan van een richting zou worden. Maar daar slaagde hij slechts gedeeltelijk in. De letterkundige C. Rijnsdorp was ook vaste medewerker. Hij zei: ‘Kuyper zei indertijd: de zending moet niet zenuwachtig worden, door de gedachte dat er nog zooveel heidenen zijn. K.S. loopt gevaar voor die actualistische nervositeit’. De Reformatie meende met een open debat de eenheid weer te herstellen: ‘De vrede der kerken wordt gediend, als men hetgeen verdeelt, door publieke bespreking verhindert verder te gaan’.

In 1935 kwam een nieuw blad uit: Calvinistisch Weekblad, onder redactie van onder andere Waterink en Tazelaar. Men wilde een brede plaats inruimen voor alles wat zich op cultureel gebied voordoet, al zal men ook een rubriek wijden aan het kerkelijk leven. Maar het zal ‘nimmer polemiseeren tegen personen en uitingen uit den kring der gereformeerde gezindheid’. De Reformatie bleef het meest gelezen blad in gereformeerde kring en groeide zelfs.

Voor Schilder was in deze periode zijn arbeid aan De Reformatie als een frontbestaan, een permanente oorlog, waarin geen oproep tot vrede baatte. Reformatie-lezers herkenden in zijn agressieve artikelen een vertrouwde toon. In 1934 identificeerde Schilder zich in artikelen en toespraken met de afgescheidenen van 1834. ‘Over heel de linie is de Afscheiding een saneering van ons volksleven geweest. Het is van de grootste beteekenis’. Schilders pleidooi voor de radicale eenvoud van het christelijk geloof en voor de daarmee verbonden compromisloze daad herinnerde in 1935 zijn lezers aan het klimaat van de Afscheiding, aan de houding van de eenzame opposant, door tijdgenoten afgewezen, maar door de geschiedenis in het gelijk gesteld.

Van februari tot mei 1935 publiceerde Schilder een lange reeks hoofdartikelen, ‘Kerkelijke gedeeldheid en verbondsgehoorzaamheid’, een uitwerking van een radiorede voor de NCRV. ‘Men moet niet een ‘gegevenheid’ zien als het lichaam, waarin zich het verbond kristalliseert, doch de spanning weer aandúrven, wijl het moet, de spanning van de betere verbondsbeschouwing, die, in plaats van een statisch verbondsstatuut en verbondsinstituut, de levende presente, permanente verbondsgehoorzaamheid voor de aandacht plaatst’. Schilder behandelde de kerkelijke gedeeldheid van gereformeerden en hervormden niet als een historisch geschil of feitelijke gegevenheid, maar als een actueel geding, dat geen uitstel verdroeg. ‘Zoodra ieder, die God vreest, binnen de Gereformeerde Kerken en daarbuiten, zijn God weer de hand geeft, en weer gehoorzaam wordt, zullen wij de eenheid krijgen, waarnaar in 1834 is gesnakt’.

Zelden kreeg Schilder zoveel reacties als op deze artikelenreeks, die door Grosheide in De Heraut werd omschreven als ‘meesterlijk’. Enkele gereformeerde predikanten waren zo onder de indruk van de ‘schitterende apologie voor de una sancta naar gereformeerd belijden’, dat zij een actie opzetten om onder de titel ‘Ons aller moeder’ gebundelde artikelen toe te zenden aan alle hervormde collega’s. In hervormde kring waren de reacties aanmerkelijk koeler: ‘Wij zouden wel willen, dat prof. Schilder wat minder schreef’, reageerde De Waarheidsvriend!

Niet iedereen kon vatten dat zowel dit eenheidsstreven als de strijd binnen eigen kring uit dezelfde polemische pen vloeiden. J. Ridderbos zei: ‘Ik heb er dezer dagen nog een ernstig gesprek met Schilder over gehad; je kunt met hem wel praten, maar of het veel geeft, weet ik niet. De polemiek-dwang lijkt me haast iets ziekelijks’. J.H.A.J.S. Bruins Slot zei: ‘Je kon heel goed met hem praten, alleen: het gaf niets (…) Rutgers is een en andermaal naar Kampen geweest om er met hem over te praten. Maar als je dan het volgende nummer van “De Reformatie” las, bleek er helemaal niets veranderd te zijn en bleek hij even heftig als te voren te keer te gaan’.

Ook de uitgever hield zijn hart vast na de ‘Open brief’. Schilder veronderstelde in deze brief een groeiende kloof binnen gereformeerde kerkelijke kring, die reeds niet meer te overbruggen viel. Schilder publiceerde na zijn eerste ‘Open brief’ in 1936 nog tweemaal opnieuw een veel uitgebreider ‘Open brief’ aan H.H. Kuyper. Deze ‘brieven’, werden vanwege hun omvang als aparte bijlage aan De Reformatie toegevoegd. Het griefde Schilder dat De Heraut zijn Reformatie-artikelen zo nodig samenvatte of parafraseerde, maar nooit letterlijk citeerde. Uiteindelijk kwam het tot een samenspreking tussen Schilder en H.H. Kuyper. ‘Algeheele bevrediging kon worden bereikt’ op aangelegenheden ‘van persoonlijken aard’. Dit bestand was overeen gekomen met het oog op de enkele dagen later te openen generale synode, die hun samenwerking gewenst maakte.

Soms leek het alsof er voor hem naast De Reformatie niets anders meer bestond. Maar dit was schijn. Bij Barth zag Schilder dat waar vóór de Eerste Wereldoorlog de inhoud van de belijdenis in het geding was geweest, sinds Barth het belijden zelf ter discussie stond. Schilder nodigde dr. O. Noordmans uit in De Reformatie met hem een publieke gedachtenwisseling aan te gaan over actuele theologische vragen. Noordmans had zich intensief met Barth verstaan, zonder overigens een ‘volbloed barthiaan’ te zijn geworden (hij achtte zich te nuchter om barthiaan te zijn). Schilder deed waar geen gereformeerde redacteur aan toe was: hij verzocht een erkende hervormde theoloog om een open discussie, als gast in zijn blad.

Noordmans overlegde eerst met Miskotte. Die raadde hem aan Schilder krachtig tegen te spreken, ‘vooral flink achter uit de keel [te] praten’. Terwijl Barth beide streng scheidde, liet Schilder de cultuur volgens Noordmans opgaan in de religie: ‘Dr. Schilder maakt de cultuurvragen absoluut en in ruil daarvoor de geloofsvragen cultureel’. Het resultaat was volgens Noordmans niet minder dan een ‘nieuwe religie’, die zozeer gekenmerkt werd door een ‘bodemvastheid op aarde’, dat het hem aan het ‘ras, bloed en bodem’ van het nationaal-socialisme deed denken. Schilders opponent oordeelde in scherpe bewoordingen ‘nimmer het modernisme zoo duidelijk op klompen de kerk [te hebben] horen binnenstappen’ als in Schilders theologie.

Schilder reageerde op Noordmans’ bijdragen met een uitvoerige reeks van liefst 17 artikelen. Hij had Noordmans’ artikelen, na zijn vruchteloze confrontaties met Haitjema en Miskotte, ervaren als ‘een oase in de woestijn’. Noordmans had hem evenwel uit zijn tent gelokt met forse kritiek en scherpe conclusies, die Schilder niet onbeantwoord wilde laten. Hij erkende, dat hij zich de verhouding tussen geloof en cultuur consequenter had ingedacht dan Kuyper. Hij wilde haar niet in Gods verbond met Noach na de zondeval, maar in het paradijs funderen.

De nauwe en positieve betrekking tussen God en de wereld bij Schilder vormde een opvallend element in zijn reeks. Hij maakte daarbij voor het eerst nadrukkelijk gebruik van het in de gereformeerde theologie zo vertrouwde begrip verbond, dat één van de sleutelwoorden in zijn theologie zou worden. Religie en cultuur scheiden betekende volgens Schilder breken met een grondtrek van het verbond. Schilder gaf tevens een nieuwe invulling aan het verbondsbegrip. Hij legde een sterk accent bij de activiteit van de mens in het verbond. De inzet en activiteit van de gehele mens op elk levensterrein vormde de voorwaarde van verbondsverkeer. Schilder zag in Noordmans theologie ‘den ouden daemon van het dualisme weer’.

Het omvangrijke antwoord op Noordmans gaf de lezer de indruk dat hij de aanleiding voor zijn schrijven vergat: te komen tot een gedachtewisseling. Na drie maanden lang wekelijks naar aanleiding van Noordmans’ artikelen te hebben geschreven, kwam Schilder eerste in zijn slotartikelen aan de zakelijke beantwoording van Noordmans toe. Noordmans antwoordde helaas niet meer op Schilders uitvoerige tegenbetoog! De eigenlijke gedachtewisseling werd ontijdig afgebroken, was in feite nooit begonnen. Desondanks was hun confrontatie een opmerkelijke gebeurtenis. De poging tot contact was dan toch maar gedaan, en nog wel op initiatief van Schilder!

Zijn belangstelling richtte zich tevens op wat zich onder de brede massa afspeelde, bijvoorbeeld de Nationaal-Socialistische Beweging van Anton Mussert. Met de strikt politieke zijde van deze vraag hield Schilder zich nauwelijks bezig. Hij was meer geïnteresseerd in de NSB als geestesstroming, met name vanwege haar beroep op het christendom. Ook keerde Schilder zich sinds 1935 scherp af tegen de Christelijk-Democratische Unie. Deze partij had in de ogen van Schilder, door de christelijke politiek als zodanig ter discussie te stellen, haars ondanks feitelijk de weg voor veel gereformeerde jongeren mede naar het nationaal-socialisme geopend. Schilder heeft de NSB te vuur en te zwaard bestreden. Zoals steeds, verwierp Schilder die overtuigingen en mentaliteiten het felst, die hem het diepst troffen.

De anti-nazistische opstelling van De Reformatie bleef niet lang onopgemerkt, ook niet bij de autoriteiten in Duitsland. Schilder onderhield contacten met gereformeerde predikanten in Duitsland. Ds. J. van Raalte, predikant te Laar (Bentheim), werd ‘buitenlands correspondent’ voor De Reformatie. Die zei eind 1935: ‘Laat ons niet denken: Het kon nog wel meevallen!’ Terwijl de hervormde socialist W. Banning de opkomst van het nationaal-socialisme uit de Duitse teleurstelling over het vernederende verlies van de Eerste Wereldoorlog verklaarde en het dus in Nederland weinig kans gaf, vormde de nationaal-socialistische ideologie volgens Schilder een wezenlijk gevaar voor ons land. We moeten de consequenties van hun beginselen inzien, ‘die consequenties móéten volgen’. Schilder riep in De Reformatie openlijk op de kerkelijke tucht toe te passen op gereformeerde NSB-leden. Hij ging hiermee een stap verder dan de generale synode te Middelburg van 1933. Schilder hoopte dat er in 1936 een verscherping van de synode-uitspraak zou komen.

Hoe relatief klein de lezerskring van De Reformatie ook was in een kerkelijke kring van ruim 600.000 leden, na 1935 werd het weekblad het concentratiepunt van een vernieuwingsbeweging, die mede vanaf de kansel haar invloed op de kerkleden uitoefende. In 1936 verscheen een nieuw landelijk kerkelijk orgaan: Pro Ecclesia, onder redactie van ds. I. de Wolff te Enschede. Het blad populariseerde hun denkbeelden en koos krachtig hun partij. Schilders polemische artikelen werden door velen gelezen als een religieus reveil. Schilder sprak vrijmoedig: ‘Zij die (…) polemiseerend den juisten weg zoeken af te bakenen (op welken weg ik u allen graag wou meetrekken!) zullen geëerd worden in het koninkrijk der hemelen!’

17. De synode van 1936
Schilders invloed was nu zo al groot, dat de door hem in de pers gestelde thema’s de synodale discussies mede beheersten: de verhouding tot het theologische werk van Abraham Kuyper (onderlinge theologische meningsverschillen), het promotierecht van de Theologische School te Kampen, het barthianisme en het nationaal-socialisme. De synode werd een stille triomf voor Schilder. Later heeft men over deze synode en haar besluiten geoordeeld als de oorsprong van het conflict dat acht jaar later tot de afzetting van Schilder zou leiden.

H.H. Kuyper verdedigde op kerkrechtelijke gronden dat er geen verdergaande uitspraak mocht worden gedaan dan het besluit inzake de NSB van de synode van 1933. De meerderheid koos echter voor Schilders standpunt. De brochure ‘Geen duimbreed!’ verscheen reeds half oktober (begin die maand was de synode geëindigd). Een recensent vroeg zich af of Schilder soms ’s nachts doorwerkte, dat hij in enkele dagen werk had verricht, waar een ander weken voor nodig zou hebben.

Een geheel andere zaak vormden de polemieken die de laatste jaren in de kerkelijke bladen waren gevoerd. Deze hadden aan velen zoveel ergernis gegeven, dat ze op de synode in bespreking werden genomen. En daarmee kwamen tevens de meningsverschillen zelf aan de orde. Schilder vond dat het beoogde gesprek onder theologen en aan de academie behoorde gevoerd te worden en niet op kerkelijke vergaderingen. A.D.R. Polman, die van mening was dat ‘het gereformeerde volk wacht op een stormstillende daad der synode’, sprak over leergeschillen, maar Schilder wenste beslist van meningsverschillen te spreken. Wat hem betreft moesten de geschillen in vrije argumentatie tot opheldering worden gebracht.

De anders altijd kies formulerende H.H. Kuyper sprak thans onomwonden zijn lang verborgen gehouden ergernissen uit: ‘Er is een nieuw geslacht opgekomen. (…) Dat zal een vloek blijken voor onze kerken, die niet mogen zeggen: ik ben van Paulus of van Cefas, maar: ik ben van Christus. Hier is het gevaar van persoonsverheerlijking. (…) En zulks geschiedt door baardelooze knapen! Het is de geest der revolutie, die alles wil omkeeren. (…) Op al die gronden adviseert spreker, dat de synode een stap zal doen, niet om op te komen tegen een geest van verdere wetenschappelijke ontwikkeling, maar tegen een geest van afbraak’. De synode hoorde het bewogen betoog van de grijze geleerde onder diepe stilte aan. Maar Kuypers betoog had een averechts effect.

K. Dijk, die op diezelfde synode tot hoogleraar in de ambtelijke vakken te Kampen benoemd werd en als jong predikant de eer genoten had aan het graf van Abraham Kuyper te spreken namens de GKN en binnen gereformeerde kring reeds vele vooraanstaande posities bekleed had, nam tegenover zijn leermeester en promotor H.H. Kuyper geen blad voor de mond en protesteerde vrijmoedig tegen diens verdachtmakingen aan het adres van een jongere generatie. Geen enkele mindere vergadering had deze zaak aan de synode voorgelegd, aldus Dijk, zodat de onrust in de kerken niet moest worden overschat.

In het najaar van 1936 werden de verschillende beslissingen en discussies op de synode in de kerkelijke pers druk besproken. H.H. Kuyper schreef: ‘Streng was de synode waar ze optrad tegen politieke organisaties, wier beginselen ze veroordeelde, maar wat deze leergeschillen in den boezem onzer kerken betreft, die veel ernstiger het leven onzer kerken bedreigen, nam ze wel een groote behoedzaamheid in acht’. Op geruchten inzake zijn sympathieën voor de NSB reageerde hij geruststellend. Ook wees hij nog op een niet onbelangrijke nuance in het besluit van de synode van de CGK in 1937, die niet reeds het enkele feit van het lidmaatschap van NSB en CDU als reden voor tuchtoefeningen aanmerkte.

Inzake de ‘leergeschillen’ verhardden de fronten tussen de kerkelijke partijen zich spoedig na de synode. ‘Is de geest, die thans de wereld beheerscht, van een opkomend geslacht, dat als ‘opstandige jeugd’ stuk wil slaan, wat door der eeuwen arbeid is opgebouwd, om met allerlei nieuwe denkbeelden en stelsels de wereld te verbeteren, niet ook op onze kerkelijk erve binnengedrongen?’ Kuyper vroeg zich af of de synode niet zo spoedig mogelijk weer diende samen te komen. Hij veroordeelde de in Pro Ecclesia voorgestane verbondsopvatting en beschouwingen van A. Janse (die hij als één van de nieuwlichters beschouwde) scherp. Al had De Heraut in deze jaren nog geen duizend abonnees, het weekblad genoot in pastorieën en kerkenraadskamers groot gezag.

Schilder had de indruk ‘dat hier van boven af aan het gereformeerde leven leergeschillen opgedrongen werden, die niet leefden in de boezem der kerken zelf’. Het waren vraagstukken, die niet uit de kerken opkwamen, maar door sommige hoogleraren direct of indirect aan de orde werden gesteld. Schilder was tevreden over de afloop van de eerste synode, die hij als preadviseur had gediend. Het bezit van De Reformatie was hem daarbij van groot nut geweest en ook voor de komende jaren zag hij voor het blad in het te voeren debat over de meningsverschillen een belangrijke rol weggelegd.

18. De brochures van Hepp
Het weekblad De Reformatie is nooit zo levendig geweest als in de jaren tussen de redactiewisseling van 1935 en het Duitse verschijningsverbod in augustus 1940. Hoe Schilder, naast zijn werk als hoogleraar en zijn veelvuldig optreden als prediker en spreker in het land, week in week uit in staat was meer dan twee Reformatie-pagina’s kopij te leveren over de meest uiteenlopende onderwerpen, was sommigen een raadsel. Schilder sloeg desnoods een nachtrust over of schreef de kopij in een schokkende treincoupé – met als gevolg dat zijn gewoonlijk reeds moeilijk te lezen handschrift vrijwel onleesbaar werd en de zetter soms tot wanhoop bracht.

Schilders kinderen herinnerden zich nog levendig de wekelijkse race tegen de klok, om toch vooral de laatste posttrein uit Kampen te halen. Soms bood de muziek hem daarna ontspanning: de koster van de Kamper Bovenkerk zal hem destijds heel wat keren de kerksleutel hebben geleend, wanneer in de late avond Schilder zich nog meldde met het verzoek het orgel te mogen bespelen.

In deze jaren vocht Schilder in de kerkelijke loopgravenoorlog voor elke meter grond, maar hij won feitelijk geen terrein. Kort na de synode van 1936 achtte Schilder het besluit inzake de meningsverschillen nog ongevaarlijk. Maar toen tegen zijn verwachting in de ‘leergeschillen’ in de pers aan de orde bleven, temperde zijn aanvankelijk optimisme, met name toen de nu eenmaal verontruste H.H. Kuyper in De Heraut bleef waarschuwen tegen nieuwlichterij. Schilder vroeg zakelijke argumenten en concrete voorbeelden, maar Kuyper liet zich op die manier door een jongere collega niet dwingen en zweeg doorgaans.

Ten aanzien van Hepp stonden de zaken anders. Deze zweeg in 1936 niet langer, maar sprak zich in een brochure-reeks Dreigende deformatie geheel en al uit. De brochures gingen over het voortbestaan van de ziel, de vereniging van de beide naturen van Christus, de algemene genade, het kerkbegrip en het objectivisme. De laatste twee zijn nooit verschenen.

Wat op de synode een smeulend vuur was gebleken, barstte thans in de kerkelijke pers in alle hevigheid los als een uitslaande brand. Het was te voorzien dat de strijdbare Schilder de brochures niet onbeantwoord zou laten. Hun achtereenvolgende publicaties ten aanzien van de besloten en publieke bespreking van de meningsverschillen waren de lont in het kerkelijk kruitvat.

Schilders voornaamste bezwaar was dat Hepp bepaalde meningen openlijk als confessioneel onbetrouwbaar kwalificeerde en aan de kaak stelde. Het gebruik van dergelijk zwaar geschut bracht volgens Schilder binnen de GKN de discussievrijheid in geding. Ook Schilder had bedenkingen tegen sommige termen van Dooyeweerd en Vollenhoven, maar hij verdedigde het zoeken naar nieuwe begrippen: ‘We zijn al jaren lang met onze termen afgegroeid van de belijdenis. Dat kón niet anders, nu de belijdenis al zooveel eeuwen oud is’.

In 1937 verscheen een nieuw kerkelijk-gereformeerd weekblad, onder redactie van Hepp. Hem stond een weekblad voor ogen, waarin hij zijn voorraad kopij over dogmatische onderwerpen in de loop der jaren zou kunnen publiceren, om deze artikelen tenslotte te bundelen en als boek uit te geven. De uitgever stelde daarbij echter uitdrukkelijk vast, dat het weekblad zuiver dogmatisch zou zijn en niet zou polemiseren. Hepps nieuwe orgaan ging heten Credo (progressief-gereformeerd weekblad). ‘Aan het geloof, de belijdenis, de theologische beginselen onzer vaderen zijn we niet ontgroeid. Ze zijn nog up to date. Maar wij mogen ook niet meenen, dat wij er genoeg aan hebben. Een bevel van den hemel klinkt: vooruit!’

Dit program kwam sterk overeen met Hepps redactionele plan bij de verschijning van De Reformatie in 1920! Hepps positie in het kerkelijk leven was echter sindsdien sterk veranderd. Zijn kerkelijk blazoen was besmet door de kwestie-Geelkerken. Credo raakte uiteraard direct betrokken in de richtingenstrijd binnen de GKN. Hepp vermeed in zijn blad polemiek met zijn collega-dogmaticus Schilder, maar leverde wel op indirecte wijze kritiek op kerkelijke scribenten. Hij volgde dus een niet-persoonlijke methode.

Maar inmiddels waarschuwde Hepp wel degelijk indirect tegen Schilders opvattingen, onder meer door het als popularisator van De Reformatie optredende Pro Ecclesia te bestrijden, met name de bijdragen van De Wolff en Janse, en door de volgens hem ‘nihilistische’ opvattingen van Veenhof af te wijzen: ‘Het wordt bijna een manie om dogmatische onderscheidingen naar den rommelzolder te laten verhuizen. (…) Wat stelt men hiervoor in de plaats? Niets. Men schept in de dogmatiek een vacuüm, een luchtledig’.

Hepp maakte bezwaar tegen de tweezijdigheid van het verbond bij Schilder. Het was een overschatting van de positie van de mens en van de geschiedenis. Dit accent was volgens Hepp mede een reactie op Barth. Bij Schilder viel het licht niet zozeer op de zondigheid van de mens, maar op zijn verantwoordelijkheid, als mede-arbeider van God. Hepp kwam hierover tot dezelfde conclusie als Noordmans: het was modernisme in een orthodox gewaad. Schilder reageerde onmiddellijk. Zijn bespreking werd per advertentie in De Standaard met tromgeroffel aangekondigd.

Schilder noch Hepp zochten in deze jaren toenadering tot elkaar, daarvoor was er kennelijk teveel tussen hen voorgevallen. Schilder kwalificeerde Hepps brochure als een ‘halfslachtig en onzeker betoog’, gaf voorbeelden van onjuist citeren en eindigde met een vernietigend commentaar: ‘Prof. Hepps levendige fantasie is zijn grootste belemmering’. Schilders toon schokte vele gereformeerden en ditmaal was zij nog harder. Er werd openlijk geprotesteerd tegen deze polemiek van Schilder, die huns inziens de perken te buiten ging. ‘Hopelijk zal de schrijver, toen hij ’t gedrukt voor zich zag staan, ’t zelf ook wel begrepen hebben: daar drukte ik mij toch verkeerd uit; mijn critiek handhaaf ik, maar hier overschreed ik de grens’.

Ook trachtten sommige vrienden Schilder tot matiging in zijn kritiek te bewegen en raadden hem aan vooral thetisch te schrijven. Schilder bestreed niet alleen de opvattingen van Hepp, maar droeg in die bestrijding en passent veel materiaal over het verbond aan uit de geschiedenis van de gereformeerde theologie en formuleerde nieuwe inzichten. Er was een enthousiaste, actieve school rondom Schilder ontstaan in de kerken. Maar zo Schilder met zijn militante toon al een deel van de kerken mocht hebben wakker geschud, dan was daar altijd nog De Heraut als teken, dat een ander deel van de kerken ondanks de strijdbare Reformatie rustig de traditie trouw bleef.

Schilder liet het niet bij een tegenaanval in de pers. Hepps publicaties waren in zijn ogen te gevaarlijk. Hij besloot Hepp langs verschillende andere wegen onder druk te zetten. Uitgeverij Kok was niet gelukkig met de reacties op de brochures in gereformeerde kring en nam geheel in Schilders zin een voor Hepp ingrijpende beslissing: geen verdere brochures meer. Credo liet hij ongemoeid. Ook de bestuurders van de VU waren niet blij met Hepps brochure-reeks. Schilder zag ook hierin een symptoom van de verziekte verhoudingen binnen de gereformeerde kring.

19. Het laatste ‘vredejaar’
Schilder werd uitgenodigd in 1939 een lezingentournee door de Verenigde Staten te maken. Voor de gereformeerde gemeenschap in Amerika was een bezoek van een Nederlands theologisch hoogleraar steeds weer een gebeurtenis, maar ditmaal was dit in het bijzonder het geval, al dachten sommigen in Nederland dat hij beter van zijn reis kon afzien om niet de geschillen te importeren. Schilder leverde reisindrukken, die volgens Johannes de Heer ‘waarlijk aantrekkelijk’ waren. Vanwege het gerucht van een spoedig uitbreken van de oorlog in West-Europa brak Schilder zijn rondreis voortijdig af. Op 24 april 1939 kwam hij – na vier maanden – behouden thuis.

Hem trof de sympathie, waarmee hij overal in Amerika ontvangen werd. Hier geen wantrouwen, geen kille distantie, geen vermijding van het debat, maar een sterk geïnteresseerd publiek. Hij maakte van deze gelegenheid gebruik te spreken over de belangrijkste theologische onderwerpen, die hij de afgelopen tien jaar behandeld had. Met name de lezing over de algemene genade trok de aandacht in Nederland en in de Verenigde Staten.

Op zijn initiatief kwam er een eerste gezamenlijke vergadering tussen predikanten uit de Christian Reformed Church en de Protestant Reformed Church (H. Hoeksema). In tegenstelling tot wat vooraf door sommigen was gevreesd trad Schilder binnen de Amerikaanse verhoudingen op als vredestichter. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk, dat Schilder zich Amerika graag herinnerde als het land van de vrijheid, met name ook die van het vrije woord, en het respect voor de persoon, waarbij hem ook opviel de geringe rol van het standsverschil, dat hij in zijn jeugd zozeer had ondervonden.

Nog voor zijn vertrek uit Nederland had Schilder een artikel geschreven tegen Barths nieuwste boek. Dat deed hij omdat deze tijdens zijn afwezigheid een bezoek zou brengen aan Nederland, en dit keer ook in Kampen zou spreken voor Schilders studenten. Het had veel weg van een laatste waarschuwing, welke buitengewoon scherp was geformuleerd. Barth was verontwaardigd. Over deze affaire is nog geen afgewogen oordeel uitgesproken, maar vast staat dat het laatste woord erover nog niet gesproken is.

Op 25 maart 1940 hield Schilder een rede over ‘Geloof en mystiek’, waarin hij de mystiek bestreed als een gevaar voor het ambt, het kerkbegrip en de theologie. Hepp antwoordde dat het woord ‘mystiek’ tot het gereformeerde spraakgebruik behoorde en dat Schilder daarom beter van ‘escapades’ zou kunnen afzien, die slechts ‘het vuur der verdeeldheid’ zouden doen oplaaien’. Deze laatste opmerking was voor Schilder de druppel die de emmer deed overlopen. Hij schreef uitgever Kok, dat hij ‘dit onzedelijk blad [Credo] niet meer in huis wilde hebben’. De schepen tussen Schilder en Hepp waren verbrand. Kok staakte in september 1940 de uitgave van het blad. ‘Credo heeft mij veel ergernis en een handvol geld gekost’. Schilder was er verheugd over.

De ergernis van Schilder over de passieve opstelling van de synode van Sneek ten aanzien van Hepp leidde in De Reformatie tot wat sceptische en waarschuwende opmerkingen over haar gezag: ‘Respect voor meerdere vergaderingen? Maar dat is slechts mogelijk bij respect van meerdere vergaderingen’. Ook de sympathie voor de VU nam af. ‘Ik meen, dat in kerkrechtelijk opzicht (…) en in dogmatisch opzicht de V.U. thans een verkeerden kant opgaat’.

Sinds het najaar van 1938 gaf Schilder de abonnees ook systematische theologische bijdragen. Hij meldde dat hij het reeds enige jaren gekoesterde plan een toelichting op de Heidelbergse Catechismus te geven ten uitvoer kon brengen. Ze verscheen in de vorm van een bijdrage bij De Reformatie. De lezers ontvingen wekelijks één vel als bijlage, bestaande uit acht pagina’s. Met ingang van mei 1940 verscheen er een nieuwe rubriek, ‘Aan een jongeren tijdgenoot’, onder het pseudoniem Adolphus Venator. Schilder probeerde zo aan de verlangens van uitgeverszijde te voldoen, door voor de jongere lezers populaire artikelen te schrijven.

Er kwam ook een Reformatie-Boeken-serie, dat viermaal per jaar een boek deed uitgaan. De auteurs van deze boeken waren afkomstig uit de kring van De Reformatie. Hoewel het politieke en kerkelijke klimaat begin 1940 donker gekleurd was, leek De Reformatie, zowel door de inspanningen van de uitgever als die van de redacteur, een goede toekomst tegemoet te gaan.

20. Het keerpunt
De eerste bezettingsmaanden van 1940 brachten een ongekend hoogtepunt in de geschiedenis van De Reformatie, uitsluitend vanwege Schilders bewogen en moedige artikelen. Sommigen van zijn tegenstanders kwalificeerden zijn artikelen van na mei 1940 in stilte als toch eigenlijk onbezonnen, nodeloos provocerend en uitdagend. Geen tijdgenoot kon ontkennen dat ze, ook in breder nationaal verband gezien, uniek waren. Hij betoonde een moed, die in de eerste bezettingsmaanden een hoge uitzondering was en hij gaf daarbij blijk van een religieuze gedrevenheid. De artikelen vertolkten wat duizenden in hun hart vermoedden of wisten, maar niet tot uitdrukking konden brengen, omdat zij na zo zware nationale schokken te hebben doorstaan, de weg naar de toekomst niet meer wisten aan te geven. In die onzekere tijd heeft Schilder voor velen een beslissend woord gesproken.

De militaire nederlaag en het uitwijken van koningin Wilhelmina en het kabinet naar Engeland hadden geleid tot grote moedeloosheid. Ook voor Schilder was de Duitse inval een ontzettende ervaring geweest. Zijn aanvankelijke reactie was ernstige voorzorg: in de tuin achter zijn huis verbrandde hij in de eerste oorlogsdagen delen van zijn archief en in Duitsland gemaakte foto’s. ‘Ieder blijve in zijn ambt, en blijve dáárin trouw. Doch dà n ook daarin trouw. De voorzichtigheid onderscheide zich van slavernij’.

Schilder besefte meer en meer dat voorzichtigheid voor het christelijk volksdeel onvoldoende zou zijn om haar zelfstandige positie binnen de natie te handhaven. In een artikel met de vermaard geworden titel ‘Den schuilkelder uit; de uniform aan’ zegt hij: ‘Gevaarlijk? Och ja, – maar als ’t nu eens van God geboden is? En als ’t soms zóó is, dat ’t een kwestie van recht is?’ Zo te schrijven was in die dagen ongekend. Wie was media juni 1940 niet geobsedeerd door de snel groeiende militaire overmacht van Duitsland over Europa?

Het kerkelijk karakter van De Reformatie werd in deze weken sterk op de achtergrond gedrongen, tot het op den duur vrijwel geheel ontbrak. De rubrieken werden gevuld met thema’s van nationaal belang, waarmee iedereen bezig was. Schilders eerste woord in oorlogstijd over de synodale afhandeling van de meningsverschillen klonk kras: ‘Begraaf zoo spoedig mogelijk heel de materie’. Hij zag in de oorlogssituatie geen noodzaak, maar wel een geschikte aanleiding om zich van deze zaak, die hem zo tegen was gaan staan, te ontdoen. De synode was echter een andere mening toegedaan. Ze ging ermee door.

Hoe stelden de overige gereformeerde pers zich na 10 mei op? H.H. Kuyper vond dat we ‘een wacht zelfs voor onze lippen [moeten] zetten om geen nameloos leed over ons volk te brengen’. Hij was diep onder de indruk van de Duitse militaire zegetocht. Hij adviseerde de predikanten zekerheidshalve op de kansel zowel te bidden voor de koningin als voor het Duitse bewind. ‘We hebben ons te wachten voor alles wat onnoodig tot moeilijkheden aanleiding zou kunnen geven’. Tussen de regels door kon men in De Heraut lezen dat Schilders appel een onvoorzichtige oproep tot verzet was. In dezelfde trant schreef Hepp.

Het niet tot uiting brengen van een eigen principiële houding onderging Schilder als een ramp, veel ernstiger dan de militaire capitulatie. Zwijgzaamheid, voorzichtigheid, afwachten: het waren de wachtwoorden in deze in moreel opzicht misschien wel moeilijkste periode van de oorlog. Voor Schilder waren deze begrippen even zovele aanduidingen, dat het christelijke volksdeel niet voldoende op zijn qui vive was. Er was haast geboden, want de beheersing van de publieke opinie vormde een belangrijk, zij het nog onbekend beleidspunt van het Duitse bestuur van ons land.

‘Laat onze christelijke bladen om Gods wille spréken. Laat ons vergaderingen beleggen, de nationaal-socialisten doen het ook’. Schilder leek een hopeloze strijd te voeren tegen de machtige bezetter en tegen de zijns inziens te grote passiviteit binnen eigen kring. Het Duitse regime bleek al spoedig ingrijpender gevolgen te hebben voor het geregelde leven van alledag dan men aanvankelijk had gedacht. De persvrijheid werd, deels achter de schermen, deels in het openbaar, verder aan banden gelegd. Sommigen vielen nu de schellen van de ogen, maar het merendeel van de Nederlandse journalisten werd door deze feiten juist gestimuleerd te volharden in een voorzichtige houding.

In de kranten verscheen in juli het bericht dat De Reformatie verboden was, maar dit was een vals gerucht. De herkomst ervan is nooit achterhaald. Wie verwachten zou, dat Schilder na dit bericht wel tot inkeer kwam, kende hem niet. De inhoud van het eerste nummer na het gerucht overtrof elke verwachting. Hij werd niet behoedzaam, maar ging onvervaard tot een aanval over, heviger dan alle voorgaande. Schilder besprak in het blad bijvoorbeeld de handlangers-praktijken van dr. H.W. van der Vaart Smit jegens de bezetter. Deze was sinds 1936 geheim lid van de NSB. Hij onttrok zich half oktober eigener beweging aan zijn gemeente.

In de zomer van 1940 groeide het aantal abonnees tot 4000. Ook verhoogde de uitgever de losse oplage met enkele duizenden. Wel trachtte de uitgever Schilder te bewegen minder provocerend te schrijven, maar dit leek tevergeefs. Iemand vroeg hem: ‘Professor, u begrijpt toch wel, dat uw schrijven in De Reformatie consequenties zal hebben? De N.S.B. en de Duitschers zullen dit nooit lang dulden’. Schilder antwoordde: ‘Natuurlijk, maar zoolang ze ons de vrijheid laten, moeten we die gebruiken. Ons volk en vooral onze jonge menschen moeten leiding hebben. Het zou misdadig zijn als we nu zwegen’. Het heeft er veel van weg, dat, als zo vaak, de waarschuwingen om zich gematigder uit te drukken een averechts effect op Schilder hadden.

‘Huil om de nederlandsche pers’, schreef Schilder. Uitdagend en grenzend aan overmoed, maar tevens voor veel lezers bevrijdend was zijn artikel onder de kop ‘Revolutie met stille trom’, naar aanleiding van het verbod te schrijven over de leden van het koninklijk huis. ‘Ik zal morgen in de kerk, waar gij niet komt, openlijk voor haar bidden. (…) Het evangelie, daar blijft u af’. Hoelang zouden de Duitsers dit alles dulden? Met spanning werd elke zaterdag uitgezien of De Reformatie nog zou verschijnen.

Het ging de Reformatie-lezers medio juli niet meer om kerkelijk nieuws. Naar het blad was zelfs zoveel vraag, dat gesuggereerd werd het blad in stationskiosken te verkopen. Ondanks zijn groot politiek gezag sprak niet Colijn (die uitsprak dat de Duitse overmacht over Europa voorlopig als een politiek feit aanvaard moest worden), maar Schilder in deze eerste oorlogszomer binnen antirevolutionaire kring het geestelijk juiste woord.

De druppel die de emmer deed overlopen was een Reformatie-artikel van 16 augustus:

‘(…) God weet, of zij de ‘macht’ hier zullen krijgen, met haar middelen. Wij weten, dat wij de ‘bevoegdheid’ zullen houden. Macht en bevoegdheid blijven gelukkig twee. Tenslotte zal de antichrist géne, en de kerk déze behouden. En daarna komt de dag van den grooten oogst. Kom, Heere Oogster, ja, kom haastelijk, kom over het Kanaal en over den Brennerpas, kom via Malta en Japan, ja kom van de einden der aarde, en breng uw snoeimes mee, en wees genadig aan uw volk; het is wel bevoegd, maar slechts door u, door u alleen, om ’t eeuwig welbehagen’.

Op donderdagmiddag 22 augustus werd Schilder uit zijn woonhuis aan de Vloeddijk 101 gehaald om mee te gaan voor een verhoor. Hij werd achter slot en grendel gezet in het Huis van Bewaring te Arnhem. Schilder lichtte hier de passage toe, maar handhaafde haar van a tot z. Hij ontkende nadrukkelijk haar ‘Deutschfeindlichkeit’ en zei te betreuren dat sommigen de passage zo hadden opgevat. Noch dit korte verhoor, noch twee grondige huiszoekingen leidden tot enige formele aanklacht. Opmerkelijk was dat de Duitse bezetter geen tijdelijk verschijningsverbod beval, maar een definitief.

21. Na het verbod
K. Dijk was de eerste, die (in De Bazuin) zwart op wit het reeds bekende bericht meldde van Schilders gevangenschap. Hij riep op tot voorbede voor hem, ‘die met een vrije en goede consciëntie voor zijn hemelschen Koning gestreden heeft’. Mede door deze publicatie werd De Bazuin op 12 oktober ook voorgoed verboden; Dijk zelf lieten de Duitsers echter voorlopig ongemoeid. Ds. H. Veldkamp noemde Schilder een martelaar voor het geloof, maar H.H. Kuyper maakte hiertegen in een brief duidelijk bezwaar. En Hepp schreef: ‘Sommigen zien in iemand, die in hartstochtelijke taal zijn reacties uit, den sterken man. Niets is minder waar. De werkelijke sterke man laat de reacties in zichzelf afreageren. Hij bidt dat de Heere een wacht zet voor zijn lippen en deuren voor zijn mond’.

Inmiddels verliepen de maanden en zat Schilder nog steeds gevangen. Het was daarom voor alle betrokkenen een volslagen verrassing, toen Schilder op de avond van 6 december 1940 in vrijheid werd gesteld. Zijn vrijlating was aan geen enkele voorwaarde gebonden, maar wel werden hem bij zijn invrijheidsstelling twee mededelingen gedaan: hij diende zich van elke werkzaamheid als schrijver en op politiek gebied te onthouden. Overtreding van deze bepalingen zou worden beantwoord met wegvoering naar een concentratiekamp. Zijn taak als hoogleraar leek er niet door belemmerd te worden. Tot hij op 13 juli 1942 moest onderduiken preekte hij wekelijks vrijmoedig. Maar hij kon zelf geen letter publiceren. Hier greep de bezettende macht het diepst in op zijn bestaan. Want Schilder leefde op papier. Nu was hij monddood gemaakt.

22. Slot
In zijn betekenis voor de GKN kan De Reformatie alleen vergeleken worden met de rol die De Heraut van Abraham Kuyper vervulde binnen de Ned.Herv.Kerk in de jaren zeventig en tachtig van de 19e eeuw. In beide gevallen was de invloed van het weekblad toe te schrijven aan het gezag van één redacteur. Ze hebben synodes getart, zodanig dat hun persarbeid een voorname aanleiding is geweest voor hun kerkelijke schorsing en afzetting. Schilder beoogde een reveil van het gereformeerde kerkelijke leven. Wat Hepp noch enig andere redacteur in De Reformatie was gelukt, presteerde Schilder: hij realiseerde de oorspronkelijk bedoeling van het blad, de gereformeerde overtuiging voor de nieuwe tijd een velen aansprekende gestalte te geven. Het deed velen met Schilder beseffen dat het een diep geluk is gereformeerd te zijn.

Schilder viel op door de geheel eigen schrijfstijl, zijn ongewoon militant optreden en door de apologetische kracht waarmee hij zijn overtuiging verdedigde. Schilder beleefde de schoonheid op den duur al meer in de fonkelende helderheid van het dogmatisch begrip, meer dan in de literaire ontroering. Schilder noemde in 1920 de verschijning van De Reformatie een initiatief dat van durf getuigde (hij was toen nog niet bij het blad betrokken). ‘Het zoekt allen, die den tijd kennen of willen kennen; die verstaan hebben, dat het oude geloof door duizenden afgezworen wordt, mede, omdat de kerk verzuimde, haar dagboek bij te houden’.

Schilder legde het zijn lezers zo uit, dat het barthianisme ‘met wat buitenlandsche klodderinkt een dikke streep’ haalde door Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus: het was volgens Barth hoogmoed zich eigendom te weten van Christus. Schilder was verknocht aan de eenvoudige gereformeerde kerkganger, die trouw en zonder ophef vasthield aan zijn overtuiging. Met de jaren groeide Schilders argwaan tegen wat hij meer en meer zag als een academische, theologische elite binnen de kerk. De rooms-katholieke literator Anton van Duinkerken omschreef mannen als Schilder als ‘de doorbraak van het geïnspireerde individu’. Ze wekten op tot trouw aan het evangelie, maar lieten tevens niet na de kerk aanhoudend kritisch te benaderen en te confronteren aan dat evangelie.

Gepubliceerd in januari 2009