De twintigste eeuw

n.a.v. George Harinck en Lodewijk Winkeler, ‘De twintigste eeuw’, in: Herman J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen 2006

1914-1941
Vooruitgang
Sinds de Frans-Duitse oorlog van 1871 was Europa vrij geweest van gewapende conflicten. Het was een tijd van grote vooruitgang. De communicatiemiddelen verbeterden snel: telegraaf, telefoon, stoomtreinen, stoomschip. De zending werd ook ter hand genomen. Het optimisme kende geen grenzen: binnen één generatie zou de hele wereld het evangelie zijn verkondigd. Kuypers overtuiging dat er ondanks de zondeval nog veel goeds was overgebleven sloot goed aan bij het heersende klimaat van optimisme. De Eerste Wereldoorlog rekende hier echter definitief mee af. Voor de 19e-eeuwer was de wereld kenbaar, beschrijfbaar, verklaarbaar en beheersbaar geweest. Maar Einstein ontkrachtte met zijn relativiteitstheorie de klassieke natuurwetten. Freud ondergroef met zijn theorie van het onbeheersbare de moraal, Nietzsche brak met de veronderstelling dat er één vast bij een woord behorende betekenis is. Er waren nu geen vaste ijkpunten meer, maar hoe moest men leven zonder zekerheden?

Eerste Wereldoorlog als omslag
Menig vorstenhuis verdween van het toneel. Nederland leed economisch onder de Eerste Wereldoorlog. In de Eerste Wereldoorlog kreeg Nederland te maken met massale werkloosheid door de ontwrichte economische structuur. De dominante indruk die deze oorlog vestigde was die van morele en politieke ontwrichting en van zinloosheid. Om deze reden had de oorlog ook invloed op het christendom in Europa, dat zijn vanzelfsprekendheid verloor. Het antichristelijke communisme, het ongeremde bloedvergieten, oorlogsvoering met gas, tanks en vliegtuigen: de morele orde van het christendom leek weerloos tegenover het besef van zinloosheid en leegte, klassiek verwoord in Erich Maria Remarques frontrelaas Im Westen nichts neues (1928). Tussen 1909 en 1930 verdrievoudigde de onkerkelijkheid tot 14 procent. De kerken kozen in de oorlog geen partij, maar baden om vrede. Als pacifist gold de hervormde predikant Bart de Ligt als een zonderling, en als christen-socialist bijkans als een verrader. In 1930 werkte 1/3 in de industriële sector en meer dan 40 procent in de dienstensector.

Roessingh, Haitjema en Dooyeweerd
De poging van de jonge moderne theoloog K.H. Roessingh om een relatie tussen kerk en cultuur te leggen, sprak jongeren aan. De vrijzinnigheid ging meer kiezen voor traditie. Jonge predikanten als K.H. Miskotte en K. Schilder bezonnen zich op moderne sociale denkbeelden. Maar binnen de protestantse kerken was sociaal engagement een marginaal verschijnsel. Th.L. Haitjema stelde voor tot reorganisatie van de bestuursstructuur van de Ned.Herv.Kerk. Kuypers idee van het belang van kringen in de samenleving werd in de jaren 20 gesystematiseerd en uitgewerkt door VU-filosoof H. Dooyeweerd. Dooyeweerd keerde zicht tegen de medezeggenschap van werknemers. Dat werknemers naast sociale ook economisch zeggenschap toekwam, achtte hij ‘wettelijk gesanctioneerde diefstal’. In de jaren 20 groeide de overtuiging dat de overheid inzake de armenzorg een belangrijke taak had.

VU wordt groter
Voor het protestantse volksdeel betekende de groei van het bijzonder onderwijs (dat vanaf 1917 volledig gesubsidieerd werd) een versterking van de eigen identiteit. De pedagogiek maakte rond de eeuwwisseling opgang. J. Waterink ontwikkelde een christelijke pedagogiek. De VU groeide in het interbellum van ongeveer 200 studenten in 1918 tot 600 in 1940. In 1930 kwam er een wis- en natuurkundige faculteit. H. Dooyeweerd en D.H.Th. Vollenhoven ontwikkelden een calvinistische wijsbegeerte (onder andere de wijsbegeerte der wetsidee). De theologische faculteit was nog steeds de grootste, maar ze schaadde door conflicten binnen de Gereformeerde Kerken.

Christelijke partijvorming
In 1917 werd het districtenstelsel afgeschaft. In 1919 volgde het actieve vrouwenkiesrecht. De katholieken slaagden erin hun kiezers merendeels in één partij bijeen te houden. De ARP had altijd het standpunt van het huismanskiesrecht bepleit, maar had dit na 1919 laten varen. De CHU trok vooral hervormde kiezers, hoewel Lohman gereformeerd was! De SGP sloeg aan, vooral bij kiezers op de Bible Belt. G.H. Kersten deed het eerste kabinet-Colijn (1925-26) vallen om een motie tot afschaffing van het gezantschap bij de paus. Naast de SGP ontstonden nog twee andere partijen met soortgelijke bezwaren tegen de ARP: de Hervormde Staatspartij en de Christelijke Nationale Actie. Omdat ruim 25.000 stemmen al voldoende was voor een zetel, hadden deze kleine partijen kans.

NSB
De protestantse kerken lieten zich niet in met maatschappelijke vraagstukken. De in 1931 door de katholieke Anton Mussert opgerichte NSB presenteerde zich met name tussen 1934 en 1937 als een partij met een christelijk karakter. De Duitse ontwikkelingen vanaf 1933 liet de kerken niet onberoerd. De bisschoppen lieten meteen een waarschuwen horen en verbood het lidmaatschap van de NSB. De paus bracht in 1937 een encycliek in het Duits uit (uniek!): Mit brennender Sorge. Ook de GKN, CGK en GG wezen lidmaatschap van de NSB af. De Ned.Herv.Kerk, waar de NSB ingang vond, nam geen stelling. In 1934 ondertekenden meer dan 100 hervormde predikanten een publieke sympathiebetuiging aan deze partij. Het christelijke karakter in de NSB maakte geleidelijk plaats voor de Duitse volkse ideologie. In 1937 kregen ze 4 zetels. Omdat de Duitsers later de partij wantrouwden, bleef ook toen haar positie geïsoleerd. In alle kerken was een zeker anti-judaïsme, zij het zelden ook antisemitisme, gebruikelijk. Vooral het besef dat de opgejaagde Joden nu definitief voor de keuze stonden voor of tegen het christendom deed de kerk afwachten wat het zou worden; de Joden hadden hun lot in eigen handen; ze konden zich nu bekeren tot het christendom.

Sociale wetten, sportbeoefening, lectuur, radio
In verhoogd tempo kwamen sociale wetten en verzekeringen tot stand. De ziekenverzorging werd van een roeping een gewoon beroep. Er kwam ruimte voor vrijetijdsbesteding. Dit uitte zich vooral in lectuurverspreiding. Sportbeoefening vond minder ingang bij Nederlandse protestanten dan bij katholieken en sociaal-democraten in eigen land. De zondagssport werd zowel door protestanten als katholieken bestreden. Geïllustreerde weekbladen werden gangbaar, zoals De Spiegel. ‘Uit het rijke roomsche leven’ luidde de titel van de betreffende fotorubriek in de Katholieke Illustratie. Meer dan de katholieken kenden de protestanten een leescultuur. J.H. Kok te Kampen en Callenbach te Nijkerk waren bekende uitgevers. W.G. van der Hulst was een kinderboekenschrijver. Lezers uit confessionele kring maakten uiteraard gebruik van eigen leesbibliotheken. Vanaf de jaren 1910 werden afhankelijk van de lokale bevolkingssamenstelling ook de katholieke en – zij het minder vaak – protestantse bibliotheken gesubsidieerd. In de jaren 1920 deed de radio zijn intree. Ontspanning en vorming gingen hand in hand.

Kersten, De Heer en Buchman
Kersten organiseerde een nieuw kerkverband, maar richtte ook de SGP op, en het politieke maandblad De Banier (dat van 1929 tot 1941 als dagblad verscheen). De Saambinder was het kerkelijke blad. In 1927 kwam de Theologische School te Rotterdam. Kersten legde accent op de Nadere Reformatie. Toen tegen deze correctie bezwaar werd gemaakt, kwam hij eraan tegemoet en schoof hij op naar rechts. In 1933 kreeg de SGP 3 zetels, 2,5 procent van de stemmen. De Gereformeerde Gemeenten boekten veel winst. De houding van de GKN jegens de Gereformeerde Bond was in het interbellum ietwat neerbuigend. Het bestaansrecht van de CGK werd door de GKN meermalen betwist. De behoefte aan een innige en persoonlijke geloofsbeleving kwam tot uiting bij Johannes de Heer; zijn eenvoudige, persoonlijke en bemoedigende christelijke liederen werden onder protestanten zeer populair. Hij zong voor de NCRV-radio en schreef in Het Zoeklicht. Zijn boodschap en theologie werd binnen de kerken herhaaldelijk bekritiseerd, maar de noodzaak daartoe toont hoezeer deze voldeed aan een behoefte aan eenvoud en troost. J.H. Gunning JHzn. richtte het blad Pniël op. De internationale Oxfordgroep van de Amerikaanse evangelist Frank Buchman was een opwekkingsbeweging die ook in Nederland opereerde, met aandacht voor persoonlijke religieuze verandering. De beweging bereikte vooral ontwikkelde randkerkelijken.

Invloed van Karl Barth
Uit vrees voor verwatering werd in 1926 J.G. Geelkerken afgezet (de kwestie rondom de sprekende slang). De Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband gingen al spoedig een barthiaans stempel krijgen en telde veel kritische jongeren. J.J. Buskes was er één van. Hij ging het pacifisme aanhangen. G.J. Heering, remonstrants hoogleraar, schreef het boek De zondeval van het christendom. Het pacifistische elan verschrompelde echter in het zicht van Hitlers agressieve expansiepolitiek en werd begraven toen Karl Barth ook gewapend verzet geboden achtte. Na een matte tijd sinds de Doleantie brachten begin jaren 1920 enkele theologen nieuw elan binnen de Ned.Herv.Kerk: O. Noordmans en K.H. Miskotte raakten geboeid door Karl Barth tegen het als vanzelfsprekend beschouwde verband tussen christendom en cultuur. God was de ‘ganz Andere’. Een synthese tussen geloof en cultuur was eenvoudigweg niet mogelijk. Alleen redding van buiten was mogelijk, van een transcendente God. In 1931 was de vereniging Kerkopbouw opgericht, in 1930 de bond voor Kerkherstel. Het reorganisatieplan van de beide bewegingen gezamenlijk werd in 1939 door de synode afgewezen.

Barth populair in de NHK
De Ned.Herv.Kerk werd een echte richtingenkerk. Gereformeerdebonders kozen vaak voor Kuypers zijde wat de politiek betreft (ARP), al betreurde men zijn samenwerking met de katholieken. In 1912 werd De Waarheidsvriend opgericht. In 1906 organiseerden de vrijzinnigen zich ook, en zochten meer aansluiting bij de traditie. De ethischen en confessionelen maakten omstreeks 1920 bijna 60 procent van de kerk uit, de Gereformeerde Bond ongeveer 1/5. De Römerbrief van Karl Barth (1922), hoewel nooit in het Nederlands vertaald, was populair. Miskotte werd na een aarzelend begin een groot aanhanger van deze theoloog. Voor veel theologen was Barths dialectische theologie het verlossende antwoord op de dominantie van Kuypers theologie en maatschappijvisie. Barths theologie veroverde in het interbellum de Ned.Herv.Kerk.

Vernieuwende geluiden in de GKN
Na het overlijden van Kuyper in 1920 en Bavinck in 1921 werd het gedachtegoed een erfenis. Bavinck had in zijn laatste jaren al op de noodzaak van vernieuwing gewezen. Jonge theologen volgden Bavincks spoor, al stuitten ze in de kerken op tegenstand, en richtten in 1920 het weekblad De Reformatie op. K. Schilder bracht nieuw elan door in relatie tot de cultuurcrisis het existentiële karakter van de theologie en de verantwoordelijkheid van de mens in de relatie tot God en Zijn schepping te beklemtonen. Terwijl Dooyeweerd en Vollenhoeven vanuit Kuypers neocalvinistische wereldbeschouwing redeneerden, nam Schilder, gevoed door de traditie van de Afscheiding, de kerk als uitgangspunt. Hij wilde kerk en organisatie nauwer op elkaar betrekken en meer dynamiek verlenen. Hij stond kritischer dan Kuyper tegenover de cultuur. Schilder ging in confrontatie met de theologie van Barth, die naar zijn oordeel christelijke actie onmogelijk maakte. Schilders kritiek op Kuypers theologie veroorzaakte onrust in de Gereformeerde Kerken. V. Hepp was een fel tegenstander van Schilder.

Massaliteit, protestantse gewoonten, Colijn
Terwijl de protestantse theologie volop leefde, leed de rooms-katholieke theologie nog lang onder de gevolgen van het antimodernisme. Het neothomisme bleef het verplichte denkkader. Het confessionele leven uitte zich in massale bijeenkomsten. Toog- en bondsdagen, partijbijeenkomsten, manifestaties, zendingsfeesten, katholiekendagen en bedevaarten. Vooral hemelvaartsdag leende zich hiervoor, alsmede tweede paas- en pinksterdag. De Amsterdamse RAI of voetbalstadions vulden zich helemaal. Colijn vatte het leven van een protestant als volgt samen: ‘Op zondag een goede preek, de Bijbel elke dag op tafel en dan verder iedere dag een goede lach.’ Een protestants huis kende een scheurkalender met voor elke dag een korte meditatie. Vaak hing er een portret van Kuyper of een dominee aan de wand. De enige die in deze tijd erin slaagde een leiderschap boven de partijen te vervullen, was Colijn.

Liturgie en kerkbouw
Liturgische bewegingen deden zich ook voor. Men ging onderscheidend spreken over de dienst van het Woord en de dienst van de tafel, ritueel en kerkbouw werd weer belangrijk. Vooral het anglicanisme was populair. G. van der Leeuw onderbouwde dit alles theologisch. Hij beklemtoonde het verband tussen tijd en eeuwigheid. De gereformeerde liturgie was sober en met sterk accent op de preek. Kuypers in Onze eeredienst uitgewerkte liturgische inzichten gingen over de hoofden van de gereformeerde heen (1911). Bij de katholieken werd de leeftijd voor de Eerste Communie van twaalf naar zeven jaar teruggebracht. Ook werden misweken gehouden, waarin liturgie werd uitgelegd, gregoriaanse beurtzangen werden geoefend en een devotionele houding werd gestimuleerd. Abraham Kuyper gaf uitgebreide adviezen over nieuwbouw. Hij wees op de centrale plaats van de kansel en de plaats van de gemeente in een halve cirkel eromheen. H.P. Berlage nam in zijn uitbreidingsplan voor Amsterdam-Zuid pleinen als uitgangspunt, waaraan kerken gesitueerd werden, ‘want een plein zonder openbaar gebouw is geen plein’. Kerkgebouwen werden markeringspunten in nieuwe stadswijken. Tot 1940 bouwden de gereformeerden met bijna 400 kerken twee keer zoveel kerken als hervormden, en bij voorkeur met een toren en doorgaans een mengstijl. Tjeerd Kuipers brak met de neostijlen van de 19e eeuw.

Positie van de vrouw
Steeds meer Nederlanders trouwden, en dat op jongere leeftijd. Het aantal echtscheidingen onder niet-kerkelijken nam snel toe. Nederland bleef een uitgesproken preuts land. Tussen 1850 en 1890 overleed een kwart van de kinderen voor de peuterleeftijd. De Neomalthusiaanse Bond deed propaganda voor geboorteregeling. Het landelijke geboortecijfer lag in het interbellum onder de drie. Dit was anders in kerkelijke kring. Geboorteregeling stuitte op grote weerstanden bij protestanten en katholieken. Kuyper noemde het neomalthusianisme een ‘demonische invloed’ en de Ned.Herv.Kerk riep in 1907 op deze ‘als een kanker voortvretende zonde’ te weerstaan. Volgens de kerken had de vrouw een ‘met hun vrouwelijke aard overeenstemmende’ eigen morele taak: de (geloofs)opvoeding van de kinderen. De kerken maakten wel steeds gebruik van hulpdiensten door vrouwen, zoals bij diaconaal werk, maar trachtten de getrouwde vrouw buiten het economische leven te houden. De doopsgezinde A. Zernike werd in 1911 als eerste vrouwelijke predikant in Nederland bevestigd. In 1922 werd Frida Katz Tweede-Kamerlid voor de CHU. Na dit resultaat nam het politiek-maatschappelijk streven van de christenvrouwen af. De overheid besloot in 1935 vrouwelijke ambtenaren te ontslaan wanneer zij in het huwelijk traden.

Jongerenwerk, evangelisatie, zending en oecumene
De Gereformeerde Kerken deed in verenigingsverband veel voor de jeugd. De helft van de jeugd was aangesloten bij één van die organisaties. Evangelisatie was bij de protestantse kerken een stiefkind. Johannes de Heer deed aan tentevangelisatie en het Leger des Heils zocht het in de combinatie van sociale hulpverlening en evangelisatie. Heilssoldaten bezochten gevangen. In 1931 introduceerden ze een kledingweek, maar het succes groeide het Leger boven het hoofd. De gereformeerden bedreven zending op het islamitische eiland Java. Hendrik Kraemer bepleitte in de jaren 30 de opkomende zelfexpressie in Nederlands-Indië in kritische solidariteit te steunen en het regeringsbeleid in die zin te beoordelen. Voor dit standpunt vonden ze bij de Nederlandse kerken en christelijke politieke partijen weinig gehoor. Ook onder katholieken was er, misschien nog wel meer, enthousiasme voor missie. Onder leiding van Visser ’t Hooft kwam de oecumene op. Katholieken deden niet mee; protestanten dienden terug te keren naar de Moederkerk.

1940-1965
Oorlog en bezetting
Met de Tweede Wereldoorlog kwam de vraag op: tactisch stilzwijgen of principieel protest? De bezetters gaven de voorkeur aan een zo vreedzaam mogelijke nazificatie, waarbij zij openlijke confrontaties liefst vermeden. Uitgezonderd de GG en OGG deden alle kerken mee aan het Convent van Kerken of Interkerkelijk Overleg. Het kerkelijk leven kwam na de Duitse inval vrijwel tot stilstand. De bezetter wilde een gelijkschakeling van confessionele organisaties, het gedwongen opgaan in uniforme, neutrale, door Duitsers of NSB-ers gecontroleerde organisaties met het oog op de nazificatie van Nederland. Sommige organisaties, zoals de ARP en de CNV hielden ondergronds een overlegstructuur in stand. Van de strikt kerkelijke organisaties hielden de Duitsers de hele oorlog hun handen af; die aanpakken zou een te zware provocatie zijn. Wel kon het voorkomen dat ze zich bemoeiden met het diaconale werk. Het jeugdwerk wist uit Duitse handen te blijven. De kerkelijke pers werd in 1941 vrijwel geheel aan banden gelegd, met papierschaarste als argument. Veel hing af van het persoonlijk initiatief, dat echter kwetsbaar maakte. K. Schilder heeft dit gemerkt, toen hij na artikelen in De Reformatie gevangen werd gezet.

Verzet
In de zomer van 1940 ontstond de Lunterse Kring. K.H.E. Gravemeyer was daar één van. Hij zou na de oorlog een belangrijke rol spelen in de vernieuwing van de Ned.Herv.Kerk. In gereformeerde kring ontstond een verzetsorganisatie die voort kon bouwen op de hechte organisatiestructuur. Heleen Kuipers-Rietberg kwam om het leven in kamp Ravensbrück; zij was hoofdbestuurslid van de vrouwenbond. F. Slomp was predikant die de oorlog wel overleefde, maar gevaarlijk werk deed. Deze twee personen richtten in 1942 de informele Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers op, die uitgroeide tot de grootste verzetsorganisatie. De Nijmeegse hoogleraar Titus Brandsma kwam om in concentratiekamp Dachau. Trouw was een illegale krant, de Landelijke Knok Ploegen pleegden sabotage, stalen voedselbonnen en bevrijdden gevangenen. Vergaderingen van het verzet werden onder het mom van een bijbelstudiekring in kerkenraadskamers gehouden en de Keizersgrachtkerk te Amsterdam was een wapendepot van het verzet zonder dat de predikant het wist. Bij de ontdekking in 1944 werden de koster en de predikant doodgeschoten.

Jodenvervolging en bidden voor de koningin
Uit protestantse kring klonk aanvankelijk op bestuurlijk niveau geen protest tegen de Jodenvervolging. Na de audiëntie van kerkelijke vertegenwoordigers bij Seyss-Inquart (februari 1942) legden de kerken hun strenge behoedzaamheid af. Naast de Joden waren de Jehova’s Getuigen de zwaarst getroffen geloofsgemeenschap, maar hun lot is de kerken vrijwel ontgaan. Over de voorbede voor de koningin is veel te doen geweest. De hervormden en het convent stelden voor zowel voor haar als voor de bezettende macht te bidden, maar de Gereformeerde Kerken kozen voor expliciet alleen de koningin. Dit was de aanleiding voor de arrestatie van menig predikant. Een kerkgang in oorlogstijd was niet alleen één van de weinige uitjes die resteerden, het kon in de kerk ook nog eens interessant zijn. De meest riskante boodschappen werden vaak op het laatste nippertje verspreid en door koeriers bij de plaatselijke kerken afgeleverd.

Doorbraakbeweging mislukt
In de oorlog begon men zich te bezinnen op wat na de oorlog zou moeten gebeuren met Nederland: de doorbraakbeweging. Hoe zou Nederland moeten worden opgebouwd? In de Brabantse seminaries te Haaren en Sint-Michielsgesteld waren in 1942/43 enkele honderden vooraanstaande Nederlandse mannen als gijzelaars geïnterneerd. Deze politieke kopstukken en leidende intellectuelen spraken over de toekomst van Nederland. Willem Banning schreef zijn ideeën na de gijzeling op in het blad Je Maintiendrai. De scheidslijn tussen christelijke en niet-christelijke partijen moest doorbroken worden. Dit mondde uit in de hervorming van de SDAP tot PvdA. De bevrijding in 1945 bracht hoge verwachtingen met zich mee aangaande een vernieuwing van samenleving en kerk. De Nederlandse Volks Beweging werd opgericht. De doorbraak bleef echter uit. Van de christelijke partijen verloor alleen de ARP tussen 1948 en 1963 bij elke verkiezing.

De nieuwe kerkorde van 1951
Hendrik Kraemer deed een pleidooi voor apostolaire, op hun omgeving gerichte gemeenten. De oude kerkorde bleek een belemmering voor een opleving. Het Algemeen Reglement werd vervangen omdat de stem van de gemeente niet klonk. De vrijzinnigen en gereformeerdebonders waren niet blij met de nieuwe kerkorde van 1951. De vrijzinnigen vonden het te veel theologisch. De GB vond de passage ‘in gemeenschap met het belijden der vaderen’ te mager; het moest zijn: ‘in overeenstemming met…’ H. Berkhof deed stof opwaaien door zijn brochure De crisis der middenorthodoxie (1952). Het gevaar van kleurloosheid en matheid was volgens hem groot. In 1958 schreef hij Christus de zin der geschiedenis, waarin een optimistische visie op de cultuurveranderende kracht van het evangelie naar voren kwam. Buskes en Miskotte zeiden Christus te hebben ontdekt als Heiland voor de onderdrukten en uitgebuiten. A.A. van Ruler zette het geluid voort van bezwaar tegen de neutrale staat en de katholieke invloeden. Nieuw was in deze tijd de aandacht voor Israël, waarbij het thema verschoof van zending naar ontmoeting.

Vrijmaking en Indonesië
In de Gereformeerde Kerken kwam het in 1944 tot een scheuring: de Vrijmaking. Deze groep zag de vernieuwing van de Ned.Herv.Kerk met belangstelling aan, maar ze kozen voor een zelfstandig kerkelijk leven. Een groot deel van de actieve leden hadden voor de Vrijmaking gekozen, waardoor het gebruikelijke elan van de gereformeerden fors werd gedempt. In de GKN klonken oproepen tot vernieuwing en uitstraling naar de moderne samenleving, zoals Thijs Booy in zijn Gereformeerden waarheen? (1951). In Indonesië vielen 6.000 Nederlandse slachtoffers. Na de oorlog vonden de politionele acties plaats. ‘Gezag is gezag en een rebel is een rebel’, aldus de ARP. In zendingskringen heerste sympathie voor de nieuwe republiek. Joh. Verkuyl werd hierom door Trouw eruitgezet. Voor het eerst sinds 1918 maakte de ARP geen deel meer uit aan de regering.

Verzuiling hersteld, kerkverlating groeit
De vooroorlogse verzuilde maatschappelijke structuren werden snel hersteld. Nederland had meer schade geleden dan welk land ook (verarmd, beschadigd en leeggeroofd) en moest weer worden opgebouwd. De ARP en CHU fuseerden niet, ondanks geluiden daartoe. De Ned.Herv.Kerk kende een gestage aanwas van leden uit de bevindelijk gereformeerde kerken. Ons land telde inmiddels 17 procent onkerkelijken. Bij de katholieken werd het proces van kerkverlating gecompenseerd door een hoog geboortecijfer. In 1966 ging 14 procent van de katholieken niet elke zondag naar de kerk, 42 procent van de hervormden, 17 procent van de gereformeerden.

De overheid heeft een grote vinger in de pap
Er kwam in Nederland een groeiende invloed van de overheid op het sociaal-economische leven. Wederopbouw en economisch herstel verliepen in de jaren 1945-60 goed, behalve de hardnekkige woningnood. De gestage groei zou aanhouden tot de oliecrisis in 1973. Er was een forse overheidsbemoeienis en een strak geleide loonpolitiek. ‘Van Drees trekken’ werd een begrip. Met Marshallhulp werd een grootscheeps industrialisatieprogramma opgezet. Er vond definitief een verschuiving van een agrarische naar een verstedelijkte omgeving plaats. De rooms-rode samenwerking beheerste in het decennium na de oorlog de politiek. De rechts-linkstegenstelling in de politiek sloeg niet langer op het verschil tussen christelijk en niet-christelijk, maar op het verschil tussen minder en meer overheidsinvloed in de samenleving.

Het jeugdprobleem, verwereldlijking, psychologisering
Er kwamen zorgen over de jeugd: losbandigheid (denk aan de komst van de bevrijders in 1945), toenemend bioscoopbezoek, wraakacties en de zwarte handel deden alarm slaan. Het herstel van de moraal werd hoog op de agenda geplaatst. Het motto werd ‘gezinsherstel brengt volksherstel’. De gereformeerde synode waarschuwde in 1952 nog tegen paardansen, zondagssport en bioscoopbezoek; kennelijk was dit al aan de orde van de dag. Terwijl voorheen huisarts of geestelijke mensen begeleidden, kwamen nu de psychiaters, psychologen, pedagogen en maatschappelijke werkers. In de jaren 60 kwam het tot oprichting van het levensbeschouwelijk neutrale Regionale Instellingen voor Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG’s). In plaats van termen als gehoorzaamheid/ongehoorzaamheid werd nu gesproken over morele groei en persoonlijke omstandigheden. De paus sprak zich uit tegen deze ‘situatie-ethiek’. Deze psychologisering van de moraal bracht velen tot bevrijding, ook tot afscheid van de kerk.

Gezinsvorming en kernwapens
In 1952 aanvaarde de hervormde synode uitdrukkelijk het gebruik van anticonceptiemiddelen. In 1964 sprak de gereformeerde synode over ‘verantwoorde gezinsvorming’. In 1963 verklaarde een bisschop dat kindertal een zaak was van het eigen geweten. Veel katholieken concludeerden daaruit dat voorbehoedsmiddelen voortaan ‘dus’ waren toegestaan… In 1957 sprak de gereformeerde synode zich uit tegen het gebruik van kernwapens, terwijl de hervormde synode in 1962 een ‘neen zonder ja’s’ uitsprak, een standpunt dat in de politiek alleen door de communisten werd gedeeld. Kerkhistoricus A.J. Rasker wilde niet meer denken in blokken van Oost en West. De reünistenorganisatie van de SSR startte begin jaren 60 met een serie spraakmakende jaarcongressen onder leiding van G. Puchinger. In het begin van de jaren 50 vond een conflict plaats om de stichting van een christelijke school te Hardegarijp, die werd tegengehouden door de hervormde kerkenraad.

Amerikaans christendom
In 1954 bezocht Billy Graham ons land. Protestantse kerkleiders achtten diens christendom niet van voldoende gehalte (‘godsdienst in confectie’), maar het aantal van 40.000 toehoorders in het Olympisch Stadion te Amsterdam die naar hem kwamen luisteren, suggereerde veeleer dat het intellectuele karakter en de vaste vormen van de kerkdiensten velen niet meer voldeden. In 1958 bezocht evangelist en gebedsgenezer T.L. Osborn ons land en trok een gehoor van tienduizenden op het Haagse Malieveld.

Kerkbouw
Veel kerken waren door de oorlog verwoest of beschadigd. Wegens materiaalschaarste kregen woningen voorrang en was zelfs het bouwen van een kerktoren niet toegestaan. De naoorlogse katholieke kerkbouw was traditionalistisch van stijl. De gereformeerden dachten dat ze in 1980 het miljoenste lid konden inschrijven, maar dat was te optimistisch. Er moesten kerken gebouwd worden om de toekomst aan te kunnen. Wijken mochten geen slaapsteden worden, en daardoor werd er vaak plek vrijgehouden voor kerkbouw. Veel nieuwe protestantse kerken fungeerden zo als sociale centra in de nieuwbouwwijken. Een functionalistische bouwstijl genoot de voorkeur boven een traditionele. In de geest van het Nieuwe Bouwen werd gebruik gemaakt van betonconstructies. De overheid kwam de kerken financieel tegemoet (30 procent subsidie). Gezamenlijke kerkbouw door hervormden en gereformeerden werd wel overwogen, maar niet toegepast.

Emigratie en overwinning armoede
In 1948 overwoog 1/3 tot emigratie. Tussen 1945 en 1967 emigreerden dan ook bijna een half miljoen mensen naar Noord-Amerika en Australië. Opvallend was dat 1/3 van de emigranten naar Canada gereformeerd was. Het wonder van de jaren 50 was dat de armoede overwonnen leek. De gereformeerden aanvaardden deze situatie en verlegden de aandacht naar gemeente- en werelddiaconaat. De rechterzijde van de ARP, de SGP en het GPV vonden het ‘staatsdirigisme’ als een slagschaduw van het Russische communisme die over ons land gevallen was. Typerend voor de kuyperiaanse denkwijze in de ARP was dat niet de kerk maar de politieke partij werd beschouwd als de ‘dijk, die de polder, waarin het christelijk organisatieleven opbloeit, moet beschermen tegen de stormvloed van buiten’. Katholieken werd in de jaren 50 verboden naar de VARA te luisteren of lid te worden van de PvdA (dit laatste werd sterk ontraden; velen deden het wel).

Leidende rol NHK, groei GB, invoering Liedboek, bevindelijk gereformeerden
De Ned.Herv.Kerk had de leidende rol binnen het protestantisme na de oorlog overgenomen van de GKN. Tegenover de antithese werd in navolging van Banning de nadruk gelegd op gemeenschap en solidariteit. De Gereformeerde Bond groeide als kool. In 1954 werd er, niet zonder hoogmoed, door een GB’er gezegd dat er maar twee richtingen in deze kerk waren: de Bond en de rest. De Ned.Herv.Kerk droeg met zijn opstelling bij aan de ontzuiling. Een pauselijke encycliek uit 1947 wilde de actieve deelname van gelovigen in de dienst bevorderen; zo werd de avondmis toegelaten, en werden bepaalde gebeden in de volkstaal gebeden. In de Ned.Herv.Kerk kwam een nieuwe psalmberijming (1967), waaraan onder andere meewerkten Willem Barnard en Jan Willem Schulte Nordholt. In 1970 kwam het Liedboek voor de Kerken klaar, waar hervormden, gereformeerden, doopsgezinden, remonstranten, lutheranen en de Nederlandse Protestanten Bond (vrijzinnigen) met elkaar samenwerkten. In de Gereformeerde Kerken klonken oproepen tot vernieuwing van de liturgie. Er werd ritmisch gezongen en toga’s voor predikanten kwamen op. De nieuwe bijbelvertaling van 1951 markeerde de formatie van de bevindelijk gereformeerden als zelfstandige groep in de samenleving. Het dragen van hoofddeksel door vrouwen en meisjes in protestantse kerkdiensten nam na de oorlog sterk af, maar in bevindelijke kring bleef dit. In 1953 scheurden de Gereformeerde Gemeenten; 18.000 leden vormden de Ger.Gem. in Nederland. Het groeipercentage van de bevindelijke gereformeerden was hoger dan dat van de Nederlandse samenleving. In 1951 kregen ze een eigen studentenvereniging: Civitias Studiosorum in Fundamento Reformato (CSFR).

Oecumene
In 1948 vond de oprichting van de Wereldraad van Kerken (World Council of Churches, WCC) in Amsterdam plaats. De katholieke oecumenicus J.G.M. Willebrands was als ‘journalist’ aanwezig. Als tegenhanger van de WCC werd de International Council of Christian Churches (ICCC) opgericht, als orthodoxe tegenhanger van de Wereldraad. Ook was er de Gereformeerde Oecumenische Synode (1949) waarbij de GKN en de CGK en hun zusterkerken wereldwijd verenigd waren. Karl Barth riep op, temidden van de Koude Oorlog, de gedachte los te laten dat de mens deze wereld moet dragen, want dat was de oorzaak van alle wanorde. In 1952 verenigden de evangelisch-luthersen en de hersteld-luthersen zich na een scheiding van anderhalf eeuw in één Evangelisch-Lutherse Kerk, daartoe aangezet door W.J. Kooiman. De Ned.Herv.Kerk opende samensprekingen met hun. Ook met de Remonstrantse Broederschap kwam het tot een kerkelijke relatie. Men werd het erover eens dat de problematiek beheerst werd door denkschema’s die inmiddels achterhaald waren, zodat de uitverkiezingsleer hen niet langer hoefde te verdelen (de Ned.Herv.Kerk aanvaarde in 1960 een rapport waarin de verkiezingsleer als een logisch systeem werd bekritiseerd). De gereformeerden probeerden nog tot heling te komen met de vrijgemaakten, maar een laatste poging in 1959 vond geen gehoor. Nu wendden ze zich naar de Ned.Herv.Kerk (de achttien, 1961).

Theologische ontwikkelingen: Barth en Berkouwer
In protestantse kering hingen de theologische veranderingen nauw samen met de oriëntatie op de theologie van Karl Barth, al deden ook opvattingen van Hoedemaker en Kohlbrugge zich gelden. Centraal stond bij Barth de gedachte dat wij God niet kennen, maar dat Hij Zichzelf ons doet kennen in Christus. Barth wees christelijke organisatievorming af. Van Ruler had ook grote invloed op de kerk, vooral op de kerkorde van 1951. Er werd niet meer over belijdenis gesproken maar over belijden. De dienst aan de wereld, het zogenaamde apostolaat, was de kernbedoeling van de vernieuwde Ned.Herv.Kerk. Kort na de oorlog waren enige tijd alle hervormde kerkelijke leerstoelen bezet door met Barth sympathiserende theologen. Andersdenkenden werden eenvoudigweg geweerd. Kuypers theologie stond haaks op die van Barth. G.C. Berkouwer van de VU gaf er echter een draai aan; hij stelde in 1954 dat niet de kritiek op alle menselijk handelen, maar de triomf der genade de kern van Barths theologie was. Berkouwer had hiermee een sleutelrol. Hij beoefende theologie binnen de wederzijdse betrokkenheid tussen de levende Schrift en de antwoordende mens. Het gezag van de Schrift als een objectief gegeven veranderde in een existentiële strekking van de Schrift. Dit was een antwoord op het gereformeerde beginseldenken en Barths verwaarlozing van het subject.

Katholieken: nieuwe theologie, Tweede Vaticaanse Concilie
In de katholieke kerk was er invloed van Frankrijk (de nouvelle théologie) en van Duitsland (de Verkündigungstheologie). De katholieke theologie werd tot dan toe gedomineerd door traditionele neothomistische handboeken. De Duitse theologie probeerde daarvan af te komen door nadruk te leggen op de verkondiging. De Fransen stelden vast dat de expressie van de geloofsleer in de loop der eeuwen nogal verschild en was ontwikkeld (=relativeren van de kerkelijke leer). In Nederland vond er een herindeling van bisdommen plaats. Voortaan waren er meer bisdommen: Haarlem, Rotterdam, Breda, ’s-Hertogenbosch, Roermond, Utrecht en Groningen. De paus die als tussenpaus werd gedacht ontpopte zich tot groot kerkleider (‘de lachende paus’). Hij wilde de katholieke kerk bij de tijd brengen (aggiornamento). Na 1955 werd een complete generatie bisschoppen vervangen. Het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-65) bracht veranderingen. Dit werd niet een dogmatisch, maar een pastoraal concilie. Liturgievernieuwing werd mogelijk gemaakt. Lumen gentium gaf de eigen positie van de leden en het algemeen priesterschap van de gelovigen een flinke stimulans. Uitdrukkelijk waren ook niet-katholieke waarnemers uitgenodigd (waaronder Berkouwer). Gaudium et spes trad de moderne samenleving open en optimistisch tegemoet.

1965-2005
Einde wederopbouw, begin welvaartsstaat
Het loslaten van de geleide loonpolitiek door het rechtse kabinet-De Quay en de daarop volgende loonsexplosie markeerden het einde van de wederopbouwperiode (vanaf 1963). Tien jaar lang, tot de oliecrisis, zou de welvaartsstaat (Engels: welfare state: welzijnsstaat is dus een betere vertaling) in zijn volle omvang bloeien. De vijfdaagse werkweek deed zijn intrede en er kwam veel meer vrije tijd. De generatie die net na de oorlog was geboren (de baby boom van 1946-1949) begon zich eind jaren 60 te roeren. Zij waren vaak hoger geschoold dan hun ouders, en wat voor de ouderen verworvenheden waren (bijvoorbeeld vrede en welvaart) vormden voor de jongeren startpunten op weg naar persoonlijke en maatschappelijke bevrijding. In 1965 verscheen Ondergang van de historicus Jacques Presser. Het ging over de jodenvervolging in Nederland. Dit boek zorgde ervoor dat de schaamte, waardoor deze dingen waren weggestopt, als een boemerang terugkeerde in de Nederlandse samenleving. Er kwam aandacht voor Israël. In 1979 werd de stichting Christenen voor Israël opgericht.

De roerige jaren 60
De jonge Amerikaanse president John F. Kennedy, die een ‘new frontier’ aankondigde, sprak tot de verbeelding. Nozems, ‘luidruchtige muziek’, acties, Provo: in de hoofdstad ontstond een licht ontvlambare sfeer, vooral tijdens het huwelijk van Beatrix en Claus (1966). De oorlog in Vietnam deed demonstraties roepen: ‘Johnson moordenaar’. De hippiebeweging met haar flower power was overgewaaid van San Fransisco. Het Vondelpark werd het hippiecentrum van Europa, inclusief ‘Damslapers’. Deze speels gepresenteerde en geweldloze antiburgerlijkheid maakte spoedig plaats voor polariserende kritiek op en confrontatie met de bestaande orde: Dolla Mina, de studentenbeweging, de feministische beweging, de vredesbeweging. De paus riep in 1963 op tot verbod op bezit van atoomwapens (Pacem in terris).

Vredesbeweging
In 1966 richtten verschillende kerken het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV) op. Ze deed aan ‘vredesopvoeding’ van kerkleden, zoals de campagne ‘Stop de neutronenbom’ en het Komitee Kruisraketten Nee. Toen de Tweede Kamer in 1979 tegen de NAVO-plannen stemde om kruisraketten te plaatsen, werd internationaal gesproken over ‘hollanditis’. Toen in 1985 het internationale klimaat ontspande, nam Nederland in 1985 definitief het besluit tot plaatsing van de nieuwe NAVO-wapens. De vredesbeweging zakte in. De hervormde synode veroordeelde in 1980 niet alleen het gebruik, maar ook het bezit van kernwapens. Mient Jan Faber, een gereformeerde natuurkundige, was jarenlang secretaris van de beweging. In 1981 en 1983 vonden er twee massale demonstraties plaats (Amsterdam 400.000 mensen en Den Haag 550.000) en een petitie van 3,75 miljoen ondertekenaars. De GB keerde zich tegen de synode in dit standpunt.

Maatschappijkritiek, poldermodel, verbleking identiteit
De Bijbel kreeg een materialistische uitleg en werd een maatschappijkritisch boek. Doel van de kerk moest zijn doorbreking van structuren. Progressieve jongeren verlieten de confessionele partijen en verenigden zich in de Politieke Partij Radicalen (PPR, 1968). De oliecrisis maakte een einde aan de periode van voorspoedige economische groei (1973). De broekriem moest opgehaald worden, het Nederlandse ‘poldermodel’ deed zijn intrede. De kerken speelden geen rol meer. Een vercommercialisering werd aangemoedigd. Schaalvergroting en verstatelijking vond plaats. Organisaties werden steeds groter, waardoor de levensbeschouwelijke kleur verbleekte. De ontzuiling ging in volle kracht door, vooral door de komst van de televisie (100.000 toestellen in 1956, 3.000.000 in 1970). De Volkskrant deconfessionaliseerde, maar Trouw bleef christelijk.

ARP verlinkst
De ARP ging zich tot progressieve evangelische beginselpartij omvormen en wist daarmee voor het eerst sinds 1948 zetelwinst te boeken. Christendom was in deze jaren vooral hulpverlening en werd vooral maatschappelijk vertaald. Het CDA kwam tot stand in 1980. In 1967 leverde de Groep van Achttien voor het eerst een rapport over samenwerking; het ademde de ‘sfeer van de reformatorische mannenbroeders. De katholieken wisten niet wat ze lazen’ (Bomans). Het gezamenlijk stemmenaantal daalde van 49 procent in 1963 naar 30 procent in 1972. De gereformeerde econoom B. Goudzwaard schreef het eerste verkiezingsprogramma van het CDA: Niet bij brood alleen. Hij verliet de partij echter al snel toen het evangelische elan te weinig voet aan de grond kreeg.

Niet overal ontzuiling
Onderwijs en omroepen wisten aan de ontzuiling te ontsnappen. Met name in katholieke kring vervaagde de identiteit van scholen. De vrijgemaakten vormden eigen scholen, door de overheid in 1960 erkend (voor die tijd financierden ze het zelf). In 1966 werd de Gereformeerde Bijbelstichting (GBS) opgericht, om de Statenvertaling te behouden. De VPRO liet in 1968 haar protestantse identiteit los, de EO was in 1967 opgericht omdat de NCRV weinig deed aan evangelieverkondiging. De EO ontwikkelde zich tot de belangrijkste christelijke organisatie in protestants Nederland. Ze ging zich richten op de ‘oecumene van het hart’. De KRO ging vanaf de jaren 90 meer aandacht schenken aan haar religieuze wortels, gevolgd door de NCRV. Vanaf 1989 kwamen er commerciële televisiezenders. De overheid ging zich hierdoor meer met de programmering bemoeien; de omroepverenigingen moesten vanaf de eeuwwisseling steeds meer verantwoordelijkheden afstaan aan de beheerders van de drie televisienetten.

Secularisatie en linkse theologische
De Nederlandse katholieken gingen een zekere eigen Nederlandse weg, dit was mogelijk door het concilie. In 1965, toen het concilie was afgesloten, werd er een Nederlands concilie bijeengeroepen. Dit Pastoraal Concilie resulteerde in een groeiende kloof tussen de Nederlandse kerkprovincie en Rome. De Ned.Herv.Kerk opende al haar ambten in 1967 voor vrouwen. In deze jaren ontstonden er talrijke ‘basisgroepen’ en kritische gemeenten, waarin werd geëxperimenteerd met alternatieve, vaak politiek gekleurde liturgie, bijvoorbeeld de Amsterdamse Studentenekklesia. Het marxisme vond vaak ingang. In aansluiting op theologen als Paul Tillich, Rudolf Bultmann en Dietrich Bonhoeffer trok de horizontaal gerichte theologie van de Anglicaanse bisschop John Robinson de aandacht. P. Smits zei: ‘Geef mijn portie maar aan Fikkie’. Harvey Cox introduceerde de secularisatietheologie en anderen de God-is-doodtheologie. W.H. van de Pol werd van hervormd katholiek. Jörgen Multmann kwam met de theologie van de hoop, Dorothee Sölle met de politieke theologie, anderen met de theologie van de revolutie.

Onderdrukten wel gehoord, verlorenen niet
G.H. ter Schegget riep op tot een revolutie in marxistische zin tegen de religie en de onderdrukkende machten. Bevrijdingstheologen uit Zuid-Amerika kregen eredoctoraten in Nederland (zelfs de VU). De linkse dictatuur in Oost-Europa werd door de links-politieke beweging in de kerk en de oecumenische beweging veel milder en met zekere sympathie bejegend. In dit klimaat kwam de Wereldraad in 1975 in Nairobi bijeen. John Stott kwam hier met een evangelical tegengeluid: ‘De Wereldraad hoort zeer nauwlettend naar het geschrei van de onderdrukten. Horen we echter ook het geschrei der verlorenen?’ De feministische theologie riep het jaar 1975 uit tot ‘jaar van de vrouw’. Mede onder druk van de krimpende middelen verslapte de kerkelijke aandacht voor de vrouwenbeweging in de loop van de jaren 90.

Invloed menswetenschappen, vernieuwde schriftvisie
De in 1960 tot Miskotte’s opvolger te Leiden benoemde H. Berkhof accentueerde niet het wezen, maar de beweging van God, waarin Hij de mens wil opnemen en vernieuwen. Zijn Christelijk geloof (1974) stelde de vraag naar de betekenis van Gods relatie tot de mens centraal. Bij de katholieken was het Schillebeeckx die in discussie met de exegese, menswetenschappen en kritische theorieën naar de betekenis van de figuur van Jezus zocht. De invloed van de menswetenschappen op de theologie werd groter en binnen de theologie verschoof de aandacht van de dogmatiek naar de ethiek en de pastorale of praktische theologie. Klare wijn (1966) was een hervormd rapport met een vernieuwende visie op de Schrift, die het menselijke aandeel in de Bijbel verdisconteerde.

De gereformeerden: steeds verder achteruit…
In 1967 herriepen de gereformeerden Assen 1926. God met ons was het rapport van 1980 dat een nieuwe, relationele visie op de Schrift was. De gereformeerde Herman Wiersinga kleurde het begrip verzoening in als oproep aan de mensheid tot verzoening. Harry Kuitert schoof ook steeds verder op. De Gereformeerde Kerken lieten kortom de gereformeerde gezindte ver achter zich. Het gereformeerde levenspatroon verdween, huiselijke bijbellezing, dubbele kerkgang, zondagsheiliging en verenigingsleven raakten in onbruik. Verontruste tegenstemmen klonken bijvoorbeeld in het weekblad Waarheid en eenheid, maar vonden nauwelijks gehoor. Afscheid van de traditie was kenmerkend voor de gereformeerden vanaf de jaren 60. Er leek nu een leidende rol te komen voor de Gereformeerde Bond. Sommigen hoopten dat de GB de Ned.Herv.Kerk vaarwel zou zeggen en te komen tot een eenwording met de kleinere gereformeerde kerkgenootschappen. Hervormden keerden zich tegen de heersende tijdgeest: Getuigenis, dat uitging van de Confessionele Vereniging en de Gereformeerde Bond.

…Het was een stille revolutie
De gereformeerden maakten een ‘stille revolutie’ door, van behoudend en orthodox naar progressief en vrijzinnig. In 1961 traden ze toe tot de Wereldraad van Kerken. Vanaf 1968 stonden alle kerkelijke ambten open voor vrouwen. Kindernevendiensten kwamen op, themadiensten ook. De samenleving en de wereld kregen binnen de kerken veel meer aandacht dan voorheen. Zending ontwikkelde van geloofszending naar hulpverlening (werelddiaconaat). Men steunde het economisch getinte antiracismeprogramma van de Wereldraad van Kerken, inclusief financiële steun aan gewelddadige bevrijdingsbewegingen. Het Leger des Heils verliet om deze reden in 1981 de Wereldraad. Gereformeerden deden pleidooien voor economische boycots. De VU verleende in 1972 een eredoctoraat aan C.F. Beyers Naudé, een Zuid-Afrikaanse bestrijder van de apartheidstheologie. In Kampen studeerden in de jaren 70 veel zwarte Zuid-Afrikaanse studenten.

Katholieke kerk wordt conservatiever
Er waren ook katholieken die het niet eens waren met de ontwikkelingen in Nederland. De paus benoemde in 1970 A. Simonis tot bisschop van Rotterdam en later tot aartsbisschop van Utrecht (1983); hij was een conservatief. Ook andere benoemingen deden stof opwaaien. In 1985 bezocht de paus Nederland; de Acht Mei Beweging zorgde ervoor dat dit bezoek mislukte. Vernieuwingen in de katholieke kerk waren de omkering van het altaar, een gedeeltelijke invoering van de volkstaal en de zaterdagavondmis. Een versobering van de liturgie vond plaats. Huub Oosterhuis was een lieddichter, die ook in protestantse kerken populair was. De katholieke kerk in Nederland werd onmiskenbaar orthodoxer, maar Rome leek wel een beleid van een evenredig bisschoppencollege te voeren. Bisschop Muskens was bijvoorbeeld progressief in zijn standpunten over het recht van de arme een brood te stelen en over het gebruik van voorbehoedsmiddelen in het door aids getroffen Afrika. In Nederland was de katholieke kerk wel lid van de Raad van Kerken.

Identiteitscrisis
De vernieuwingen in kerk en theologie leidden niet tot de verhoopte theologische motivatie onder de grote massa van de gelovigen. De vernieuwing ontnam integendeel veel kerkgangers de vertrouwde vormen en vervreemde hen van de kerk. De ontkerkelijking werd goed zichtbaar door de baanbrekende enquête ‘God in Nederland’ (1966), in opdracht van damesblad Margriet. De groei van buitenkerkelijkheid was vooral onder katholieken sterk. Het aantal catechisanten liep in de NHK en GKN drastisch terug en het Avondmaal werd in de jaren 70 opengesteld voor kinderen. Vanaf begin jaren 60 was er sprake van een crisis van het ambt. Ongeveer 250 priesters per jaar verlieten het ambt. Vooral door het verplichte celibaat zal dit gekomen zijn. Maar het diepste probleem was de identiteitscrisis. Velen verlieten ook het klooster. De katholieke seminaries werden opgeheven en samengevoegd tot theologische hogescholen/universiteiten. Prinses Irene moest bij haar overgang naar de rooms-katholieke kerk herdoopt worden: een ‘oecumenisch bedrijfsongeval’ volgens kardinaal Alfrink.

Verzuiling gaat door
Er vond een uittocht van vrijzinnigen plaats uit de Ned.Herv.Kerk. Het aandeel van de GB was sterk toegenomen, mede door voortdurende aanwas vanuit de bevindelijk gereformeerde kerken. Accenten uit de traditie van de Nadere Reformatie maakten in de GB plaats voor die uit de Reformatieperiode. In reactie hierop ontstond in 1982 de stroming van Het Gekrookte Riet. Inzake de vrouw in het ambt, ethische vraagstukken en liturgische vernieuwingen nam de Bond een behoudend standpunt in. In 1969 ontstonden de Nederlands Gereformeerde Kerken. In 1971 werd het Reformatorisch Dagblad opgericht (nu 60.000 leden tegenover 30.000 van het Nederlands Dagblad). Er ontstonden gereformeerde, reformatorische en orthodox-protestantse HBO-instellingen in Zwolle, Gouda en Ede. In 1975 verscheen de Reformatorische Politieke Federatie (RPF) in de politiek. Van alle gereformeerde kerkgenootschappen waren de vrijgemaakten het meest in beweging vanaf 1990. De Gereformeerde Gemeenten groeiden van 85.000 in 1980 tot ruim 100.000 nu. De Christelijke Gereformeerde Kerken kenden sinds de jaren 80 geen groei meer en bleef op 75.000 steken. De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) hebben nu ongeveer 125.000 leden.

Kerkfusie
In 1973 werd voor het eerst een gezamenlijke synode van de NHK en GKN gehouden. In 1986 verklaarden ze zich ‘in staat van vereniging’. In 1990 voegden de luthersen zich erbij. De remonstranten trokken zich in 1993 terug, omdat de Dordtse Leerregels gehandhaafd zouden blijven. W. Aalders schreef Hervormd Pleidooi in 1994, die de voorgenomen fusie bestreed. In 1998 leek de Gereformeerde Bond beloond te worden voor hun besluit om toch mee te gaan: de hervormde synode hield vast aan het woord ‘hervormd’ in de naam. De lutheranen, de kleinste fusiepartner (in ledental kleiner dan de hervormde gemeente van Katwijk aan Zee!) blokkeerden dit streven. De nieuwe kerk zou gaan heten Protestantse Kerk in Nederland (PKN) en zou 2,1 miljoen leden gaan tellen, 13 procent van de bevolking. De hervormden die niet meegingen vormden de Hersteld Hervormde Kerk.

De evangelischen
De evangelischen waren niet sterk geïnteresseerd in een herordening van de samenleving, maar in persoonlijke bekering. Ze werden geïnspireerd door de Amerikaanse evangelicals. Youth for Christ (1946), koffiebars, het Flevofestival (sinds 1978), Jeugd met een Opdracht, ‘Er is hoop’ (1982) en de EO (1967) waren van evangelisch maaksel. Elly en Rikkert, afkomstig uit de hippiecultuur en in 1976 bekeerd tot het christelijke geloof, schreven en zongen christelijke liederen. Het verzet tegen de wapenwedloop achtten de evangelischen veel te optimistisch getoonzet en omdat de vrouw er een aan de man gelijkwaardige positie bekleedde en een eigen rol had, trok ook het feminisme er geen belangstelling. Het Leger des Heils werd voor de overheid een belangrijke informant over de onderkant van de samenleving. In Nederland kreeg het begrip ‘evangelisch’ een beperktere betekenis dan internationaal, waar ‘evangelical’ ook anglicanen en baptisten en gereformeerden impliceerde.

Medisch-ethische kwesties
De gereformeerden werden in hoog tempo vrijzinnig, de echtscheidingen namen schrikbarend toe. De paus verbood in 1968 uitdrukkelijk het gebruik van voorbehoedsmiddelen. De traditionele biechtpraktijk raakte in onbruik. Het abortuscijfer daalde vanaf de jaren 70 tot 5,2 op de 1000 vrouwen in de vruchtbare leeftijd in 1990. De ontwikkeling van de medische wetenschap bracht met zich mee dat vanaf halverwege de jaren 80 het aantal ethische thema’s zich aanzienlijk uitbreidde, en de complexiteit ervan evenzeer. Draagmoederschap, kunstmatige inseminatie, in vitro fertilisatie, kunstmatige levensverlenging, euthanasie en dergelijke thema’s werden onderwerp van discussies. In Nederland werd euthanasie in 1985 wettelijk geregeld – wereldwijd een uitzondering. De wettelijke erkenning van allerlei samenlevingsvormen, zoals het homohuwelijk in 2001, leidde tot een maatschappelijk debat, waarin kerken geen rol meer speelden. In 1995 aanvaarde de Ned.Herv.Kerk de homoseksuele leefwijze principieel en ten volle. J. Douma en W.H. Velema publiceerden vanuit een orthodox gezichtspunt over actuele ethische thema’s. Ze kregen een publieke rol die hun invloed verder deed strekken dan hun eigen kerkelijke kring. Het boek van Harold S. Kushner Als het kwaad goede mensen treft (1983) werd een bestseller.

Trieste balans
De Nederlandse samenleving individualiseerde. Er heerste daardoor de wijd verbreide opvatting dat hen individu over allerlei, ook ethisch omstreden zaken zelf moest kunnen beslissen. Bij velen kwam de vraag op of Nederlanders nog wel gedeelde normen en waarden kenden. Iets van een mea culpa viel in de jaren 90 nu en dan te beluisteren bij hen die zich in hun maatschappijkritische theologie te zeer hadden gericht op de maatschappelijke structuren, ten nadele van individu en gemeente. Het elan van de oecumene verliep. De kerk werd een randverschijnsel. In 1983 verdwenen de laatste resten van de band van de NHK met de centrale overheid. Vanaf 1972 werd de jaarlijkse actie Kerkbalans gehouden, wat een inkomstenstijging van 30 procent opleverde. De bestuurlijke aandacht voor het Samen op Weg-proces verhulde in de jaren 90 dat niet meer duidelijk was wat de NHK samenbond. De katholieke kerk kreeg te maken met ‘personeelstekort’: afname van roepingen, uittredingen en vergrijzing. De hedendaagse religieuze toestand in Nederland wordt beheerst door de opkomst van de islam.

Gepubliceerd in juni 2007