De stille luyden

n.a.v. F.A. van Lieburg, C. Graafland, W. van ’t Spijker, A.Th. van Deursen en J.P. Zwemer, De stille luyden. Bevindelijk gereformeerden in de 19e eeuw, Kampen 1994

Bevinding
‘Bevinding’ is een Nederlands woord, waarvoor geen buitenlandse vertaling bestaat. Toch wil het iets aanduiden dat het over het rond der aarde geldig is. In het christendom heeft de ‘Godservaring’ haar unieke betekenis. Het is de ‘bevinding’ van de kerk van alle eeuwen en van alle plaatsen. Honderd jaar na de Statenbijbel (waar in slechts één tekst het woord ‘bevinding’ voorkomt, in de betekenis van ervaring door beproeving, Rom. 5:4) verscheen het boek Waarheit in het binnenste, of bevindelijke godtgeleerdhet. De ‘waarheid in mij’ was meer een zaak van het hart dan van het leven geworden, en tevens tot voorwerp van theologische bespiegeling gemaakt.

Gelaat, gewaad, gepraat
De verinnerlijking ging gepaard met een socialisering van het begrip ‘bevinding’. Het werd indirect kenbaar via iemands ‘gelaat, gewaad en gepraat’. In woorden en daden verried de medemens of hij kennis had van God en goddelijke zaken, of niet. Het bevindelijk getuigenis werd een invalshoek om zichzelf daaraan te spiegelen, en de houding tegenover anderen te bepalen. Zo ontstond er een subculturele identiteit. De spanning rond het begrip ‘bevinding’ zal blijven bestaan, zolang het de vraag naar de ware bevinding op zal roepen. Er is bezwaar tegen de combinatie ‘bevindelijk gereformeerden’. Blijkbaar zijn er veel niet-bevindelijke gereformeerden!

Tien keer gereformeerd
De eenheid is sinds 1834 zoekt. Karl Barth heeft eens gezegd: ‘Daar onder aan de Rijn, dat is een uithoek waar het walmt’. Het nageslacht van Calvijn heeft hier nogal met vuur gespeeld. ‘Tien keer gereformeerd’ is het beeld van kerkelijk Nederland geworden. Tegen die achtergrond moet de opkomst van het begrip ‘bevindelijk gereformeerden’ worden gezien en gewaardeerd. Het schept een verheldering die beantwoordt aan het beeld dat zijzelf én anderen van het groepseigene hebben.

Bekering en levensstijl
Wel is duidelijk dat bij deze begripsinhoud ‘bevinding’ haar universele betekenis verloren heeft. Dit geldt temeer, omdat de meeste ‘bevindelijk gereformeerden’ van zichzelf erkennen, geen deel te hebben aan het wezen van de zaak. Deze mensen zijn ‘bevindelijk’ door het accepteren van de in de groepering geldende visie op de bekering en een bijbehorende levensstijl. Ze zijn wellicht de uitvoerigst beschreven tak van het hedendaagse Nederlandse calvinisme (naast bevindelijken onderscheiden godsdienstsociologen orthodoxe en moderne gereformeerden).

Piëtisme
Het streven naar vroomheid noemen we ook wel piëtisme. Het was een reactiebeweging tegen het verval in de kerk. Het volgde vaak op een periode van ‘orthodoxie’. In de tijd van de Nadere Reformatie geloofde iedereen in hemel en hel, gingen velen naar de kerk en ten avondmaal, las men de Bijbel, vouwde men de handen, zong men de psalmen van Datheen thuis en op het werk. Maar het piëtisme vroeg meer. Het stelde nauwkeurig vast wat men ’s zondags en doordeweeks niet doen en niet laten mocht. Het gebood ijver in alle godsdienstplichten, pleitte voor extra’s als preekrepetitie en huiscatechisatie, en verbood allerlei zonden van taalmisbruik, onkuisheid, ijdelheid en wereldsgezindheid. Zo ontstond de kritische functie van de ‘bevinding’.

Binnenkerkelijke emigratie
Aan deze oproep gaf slechts een klein deel van de kerk gehoor. De gereformeerde piëtisten vormden kleine kernen in de gemeenten, waarvan zij het gros als naamchristenen beschouwden. Er ontstond ‘binnenkerkelijke emigratie’: geen afscheiding, wel kritisch meeleven of vrome randkerkelijkheid. Verder onderscheidden zij zich in hun gedrag van de massa door sobere kleding, sombere blik en sonore spraak. In dat opzicht vormden zij een ware subcultuur.

Boekcultuur
Een speciale plaats in deze vroomheidswereld werd ingenomen door het boek. Natuurlijk in de eerste plaats Bijbel en psalmenbundel. Het gebruik daarvan in de eredienst kreeg thuis een dagelijks vervolg. Het gezongen Woord kreeg een extra, nieuwtestamentische dimensie door de piëtistische liederenbundels, zoals van de gebroeders Groenewegen. Er kwam een grote hoeveelheid theologisch-stichtelijke traktaten van de drukpers. Catechismusverklaringen, preken voor biddagen, boekjes voor de avondmaalsvoorbereiding, kortom er was keus te over. Ongeveer veertig procent van alle uitgaven op dit gebied betrof vertalingen van werkjes uit het Engelse en Schotse puritanisme.

De tale Kanaäns
Er waren wel meningsverschillen. De verwarring groeide in de 18e eeuw, met haar opwekking, tolerantie en rationalisme. Maar een zekere eenheid was er in het verstaan en spreken van de ‘tale Kanaäns’, de woordenschat van de Statenvertaling, maar in het bijzonder ook de daardoor gestempelde piëtistische groepstaal. Als zodanig lag zij al in de late 18e eeuw zo vast, dat er spottend naar een Stichtelijk woordenboek der fijnen werd uitgezien (zonder te weten dat het 200 jaar later werkelijk van zo’n beschrijving komen zou).

Tot 1834 in de winterslaap
De zogeheten ‘evangelisch-bevindelijke stroming’ op de overgang van de 18e naar de 19e eeuw sloeg in de bevindelijke cultuur niet aan. ‘Van der Groe (overleden in 1784) deed het hekje toe’. Onder de wolken van de Bataafs-Franse tijd beleefden de bevindelijk gereformeerden een donkere periode, waarin grote voormannen ontbraken en zij zelf zich verscholen leken in conventikels, om pas in 1834 uit hun winterslaap te ontwaken. Toen kwam de erfenis van de 17e en 18e eeuw niet alleen weer van de drukpers, maar ook in het midden van de kerkelijke branding.

Afscheiding
De kerkelijke elite schiep zelf de mikpunten voor het innerlijk verzet van bekommerde hervormden. In 1773 kwam er een nieuwe psalmberijming en in 1807 een gezangenbundel, gevolgd door het ‘reglement van bestuur’ van 1816. Voordat de onvrede tot uitbarsting kwam, waren er op vele plaatsen gezelschappen die zich stilzwijgend hadden teruggetrokken en een vrij zelfstandig bestaan naast het kerkelijke leven leidden. Het sein voor een landelijke afscheidingsbeweging kwam in 1834 uit het hoge noorden (Ulrum). Maar niet alle bevindelijk gereformeerden keerden de Ned.Herv.Kerk de rug toe. Verreweg de meeste geestverwante predikanten bleven hun kansel trouw. Alleen een handjevol jonge dominees scheidde zich af.

Ook sociale motieven
Begripvol waren de mensen van het Reveil. Maar die waren te aristocratisch en te cultureel ingesteld om zich bij de afgescheidenen thuis te kunnen voelen. Dit onderstreept ook hoezeer de sociale factor in de bevindelijke gelederen doorwerkte. De beweging van de Afscheiding kan niet louter uit religieuze motieven worden verklaard. Wat bijvoorbeeld duidelijk meespeelde, was de sociale kloof tussen het besturend deel van de Ned.Herv.Kerk – ‘verlichte’ predikanten, regenten, herenboeren – en het gewone, van stemrechten gespeende gemeente- en kerkenraadslid. Opvallend was hoe veel afgescheidenen emigreerden naar Amerika; godsdienstige teleurstelling werd hier gecombineerd met sociaal-economische uitzichtloosheid.

Kruisgemeenten en ledeboeriaanse gemeenten
Belijdenis, liturgie en kerkorde werden waardevoller, naarmate hun gezag omstreden werd. In de afgescheiden hoofdbedding verminderde de ouderwetse bevindelijke inslag al snel. Al Gods volk gaat mee, en Jan Rap en zijn maat blijft achter, zo zei Kuyper over de Doleantie. Door het grote tekort aan predikanten bij kruisgemeenten en ledeboeriaanse gemeenten kon van een goed georganiseerd kerkverband geen sprake zijn. De wisselvallige geschiedenis van deze kerkverbanden bereikte juist na de eeuwwisseling een rustpunt. Het was onvermijdelijk dat de persoonlijke factor een groot woord meesprak in het reilen en zeilen van de vrije kerkelijke groeperingen.

19e-eeuws Nederland alleszins godsdienstig
De ‘verzuiling’ geldt als een typisch Nederlands verschijnsel. Zij was een variant van een eeuwenoude nationale eigenaardigheid. Hadden er in de Republiek niet al verschillende gezindten – weliswaar onder bevoorrechting van één – vreedzaam naast elkaar geleefd? De 19e eeuw was in veel opzichten een tijdperk van krachtige godsdienstige herleving. Zondagen waren hoogtijdagen, er werd veel godsdienstige lectuur gelezen, het geloof stond in de belangstelling. Nederland leek een alleszins godsdienstige natie geworden. Was dit niet de situatie waar de Nadere Reformatie van had gedroomd?

Piëtistische biografie
We beschikken over een grote hoeveelheid bronnen, die op historische exploratie wacht. Op privé-basis, want openbare en wetenschappelijke bibliotheken hebben er geen oog voor, worden zoveel mogelijk gereformeerden levensbeschrijvingen vanaf de Reformatietijd tot heden geïnventariseerd en verzameld. Uit deze collectie blijkt dat de 19e eeuw de onbetwiste bloeiperiode van de piëtistische biografie is geweest.

Tijd van zwijgen vooraf
De piëtistisch gekleurde biografieën vertonen een grote eenvormigheid. Men begint vaak met de motieven om het eigen levensverhaal op te schrijven. Ze voelen zich dan onbekwaam om dit te doen, maar werden innerlijk gedrongen. Met name hoopten ze dat het de onbekeerde medemens tot zegen zou zijn, en natuurlijk dat God erdoor verheerlijkt wordt. Men ontvangt dus goddelijke toestemming en bekwaammaking. Wel is aan het getuigen een tijd van zwijgen voorafgegaan. Dan kan en mag men niet spreken, omdat de ziel nog niet tot klaarheid is gekomen. Daarom zijn ook alle geschiedenissen in heilsordelijk opzicht afgeronde bekeringen. Het hele bekeringscircuit is ‘zakelijk’ doorlopen, alle hoofdmomenten doorleefd.

Krijgen van teksten
Het gaat dus om de ‘volledige’ weg die God met Zijn kinderen gaat. Daardoor krijgen ze een zekere modelfunctie. Het valt op dat er telkens over ‘de weg’ wordt gesproken. Er zit altijd beweging in, altijd gaat het geestelijk leven op en neer. Aan de ene kant wordt het wel als een wonder van boven ervaren, aan de andere kant is het ook iets ‘gewoons’, wat bijna dagelijks plaatsvindt en er helemaal bij hoort. Dat komt vooral tot uiting in het vrijwel onophoudelijk ‘krijgen’ van teksten. Voortdurend is het: ‘Toen viel met kracht in mijn hart’, of ‘toen kwam de Heere mij voor met’, of ‘toen werd ik bepaald bij’. Deze gelovigen hadden in ieder geval geen last van ‘Godsverduistering’ (als gevolg van de Verlichting). Het probleem van het moeite hebben met God en het Godsbestaan hebben ze niet gekend. Zij bevonden zich, ook in de 19e eeuw nog, volop in een vóórkritische fase, waarin de natuurlijke wereld vanzelfsprekend met de bovennatuurlijke was verbonden.

Verhouding Woord en Geest
Er werd een merkwaardige verhouding beleefd tussen Woord en Geest. Er wordt niet zoveel gewag gemaakt dat men intensief de Bijbel leest. Doorgaans is het zo, dat de Bijbel alleen ter sprake komt wanneer bepaalde woorden als rechtstreeks door God gesproken in het hart worden ervaren. Dat heeft tot gevolg dat niet de vastigheid van het Woord overheerst, maar de wisselvalligheid van de gevoelens. De troost die eruit wordt ontvangen, is slechts van korte duur. Met het gevoel verdwijnt ook de geldigheid van het Woord. En dan is het weer wachten op een volgend woord. Dat er ook een andere mogelijkheid is, namelijk dat de Geest ons leert om constant uit het Woord te leven en op het Woord te bouwen, komen we een enkele keer tegen. Het valt daarbij op, dat het dan bijna altijd gaat om mensen, wier bekeringsweg geleidelijk en evenwichtig is verlopen.

Vierschaarbeleving
Het komt ook voor dat men het spreken van God ervaart buiten het Woord om, een soort profetische openbaring dus. Dat wijst op een dopers accent, dat trouwens altijd in de piëtistische traditie enigermate aanwezig is geweest, zij het dat het ook altijd weersproken werd. Bekend is het visionaire en visuele van de geloofsbeleving in de zogenaamde vierschaarbeleving, die in de rechtvaardiging van de zondaar wordt ‘meegemaakt’. Het hele gebeuren draagt het karakter van een rechtsgeding. Het geloven in het Woord speelt hierin slechts een marginale rol.

Bedoelt de tekst dat echt?
Schriftwoorden worden vrijwel altijd toegepast op het eigen, persoonlijk-bevindelijke leven. Of deze woorden die betekenis ook hebben binnen hun eigen context in de Bijbel, is een vraag die niet wordt gesteld en wellicht niet eens wordt herkend. Zo is de tekst uit Jes. 1:27 (‘Sion zal door recht verlost worden’) van politiek-sociale betekenis. Het komt nogal eens voor dat teksten meer op de klank af worden verstaan dan op hun inhoud. Een ingrijpende vraag is, hoe de Heilige Geest zelf hier met de Schrift als het Woord van God omgaat. Doet Hij dat op een manier, waarop de Schrift zelf in haar eigen betekenis geweld wordt aangedaan?

Syllogismus mysticus
Bevindingen worden nauwkeurig geregistreerd. ‘De Heere heeft mij gisterenavond om zes uur bekeerd’, zo kan iemand zeggen. Een regelmatig geschonken genade van de Geest is dat Hij de ziel terugleidt naar vroegere ervaringen. Ze krijgt dan de functie van een syllogismus mysticus, waarbij men op grond van doorleefde genade-ervaringen tot de conclusie mag komen, een kind van God te zijn. De uiterste concentratie op eigen innerlijke beleving brengt ook een geoefendheid met zich mee, waardoor men een bekwaamheid verwerft in het registreren en vastleggen in het geheugen van doorleefde bevindingen.

Niet verder dan de ‘eerste beginselen’
De levensgeschiedenis is als bekeringsgeschiedenis. Daarmee is het hele leven gemoeid. Al het andere gaat daarvan uit of cirkelt daar omheen. De uiteindelijke doorbraak tot het volle geloof fungeert als de climax, die aan het einde komt, vaak dan nog gevolgd door slechts enkele bladzijden. Het geestelijke leven kwam in de praktijk niet vaak verder dan de ‘eerste beginselen’ en als gevolg daarvan werd ook de prediking daar steeds meer op ingesteld. Toch kent deze regel ook uitzonderingen, als het gaat om levensverhalen waar niet de weg naar de rechtvaardiging, maar veeleer het leven uit de rechtvaardiging in de heiliging de belangrijkste plaats inneemt.

Bij Calvijn zo nog niet
Bij Calvijn is zo’n heilsorde in uitgewerkte zin nog niet aanwezig. Van een min of meer horizontaal-tijdelijke, heilsordelijke belevingsweg is hier nog weinig te vinden. Ze komt pas naar voren wanneer de scholastiek, met haar causale denkstructuur, haar intrede heeft gedaan in de reformatorische theologie (Theodorus Beza en William Perkins). De heilsordelijke beleving blijkt gaandeweg een nog gedetailleerder invullen te hebben gekregen, die nog meer onderscheidingen aanbrengt dan ze al had. Met name geldt dit de geloofswerkzaamheden die gericht zijn op Christus. De momenten van het zien van Christus en het zich mogen toe-eigenen van Hem waren verschillend, een andere onderscheiding was het bevindelijk kennen van Christus, de Vader en de Heilige Geest.

Spirituele scholastiek
We hebben hier te maken met een duidelijk vorm van spirituele scholastiek. Alle onderscheidingen droegen ook nog eens een onderling causaal karakter. Dit wil zeggen dat er pas sprake kon zijn van een bepaalde fase in de geloofsbeleving als er een andere beleving aan vooraf was gegaan. Er is dus een volgorde. Op deze manier wordt het heil niet alleen beleefd, maar zo moet het ook worden beleefd, wil er van de juiste, door God gewerkte beleving sprake zijn.

Maatstaf
Wie was er eerst: de theologie of de bevinding? Waarschijnlijk is er sprake van een wisselwerking. C. Graafland is geneigd te denken in de richting van een theologisch objectiverende stilering van de piëtistische geloofsweg. Deze geloofsweg kan namelijk een eigen abstract en theoretisch leven gaan leiden, wat onder andere daarin tot uiting komt, dat iemand, hoewel van zichzelf overtuigd dat hij of zij nog onbekeerd is, toch wel precies weet wat er beleefd moet worden, wil er van ware bekering sprake zijn, en deze maatstaf ook graag aan anderen oplegt.

Tijdgebonden vorm van heilsbeleving
De vaste stijlvorm in de bevinding van de rechtvaardiging lijkt aan een van te voren verstandelijk toegeëigende of ingeprente belevingstrant te zijn ontleend. Deze gedachte wordt versterkt door het feit dat hierbij doorgaans geen relatie wordt gelegd met de Schrift of een bepaald Schriftwoord, maar dat het een op zichzelf staande clausule is. We hebben hier met een tijdgebonden vorm van heilsbeleving te maken, die vermoedelijk alleen in deze piëtistische traditie is te vinden.

Overtuigingen en voorbereidende genade
Er wordt vaak al een aanzienlijk lange weg afgelegd voordat de eigenlijke bekering plaatsvindt: de voorafgaande overtuigingen en de gratia praeparans, de voorbereidende genade. Dat is een meer algemene, nog niet zaligmakende, maar wel daarop voorbereidende genade. Dit laatste roept wel vragen op: is de zondaar die door de Geest tot bekering wordt gebracht dan niet meer een dode, goddeloze zondaar? De tegenstelling tussen dood en leven, zonde en genade kan daardoor in haar radicaliteit worden ingeperkt. Behoort zo’n overtuigde zondaar er nu bij, bij de kring der vromen, of niet? Het antwoord kwam meestal uit bij een tussenmogelijkheid: nog niet. Men was Sodom uitgegaan, maar Zoar nog niet binnengegaan.

Meestal schokkend, soms geleidelijk
Het ingrijpen van God was meestal schokkend, soms geleidelijk. Het gaat dan om het ‘uur der minne’, een bepaald en absoluut moment, dat van eeuwigheid door de Vader al is vastgesteld. Het merkwaardige bij een geleidelijke bekering is wel, dat juist bij die mensen veel twijfel is. Hoe dieper het erdoor gegaan is, des te ‘echter’ is het. Toch merken wij aan de andere kant juist bij hen die geleidelijk worden geleid, een opvallende teerheid, wijsheid en godsvrucht, die vooral naar anderen toe vruchtbaar en wervend is. Wat uit alles duidelijk wordt, is dat het volk van God zeer centraal staat in de geloofsbeleving. De goedkeuring daarvan is van groot gewicht. Soms lijkt het erop, dat dat belangrijker is dan of de bekering in overeenstemming is met Gods Woord. Ook wanneer men door Gods volk werd opgezocht, is dat een goed teken.

Wat is bekering?
Er is begripsverwarring rondom de bekering. Van het begin af aan heeft men aan de bekering een verschillende invulling gegeven. De meest aangehangen opvatting ziet de bekering geheel aan het begin, bij de wedergeboorte. We zien echter, dat bij Calvijn zowel de wedergeboorte als de bekering zich uitstrekt over de hele levensweg van de gelovige en niet (slechts) geplaatst wordt aan het begin daarvan. Hetzelfde doet de Heidelbergse Catechismus. Daarmee samenhangend kent de latere gereformeerde dogmatiek de onderscheiding tussen een eerste en een voortgaande of dagelijkse bekering. Men spreekt doorgaans meer over bekering dan over wedergeboorte, maar inhoudelijk gaat het meer over de wedergeboorte dan over de bekering.

Zonde als totale existentie-ervaring
De ervaring van zonde en genade staat centraal. Van het begin tot het eind wordt de realiteit van de zonde beleefd, maar ook de vrijsprekende genade van God in Christus. Het gaat niet zozeer om zonde doen maar om zondaar zijn. Dus niet in de eerste plaats het besef van concrete zonden, maar het schuldig staan tegenover God. Zonde wordt steeds meer een totale existentie-ervaring. Kenmerkend is dat men teruggrijpt op de val van Adam in het paradijs. Het kwam zelfs voor dat men een tegenstelling maakte tussen de ervaring van zondig-zijn en buiten-God-zijn, waarbij de laatste gezien wordt als een nog diepere graad van beleving van eigen verlorenheid. De hele mensheid is in Adam gevallen, eigenlijk de hele schepping. Toch is dat een gedachte, die niet zo sterk naar voren komt. Wel krijgt ze een bepaalde concretisering in het zich solidair weten met de zonde van de kerk en het volk.

Zondebeleving en depressiviteit
Zonde is een existentiële macht, waaraan geen mens zich kan ontworstelen in eigen kracht. Hij is zondaar voor God, Gods eer is geschonden. De beleving van de zonde is in wezen geen morele, maar een geestelijke zaak. Een enkele keer gaat hiermee een sterk psychisch gekleurde depressie gepaard. De benauwdheid kan dan zo verstikkend zijn dat men plannen opvat zich van het leven te beroven. Wel is het zo, dat waar de Heere zaligmakend aan het werk is, de mens altijd voor deze daad blijkt te worden bewaard.

Wachtenstijd
Waarom moet de weg van de genade-ervaring zo lang duren? In de levensverhalen van de vromen zelf komen we die vraag niet tegen. De noodzaak van een wachtenstijd als zodanig staat niet ter discussie. Soms is er een heel leven mee gemoeid, voordat de vrome tot volle zekerheid van Gods genade komt. Het komt vrijwel niet voor, dat het geloof in Christus tegelijk de zekerheid van de zondenvergeving tot inhoud heeft. Voordat het zover is, is er wel het een en ander aan voorafgegaan. Er gaat een tijd vooraf die gekenmerkt wordt door het ontvangen van de zogenaamde beloften. Men ‘krijgt’ dan woorden van God via de Bijbel of een lied, waarvan men geloven mag dat zij voor hem of haar bestemd zijn. Kenmerkend hiervoor is dat zij even het verslagen hart opbeuren.

Geloof in de belofte?
Er is sprake van een wisselend gevoel. Deze subjectieve inslag is in dat nog prille stadium van het geloof kenmerkend. Een andere vorm van geloven in de belofte is die van Calvijn (en ook bij Brakels Redelijke godsdienst). Daar ligt het zwaartepunt precies andersom, namelijk niet in de gevoelige omgang met de belofte, maar in de waardevastheid van de belofte zelf, als het moet zelf onafhankelijk van het gevoel. De 19e-eeuwse vrome verstond dit niet. Voor haar had geloven in de belofte als zodanig geen effect; er moest een directe ‘uitstorting’ van de Heere bij komen om het hart tot rust te brengen.

Gericht op een ‘geopende weg’
‘Zien’ is nog geen ‘hebben’, zo zagen we al. Ook spreekt men van ‘de geopende weg’, omdat er nu opening is naar en dus hoop op een toekomst van heil, en dat geeft een uitbundige vreugde. Het ‘dal van Achor’, dat toch alleen maar oordeel en dood verkondigt, wordt nu een ‘deur der hope’. Velen van de vromen zijn in hun leven nooit verder gekomen dan gericht zijn op deze ‘geopende weg’. Rondom of na het sterven ontstaat dan telkens weer de discussie of dit wel genoeg is tot zaligheid, omdat ‘de zaak’ zelf – en dan bedoelt men de (bewuste) rechtvaardiging – toch nog niet is beleefd. Maar de meesten zijn het dan toch wel met elkaar erover eens dat zo’n mens zalig is geworden. Wellicht onbewust ging men daarmee in het spoor van de oude gereformeerde theologen, die leerden dat het verlangen naar het heil al een bezitten ervan is, en het willen al een delen erin, en het hongeren en dorsten al een zekere verzadiging in zich heeft.

Bevreesd voor inbeelding
Het ware geloof weet van een ‘geopenbaarde’ en in een later stadium van een ‘geschonken’ Jezus, terwijl het valse geloof Jezus zich eigenwillig en dus onrechtmatig toeëigent, alsof deze genade maar voor het grijpen is. De ware vromen zijn niet jaloers op deze ‘grote’ gelovigen. Dan zijn ze maar liever voortdurend bevreesd dat zij zich de genade inbeelden.

Beleefde heilsfeiten
Het heilshistorische en heilsordelijke lijken soms in elkaar over te lopen. Dan wordt het begin en de voortgang van de kennis van en het delen in Christus verbonden met het Christusgebeuren zelf. Jezus wordt in het hart geboren, het onderwijs van Jezus aan Zijn discipelen wordt geparallelliseerd met de eigen voortgang in het kennen van Christus, het wordt Pasen en Pinksteren in je hart. En rondom het sterven van een kind van God is er niet zelden blijdschap, op de begrafenis werd dan zelfs gezongen, want er werd een ‘Koningskind’ begraven!

Afsnijding
Men zet in bij de openbaring van Jezus in de belofte. Velen van de piëtistische vromen blijven als het ware hangen in dat ‘oudtestamentische’ stadium. Het laat zich meer typeren door verlangen dan door bezitten, door bekommering dan door zekerheid. De belofte van de geopenbaarde Jezus vraagt om de vervulling van het toe-eigenen en omhelzen van Jezus. Hieraan gaat een diepe weg vooraf, vaak getypeerd met de term ‘afsnijding’. Voor de mens blijft dan alleen de vloek en de eeuwige straf van God over. Het uitgesproken juridische karakter van deze geloofservaring heeft diepe wortels. We denken dan aan Anselmus’ Cur Deus Homo.

Toeleiding tot het Vaderhart
Het geestelijk na-beleven van de rechtvaardiging is een vormgeving die wij zo niet aantreffen bij Calvijn en ook niet in de Catechismus. Bij Calvijn is het opmerkelijk, dat hij de rechtvaardiging ook kan omschrijven als een (eenvoudig) geloven in de belofte tot vergeving der zonden, waardoor de belofte wordt vervuld. Hetzelfde kan gezegd worden van Zondag 7, die het geloof omschrijft als een ‘zekere kennis’ en een ‘vast vertrouwen’. Daarvan wordt in Zondag 23 gezegd: ‘In zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem’. Opmerkelijk is dat, zo schokkend de beleving van de rechtvaardiging zelf is, zo harmonisch en vloeiend de toeleiding tot het Vaderhart is.

Heils-egoïsme?
Het eschatologische motief ontbreekt meestal. Men is wel gericht op de hemel en de zaligheid, maar niet op een nieuwe aarde. We krijgen soms de indruk van een zeker heils-egoïsme. Maar de gunnende liefde overweegt toch. Hoewel de kosmische aspecten van de toekomstige verlossing ontbreken, zeker als het gaat om de praktische implicaties voor het leven hier en nu.

Abstractie
Men spreekt vaak over God als over ‘het Wezen’, of over de ‘eerste, tweede of derde persoon’. Dat komt erg abstract en Grieks-wijsgerig over. Dat zal wellicht niet zo zijn bedoeld, zeker niet bewust. Maar toch geeft het wel aan, dat er door deze bevindelijke Godsrelatie heen zich toch ook iets van een abstractie voltrekt.

De stilte der eeuwigheid
Veelal wordt de verkiezing direct verbonden met de ‘raad des vredes’. De vrome is er als het ware persoonlijk getuige van dat hij het voorwerp van goddelijke onderhandeling is tussen de Vader, de Zoon en de Geest, en dat reeds in de stilte der eeuwigheid. Dat brengt tot verwondering en vervoering. Toch is er anderzijds ook telkens aansluiting bij het gewone, dagelijkse leven met zijn vaak vele moeiten en zorgen. Er wordt veel gesproken over wonderlijke uitreddingen, dat men dan ‘tijdelijk’ noemt ter onderscheiding van de redding van het eeuwige leven. God brengt in nood om Zijn wonderlijke zorg te doen ervaren. Tegenspoed werd dan ervaren als een zegen. Zo houdt God Zijn kinderen dicht bij Hem.

Voor sacramenten nauwelijks plaats
Het gaat alleen om de persoonlijke zaligheid in de hemel, die bij het sterven intreedt. De toekomst van de aarde of de verwachting van de wederkomst van Christus valt weg. Ook is het opmerkelijk dat Israël er niet in voorkomt. Onder de 17e en 18e-eeuwse piëtisten was dat nog wel het geval. De sacramenten nemen een zeer geringe plaats in in de levensbeschrijving van deze vromen. Het verbond in het kader van de gemeente functioneert vrijwel niet, dus de doop krijgt geringe aandacht. Er wordt soms wel verteld dat men thuis – in de persoonlijke omgang met God in de binnenkamer – avondmaal heeft gevierd, maar over een avondmaalsviering in het midden van de gemeente wordt niet gesproken.

Het conventikel
Sinds Augustinus de strijd aanbond met de Donatisten is het begrip conventikel in de kerkgeschiedenis verbonden met ketterij en separatisme. De Donatisten vormden een subjectief ingestelde stroming, een sekte, die alle nadruk legde op de heiligheid van de kerk. Over Donatistische conventikels of gezelschappen sprak Augustinus een hard oordeel uit. Hun aanhangers waren vijanden van de broederlijke liefde, pseudochristenen, zelfs antichristenen. De Reformatie dacht er niet anders over. Maar ze protesteerde wel tegen het massieve, hiërarchische instituut van Rome. Wel wilde ze in kerkelijk opzicht niet beschouwd worden als het resultaat van overdreven geestelijkheid.

Vier relaties met de kerk
Er zijn vier relaties met de kerk te noemen: een groep in de kerk, een groep naast de kerk, een groep min of meer los van de kerk en een groep in de plaats van de kerk. In de 19e eeuw kwam vrijwel elke vorm voor.

Continuïteit met de Nadere Reformatie
Opkomend secularisme, doordringend Verlichtsgeloof, kenmerkende burgerlijkheid: het zijn factoren geweest, die aan de vromen in vele opzichten voorbij zijn gegaan. Daarom mag men spreken van continuïteit met betrekking tot de vroomheid van de Nadere Reformatie. Er is ook van verandering sprake: in hoe men over de kerk dacht. De éne kerk, sinds 1816 een landelijk verschijnsel, stond verder af van het volk. De belangstelling voor de tweede kerkdienst op zondag nam af. Met zorg zag men het kwaad toenemen van de ‘zoogenaamde oefeningen’. Kerk en staat werkten samen om zo veel mogelijk deze gezelschappen der vromen tegen te gaan.

Negatieve visie van kerk en staat
De negatieve visie van de kerk en de staat hangt samen met de opkomst van een burgerlijk nationaal gevoel, maar ook met het inzicht dat religie een zaak van tolerantie en rust betekent. Ook van de kant van het conventikelwezen was er sprake van een zekere verharding van het standpunt tegenover het establishment. Gezelschappen waren er al in de 17e eeuw, aangestuurd door Jacobus Koelman, Wilhelmus à Brakel en Voetius (en denk ook aan de Labadisten).

Bekeringsverhaal niet alleen in conventikel
De volkskerk zocht weliswaar de breedte van het nationale bestaan. Toch ging dit niet ten koste van de ernst en de waarheid die men van de leden verwachtte. In de traditie van de Nadere Reformatie werd de toelating tot de sacramenten verbonden met de eis van waarachtig geloof en bekering. Het bekeringsverhaal als zodanig behoeft dus niet een monopolie van het conventikel te zijn. De toelating tot het lidmaatschap van de gemeente vereiste sinds de Reformatie een bewuste keus, die berustte op geloof en bekering. De ontwikkeling van de kerk in de richting van een pure volkskerk deed deze elementen op de achtergrond treden.

Onbekeerde dominees
Een vrij algemene toon onder de schrijvers van bekeringsgeschiedenissen was: ‘Waar vindt men getrouwe Leeraars…’ Was de predikant rechtzinnig en preekte hij de noodzaak van wedergeboorte en bekering, dan kon hij rekenen op een zekere tegemoetkomendheid van de kant van de conventikelbezoekers. Zelfs de prediking van een ‘onbekeerde dominee’ kon gebruik worden. Maar toch ging men het liefst kerken onder een betrouwbaar geachte prediker, ‘als ik er maar komen kon, hoe ver ik ook lopen moest’. Uitgesproken koel, om niet te zeggen slecht, was de verhouding daar waar de kerk in haar prediking verstek liet gaan.

19e-eeuwse crisis
Het zou niet correct zijn wanneer we spraken over een netwerk van conventikels van de vromen. Daarvoor ontbrak het aan organisatie en structuur. Wél is er te spreken over een oecumene van de bevindelijken. De sacramenten heeft men, althans in de meeste gevallen, niet in de kring der vromen durven brengen. In de 19e eeuw voltrok zich een crisis door de Ned.Herv.Kerk en de hele Nederlandse samenleving. Daarmee hangt samen dat er in die tijd zich een verandering voltrok in het conventikelwezen als zodanig. De Afscheiding kwam er, maar velen ‘bleven’ ook in de historische kerk.

Scholte en de eigen subjectiviteit
De Ned.Herv.Kerk kon de velen die naar werkelijke ervaring van de bekering zochten, weinig of in het geheel geen bevrediging bieden. H.P. Scholte verklaarde dat hij onafhankelijk van enig kerkgenootschap tot kennis van de waarheid was gekomen door het gebruik der Heilige Schriften. Scholte was inderdaad in de kringen van het conventikel groot geworden. Bij hem speelde daardoor de eigen subjectiviteit een groter rol dan bij de andere voormannen van de Afscheiding het geval was.

Zij die bleven en de afgescheidenen
Hoe kon de keuze voor of tegen de Afscheiding zo verschillend uitvallen? De kerkelijke aspecten van de levens der vromen werden bepaald door een subjectief inzicht. Het komt W. van ’t Spijker voor, dat zij die bleven uiteindelijk hun beslissing namen vanuit persoonlijke ervaring. Zij die tot een andere keuze werden gebracht deden dat vanuit de geloofsgehoorzaamheid aan het Woord van God en hetgeen zij verstonden van de belijdenis naar de Schriften.

Afscheiding: kerk of conventikel?
De Afscheiding heeft jaren van strijd gekend, een crisis der jeugd geheten, waarin het ging om de vraag, of de kerk het zou winnen van het conventikel. Abraham Kuyper heeft zelf de kracht van het conventikel als aan het lijf ervaren. Hij heeft nog eens een poging gedaan om de vitaliteit ervan in zijn kerken onder te brengen, toen hij in de jaren van de Doleantie aan de oefenaars de gelegenheid bood om over te komen en in zijn kerken te dienen.

Pelgrims
De meeste hoofdpersonen uit de biografieën hebben niets betekend in de maatschappij. Hun reisdoel lag dan ook buiten deze wereld, het was een pelgrimstocht. ‘O wee mij dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone’ (Ps. 120:5). Al het andere dan het geestelijke leven was slechts achtergrond en omlijsting. Ze schrijven niet de geschiedenis van hun leen, maar die van hun bekering. Daarom vangen ze meestal aan met de tijd waarin ze nog leefden als kinderen van de wereld. De vromen hadden oog voor elkaars noden. De armen onder de vromen genoten steun van de binnen hun groep bestaande solidariteit.

Verlangen naar een levensgezellin?
De boerenknecht Hugo Peters kreeg ontslag. Hij was weliswaar de beste man in de hele ploeg, maar moest vertrekken omdat hij naar de zin van zijn baas te godsdienstig was. Peters moest er bijna om lachen. Hij zou te godsdienstig zijn! Hij, Hugo Peters, op wiens akker het onkruid der zonde zo welig tierde! Jannes den Besten had het verlangen naar een levensgezellin bij zichzelf wel eens voelen opkomen, maar hij had zich daar lange tijd tegen verzet. Hij hield deze begeerte voor een list van de satan, die profijt wilde trekken van zijn aardse en vleselijk gezinde natuur. Op den duur ging hij inzien dat het geen zonde hoefde te zijn om te trouwen.

Huwelijk
Ging de bekering aan het huwelijk vooraf, dan was er eigenlijk geen sprake meer van keus. Alles wat zich vóór de bruiloft afspeelde was meer het zoeken en aanvaarden van Gods leiding dan een emotioneel of rationeel gefundeerde eigen keuze. Jan Geense begint zijn huwelijksverhaal met de woorden: ‘Toen kreeg ik van den Heere een vrouw te begeeren’. Tot zijn teleurstelling merkte hij, dat een huwelijk eerst op het gemeentehuis gesloten moest worden. Hem leek het passender, eerst voor God en Zijn gemeente te verschijnen, en pas daarna de formaliteiten te vervullen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. ’s Avonds nam Geense de gelegenheid te baat, voor de gasten uitvoerig de betekenis van het geestelijk huwelijk uiteen te zetten, zodat er waren die zeiden ‘even goed naar de kerk te kunnen gaan dan naar zulk een bruiloft’.

Genade geen erfgoed
Genade is geen erfgoed. Ouders kunnen hun kinderen de weg wijzen, maar het is God alleen die hen kan bekeren. Iemand gaat daarin zover, dat hij zich afvroeg of hij wel voor zijn dochtertje mag bidden, ‘daar toch Ezau gehaat werd en Jakob geliefd’. Een vrouw kwam al vroeg tot geloof, en scheen daardoor veel ouder dan haar jaren: ‘Als men met haar sprak, dan was het niet of men met een jeugdig meisje sprak, maar als ware zij reeds een bejaarde vrouw’.

Jonggestorven kinderen
Naar de overtuiging van de vromen moest geloof uitdrukking vinden in persoonlijke ervaring van zonde en genade. Dat vroeg een rijpheid van geest, zoals men die bij kinderen doorgaans niet aantreft. Werden ze al in hun jonge jaren door een dodelijke ziekte getroffen, dan kon dat voor de ouders reden zijn tot grote zorg. De 19e eeuw was een tijd van grote kindersterfte. Veel ouders moesten voor de vraag hebben gestaan of jonggestorven kinderen behouden zijn. Hebben ze ook naar antwoord gezocht? Slechts weinig vromen gaan daar breder op in.

Slechts ééntje
Een vader die stervende was verzamelde al zijn kinderen rondom zijn sterfbed, zag hen met blijdschap aan en zei te geloven dat er reeds één onder hen was, die de Heere had aangeschreven. Hij was heel dankbaar, dat hij het nog in zijn leven mocht horen. Die dankbaarheid overweegt, niet de bezorgdheid om de toekomst van de anderen.

De weg in woorden
Van één ding kunnen we zeker zijn. Wie opgroeide in een vroom gezin, leerde daar een taal spreken die geheel eigen was aan dat milieu, en daarbuiten niet werd verstaan. Het is een taal die vraagt om een afzonderlijk woordenboek, en in die behoefte is in 1972 ook voorzien door C. van de Ketterij (De weg in woorden. Een systematische beschrijving van piëtistisch woordgebruik na 1900, Assen 1972). Een voorbeeld van de tale Kanaäns: ‘Een kort doch waar verhaal voor mijn naaste betrekkingen. Hoe dat God mij als uit de kaken der hel getrokken, en gebracht heeft tot Zijn wonderbaar licht, waarnaar de engelen begeerig waren om in te zien, hoe dat zonder krenking Zijner Majesteit en krenking van één Zijner deugden konde zijn’.

Christenreis en Heilige Oorlog
Het is een soort puzzel voor bijbelvaste lezers, te tellen hoeveel teksten in deze woorden zijn verwerkt. De psalmberijming van 1773, hoewel ontstaan in de tijd van het verlichte christendom, kon men makkelijker citeren dan hoe de Psalmen echt in de Bijbel stonden. Haar poëtische kwaliteit is zo groot, dat ze ook in deze kring als een wezenlijk cultuurgoed is aanvaard. Ook andere christelijke liederen zingt men, met name uit Groenewegens bundel. We komen ook heel veel beelden van John Bunyan tegen in bevindelijke lectuur.

Geloofsbeleving en streekmentaliteit
De relatie tussen verschillen in ligging en geloofsbeleving enerzijds en streekmentaliteit anderzijds is ongemeen complex. Niet alleen waren ook in de 19e eeuw de nieuw ontstane kerkverbanden zeer ongelijk over Nederland verdeeld, zodat de mentaliteit van de overheersende regio’s een stempel kon zetten op het kerkelijk leven en de theologie, ook binnen de kerkverbanden bleven verschillen bestaan die verband hielden met meer algemeen van regio tot regio variërende houdingen en patronen. Zo was de 17e-eeuwse fase van de Nadere Reformatie beperkt gebleven tot Zeeland, Holland, Utrecht en Friesland, terwijl in het noordoosten van Nederland alleen de 18e-eeuwse, meer op het innerlijk geloofsleven gerichte fase doorgewerkt had.

Mate van individualisering
Michiel Christiaan Vos, die in 1789 van zijn ‘lieve’ gemeente Woudenberg vertrok naar Pijnacker, ondervond daar tot zijn teleurstelling tegenstand tegen zijn dringende oproep tot persoonlijke geloofsovergave. Bernardus Moorrees voelde zich veel meer thuis in Lage Vuursche dan in Bovenkarspel. De individualistisch ingestelde Noord-Hollanders zaten heel niet verlegen om een persoonlijk gesprek over hun geloofsbeleving. Één van de belangrijkste mentaliteitsverschillen binnen Nederland was de variërende mate van individualisering. In de boerengemeenschappen op de oostelijke zandgronden bleef individualisering lang achterwege, al waren ook daar uitzonderingen. Noord-Holland met zijn vele zeevarenden vormde het andere uiterste. De geringe mate van individualisering in Gelderland en Oost-Utrecht zorgde er in ieder geval voor dat de Ned.Herv.Kerk er in de 19e eeuw naar verhouding weinig bevindelijken verloor, zodat later de Gereformerde Bond zich er spoedig kon ontwikkelen.

Maatschappelijke ontwrichting
Daar tegenover ontstond in het Zuid-Hollandse rivierengebied een grote verscheidenheid aan gemeenten die gemakkelijk tot splitsing overgingen. De eerste helft van de 19e eeuw kenmerkte zich door opvallende contrasten in economische welvaart en verval, zodat verhuizing voor velen een levensnoodzaak was. Verhuizen betekende eventueel terecht komen in een kerkelijke gemeente met een andere inslag of een ander normenpatroon, wat het zoeken van gelijkgestemden en vervolgens afsplitsen in de hand kon werken. De trek naar de snel groeiende industriestad Rotterdam vormde een nieuwe oorzaak voor desoriëntatie, een verschijnsel dat haar weerslag vond in de versnippering op kerkelijk gebied in die stad en haar directe omgeving. Maatschappelijk ontwrichting en het uiteenvallen van leefgemeenschappen vormden een voedingsbodem voor religieus radicalisme in de Franse tijd.

Tegenstelling ratio en emotie
Het feit dat er in Noord-Holland, waar het economisch ook slecht ging – met name in de steden – weinig bevindelijke gemeenten ontstonden, brengt ons bij een tweede mentaliteitsverschil binnen Nederland. Dit betreft de mate waarin het rationalisme vaste grond gevonden had in de mentaliteit van de bevolking. De tegenstelling tussen ratio en emotie was in de eerste helft van de 19e eeuw belangrijker dan die tussen orthodox en niet-orthodox. Een relatief rationalistische – of misschien beter gezegd: een naar abstracte formuleringen neigende achterban – hadden vooral de afgescheidenen met hun grote Groningse en Friese inbreng. Niet voor niets ontwikkelde zich in de Gereformeerde Kerken de Kuyperiaanse systeemtheologie met haar modernistische inslag: in dit kerkverband hadden noorderlingen en burgerlijke stedelingen, met hun relatieve voorkeur voor abstractie, verhoudingsgewijs een grote inbreng.

Afscheiding door neiging tot onafhankelijkheid
Concentraties van uitgesproken bevindelijke gemeenten kwamen bijna niet voor in de noordelijke provincies. Dat de Afscheiding er sterke doorgang vond, had overigens ook te maken met de traditionele neiging zich vrij onafhankelijk op te stellen en de weerzin tegen de zich vanuit Holland opdringende staatkundige centralisatie in een tijd van relatieve voorspoed in het noorden. Ledeboer, met zijn emotionele en vredelievende natuur, werd getroffen door de aanvankelijke twisten onder de afgescheidenen, waar niet aan personen maar aan standpunten waarde werd gehecht.

Kruisgemeenten en ledeboerianen
De kruisgemeenten, mede gevormd in hun reactie tegen de hoofdrichting der Afscheiding en van tijd tot tijd versterk door uit die richting verdreven erfgenamen van de ‘Drentse richting’, waren veel meer geneigd tot dogmatisch, dus abstract denken dan de ledeboerianen. Hun herkomst was veel noordelijker dan die van de ledeboerianen, die vooral in Zeeland en Zuid-Holland woonden. Brachten sommige voorgangers in de Kruisgemeenten de uitverkiezingsleer in de prediking ter sprake, in ledeboeriaanse kring stond daar een grote verering van bekeerde personen tegenover.

Zeeland
In Zeeland was de wens om vast te houden aan de 18e-eeuwse kerkelijke gewoonten en de oude leer voor de bevindelijken belangrijker dan emotionaliteit. Terugkijken naar het verleden waarin Zeeland één van de kerngewesten van de Republiek der Verenigde Nederlanden geweest, betekende er terugkijken naar betere tijden. In de Walcherse situatie speelde het al dan niet ontwikkelen van een vijandbeeld ten opzichte van de andere kerkelijke richtingen een rol in de ontwikkeling van de bevindelijke mentaliteit, maar ook de plaatselijke verhouding tussen boeren en arbeiders.

Het sociale of geografische element
Een andere factor die er voor kon zorgen dat een bevindelijke of een andere kerkelijke gemeente een andere mentaliteit had dan in naburige dorpen, was het sociale dan wel geografische element van een dorpsbevolking. Het sociale element van vissersdorpen – vaak armer dan omringende landbouwdorpen – is een vanouds bekend gegeven. De invloed van het geografisch isolement op het bewaard blijven van bevindelijkheid en traditionalisme uit vorige eeuwen is overtuigend aangetoond voor Opperdoes in West-Friesland en voor Driesum, Wouterswoude en Dantumawouden in de Dokkumer Wouden.

Isolement gewesten onderling
Nederland was vóór de grote veranderingen die in de tweede helft van de 19e eeuw inzetten, een kleinschalige samenleving waarin de lokale en regionale componenten vaak zwaarder wogen dan nationale. Het onderlinge isolement van de buitengewesten was groot, de band met Holland zwak. Tot de aanleg van een min of meer samenhangend net van spoorwegen, een rond 1880 voltooid proces, was Nederland erg ‘groot’. Het vlugste goedkope middel van vervoer was de vrachtschuit van de beurtschippers. Met gunstig weer legden zij in 1845 de afstand Amsterdam-Groningen in 48 uur af.

Weekbladen
De gehechtheid aan eigen streek en omgeving was groot en andere delen van Nederland werden als heel ver ervaren. Toen de afgescheidenen in de tweede helft van de 19e eeuw weekbladen kregen, waren de leden van die kerkverbanden uitstekend op de hoogte van wat er leefde bij hun geloofsgenoten in den lande, ja zelfs in Michigan en elders in Amerika. De bevindelijken uit de kleinere of op zichzelf staande groepen hadden zulke middelen niet. Onbekendheid spreekt ook uit een aantal gevallen waarin predikant en gemeente elkaar erg tegenvielen. De onderlinge bekendheid van de bevindelijke gemeenschappen in de 19e eeuw lijkt door de waterwegen en de binnenscheepvaart bevorderd te zijn.

Vierschaarbeleving streekgebonden?
Het lijkt niet onmogelijk dat het voorkomen van de verzoening met God drie-enig in een vierschaarbeleving streekgebonden was. Bij de verbreiding speelde het onderlinge vertellen van dergelijke ervaringen een rol. In het Merwede-gebied kwam het veel voor. Dat ze veel gemeld werd in deze streek, IJsselmonde en omgeving, zou te verklaren zijn uit het feit dat Th. van der Groe, die deze ervaring beschreef, lange tijd predikant was te Kralingen.

Afhankelijkheid paste goed bij bevindelijken
Voor de mentaliteit van een groot deel van de Nederlandse bevolking in de 19e eeuw was de door hen ondervonden afhankelijkheid van grote invloed. Met name arbeiders, kleinere middenstanders en boeren waren voor hun levensonderhoud afhankelijk van hun werkgevers, de conjunctuur of het weer. Afhankelijkheid, zo is wel betoogd, paste goed bij een bevindelijk geloofsleven waarin vooral Gods handelen en ’s mensen onmacht benadrukt werden. De onzekerheid van het dagelijks leven zou dan weerspiegeld worden in de onzekerheid over het eigen zielenheil. Het bezig-zijn met dat heil bood tegelijkertijd een afleiding, een compensatie voor de machteloosheid tegenover de ‘maatschappelijke rampen’.

Ledeboers theologie
Nemen we de theologie van Ledeboer onder de loep – iemand die met Van de Groe de geloofszekerheid benadrukte – dan overheersen daar emoties en stemmingen, tot wankelmoedigheid toe, maar het zijn steeds uitingen van een bekeerd gemoed. Niet heilsonzekerheid of verkiezingsradicalisme is de oorzaak van zijn verfoeiing, maar zijn inschatting dat hij ondanks alle, hem door God bewezen weldaden toch zwaar is blijven zondigen.

De Voorzienigheid
Radicale Engelse evangelicals in de eerste helft van de 19e eeuw beschouwden het lijden van mensen niet als een straf op de zonden van de getroffenen, die toch vooral onder de armsten gevonden werden. Zij schreven dit lijden wel toe aan Gods Voorzienigheid, maar ze betoogden dat God altijd wonderlijk en onbegrijpelijk handelt. Op het lijden moet men bedaard, zelfs dankbaar reageren, extra nederig in geestelijk opzicht. Gematigde evangelicals daarentegen geloofden dat het ingrijpen van de Voorzienigheid de wetten van de natuur volgde, de door God in de natuur ingebouwde morele orde, een systeem van straffen en belonigen. Het zal duidelijk zijn dat de 19e-eeuwse piëtisten wat hun visie op de Voorzienigheid betreft vooral aansloten bij de meer radicale ‘evangelicals’ aan de andere kant van de Noordzee. De Voorzienigheid was altijd te prefereren boven de werking van de maatschappelijke orde die hen meestal niet goed gezind was.

Paraplu en vliegtuig
De Walcherse landbouwer Adriaan Geschiere zei over de introductie van de paraplu: ‘Als de goede God ons Zijn vruchtbaren regen geeft, gaan de menschen zich onder zo’n ding verbergen’. Het bezwaar dat men zich tegen de natuur niet moest verweren, impliceert duidelijk een morele orde in de natuur, een orde door God bestuurd. Dit bezwaar ligt mede ten grondslag aan het weren van bliksemafleiders en het weigeren van vaccinatie. Ook dit: ‘De poging van sommigen om met vliegmachines gelijk een vogel door het luchtruim te vliegen. Dit is tegen den wil des Heeren; want de mensch is niet door den alwijzen Schepper er op aangelegd om te vliegen’. Het zichzelf in gevaar brengen was een ander bezwaar tegen deze zonde.

Geen scheiding tussen natuur en bovennatuur
Van een voortdurend ‘onderhouden worden’ door de Voorzienigheid was vaak sprake. Vaak ging het spreekwoord op: als de nood het hoogst is, is de redding nabij. In de 19e-eeuwse biografieën komt ook de lijfelijke aanwezigheid van de boze voor. Behalve het eventuele ‘volksgeloof’, opgewekt door eenzaam verkeren in de natuur, vormde misschien ook populaire lectuur van religieuze schrijvers een voedingsbodem voor dergelijke ervaringen (denk aan Apollyon uit de Christenreis). Maar ook in Brakels Redelijke godsdienst wordt gewezen op de mogelijke verschijningen van de satan ter bestrijding van de uitverkorenen. De bevindelijk gereformeerden in de 19e eeuw bleken te delen in een wereldbeeld dat de scheiding tussen natuur en bovennatuur niet kende. Dit wereldbeeld neigde er ook toe de bestaande maatschappelijke verhoudingen als onveranderbaar te beschouwen. Maar het beschouwde ook soms de orde der natuur als onschendbaar. In deze neiging de schepping in bepaalde gevallen als ‘heilig’ te beschouwen, zien we natuurlijk ook de plattelandsmensen terug die de bevindelijken over het algemeen waren.

Goud en zilver
In 1913 hield A.A. van Schelven een referaat over ‘de bewerking van eene piëtistisch-getinte gemeente’. Hij definieerde het piëtisme als de ‘reactie tegen de leerheiligheid en slordigheid in den wandel’. Hij onderscheidt een gouden (17e eeuw) en zilveren (18e eeuw) tijdperk. Zo legde Van Schelven de grondslag voor de bekende ‘vervalthese’ van het piëtisme. In de eerste periode ging het om de ‘vruchten’, in de tweede periode om de ‘innerlijke werkzaamheden’ van het geloof. Eerst vroeg men: waartoe is het geloof geroepen?, later: is er wel geloof? Zocht de eerste periode naar schriftuurlijke bevinding, de tweede gaf ruimte aan valse mystiek. De patroon van de gouden tijd heet Voetius, van het zilveren tijdperk: Schortinghuis. Greep daartegenover het neo-calvinisme niet terug op de gezonde begintijd met haar bijbelgetrouwe dogmatiek? Van Schelven stelde tegenover elke piëtistische misvatting de rechte calvinistische visie, die de predikanten rustig doch beslist in hun gemeenten ingang moesten laten vinden. Op een langere termijn is het succes van de negatieve doelstelling niet uitgebleven.

Keurmeesters
De kerkelijke tucht vond in de conventikelwereld een spiegelbeeld in het ‘oordelen over elkaars zielenstaat’. Het geloofsgetuigenis moest onderling worden ‘overgenomen’. Vooral ‘doorgeleide’ vromen, die wel ‘keurmeesters’ werden genoemd, hadden daartoe de fijne ervaringskennis. In de bevindelijke gemeenschappen van de 19e eeuw waren de linker- en middengroepen niet vertegenwoordigd, maar was de voormalige rechterflank verzelfstandigd. In deze kring groeide een geslacht op, dat nog homogener was. De traditionele ‘kenmerkenprediking’ werd daardoor temeer een toetsing van het innerlijke gemoedsleven. Het model van weleer functioneerde nu in onaangepaste vorm binnen een onevenredig veranderde sociaal-religieuze situatie.

Afhankelijkheid
De bevindelijk gereformeerden keken dus vooral naar het verleden en naar de eeuwigheid, naar zichzelf en naar omhoog. Ze vormden een zuil, reeds lang voordat het proces begon dat we ‘verzuiling’ plegen te noemen. In veel geschiedschrijving en beeldvorming vallen al gauw de woorden ‘lijdelijkheid’ en ‘wereldmijding’. Hoewel daar veel waars in steekt, kwam in dit boek een positiever sleutelbeeld naar voren om de bevindelijk gereformeerde mentaliteit te typeren: ‘afhankelijkheid’.

Gepubliceerd in april 2009

Advertenties