De watersnoodramp van 1953

n.a.v. Kees Slager, De ramp. Een reconstructie van de watersnood van 1953, Amsterdam 2003

Dijkgeschiedenis
Inleiding
Nederland was in 1940 niet voorbereid op een aanval uit het oosten; in 1953 was Nederland niet voorbereid op een aanval uit het westen. Tijdens de uren van de ramp zijn er geen foto’s gemaakt. Het gevolg is dat de meeste rampfoto’s een vertekend beeld van de werkelijkheid gaven. De storm was toen al geluwd. Het officieel dodenaantal staat op 1835, maar er is een jongetje in deze nacht geboren, die dus nooit is opgegeven bij de burgerlijke stand omdat hij diezelfde nacht verdronk. Na de rampzalige rampdagen vervulden de ‘gewone mensen’ een belangrijke rol. Dit in tegenstelling tot het vele plichtsverzuim van leidinggevenden. De vragen over het functioneren van de overheid werden echter terzijde geschoven, omdat het daar nú geen tijd voor was.

Elc sinen dike
Plinius, een Romeinse militair ten tijde van het jaar nul, beschreef de lage landen als ‘een erbarmelijk land, waar twee keer per etmaal de vloed overheen stroomt, zodat de bewoners genoodzaakt zijn op zelfgemaakte hoogten te wonen, waar zij in hun hutten hun door de noordelijke winden verstijfde ledematen verwarmen aan een vuur van gedroogde slik’. Vanaf 250 tot 900 is vrijwel de hele delta in Zuidwest-Nederland onbewoonbaar moerasgebied. Daarna kwamen de vissers en herders terug. Na de stormvloeden van 1014 en 1134 beginnen ze dijken aan te leggen. Hier begon een lange oorlog tegen het water, dat pas afgesloten werd met de deltawerken. De zee sloeg herhaaldelijk toe. Honderden keren overstroomden de polders. Hier kwam ook een kortzichtigheid aan het licht: men werkte volgens het principe ‘elc sinen dike’. Dit vormde eeuwenlang de basis voor het dijkonderhoud. ‘Die het water deert, die het water keert’. Ruzie over de vraag wie het onderhoud van de dijken moet betalen loopt als een rode draad door de geschiedenis van het deltagebied. De Sint-Elisabethvloed van oktober 1421 deed tientallen dorpen verdwijnen en duizenden mensen verdrinken.

Onbekwame dijkgraven
De dijkgraven waren machtige heren, die belast zijn met toezicht op het dijkonderhoud. Ze worden door de koning benoemd, meestal nadat ze hem met geschenken hebben overladen. Dit benoemingssysteem is een groot kwaad. Iemand kan dijkgraaf worden, ook al weet hij niets van dijken af. In plaats van ‘de vette leersen’ aan te trekken en ‘heure pooten nat te maecken’ door persoonlijk op de dijk te verschijnen bleven zij de regen, hagel en sneeuw ergens binnen bij het warme vuur afwachten, onderwijl de tijd kortend aan het spelbord. ‘Nochtans waeren zij seer diligent int tellen van de penninghen voor heur dachgelden’, zo zegt een boze tijdgenoot.

Geen centralisatie
Poging tot centralisatie van het dijkbeheer worden getorpedeerd door de ingelanden, die bang zijn dat mét de centralisatie de polderlasten verhoogd zullen worden. Pas als de Fransen aan het eind van de 18e eeuw de baas worden in Nederland, wordt het dijkbeheer per eiland gecentraliseerd. Het zal van korte duur zijn, want als de Fransen weg zijn, wordt alles weer als vanouds: elke polder krijgt zijn zelfstandigheid terug. Op aandringen van Thorbecke richt elke provincie zijn eigen waterstaat op. Deze toestand stelt in de praktijk echter weinig voor. In Zeeland verzetten ze zich met succes tegen de concentratieplannen. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog zullen er vrijwel geen polders worden samengevoegd. Het deltagebied komt zwaar geschonden de Tweede Wereldoorlog door. De Duitsers hebben de meeste eilanden begin 1944 onder water gezet omdat ze hier een invasie vreesden. Zeeland telde in 1953 ver over de honderd waterschappen.

Zaterdagmiddag- en avond
Genieten van de storm
Om 16.00 uur op zaterdag 31 januari 1953 stormde het verschrikkelijk. ‘Het was prachtig, práchtig! We hebben daar echt staan genieten van de geweldige kracht van de natuur’. De westerstorm die is losgebroken wordt door slechts een enkeling als dreiging gezien. ‘Als het hoog water was en het stormde, ging ik altijd kijken. Dan móést ik even het water zien.’ De havens liggen die middag vol van schepen die geen zee durven kiezen. Aan de Vlissingse boulevard trekt het geweld van water en storm die middag veel toeschouwers. In Kortgene werd die zaterdag het nieuwe raadhuis officieel geopend. Met veel moeite kan de Commissaris van de Koningin het eiland bereiken. Hij vertrekt snel weer, als één van de laatsten. De andere gasten krijgen te horen dat de veerboot niet meer vaart. Ze zijn gedwongen op het eiland te blijven. Niemand die treurt. Sommigen heffen zelfs het glas op het hoge water, want nu kan het een lange en gezellige avond worden die niet voortijdig wordt afgebroken om de laatste boot te halen.

Coupures niet dicht
Op veel plaatsen komt het water die middag al zo hoog dat er vloedplanken gezet moeten worden in de coupures (doorgangen in de dijken bij havens en veepleinen, die aan weerszijden gleuven hadden waarin planken geschoven konden worden). Zo’n coupures werd ook nog verstevigd met zandzakken. Men heeft niet door dat het water bij de volgende vloed per definitie nóg hoger zal worden. Die nacht is het immers vollemaan en dat betekent dat de vloed een springvloed zal zijn. Een enorme waterberg wordt in de nauwe trechter van de zuidelijke Noordzee geduwd. In Ouddorp ziet iemand het water al komen, golven die vanaf de overvolle Noordzee recht op de kust worden gejaagd. De vuurtoren slingerde zo dat de klok stilviel. Sommigen besloten toen al om die nacht niet naar bed te gaan. Maar dat waren er maar weinigen.

‘Gevaarlijk hoog water’
Die middag komt de Stormvloedwaarschuwingsdienst in De Bilt met een telegram, met als inhoud: ‘Gevaarlijk hoog water’. Dit was een rekbaar begrip. De procedure van deze dienst was niet erg duidelijk. Men kende slechts twee categorieën: ‘flink hoog water’ en ‘gevaarlijk hoog water’. Bovendien hadden ze daar geen verstand van dijken en zeeweringen. Van alle waterschappen in Zeeland waren maar enkelen geabonneerd op het telegram van de Stormvloedwaarschuwingsdienst. Was je niet geabonneerd, dan kreeg je dus geen waarschuwingen! Bij de KNMI wordt de storm al bijna een etmaal met stijgende spanning in de gaten gehouden. Over Schotland was al één van de zwaarste orkanen uit de Schotse geschiedenis getrokken. Er zijn daar die zaterdag miljoenen bomen gesneuveld. De storm ging vervolgens een koers volgen die desastreus was voor Zeeland. Er kwam een stormveld van circa duizend kilometer lengte, precies over het water, recht op onze kust af. Men verwachte een zeer zware storm, die veel schade en ellende van afgewaaide daken en afgeknapte bomen zou veroorzaken. Dat het nog veel erger werd vermoedde niemand…

Niet ebben, niet vloeien?
Als het normaal was geweest zou het water van de Noordzee zich ver hebben teruggetrokken uit de Ooster- en Westerschelde, uit de Grevelingen en het Haringvliet. Het verschil tussen hoog- en laagwater bedraagt hier maar liefst drie tot vier meter. Maar op zaterdag 31 januari trekt het water zich niet terug, maar blijft hoog tegen de dijken en kademuren staan. Oude vissers en schippers kennen het verschijnsel en weten dat de vloed daarna meestal niet veel hoger wordt omdat intussen door het afnemen van de storm of het draaien van de wind het ‘meteorologisch effect’ dan alweer is afgezwakt. ‘Niet ebben, niet vloeien’, zo luidt de volkswijsheid. Of: ‘Hoe minder water er wegloopt, hoe minder er ook komt’. De burgemeester van het Brabantse Willemstad maakt zich zorgen. ‘Nou, iedereen lachte een beetje om die bezorgde burgemeester’.

Misstanden
In Vlissingen ontdekken vissers dat de sluisdeuren van de haven nog niet gesloten zijn. Dat betekent dat de vloed straks regelrecht de haven in kan lopen. Langs de haven staat alleen een lage muur om heel hoog water tegen de houden. Daarachter ligt, verder onbeschermd, de stad. De vissers vertrouwen de zaak niet. Een van hen gaat naar het politiebureau om te waarschuwen. Maar de sluis blijft open. De politie was niet verantwoordelijk voor de sluis. ‘Die werd altijd door een gemeentewerkman dichtgedraaid en dat is toen niet gebeurd’. Talloze van deze gevallen zijn er bekend. Omdat de ramp in het weekend plaatsvond, betekende dit dat er veel verantwoordelijke mensen niet op hun post waren.

Kapotte sluizen en duikers
Bij extreem hoog water moeten volgens het boekje sluizen en duikers dichtgedraaid worden. Het zijn stenen of betonnen constructies door dijken en onder wegen, waar het water door afgevoerd kan worden en vaak ook van de ene polder in de nadere kan lopen. Polders die niet aan het water grenzen, spuien hun overtollige water door de sluizen in de binnendijken op aangrenzende polders, die wel op het buitenwater lozen. Omgekeerd kan het water bij een dijkdoorbraak via de sluizen ook in polders komen waarvan geen dijken gebroken zijn. Maar soms is in geen jaren een sluis of duiker dichtgedraaid of gecontroleerd. Vele blijken die rampzalige nacht kapot blijken te zijn.

De dijk die ons beschermen moet
Veel mensen zijn ondanks het noodweer op die zaterdagavond op visite of naar een feestje. Tenslotte is dit de enige avond in de week waarop zoiets kan. Door de week zijn de dagen lang voor de landarbeiders en boeren. Zelfs in de winter staan de meesten rond zes uur op en gaan er ’s avonds dus vroeg in. De zaterdagavond is dé tijd voor uitvoeringen van muziek- en zangverenigingen, voor café- en voor familiebezoek. In veel cafés was het hoge water hét gespreksonderwerp, maar niemand maakt zich echt zorgen. Er worden grappen gemaakt: ‘Morgenochtend roepen we door het dakraam “goeiemorgen!” naar mekaar’. In Sirjansland (‘Sir’ in de volksmond) viert de vrouwenvereniging De Harten Omhoog haar tienjarig bestaan. Een vrouw heeft ter gelegenheid hiervan een gedicht gemaakt: ‘Ik heb het lief mijn dorpje klein, / Daar bij die wijde zee, / Zo lieflijk zo vol zonneschijn, / Dat stemt me steeds tevree.’ Het tweede couplet begint met: ‘Ik heb hem lief die zware dijk, / Die ons beschermen moet…’ Die avond is op de radio een programma te horen die in het teken staat van de vijftiende verjaardag van prinses Beatrix. Er wordt een gedicht voorgelezen: ‘Maar neem je Hollands water weg / Zijn plassen en zijn vaarten / Dan is mijn land geen Holland meer’.

Verzetshelden als burgemeester
Het woei zo hard dat je niet over de dijk kon lopen. Sommigen namen al maatregelen. In Ouddorp gingen enkele mannen bezig met zandzakken vullen. ‘Er stonden er ook ’n paar op onze handen te kijken en ons alleen maar uit te lachen. Zo van “Ha, ha, die hebben ook weinig verstand!”’ Op veel plaatsen maken de burgers zich meer zorgen dan de gemeentebestuurders. Haast nergens waren de vloedplanken in de coupure gezet. Het is een eeuwenoud en oer-Nederlands beginsel dat de dijkgraaf bij dreigend gevaar op de dijk behoort te zijn. Vanavond blijkt er op veel plaatsen een kloof tussen beginsel en praktijk te gapen, behalve in de Hoeksche Waard. Die avond valt er al één slachtoffer: in Hoedekenskerke valt de allereerste dode als een veerboot uit Terneuzen probeert aan te leggen. In Herkingen is men al vroeg gealarmeerd, omdat er die avond een brand uitbreekt. In Ooltgensplaat is de burgemeester al in alarmstemming. Hij had in het verleden al bewezen crisisbestendig te zijn: in de oorlog zat hij in de illegaliteit. Hij vergadert die avond met politie en brandweer. Ook in Willemstad is de burgemeester er vroeg bij. Ook hij was tijdens de oorlog actief in het verzet. Deze twee burgemeesters waren de enigen die vóór middernacht in actie kwamen. Toen hij de hele polder wilde evacueren, werd er tegen hem gezegd: ‘Morgen lachen ze u allemaal uit’. In Willemstad en Ooltgensplaat zullen die nacht niet meer dan twee inwoners verdrinken (en nog wel door eigen onvoorzichtigheid).

Naar bed
Schelphoek, een buurtschap van een paar huizen en een cafeetje, ging de laatste nacht van haar bestaan in. Veel burgemeesters falen. Velen liggen te slapen, horen de telefoon niet die hen zou moeten waarschuwen, omdat ze geen telefoon op de slaapkamer hebben. Commissaris van de Koning van Brabant, Jan de Quay, werd ingelicht en kwam ook in actie. Maar toen hij de Provinciale Waterstaat opbelde en de noodkreet uit Willemstad voorlegt, krijgt hij te horen: ‘Ach, we kennen hem [de burgemeester van Willemstad] toch (…) Er gebeurt echt niks met de dijken.’ De Quay gaat gerustgesteld naar bed. Ook de commissarissen van Zeeland en Zuid-Holland slapen die nacht. Ook hoge waterstaatsambtenaren gaan gewoon naar bed. ‘Achteraf denk ik ook weleens: hoe kán het dat ik toen naar bed ben gegaan en hoe kan het dat ik toen nog geslapen heb ook…? Maar ik heb het gedaan.’

Paniek in De Bilt
Een man die niet naar bed kán, is de dienstdoende weerman bij de KNMI in De Bilt. Officieel hoefde hij pas om vier uur ’s morgens beginnen, maar hij is er al voor middernacht. Veel kon hij niet meer doen. Het laatste nieuwsbulletin werd om elf uur al uitgezonden. De nieuwe gegevens die hij in de weerkamer aantreft, zijn alarmerend. De schepen op de Noordzee melden al sinds negen uur windkracht 11 en 12, ofwel orkaankracht. Hij vindt het zó dreigend dat hij een poging doet om die nacht een radiozender in de lucht te houden, zodat er nieuwe waarschuwingen kunnen worden uitgezonden. Maar niemand durfde de verantwoordelijkheid aan om een zender open te laten staan. Tot acht uur de volgende morgen konden de bewoners van de zuidwestelijke delta zodoende geen enkele waarschuwing meer ontvangen.

Geen zorgen om de dijk van drie miljoen
Ook in het district Rotterdam heerste rond middernacht geen alarmstemming. Dit terwijl drie miljoen mensen afhankelijk zijn van de zwakke dijken aan de Hollandse IJssel. Officieel moet de dijk vier meter boven NAP liggen. In werkelijkheid blijkt dat lager te zijn. Als de Hoge Zeedijk tussen Schiedam en Gouda het zou begeven, zou het water ongehinderd tot aan de duinen bij Schevingen en Katwijk kunnen stromen. Enkelen slaan alarm. ‘Maar nee, alles was normaal, zo kreeg ik te horen’. De dijk die half Holland moet beschermen, ligt er rond middernacht verlaten bij. Oude Tonge slaapt ook, maar een oude binnenschipper vertrouwt het niet. Hij houdt het niet meer uit, hij gaat naar buiten. Hij gaat met zijn zwager naar het huis van de burgemeester. Ze bellen aan, bonzen op de deuren en ramen, riepen, maar er wordt niet gereageerd. De burgemeester slaapt er dwars doorheen. In veel plaatsen slaapt de burgemeester gewoon, alsmede andere leiders als de politie, dijkgraaf (!), brandweer en wethouders.

‘Maak maar een beetje paniek’
In de polder bij Willemstad begint de evacuatie, maar men wil het huis niet uit. De burgemeester zegt tegen de marechaussee: ‘Je doet het ook niet goed. Je moet een steen pakken en door de ruiten gooien bij die mensen en roepen: “Vlucht…! Water…! Snel…! Vlucht!” Maak maar een beetje paniek. Laat ze merken dat het menens is.’ De eerste uren na middernacht blijkt dat de volkswijsheid ‘niet ebben, niet vloeien’ deze keer niet opgaat. Velen kúnnen of willen niet geloven dat het weleens mis kan gaan. In Dreischor waarschuwt een wachtmeester de dijkgraaf dat ‘ze allemaal verdrinken als het water zo blijft stijgen’. Één kilometer verderop ligt het dorp te slapen, maar niemand durft vervolgens de beslissing te nemen om de mensen te waarschuwen. Er is immers afgesproken om te wachten tot de burgemeester thuiskomt van z’n bridgeavondje. Hij is het hoofd van de gemeente en zonder zijn fiat durft niemand het aan om het dorp op stelten te zetten.

Aarzelende en falende burgemeesters
Als de burgemeester komt, aarzelt die. Hij beslist niets. ‘Het was vreemd. Hoewel iedereen aanvoelde dat er iets vreselijks te gebeuren stond, durfde niemand uitspreken dat binnen enkele uren het water de polder in zou lopen’. De klokken luiden? ‘Ik denk er niet over’, zo zei de burgemeester. ‘Toen besloot ik om het zélf te doen’. Het geluid kwam amper boven het gegier van de storm uit. Wat was de reactie? ‘Het leek wel alsof ze me niet wilden geloven. Ze raakten absoluut niet in paniek, maar begonnen de zaak met de buren te bespreken. Bijna geen mens ging spullen naar boven brengen.’ In Sint-Philipsland begon het water omstreeks twee uur flink te stijgen. ‘Zet de sirene aan!’ Maar: ‘Ik heb niet gezegd dat ze de mensen naar de dijk moesten sturen. Dat ging te ver. Ik kon die mensen toch geen bevél geven… Dat moesten ze zelf maar beslissen.’ In Kruiningen zei de burgemeester: ‘Wacht nou even, want het geeft zo’n paniek als we nu meteen het hele dorp wakker maken.’ Daarom: ‘Ik kon toch moeilijk dwars tegen de burgemeester in bij ons de zaak ook gaan alarmeren?’ In Kortgene (waar die zaterdagmiddag het nieuwe raadhuis was geopend) was het zo dat de klok niet lang genoeg heeft geluid. ‘Maar ja, alles kwam ineens op de schouders van een paar gewone jongens neer, terwijl de autoriteiten rustig bleven feesten’. Veel dorpen hebben burgemeesters die in een ander dorp wonen. Hierdoor is er geen sprake van leiding. Spontane leiders kwamen nu naar voren. In Goedereede doet een inwoner niet eens de moeite de burgemeester in te schakelen en neemt zelf de beslissingen. In Zierikzee komen de leiders al gauw vast op een zolder te zitten. Deze stad zal de rest van de nacht zonder burgemeester, politiecommandant en directeur gemeentewerken zich moeten zien te redden.

De zuinigheid wordt fataal
Soms komt er tegenstand van de ouden van dagen: ‘Ze riepen dat ik overdreef en over m’n toeren was. Ze hadden de watersnood van 1906 nog meegemaakt en toen was ónze dijk toch ook niet doorgebroken’. Veel waterbouwkundige opzichters raken overstuur en voelen zich totaal machteloos bij wat ze voor hun ogen zien gebeuren. De polderbestuurders riepen steevast dat het toch vooral ‘zuinig, zuinig en nog eens zuinig’ moest als hij weer eens met een plan kwam voor verzwaring of verbetering van de dijk. De verantwoordelijkheid voor de dijken hebben de waterschappen. Maar bij de coupures ligt dat soms anders. Bij de meeste haventjes moet de gemeente daarvoor zorgen. In Breskens heeft men na de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog helemaal geen nieuwe vloedplanken in gebruik genomen! In Stad aan ’t Haringvliet kan een coupure niet geplaatst worden omdat één van de twee huizen waartussen de planken geschoven moeten worden inmiddels is afgebroken. Op sommige plaatsen waren de planken zo er uitgebogen dat ze uit de sponningen ontglipten. Veel planken waren niet op de waterdruk berekend, met als gevolg dat sommige braken. ‘Die planken waren zo rot als zoetekoek!’ Zo kon het gebeuren dat, nog vóór de dijken het beginnen te begeven, op veel plaatsen de vloedplanken breken (als die al geplaatst zijn).

Niet werkende telefoons
Zierikzee en Stavenisse zijn niet de enige plaatsen waar vóór drie uur wel bestuurders wakker zijn, maar het alarmeren van de bevolking blijft toch beperkt tot het loeien van een sirene of het luiden van een klok. In Numansdorp is men druk doende met een dreigende dijkdoorbraak bij de haven, maar vergeet het dorp te alarmeren. Een officieel rampenplan bestaat nergens en dat wreekt zich nu. Om drie uur ’s nachts zijn er maar enkele plaatsen waar de bevolking, weliswaar haastig en chaotisch, maar toch tamelijk grondig is gealarmeerd: in Bath, Willemstad, Ooltgensplaat, Herkingen en Sint-Annaland. Veel mensen hadden nog geen telefoon, en moesten dus persoonlijk gewaarschuwd worden. Probleem bij telefoonbezitters is, dat na negen uur ’s avonds de plaatselijke telefoonkantoortjes dichtgaan omdat de dienst van de kantoorhouder er dan opzit. Daarmee vervalt ook de mogelijkheid om te telefoneren. Slechts enkele belangrijke nummers blijven ’s nachts ‘doorstaan’. Het inschakelen van de plaatselijke PTT is dus belangrijk. Op veel plaatsen vergeet men dit te doen.

Slapen achter een lage binnendijk
Willemstad, in de oorlog nog 80 procent in puin gegooid, is die nacht druk bezig zandzakken te vullen. Alle mannen helpen mee, zelfs de dominee en pastoor. De burgemeester wil militaire hulp. Hij belt naar Bergen op Zoom. De garnizoenscommandant is er echter niet. Zijn vervanger durft niet zomaar te beslissen om soldaten te sturen. Zonder toestemming van de minister van Oorlog is dat beslist verboden. Frustrerend! Toen een inwoner van Middelharnis wilde helpen, verweet de burgemeester hem dat hij zich met zíjn zaken bemoeide. Toen in Den Bommel het water al over de kade stroomde, toonde de burgemeester noch de dijkgraaf enig initiatief. Terwijl in Battenburg iedereen wordt gealarmeerd, keert in Nieuwe Tonge de rust terug. Niemand denkt eraan dat dát dorp ook gevaar kan lopen. Het ligt immers bijna midden op het eiland en tussen de zeedijk en het dorp ligt ook nog een binnendijk. Maar wel een lage binnendijk…

De rampnacht
Het water komt
Het water kwam onverwachts. In Dreischor vertelt een man: ‘Ik hoorde achter me een enorm lawaai. Ik keek op en in het licht van de maan was het of er een kudde van duizend schapen op me af kwamen rennen! Op hetzelfde ogenblik wist k het: het water…! Ik vlóóg naar ons huis, gooide mezelf met mijn buik op de onderdeur en sprong naar binnen. Ik schreeuwde naar mijn vrouw dat het water er aankwam en rende de trap op’. Iemand anders vertelt: ‘Ik hoorde een vreemd geruis. Het leek op het geluid van een enorme hagelbui. Ik bleef staan en probeerde in het donker te kijken. Toen zag ik, bij het licht van de maan, in de verte een zilveren band van bijna een meter hoog aan komen rollen.’ Vanaf drie uur beginnen overal in de zuidwestelijke archipel de dijken het te begeven. Vreemd genoeg niet de dijken aan de noord- en westkust van de eilanden, waar de storm huizenhoge golven tegenaan smakt. Die houden dan bijna allemaal nog stand. Het zijn de dijken die in de luwte aan de zuidkust liggen die als eerste breken. De dijken die niet op het noorden en westen liggen, hoeven namelijk veel minder ‘waakhoogte’ te hebben omdat de golven daar toch nooit zo hoog oplopen. Dus zijn de dijken aan de zuid- en oostkant lager. En niet zomaar een beetje!

Op zolder
We moeten ons bedenken dat het niet alleen stormde, maar het regende, het hagelde, het sneeuwde ook: het was noodweer. ‘Het leek wel alsof we toeschouwers waren bij het vergaan van de wereld’. Hele stukken dijk verdwenen er. Zodra de klei verdwenen was en de stenen losgewoeld waren, bleef er alleen zand over. Dat spoelde zo de polder in en liet één groot gat achter. Mensen vluchtten naar de zolder. ‘Op die zolder was het net alsof we op een schip zaten. Het huis schommelde gewoon. Je voelde dat het elk moment kon instorten. Tegelijkertijd hoorde je het vreselijke geschreeuw van de beesten, die in de schuur aan het verdrinken waren’. Omstreeks kwart over vier wordt bij het ANP in Den Haag een alarmkreet uit Kruiningen opgevangen.

Het drama van Oude Tonge
In plaatsen waar pas na drie uur een begin wordt gemaakt met het waarschuwen van de bevolking, gaat het vaak totaal mis. Neem Oude Tonge. Waar in Ooltgensplaat, niet ver van Oude Tonge vandaan, slechts twee slachtoffers vielen (daar was men wel voorbereid), vallen er in Oude Tonge 305 doden, het hoogste dodental van alle plaatsen. De burgemeester van Oude Tonge wordt gewekt door een steen door z’n slaapkamerraam (nadat elke andere manier van wekken geen resultaat had gehad). Zelfs dan wil hij niet dat de bevolking gewaarschuwd wordt. De burgemeester, een aardige maar aarzelende man, is bang om loos alarm te maken in het dorp. Toen men er wel van overtuigd raakte dat er gewaarschuwd moest worden, en men de klok wilde gaan luiden, ging dat niet omdat er sinds kort een elektrische luidinstallatie was, en de elektriciteit was uitgevallen. Oude Tonge wordt van drie kanten overvallen. Overal tegelijk vallen er nu gaten in de binnendijken, waardoor de ene vloedgolf de andere versterkt en verhoogt. Binnen een kwartier staan de huizen in het lage deel van het dorp tot de dakgoot in het water. ‘Al gauw begonnen de meubels, die door de kamer dreven, tegen de zolder en tegen de muren te beuken. Een vreselijk gehoor’.

Op het dak
Bij Stavenisse breken de zeedijken over een lengte van in totaal 1800 meter. De vloed neemt hele rijen huizen mee. Men klom op zolder, maakte vervolgens een gat in het dak en ging op het dak zitten, omdat de huizen zomaar in elkaar konden storten. Vervolgens gooide men snel alle dakpannen eraf, zodat ze konden blijven drijven. Die geluk hadden, dreven met het dak tegen een dijk aan. ‘Dat was het ergste; het geroep van mensen buiten, die je niet meer kon helpen’. ‘We zagen het allemaal gebeuren; hoe ze tussen het wrakhout probeerde door te zwemmen naar de man en het touw en hoe ze het steeds niet haalde’. Gevaarlijk was het om hoop te koesteren uit het dalen van het water. Dit was namelijk een tijdelijk gevolg van het inlopen in de polders. Er zijn schrijnende gevallen bekend, zoals die jongen die tegen de waarschuwing van zijn vader in uit het huis is gevlucht. Hij overleefde als enige van zijn gezin de ramp.

Het wonder van Colijnsplaat en andere wonderen
In Colijnsplaat vond een wonder plaats: ‘Het wonder van Colijnsplaat’. Enkele tientallen mannen duwden urenlang tegen de vloedplanken nadat ze ontdekten dat één van de steunberen waarin de planken zitten geschoven, zélf begint te schuiven. De mannen krijgen hulp van een aardappelscheepje, dat in de haven ligt. Dat schip liet log en kwam dwars voor de coupure terecht en ging zo fungeren als golfbreker. Als de coupure was gebroken, waren ze er allemaal geweest. Van zee uit ziet men namelijk alleen het puntje van de toren boven water uitsteken. Zo laag lag het. K. Norel heeft dit verhaal in het jeugdboek Houen jongens! vereeuwigd. Als we de kranten en boeken moeten geloven, gebeuren er trouwens heel wat meer wonderen, zoals in Sint-Annaland, waar de vloedplanken wel doorbreken, maar waar toch niemand omkwam. Of Sint-Maartensdijk, Ooltgensplaat en Goedereede: ook daar begeven de vloedplanken het, maar ook daar geen slachtoffers. Echter, in laatstgenoemde plaatsen zorgen de mensen als het ware zelf voor het wonder, omdat ze wél gewaarschuwd werden en een veilig heenkomen konden zoeken. Brekende vloedplanken blijken ook minder ernstige gevolgen te hebben dan gaten in dijken.

Holland houdt het net droog
Wat er langs de Schielandse Hoge Zeedijk gebeurt, lijkt misschien nog het meest op een echt wonder. De toestand bij Nieuwerkerk aan de IJssel is rond vijf uur onhoudbaar geworden. De dijk aan de overkant bij Ouderkerk aan de IJssel breekt en de Krimpenerwaard begint vol te stromen. De kans dat half Holland via dit gat onder water gaat lopen, ia angstig groot aan het worden. Iemand komt op het idee een schip die dichtbij ligt dwars in het gat te varen. De schipper wil natuurlijk zijn schip niet afgeven, maar de burgemeester vordert het schip. Normaal gesproken gaat het van de 100 keer 99 keer mis, maar dit keer lukte het in één keer: het schip schuift keurig voor het vijftien meter brede gat. Meteen begint met zandzakken achter het schip te gooien. Holland is gered! ‘Het is echt een kwestie van supergeluk geweest’. De drie miljoen Hollanders kunnen rustig verder slapen. Ook in Moordrecht houdt de dijk het, dankzij het onophoudelijke versterken met zandzakken.

Het vergeten eiland
Er zijn ook plaatsen waar een schip juist voor een doorbraak zorgt: in de Duivenhoek sloeg een visserschip los en beukte de zeedijk kapot. Acht mensen verdrinken er, waaronder een heel gezin behalve een voor de eerste keer op bezoek zijnde verloofde van een dochter uit dat gezin. Schouwen-Duiveland zal de geschiedenis ingaan als ‘het vergeten eiland’. Want hoewel men in Middelburg al vanaf zondagmorgen vroeg weet dat het mis is in Zierikzee, zal er de hele zondag niets ondernomen worden om méér over de toestand van het eiland te weten te komen. Laat staan dat er reddingsacties worden opgestart vanuit het droge Middelburg. In Middelharnis hadden er veel meer slachtoffers kunnen zijn dan de 17 omgekomenen. De bewoners in de kleine huisjes onder aan de dijk bij het havenhoofd sliepen nog en konden net op tijd geëvacueerd worden. Anders waren er misschien wel vijfhonderd mensen verdronken. In Melissant was er geen klokkentouw meer, terwijl de stroom ook was uitgevallen. Iemand klom naar boven en trapte met z’n voet tegen de klok aan. Daarna gaat hij maar door het dorp en alarmeert met het slaan van stokken op ramen en deuren de inwoners. Melissant zou uiteindelijk droog blijven. In Zuidland blijkt de sirene het niet te doen; daar is tijdens de laatste grote brand kortsluiting in ontstaan en hij is nog niet gerepareerd.

Op de preekstoel
In Stellendam wordt duidelijk hoe sterk het water is. Een zware sluis wordt daar uit de dijk getrild door de enorme watermassa, en het betonnen voorfront, met een gewicht van 10.000 kilo, wordt zestig meter de polder in geslingerd. In ’s Gravendeel, vlakbij Dordrecht (ja, daar helemaal nog!), verdrinken 37 mensen die zich veilig wanen op een dijk. In Sirjansland vluchtte men de kerk in en ging men op het galerij van het orgel zitten. Dat was behoorlijk hoog, want de kerk stond op het hoogste punt van het dorp. Een oud echtpaar nam plaats op de preekstoel omdat ze de smalle trap van het galerij niet op konden. In Dreischor verdrinkt een gezin, waarvan de man nog probeert z’n boerenwagen te laden, de beesten achter de wagen bond en een tractor ervoor. Zo kwamen ze te laat. Ze werden ingehaald door de vloedgolf.

Een dorp dat niet meer op de kaart zou komen te staan
In sommige plaatsen, zoals in Battenoord, verloopt de evacuatie catastrofaal. ‘Vanaf Battenburg zien de achtergeblevenen met verbijstering dat de koplampen van de auto’s plotseling niet meer bewegen. De motoren moeten stilgevallen zijn’. Het fatale moment betekende golven van wel twee meter hoog die op hen af kwamen. Bath wordt op last van de burgemeester geëvacueerd. Hij dacht dat ze in het naburige Rilland veilig waren. Maar sommigen weigerden in de bus te stappen. Het water liep immers de polder al in; het werd veel te gevaarlijk om daar nog doorheen te rijden. Alleen de burgemeester ging, en dat werd zijn dood. Rilland blijkt nog te slapen als de vloedgolf het dorpje overvalt. De meesten dachten dat de sirene op een brandje wees. Het dorpje Schuring bij Numansdorp in de Hoeksche Waard zou die nacht voor goed verdwijnen. Schuring was een wereld apart. Het stond een beetje bekend als ‘een rooie hoek’. Niemand heeft iets van de dijkdoorbraak gemerkt. De buitendijk telt maar liefst vijftien gaten. Een inwoner ziet plotseling het water in de sloten omhoogkomen. Meer dan vijftig mensen zullen er verdrinken.

Voor Nieuwerkerk komt de grote klap pas later
Nog een gehucht verdwijnt voor goed van de aardbodem: Capelle op Schouwen-Duiveland. Het telde niet veel meer dan anderhalve straat met arbeidershuisjes, een paar boerderijen en een fabriekje. ‘Ons huis was ook maar een oud rotkotje met niet meer dan éénsteensmuren, die niet bestand waren tegen het watergeweld’. In het stadje Tholen komt de redding op het nippertje. Wolphaartsdijk wordt in de slaap verrast. ‘Ik kwam de trap af en ik stapte zo in het water’. ‘Op de zolder voelde je je niet echt veilig. Het huis bewoog helemaal door het water.’ In een laag huisje van een jong gezin was het water al snel tot aan het plafond gestegen. Ze hadden een baby van drie maanden, die ze uiteindelijk drijvend vonden. In Nieuwerkerk slaapt nog iedereen. ‘We hebben op het punt gestaan om het dorp wakker te gaan maken. Maar ja, wij wisten van niks, dus wat moesten we tegen de mensen zeggen?’ Omdat Nieuwerkerk midden op het eiland en dus vrij ver van het water ligt en intussen ook de eb begint te lopen, wordt het slapende dorp niet door een hoge golf overrompeld. Maar voor Nieuwerkerk moet de klap nog komen. 288 mensen zouden hier uiteindelijk sterven, de op één na grootste hoeveelheid. En dat gebeurt niet in de rampnacht, maar tijdens de tweede vloed!

Uitblinkende burgemeesters
De burgemeester van Ooltgensplaat onderscheidt zich van zijn vele falende collega’s. ‘Tijdens zo’n ramp moet je als burgemeester kiezen tussen je functie en je gezin’. Hij kiest voor zijn bevolking. Hij zat in z’n eentje in het raadhuis en liet een bed achter zijn bureau plaatsen, zodat hij 24 uur per dag op zijn post kon zijn. Hoewel iedereen tijdig is gewaarschuwd, komen er toch nog twee mannen om. Zij waren loonwerkers die hun moderne maaidorsmachine in veiligheid probeerden te brengen. Ze werden overvallen door het water. Ook de burgemeester van Willemstad kiest voor zijn functie. Als hij tegen vier uur de Commissaris van de Koningin J. de Quay opbelt, nadat het water zich meester heeft gemaakt van het stadje, bleek hij toch naar bed te zijn gegaan. Maar vanaf nu kwam hij goed in actie. Hij stuurt hulptroepen naar het stadje. Dezen komen in zulke slechte omstandigheden terecht dat ze een boer in de polder een groot touw vragen om elkaar zo bijeen te houden. ‘Wat ik nooit zal vergeten is dat die boer wel een stuk touw wilde geven, maar dat-ie nadrukkelijk zei dat we vooral niet mochten vergeten om het weer terug te brengen.’

Het eerste bericht, uit Zwijndrecht en Willemstad
Het eerste bericht komt om 4.28 uur aan bij de ANP. IN de nacht van zaterdag op zondag is geen enkele redactie bezet. Nederland kent immers geen zondagsbladen. Alleen de ANP in Hilversum blijf doorwerken, en die horen voor het eerst het nieuws. Ze merken dat er sprake is van een heel grote ramp en willen al eerder dan acht uur met het nieuws op de radio komen, maar weer kon dat niet, omdat degenen die daarover moesten beslissen onbereikbaar waren. Voorlopig blijft dus heel Nederland nog onwetend over wat er zich in het zuid-westen afspeelt. Voorlopig hoeven de mensen in het rampgebied dus ook niet op uitgebreide hulp van buitenaf te rekenen. Als de burgemeester van Willemstad om militaire hulp vraagt, kan dat niet omdat de militairen op weekeindverlof waren. ‘Roep ze dan onmiddellijk terug!’ ‘Dat kan ik niet, daar moet de minister over beslissen’.

Uitspraken
‘Mijn benen waren bont en blauw van het wrakhout onderweg’.
‘Toen heb ik veel gebeden hoor, en psalmen gelezen’.
‘De dijkdoorbraak, dat was zo’n klap…Of de wereld verging! Het leek wel of we gebombardeerd werden. Alles dreunde en het huis stond te schudden’.
‘Ik herinnerde me dat ik als soldaat in Indië had geleerd hoe je een snelstromende rivier het beste kunt doorwaden: schuin tegen de stroom in.’
‘Heel mijn leven raast aan mij voorbij. Ik smeek God om vergiffenis voor al het verkeerde in mijn leven en ik roep hardop niet te willen sterven omdat ik nog zoveel te doen heb’.
‘In de verte zien ze een glinsterende streep aan komen rollen: de dijk is gebroken!’
‘Dus je wacht je orders af. Waren we allemaal maar de polder ingegaan om mensen te waarschuwen. En hadden we het hele dorp maar wakker geklopt. Maar er is uiteindelijk bijna niks gedaan.’
‘Er was absoluut geen leiding of organisatie. Want wat heeft de burgemeester nou gedaan die nacht? Het was een beste brave man hoor, maar hij was hier pas nieuw. Ik denk niet dat hij ooit ander water had gezien dan het water uit de kraan.’

Overige
– Hoe kleiner de polder, hoe sneller het water stijgt.
– Als mensen maar wakker zijn, dan kunnen ze op tijd naar boven als het water komt.
– Er zijn plaatsen waar de sluis met een ketting op slot zit, open wel te verstaan. Waar de sleutel is weet niemand. Waar een sluis door een breekijzer uiteindelijk dicht valt, viel die zo in losse planken uit elkaar…
– Vluchten, zo ver mogelijk weg van de zee, is de voor de hand liggende reactie van mensen die in de dorpen en gehuchten onder aan de zeedijk wonen. Het blijkt meermalen een noodlottige reactie te zijn, zoals in Strijen, waar dertien mensen verdrinken als ze van de dijk naar het dorp vluchten. Hun huizen bleven vrijwel onbeschadigd op de dijk staan…
– Als het water plotseling een eindje zakt, betekent het dat er ergens een dijk is doorgebroken.
– Ook al kon men nog in het water lopen, gevaarlijk was het als men bijvoorbeeld een sloot over het hoofd zag; dan ging men kopje onder en dat kon desastreus zijn als iemand een ander hielp; die moest dan losgelaten worden. Zo zijn er meerdere kleine kindjes verdronken.
– Het water was natuurlijk ook erg koud, waardoor men absoluut niet kon overleven als men langdurig daaraan blootgesteld werd.
– De brandweer is de enige hulpverleningsorganisatie waar in de meeste dorpen op kan worden teruggevallen. De brandweermannen blijken, ondanks het vaak krakkemikkige materiaal waar ze mee moeten werken, redelijk crisisbestendig in de uren waarin de zee toeslaat.
– Dat burgemeesters niet bekwaam blijken te zijn in de rampdagen, is voor een deel te verklaren uit het feit dat dit vaak een erebaantje was. Zo had de burgemeester van Ouwerkerk gewoon nog een fors boerenbedrijf er naast.

De zondagmorgen
De ramp wordt zichtbaar, niet voor buitenwereld
‘Toen het op zondagmorgen langzaam licht werd, ontdekte ik de hele omvang, de immensheid van de ramp. Ik keek uit over een waanzinnig grote watervlakte’. Hele eilanden zijn veranderd in binnenzeeën. Het eerste morgenlicht onthult aan de overlevenden de ramp in zijn volle omvang. De mensen in het rampgebied zijn voorlopig aan zichzelf overgeleverd. Landelijk of provinciaal (Middelburg, Den Bosch en Rotterdam, de provinciehoofdsteden, hielden het immers droog) gebeurt er niets. Maar gelukkig is het niet meer donker en treedt de eb in. Het water blijft wel hoog, maar daalt toch ook flink. Het betekent een kleine adempauze in de strijd om te overleven. Er komen reddingsacties op gang. Maar nogal wat burgemeesters en dijkgraven zijn niet op hun post (gebleven). Sommigen zijn danig overstuur dat ze het initiatief overlaten aan toevallige burgers; mannen en jongens van wie sommigen zich tot spontane leiders ontpoppen en zich als ware helden gedragen. Als om acht uur ’s morgens de eerste radionieuwsuitzending wordt uitgezonden, gaat het alleen over ‘problemen in de Hoeksche Waard, bij Dordrecht en Willemstad.’ Zeeland wordt niet eens genoemd! De verbindingen tussen het eiland en de rest van het land zijn kennelijk verbroken.

Deugnieten worden helden
Oude Tonge was zwaar gehavend. ‘Ik ben naar de nok gekropen om te kijken hoe het er verder in de straat uitzag. Ik schrok me een ongeluk: de overkant van de straat was helemaal weg! Die huisjes lagen allemaal tegen de vlakte.’ Het waren allemaal slechte arbeidershuisjes. Grote, sterke mannen zaten helemaal down. Bij velen was er geen neiging om mee te doen aan het reddingswerk. Ze wilden wel, maar konden gewoon niet. Toch haalden enkele jongens levensgevaarlijke toeren uit om nog dorpsgenoten te redden. Zo zijn er die zondag nog 47 mensen gered. Het valt op dat jongens die zich niet altijd zo netjes hielden aan de regels bij de reddingsacties vooropgaan. Terwijl veel brave burgers toekijken. Niet iedereen, zelfs in Zeeland niet, was op de hoogte van de ramp. In Tholen ‘kwamen we mensen tegen die naar de kerk gingen. Die wisten toen nog niet eens wat er gebeurd was; ze hadden die nacht niks gemerkt!’ De kerkdiensten gingen merendeels niet door. Overal ging men dijken verzwaren, gaten beslechten en natuurlijk het reddingswerk. Het was wachten op de volgende vloed!

Een atheïst wel, veel christenen niet
Op de zondagmorgen vallen er nog overal slachtoffers. Zo komt een overvolle boot langs een gezin, die op zolder op hulp wacht, waarvan het huisje elk moment lijkt te bezwijken. De boot kan hen echter niet meer opnemen. Even later verdwijnt het huisje in de golven… Er waren ook veel vissers die niets gedaan hebben die eerste dagen, bijvoorbeeld in het droge dorp Bruinisse. De mosselvissers staan in Zeeland niet zo hoog in aanzien, maar zij gaan voorop in het reddingswerk. De vissers uit Arnemuiden, Ouddorp en Stellendam tonen die zondag weinig initiatief. Sommigen gaan die zondag nog even een vlot in elkaar bouwen, om nog mensen te kunnen redden. Willem de Gast is een atheïst en een socialist die eigenlijk niet paste in het christelijke Battenoord. Maar hij was zondags wel één van de weinigen die zijn leven wilde inzetten om mensen te redden.

Zo gaat de eb voorbij…
Er zijn dorpen waar zondag helemaal niets gebeurt, waar geen enkel initiatief wordt genomen. Dreischor bijvoorbeeld. Het hele dorp staat onder water. ‘Er heerste die zondag in de omgeving een sinistere stilte. Hoewel wij aannamen dat veel buren eveneens op hun zolders zaten, werd er door niemand een poging ondernomen om door roepen of anderszins met elkaar in contact te komen’. In Oosterland gebeurt ook niets. De burgemeester, de dijkgraaf en politiemannen zitten elk op hun eigen zolder en zullen daar de komende twee dagen ook blijven. Sommige leiders hebben wél een droog huis, maar zelfs dan is het teveel om mensen onderdak te geven. Zo was er een dorp waar men volgepakt in een café zat, terwijl het huis van de burgemeester niet open werd gesteld. In Kruiningen wordt hulp geboden door droog gebleven dorpen in de buurt: vissers uit Yerseke en mensen uit Wemeldinge en Kapelle, die spontaan met roeibootjes mensen van de zolders halen. Toen het water na de zondagmiddag weer begon te stijgen was het: ‘Toen zijn we maar weer naar de zolder gegaan’. Voor de meesten kwam geen hulp, Nederland wist nog niets van de omvang van de ramp!

Nieuwerkerk is zich niet bewust van gevaar
De inwoners van Schouwen-Duiveland, Tholen, Sint-Philipsland, Flakkee, de Hoeksche Waard en Voorne-Putten hebben al eens eerder de ervaring opgegaan natte voeten te krijgen. In 1944 zette de Duitse bezetter deze eilanden onder water om een geallieerde invasie te voorkomen. Maar het was een gecontroleerde inundatie: toen het water hoog genoeg stond naar de zin van de Duitsers, werden de sluizen weer gesloten. Zodoende denken velen die zondagmorgen dat het water niet hoger kán komen en raken daarom niet in paniek. Slechts enkelen realiseren zich dat een dijkdoorbraak tot veel hogere waterstanden kan leiden. Terug naar Nieuwerkerk. Omdat het dorp zo ver landinwaarts ligt, bereikt het water het pas met het eerste daglicht. Daar maakt men bovenstaande fout. Er wordt niets ondernomen, men is zich niet bewust van wat er zich zal gaan afspelen…

Weinig voorbereiding voor de tweede vloed
Op zondagmorgen zijn er maar enkele plaatsen waar sprake is van organisatie. In Ooltgensplaats regeert de burgemeester met straffe hand. Hij bereidt zijn dorp in alle opzichten voor op de tweede vloed. Deze burgemeester was in het verzet geweest tijdens de oorlog. Toen hij dingen wilde vorderen van een boer, zei die: ‘Hij denkt zeker dat hij Hitler is’. De burgemeester: ‘Toen ik dat hoorde, schoot er wel een brok in mijn keel. Dan moet je vijf jaar in het verzet tegen de nazi’s hebben gezeten en zoiets te horen krijgen’. In Ouddorp wordt ook niets ondernomen. Men heeft het geluk dat een deel op het hogere duingebied ligt. Een groot deel staat dus droog. Veel Ouddorpers weten ’s morgens helemaal niet wat zich heeft afgespeeld. ‘Er kwamen uit het noorden van het dorp, dat droog was gebleven, allemaal mensen, keurig in het zwarte pak in de richting van het dorp gewandeld. Die hadden niks gemerkt en wilden naar de kerk. Nou, die stonden met zúlke ogen te kijken!’

Verkeerde beslissing in Den Bommel
In Den Bommel is die zondagmorgen ruzie. Wat daar gebeurt wordt rampzalig. Een paar boeren beletten namelijk dat er een gat in de dijk wordt dichtgemaakt. Want, zo is de redenering, via het gat kan het water sneller de polder uitstromen dan als het gemaal kan wegpompen. Sommigen zijn fel tegen. Al was het alleen maar omdat er die middag weer een vloed komt, die ongetwijfeld heel hoog zal zijn. Maar de boeren geloven dat het wel mee zal vallen. En zij vormen het bestuur van het waterschap, zíj beslissen. Kon de burgemeester dit niet tegenhouden? ‘De burgemeester was een man van formaat, want hij was bijna twee meter, maar als bestuurder haalde hij nog geen meter.’ De burgemeester laat zich inpakken door de boeren, met fatale gevolgen! Negen mensen zullen het niet overleven.

‘Ik ben gauwer de kluts kwijt’
Veel burgemeesters en waterschappen blijken op die zondagmorgen geen enkel talent voor improvisatie te hebben. Weinig daadkracht wordt betoond. Het is tot niets in staat. Iemand zag de burgemeester rondlopen, en hoorde hem steeds zeggen, lopend langs de dijk: ‘Wat een gaeten! Wat een gaeten!’ Verder gebeurde er niets. De gemeenten waren stuurloos. In Veere blijft de burgemeester de hele nacht – wakker! – op zijn bed liggen. Die burgemeester verdedigde zich zonder enige schaamte: ‘Gelukkig maar dat er mensen zijn die bijzonder geschikt zijn en flink zijn in de uren des gevaars. Ikzelf heb dat bepaald niet in mijn bloed zitten. Ik ben gauwer de kluts kwijt’. In Zierikzee is de (adellijke) burgemeester ook helemaal onbekwaam. Men zag geen groot gevaar voor de stad en de polders, gelet op de inundatie van 1944, toen het immers ook wel meeviel? Men wist kennelijk niet meer dat de Duitsers de sluizen op een gegeven moment dicht zette. Dit alles leidt ertoe dat bewoners van de polder die in de loop van de ochtend ongerust naar Zierikzee zijn gekomen, weer terug naar hun boerderijen worden gestuurd. Zelfs de waterbouwkundigen bleven onkundig.

Bruine bonen
De burgemeester van Zierikzee neemt wel enkele domme besluiten. Zo koopt hij met het oog op de voedselvoorziening 120 mud bruine bonen bij een graanhandelaar. Het zijn bonen die de halve nacht in het zoute water hebben gestaan. Bovendien was er nog volstrekt geen sprake van voedselschaarste. ‘De burgemeester was een beste brave man, maar die was al een beetje op leeftijd. Die kon het allemaal niet aan. Voor mij was het een misselijk vertoon. Ze wisten absoluut niet meer wat ze moesten doen.’ De bonen begonnen na een week te verrotten en werden voor een paar honderd gulden (na voor 10.000 gulden gekocht te zijn) verkocht als veevoer. ‘De burgemeester was een zielige figuur, die niet tegen de situatie op kon. Och, er zat geen kwaad bij, maar met de ramp had je absoluut niks aan hem. Het was een papieren ventje.’

Zand scheppen in zondagse kleren
Zonnemaire blijkt geluk gehad te hebben. De vijf kilometers zeedijk bij het dorp liggen op het noorden, ze zijn dus betrekkelijk hoog en hebben het gehouden. Maar wie ’s morgens de beschadigingen ziet, weet dat het op het nippertje is geweest. Het dorp is er die nacht onwetend doorheen geslapen. Ook Goeree-Overflakkee heeft op zondagmorgen nog één droog stukje midden op het zwaar getroffen eiland, daar liggen de dorpen Dirksland en Melissant. In de omgeving van Goes werden de mensen uit de kerk opgeroepen te helpen aan de dijk. Velen zaten in hun zondagse pak vervolgens zandzakken te vullen. Dit alles resulteerde erin dat er bij de middagvloed geen nieuwe gaten in de Zuid-Bevelandse dijken vielen.

ANP als reddingsboei
Na acht uur ’s morgens dringt er steeds meer door van de ramp bij de ANP in Hilversum. Er komt zoveel nieuws binnen dat de hoofdredacteur meer zendtijd vraagt. Het eerste nieuwsbulletin duurt dan al 23 minuten. Toch is de toon niet erg dramatisch. Het speelt zich nog grotendeels af in de randgebieden en er is nog geen sprake van slachtoffers. De ware omvang van de ramp is nog niet doorgedrongen. Maar dat verandert snel. Want in het rampgebied realiseren de mensen zich dat de radionieuwsdienst op deze zondagmorgen ongeveer de enige mogelijkheid is om de rest van het land te informeren en…om snel hulp te krijgen. Normaal weigert een journalistiek medium als het ANP om oproepen en mededelingen van overheidswege door te geven. Nu groeit de ANP uit tot hét communicatieapparaat tussen rampgebied en potentiële helpers in de rest van het land. Het werd een heksenketel op de Hilversumse ANP-redactie. In de nieuwsuitzending van acht uur wordt ook de mobilisatieoproep gedaan. De vliegvelden Soesterberg en Valkenburg waren nog onbereikbaar, zodat er nog geen verkenningsvluchten konden worden gemaakt. ‘Er was gewoon niemand, want het was zondag’. Één piloot vliegt die middag boven Goeree-Overflakkee, het is een Belg. Hij ziet al snel de ondergelopen polders. ‘Naarmate ik zicht kreeg op de ondergelopen gebieden, (…) werd me duidelijk van welke omvang de catastrofe was’. Hij zet zijn toestel neer op een dijk bij Oude Tonge.

Uitspraken
‘Ik denk dat de menselijke geest zo is gemaakt dat je op de meest vreselijke momenten iets van verdoving over je krijgt, wardoor je erdoorheen kunt komen.’
‘Als dominee neem je ze dan in je armen, je laat ze uithuilen tegen je schouder, maar meer kun je ook niet doen’.
‘Er staat nu zo’n sterke ebstroom dat ze bang zijn om met de boot door het gat in de dijk te worden gezogen’.
‘Veel mensen kwamen drijfnat binnen en die probeerden zich dan te drogen bij de kolenkachels. Wat een stank was dat!’

De tweede vloed
Alsnog omgekomen
‘Zondagmiddag omstreeks vier uur kwam de nieuwe vloed zo hoog dat we het water óp de zolder kregen (…) In zo’n situatie doet elk mens hetzelfde: je probeert met je zakmes en met je blote handen een gat in het dak te maken om daar bovenop te komen. Voor velen in het rampgebied komt er géén hulp en betekent de tweede vloed alsnog het einde. Huizen die ’s nachts nog overeind zijn gebleven, begeven het als het water zondagmiddag voor de tweede keer tot aan de dakgoot stijgt en de daken van de muren tilt. ‘En dan de zondagavond, die was helemaal verschrikkelijk. Want toen hoorde je overal mensen roepen en schreeuwen die op een stuk zolder of een vlot voorbij kwamen drijven. Maar zien deed je ze niet, want het was veel te donker (…) Ze zwaaiden met witte lakens. Maar niemand kon bij hen komen. Dat is het ergste wat me is bijgebleven van de ramp.’

Verbroedering en egoïsme
Na zondagmiddag verdwijnt het ene huis na het andere. In Capelle wordt nog een kind geboren, die ook verdrinkt. Dit kind is nooit bij de burgerlijke stand aangemeld en is dus eigenlijk slachtoffer 1836. Veel mensen hadden het luik van het trapgat dichtgedaan om het water tegen te houden. Fout! Daardoor kon de lucht nergens naar toe. En die tilde het dak er gewoon af. In Ouwerkerk verdwijnen hele huizenrijen. De gaten in de zeedijk zijn verder uitgeslepen en bovendien hoeft de vloed nu niet eerst de polders te vullen; die zijn al vol. In een sfeer van onderlinge hulp en solidariteit, verbroedering zou je kunnen zeggen, vallen uitingen van egoïsme extra op. Maar ze zijn er wél; op zondag al. ‘Op zulke ogenblikken zie je hoe de echte karakters zijn. En dan sta je ervan te kijken wat voor wolven sommige mensen zijn’. Die middag stort er een boerderij in, waarna een middenstander zegt: ‘Ik heb nog vijfhonderd gulden van die man te goed! Hoe krijg ik die nog ooit te pakken?’ Op dat moment verdrinken er negen mensen.

Het gat van Den Bommel
De tweede vloed zorgt op verscheidene plaatsen voor nieuwe doorbraken van binnendijken. En dat heeft soms ongekend grote gevolgen, zoals in Den Bommel, waar de boeren van het polderbestuur zondagmorgen hebben weten te beletten dat het gat in een midden in het dorp liggende dijk weer wordt gedicht. Met ontzetting zien de bewoners van Den Bommel wat daar de gevolgen van zijn: het dorp loopt van twee kanten onder water. Iedereen vlucht zijn huis uit en zoekt een veilig heenkomen op de dijken die droog blijven. Er schuurt nu een geweldige stroom water dwars over het eiland. In feite is Flakkee in tweeën gebroken. Het gat in Den Bommel zal uiteindelijk veertig meter worden en twaalf huizen zullen in de stroomgeul verdwijnen. Dichtbij Den Bommel ligt Stad aan ’t Haringvliet, geen stad trouwens, maar een dorp met slechts 1300 inwoners. Iemand vertelt: ‘De dijk waarop ons huis stond, was gewoon te laag; het water kwam door de achterdeur binnen en liep door de voordeur naar buiten, zó de volgende polder in’. Ook Sommelsdijk en Middelharnis lopen die zondagmiddag vol water.

Hulp van Urkse vissers
De meeste Zeeuwse vissersboten hebben geen zender aan boord. Het zijn bijna allemaal garnalen- en mosselvissers, die zich niet ver op zee wagen en zelden langer dan één tij buitengaats blijven. In Zierikzee begint een radiomonteur een noodzender in elkaar te zetten. Urkse vissers besluiten die zondagmiddag hun in Breskens liggende schepen op te gaan zoeken. Ze visten al geruime tijd op de zuidelijke Noordzee omdat daar erg veel haring is te vinden. In het weekeinde laten ze hun schepen in Breskens achter en gaan ze met een bus naar Urk, om ’s maandags weer heel vroeg in de morgen terug te keren. Normaal gesproken reizen ze niet op zondag. Dit keer wel. Toen ze hoorden wat voor ravage de zuidwester storm heeft aangericht, zijn ze bang dat hun schepen beschadigd zijn. Daarom gaan ze kijken. Onderweg horen ze steeds ernstigere berichten over de watersnood. Dan groeit het idee om te gaan helpen.

Baan onder het stof
Uiteindelijk kunnen ze via Brussel Breskens bereiken, een route door Zeeland of over Antwerpen is door het hoge water niet mogelijk. Via de noodzender vangen de Urkse kotters noodkreten op uit Stellendam. Met zestien schepen varen ze er heen. Ze kunnen na veel aandringen een loods meekrijgen, omdat de Urkers niet bekend zijn met de Zeeuwse wateren. Achteraf oordeelt niet iedereen positief over de Urkse vissers. Zo zegt iemand: ‘Ik vond het tuig, die Urkers’. Ze zouden bijvoorbeeld dingen uit ondergelopen winkels hebben meegenomen. Sommige mensen wilden helemaal niet door hen gered worden. ‘Sommigen wezen naar hun voorhoofd als we riepen dat we ze kwamen redden.’ Vliegtuigen konden eerst niet vanuit Valkenburg opstijgen, omdat de wind uit de verkeerde richting kwam. Op zondagmiddag komen ze er achter dat het wél kan, dat er nog een baan is, die in de goede richting ligt. Deze baan kwam nog uit de oorlog en was sindsdien niet meer gebruikt. Alleen uit Gilze-Rijen, tussen Breda en Tilburg, zijn er verkenningsvluchten, waarbij nog geen reddingsmateriaal wordt afgeworpen. Er is op zondag echter nog geen enkele vlieg- of verkenningsopdracht van hogerhand bij. Bij de opdrachten tot verkenningsvluchten wordt er steeds één eiland over het hoofd gezien: Schouwen-Duiveland.

Alleen nog West-Brabant in het vizier
De enige verkenning die zondag vanaf Schiphol boven het rampgebied wordt uitgevoerd, gebeurt in opdracht van…de Volkskrant. Een fotograaf vloog mee en heeft, hangend uit de deur, historische opnamen gemaakt. Nog dezelfde avond is premier Drees ingelicht over deze bevindingen en hij heeft later gezegd dat de luchtfoto’s van deze krant het kabinet voor het eerst een indruk gaven van de omvang van de ramp. De regering heeft op zondagmiddag nog absoluut geen idee van de omvang van de ramp. Minister Algera van Verkeer en Waterstaat is op bezoek geweest in Dordrecht, een stad die ’s nachts deels onder water is gelopen. De schade is aanzienlijk, maar niet rampzalig. Vreemd genoeg komt het kabinet die dag niet bijeen. Drees wil het niet: ‘Het zou uren gevergd hebben vóór de ministers bijeen hadden kunnen zijn. J. de Quay (rooms-katholiek) is behoorlijk onder de indruk van wat hij ziet in het West-Brabantse rampgebied. ‘God straft ons zwaar. Zijn wij zo zondig of worden wij herinnerd aan onze zwakheden en weer samengebracht?’ Omdat het West-Brabantse rampgebied veel gemakkelijker bereikbaar is dan de eilanden, zijn daar zondagmiddag ook de meeste soldaten van de landmacht actief. Het zijn er zondagmiddag al honderden. Daarvan kwamen er op zondag vijf om, terwijl ze mensen probeerden te redden. Kort na middernacht meldt de ANP dat er 85 doden zijn geteld. Van wat er zich heeft afspeelt, en nóg afspeelt, op Schouwen-Duiveland, Goeree-Overflakkee en Tholen heeft Nederland na 24 uur nog steeds geen flauw idee.

Uitspraken
‘Mijn broer raakte steeds vermoeider. Zo is hij, toen er weer iets tegen de paal aanbonkte [een telefoonpaal waar hij in was geklommen] eraf gegleden en verdronken.’
‘Hij had onderweg zijn drie kinderen in het water zien verdwijnen; hij had ze gewoon niet vast kunnen houden. Die man was totaal overstuur. Maar het rare was dat hij er ook alsmaar over inzat dat hij zijn fiets kwijt was.’
‘Hij is in een boom geklommen. Maar hij is waarschijnlijk door de kou bevangen en uit de boom gevallen en verdronken. Want onder die boom hebben ze hem zes weken later gevonden. Mijn zuster is nooit over zijn dood heengekomen. Ze heeft nooit meer kunnen lachen.’

Maandag
Eén helikopter in heel Nederland
Nederland bezit in 1953 één helikopter. Daarmee worden nog mensen gered uit Oude Tonge. Voor reddingsoperaties bij een watersnood is het natuurlijk een ideaal toestel. Maar er konden maar een paar tegelijk worden opgehaald. ‘De eerste mensen die we wilden oppikken van een dak, durfden niet mee! Die hadden waarschijnlijk nog nooit een helikopter gezien. Je kon helaas niet met hen praten; we bleven boven hen in de lucht hangen en lieten dan een lijn zakken’. Er werden ook watervliegtuigen gebruikt, maar dat was geen succes; door de wrakstukken in het water beschadigden die toestellen. Al het luchtverkeer was slechts een druppel op een gloeiende plaat. Zelfs op maandag zijn er nog gebieden die op zichzelf aangewezen zijn, zoals Battenoord. In Stad aan ’t Haringvliet was Brinkman burgemeester (vader van Elco), eentje van de oude stempel, die zelfs op deze chaotische maandag onberispelijk in het zwarte pak met hoed en wandelstok door het dorp stapte. Niemand van de plaatselijke overheid nam toen nog enig initiatief. ‘We hebben geen zakken’, zei Brinkman. ‘Jawel, daar en daar’. ‘Ja, maar die mag ik niet zomaar vorderen…’

Klantenboek in het water gegooid
Het ging er echt niet allemaal zachtjes aan toe. ‘Er werd ook geschreeuwd en gescholden. In die dagen leerde je je dorpsgenoten wel kennen, hoor (…) En dan de hondsheid van een enkeling die eerst vraagt naar de vergoeding wanneer hij een evacué in huis neemt! Of het te veel moeite vindt om een bed van de zolder af te halen.’ Op het gemeentehuis van Oude Tonge kreeg ieder een bon om een paar klompen of schoenen te halen in de nog droogstaande winkels. ‘Er stond daar een meisje dat ook een bon had voor schoenen. Ik kende haar wel, ze kwam uit een arm gezin. Zij had praktisch iedereen verloren: vader, moeder, broers, zusjes…vreselijk. Ze gaf haar bon aan die schoenwinkelier. Die keek en zag haar achternaam op die bon staan. Hij pakte een boek, bladerde erin en zei: “Eigenlijk kan ik je geen schoenen geven, want er staat hier nog een rekening open van je vader en moeder…” Toen ben ik zó ontzettend kwaad geworden…Ik heb hem bij z’n stropdas gegrepen (…) Ik heb zijn klantenboek van de toonbank gepakt en in de haven gegooid’.

Eerste mens op Schouwen-Duiveland
Als Schevingense vissers ’s maandags op Voorne proberen te helpen, krijgen ze naar zich toegeworpen: ‘Hé, komen jullie stelen?!’ De eerste die op maandag het vergeten eiland Schouwen-Duiveland bereikt is Hubrecht Koster, hij voert daar meteen een spectaculaire actie uit. Onderweg kwam hij op de Oosterschelde een complete koeienstal met de beesten nog vastgeboden tegen. Gevaarlijke dingen moesten ze uithalen om bij het eiland te komen. Eenmaal aangekomen ‘heb ik het meegemaakt dat de mensen zó naar beneden sprongen als we met de sloep bij hun huis kwamen…natuurlijk náást ons bootje. Dus moesten we ze weer uit het water zien te vissen. Op zo’n moment ontdek je hoe egoïstisch mensen zijn, want het was helemaal niet zo dat ze vrouwen en kinderen lieten voorgaan. O nee…eerst ík en dan opoe!’ Bij een andere reddingsactie was een man zo dik dat hij niet door het dakraam kon. ‘Ik duwde zo hard dat ik hem met dakraam en al naar buiten kreeg. Hij heeft met die ijzeren sponning om z’n middel in de roeiboot gezeten.’ Op maandag blijft Schouwen-Duiveland voor de meesten vergeten. Vier helikopters (uit het buitenland) vliegen naar het rampgebied om mensen van de dijken en daken af te halen, maar niet één vliegt er naar Schouwen-Duiveland. De derde nacht staat nu voor de deur, de vijfde vloed sinds die eerste rampzalige.

Dinsdag
Aan de dijk meer gegeten dan gewerkt
De Ahoy-hal in Rotterdam is het belangrijkste opvangcentrum voor de evacués. Van daaruit wordt iedereen naar een evacuatieadres gebracht. Het evacueren ging weer gepaard met onbekwame ambtenaren. Zo was er een schip dat werd halt gehouden door een gezagsdrager: ‘Bent u schipper?’ “Ja, hoezo?’ ‘Mag ik uw papieren zien, dat u evacués mag vervoeren?’ Vanaf dinsdag beginnen in grote delen van het rampgebied de militairen de macht feitelijk over te nemen. Vanaf dinsdag wordt het rampgebied niet alleen bedreigd door een vloedgolf van helpers, ook sommige goederen waar via de radio om is gevraagd, worden in overdreven hoeveelheden aangevoerd. Overal waar mannen aan de dijken werken verschijnt het Leger des Heils met koffie, snert en boterhammen. En als het Leger er niet is, dan ziet een of ander damescomité wel een belangrijke taak voor zich weggelegd. De werkers aan de dijken lusten wel wat en laten zich verwennen. ‘Er werd meer gegeten dan gewerkt en daar werd later wel een stokje voor gestoken.’

Te veel liefdadigheid
Lang niet overal worden de bevelen van hogerhand opgevolgd. Evacuaties zijn niet populair, helemaal niet als het gevaar geweken is. In Zierikzee vindt een ‘broodbombardement’ plaats. Op een gegeven moment liggen er 20.000 broden opgeslagen in de Grote Kerk. De liefdadigheid uit heel het land is groot, maar er komt té veel. Er ging nog wel eens iets mis met die droppings. Ladingen voedsel kwamen onbereikbaar in het water terecht, vaten met drinkwater vielen te pletter omdat men niet op het idee gekomen was ze aan een parachute te hangen. ‘Ze hebben me bijna doodgegooid met een zak broden (…) Dat had totaal geen zin, want we hadden daar op dat moment helemaal geen brood nodig’. Één piloot kreeg opdracht boven Renesse een lading melkpoeder te droppen…in een weiland vol koeien! Wanhopig probeert men nu de droppings te annuleren, want het is over het algemeen nutteloos en soms gevaarlijk zelfs. Vanuit de lucht kan men zien wat nodig is: in verschillende plaatsen worden grote letters gekalkt met teksten als ‘Zend water!’ of ‘Rubberlaarzen!’ Het verloopt de eerste dagen chaotisch. Uiteindelijk zou 50 procent gered worden met een boot, 30 procent zonder transportmiddel en 7 procent met een motorvoertuig. De helikopters kwamen toen de echte ramp al voorbij was. Dinsdagavond was de ramp in feite voorbij. De storm is uitgewoed, de wind is nog slechts matig tot zwak en het water is kalm. Wie nu nog niet verdronken is, verdrinkt niet meer.

Arbeiders onevenredig zwaar getroffen
Bij de ramp is één categorie bewoners onevenredig zwaar getroffen. Oude Tonge bijvoorbeeld: één straat grotendeels weggevaagd bij de eerste klap, waarbij 65 mensen omkomen. In totaal 305 in dit dorpje. Het zijn allemaal arbeidershuisjes. Ook in Stavenisse, waar in totaal 156 mensen omkomen, verdwijnt ook in één klap een hele rij arbeidershuisjes met 70 doden. In het arbeidersbuurtje Schuring (bij Numansdorp) vinden 56 mensen de dood. In arbeidershuisjes in Nieuw-Vossemeer, waar 50 mensen zouden verdrinken, kwamen in één klap 23 mensen om. Het gehucht Capelle verdween vrijwel van de aardbodem. Er stonden dan ook alleen maar arbeidershuisjes. De landarbeiders in het rampgebied behoren al sinds mensenheugenis tot de slechtst betaalden van heel Nederland. De vakbonden zijn er zwak en stakingen komen zelden of nooit voor, want er zijn altijd meer arbeiders dan er werk is. Daar profiteren de boeren van door lonen te betalen waar met moeite voldoende eten van te kopen is voor de vaak grote gezinnen. De oude arbeidershuisjes verdienen de naam ‘huis’ amper. Ze zijn dikwijls zo laag dat een volwassene er zijn handen in de dakgoot kan leggen.

Zwakke huisjes
In 1947 is het aantal huizen met slechts één of twee kamers in Zeeland het grootst van heel het land. Op de eilanden die zwaar getroffen werden is de situatie nóg ongunstiger. In Dreischor 63,5 procent, tegen een landelijk gemiddelde van 10,4 procent en een Zeeuws gemiddelde van 28,3 procent. Veel van de arbeidershuisjes hebben muren die nog met tras in plaats van cement gebouwd zijn. De meest muren zijn éénsteens en sommige zelfs maar halfsteens en van fundering is amper sprake. Er hoeft maar één boom of balk door de vloedgolf te worden meegevoerd en zo’n muur stort in. Soms is de vloedgolf alleen al voldoende. Het aantal arbeidershuizen dat verwoest wordt, ligt dan ook abnormaal hoog. Waren de huizen steviger geweest, zoals de meeste huizen in die tijd in Nederland, dan had de ramp zeker minder dan de helft aan doden gehad. ‘Er stonden hier van die huisjes in de polder, als je daar een keer goed tegen duwde, dan lagen ze al omver’. Als er ergens een watersnood of aardbeving is, zijn het bijna altijd de arme mensen in slecht gebouwde huizen die de grootste klappen krijgen. Zo ook in Zeeland 1953.

Thematisch
DE MILITAIREN
Bij het gat in Den Bommel en op vele tientallen andere plaatsen zijn militairen wekenlang bezig met het dichten van dijken. ‘Maar ja, daar zaten veel brekebenen tussen, hoor; jongens, die absoluut niet wisten hoe ze een spa moesten vasthouden. En een zak zand dragen, dat moet je ook kunnen. Veel van die soldaatjes konden dat helemaal niet’. Sommige soldaten vonden het leuk op de verdronken koeien, die geweldig opgezwollen waren, lek te schieten. Op dinsdag 17 februari werd de inzet van de krijgsmacht beëindigd.

DE EVACUATIES – Duitssprekende soldaten doen denken aan 1944
70 procent van de evacués moest al eens eerder evacueren: negen jaar eerder, in februari 1944. Pas na mei 1945 mochten ze terug. De thuiskomst was vaak een ontgoocheling, want er bleek tijdens hun afwezigheid veel gestolen en vernield te zijn door de Duitse soldaten. Die ervaring maakt velen in 1953 huiverig om wéér te evacueren. De tegenzit groeit als blijkt dat sommige militairen Duits praten, Duitse soldaten dus! Niet alleen bewoners van verdronken dorpen moeten evacueren, ook in sommige droog gebleven plaatsen. Dit geeft problemen. De gemeentelijke autoriteiten staan juridisch zwak als ze hun inwoners willen dwingen huis en haard te verlaten. Met name in Zierikzee gaat het mis. De Duitse tijden lijken te herleven. Sommigen duiken zelfs onder. De meesten willen niet weg, en toch móét het. Het gebeurt uiteindelijk niet. Er is één stukje Schouwen waar men het evacuatiebevel weigert uit te voeren: de Kop van Schouwen, de droog gebleven duinstrook in het westen waarop de gemeenten Burgh, Haamstede en Renesse liggen. Het wordt al snel aangeduid als ‘De Vrije Republiek West-Schouwen’.

Plichtsverzuim en evacuatiemoeheid
Plichtsverzuim komt ook veelvuldig voor. In sommige plaatsen laten burgemeesters zich maar al te graag evacueren, terwijl juist zíj er moeten zijn. In de meeste gemeenten blijft dit gedrag ongestraft, behalve in Ooltgensplaat, waar een gemeentesecretaris wordt ontslagen omdat hij niet is komen opdagen tijdens de rampnacht. ‘Terwijl iedereen hielp, was hij nergens te vinden’. De evacuatie is halsoverkop gebeurd en allerlei mensen hebben in een eerste opwelling hun huis beschikbaar gesteld, niet wetend hoe lang het kon duren. Ook het feit dat er een groot verschil was tussen de zwaar gereformeerde eilandbewoners en de wat lossere stadsbewoners uit Holland en Brabant gaven problemen. ‘Op zondag stond daar altijd de radio aan met sportwedstrijden. Dat waren ze bij ons helemaal niet gewend. Na een tijdje zag je dat allerlei mensen van Sint-Philipsland ’s zondagsmiddags maar een eind gingen wandelen. Dat waren ze thuis ook wel niet gewend, maar dat deden ze toch liever dan de hele middag naar de voetbal luisteren’. Na een maand kunnen nog steeds 73.500 mensen niet naar huis. Nu beginnen er ook conflicten tussen evacués en gastgezinnen te ontstaan: ‘evacuatiemoeheid’.

Ergernissen
Veel evacués lopen soms maanden doelloos en werkeloos rond in hun nieuwe omgeving. De groepen ongeschoolde arbeiders, sociaal twijfelachtige elementen en de rijpere jeugd beschouwen deze tijd als een soort vakantie. De evacuatie is voor hen een zorgeloos en werkeloos bestaan onder meestal gunstiger omstandigheden dan thuis. Ze zoeken dan ook geen werk. De bevolking in de evacuatieplaatsen ergeren zich aan hen. Naast ellende brachten de evacuaties ook vriendschappen voor het leven teweeg.

DE GOEDERENGOLF – Veel te veel
‘Een tweede springvloed, maar nu een die zegen zal brengen’. En het wás een vloed. Klerenkasten en rommelzolders werden leeggehaald. Het Rode Kruis moest al snel een rem op de gulle gaven zetten. Men probeerde dat zo zacht mogelijk te zeggen: ‘Met grote ontroering heeft het Rode Kruis de massale stroom van goederen (…) in ontvangst genomen (…) Tot nader order stop te zetten’. De oproep blijkt aan dovemansoren gericht. De eenmaal losgebarsten stroom van goederen is niet meer te stoppen. Alleen al in Den Haag liggen na een paar dagen zeventien pakhuizen vol met kleren. De directeur van het Rode Kruis spreekt over ‘een ramp in de ramp’. Alleen Denemarken stuurt al een half miljoen stuks boven- en onderkleding plus 90.000 paar kousen en 70.000 paar schoenen. Uit Amerika, Canada, Israël, Hongkong, Algerije, Indonesië, Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland, Mexico, India, Griekenland (een hele partij linkerlaarzen) en tientallen andere landen komen kleren, schoenen en beddengoed. Uit Kameroen komt zelfs een pakje met vijf kilo kleding. Na twee weken is er genoeg voor 8 miljoen mensen. En dat terwijl er in het gebied (inclusief de droge plaatsen) nog geen 600.000 mensen wonen!

Egoïsme
Die goederen moesten natuurlijk allemaal verdeeld worden. ‘Nou, bij die verdeling heb ik mijn dorpsgenoten leren kennen, hoor. (…) Want het was glad verschrikkelijk, zoals sommige mensen tekeergingen’. ‘Al die goede gaven hebben voor een hoop gezeur gezorgd’. Mensen die een koperen, zilveren of gouden bruiloft vieren, kregen één, twee of drie flessen wijn. Maar toen nog kreeg je mensen die kwamen zeuren dat ze verleden jaar al 25 jaar getrouwd waren en dus ook eigenlijk recht hadden. ‘We kregen een zending kamerplanten; als je het niet in de gaten hield, stond er iemand zo drie keer bij de kar om een plantje te bemachtigen.’ Er zijn weinig plaatsen in het rampgebied waar niet geroddeld wordt over wat er allemaal aan de strijkstok van de plaatselijke elite is blijven hangen. Uit Canada kwamen dure jacks met bondkragen. Even later zag men de loco-burgemeester en de dokter met zo’n jas lopen.

Wat te doen met de rest?
‘Er werkte hier iemand bij de gemeente, die familie was van de plaatselijke kledingwinkel. Nou, die zorgde ervoor dat kleren die aangeboden werden voor ons dorp, gewoon geweigerd werden. Want dat zou die winkel weleens kunnen schaden. Met dat soort rottigheid had je te maken.’ ‘Als je je mond niet opendeed, kreeg je weinig of niks’. Ook bleven veel kleren liggen in regionale depots zonder naar de getroffen dorpen te gaan. Wat te doen met de overtollige kleding? Men opperde om het naar kampen in West-Duitsland te sturen, die propvol zaten met vluchtelingen uit Oost-Duitsland. Maar men vond het ontoelaatbaar dat straks gevluchte SS-bandieten en jodenmoordenaars gratis in die kleren rondlopen. Uiteindelijk ging het naar katholieke en protestantse instellingen, naar gemeentelijke sociale diensten, naar de gerepatrieerdenzorg, de Ambonezenzorg, vluchtelingenkampen in de Derde Wereld en de rest werd verkocht aan de lompenhandel, wat nog enkele tonnen opbracht.

Stapels formulieren invullen
Sommige gastvrije mensen, die hun droge huizen beschikbaar hadden gesteld voor hun plaatsgenoten, begonnen na de ramp te klagen. Die mensen kwamen vaak nat aan en pakten droge kleren bij hun uit de kast, die ze vervolgens nooit meer terugbrachten. Tenslotte hadden ze haast niks meer. Maar bij de kledinguitdeling kregen zij niets, want hun huis had droog gestaan. ‘Er waren mensen die later hun achtergelaten natte kleren kwamen terughalen. Maar die vergaten vaak om ónze kleren mee terug te nemen!’ Sommigen moesten ‘een gigantische papierwinkel’ doorwerken voordat ze hun verloren spullen konden terugkrijgen. ‘Maar daar moest ik elke keer opnieuw stapels formulieren voor invullen. Het bleef maar doorgaan, ze wilden de gekste dingen weten. Toen ben ik het beu geworden en heb alle papieren in de kachel gegooid’.

Adoptie
Elk dorpje in het rampgebied werd wel door een of andere plaats ‘geadopteerd’. Sommige plaatsen werden bijna bedolven onder de hulp vanuit hun adoptiegemeenten. Zo kregen Middelharnis en Sommelsdijk van alles en nog wat uit Rotterdam (bier, limonade en kaarsen), Amersfoort (bedden en stratenmakers), Delft (glaswerk, technische hulp, brandweerhulp, sociale teams en auto’s), Doetinchen (vee en geld), Bodegraven (zeep), Den Haag, Waddinxveen en Aalten (alle drie brandweerhulp), maar ook uit landen als Finland (kantine), Australië (hulp voor de kantine) en Canada (geld). Sommige burgemeesters hielden het geld wat ze ontvangen uit hun adoptiegemeenten buiten de gemeenteadministratie en verrijkten zich. Ze verantwoorden die handelswijze met de stelling dat het geld aan hen persoonlijk is geschonken. In Kortgene blijkt de burgemeester bijna 30.000 gulden op zijn privébankrekening te hebben gestort.

DE ACHTERBLIJVERS – Plezier in het uitgestoven dorp
‘Het klinkt misschien raar, maar het was een geweldige tijd. (…) Gewoon het plezier van een kleine groep die is achtergebleven op een uitgestorven dorp. Dat geeft een band van kameraadschap die geweldig is.’ In sommige dorpen is sprake van een vrijwel complete machtsovername door een groep uit de bevolking. B&W zijn vertrokken en van bestuur is dus geen sprake meer. Een zwaar werk was het om lijken te zoeken en te bergen. ‘Het was verschrikkelijk, zoals je die mensen soms aantrof; zonder kleren, aangevreten door vogels, vreselijk…’ ‘Als ik de meeuwen ergens bij elkaar zag vliegen, dan ging ik erop af. Niet zelden vond je daar een kadaver van een beest, soms was het een lijk. Maar je moet niet vragen hoe…Want die meeuwen vraten alles op wat niet door kleren bedekt was. Ja jongen, dat was een luguber karwei.’ ‘Maar hoe erg het allemaal ook was, we hebben ontzettend veel plezier gehad (…) We maakten doorlopend grappen om ons af te reageren (…) ’s Avonds wordt er vergetelheid in de drank gezocht’.

Ze gedroegen zich niet altijd waardig
‘Het is een prachtige tijd geweest. Ik kon net doen wat ik wou. Ik reed rond met de vrachtwagen en ik mocht overal hand- en spandiensten verlenen aan de burgemeester. Dus ik was zo vrij als een vogeltje en ik deed de hele dag allerlei klusjes waar de mensen me dankbaar voor waren.’ ‘Je was met een stel mannen onder elkaar en je haalde natuurlijk doorlopend streken uit’. ‘Hoe we de avonden doorbrachten zal ik maar niet zeggen.’ Onder invloed van de jenever willen de grappen weleens uit de hand lopen. ‘Dat werk met die lijkenploeg kon je bijna niet doen bij je volle verstand’. ‘Ik herinner me nog een feestje toen ze vertrokken. Er was een orkest gevormd dat op potten en pannen rammelde, want andere muziekinstrumenten hadden we niet.’

DE DIJKEN – Die dijken, ach…
‘Die dijken, ach dat waren toch maar kattenruggen! Te laag en te smal. Als je er bij hoogwater overheen reed, voelde je ze gewoon trillen.’ De kruin was soms amper een halve meter breed. ‘De constructie van de zeedijken stelde niks voor’. Achteraf moest dan ook gezegd worden: ‘Wij zijn in onze taak tekortgeschoten. Een schrale troost is dat we niet de enigen waren; in zeer vele polders bleken de dijken te licht en te laag’. Bij Rijkswaterstaat wisten ze dat. Maar bij de waterschappen wellicht niet. De overstromingen van 1906 hadden wel tot gevolg gehad dat er dijken verhoogd werden, maar soms was dat slechts een muurtje dat op de dijk gebouwd werd. Ook nog tien jaar vóór de ramp (7 april 1943) had men kunnen zien dat veel zeedijken te laag zijn; het water kwam toen zo hoog dat het over de dijken heenging. ‘Ik was een jongen en het maakte een geweldige indruk op me: die enorme plas water aan de ene kant van de dijk en aan de andere kant die lage polder met daarin onze boerderij’. In 1943 bleek in ieder geval 26 kilometer zeedijk te laag te zijn! In 1946 blijkt uit een rapport dat veel dijken die zeven jaar later doorbreken, al angstig nauwkeurig zijn aangewezen.

‘Maar het kan gebeuren. Morgen zelfs’
‘Als er vroeger een dijk moest worden verhoogd, dan was het uitgangspunt de hoogst bekende vloed tot dan toe. Hoeveel hoger de dijk werd gemaakt dan de hoogste vloedstand, hing af van het polderbestuur. Dat was duimzuigerij op grond van ervaring en natuurlijk speelden de financiën een grote rol’. In die tijd zag je soms de grens tussen twee polders heel precies doordat de zeedijk plotseling een stukje hoger of lager was. Er was weinig overleg. Vooral vanwege de vraag wie er moest opdraaien voor de kosten van de dijkverbeteringen, ontstaat er een jarenlange touwtrekkerij. Een halfjaar vóór de ramp lucht dr.ir. Johan van Veen zijn hart bij een Elsevier-journalist: ‘Een nieuwe Sint-Elisabethsvloed is zo maar mogelijk. Onze dijken tellen zoveel kwetsbare en gevaarlijke plaatsen dat een zeer zware stormvloed er grote bressen in zal slaan. Maar ze willen niet naar mij luisteren. (…) Maar het kan gebeuren. Morgen zelfs. (…) Een veel te zwakke dijk langs de Hollandse IJssel’. Vreemd genoeg wordt dit interview pas 25 jaar na de ramp gepubliceerd. De hoofdredacteur durfde het in 1952 niet aan. Het zou paniekzaaierij zijn zo vlak na de oorlog. De top-prioriteit in deze naoorlogse jaren was de woningbouw. De woningnood was ‘volksvijand nummer één’. Als je kiezers wilde winnen moest je meer huizen beloven. In 1951 wordt er in de Kamer al gesproken over de mogelijkheid van het afsluiten van zee- en rivierarmen omdat het mogelijk is dat ‘verschillende factoren, die de stormvloedstanden veroorzaken, zullen samentreffen in een mate, die nog niet is waargenomen’.

Afdeklaag essentieel
De manier waarop de dijken breken is merkwaardig. De dijken breken niet omdat er aan de buitenkant van de kruin gaten ontstaan, de dijken breken zonder uitzondering omdat ze aan de binnenkant onderuit zakken. De meeste dijken zijn niet alleen te laag en te smal, ze zijn ook te steil en te slecht van samenstelling. Soms zijn ze bovendien verwaarloosd. Doordat de dijken te laag zijn, stroomt er, soms al enkele uren voor de vloed, water overheen. Nu zou een normale dijk daar eigenlijk tegen moeten kunnen. Langs de grote rivieren komt het bij erg grote waterafvoer ook weleens voor dat een dijk urenlang overstroomt zonder at hij het begeeft. Er loopt dan alleen water overheen. De grasmat is van levensbelang voor een dijk. Doordat de afdeklaag op de achterkant – het binnentalud – vaak slecht van samenstelling is, kan het overslaande water er veel te gemakkelijk doorheen dringen. Daardoor wordt de binnenkant van de dijk één weke massa, die – doordat de dijk zo smal is en zo steil staat – weinig tegendruk ondervindt en als vanzelf onderuitzakt. Minder steile dijken kosten veel meer zand en grond. Bovendien moet er voor zo’n brede dijk extra poldergrond opgeofferd worden.

Mollen, konijnen en koeien
‘Het water spóót uit de mollengaten in de dijk alsof het rioolbuizen waren!’ Mollen behoren tot de grootste vijanden van de dijken. Vóór de oorlog werd er een vrij intensieve jacht op mollen gehouden. Na de oorlog nauwelijks meer, het levert niks meer op, het verdient te weinig. Andere dijken wemelden van konijnenhollen. Sommige boeren hadden een drinkbak voor de koeien tegen het binnentalud van de dijk gezet. De koeien moesten dus óver de dijk naar die drinkbak. Ze liepen altijd over hetzelfde paadje. Het gevolg was dat er een pad in de dijk werd uitgesleten van zestig centimeter breed en dertig centimeter diep. Precies op zulke plekken zijn dijken doorgebroken! Omdat de koeien op het steile binnentalud de grasmat ook nog kapot hadden getrapt, had het water er vrij spel.

Zo zuinig mogelijk
Eigenlijk mocht niemand iets aan een dijk doen zonder toestemming van het waterschap. Het slaan van een paal, het weiden van koeien, een trapje maken: dat hoort er allemaal bij. ‘Maar ja, we waren met de toepassing (…) niet zo streng’. Terwijl dit toch ‘funest kan zijn, want een dijk is maar zo sterk als zijn zwakste stuk’! Het blijkt dat de afdekkende laag van veel dijken te dun of te slecht van kwaliteit is. ‘Het moest vroeger altijd maar zo zuinig mogelijk. Kijk, aan de buitenkant werd wel zware klei op het talud aangebracht, maar aan de binnenkant gebeurde dat niet. Dat was te duur. Daar kwam een laagje op dat niks voorstelde. Dus toen het water eenmaal over de dijken begon te lopen, sloeg het zó door dat afdeklaagje heen.’ De dijk bij Bruinisse bewijst het belang hiervan: de dijk was te laag en het water stroomt er enkele uren lang overheen. Toch breekt de dijk niet door. Dit kwam doordat de binnentalud een goede afdeklaag had. Bij Oude Tonge bevonden de binnendijken (geen zeedijken dus, want Oude Tonge ligt niet aan zee) zich in zeer slechte staat. Niet alleen waren ze erg laag, ook waren ze niet berekend op hun functie als tweede waterkering. Wat was namelijk het geval? De mensen die in de huizen aan de dijk woonden maakten tuintjes in het talud van de dijk. Daar had je dus geen grasmat, maar kale grond. ‘Nou, dat werd zó weggevreten als het water eroverheen spoelde’.

HET DIJKHERSTEL – Het Sielingkanaal
‘Het water kon niet terug naar zee, want er zaten wel gaten in de zeedijk, maar die waren niet zo diep; de voet van de dijk was blijven zitten’. Boer Sieling, bestuurslid van de Dijkring Flakkee, wil het zoute water zo snel mogelijk uit zijn polder hebben. Daarom geeft hij in Herkingen de opdracht om de twee gaten in de dijk dieper te maken én een geul door de buitendijkse gorzen te graven. Zo zou het water door die gaten en die geul sneller de polder uit kunnen lopen… Het geultje veranderde binnen een paar dagen in een stroomgat waar een groot zeeschip doorheen kon varen. Uiteindelijk werd het een stroomgat van 300 meter breed en meer dan 10 meter diep. Het heeft zes weken geduurd voordat ze dat gat weer de baas waren. Er verdwijnen 2500 vrachtwagens met stortsteen en 100.000 zandzakken in het gat. Iedereen helpt mee om het dicht te krijgen. ‘Ik zie nog de dominee van Herkingen in z’n zwarte pak achter een kruiwagen strompelen’. Er werd ook wel gezegd: het Sieling-kanaal. Dit was een stil protest tegen het eigenmachtige optreden van deze boer die dacht dat hij meer verstand van het water had dan een simpele dijkwerkersvoorman. Sieling is aangeklaagd, maar uiteindelijk is de zaak met een sisser afgelopen. ‘Die hele zaak is netjes in de doofpot gegaan’.

Boeren hielpen niet; arbeiders moesten alles doen
In hun ijver om het zoute water snel van hun grond te krijgen (zodat er nog kans is op vruchtbare grond), proberen sommige boeren uit ondergelopen polders het water ook te lozen via droog gebleven buurpolders. Dat loopt de eerste week van februari hier en daar bijna uit op boerenoorlogen. Sommige boeren trokken ’s nachts stiekem zandzakken weg, in de hoop dat zo het water sneller uit hun polder zou lopen. De boeren zelf hielpen nauwelijks mee met het herstellen van de dijken. Dat moesten de arbeiders doen. Dat irriteerde hen in erge mate. Op een dag besloten twee arbeiders: ‘Als er ook maar één boer zou komen met een sigaar in zijn hoofd en z’n duimen in z’n vestjeszakken (en in hun goeie goed en met het witte boord om), dan vertrekken we’. En het gebeurde precies zo. ‘Heb je het gezien, jongens? We vertrekken!’ Als de boeren kwamen kijken, draaiden ze gelijk hun auto om, zodat, als het mis zou gaan met de dijk, zij meteen weg konden wezen. De arbeiders moesten eigenlijk wel werken voor de boeren. ‘Je moest iets aanpakken waar je wat mee verdiende’.

Het Rijk gaat het herstel betalen
Het is voor de regering al snel duidelijk dat het ondoenlijk is om het dijkherstel in handen te leggen van al die aparte, soms ruziënde polderbesturen. Bij de Noodwet Dijkherstel wordt niet slechts beslist dat het Rijk alle kosten van het herstel van de zeedijken voor haar rekening neemt, het Rijk (Rijkswaterstaat) krijgt ook de léíding bij het dijkherstel. Voor aannemers uit alle delen van het land breekt een gouden tijd aan. ‘Elk aannemertje dat materiaal had dat te gebruiken was, werd door ons aan het werk gezet’. Een kleine aannemer begon met één kraantje. Uiteindelijk waren dat er vijftien. Dankzij de ramp. Veel verstand hadden ze er niet van. Soms waren het maar stratenmakers, maar ze leerden het ter plekke. Overal in het rampgebied doen al snel de verhalen de ronde over aannemers die met opzet langzaam werken omdat ze dan meer kunnen verdienen. Het zag zwart van de vrachtwagens in de polder, maar er waren er nogal wat die de helft van de tijd stilstonden. De uren telden immers toch gewoon door! In Den Haag worden ze op een gegeven moment bang dat er in het rampgebied te veel verdiend wordt. Ook plegen dijkwerkers diefstallen. Zo stal een man vijf zandzakken, waarvan hij mooie onderkleertjes voor zijn kinderen dacht te kunnen maken. Hij moest drie maanden de cel in.

Caissons van D-Day
Voor Werkendammers en Sliedrechters is het een goede tijd, want zij mogen zinkstukken fabriceren. Ondanks alle zandzuigers, zinkstukken, baggermolens, draglines en drijvende kranen, lukt het pas na maanden om de laatste gaten te sluiten. Sommige gaten in de zeedijken van grote polders hebben zich in de dagen en weken na de ramp enorm verbreed en verdiept. Deze zogeheten ‘stroomgaten’ zijn dan ook niet meer met zinkstukken te sluiten. Er moeten caissons aan te pas komen: zware betonnen gevaartes (11 bij 7,5 meter), die in het stroomgat worden gevaren en daar tot zinken gebracht. Meer dan driehonderd worden er gebouwd. Maar voor het sluiten van de diepe stroomgaten zijn grotere gevaartes nodig. Bij Waterstaat denkt men al vlug aan de enorme phoenixcaissons die de geallieerde legers gebruikten bij de invasie in juni 1944 in Normandië om daar kunstmatige havens mee te maken. Er liggen nog acht van die caissons in Engeland (62 bij 19 meter). Ze komen naar Nederland. In de nacht van 6 op 7 november wordt het laatste gat gedicht. Koningin Juliana en minister-president Drees zijn er getuige van dat het laatste caisson om vier minuten voor middernacht wordt geplaatst.

DE DIEREN – Opgezwollen langs de dijk
‘De koeien waren begin november op stal gezet. Die stonden al drie maanden binnen en wisten niks meer van buitenlucht en zeker niet van storm af. Die waren doodsbenauwd van de bulderende wind. Bovendien kwamen ze tot hun knieën in het ijskoude water terecht en dat in het stikdonker. Die beesten raakten totaal in paniek en wilden meteen terug hun warme stal in. Zo zijn er die nacht talrijke mensen in de deuropening van de stal (…) verpletterd door hun eigen koeien of paarden.’ ‘Ik vond ze allemaal dood, behalve één koe die ik vlak vóór 1 februari had gekocht. Die wist de weg naar de stal nog niet en is aan de dijk gebleven’! 20.000 koeien verdronken er, eenderde van de totale veestapel in het rampgebied. Hiernaast 2000 paarden (paarden blijken het ijskoude water veel beter en langer te kunnen verdragen dan koeien), 12.000 varkens, 3000 schapen en geiten en tienduizenden kippen, ganzen, konijnen, honden en katten. Mensen die ’s nachts in hun auto een veilig heenkomen zoeken, zien horden hazen en konijnen in de koplampen van hun auto zigzaggend over de dijken rennen. Ook werden er ratten gezien die in paniek over het wrakhout liepen. Zeker in de dorpen waar weinig mensen in levensgevaar verkeren, wordt al snel begonnen met het redden van nog levende dieren.

Herkenningsmarkten
Koeien werden later teruggevonden dankzij het in Nederland gangbare systeem, waarbij van elke jonge koe een vlekkenschets gemaakt word. Soms werden er ‘herkenningsmarkten’ gehouden: ‘Bij de tweede boer liepen we pratend de schuur in en meteen begon er al een paard te hinniken. “Dat is Emma”, zei ik, “dat hoor ik zo!” En jawel hoor, daar stond ze’. De kadavers van tienduizenden dieren bepalen al snel het beeld van het rampgebied. Met hun opgezwollen lijven liggen ze langs de dijken. De autoriteiten zijn bang voor besmettelijke ziekten. Ten onrechte, want het was koud – vaak onder het vriespunt. Die dieren waren gezond verdronken, die hadden geen ziekte bij zich. De beesten werden naar een destructiebedrijf gebracht, op een massagraf bij Ouddorp na. Maar die moest in de jaren zeventig alsnog geruimd worden, toen daar een waterwingebied kwam te liggen. Sommige koeien zagen er nog haast puntgaaf uit.

Het einde van de smid
De verdrinkingsdood van zoveel paarden zorgt voor een opvallende verandering in het landschap van het zuidwesten. Kon je vroeger altijd en overal in de polders de zware trekpaarden zien zwoegen voor de ploeg, de zaaimachine of de zelfbinder, na de ramp is er bijna geen boer meer die nog nieuwe paarden koopt. De paarden verdwijnen voorgoed uit het polderlandschap van de delta. Nu de paarden verdronken zijn, doet de tractor snel zijn intrede. Mét de paarden verdwijnt ook de ‘travalje’ uit het straatbeeld van de boerendorpen, de houten hoefstal die je bij de werkplaats van elke hoefsmid aantrof. Voor de meeste dorpssmeden én wagenmakers betekende de ramp zo ongeveer het einde van hun bestaan.

HET GELOOF – Potappel
‘Het is God de Heere die de stormvloed en de wateren heeft gezonden. Een oordeel Gods is over ons volk gekomen.’ Zo schrijft Eilandennieuws. ‘Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan die haar golven omhoog verheft’, zo citeert het blad Ps. 107:25. In de Oud Gereformeerde Gemeente van Stavenisse waarschuwde de zeventigjarige ouderling Leendert Potappel één week voor de ramp nog voor het naderende onheil. ‘God zal ook onze dijken doen doorbreken’, zo zegt hij. Maar dit verhaal moeten we relativeren als we bedenken dat er jarenlang vrijwel elke zondag vanaf de kansel van het kerkje ‘de dreigementen des hemels’ hebben geklonken. Toch was het dít keer volgens sommigen ánders. Toch lijkt het dat de voorspelling van Potappel pas achteraf zo belangrijk is gemaakt. ‘…Dan zijn de mensen die zondagavond ontzettend onder de indruk naar huis gegaan. Nou, daar heb ik de hele week die erop volgde niks maar dan ook niks van gehoord of gemerkt op het dorp. Dat is romantiseren achteraf. Er is een profetie van gemaakt. In de rampnacht heeft Potappel, toen het water zo hoog begon te komen, tegen zijn buurman gezegd dat hij dacht dat het allemaal wel mee zou vallen’!

Lijdzaam
Verschillende sociologen zijn van mening dat de bevindelijk gereformeerden de ramp ‘lijdzamer hebben ondergaan. Zij hebben zich passiever gedragen bij het reddingswerk dan anderen. Vaak beperkten ze zich tot bidden.’ Omdat 1 februari op een zondag viel, was er nog een extra reden om passief te zijn. Sommigen raken hierom in gewetensnood. Op veel plaatsen, zoals op Tholen en Noord-Beveland, nemen ouderlingen de verantwoording: ze gelasten de kerkdiensten af te zeggen en dat iedereen moet gaan helpen aan de dijken. Op Noord-Beveland gaan voorgangers zelfs met de Bijbel in de hand langs de bedreigde plekken en trachten daar – boven de loeiende storm uit – voor te lezen uit de Schrift terwijl de mannen zandzakken vullen.

Geen rekenschap van Zijn daden
Nood leert bidden. ‘Vanaf een boerderij verderop hoort men zingen: “Maar de HEER’ zal uitkomst geven”. Niet altijd werkt het optreden van de bevindelijk gereformeerden rustgevend. Zo was er een vrouw die helemaal in paniek alsmaar riep dat nu de zondvloed nabij was. ‘Ik heb die vrouw bij haar arm gepakt en meegenomen van die zolder af. Zo iemand kon je daar op dat moment echt niet hebben (…) Die vrouw dacht echt dat de wereld aan het vergaan was.’ Niet alleen bevindelijk gereformeerden zien in de watersnood de straffende hand van God. De antirevolutionaire burgemeester van Middelharnis zei: ‘God geeft ons geen rekenschap van Zijn daden. Toch is er niets wat buiten Hem om gaat, ook deze ramp niet.’

Dijken als Nederlandse afgod
Niet alleen calvinisten, ook rooms-katholieken zien Gods hand in de ramp. J. de Quay zegt: ‘Gods almacht, die toeliet dat overweldigende natuurkrachten in luttele tijd zovelen uit het aardse leven wegnamen (…) We weten uiteraard niet welke bedoelingen de Almachtige hierbij had.’ Het dagblad Trouw zegt: ‘Die dijken zijn Nederlands trots. Daar pochen wij op in onze geschiedenisboeken, daar pralen wij mee in het buitenland. Brutale gezegden als “God schiep de wereld, maar Nederland hebben de Nederlanders zelf geschapen” maken het nog bouder.’ Zoals bij de ondergang van de Armada werd gezegd dat God adem hen verstrooid had, zo ‘geschiedt deze ramp evenmin bij toeval’. Het Zeeuws Dagblad ziet de ramp als één in een rij van rampen die God de Nederlanders deze eeuw heeft gezonden.

Heel eventjes vielen de kerkmuren weg
De ‘winst’ die de ramp even oplevert is de verbroedering die ontstaat tussen de verschillende kerken in de getroffen dorpen. ‘Op Sint-Philipsland had je vier kerken en er was veel haat en nijd onderling. Maar na de ramp stonden alle kerkgebouwen in het water en kon er alleen in een pakhuis gekerkt worden. Nou, daar kwamen we allemaal bij elkaar en heel het dorp was één. Ze konden plotseling elkaar verdragen. Of er nou een ouderling van de ene kerk of een dominee van de andere preekte, het was allemaal goed.’ Maar al gauw was er verschil van mening of de ramp nu wel of niet een oordeel van God was. In Stavenisse werd een rouwdienst gehouden van Potappel, waarbij bussen uit alle delen van het land waren gekomen om deze man ‘die bidden geleerd had en toch omkwam’ te herdenken.

Niet alle opmerkingen waren even pastoraal
‘Één keer is de dominee bij me geweest. Hij zei: “Alle kinderen die sterven komen in de hemel”. Dat was alles wat hij kon bedenken om mij een beetje te troosten.’ Als iemand aan zijn bevindelijk gereformeerde buurman in Numansdorp vertelt dat vader en broertje zijn verdronken, weet hij geen troostrijker woorden te vinden dan de zin: ‘Wat zullen ze branden!’ Een ander voorbeeld: ‘Die dominee hoorde dat mijn vader, mijn zuster en ons kind verdronken waren. En weet je wat hij zei? Dat Oude Tonge een slecht dorp was. Daar werd kermis gehouden.’ Dit zijn negatieve uitzonderingen, die misschien ook wat gekleurd zijn verteld. In sommige plaatsen werd steeds doorgewerkt aan de dijk, ook op zondag. Christenen wilden dit niet, ‘op zondag behoorde je niet te werken. Maar kijken hoe wij aan het werken waren’, dat deden ze dus wel. ‘De Zeeuwen zelf staan in hun zondagse pak te kijken hoe wij ons uitsloven.’

Vervlakking
Iedereen is het er achteraf over eens dat niemand zich na de ramp er veel van heeft aangetrokken. ‘Een ontstellende vervlakking’ trad op. Stavenisse bijvoorbeeld: ‘Het was een heel ander dorp dan vóór de ramp. Het was veel materialistischer geworden’. ‘Innerlijk is er een ontstellende vervlakking gekomen. Veel ongemakken die eeuwenlang werden uitgelegd als waarschuwingen van God (bijvoorbeeld natte zomers, die door de moderne oogstmethoden niet meer zo rampzalig zijn), leken nu door de moderne techniek te zijn opgelost.

ORANJE – Onaangekondigd, zelfs voor de burgemeester
In een café in Numansdorp stapt op maandag 2 februari opeens de koningin binnen. ‘Zomaar, onaangekondigd. Met laarzen aan en een hoofddoekje om. Ik zal nooit vergeten dat het plotseling dóód- en dóódstil werd. Niemand zei één woord, niemand!’ De burgemeester had pech; hij was niet in het dorp aanwezig. Juliana bracht ook geen officieel bezoek, het was allemaal heel informeel. Zo deed ze meerdere plaatsen aan in Zuid-Holland. De leden van het Koninklijk Huis laten vanaf de eerste dag nadrukkelijk hun medeleven met de bevolking van het rampgebied blijken. Prinses Beatrix, net 15 geworden, heeft de op haar verjaardag gekregen fiets aan het Rode Kruis geschonken. Wilhelmina stelt een vleugel van paleis Het Loo beschikbaar voor evacués. Prins Bernhard bevond zich in New York, waar het feit dat het precies 300 jaar geleden was dat het toenmalige Nieuw-Amsterdam stadsrechten kreeg, werd herdacht.

Bernhard als sinterklaas
Juliana en Wilhelmina verdelen de taken: Juliana zou naar Zuid-Holland en West-Brabant gaan, Wilhelmina gaat twee dagen naar Zeeland. Het bezoek van Juliana wordt gekenmerkt door grote eenvoud. Ze laat zich niet vergezellen door een groot gevolg. Als prins Bernhard eenmaal weer in Nederland is, ontpopt hij zich als een soort koninklijke sinterklaas voor de achterblijvers in het rampgebied. Overal waar hij landt vraagt hij of er nog wensen zijn. Één keer presteert hij het om een boer op het droge deel van Schouwen die graag een zaklantaarn wil hebben, die ook de volgende dag speciaal per vliegtuig te komen bezorgen. ‘Bernhard bracht altijd zijn eigen thermosfles met koffie mee. Dus je kon nog geen kop koffie aan hem kwijt. Hij noteerde altijd alles wat er nodig was. Ik weet nog dat we om lieslaarzen en drinkwater vroegen. Nou, het werd de volgende dag al gedropt.’

DE KOUDE OORLOG – Communistische hulp niet welkom
In de tijd van de watersnood speelde een belangrijke kwestie: het communistische gevaar! De oorlog in Korea werd als heel belangrijk gezien. Een burgemeester in Zeeland rept in het begin van 1953 met geen woord over de noodzaak om geld uit te trekken voor de verhoging van de dijken (die in 1943 als te laag werden gekwalificeerd), en ook niet pleit hij ervoor de Duitse bunkers in de zeedijken te slopen (dat waren zwakke plekken). Er lijkt maar één wezenlijke dreiging te zijn: de Russische beer, het rode gevaar uit het Oosten. Na de watersnoodramp denkt Henk Gortzak van de CPN dat ook zij een bijdrage kunnen leveren aan de hulp aan de Zeeuwen. Maar hoewel even de hokjes van de verzuilde samenleving wegvallen door de saamhorige hulpbetoon, zelfs dan blijven de communisten een uitzondering vormen; zij horen niet echt bij de rest van het volk, want zij heulen met de vijand. Ze wilden wel helpen aan de dijken, maar waren niet welkom. ‘Alles wat wij deden was bij voorbaat fout’. De Quay waarschuwt de burgemeesters voor de communisten: ‘Thans is mij gebleken dat van communistische zijde (…) activiteiten wordt ontplooid…’

Drees loopt rood aan van de communisten
‘De leiders van het Nederlandse communisme kennen maar één zorg: hoe slaan we hier munt uit voor onze wrakke zaak (…) Communisten zien als hun enige taak om door hun gewroet de geestelijke weerstand tegen rampen die ons land treffen en gevaren, die ons bedriegen, te verzwakken. Bisamratten!’ Vooral Drees maakt zich boos op Gortzak en de zijnen. Drees staat bekend als een echte ‘communistenvreter’. ‘Ik heb zelden een groter anti-communist meegemaakt dan Drees. Het communisme was een van de weinige dingen waar hij rood voor aan kon lopen. Terwijl hij verder nooit boos werd, althans het nooit liet blijken’. Het is opvallend en kenmerkend voor de koudeoorlog-sfeer van die dagen dat er geen krant is die het uitstoten van de communisten veroordeelt. Zelfs het linkse opinieblad Vrij Nederland doet mee met de anti-communistische hetze.

DE SCHADEVERGOEDINGEN – Gigantische gulheid
‘Hulp is plicht!’ Het Nationaal Rampenfonds roept op: ‘Tast diep in uw buidel, ook als dit een offer voor u mocht betekenen.’ Prins Bernhard wordt voorzitter van het fonds. Nederland lijkt de eerste weken van februari één grote fancy-fair. Allerlei acties worden gedaan, heel werkend Nederland schenkt een of meer uren loon, werkgevers verdubbelen vaak de opbrengst, zelfs de gevangenen in Leeuwarden staan een dag hun loon af. Er worden plaatselijke collectes gehouden waarbij de ene plaats tegen de andere opbiedt. In Parijs voetballen Nederlandse profs tegen het Franse elftal. Vele miljoenen komen er uit het buitenland. Het totaalbedrag komt op 137,8 miljoen gulden, een gigantisch bedrag voor die tijd. De schade wordt op 1,5 miljard geraamd.

Scheve ogen
Omdat het registreren van de huisraadschade een omvangrijk karwei is komt het Rampenfonds met ‘kampeeruitrustingen’, die bedoeld zijn als noodoplossing voor mensen die snel naar hun huis kunnen terugkeren en hun meubels kwijt zijn. Sommigen zaten veertig jaar later nog steeds aan zo’n kampeertafel en sliepen nog steeds in zo’n ledikant. Verder krijgen de mensen royale pakketten, waaronder de inhoud van de linnenkast. Men gaat uit van een basispakket per gezin. Niet wat verloren is telt, maar wat men niet heeft en dat wel tot het basispakket behoort. En dat geeft scheve ogen. ‘Sommige mensen hebben nog nooit een hele stoel in huis gehad en nu krijgen ze er in één keer zes’. Veel boeren en leden van de intellectuele elite vinden dat de arbeiders er veel beter afkomen dan zijzelf. ‘Ze hebben nu zelfs tafelkleden. Die hebben ze nog nooit gehad. En ze hebben meer lakens in de kast dan ze vóór de ramp ooit hadden. Waarschijnlijk bidden ze nu voor het eten: “Geef ons heden ons dagelijks brood en elke vijf jaar een watersnood”’. Uiteindelijk werden 75.000 mensen, verdeeld over 15.000 gezinnen, aan een textielpakket geholpen.

Storm van protest
Men houdt geen rekening met kwaliteit en ouderdom van wat verloren is gegaan omdat de bergen extra werk met zich meebrengt. Zo wordt bijvoorbeeld voor een huiskamerstoel die verloren is gegaan 30 gulden uitbetaald, voor een zitkamerstoel 45 gulden en een stoel in de slaapkamer 18 gulden. Een stofzuiger 135 gulden en een broodtrommel 10 gulden. Gezinnen tot vijf personen krijgen 4 gulden om een koekenpan aan te schaffen, grotere gezinnen 8 gulden om er twee aan te schaffen. Het is duidelijk dat de regeling nivellerend werkt. In de hoek van de wat beter gesitueerden steekt een storm van protest op. Deze keer heeft dat wél gevolgen. Er komen vijf verschillende klassen en alle schade zal in contanten worden uitgekeerd. Oneerlijke opgaven komen natuurlijk ook voor. ‘Maar ach, er was zoveel geld dat er niet zo streng werd gekeken’. Kruiningen krijgt de bijnaam ‘het bankstellendorp’. Boze tongen beweren dat de uitkeringen van het Rampenfonds er zó royaal zijn dat bijna het hele dorp zich de luxe kan permitteren van een bankstel, een meubelstuk dat vóór 1953 nog maar in weinig plattelandshuizen te vinden was.

Boeren hebben niets te klagen
Veel groter dan de huisraadschade is de schade aan de bedrijven. Dat zijn in het deltagebied bijna allemaal landbouwbedrijven. Als een boer het geluk had dat hij zijn ploeg of zaaimachine weer kon gebruiken, dan had hij eigenlijk pech, want zijn collega’s kregen een nieuwe vergoed en die opgelapte machines draaiden meestal een paar jaar later toch kapot doordat het zout bleef doorvreten. Een boer had gewoon pech als zijn schuur was blijven staan: ‘Meneer, ik wou dat die rotstal weggespoeld was met de ramp. Dan had ik nou ook mooi nieuw spul gehad’. Er is een verhaal bekend van een boer die een steunbalk onder zijn oude schuur wegslaat waarna het krakend in elkaar stort: hij mocht zo een nieuwe bouwen. De uitkeringen aan de boeren waren zeer royaal. En ook daarover doen verhalen de ronde dat niet iedereen de waarheid heeft gezegd over wat er op z’n boerderij zich op 1 februari bevond.

DE SCHULDVRAAG – Op een passend moment
Hoe reageren de volksvertegenwoordigers in Den Haag op de ramp? PvdA-voorman Jaap Burger zegt in de Tweede Kamer: ‘Het moge voor de politieke partij wellicht niet eenvoudig zijn om naar het bijbelwoord de ander uitnemender te achten dan zichzelf, maar in ieder geval zal de neiging om te domineren vandaag achterwege dienen te blijven, zo ook een poging tot het zoeken van zondebokken. Dat toch ware in het licht van het ontzettende natuurgebeuren niet slechts voorbarig maar ook goedkoop. Deze discussie zal derhalve niet het karakter moeten dragen van een ter verantwoording roepen van de regering. Hoezeer dat op zichzelf het recht en de plicht van het parlement is, meneer de voorzitter, op een passend moment!’ De toon is gezet voor de rest van de vergadering. Er zijn slechts twee sprekers die de schuldvraag wél aan de orde stellen, elk op een geheel andere manier. Het zijn vertegenwoordigers van de uiterste rechter- en linkervleugel in de Kamer.

Wie kan keren de hand des Heeren?
Dominee Pieter Zandt van de SGP maakt duidelijk dat de mens wel allerlei plannen kan ontwerpen, maar ‘dat er Één is die soeverein regeert. Het onheil dat ons getroffen heeft, is er geen van blinde natuurkrachten. Neen, het is ons toebeschikt tot onze lering en bekering voor Hem, zonder Wiens wil geen muske ter aarde valt’. ‘Ons volk is de laatste tijd door zware oordelen Gods bezocht’. Zandt doelt hier op de twee wereldoorlogen en het verlies van Indië. De andere spreker die de schuldvraag aan de orde stelt was Henk Gortzak, een communist. Hij verwijt de regering plichtsverzuim. Volgens hem heeft de regering in de naoorlogse jaren veel te veel geld uitgegeven voor de opbouw van het leger, waardoor er bijna niets overblijft voor herstel en versteviging van de dijken. In 1948 ging bijvoorbeeld 13 miljoen naar de dijken, tegenover 754 miljoen naar het leger. In 1952 daalde de dijkbegroting naar 11 miljoen en steeg de defensiebegroting naar 2153 miljoen! Over het betoog van Gortzak ontstaat een gevoel van onbehagen. Volgens minister Algera was het voorkomen van de overstroming toch niet mogelijk geweest: ‘Wie kan keren de hand des Heeren?’ vraagt ook deze calvinist zich hardop af. Zijn antwoord ligt in de vraag besloten. Algera weigert om de schuld op zich te nemen voor het feit dat de dijken desondanks niet verhoogd zijn.

Schuldvraag in de Provinciale Staten
In de bijeenkomst van de Provinciale Staten van Zeeland is de schuldvraag ook totaal afwezig. Het debat heeft het karakter van een herdenkingsbijeenkomst. SGP’er D. Kodde gaat nog een stapje verder door de Gedeputeerde Staten te complimenteren, want: ‘Het heeft ons bijzonder goed gedaan dat u de kritiek, welke van sommige zijden opkwam, dadelijk wist te smoren’. In Zuid-Holland ligt het duidelijk anders. Hier wordt de vraag gesteld: ‘Had men deze ramp kunnen voorzien?’ Een antirevolutionair hekelt het feit dat er na de ramp naar schuldigen wordt gezocht: ‘Het werpen van de schuld op bepaalde autoriteiten en bestuurslichamen ligt in de aard van de Nederlanders.’ In de Brabantse Staten, die pas twee maanden na de ramp vergaderen, wordt de schuldvraag wel onomwonden aan de orde gesteld. De Quay zei: ‘Natuurlijk kunnen wij dijken maken die zo hoog en zwaar zijn dat er praktisch geen water meer doorheen kan komen. Maar vraag dan niet wat het de gehele volksgemeenschap zou kosten. Ik meen daarom dat wij in dit college de schuldvraag aldus gesteld, buiten beschouwing kunnen laten’. Het ging bij de ramp niet alleen om de hoogte van de dijken, het ging ook om het tijdig waarschuwen van de bevolking.

Gemeenten gaan aan fouten voorbij
De gemeentebesturen zijn niet verantwoordelijk voor de dijken, maar bij de alarmering van de bevolking zijn ze natuurlijk wel betrokken. Omdat er tijdens de waarschuwingsfase op verscheidene plaatsen veel misging, zou men daarover debatten in de gemeenteraden mogen verwachten. Slechts zelden is dat echter het geval. Het gros van de raadsvergaderingen bestaat uit een gevoelige toespraak van de burgemeester, een kort dankwoord door het oudste raadslid, enkele ogenblikken stilte en daarna veel discussie over de problemen van de evacuatie, de verdeling van de hulpgoederen en het opruimen van wrakhout. In Oude Tonge komt wel éven de schuldvraag aan de orde, want daar zijn veel inwoners te laat gewaarschuwd. Maar de discussie werd door de voorzitter afgebroken.

Voortaan één waterschap per eiland
Geen enkele gemeenteraad blijkt in staat of genegen om alles wat er fout ging bij de alarmering tot op de bodem uit te zoeken. De gemeenteraadsleden lijken al even huiverig voor het zoeken van zondebokken als de andere volksvertegenwoordigers. Er zijn maar heel weinig polder- of waterschapsbesturen waar men zichzelf na de ramp de schuldvraag stelt. Al snel laait de discussie wel op over de vraag of het nog langer verantwoord is om vast te houden aan het totaal versnipperde systeem van honderden polders en waterschappen met elk hun eigen bestuur en een apparaat dat bestaat uit de spreekwoordelijke anderhalve man en aan paardenkop. Uiteindelijk kunnen Provinciale Staten van Zeeland op 15 april 1957 in een buitengewone zitting het historische besluit nemen dat voortaan de eilanden Tholen, Schouwen-Duiveland en Noord-Beveland elk uit nog slechts één centraal waterschap zullen bestaan.

HET KEERPUNT – Na de ramp werd alles beter
‘Na de ramp kon ineens alles!’ ‘Vóór de ramp was Ouwerkerk maar een armoedig plekje. De straat rond de kerk was niet eens verhard, want dat was te duur. Maar na de ramp werd álles verhard, zelfs op de polderwegen kwam asfalt. Toen begonnen ze meteen met de herverkaveling. Dat leverde veel werk op voor ons soort mensen (…) Werkloosheid bestond ineens niet meer op het eiland (…) De ramp ligt op het kerkhof en wij, die overgebleven zijn, wij zijn alleen maar beter geworden van de ramp.’ De ramp is voor bijna iedereen een mijlpaal. Er wordt alleen nog gesproken in periodes van vóór en na de ramp. De bevolking pakt het oude leefpatroon ook weer op. Wel was er een cultuurschok: een plotselinge doorbreking van de eilandwereld. Maar de sociale veranderingen blijven beperkt tot eenvoudige en oppervlakkige zaken: sommige mensen blijken van hun schade-uitkeringen wat moderne meubels te kopen, wat lichtere kleren en voor het eerst in de geschiedenis is er bij de dorpsbakkers niet alleen vraag naar brood, maar ook naar gebak. De eenheid bleef. ‘We hadden immers een gezamenlijke, hevige ervaring achter de rug’.

Geen werkloosheid meer
Voor veel mensen vormde de ramp een ábsoluut keerpunt in hun leven: vooral de landarbeiders. Vóór het rampjaar hadden ze altijd geleefd met de constante dreiging van (seizoens)werkloosheid. Dit is in één klap voorbij door het vele werk dat het herstel met zich meebrengt: dijken, sloten en herverkaveling. De verdronken paarden worden vervangen door tractors en dankzij de voorkeursbehandeling van het rampgebied komen bijna alle andere moderne landbouwmachines die Nederland importeert in het deltagebied terecht. Het werk bij het dijkherstel en de verkaveling was amper afgelopen toen er pendelbussen gingen rijden naar de havens in Rotterdam. Daar konden de arbeiders terecht. De boeren moesten nu wel machines kopen, om de arbeiders te vervangen. Bij het dijkherstel werd een goed loon verdiend, ook in de haven was dat zo. De haven wilde wel mannen van de eilanden hebben, want dat waren harde werkers.

Betere woningen
Voor het eerst kregen de arbeiders een fatsoenlijk huis om in te wonen. Het wordt wel ‘een geluk bij een ongeluk’ genoemd dat er zoveel landarbeidershuisjes verwoest zijn. Veel arbeiders krijgen voor het eerst te maken met de luxe van een echt huis met een goede keuken, een wc en slaapkamers. De schaderegelingen waren uitstekend. ‘De meeste dorpen zijn vernieuwd uit de strijd gekomen. Laten we dat heel nuchter vaststellen’. Foto’s van de oude arbeidersstraten bestaan amper. Op ansichtkaarten werd namelijk alleen de mooie kant van het dorp getoond. Niet alleen de dorpen krijgen een ander aanzien, ook het landschap, in sterkere mate zelfs. Er komt een grondige verkaveling. Het rechttrekken van sloten en wegen kan nu goedkoop gebeuren. Men is meteen af van de vaak bochtige wegen- en waterwegenstructuur. Omdat de oude boerderijen vervangen worden door efficiënte bedrijfsgebouwen, komen die nu meteen in het heringedeelde gebied op een centrale plek tussen de eigen akkers te staan.

De bomen keerden niet terug
Er is wel veel natuurschoon vernietigd. ‘Vroeger was Schouwen-Duiveland een prachtig eiland. Maar na de ramp is het landschap grondig vernield’. De bomen waren massaal doodgegaan door het zoute water, en Staatsbosbeheer wilde nieuwe planten. Maar de boeren riepen: ‘Weg met die rotzooi! Al die bomen brengen maar schaduw en schade!’ Het zijn dus de boeren geweest die ervoor zorgden dat er toen bijna geen bomen geplant zijn op het eiland. Sommige boeren konden met gunstige voorwaarden emigreren. De Noordoostpolder is een populaire bestemming. Opvallend veel boeren hebben in de eerste maanden na de ramp zin om hun geboortegrond voorgoed de rug toe te keren.

De Deltawerken
Pas na een kwart eeuw waren de Deltawerken afgerond. Wat wel meteen verandert is het waarschuwingssysteem. Minister Algera installeert op 18 februari een commissie. Precies een jaar later is het advies: alle zeearmen afsluiten behalve de Westerschelde. Pas in 1978 is het klaar en is het gebied beschermd tegen supervloeden die statistisch maar één keer in de 4000 jaar voorkomen. Er wordt op gegokt dat in de periode van 25 jaar waarin de zeegaten moeten worden afgesloten, zich geen nieuwe stormvloed zal voordoen. Het is een gok, die al op 23 december 1954 bijna fataal uitpakt. Opnieuw wordt het zuidwesten dan geteisterd door een stormvloed. Maar het water blijft ruim een halve meter onder het niveau van de ramp en de dijken houden het. Langs de Oosterschelde worden de dijken in de jaren zeventig alsnog verhoogd. Als in 1974 onder druk van milieuactivisten en vissers de Kamer besluit de Oosterschelde niet af te dammen, maar open te houden en er een stormvloedkering in te bouwen, vindt de regering het nodig om de dijken ook te verhogen. Het is vooral een politieke maatregel om tegenstanders van de open Oosterschelde de wind uit de zeilen te nemen.

DE VERWERKING – In stilte
De herinnering aan de drama’s van de watersnood is jarenlang weggestopt of verkleind tot een rijtje feiten. In de eerste jaren na de ramp werd er weinig over gesproken. Tegelijkertijd zijn er in elk dorp mensen die hun leven lang niet meer over het verlies heen zijn gekomen. ‘Ze hebben het gewoon weggestopt, ze wílden het zo’. ‘Stille vrouwen’. ‘Ze heeft nooit meer gelachen’. ‘Die was voor de rest van haar leven volledig uitgeblust’. Bij het verwerken speelt het geloof bij veel mensen een grote rol. ‘Er waren veel mensen (…) die hun verlies in stilte droegen, want ja, die ramp was geen werk van mensenhanden, in hun ogen. Het was Gods hand geweest en daarom berustten ze er ook in. Ze vonden het wel verschrikkelijk, maar ze droegen het. ‘Hij heeft jaren nodig gehad om zijn verdriet te verwerken. Soms liep hij nachtenlang buiten in de polder’. Enkelen wilden het wel van zich af praten, maar dat viel niet mee in een omgeving waar het niet de gewoonte is om met je gevoelens te koop te lopen. ‘Dat is misschien raar, maar ik vind het eigenlijk heerlijk om er af en toe over te praten (…) Elke verjaardag van mijn vader herdenk ik nog. Dan ga ik bij moeder op bezoek. Maar er wordt nooit over vader of over mijn broer gepraat’.

UITSPRAKEN
‘Ach, zo’n mannetje deed natuurlijk zijn plicht volgens het boekje. Maar dat er enig verschil is tussen praktijk en theorie, dat was nog niet tot hem doorgedrongen.’
‘De eerstvolgende zondag preekte hij in het droog gebleven kerkje terwijl de kippen tussen de kerkbanken liepen.’
‘Dijken die kunnen bezwijken zijn slechte dijken.’
‘Ik ben niet erg gelovig, maar op een gegeven moment zei een oude, zwaar gereformeerde boer: “We zullen eens allemaal in gebed gaan” (…) Het duurde uren, maar het gaf wél rust.’

OVERIGE
– De eerste zondag na de ramp is uitgeroepen tot ‘nationale rouwdag’.
– Het gebeurde dat overal in de straten van Bruinisse hopen met schoenen lagen.
– In november werd het gat bij Ouwerkerk pas gesloten en kon de polder worden drooggemalen.
– Stellendam wordt in de weken na de ramp berucht vanwege het strenge politieoptreden tegen inwoners die hun huis willen bezoeken.
– Twee predikanten uit het rampgebied vertrokken kort na de ramp naar een andere gemeente. ‘Wat ik toen in een paar maanden heb meegemaakt dat beleeft een ander niet in twintig jaar. En daarom kon ik later niet meer wennen op zo’n klein dorp’, zo zei één van hen.
– Toen het lijk van haar vader en broer waren gevonden, ‘ben ik nog nooit zo blij geweest (…) Ik kon wel juichen! Ja, dat klinkt misschien gek, maar ik was zo vreselijk blij dat ze eindelijk terecht waren’.
– Als in de jaren na 1953 het water weer eens hoog komt, staat iedereen gewaarschuwd te kijken op de hoge gedeelten van het dorp.
– In 1952 waarschuwde een waterbouwkundige in een interview aan Elsevier al voor de te lage en te zwakke dijken. Pas 25 jaar later werd dit gepubliceerd. Ook de pers is weinig bezig met de schuldvraag. ‘Waar zovelen in de dagen der rampspoed zichzelf wegcijferden en alles gaven voor anderen, zwijgt de kritiek’.
– De springvloed had nóg hoger kunnen zijn. Het was alleen de maan, en niet de maan en de zon samen, die ‘trokken’. Bovendien was de afvoer van water uit de grote rivieren op dat moment erg laag.
– In Sint-Maartensdijk, waar in de rampnacht de vloedplanken aan de haven gebroken zijn, maar waar het op zondagmorgen door de eb al weer droog is, dreigt op zondagmiddag het water uit de buurt van Stavenisse de laatste binnendijk te vernielen. Dus worden er mensen uit het dorp naar de bedreigde punten geroepen om te helpen met versterken van de dijken.

Gepubliceerd in januari 2008

Advertenties