De stille revolutie

n.a.v. G. Dekker, De stille revolutie. De ontwikkelingen van de Gereformeerde Kerken in Nederland tussen 1950 en 1990, Kampen 1992

Sociologisch
In deze studie is de ontwikkeling van de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) niet vanuit historisch, maar vanuit (godsdienst)sociologisch gezichtspunt beschreven. Niet alle fasen in de ontwikkeling van de GKN zijn beschreven. Vaak is volstaan met een vergelijking tussen de vroegere en de huidige situatie, om te kunnen constateren dát en hóe die kerken veranderd zijn.

Modern-gereformeerden
In Nederland nemen de gereformeerden (bevindelijk-gereformeerden, orthodox-gereformeerden en modern-gereformeerden) als geheel genomen een bijzondere positie in. Temidden van alle veranderingsprocessen hebben ze zich, zo lijkt het, in godsdienstig opzicht kunnen handhaven. Binnen de GKN komt vooral de modern-gereformeerde stroming voor. Hoewel er in de GKN in de eerste zestig jaar niet weinig gebeurd is, kunnen we toch wel constateren dat de werkelijk ingrijpende veranderingen binnen dit kerkgenootschap pas na omstreeks 1950 hebben plaatsgevonden.

Diepgaand veranderd
De vernieuwing van het nieuw-gereformeerde denken vanaf 1950 ligt in de lijn van het neocalvinistische streven. Maar de aard van de ontwikkelingen is van dien aard geweest, dat de nieuw-gereformeerden steeds meer het specifiek eigene hebben opgegeven en verloren. H. Berkhof zei: ‘De Gereformeerde Kerken zijn in nauwelijks meer dan een kwart eeuw zo diepgaand veranderd als ik in deze eeuw in de westeuropese hervormd-gereformeerde kerken nog nergens heb gezien’.

Veranderende samenleving
Tussen 1950 en 1990 is de Nederlandse samenleving veranderd. Één ding is bij bestudering van deze periode al spoedig duidelijk, namelijk dát er ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden, ingrijpender vermoedelijk dan welke periode ook voor 1950: aardgas bij Slochteren, de vijfdaagse werkweek, televisie, bezetting van universiteitsgebouwen, blijf-van-mijn-lijfhuizen, kindertelefoon, enzovoorts. Het lijdt geen twijfel dát er een nauw verband is tussen het zogenoemde uiterlijke of materiële van de samenleving enerzijds en het bewustzijn, de waarden en het geestelijk leven anderzijds.

Bevolkingsontwikkeling en -samenstelling
De bevolking is in de afgelopen 40 jaar niet alleen sterk gegroeid, maar zij is ook ingrijpend van samenstelling veranderd.
– Nederland wordt een ‘grijs’ land, als gevolg van het dalende geboorteniveau (in 1963 kwam de anticonceptiepil).
– Nederland wordt een vol land. Toegenomen aantal echtscheidingen, dus meer woningen. Waar er in 1950 nog ruim 2 miljoen woningen waren, in 1990 al bijna 6 miljoen. In 1950 waren er 229.000 eenpersoonshuishoudens, in 1990 bijna 1,8 miljoen. In 1950 waren er 6000 echtscheidingen per jaar, in 1990 al 28.000.
– Nederland wordt een gezond land; de gezondheidszorg neemt een steeds belangrijker plaats in onze samenleving in.
– Nederland wordt een pluraal land.

Het sociaal-economisch leven
De samenstelling van de beroepsbevolking veranderde. De dienstensector groeide zeer sterk, het aantal arbeiders en vooral zelfstandigen verminderde. De sociale mobiliteit nam toe, de standsverschillen namen af. De toegenomen onderwijs-mogelijkheden spelen hierbij een grote rol. De werkloosheid was in 1950 nog slechts 65.000, veertig jaar later 345.000. De positie van de vrouw veranderde. In 1950 was een gehuwde ambtenares nog een onmogelijkheid. In 1975 wordt de beloning van mannen en vrouwen wettelijk gelijkgesteld en vanaf 1990 wordt de vrouw vanaf 18 jaar economisch zelfstandig geacht.

Maatschappijtypering
Het gemiddelde uurloon in de nijverheid steeg in veertig jaar van 1,07 tot 20,85 gulden. De consumptie aardappelen per hoofd van de bevolking zakte van 130 naar 83. De consumptie bier steeg van 10 naar 88 liter. De samenleving van 1990 wordt op talloze manieren gekarakteriseerd: consumptiemaatschappij, verzorgingsstaat, ik-maatschappij, anonieme samenleving, open samenleving en postmoderne samenleving. Al deze pogingen om met één term onze samenleving te typeren doen de werkelijkheid echter geweld aan; daarvoor is onze samenleving te complex en te pluraal.

Democratisering
Er waren ingrijpende veranderingen in de opvattingen over rechten en vrijheden. Er is een proces geweest van fundamentele democratisering. Van een hiërarchisch geordende samenleving kwam het tot burgerlijke ongehoorzaamheid. In 1950 kon de leus nog ‘gezag is gezag’ zijn, daarna werd het: ‘Jullie rechtsorde is de onze niet’. Dit alles heeft ook tot een grotere criminaliteit geleid. De democratisering betekende niet dat de overheid of het overheidsoptreden van minder belang wordt. Integendeel, het aantal ambtenaren is sinds 1950 sterk gestegen en overheidsregelingen namen alleen maar in aantal toe.

Gelijkheid
Er was een streven naar gelijkheid. In 1950 is er nog een grote sociale ongelijkheid, die als zodanig ook erkend en gerespecteerd wordt (‘wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje’). Na 1950 kwam er verandering: gelijke kansen en mogelijkheden voor iedereen. Maar na 1970 zet als gevolg van politieke wijzigingen deze ontwikkeling zich niet ongestoord door. Er is sprake van stabilisatie, want de bereikte gelijkheid wordt niet ongedaan gemaakt.

Huwelijk en gezin
Er zijn grote wijzigingen in de opvattingen over het instituut huwelijk en gezin gekomen. Echtscheiding is normaler geworden, alternatieve relatievormen meer geaccepteerd. Ook zijn er echtparen die bewust geen kinderen willen (terwijl in 1960 nog de toenmalige minister van Sociale Zaken weigerde een congres over geboortebeperking te openen). In 1965 vond nog 84 procent het bezwaarlijk dat een gehuwde vrouw met schoolgaande kinderen ging werken. In 1987 was dat nog maar 27 procent. In 1965 vond 60 procent dat gehuwden over het algemeen gelukkiger zijn dan ongehuwden, in 1987 dacht nog maar 21 procent zo.

Ontplooiing
Een andere ontwikkeling was de zelfontplooiing en zelfbeschikking. Dit heeft alles te maken met de processen van individualisering en subjectivering. In toenemende mate streven de mensen naar een ontplooiing van zichzelf overeenkomstig eigen geaardheid, ervaring en beleving. Op dit punt is een sterke liberalisering opgetreden. Er wordt ook wel gesproken van een seksuele revolutie. Terwijl in 1950 in grote delen van de samenleving homofilie een onbekend verschijnsel was, keurt men dat veertig jaar later veel meer goed. Abortus is ook geaccepteerd, alsmede euthanasie.

Cultuuromslag
Wat vinden mensen het belangrijkste in het leven? In 1966 was dat vooral een goed huwelijksleven en een goede gezondheid (allebei 35 procent). In 1987 was ‘een goede gezondheid’ al 57 procent en ‘een goed huwelijksleven’ 17 procent. Er is van een cultuuromslag te spreken. Ook is er een ontkerkelijkingsproces gekomen, dat wil zeggen dat een toenemend aantal mensen geen lid van een kerk meer is of zich niet langer als lid van een kerk beschouwt. De meeste kerken zijn in de loop van de tijd kleiner of zwakker geworden. Lastig voor ons is dat in vrijwel elk onderzoek alle gereformeerde kerkelijke groeperingen samen worden genomen. En de kleinere gereformeerde kerken groeien juist.

Minder en anders godsdienstig
Betekent deze ontkerkelijking nu ook een gelijktijdig toenemende ongodsdienstigheid in de Nederlandse samenleving? Dat is niet per definitie het geval, omdat godsdienst en kerk niet samenvallen. We hebben niet alleen te maken met een ontwikkeling in de samenleving waardoor minder mensen kerkelijk-godsdienstig zijn, ze zijn ook ánders godsdienstig. Mensen stemmen bijvoorbeeld minder in met traditioneel-orthodoxe leerstellingen. Er is ook een toegenomen religieuze tolerantie. Mensen hebben er in de loop van de tijd minder moeite mee gekregen dat hun kinderen anders godsdienstig of niet godsdienstig worden.

Drie keer secularisatie
Men is in de loop van de tijd minder waarde is gaan hechten aan het eigen geloofsleven en/of aan de betekenis van het geloof voor het eigen leven. De betekenis van de godsdienst voor de samenleving en de inrichting van de samenleving is afgenomen. De gehele ontwikkeling met betrekking tot godsdienst en kerk wordt ook wel met de term secularisatie aangeduid. Secularisatie doet zich op drieërlei wijze voor:
– Vermindering van de godsdienstigheid van de mensen (individueel)
– Beperking van de reikwijdte van de godsdienst (het samenleven)
– Aanpassing van de godsdienst (het kerkelijke leven)

Katholieken eerst niet, daarna sneller dan wie ook
Van de grote kerkgenootschappen is de Ned.Herv.Kerk altijd de meest ‘open’ kerkelijke groepering geweest. De gegevens wijzen uit dat zij dan ook het eerst en het sterkst beïnvloed is door het secularisatieproces. Tot aan de jaren vijftig hebben de rooms-katholieke kerk en de GKN zich sterk verzet tegen de door hen als negatief ervaren veranderingen in de samenleving. Vanaf die tijd voltrekt zich het secularisatieproces zich bij de katholieken echter in een zeer snel tempo; zo snel, dat geconstateerd kan worden dat zij al in 1979 veeleer de meest vérgaand geseculariseerde geloofsgroep vormden. En de gereformeerden? Ze hebben zich tot nu toe in godsdienstig opzicht redelijk gehandhaafd. Maar geldt dat ook voor de GKN? Alvorens we dit onderzoeken willen we eerst luisteren naar wat leden van de GKN zelf zeggen over hun kinderen en de ontwikkelingen daarin.

Jongeren die verandering willen
Het ligt voor de hand te veronderstellen dat een kerk, die zich in een zo snel en ingrijpend veranderde samenleving bevindt, ook zelf verandert. Dat zou alleen niet het geval zijn indien het die kerk gelukte zich volledig van de haar omringende samenleving af te sluiten. De GKN zíjn opener geworden naar de samenleving toe. ‘De grote verandering was wel, dat het tot verandering kwam’ (Booy). Na de Tweede Wereldoorlog werd de betrekkelijke rust in de GKN, die door velen als een gezapige rust ervaren werd, verstoord door het geluid van een aantal jongeren, van wie met name Thijs Booy de woordvoerder was.

Vernieuwingsmentaliteit
De jongeren die veranderingen van en binnen de GKN nastreefden waren zeer actief. Zij werden aanvankelijk ook gesteund door een aantal te goeder naam en faam bekend staande oudere leden van de GKN. Er was ook veel verzet tegen de mentaliteit en het optreden van die jongeren. Ja, de beweging riep zelfs een tegenbeweging op. Het verzet vanuit ‘het officiële gereformeerde leven’ heeft niet kunnen voorkomen dat zich grote veranderingen binnen de GKN hebben voorgedaan. Dit wijst er vermoedelijk toch wel op dat de vernieuwingsmentaliteit sterker verspreid was dan velen in de GKN geloofden of wilden geloven dat de verlangens en idealen, die toen door veel jongeren werden geformuleerd, een breder draagvlak hadden dan toen door velen werd verondersteld.

Verontrusten
Maar deze veranderingen riepen op hun beurt weer reacties op. Na en naast de ‘links-verontrustend’ lieten nu de ‘rechts-verontrusten’ van zich oren. Uit de titels van sommige publicaties kan men opmaken hóe verontrust zij waren. M.J. Arntzen schreef De crisis in de Gereformeerde Kerken (1965); K. Dijk, Koerswijziging in onze kerken? (1964); P.J. Huijser, Het verwordingsproces in de Gereformeerde Kerken (1969); H. van der Laan, Spanningen in de Gereformeerde Kerken (1965); A.M. Lindeboom, Moet dat zo doorgaan? (1981); A.M. Lindeboom, De theologen gingen voorop. Eenvoudig verhaal van de ontmanteling van de Gereformeerde Kerken (1987).

Arntzen en Berkouwer
Arntzen schreef: ‘De meest centrale waarheden van het gereformeerd belijden worden aangetast. En dat niet door enkele onbekenden, maar door zeer bekwame en geliefde leidende figuren. (…) En dat mag men niet lijdelijk toelaten. (…) Het gaat stap voor stap. Maar we zijn nu al gevaarlijk dicht bij de afgrond genaderd’. Bij hoevelen en in welke mate dit soort gedachten en gevoelens aanwezig waren is moeilijk vast te stellen. Maar dát er onrust en gevoelens van onbehagen waren valt moeilijk te ontkennen. Berkouwer zei: ‘Men voelt (…) een ander klimaat ontstaan. (…) Zo is het mogelijk, dat men (…) komt te staan voor de vraag of er niet een proces op gang gekomen is, dat op den duur toch een destructie van het belijden ten gevolge zal hebben’.

Herman Ridderbos
Herman Ridderbos schreef: ‘Dit neemt niet weg, dat hier dan toch ook de velen verontrustende vraag aan de orde moet komen, of (…) het “typische” of “eigen” karakter van onze gereformeerde kerken niet bezig is te verflauwen en te verzwakken, ja of – als het “zo door gaat”, zoals iemand mij schreef – het einde van deze kerken niet in het gezicht is’. Waarover gaat het dan? Ridderbos noemt drie aspecten: (a) Verzwakking van het gereformeerde kerkelijk besef; (b) Vervlakking van de gereformeerde prediking; (c) Secularisering van het gereformeerde leven.

De verontrusten organiseren zich
Degenen die later ‘verontrusten’ werden genoemd hebben zich op verschillende wijze georganiseerd. Sinds 1947 bestond er binnen de GKN reeds de Persvereniging Waarheid en Eenheid, die zich vooral bezighield met de gebeurtenissen rond de Vrijmaking maar in 1961 haar aandacht verbreedde tot de gehele ontwikkeling van de GKN en haar verontrusting daarover uitte. Omstreeks 1967 werd de Vereniging van verontrusten ‘Schrift en Getuigenis’ opgericht. In 1974 fuseerde deze vereniging zich met de reeds bestaande vereniging van verontrustend tot de Vereniging tot opbouw en bewaring van het gereformeerde leven ‘Schrift en Getuigenis’. In 1977 werd de Vereniging tot bevordering van het gereformeerd kerkelijk leven opgericht. In 1973 ontstond het Confessioneel Gereformeerd Beraad. Ook ter linkerzijde organiseert men zich, maar de geluiden van de ‘rechts-verontrusten’ klinken duidelijker. Dat kan zijn omdat de meer traditionele mensen vaak sterker zijn in het organiseren. En het is zo dat er juist veel veranderingen zich hebben voltrokken, waarvoor de a-traditionelen hebben gepleit.

De synode van 1969
De synode zei in 1969 dat zij ‘niet [wil] verhelen, dat zij met bezorgdheid de toenemende invloed van het wereldse, van de Schrift vervreemde leven en denken opmerkt, die het geloof der gemeente, haar optreden naar buiten, de theologie en de prediking bedreigt’. Uit alles blijkt dat naar het gevoel van velen de Gereformeerde Kerken als Gereformeerde Kerken in het geding zijn. Maar aan de andere kant: is het niet zo dat er altijd de neiging is te denken en te zeggen dat het vroeger beter was dan tegenwoordig en dat men dus altijd de neiging heeft in veranderingen tekenen van verval te zien? Hoewel dit aspect niet vergeten mag worden, kunnen we toch wel aannemen dat er iets meer aan de hand is.

In rapport met de tijd
De modern-gereformeerden willen de gereformeerde theologie in de lijn van de stichter van hun kerk, Abraham Kuyper, in rapport brengen met de tijd. De veranderingen worden pas een probleem als de indruk ontstaat dat door die veranderingen wat men dan noemt de identiteit van de kerken verloren gaat. Hier komen we aan de kern van het probleem. Bij de keuze voor aanpassing aan in plaats van verzet tegen de omgeving kunnen zij de aansluiting bij de samenleving behouden, maar lopen zij het risico hun godsdienstige identiteit te verliezen.

Leidende vraag
Lukt het de GKN om overeenkomstig de bedoeling van Kuyper hun levensbeschouwing bij deze tijd te doen aansluiten of is hun levensbeschouwing zo veranderd en aan het veranderen dat niet meer van een gereformeerde levensbeschouwing gesproken kan worden? De leidende vraag bij onze analyse is nu in hoeverre ook de GKN beïnvloed zijn door het zich voltrekkende secularisatieproces, in hoeverre zij daar ook onder te lijden hebben (gehad), ja, in hoeverre zij als kerken zelf geseculariseerd zijn. We gaan daartoe uit van in de sociologie gangbare secularisatietheorieën.

Daling ledental
Het eerste wat opvalt is de ontwikkeling van het ledental. Er is een piek tussen 1960 en 1965, maar vanaf 1968 groeien de GKN reeds minder dan de gehele bevolking. We zien een sterke daling van het aantal gedoopte kinderen tussen 1950 en 1990 (bijna 15.000 tegenover 7800). Dit wordt veroorzaakt door een sterke daling van het geboorteniveau onder de gereformeerden enerzijds en dat niet alle gereformeerde ouders geboren kinderen lieten dopen anderzijds. Dit is een belangrijke ‘verlies-factor’ voor de GKN. Ook vonden er veel kerkelijke overgangen plaats. Het grootste deel van degenen die zich aan de kerk onttrekken gaat niet over naar een andere kerk maar wordt buitenkerkelijk. Er is ook veel niet officieel geregistreerde kerkverlating: men vraagt bij verhuizing wel hun attestatie op, maar leveren die bij een andere plaatselijke kerk niet in.

Groei van strikte kerken
Een ander belangrijk aspect is de verhouding tussen het aantal doopleden en belijdende leden. Het aantal gedoopte kinderen is nog wel aanmerkelijk groter dan het aantal doopleden dat belijdenis aflegt. Met name doopleden onttrekken zich. Dean M. Kelley schreef in de jaren tachtig Why conservative Churches are Growing. Een striktheid zou aantrekkelijker zijn voor de mensen, zo concludeerde hij. De groei van de strikte kerken is niet te danken aan de aantrekkingskracht die zij op buitenstaanders zouden uitoefenen, maar aan het relatief hoge geboorteniveau en dat zij beter in staat zijn hun leden vast te houden.

Professionalisering
Hoe is het kerkelijk leven georganiseerd en welke veranderingen hebben zich in dit opzicht voorgedaan? Ten eerste is de landelijke organisatie gegroeid en er heeft professionalisering, centralisering en bureaucratisering plaatsgevonden. Professionalisering omdat dit werk vroeger door vrijwilligers of functionarissen in hun vrije tijd werden verricht, maar in toenemende mate verricht gaat worden door daartoe vrijgestelden. Er is een grote toename van het aantal gespecialiseerde predikanten ten behoeve van de zogenoemde categoriale zielzorg (zoals studenten-, gevangenis- en ziekenhuispredikanten). Ook de generale synode werd een steeds professionelere organisatie.

Centralisering en bureaucratisering
Centralisering: een belangrijk principe van de GKN is altijd geweest de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk. Men had geen sterk centraal orgaan. Er heeft zich onmiskenbaar een verschuiving voorgedaan van de ‘mindere’ vergaderingen naar de ‘meerdere’. In de jaren zeventig werd een ‘Breed Moderamen’ van de synode ingesteld, dat in de loop van de tijd een steeds belangrijker plaats ging innemen. De synode vergadert frequenter en langer en er is een tendens in de richting van een permanent aanspreekbaar orgaan. In de jaren zestig werd een ‘secretaris voor algemene zaken’ benoemd. Bureaucratisering: in 1950 was het aantal vrijgestelden binnen de landelijke kerkelijke organisatie op twee handen te tellen. In 1990 werkten in het Dienstencentrum in Leusden rond de 150 personen.

Oligarchievorming
Professionalisering, centralisering en bureaucratisering zijn geen aangenaam klinkende termen binnen kerkelijke kring. We hebben hier te maken met in de samenleving passende processen. En aangezien het kerkelijk leven met ons gehele samen-leven verbonden is, is het voorkomen van deze processen in het kerkelijk leven dus ook niet zo vreemd. Het ‘Weber-Michels-model’ zegt dat groeperingen en organisaties ontwikkelen: oligarchievorming en doelverlegging. In elke groeiende en complexer wordenden organisatie is er het gevaar van oligarchievorming, dat wil zeggen het gevaar dat de macht geconcentreerd wordt in de handen van de minderheid en er een groeiende kloof ontstaat tussen de leiders van de organisatie en de gewone leden.

Doelverlegging
Daarnaast is er in een groeiende organisatie het permanente gevaar van doelverlegging. De oorspronkelijke externe doeleinden raken in toenemende mate uit het vizier en de interne doeleinden, het behoud en het floreren van de organisatie dus, komen steeds meer in het centrum van de aandacht te staan. Er is met andere woorden steeds het gevaar dat de organisatie doel in zichzelf wordt. Ondanks hun verschillende kerkelijke en theologische tradities en opvattingen gaan kerken die bureaucratiseren sociologisch gezien steeds meer op elkaar lijken. Ze gaat op een rationele manier met elkaar om. Dit bevordert de toenadering en samenwerking tussen kerken.

Verandering in structuur
De inrichting van het kerkelijk leven is ook fors veranderd. We denken dan aan de structuur van de gemeente, de plaats van de ambten, de positie van de vrouw in de kerk en de tucht. Tot 1950 was er nog een vaste en vrij eenvoudige structuur. In de loop van de tijd kwam het onderscheid tussen kerkenraad algemene zaken en wijkkerkenraden en daarna kwam er de mogelijkheid van een kleine kerkenraad met een aantal sectieteams en taakgroepen. Op plaatselijk niveau is er in de structurering van de gemeente een grote vrijheid.

Diakenen telden niet mee
Synoderapporten uit 1969 en 1982 zeggen dat ‘de gemeente moet open staan voor de uitdagingen van de samenleving’ en dat ‘gemeente-zijn een verantwoordelijkheid [is] van de gehele gemeente en niet alleen van de kerkeraad en een aantal kommissies. Het ambt heeft met name een stimulerende en koördinerende taak’. De grotere gelijkheid blijkt onder meer uit de veranderde positie van de diakenen. Op landelijk niveau speelden zij in 1950 nog nauwelijks een rol: op veel zittingen van de generale synode waren zij gewoon niet aanwezig. Deze verandering kan overigens ook een indicatie zijn van een naar verhouding toegenomen betekenis van de diaconale activiteiten in de loop van de tijd.

Predikant geen voorzitter kerkenraad meer
Ook de predikanten nemen een minder uitzonderlijke positie in. Was volgens de oude kerkorde de predikant altijd de voorzitter van de kerkenraad, nu vaak niet meer. Op landelijk niveau was illustratief dat de eerste adjunct-directeur van het Zendingscentrum een predikant moest zijn, maar dat die functie later door een econoom werd vervuld. Op plaatselijk niveau zien we dat veel kerken sinds ongeveer 1970 contactpersonen of pastorale medewerkers hebben die het werk doen dat vroeger uitsluitend door ouderlingen werd verricht. Dit hangt overigens ook samen met het feit dat in veel plaatsen een onvoldoende aantal kerkleden bereid is ouderling of diaken te worden.

Vrouw in het ambt
Het ambt staat kortom minder bóven of tegenover de gemeente en het wordt meer gedefinieerd met het oog op de werkzaamheden bínnen het gehele kerkelijke leven. Grote wijzigingen hebben zich ook voorgedaan met betrekking tot de plaats van de vrouw in het kerkelijk leven. In 1946 durfde de synode niet eens positief te reageren op het voorstel om vrouwelijke studenten tot de colleges aan de Theologische Hogeschool toe te laten (zij liet het aan het oordeel aan de curatoren over). Begin jaren vijftig besloot de synode dat de kerken actief kiesrecht mochten invoeren. In 1959 kon de preses van de synode zijn openingstoespraak nog rustig beginnen met ‘mannenbroeders’, maar in de jaren zestig komt de omslag: in 1963 besluit men een onderzoek in te stellen naar de plaats van de vrouw in de kerk, in 1965 spreekt ze uit dat het mag en in 1967 besluit de synode de vrouw tot het ambt toe te laten; in 1969 wordt dit bekrachtigd.

Tucht
Wat betreft de tucht heeft zich een merkwaardige ontwikkeling voorgedaan. Enerzijds heeft de regeling hieromtrent zich uitgebreid, met name waar het de tucht over de ambtsdragers betreft, en anderzijds is de praktijk ervan vrijwel verdwenen. Dit hangt samen met de bureaucratisering Het gaat namelijk niet om een inhoudelijke uitbreiding. Nee, het is vooral een procedurele uitbreiding: in een groeiende en complexer wordende organisatie moet de rechtspositie van de leden en de functionarissen goed geregeld worden.

Het kon ook niet meer functioneren
Midden in de jaren zestig constateerde de synode reeds dat de tucht niet goed meer functioneerde, vooral in geval van ‘ergerlijke onverschilligheid’ van de zijde der gemeenteleden. Vroeger wilde men kennelijk nog ambtsdrager zijn, ook als men daar in de ogen van de kerk niet voor in aanmerking kwam, zodat men zo’n persoon uit het ambt moest weren. En vroeger wilde men kennelijk nog lid zijn en aan het kerkelijk leven deelnemen, ook als men in leer of leven afweek van de kerkelijke norm, zodat men zo iemand moest afhouden van het avondmaal. Thans is er geen enkele sociale noodzaak meer om ambtsdrager of actief kerklied te zijn en kán de tucht in de traditionele zin des woords dus niet meer functioneren.

Veranderbaarheid van de kerk
De groei van de kerkelijke organisatie en de veranderingen in de inrichting van het kerkelijk leven zijn vanzelfsprekend gepaard gegaan met veranderingen in de kerk-opvatting. De belangrijkste tendens is misschien wel de erkenning van de veranderbaarheid van de kerk. Heel lang heeft de gedachte overheerst dat de kerk een gegeven instituut is, waarvan de aard en de vorm – op bijbelse gronden – vastligt. Nog heel lang wilde men het niet kerkrechtelijk regelen dat gereformeerden (het ging over ‘verontrusten’) lid konden worden van andere dan de eigen plaatselijke kerk, want ‘legalisering van zulk een kerk is principieel onaanvaardbaar, daar zij de geestelijke eenheid van de kerk als gave en doel op het spel zet’.

Democratisering en grotere pluraliteit
Er is ook een tendens tot democratisering. Zo besloot de synode van 1989 het Jongeren Synodeberaad actief te laten deelnemen aan synode- en commissievergaderingen, dit om de jongeren vast te houden. Ook kreeg men meer oog voor de rol van de (leden van de) gemeente. De ambtsdragers hadden dan tot taak ruimte te scheppen en te laten voor initiatieven uit de gemeente. Een derde tendens is die in de richting van een grotere pluraliteit, dat wil zeggen van het ontstaan én het toelaten van een grotere verscheidenheid in geloofsbelevingen en –opvattingen binnen de eigen kerk. Kuyper sprak ook wel van de ‘pluriformiteit der kerk’, maar dat was externe pluraliteit.

Geen kerkscheuring meer
Waar men vroeger de ‘oplossing’ van dit probleem zocht in kerksplitsing, aanvaardt men nu interne pluraliteit. Ongetwijfeld spelen hier de negatieve ervaringen van de Vrijmaking in 1944 een rol. De acceptatie van die pluraliteit heeft overigens pas geleidelijk plaatsgevonden. In het begin van de door ons onderzochte periode streefde de synode in allerlei opzichten nog naar homogeniteit. In 1952 nog wil de synode slechts één orde van dienst vaststellen en niet vier, waaruit de kerken zouden kunnen kiezen.

Groeiende openheid
Een vierde tendens is de groeiende openheid. In de jaren tachtig stelde de synode vast dat een officiële registratie van ongedoopt gebleven kinderen op principiële en praktische bezwaren stuit, maar men adviseerde wel een lijst aan te leggen hiervoor. In 1989 aanvaardde de synode met het oog op de groeiende randkerkelijkheid het rapport ‘Hoe te handelen met passieve leden’, waarin de suggestie van een ‘schaduw-administratie’ voorkomt. De vier door ons genoemde tendensen versterken elkaar. Met elkaar hebben zij binnen de GKN tot een bijna revolutionaire verandering in de kerk-opvatting geleid.

De kerkdienst
Zeer lang – en ook nog in 1950 – namen de kerkdiensten een zeer centrale plaats in binnen de GKN en voltrokken de kerkdiensten zich ook volgens een vrij vast patroon. Deze situatie is in allerlei opzichten veranderd: de kerkdiensten duren korter, er wordt meer aandacht geschonken aan kinderen (kinder-nevendiensten), er is meer aandacht voor de liturgische vormgeving, de formulieren zijn veranderd, gemoderniseerd en later ook ingrijpend inhoudelijk veranderd, er kwam een nieuwe gezangenbundel, een nieuwe psalmberijming en de voorlezing van de Tien Geboden raakte in onbruik. Er is een grote variatie in de vormgeving van de diensten ontstaan.

De doop
Nadat de synode diverse malen de instelling van de tweede kerkdienst handhaafde, constateerde zij aan het eind van de jaren tachtig dat veel kerkenraden niet meer in staat zijn de eigen tweede kerkdienst te handhaven als gevolg van het teruggelopen kerkbezoek. Vooral in het Westen bleek het kerkbezoek gering te zijn en daar trad de daling ook het eerste op. Wat betreft de doop is de doopvraag ‘of men ook belijdt dat kinderen behoren gedoopt te wezen’ veranderd in ‘of men verlangt dat het kind gedoopt wordt’. De doop krijgt dus een minder verplichtend karakter. Dit blijkt eveneens uit de opdracht van de synode in de tweede helft van de jaren tachtig om de mogelijkheid van het ‘opdragen’ in plaats van dopen van kinderen te bestuderen.

Het avondmaal
Minder ouders laten hun kinderen dopen én de kinderen worden láter gedoopt. De zogenaamde vroegdoop komt vrijwel niet meer voor. Rond 1950 werd 80 procent van de kinderen binnen een maand na de geboorte gedoopt, in 1988 was nog geen 30 procent jonger dan vijf weken. Werkelijk revolutionaire wijzigingen hebben zich voorgedaan met betrekking tot het avondmaal. Rond 1950 was het nog een zwaarwichtig gebeuren. Nu vindt het veel frequenter plaats, is het meer geïntegreerd in de ‘gewone’ kerkdiensten en is de toegang niet beperkt tot belijdende leden. Zelfs kinderen werden in 1977 toegelaten. Het ritueel van het avondmaal is thans veel minder gericht op de versterking van het individuele geloof en van de overtuiging dat de zonden vergeven zijn door de dood van Christus en veel meer op de versterking van de onderlinge gemeenschap.

Catechese
Met de term toerusting hebben we zowel het onderricht in de leer van de kerk (de catechese) als de bezinning op het geloof in het kerkelijk of semi-kerkelijk verenigingsleven op het oog. Het gaat hier over cultuuroverdracht, socialisatie en enculturatie: processen waardoor mensen zich de cultuur van hun groepering eigen maken. De catechese was in 1950 een vast en vanzelfsprekend onderdeel van het kerkelijk leven. Over de deelname nu is weinig exact bekend. Maar vooral vanaf 16 jaar daalt de deelname sterk. Er zijn ook grote regionale verschillen. Het is een feit dat veel minder doopleden belijdenis doen. In ongeveer driekwart van de gemeenten is er één of andere vorm van huis-catechese. Er is relatief weinig ‘overdrachts-catechese’ meer en er is vooral veel bezinning op levens-, geloofs- en zingevingsvragen.

Verenigingen
De verenigingen hebben altijd een zekere zelfstandigheid ten opzichte van de kerk gehad en dus is het strikt genomen niet juist om de verenigingsactiviteiten tot het werk van de kerk te rekenen. In 1950 was er de Bond van Jongelingsverenigingen, de Bond van Meisjesverenigingen en de Bond van Gereformeerde Jeugdorganisatie (voor jongeren tot 16 jaar). In de loop van de tijd gingen de bonden op in het in 1965 gestichte Landelijk Centrum voor Gereformeerd Jeugdwerk en ontstonden er ook provinciale en grootstedelijke centra die, evenals het landelijk centrum, werden gesubsidieerd door de overheid. Het jeugdwerk werd steeds meer geprofessionaliseerd.

Doodgebloed
De deelname aan het jeugdwerk was in 1950 relatief hoog. De jongelings- en meisjesverenigingen hadden samen rond 46.000 leden, hetgeen betekent dat meer dan de helft van degenen die er voor in aanmerking kwamen lid was. Het ledental daalde in de jaren vijftig zeer snel. De inhoud veranderde ook sterk. Wat de volwassenen betreft is er de Gereformeerde Vrouwenbond en de Bond van Gereformeerde Mannenverenigingen in Nederland. Met name de mannenbond is achteruitgegaan: van 13.000 leden in 1950 naar 1800 in 1990. Tegenover dit alles staat dat er plaatselijk veel vormings- en toerustingswerk is ontstaan.

Pastoraat
Het pastoraat was in 1950 toevertrouwd aan de predikanten en de ouderlingen en de vorm waarin die plaatsvond was die van het huisbezoek. Thans wordt het pastoraat minder ‘gewichtig’ geformuleerd. Het heeft ook een minder vaste en duidelijke plaats. Het is vaak meer het onderhouden van een algemeen contact met de leden van de kerk en een poging mee te leven met de leden in bijzondere situaties dan een contact waarop de woorden herderlijke zorg, opzicht en vermaan van toepassing zijn. Daarnaast vindt er echter ook een professionalisering van het pastoraat plaats. In 1977 werd pastoraat geformuleerd als ‘het signaleren van actuele vraagstukken met betrekking tot vragen van kerk en samenleving…’

Diaconaat
Met betrekking tot het diaconaat hebben zich heel duidelijk grote en principiële wijzigingen voorgedaan. Diakenen zijn gelijkwaardig geworden en het diaconaat vormt nu een essentieel deel van het kerkelijk werk. De hoofdtaak rond 1950, het materieel helpen van individuele mensen die in moeilijkheden verkeren, is nu vrijwel verdwenen. Die taak is overgenomen door de overheid. De aandacht ging meer naar de hulp aan andere instellingen die op het maatschappelijk vlak werkzaam zijn, zoals het werelddiaconaat. Dit heeft ook tot gevolg dat de kerken sterk op de ontwikkelingen in de samenleving betrokken zijn geraakt.

Apostolaat
Met apostolaat bedoelen we al die activiteiten van de kerk die bedoelen het geloof te verbreiden. In de oude kerkorde stond slechts één artikel over de zending en over evangelisatie stond niets vermeld. De nieuwe kerkorde wijdt tien artikelen aan evangelisatie en zending. Er is ook een duidelijke verschuiving in de aard van het werk. Tekenend is wat de synode in de jaren tachtig zegt over de relatie tot de islam; zij geeft dan de opdracht ‘een kerkelijk getuigenis voor te bereiden dat bedoeld is als oproep en bemoediging voor allen die zich inzetten om ons land bewoonbaar te houden voor alle bewoners, met name ook de moslims’.

Zending en evangelisatie
Op zendingsgebied is er minder plaats voor eenzijdig getuigenis en meer voor dialoog. Op evangelisatiegebied ligt het niet anders. In 1973 luidde de doelstelling: ‘In het geheel van Gods opdracht verstaan wij onder evangelisatie dié kommunikatieve bestaanswijze en werkzaamheid, waarbij de gemeente(leden) als deelgenoot(en) in Jezus’ zending, uitnodigt(en) om te delen in het bevrijdend handelen van de Heer’. Er is dus een verschuiving in motief en doel van het redden van mensen naar het vernieuwen van de wereld. Waar het vroeger ging om ‘het doorgeven van de vaststaande bijbelse feiten met het oog op persoonlijke bekering’ gaat het nu om ‘meewerken aan de komst van het Koninkrijk Gods’. De houding ten opzichte van ‘buitenstaanders’ is kortom minder antithetisch.

Relatie met Ned.Herv.Kerk
Omstreeks 1950 bestonden er in Nederland nauwelijks relaties met andere kerkelijke groeperingen. De GKN vormden een vrij geïsoleerd genootschap, dat enige marginale contacten had met de overige gereformeerde kerkelijke groeperingen en dat zich sterk distantieerde van de Ned.Herv.Kerk. In 1956 wordt gezegd: ‘Dit neemt niet weg, dat tussen u en ons, – en wij constateren dit met droefheid – nog ingrijpende verschillen zijn overgebleven, die het kerkelijk gescheiden zijn noodzakelijk maken’. Maar in 1984 leggen de beide synoden ‘getuigenis af van onze verbondenheid in Jezus Christus. (…) Deze verbondenheid gaat boven onze verschillen uit. Wij zouden onze schuld tegenover God en mensen groter maken, indien wij in de gescheidenheid zouden berusten. Wij danken God voor de beweging van toenadering waarin wij betrokken zijn’.

Gereformeerde Oecumenische Synode en Wereldraad van Kerken
Het gevolg van deze grotere openheid van de GKN was dat het contact met de andere gereformeerde groeperingen vastliep. Ook de houding tegenover de rooms-katholieke kerk is radicaal veranderd. De deelname aan de Raad van Kerken in Nederland ligt in dezelfde lijn. Internationaal waren er in 1950 uitsluitend contacten met gereformeerde kerken elders en waren de GKN lid van de Gereformeerde Oecumenische Synode, waarin ze een belangrijke rol speelde. De contacten binnen deze organisatie verliepen echter steeds moeizamer en de positie van de GKN raakte steeds meer omstreden. De oorzaak lag in de positieve houding van de GKN tegenover de Wereldraad van Kerken. De gereformeerde synode constateerde in 1949 nog ‘met droefheid’ dat men niet tot de Wereldraad kon toetreden. In 1963 echter zag ze dat er ‘geen doorslaggevende verhindering’ was om zich bij de Wereldraad aan te sluiten. In 1970 gaat de synode ertoe over het lidmaatschap van de Wereldraad van Kerken aan te vragen.

Samen op Weg
Het Samen-op-Wegproces kwam omdat de GKN hun aanhang zagen verkleinen; ze moesten hun best doen om hun aanhang vast te houden. In economische termen uitgedrukt: de verschillende kerken bevinden zich op de godsdienstige en levensbeschouwelijke markt en moeten ter wille van hun voortbestaan iets aan klantenbinding doen. Zij zijn in zekere zin elkaars concurrenten, maar omdat zij rationele organisaties zijn geworden ontstaat er als vanzelf een tendens tot kartelvorming. Ook dat bevordert de samenwerking tussen de kerken. Het streven naar fusie met andere kerken is mogelijk niet alleen een gevolg van de bedreigde situatie waarin men verkeert, maar heeft ook tót gevolg dat het zelfstandig voortbestaan van de GKN zeer dubieus is.

Sociale controle
De sociologische studie van de sociale controle betreft het blootleggen van processen en voorzieningen, die in een sociaal systeem een dynamisch evenwicht in stand houden of herstellen. Ten eerste wordt welhaast elke groep of collectiviteit geconfronteerd met nieuwelingen, die ingelijfd moeten worden. Structurele en culturele continuïteit vereisen voorzieningen voor cultuuroverdracht. Ten tweede bewaakt elke groepering de naleving van de normen. Een groepering kent daarom altijd wel bepaalde sancties. Ten derde is iedere groepering gesteld voor het probleem van de verslapping van het normbesef. Zonder ceremoniën en riten dreigt elke cultuur haar stuurkracht te verliezen of zelfs te verdwijnen. Ten vierde heeft elke groepering te maken met het probleem van toevoer, doorstroming en afvoer der leden. De structuur kan alleen dan enigermate stabiel zijn, indien voorzieningen voor positietoewijzing een voortdurende bezetting der posities waarborgen.

Radicale verandering Schriftvisie
Als in de visie op en de houding tegenover de Bijbel veranderingen optreden, moeten die veranderingen van grote betekenis zijn voor het gehele geloofsleven en ook voor het kerkelijk leven. Wij weten dat binnen de GKN zich op dit punt een radicale verandering heeft voorgedaan. In de jaren vijftig waren er nog geen discussies omtrent de aard en het gezag van de Bijbel als Gods Woord. Daarvan merken we op synodaal niveau pas iets in de jaren zestig. In 1965 wordt in een rapport over de positie van de vrouw gesproken over ‘de tijdgebondenheid van verschillende Paulinische uitspraken’. De ingrijpende beslissingen vinden echter plaats in de jaren zeventig.

God met ons
In 1981 verschijnt het rapport God met ons, waarop de Evangelische Omroep een ‘tegenrapport’ schrijft: De Bijbel in de beklaagdenbank. Het rapport gaat over de aard van het Schriftgezag en beschrijft de kentering die zich in de periode na 1950 aftekent: men wil opnieuw de vraag gaan stellen wat de menselijke bemiddeling in de Bijbel inhoudt. Men dacht in de lijn van Herman Bavinck te gaan wiens uitleg uit angst voor het aantasten van de historiciteit niet was gevolgd. Men houdt het gezag en de betrouwbaarheid van de Schrift staande, maar voerden niet langer een pleidooi voor onfeilbaarheid in de zin van foutloosheid.

Geen stelsel van waarheden
De bezinning op het Schriftgezag wordt steeds meer gevormd door de vraag welke betekenis de Schrift toekomt met het oog op de problemen, waarmee we in onze tijd en in onze wereld geconfronteerd worden. ‘De vraag naar de juiste uitleg werd niet meer zozeer vanuit de oorsprong der Schrift in het verleden, als wel vanuit de werking der Schrift in het heden aangevat’. ‘De grondfout van dat opereren met beginselen (…) was de veronderstelling dat in de Bijbel (…) een welsluitend stelsel van waarheden te vinden zou zijn’.

Relationeel waarheidsbegrip
De Bijbel in de beklaagdenbank zegt dat ‘Gods Geest gewaakt heeft over elk woord dat werd opgeschreven, en dat dáárom de Bijbel géén menselijke vergissingen kan bevatten, ook niet op het punt van de natuur en de geschiedenis’. De Bijbel is in de visie van de GKN een ‘menselijker’ boek geworden. De waarheid openbaart zich alleen in een nauwe relatie tussen de mens als subject en het Woord van God als object. Of, zoals God met ons het zelf zegt: ‘Dat de waarheid Gods er niet is zonder de inzet van de mensen’. Dit is het zogenaamde ‘relationele waarheidsbegrip’. De buiten geloof en kerk opgedane ervaringen spelen nu mede een rol. Dáár ligt het fundamentele belang van deze veranderde visie op en houding tegenover de Bijbel.

Kuitert kan zijn gang gaan
De officiële leer van de GKN ligt vast in de belijdenisgeschriften. Een verandering in de leer zou dus uit een door de synode vastgestelde verandering in die belijdenisgeschriften moeten blijken. Maar de praktijk was dat opvattingen – ook officieel – veranderden zónder dat de belijdenis veranderde. De leeruitspraak van de synode van Assen in 1926 werd in 1967 herroepen, een unieke gebeurtenis. In 1969 werd Kuiterts ontkenning van de historiciteit van de zondeval afgekeurd, maar de synode voegt daar direct aan toe ‘dat het intussen gebleken is, dat dr. Kuitert ook op de synode in zijn gevoelen niet alleen staat’ en ‘dat zij daarom van oordeel is, dat de eenheid van het kerkelijk belijden niet op een zodanige wijze in geding moet worden geacht, dat daarover thans nadere beslissingen zouden moeten worden genomen’. We zien dus een relativering van de betekenis van de leer. Er werd een afwijking van de belijdenis geconstateerd zonder er correctieve maatregelen aan te verbinden.

Wiersinga
Een tweede belangrijk kwestie heeft zich in de afgelopen decennia afgespeeld rond dr. H. Wiersinga. Daarbij was de verzoeningsleer in het geding. Hij had bezwaren tegen de traditionele gereformeerde verzoeningsleer. Hij stelde dat de liefdedaad van God slechts het begin was; er gaat een schokeffect van uit, ze roept een reactie op van inkeer en omkeer. En pas door deze reactie van ons ontstaat er verzoening, zonder die wordt de relatie tussen God en mensen niet hersteld. Wiersinga maakte bezwaar tegen de eenzijdig-juridische formulering van de leer van de verzoening in de belijdenis en vroeg meer aandacht voor de mens en de menselijke activiteit in het verzoeningsproces.

Ontoelaatbaar, maar…
De synode liet een boodschap uitgaan, waarin het belang van de traditionele verzoeningsleer werd onderstreept. Tenslotte spreekt men uit dat de opvattingen van Wiersinga ontoelaatbaar zijn. Toch loopt deze hele kwestie procedureel met een sisser af: er komt geen tuchtprocedure van de synode; deze laat de afhandeling aan de kerkenraad (Amsterdam), die er vervolgens niets mee gedaan heeft. In feite heeft de synode binnen de kerken opvattingen getolereerd die in strijd zijn met de traditionele verzoeningsleer. De synode zegt in 1975: ‘Wij hebben geleerd anders met elkaar om te gaan. (…) De gemeente zal meer oog moeten hebben voor het positieve en voor het feit dat de zaak meer dimensies heeft. De gemeente van Jezus Christus wordt in toenemende mate zich bewust dat ze vele vragen niet kan overzien. We staan voor een verantwoordelijkheid zó nijpend, dat we elkaar in alle opzichten zullen moeten vasthouden’.

De verwerping uit de Dordtse Leerregels
Over de leer omtrent de uitverkiezing werd in 1969 een bezwaarschrift van een ouderling van de GKN tegen het ‘besluit der verwerping’ uit de Dordtse Leerregels behandeld. De synode erkende de rechtmatigheid van de ingebrachte bezwaren. ‘Derhalve moeten de bedoelde passages van de Dordtse Leerregels geacht worden te vallen onder de “factoren” die “in de weg staan aan het vragen van volledige instemming” met de Drie Formuleren van Enigheid’. Deze vaststelling heeft betrekkelijk geruisloos plaatsgevonden. De synode heeft op dit punt geen nieuwe leer geformuleerd. De GKN zijn er steeds minder voor gaan voelen in de oude belijdenisgeschriften veranderingen aan te brengen (zoals in 1905 artikel 36 uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Vraag en antwoord 80 van de Heidelbergse Catechismus (de paapse mis als vervloekte afgoderij) werd in 1969 tijdgebonden geacht, waardoor dit punt feitelijk buiten werking is gesteld.

Niet veroordeling, maar het gesprek voortzetten
Op synodaal niveau is niet veel meer gebeurd, dus officieel hebben zich geen andere belangrijke veranderingen in de leer voorgedaan. Maar daarmee is niet alles gezegd. Denk alleen al aan de veranderingen in de kerkopvatting, de plaats van het ambt en de vrouw daarin, de praktijk van de tucht, de toegenomen en toegelaten pluraliteit, veranderde opvattingen inzake het apostolaat en de houding met betrekking tot andere kerken. Ook in ethische kwesties hebben zich ingrijpende veranderingen voorgedaan. Meermalen is op verschillende synoden gesproken over de opvattingen van theologen als Baarda en Kuitert, zonder dat het tot een definitieve be- of veroordeling kwam (‘het gesprek voortzetten’).

Geduld hebben met mensen die niet in opstanding geloven
We kunnen concluderen dat bijvoorbeeld de leer van de erfzonde, de opvattingen over het leven na dit leven, alsmede de opvattingen over de wonderen, de maagdelijke geboorte en de lichamelijke opstanding – niet officieel, maar wel in de praktijk van het kerkelijk leven – allerminst onaangetast zijn gebleven. Wat betreft de opstanding van Christus is dit zelfs wel min of meer officieel, getuige de opmerking in het rapport God met ons, ‘dat de Bijbel zelf ons leert dat de kerk, pastoraal gezien, veel geduld zal moeten hebben met mensen, die de historiciteit van de opstanding niet meer kunnen aanvaarden’.

Veranderde preken
Uit een analyse van de inhoud van preken uit 1957 en 1987 blijkt dat er anders over God wordt gesproken (minder als ‘hoogverheven autoriteit’) en ook anders over Jezus (veel meer aandacht voor de mens Jezus). Tevens blijkt dat er in de preken minder over hemel, hel, engelen en duivel gesproken wordt én dat er wat deze onderwerpen betreft een verschuiving is in de richting van een meer immanent en meer symbolisch spreken. Alles wijst op grote verschuivingen in de leer van de kerk, meer en minder officieel, meer of minder formeel vastgelegd, maar wel feitelijk zich voordoend. Waarbij de belangrijkste wijziging misschien wel is de verandering in de betekenis van de leer binnen de GKN.

Conflicten voorkomen
In de jaren zeventig doet zich een ‘hausse’ in leerkwesties voor, maar daarna staan de meer ethisch getinte kwesties (zoals kernbewapening en homofilie) in het centrum van de synodale aandacht. Van oudsher was er binnen de GKN een zekere harmonie tussen de vigerende theologische denkbeelden. Na min of meer krampachtige pogingen om de eenheid op dit punt te handhaven, gaat de synode steeds meer nadruk leggen op de eenheid in het belijden (dynamisch) en geloven, óók als er wat de leer of de theologie betreft geen eenheid meer is, en probeert zij conflicten tussen theologie en kerk zoveel mogelijk te voorkomen.

Afnemende betekenis van de leer
De theologie en de leer komen kerkelijk gezien op het tweede plan. Daarom wordt ook een zekere vrijheid in de leer toegestaan, opdat een verdeeldheid in de leer niet meer zoals vroeger de eenheid van de kerk in gevaar brengt. Het wijst alles op een afnemende betekenis van de leer voor en binnen het kerkelijk leven. Herman Ridderbos sprak in 1961 reeds over ‘een minder dogmatische en meer bijbelse benadering van de geloofsinhoud’. Men spreekt ook wel over een verschuiving van orthodoxie naar ethicalisme.

Eenparig geloofsgetuigenis
De belijdenis neemt binnen het gereformeerd-kerkelijk leven vanouds een centrale plaats in. Sprekend over de belijdenis zijn er twee belangrijke zaken: de inhoud van de belijdenis en de binding aan de belijdenis. Het is duidelijk dat men binnen de GKN in de loop van de tijd steeds meer moeite heeft gekregen met de inhoud van de drie officiële belijdenisgeschriften. In de jaren zeventig wordt er dan ook openlijk uitgesproken dat er behoefte is aan een nieuwe belijdenis. Door G.C. Berkouwer en H.N. Ridderbos werd een eenparig geloofsgetuigenis opgesteld, maar het kreeg niet de status van een belijdenisgeschrift. Alle pogingen tot vernieuwing van de belijdenisgeschriften zijn uiteindelijk op niets anders uitgelopen dan op de vaststelling van een taalkundig betere tekst.

Binding aan de belijdenis
Omdat wel de opvattingen over maar niet de inhoud van de belijdenisgeschriften gewijzigd zijn, betekent dit concreet dat de veranderingen met name constateerbaar moeten zijn rond de binding aan de belijdenis. Dat blijkt ook inderdaad zo te zijn. Van oudsher was het gebruikelijk dat de ambtsdragers, zowel predikanten als ouderlingen en diakenen de belijdenis moesten ondertekenen. Tot in de jaren vijftig leverde dit nauwelijks problemen op. Maar gelet op hetgeen we hiervoor hebben geconstateerd werd het steeds moeilijker ‘volledige instemming’ te vragen. De synode van 1969 stelde vast ‘dat bedenkingen tegen een wijze van inkleding of tegen de betoogtrant van de 3 formulieren van enigheid geen bezwaar behoeven te zijn om toch de volledige instemming (…) te betuigen’.

Dynamische binding: elastiek
Het resultaat was dat de ondertekeningsformulieren werden herzien, soepeler geformuleerd. Men gebruikt in dit verband vaak de – niet door de synode geautoriseerde – uitdrukking ‘dynamische binding’ aan de belijdenis (wat neerkomt op elastiek, zo zei eens iemand). De plaats van het doen van openbare belijdenis is ook veranderd. Er wordt op geen enkele wijze meer gesproken over een belijdenis(geschrift). En de betekenis van het doen van belijdenis voor de deelname aan het avondmaal is natuurlijk verdwenen omdat ook doopleden aan het avondmaal kunnen deelnemen. De synode van 1987 bepaalde dat in uitzonderingsgevallen belijdenis ook ten overstaan van de kerkenraad kan plaatsvinden en dus niet in het midden van de gemeente.

Aanpassing
Aanpassing van de godsdienst is één van de vormen van secularisatie. Verzet heeft tot meest waarschijnlijke gevolg dat men zich in meer of mindere mate afzondert van de omgeving, maar bij aanpassing is er het risico dat de groepering haar godsdienstige identiteit verliest. Vaak kan pas achteraf worden vastgesteld of het om de ‘normale’, de gebruikelijke aanpassing gaat, waarbij de groeperingen haar eigen identiteit handhaaft of kan handhaven, dan wel om een aanpassing aan tendensen die tot secularisatie leiden. Drie processen zijn kenmerkend voor de ontwikkeling van onze huidige samenleving: rationalisering, democratisering en subjectivering.

Wetenschappelijk denken
Met rationalisering bedoelen we het doordringen van het rationele, doelmatige denken en handelen in heel de samenleving en in alle samenlevingsverhoudingen. Er ontstaat daardoor in toenemende mate het gevoel van berekenbaarheid, maakbaarheid, beheersbaarheid en voorspelbaarheid van de ontwikkelingen. Met het daarbij passende gevoel dat het de méns is die het doet en dat de gebeurtenissen niet plaatsvinden overeenkomstig een voorgegeven natuurlijke of goddelijke orde. De wetenschap en het wetenschappelijk denken neemt een centrale plaats in de samenleving in.

Aantasting van de traditie
In het proces van democratisering gaat het om het streven iedereen die tot nu toe machteloos was met betrekking tot de inrichting van het eigen leven en de samenleving te betrekken bij de gang van zaken in eigen omgeving en groepering. In principe wordt iedereen daardoor mede-verantwoordelijk en dus ook mede-bepalend voor de inrichting van het (samen)leven. Dit proces leidt tot een spreiding van de macht en tot een aantasting van elke in de traditie dan wel een natuurlijke of goddelijke orde gefundeerde rangorde in de samenleving of de groeperingen waartoe men behoort.

Waarheden variëren
Met subjectivering doelen we op de ontwikkeling dat de subjectieve ervaring, de beleving van de mensen belangrijker wordt dan hetgeen zogenaamd vaststaat, dan het voorgegevene en het voorgeschrevene. Het gaat hier om niet minder dan om een verandering van de bewustzijnsvorm van de mensen, waardoor zij de zaken om hen heen anders waarnemen, anders kennen en anders waarderen. Als gevolg van dit proces zijn waarden en waarheden voor ons geen gegeven, objectieve grootheden meer, die men alleen maar kan beamen of verwerpen. Nee, het zijn gegevenheden, waar we in een voortdurende reflectie mee bezig zijn en waarmee we alleen maar kunnen instemmen indien ze in harmonie (te brengen) zijn met onze ervaring, onze beleving. Het houdt ook in dat we ons er van bewust zijn, dat waarheden in de loop van ons leven kunnen variëren, omdat onze ervaring en beleving niet constant zijn. En ook dat wat waarheid is voor de één, behoeft niet waar te zijn voor de ander.

Bijbel niet volledig van buiten
Hebben de GKN zich nu in de leer aangepast aan de in de samenleving plaatsvindende ontwikkelingen? ‘Ik denk dat dit onmiskenbaar het geval is’. Dat blijkt al uit de veranderde houding met betrekking tot de Bijbel, waarbij de wetenschap een belangrijke rol heeft gespeeld. Met betrekking tot het boek Genesis heeft de evolutietheorie een belangrijke rol gespeeld. De schrijvers van God met ons zeggen expliciet dat ze meer oog heeft gekregen voor de menselijke factor in het ontstaan van de Bijbel. De Bijbel kon toch niet volledig ‘van buiten’ gekomen zijn. Men kreeg niet alleen oog voor de menselijke factor in het óntstaan van de Bijbel, maar ook in het vérstaan ervan.

Niet het wezen, maar de werking der dingen
Er was ook een tendens tot functionalisering, van ontologisch denken naar een functioneel denken, dat wil zeggen van een wijze van denken waarbij men primair naar het wezen der dingen vraagt, naar een wijze van denken, waarin men vooral op zoek is naar de werking der dingen. Het lijdt weinig twijfel dat de GKN zich in hun opvatting over en hun houding met betrekking tot de Bijbel aangepast hebben aan het veranderende bewustzijn van veel mensen in de huidige samenleving. Vroeger hadden de mensen er kennelijk niet veel moeite mee de ‘verwerping van eeuwigheid’ in de Dordtse Leerregels te aanvaarden, maar in een tijd waarin processen van democratisering en subjectivering de gevoelens en gedachten hebben beïnvloed, ook als het gaat om de verhouding tot God, is een dergelijke leer van de uitverkiezing voor veel mensen mentaal en intellectueel niet meer te accepteren.

Individueel niveau
Hoe was het godsdienstig en kerkelijk leven op individueel niveau? De kerkgang is gehalveerd. Vooral jongeren bezoeken de kerkdiensten veel minder frequent. Wat betreft de taken in de kerk moeten we eerst zeggen dat de kerkelijke organisatie gecompliceerder is geworden, dat er meer mensen nodig zijn. Daarom is het aantal mensen dat in de kerk een bepaalde taak op zich neemt naar verhouding niet gedaald. In de tweede helft van de jaren vijftig blijkt dat bijna een kwart van de gemeenteleden op een of andere wijze bij kerkenwerk was betrokken. Deden er op het hoogtepunt nog meer dan 10.000 doopleden belijdenis (1965), in 1990 was dat nog maar de helft. Voor een kerkgenootschap, waarin vanouds de belijdenis en dus ook het belijdenis-doen van de leden zo’n belangrijke plaats innemen, is deze ontwikkeling veelzeggend.

Binding met de kerk
Naast de feitelijke of objectieve binding is er ook een subjectieve binding met de kerk: hoe men zelf de band met de kerk ervaart en welk belang men aan de kerk hecht. In 1965 bleek dat 90 procent van de leden zich zeer nauw of tamelijk nauw met hun kerkgenootschap verbonden voelde. De kerk wordt daarna duidelijk minder belangrijk gevonden dan het christelijk geloof. Veelzeggend is dat in 1990 niet minder dan 65 procent van de leden het eens is met de uitspraak dat men best een goed christen kan zijn zonder tot een kerk te behoren. Nauwelijks de helft van de leden vindt de gereformeerde vorm en beleving van het geloof belangrijk.

Veranderingen in geloofsleven beschreven
Wat zeggen de leden van de GKN te geloven, is daarin verandering gekomen en zo ja, wat zijn die veranderingen dan? We weten dat er een soms aanzienlijke discrepantie kan bestaan tussen de officiële leer van de kerk en datgene wat de leden van die kerk (zeggen te) geloven. Uit een onderzoek in 1990 blijkt dat 20 procent van de leden van de GKN zegt dat zich in de loop van hun leven eigenlijk geen veranderingen in hun geloofsleven hebben voorgedaan; 47 procent spreekt van geringe en 32 procent van grote veranderingen. Respondenten hebben hun geloofsontwikkeling beschreven. Hieronder staan daaruit bepaalde uitspraken.

‘Zou oud als ik ben hoor ik ’t liefst jonge dominees preken. ’t Is vreemd, maar als ik b.v. een emeritus hoor, ráákt het mij niet meer zo diep, heb ik het gevoel aan dat traditionele over-bekende ontgroeid te zijn’.

‘De schuld van de mens t.o.v. God is een moeilijk punt voor me. Soms vind ik ’t meer andersom’.

‘Een bevrijdend verschil met vroeger is dat ik vandaag het scheppingsverhaal niet meer hoef te verdedigen tegen mijn kinderen of de buitenwacht als iets dat letterlijk opgevat moet worden’.

‘En vooral ontdekt te hebben dat je God ervaart in de medemens. Aandacht hebben voor ieder vleugje goedheid en liefde die je toch steeds weer oplettend kunt zien. Tenslotte gericht zijn helemaal op alles wat leeft, te luisteren, lief proberen te hebben, je niet te veel op de voorgrond te plaatsen’.

‘Tesamen met wat romantisch gevoelig gezang en in de eensgezindheid dachten we en vonden we ’t prachtig…voor de zondag. God was toch ver op de keper beschouwd. (…) Er was zo weinig ruimte in denken, in beleven. (…) Liever géén antwoorden, dan een antwoord waar ik niet (meer) achter kan staan. We zijn in de Geref. Kerk vaak zo verstandelijk bezig geweest, ons gevoel kon er zo gemakkelijk verstikken’.

‘Ik bid of dank weinig of niet. Alleen als ik de weekenden thuis ben en er voor en na het eten gebeden en gedankt wordt. Ik heb een aversie tegen het ogen-dichtdoen. (…) Een half uur in de tram zitten over het Rokin en langs de Albert Cuypmarkt, betekent voor mij een half uur God zien. Veel mensen die ik ken, maken een doofpot van hun leven, door alle gebeurtenissen moraliserend en teksten uit de bijbel plukkend te oordelen. Het geloof neemt in zoverre een plaats in mijn leven in dat ik in ieder mens God zie. En omdat God louter goedheid en speelsheid is, zie ik dat ook in ieder mens en daarom heeft mijn leven een erg aangenaam karakter’.

‘Veel wijzigingen hebben zich wél voorgedaan in mijn geloofsleven. Ook daar ben ik dankbaar voor. Al moet ik er voor waken bij alle verruiming van blik niet het meest kostbare van vroeger te verliezen, n.l. de persoonlijke omgang met mijn God’.

‘In ons geloofsleven hebben zich die wijzigingen voorgedaan, welke de mensen, en ook de theologen, er zelf in hebben aangebracht, door hun gepraat over vernieuwingen welke zonodig in het kerkelijk leven moeten plaatshebben’.

‘Helaas wordt tegenwoordig door vele predikanten meer aandacht geschonken in de prediking voor de breedte en de lengte, ten koste van de hoogte en de diepte’.

Bijbelopvatting en Godsbeeld
De positieve houding tegenover een veranderde bijbelopvatting overheerst: ja, de verandering wordt door velen als een bevrijding ervaren. ‘Daarom ondervind ik de laatste 10 jaren als een zekere bevrijding. (…) De bijbel is voor mij menselijker geworden; ik heb een grotere eerbied voor God, de almachtige Schepper gekregen en Christus is feitelijk voor mij dichterbij gekomen’. Wat betreft het Godsbeeld is er een belangrijk verschil tussen de kerkleden boven en die beneden de 40 jaar. In 1990 stemde 65 procent in met de uitspraak ‘Ik beschouw God als Degene die deze wereld bestuurt en mijn leven leidt’, maar tegelijkertijd is slechts 14 procent van hen het eens met de uitspraak dat de mens de beslissingen over zijn leven aan God moet overlaten.

Vaagheid, niet meer onder woorden kunnen brengen
Belangrijk is de ontwikkeling in de richting van onzekerheid en vaagheid. Ze zeggen voor zichzelf terug te vallen op ‘simpele’ noties als geborgenheid en liefde, maar kunnen hun Godsgeloof verder niet of moeilijk verwoorden. Op officieel-kerkelijk niveau zijn in de loop van de tijd wel andere opvattingen over de Bijbel geformuleerd (en veel leden kunnen hun veranderde bijbelopvatting dan ook goed onder woorden brengen); met opvattingen over God is dat niet het geval. De leden ondervinden op dit punt weinig hulp van de kerk.

Leven en dood
Met betrekking tot de opvattingen over leven en dood en over het leven na de dood zien we twee belangrijke ontwikkelingen: jongeren koppelen in veel mindere mate dan ouderen de zin van het leven aan het bestaan van God en ouderen doen dat ook in veel mindere mate dan in 1985. Ook de betekenis van de dood wordt door de jongeren veel minder aan het geloof in God gekoppeld dan bij de ouderen het geval is. Opvallend is bovendien de sterk ‘immanente’ opvatting van de dood, bij jongeren én ouderen: weliswaar is volgens de meeste leden met de dood niet alles afgelopen, maar de gegevens wekken duidelijk de indruk dat er veel sterker dan vroeger de nadruk gelegd wordt op het leven hier en nu en dat er veel minder aandacht is voor een ‘hiernamaals’. In 1990 was dan ook 49 procent van de kerkleden het eens met de uitspraak ‘De vraag hoe je nu moet leven is belangrijker dan de vraag of er een leven na de dood is’.

Verzoening en zondebegrip
Hiermee in verband staan de opvattingen over de verzoening. In 1990 zegt 59 procent dat ook een niet-christen in de verzoening met God kan delen, 30 procent zegt dat uiteindelijk alle mensen in Gods genade zullen delen en slechts 41 procent zegt dat alleen zij die oprecht geloven dat Christus voor hun zonden is gestorven eeuwig zullen leven. Heeft dit alles ook niet te maken met een mogelijk veranderend zondebegrip? Het opvallende feit doet zich voor dat in de brieven van de kerkleden nauwelijks meer over zonde gesproken wordt. Zonde- of schuldbesef lijkt geen reëel onderdeel meer van het geloofsleven van de leden van de GKN uit te maken. De meesten zijn het dan ook niet meer eens met de uitspraak van de Catechismus dat de mens van nature geneigd is God en zijn naaste te haten.

Kenniselement minder belangrijk
Is in de loop van de tijd alleen de inhoud van het geloof van de leden veranderd, of geldt dit ook voor de aard en betekenis van hun geloof? Met dit laatste hebben we dan niet op het oog wát de leden geloven, maar hóe zij het geloof beleven en wat het geloof in en voor hun leven betekent. Het kenniselement is veel minder belangrijk geworden. Tegelijkertijd brengt dat vaak een verschuiving met zich mee van zekerheid naar onzekerheid, van het bezitten van een vaststaand geloofsgoed naar een tastend op weg gaan en zoeken. Ook zien we een verschuiving van het ‘moeten’ naar het ‘mogen’, van het dwangmatige, het schuldgevoel, het verplichtende en het wettische naar het bevrijdende en vreugdevolle.

Vooral modern-gelovigen
Tevens is er een verschuiving van het objectieve, het op gezag aanvaarde naar het subjectieve, het zelf ervaren geloof. De gemeenschappelijkheid in het geloof en in het beleven van het geloof is grotendeels verdwenen. In 1990 stemde nog slechts 28 procent in met de uitspraak ‘Geloven is voor alles een overtuigd-zijn van de juistheid van de leer, zoals die in de belijdenisgeschriften is omschreven’. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat op de vraag of men zich zelf orthodox zou willen noemen, waaronder verstaan werd dat men in zijn geloof nauwgezet vasthoudt aan de overgeleverde leer, in datzelfde jaar slechts ruim een kwart van de leden zich sterk (8 procent) of matig (20 procent) orthodox noemde. De rest noemt zich een modern-gelovige.

Bijbellezen en bidden
Hebben zich ook in de betekenis van het geloof veranderingen voorgedaan? Vanouds is voor gereformeerden het geloof van grote betekenis in en voor het leven en samenleven. Godsdienst strekte zich over alle aspecten van het leven uit. Om te beginnen moeten we vaststellen dat in 1985 lang niet alle gereformeerden geloof en kerk tot de belangrijkste zaken in het leven rekenden. Wat betreft het bijbellezen moest in de jaren vijftig al geconcludeerd worden dat het persoonlijk bijbellezen heel minimaal is. Aan tafel gebeurt het nog wel vrijwel over de gehele linie, vooral bij de plattelandsbevolking. In 1990 geeft slechts 1 procent aan dat het persoonlijk bijbellezen een heel grote rol in het leven speelt. Slechts 11 procent leest dagelijks in z’n eentje de Bijbel of een bijbels dagboek. Vrijwel zonder uitzondering wordt er in de jaren vijftig nog voor en na elke maaltijd gebeden en gedankt. In 1990 zegt 35 procent dat het persoonlijk gebed een heel grote of grote rol in het leven speelt en 36 procent bidt zonder dat anderen daarbij zijn dagelijks.

Intensivering en zuivering?
Sommigen denken dat hoewel er veel mensen zijn die godsdienstig en kerkelijk afhaken, dit proces gepaard gaat met een intensivering van het godsdienstige leven van een deel van hen die betrokken blijven. Er zou dus een zekere zuivering plaatsvinden. Maar toch is moeilijk vol te houden dat het proces van kerkverlating een zuivering van het kerkelijk leven is. Dan zou het gemiddelde kerkbezoek gestegen moeten zijn en de instemming met traditionele geloofsopvattingen en de betekenis van het geloof toegenomen moeten zijn. Dit alles is niet het geval. Het gaat ons om de kerkelijk georganiseerde christelijke godsdienstigheid. Onze vraag of er een vermindering heeft plaatsgevonden heeft dáárop betrekking.

Niet meer typisch gereformeerd
Godsdienst is een meer-dimensionaal fenomeen, dat wil zeggen dat godsdienst verschillende aspecten heeft. Sommige godsdienstsociologen onderscheiden vijf dimensies: overtuiging, religieuze praktijken, ervaring, kennis en consequenties. Gereformeerden werden steeds meer actief in niet-kerkelijke godsdienstige bewegingen, zoals de vredesbeweging. In het geheel van de overtuigingen van de kerkleden spelen typische gereformeerde overtuigingen geen grote rol meer. De typisch gereformeerde godsdienstigheid is duidelijk verzwakt. Veel leden ervaren de ontwikkelingen als een zekere bevrijding en zijn erom verheugd. Maar dat geldt vanzelfsprekend niet voor alle leden: ‘Het verdriet mij zeer dat onze kinderen niet meer zoveeel leren uit de Bijbel, niet meer op catechisatie, niet meer op de J. en M.V. en als je tegen een dominee klaagt als ze maar één keer naar de kerk gaan zegt hij: wees maar blij dat ze nog een keer gaan’.

Verontrusten
Leden die verontrust zijn over de gang van zaken in het kerkelijk leven hebben zich georganiseerd. Naast de Vereniging tot bevordering van het gereformeerd kerkelijk leven is er het in 1973 opgerichte Confessioneel Gereformeerd Beraad, dat het maandblad ‘Credo’ uitgeeft en in 1990 ongeveer 4500 leden had. In 1969 vindt voor het eerst een officiële ontmoeting tussen de verontrusten en de synode plaats. Op grond hiervan besluit de synode tot een herderlijk schrijven. Hoe omvangrijk die verontrusting is, daarover zijn wij slecht geïnformeerd. In 1965 bleek 22 procent van de leden het eens te zijn met de uitspraak ‘De GKN ontwikkelen zich op het ogenblik in een verkeerde richting’. Met de uitspraak ‘Gelukkig is er bij de gereformeerden sinds vroeger heel wat veranderd’ was 75 procent het eens.

Vooral in het Noorden en Oosten
Verontrusten waren sterk oververtegenwoordigd onder degenen die ‘oudere’, niet-moderne posities innemen. ‘Traditioneel denken komt sterker voor bij ouderen (…), meer op het agrarisch platteland (…), meer bij degenen met een lagere opleiding’. Daarmee zouden zij als ‘achterblijvers’ gekwalificeerd kunnen worden en zou men kunnen stellen dat hun aantal vanzelf wel zal afnemen. Maar het verband tussen de geloofsovertuigingen die men aanhangt en de sociale positie die men inneemt is tegenwoordig veel minder sterk dan enkele decennia geleden. Van de verontrusten wist men dus weinig. Voor een inzicht in de ontwikkeling van de GKN is dit een groot gemis. Het enige wat we weten is dat de abonnees van het blad Credo vooral in het Noorden en Oosten van het land zitten.

Beperking reikwijdte godsdienst
Nu over de relatie tussen de GKN en de leden van deze kerken enerzijds en het leven en de samenleving anderzijds. Dit onderwerp is belangrijk, omdat de gereformeerden altijd hebben gezegd en beleefd dat het geloof niet is beperkt tot de binnenkamer of de kerk. Een zeer belangrijke vorm van secularisatie is de beperking van de reikwijdte van de godsdienst, dat het geloof voor steeds minder aspecten en sectoren van het leven van betekenis is. Heeft dit proces zich ook binnen de GKN voorgedaan?

Wereldwijding in plaats van wereldmijding
De GKN worden vanouds meer door wereldwijding dan door wereldmijding gekenmerkt. Gereformeerden zijn altijd actief betrokken geweest op allerlei aspecten en sectoren van het leven en het samenleven van de mensen. Wie de acta van de generale synoden tussen 1950 en 1990 doorneemt, kan onder de indruk raken van de veelheid van terreinen en problemen waarmee de kerken op enigerlei wijze bemoeienis hebben. De nieuwe kerkorde noemt allerlei taken op die in de oude kerkorde in het geheel niet voorkwamen.

Horizontalisering
Met welke achtergrond en met welk doel werden de verschillende werkzaamheden verricht? We constateren een sterkere gerichtheid op de wereld, een verschuiving naar minder direct-kerkelijke, meer ‘wereldlijke’ zaken. De activiteiten van de kerk worden minder verkondigend en getuigend, ‘horizontalisering’. Zending en werelddiaconaat worden bijvoorbeeld tot één werksoort samengevoegd.

De wereld valt mee
In 1990 is 33 procent het niet eens met de stelling ‘De wereld is zondig en vijandig tegenover God’ en 69 procent is het eens met de stelling ‘Ook niet-gelovigen leven vaak overeenkomstig de wil van God’. Het lijkt er op dat velen de ontdekking hebben gedaan dat – om met Kuitert te spreken – de wereld meevalt. Die vergrote aandacht voor de wereld buiten de kerk is geleidelijk ontstaan. Een belangrijk aspect van de relatie tussen de gereformeerden en de samenleving betreft de veranderde houding van veel gereformeerden tegenover christelijke organisaties.

Kerk als organisme
Van oudsher hebben de GKN hun taak in de samenleving als een beperkte opgevat, omdat zij van mening waren dat de kerkleden als zelfstandige christenen in de samenleving aan hun geloof gestalte behoorden te geven. Voor een belangrijk deel gebeurde dit in georganiseerd verband. In navolging van Kuyper maakten ze een scherp onderscheid tussen de kerk als instituut (geringe bemoeienis met de samenleving) en de kerk als organisme, waardoor de christenen in de samenleving optreden.

Doorbraak eerst afgewezen
Christelijke organisaties fuseren met algemene organisaties en kerkleden raken steeds meer betrokken op algemene organisaties: ontzuiling en deconfessionalisering. Omstreeks 1950 was het binnen de sfeer van de GKN vanzelfsprekend dat men in voorkomende gevallen lid was van (protestants-)christelijke organisaties. Direct na de Tweede Wereldoorlog werd de doorbraakgedachte door de synode afgekeurd (kerkleden moeten zich niet voegen in een levensverband waarin zij gehinderd worden God te dienen naar Zijn Woord). In 1946 werd een theologisch kandidaat die sympathiseerde met de Partij van de Arbeid niet toegelaten tot het predikantsambt. In 1963 werd uitdrukkelijk afgezien van veroordeling van of maatregelen tegen leden en ambtsdragers die lid zijn van de PvdA. Hiermee sluiten zij zich aan bij de praktijk van de leden. Want daarin is grote verandering opgetreden. Vooral jongeren gingen steeds vaker op een niet-confessionele partij stemmen.

Maatschappelijk-sociale vragen
In 1977 verklaarde de synode dat ‘bij het pastoraat aandacht [geschonken moet worden] aan de maatschappelijk-sociale vragen’. Met zo’n formulering wordt het hele maatschappelijke leven in het aandachtsveld van de kerken getrokken. Hetgeen een uiting zou kunnen zijn van de gedachte dat het geloof nu eenmaal met alle aspecten van het leven te maken heeft.

Kerk en staat
Aan de ene kant is er een grotere afstand tussen kerk en staat gekomen en aan de andere kant zijn zij nauwer met elkaar vervlochten geraakt. De groter geworden afstand blijkt onder andere uit de wijzigingen in de kerkorde. De oude kerkorde bepaalde nog dat de overheden de ‘heilige kerkedienst’ moeten bevorderen en dat de ambtsdragers de gemeente gehoorzaamheid en eerbied moeten inscherpen voor ‘magistraten’. In die situatie kon de overheid zo nu en dan op de medewerking van de kerken rekenen. Eerder werd gesteld dat het niet de eerste taak van de kerk is om zich tot de overheid te wenden, maar om de eigen leden te leren.

Subsidiëring
Anderzijds is de band met de overheid ook nauwer geworden, de vermaatschappelijking van de overheid. Er is een vrij omvangrijke subsidiëring van allerlei werk, waarmee de kerk direct of indirect bemoeienis heeft. Individuele kerkleden treden nu meer in en door middel van algemene organisaties op. Men mag hieruit niet te snel concluderen dat voor deze leden het geloof ook minder belangrijk is geworden voor hun optreden.

Kritischer dan de gemiddelde Nederlander?
Over het oorlogsvraagstuk, de houding van de kerken tegenover Zuid-Afrika en het armoedeprobleem waren er grote meningsverschillen. Is deze meer kritische houding tegenover de problemen en ontwikkelingen van de samenleving ook bij de individuele kerkleden te constateren? Op grond van de gegevens waarover we beschikken valt dit ten zeerste te betwijfelen. Zo weten we dat in de jaren tachtig naar verhouding slechts weinig leden van de GKN het volkspetitionnement tegen de plaatsing van kruisraketten hebben ondertekend (26 tegenover 36 procent van alle Nederlanders). De leden van de GKN zijn sterker dan de gemiddelde Nederlanders tegen inkomensnivellering en zijn iets minder maatschappijkritisch.

Misschien wel minder actief
We zien dus een discrepantie tussen de opvattingen zoals die blijken uit de officiële uitspraken en het officiële optreden van de kerken enerzijds en de opvattingen van de individuele leden anderzijds. We moeten voorlopig concluderen dat de vraag of de gereformeerden – collectief en individueel – in de loop van de tijd actiever zijn gaan optreden met betrekking tot publieke levensterreinen, niet zonder meer bevestigend of ontkennend is te beantwoorden. Gedetailleerd onderzoek zou zelfs aan het licht kunnen brengen dat de gereformeerden per saldo minder actief zijn geworden.

Zelfontplooiing en zelfbeschikking
Wat betreft het meer persoonlijke leven kunnen we zeggen dat in de relatie tussen man en vrouw een veel grotere mate van gelijkheid is gekomen. De waardering voor het huwelijk zelf is afgenomen, echtscheiding is ‘normaler’ geworden en alternatieve relatievormen zijn in toenemende mate geaccepteerd. Er is sterke nadruk komen te liggen op zelfontplooiing en zelfbeschikking, hetgeen een meer liberale houding tegenover homofilie, abortus en euthanasie met zich meebracht.

Veranderingen in huwelijksformulier
Het huwelijksformulier is door de GKN op twee punten principieel aangepast. Het huwelijk wordt niet meer een ordinantie van God genoemd, maar ‘een door God geschonken mogelijkheid’ (iets wat bij het opstellen van de nieuwe orde waarschijnlijk bedoeld was als een mogelijkheid naast het ongehuwd blijven, maar daarna ook wel werd opgevat als een mogelijkheid naast het samenwonen). Ook is de opvatting over de relatie tussen man en vrouw radicaal veranderd: in plaats van onderschikking een volledig gelijke, nevengeschikte positie van de vrouw.

Echtscheiding en geboorteregeling
In de jaren zestig komt op synodaal niveau voorzichtig de mogelijkheid van echtscheiding ter sprake. Rond 1970 wordt gesteld ‘dat er vanwege onze zondigheid een situatie kan ontstaan waarin echtscheiding onontkoombaar is’. De zinsnede ‘tot de dood u zal scheiden’ werd tussen haken gezet, wat betekent dat het de huwenden vrijstaat elkaar al of niet levenslange trouw te beloven. Het oude formulier sprak erover dat door het huwelijk het menselijk geslacht gebouwd moet worden. Geboorteregeling is lange tijd taboe geweest in gereformeerde kring. Maar in 1963 al stelt de synode dat het niet in strijd is met Gods Woord om op verantwoorde wijze gezinsuitbreiding te voorkomen.

In liefde trouw zijn
Een principiële wijziging heeft zich ook voorgedaan met betrekking tot de opvattingen over seksualiteit voor het huwelijk. In 1963 werd dit als ‘strijdig met Gods Woord veroordeeld’. Maar 25 jaar later spreekt men uit dat die uitspraak ‘een sterk door de toenmalige discussie bepaalde en daarom incomplete en eenzijdige benadering’ was. De grote wijziging komt met de verschijning van het rapport In liefde trouw zijn, waarmee het niet-gehuwd samenwonen door de synode aanvaard werd en later dat ongehuwd samenwonenenden ook ambtsdrager kunnen zijn.

De tijden veranderen, geen schijnzekerheid
De feitelijke ontwikkeling in de samenleving wordt bij het denken in de GKN een uitgangspunt. De gekozen benadering is sterk verwant met het hoofdstuk ‘De bijbel als norm voor het leven’ uit het rapport God met ons: ‘Zo wordt duidelijk, dat de bijbel geen kant en klare recepten biedt om ons leven naar Gods wil in te richten. “Onverkort” vasthouden aan bepaalde bijbelse geboden geeft slechts schijnzekerheid. We zullen als christenen onze eigen verantwoordelijkheid moeten aandurven (…) steeds opnieuw keuzen [moeten er gemaakt worden]. (…) Want de tijden veranderen. (…) Het beeld van de bijbel als de ouderwetse zedenmeester [moet doorbroken worden]’. Hier zien we het grote belang van een veranderde bijbelopvatting voor de opvattingen met betrekking tot het leven en samenleven.

Pastorale motieven
De veranderde inzichten zijn ingegeven door of in ieder geval mede ontstaan vanuit pastorale motieven: ‘Bovendien vraagt een pastorale benadering een opkomen voor hen, die in onze samenleving in de beleving van hun relaties het meeste onder druk staan’. Het is duidelijk dat deze benadering ook ruimte en recht schept voor homorelaties, wat het rapport In liefde trouw zijn ook expliciet stelt. Uiteindelijk spreekt de synode, ondanks en in reactie op bezwaren van de internationale gereformeerde gemeenschap, zich duidelijk uit: zij roept de kerken op ‘tot volledige aanvaarding van homofiele gemeenteleden, ook in de ambten’ (1989).

Niet zo stellig meer
Hebben zich ook in de opvattingen en gedragingen van de individuele gemeenteleden zulke grote veranderingen voorgedaan? Zeer waarschijnlijk wel. GKN-leden wijken maar weinig af van de rest van de Nederlanders. Abortus komt voor het eerst ter sprake in 1963, wanneer het ten strengste wordt afgekeurd. In de jaren zeventig wordt dit sterk genuanceerd. Ook euthanasie blijkt opeens verantwoord te kunnen zijn. De synode wil er geen stellige uitspraken meer over doen, maar wil verdere bezinning stimuleren. Dit is een aanmerkelijk verschil met een vroegere wijze van optreden. Meer dan de helft van de gereformeerden staat voor het recht op zelfdoding.

Zondagsarbeid
In 1952 werden zowel het schouwburgbezoek als het bioscoopbezoek en de ‘paardans’ afgewezen. Overigens weten we dat in de jaren vijftig de gereformeerden al volop naar de bioscoop gingen. Een ander probleem was de zondagsrust; Nederland industrialiseerde en steeds meer werden ploegendiensten ingevoerd. Midden jaren zestig stelt de synode dat zondagsarbeid als zodanig niet als zondig kan worden gekwalificeerd, maar dat wel gestreefd moet worden naar beperking van die arbeid. Al deze onderwerpen komen na 1970 niet meer of alleen maar zijdelings ter sprake. Het karakter of motief van de aandacht is dan ook veranderd: van voornamelijk een zorg voor het (geestelijk) heil van de eigen leden naar een zorg voor (het voortbestaan van) de wereld.

Minder concreet
Dat men zich in wil laten met allerlei nieuwe vragen bewijst dat de GKN bij de tijd willen blijven. De uitspraken over bepaalde onderwerpen worden in de loop van de tijd veel minder concreet, veel algemener. Ze zijn veel minder voorschrijvend en veel meer (pastoraal) begeleidend en adviserend. Dat hangt met twee dingen samen: het democratiseringsproces waardoor er meer ruimte ontstaat voor het zelfstandig denken en handelen van de mensen en het feit dat men in de loop van de tijd veel op de Bijbel gegronde uitspraken heeft gedaan die men later heeft moeten herroepen, waardoor men voorzichtiger is geworden.

Minder exclusief
De GKN zijn in hun bemoeienis met diverse zaken ook minder exclusief geworden. Ze hebben meer oog gekregen voor de niet direct godsdienstig gefundeerde waarden. Wat ze zeggen is daarom minder specifiek gereformeerd of minder specifiek bijbels gekleurd. In het rapport In liefde trouw zijn wordt dit ook gezegd: ‘Misschien komt bij het lezen de vraag op, hoe exclusief bijbels dit alles is. (…) Als christenen zullen we er ons eerder over verheugen wanneer we elders om ons heen zien dat mensen in uiteenlopende relaties op voorbeeldige wijze met elkaar omgaan. Ook daarin mogen we iets zien van Gods goedheid’.

Nogmaals: beperking reikwijdte godsdienst?
Heeft zich een beperking van de reikwijdte van de godsdienst binnen de GKN voorgedaan? Op welke wijze heeft men zich met bepaalde zaken bemoeid? Is dat omdat men vindt dat de Bijbel of het gereformeerde geloof bepaalde opvattingen en gedragingen impliceert of heeft het geloof een heel andere functie, is het uitsluitend een motief om ook door anderen aanvaarde waarden aan te hangen? De beperking van de reikwijdte van de godsdienst beschouwen we als één van de drie vormen van secularisatie en sociologisch als de belangrijkste vorm, omdat het ons zoveel zegt over de plaats en betekenis van godsdienst in en voor ons leven en ons samenleven.

Privatisering godsdienst
Het is een proces dat alles te maken heeft met de maatschappelijke ontwikkeling in het algemeen, die vooral gekenmerkt wordt door differentiatie. Dat wil zeggen dat allerlei sectoren van het leven zich min of meer los van elkaar gaan ontwikkelen en min of meer een eigen leven gaan leiden. Men spreekt in dit verband wel van de ‘verkerkelijking van het christendom’, het geloof raakt steeds minder verbonden met allerlei sectoren van het (samen)leven en sluit zich als het ware steeds meer op binnen de kerken. Men gaat allerlei levens naast elkaar leiden. We kunnen ook spreken over de privatisering van de godsdienst.

Autonoom worden van delen samenleving
De algemene teneur is dat het door het autonoom worden van allerlei delen van de samenleving voor de mensen steeds moeilijker wordt hun godsdienstige waarden, opvattingen en belevingen te betrekken op die delen van de samenleving. Met als gevolg dat de godsdienst zich in toenemende mate concentreert op het persoonlijk leven van de mensen, op dat deel van het leven waar tegenover zij zich niet machteloos voelen, waar zij nog een zekere greep op hebben.

Versterking band godsdienst en samenleving?
Op synodaal niveau werden steeds meer activiteiten ontwikkeld en kwam op den duur de hele samenleving binnen de gezichtskring van de georganiseerde kerken, maar dit behoeft nog geen versterking van de band tussen godsdienst en die samenleving te betekenen. Die relatie werd vroeger op een ander niveau gelegd. Op talloze terreinen handelden de kerkleden vroeger individueel of in georganiseerd verband vanuit hun geloof, zonder dat de kerken er officieel bemoeienis mee hadden.

Veel dingen niet meer vanzelfsprekend
Vroeger waren veel dingen vanzelfsprekend, zodat men er op officieel-kerkelijk niveau geen aandacht aan behoefde te schenken. Als we dan constateren dat de kerken zich er nu wel mee gaan bezighouden, dan is dat eerder een teken van een verzwakking van de band tussen geloof en leven dan van een versterking. Pas als de vanzelfsprekendheid van iets verdwijnt, pas dan wordt er op officieel-kerkelijk niveau expliciet aandacht aan geschonken.

Ontzuiling en deconfessionalisering
We moeten dus tot een aanzienlijke beperking van de reikwijdte van de godsdienst concluderen. Er is een sterke ontzuiling opgetreden, in die zin dat talloze gereformeerde of protestantse organisaties zijn opgeheven. En er is binnen nog bestaande organisaties een deconfessionalisering opgetreden, waarmee we bedoelen dat het confessioneel karakter is verzwakt. Ook op individueel niveau is er een beperking van de reikwijdte van het geloof. Steeds minder gereformeerden gingen zich binden aan christelijke organisaties. Men denkt en handelt niet meer of veel minder op basis van godsdienstige opvattingen.

Theorie klopt niet bij de gereformeerden
Volgens de theorie van de privatisering van de godsdienst zou de godsdienst zich uit het publieke leven moeten terugtrekken en zich vooral verbinden met het meer persoonlijke leven. Dit lijkt niet erg te kloppen met hetgeen wij hebben geconstateerd. Het lijkt er dus meer op dat godsdienst überhaupt van geringer betekenis werd voor het leven, zowel het publieke als het meer persoonlijke leven.

De GKN zijn geseculariseerd
Alles overziende, kunnen de resultaten van onze analyse tot geen andere conclusie leiden dan dat de leidende vraag van deze studie bevestigend beantwoord moet worden: het secularisatieproces, dat zich voltrokken heeft, heeft ook de GKN beïnvloed. Ja, die kerken zelf zijn min of meer geseculariseerd. Het is moeilijk te zeggen waar die veranderingen begonnen zijn. We hebben de neiging om een centrale betekenis toe te kennen aan de veranderde visie op en het veranderd omgaan met de Bijbel.

Voortbestaan bedreigd
Door deze veranderingen werd de continuïteit en daarmee het voortbestaan van de GKN bedreigd. En inderdaad twaalf jaar na de verschijning van dit boek zijn de GKN opgegaan in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). We hebben in de door ons onderzochte periode met een heel andere kerk te maken gekregen. Eerder was het een duidelijk herkenbare groepering, thans hebben ze relatief weinig specifieke kenmerken meer.

Deductie, reductie en inductie
Wat is hier gebeurd? We willen proberen aan de hand van de gedachtegangen van twee Amerikaanse sociologische studies hier wat meer zicht op te krijgen. Peter Berger onderscheidt drie mogelijke opstellingen: deductie (het opnieuw verzekeren en veiligstellen van de religieuze traditie in het licht van en tegenover de moderne seculariteit), reductie (de religieuze traditie wordt geherinterpreteerd in termen van modern bewustzijn en moderne seculariteit) en inductie (de ervaring is de grond van alle godsdienstigheid, dus openheid en nieuwheid, maar het nadeel is dat de openheid tendeert naar onbepaaldheid en onduidelijkheid, hetgeen de diep godsdienstige behoefte aan zekerheid frustreert).

Niet meer orthodox
De GKN zijn in de loop van de tijd de weg van de inductie opgegaan. De rooms-katholieke kerk en de kleine gereformeerde kerkverbanden hebben gekozen voor de deductieve opstelling. Gereformeerden die wel een inductieve opstelling hadden maar orthodox bleven, zijn vaak buiten de kerken terechtgekomen en zijn evangelisch geworden. Als kerken zijn de GKN moeilijk meer als een orthodoxe groepering te beschouwen.

Oecumenische en conservatieve kerken
Een andere gedachtegang is van Dean M. Kelley, die het boek Why Conservative Churches Are Growing heeft geschreven. Sociaal gezien zijn de ‘oecumenische’ kerken de zwakke groeperingen en de ‘conservatieve’ kerken de sterke groeperingen. Hij zet zes kenmerken tegenover elkaar: absolutisme en relativisme, toewijding/verbintenis en lauwheid/onverschilligheid, conformiteit en diversiteit, discipline en individualisme, fanatisme en gereserveerdheid, missionaire ijver en dialoog.

Zwakker geworden
De GKN zijn in de loop van de tijd – sociaal gezien – van een sterke een zwakke groepering geworden. Kelley constateert dat een kerk niet geneigd is samen te werken met andere kerken, tenzij ze kenmerken van striktheid, dij bij een sociaal sterke groepering horen, heeft verloren. Welnu, wij hebben gezien dat één van de niet onbelangrijkste veranderingen in de GKN de veranderde houding tegenover andere kerken is.

Machtsverhoudingen: 1926 en 1944
Er rest tenslotte nog één belangrijke vraag en dat is waarom de GKN zich anders ontwikkeld hebben dan de andere gereformeerde kerkelijke groeperingen – zowel in het binnenland als in het buitenland. Één factor noemen we hier: de machtsverhoudingen binnen een kerkelijke groepering. De ontwikkeling die een kerkgenootschap doormaakt is mede het resultaat van de machtsverhoudingen tussen groepen van mensen binnen zo’n kerkgenootschap. Er zijn altijd bepaalde stromingen binnen een kerk, die strijden om de dominantie binnen de kerk. Rond 1926 lukte het een minder orthodoxe stroming niet om blijvende invloed uit te oefenen. Die stroming was niet machtig genoegen de aanhangers daarvan kwamen buiten de kerk terecht. In 1944 kwam, na een interne machtsstrijd, weer een bepaald deel buiten de kerk te staan. Dat was waarschijnlijk een sterk orthodox deel, getuige de kenmerken van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), die hieruit ontstonden.

Toen de vrijgemaakten eruit waren
Na die kerksplitsing ontstond al spoedig weer een stroming, nu één die op veranderingen van het bestaande, traditionele kerkelijke leven aandrong. Deze stroming stuitte op veel verzet maar deze keer ontstond er geen scheuring. De invloed nam toe en we hebben kunnen constateren dat de nieuwere gedachten geleidelijk de overhand gingen krijgen. Ze gingen in toenemende mate de belangrijke posten binnen het kerkelijk leven bezetten, niet alleen van de generale synoden, maar vooral ook aan het snel groeiende bestuurlijke apparaat. Want het is bekend dat kerkelijke functionarissen, die geen directe band met de plaatselijke gemeenten hebben, vaak vooroplopen als het gaat om veranderingen. De ‘verontrusten’ hadden geen macht genoeg (meer) om de ontwikkelingen tegen te houden.

Verschil met Noord-Amerika
Ook in vergelijking met de buitenlandse – met name de Noord-Amerikaanse – kerkelijk-gereformeerde groeperingen hebben de GKN zich veel ingrijpender gewijzigd. Dat komt ook door het verschil in cultuur, waarbinnen die kerkelijke groeperingen zich bevinden. De Noord-Amerikaanse cultuur is immers in veel minder sterke mate geseculariseerd dan de Europese en Nederlandse cultuur, zeker in de Verenigde Staten, waar we te maken hebben met een zeer religieuze cultuur. Wat betreft de gereformeerden in Canada moeten we in rekening brengen dat de immigratie-situatie tot een sterke interne integratie en daarmee tot een sterke afzondering van de omringende samenleving heeft geleid, hetgeen sterk conserverend heeft gewerkt met betrekking tot het eigen kerkelijk leven.

Dekker zelf over de ontwikkelingen
Tot nu toe heeft G. Dekker de ontwikkelingen van de GKN zo feitelijk mogelijk beschreven en zo onbevooroordeeld mogelijk geanalyseerd. Hij gaat nu op twee vragen in: hoe kunnen we de ontwikkeling waarderen en welk perspectief is er voor de GKN gezien de geconstateerde ontwikkelingen? Het gaat volgens Dekker niet om een eenvoudig goed of slecht.

Opgehouden kerk te zijn
Het betekent nogal wat om van een kerk te zeggen dat zij geseculariseerd is. Dit is het tegenovergestelde van godsdienstig-zijn. Extreem gezegd is zij dan opgehouden kerk te zijn. Er is dus wel degelijk grond voor een negatief oordeel. De moeilijkheid is volgens Dekker om, terwijl de ontwikkelingen nog gaande zijn, vast te stellen of een aanpassing van de godsdienst uiteindelijk zal leiden tot een verzwakking of verdwijning van die godsdienst danwel tot een veranderde godsdienstigheid, die beter past bij een nieuwe situatie en dus in een bepaalde zin ook vitaler en krachtiger is.

Het begrip identiteit
Zijn de GKN nog wel gereformeerd? Hier komen we bij het begrip identiteit, dat twee betekenissen heeft: het eigene en onderscheidende enerzijds en het blijvende in de verandering anderzijds. Een typisch gereformeerde trek is om de godsdienstigheid en kerkelijkheid aan te passen aan de veranderde omstandigheden. Dit zou betekenen dat de identiteit juist verloren gaat als er géén veranderingen plaatsvinden. Toch zijn er genoeg aanwijzingen dat bepaalde gereformeerde karaktertrekken in de loop van de tijd zijn verzwakt of vervaagd. Soms was het zo dat de gereformeerde houding bleef, maar de gereformeerde inhoud verdween.

Noodzakelijk?
Was deze ontwikkeling noodzakelijk? Er speelden interene en externe krachten. Bij interne krachten denken we aan processen van veralledaagsing of routinisering en van formalisering of insitutionalisering. We kunnen hier in zekere zin over sociale wetmatigheden spreken, een ontwikkeling van sekte naar kerk. Naarmate men groter is, moet men meer concessies doen aan de leden en dreigt men dus steeds meer kenmerken van een ‘zwakke’ organisatie te gaan vertonen. Bij externe krachten denken we aan de constante druk van de samenleving op de godsdienstige groeperingen. De georganiseerde GKN moesten wel toegeven aan de invloed van de buitenwereld; een invloed waarmee zij via hun leden werden geconfronteerd. In die zin was een andere ontwikkeling moeilijk denkbaar.

Het statische en dynamische kerkbeeld
Het toekomstperspectief voor de GKN is niet bepaald gunstig, zo zegt Dekker in 1992. Er lijkt een bijna onomkeerbare ontwikkeling te zijn van traditionele godsdienstigheid en kerkelijkheid, via niet-traditionele godsdienstigheid en/of kerkelijkheid, naar ongodsdienstigheid en onkerkelijkheid. Maar Dekker wijst er ook op dat in de kerkgeschiedenis telkens weer oplevingen en revitaliseringen voorkomen. Van J.B.G. Jonkers zijn twee kerkbeelden: het statische en dynamische kerkbeeld. Dekker: ‘Als de kerken zouden willen vasthouden aan of willen teruggaan tot het statische kerkbeeld, dan liggen er geen andere mogelijkheden in de toekomst dan dat ze een geestelijk onderdak kunnen bieden aan een vermoedelijk steeds kleiner wordende orthodoxe en theologisch traditionele groepering’.

Rare draai van Dekker
Dekker ziet (in 1992) wel degelijk perspectieven voor de GKN, als ze meer bewust uitdrukking willen zijn van het dynamische kerkbeeld. ‘Perspectieven, omdat zij op deze wijze kerkelijk onderdak kunnen verlenen aan mensen, wier godsdienstige opvattingen en geloofsleven aan het veranderen zijn, maar die desalniettegenstaande in de gelegenheid gesteld willen worden om in een kerkelijke gemeenschap over dat (veranderd) geloofsleven te reflecteren. Er dreigt in onze Nederlandse samenleving een groot gevaar. (…) De kerken lopen dus het risico datgene wat sociologisch gesproken altijd hun belangrijkste functie is geweest te verliezen, namelijk het vormgeven aan en het bieden van de mogelijkheid tot het beleven van de godsdienstigheid van de mensen. Hier ligt een belangrijke taak voor de kerken. (…) Zo beschouwd liggen er dus nog goede mogelijkheden én een belangrijke taak voor de GKN’. Mijns inziens is dit een rare draai van Dekker. Zou hij dit in 2009 nog steeds zo gezegd hebben? Ik denk het niet.

Gepubliceerd in januari 2009

Advertenties