De zeventiende eeuw

n.a.v. Willem J. van Asselt en Paul H.A.M. Abels, ‘De zeventiende eeuw’, in: Herman J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen 2006

Inleiding
Groen van Prinsterer, Huizinga en Van Deursen over de Gouden Eeuw
Gouden Eeuw: populairste eeuw, de belangrijke grondslagen gelegd. Grote variatie in beeldvorming. Groen van Prinsterer: vanuit een theologisch kader beschouwde hij het Nederland van de Gouden Eeuw als een tweede Israël, vanwege de grote zegeningen die God verleend had. Nederland was boven alle andere volken bevoorrecht, omdat Gods kerk hier meer dan elders tot bloei kon komen. J. Huizinga (1941): de zeventiende-eeuwse cultuur in Nederland als een burgerlijke beschaving die radicaal afweek van de rest van Europa. A.Th. van Deursen: de aanhangers van Calvijn zijn er in geslaagd via hun gereformeerde kerk een stevig stempel op de samenleving te drukken.

Beeld gevormd in 19e eeuw
De zeventiende eeuw wordt vaak beschreven als discussiecultuur, waarbij gedacht wordt aan de brede vergader- en commissiecultuur in de Republiek. Let op: de meest progressieve en tolerante humanist was een gelovig christen! Ondanks al zijn privileges kreeg de gereformeerde kerk nooit de positie van staatskerk. De term ‘gereformeerd’ is breder dan ‘calvinistisch’; arminianen worden gerekend tot het gereformeerd protestantisme. Het beeld van de Gouden Eeuw is grotendeels gevormd in de 19e eeuw.

Tolerantie voor omstreden filosofen
Het is een tijd geweest waarin de Republiek zich gedurende zwaar weer omhoog heeft gewerkt tot een toonaangevende natie in het toenmalige Europa. Daarbij zal het ons niet ontgaan dat deze Gouden Eeuw alleen kon bestaan bij de gratie van zijn tegendeel: oorlogen, epidemieën, hongersnoden en armoede. Het feit dat vooraanstaande denkers uit de westerse traditie (Descartes, Spinoze, Locke) in de Republiek hebben kunnen leven en werken spreekt in het voordeel van de veel gewraakte ‘steile’ Orthodoxie. De paradox is dat juist mede daardoor de vroege Verlichting in Nederland voet aan wal kon krijgen.

Sociaal, politiek en economisch
Immigranten naar Nederland
De opkomst van het gewest Holland als zeemogendheid en ontwikkeling van verkeersnet te water zorgden voor toenemende verstedelijking. Het overwicht van de bevolking schoof naar het westen. Veel migranten naar Nederland: door de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) in Duitsland. In Amsterdam vooral velen uit Noord-Europa. In zuidelijk Holland vooral veel Engelsen en Schotten (de Schotse kerk werd door de gereformeerden als zusterkerk gezien).

Hoog sterftecijfer, maar groei van de steden
Bevolkingsverlies: door overstromingen en dijkdoorbraken op de Zeeuwse eilanden. Oorlogshandelingen aan zuid- en oostgrens. Kaapvaart, zeeroverij, zeeslagen, reizen naar de koloniën. Kindersterfte, epidemieën, de pest. Sterftecijfer hoger dan geboortecijfer; maar toch groei van de steden: 1590-1650 verdubbelde de stad- en plattelandsbevolking.

Wereldzeeën, droogleggingen, dominantie van Holland
De Republiek was economisch in tweeën gedeeld: stad en platteland (vooral in noorden en oosten). Drooglegging van de Beemster en de Schermer. Holland beheerste de wereldzeeën. Tachtigjarige oorlog: godsdienstig of burgeroorlog? De Republiek is nooit officieel uitgeroepen. De staatsregeling was zeer gebrekkig; als grondwet diende de Unie van Utrecht. Omdat Holland de grootste defensiebijdrage gaf, was het dominant, ook op kerkelijk terrein Tegelijk met de vrede van Westfalen (einde Dertigjarige oorlog) ook vrede met Spanje (1648): definitieve scheiding tussen noordelijke en zuidelijke Nederlanden.

Versnipperd, maar toch sterk
De Republiek is niet in een tweepartijenconceptie te vangen (Prinsgezinden en Staatsgezinden). Er waren nog geen landelijke politieke partijen en er was ook nog geen ‘nationalisme’. Holland was allerminst een eenheid: het gewest was feitelijk een losse verzameling rivaliserende stadsstaten, die uit eigenbelang in bepaalde situatie op elkaar aangewezen waren en compromissen moesten zoeken. Des te opmerkelijker is dat de Republiek als losse federatie zo’n prominente plaats wist te veroveren tussen de grote mogendheden in Europa.

Het poldermodel van de Gouden Eeuw
Er was in Nederland een grote mate van verdraagzaamheid ten opzichte van Europa: preken, openbare disputen en pamfletten. Iedere individu werkte en leefde binnen de eigen confessionele kring. Sociale verbanden belangrijker geacht dan godsdienstige geschillen. Dit om economische, sociale en rationele overwegingen, om te kunnen overleven. Gilden, buurtorganisaties en schutterijen: men moest met elkaar samenwerken, men was op elkaar aangewezen.

Tolerantie omdat het praktisch is
Er was pragmatisme ten aanzien van de rooms-katholieken, lutheranen, remonstranten, doopsgezinden en Joden: door een samenspel van onderhandeling en oogluikend toestaan verwierven deze groepen op den duur een zekere mate van bewegingsvrijheid. Tolerantie omdat handhaving van openbare orde en rust op de voorgrond stond. Wel grenzen aan de tolerantie. Regenten beschouwden tolerantie niet als absolute, maar als praktische en instrumentele waarde. De moderne scheiding tussen kerk en staat speelde nog geen rol. Tolerantie niet alleen tussen seculieren en religieuzen, maar ook tussen rekkelijken en preciezen!

Jaloerse blikken
De Republiek wekte bij velen uit buitenland grote bewondering, niet zelden afgunst. De Republiek en speciaal Amsterdam werden het centrum van de wereldhandel. Oprichting van de beurs van Amsterdam (1609). Ontwikkeling van commercieel kapitalisme. Ook voor de gewone man mogelijkheden om aan het financieel bedrijf deel te nemen: speculeren. In de Republiek geen scherp afgebakende standen; maar er ontwikkelde zich onder de stedelijke burgerij een zeer gefortuneerde koopmanselite, die de toon aangaf. De boerenstand telde alleen in Friesland echt mee. Drie groepen te onderscheiden: groothandelaren en industriële ondernemers, advocaten en geneesheren. Neringdoende middenstand. Loonarbeiders in nijverheid, handel en scheepvaart, huispersoneel, losse werklieden en marktkramers, die weinig mogelijkheden hadden maatschappelijk hogerop te komen.

Geen standen, maar sociale status was bepalend
Dus niet zoals elders in Europa gebaseerd op standen, maar op rijkdom en sociale status. De welvaart was vrij groot; maar ook bedelarij en landloperij, en daardoor criminaliteit. Stichting van armenhuizen, weeshuizen en tuchthuizen. Door oorlogssituaties was de belastingdruk hoog; alles werd belast. Daardoor werden de verschillen tussen arm en rijk vergroot. Zwervers, bedelaars, zakkenrollers, dieven en dobbelaars, prostituees en koppelaarsters vormden de onderkant van de samenleving.

Intellectuele en culturele leven
Onderwijs
Twee soorten instellingen op universitair niveau: illustere scholen (=atheneum of gymnasium) en academies/hogescholen, thans universiteiten genoemd. Bijna elk zichzelf respecterende stad had een illustre school; tussenvorm tussen Latijnse school en universiteit. Voertaal was Latijn. 1575: oprichting universiteit Leiden. 1585: Franeker. 1614: Groningen. 1636: Utrecht. 1648: Harderwijk. Omdat de soevereiniteit bij de gewesten berustte, stonden deze scholen onder het gezag van de Staten van hun gewest. Verschillende universiteiten bezaten het recht om criminaliteit van hun studenten te oordelen en bestraffen!

Oorlogstijd, maar toch veel wetenschappelijke beoefening
Door de Dertigjarige Oorlog kwamen veel Duitsers naar Nederland; hierdoor internationaal centrum van wetenschap en theologiebeoefening. Franeker, Leiden en Utrecht waren verplichte etappes in de educatiereis van studenten. Ook onder de docenten was het percentage buitenlanders hoog, ook aan de theologische faculteiten! Tot tweemaal toe onrust: rondom Arminius en rondom Descartes. Republiek der letteren: de aard van de wetenschappelijke gemeenschap in de loop der 17e eeuw beschrijven. Er ontstonden wetenschappelijke tijdschriften in de volkstaal. De helft van de 17e eeuw was oorlogssituatie (met Spanje, Engeland, Frankrijk). Toch was het een periode van grote creativiteit, omdat oorlogen plaatsvonden aan de grenzen of op zee. Pas in 1672 (rampjaar) kwamen vreemde troepen in het land.

Schilderkunst
Er was ongekende activiteiten op het gebied van: drukken, uitgeven, verkopen en verzamelen van boeken en particuliere bibliotheken. De boeken op VOC-schepen waren merendeels godsdienstig, pamfletten over allerlei religieuze conflicten. De eerste kranten kwamen in 1618. Wat elders in Europa verboden was mocht hier. Schilderkunst: van 1640-1659 werden ongeveer 1,5 miljoen schilderijen geproduceerd! De rooms-katholieke kerk was dan wel weggevallen als grootste opdrachtgever voor kunstenaars, maar kwam het initiatief van de rijke burgerij en regenten: kooplieden, geneesheren en predikanten. De schilderkunst was bloeiend zoals nergens anders in Europa: portret, landschap, historiestuk, figuurstuk of stilleven, schilderkunst geen kerkelijke taak meer.

Rederijkamers en bouwkunst
Letterkunde: de taalbarrière was te groot, daarom geen internationale vermaardheid. Het recreatief lezen was voorbehouden aan een klein deel van de bevolking. Er waren talrijke rederijkamers. Jacob Revius, Jodocus van Lodenstein (afwezigheid antieke cultuur en mythologisch figuren, alleen christelijk-bevindelijk), Jacob Cats, Joost van den Vondel en Pieter Cornelisz. Hooft waren bekende personen. De Nederlandse bouwkunst had een eigen stijl: de Hollandse renaissance. Het gebruik van bijna alleen baksteen, soberheid behalve het stadhuis van Amsterdam, luxueuze buitenhuizen (bijvoorbeeld in de Beemster en aan de Vecht). Er ontstond grote behoefte aan protestantse kerkgebouwen, stijl met symmetrie, preekstoel centraal. Tolerantiepolitiek had tot gevolg dat andere godsdienstige stromingen ook hun gebouwen mochten bouwen; wel eis van soberheid.

Godsdienstige stromingen
Aantal gereformeerden bleef beperkt
1579: Unie van Utrecht. Het overgrote deel nog rooms-katholiek. 1600: ééntiende deel was lid van de gereformeerde kerk. 1648: het rooms-katholicisme was nog maar 40 procent van de bevolking. In de tweede helft van de 17e eeuw: éénderde lid van de gereformeerde kerk. Het aantal calvinisten groeide ook door immigratie (de val van Antwerpen in 1585 en de opheffing Edict van Nantes in 1685). Er ontstonden Waalse gemeenten. De institutionele versnippering van de Republiek verhinderde dat het calvinisme staatsgodsdienst van Nederland werd.

Calvinisme was geen vreemd juk
Feit was dat het calvinisme grote aantrekkingskracht uitoefende op verschillende lagen van de bevolking. Het calvinisme was meer dan de andere confessies in staat om in tijden van verwoesting en ontbinding een vastomlijnd programma en strakke organisatievormen te bieden, die de krachten konden bundelen. Het is historisch onjuist om te zeggen dat het calvinisme als een vreemd juk op Nederland is opgelegd. Godsdienstkeuze was een individuele aangelegenheid. Door strikte eisen en voorwaarden voor het lidmaatschap, werden relatief weinig mensen lid van de gereformeerde kerk. Daarom was er een kleine kern avondmaalvierenden en een heel brede kring van ‘liefhebbers’ van de gereformeerde religie.

Positie rooms-katholieken verschilde van stad tot stad
Katholieken werden achtergesteld en met wantrouwen bejegend. Ze waren geworden tot een verstrooide kudde vaak zonder herder. Begin 17e eeuw kwam er een kentering: veel regenten voerden de strenge plakkaten niet uit, daarom verschilde de mate van overleven van stad tot stad. Ook belangrijk was de oorlog met Spanje: in de kustprovincies al lang beslist, maar in Twente en Oost-Gelderland en in de generaliteitslanden ( = Noord-Brabant en Limburg) kreeg de Contrareformatie de overhand.

Veel lutheranen door immigratie
Het lutheranisme werd in Nederland sterker door de immigranten uit Scandinavië en Duitsland. Ze werden financieel ondersteund door de overheid. In Amsterdam was veruit de grootste gemeente, met vijf predikanten en twee fraaie kerken. De Amsterdamse lutherse gemeente was een soort Rome voor de Nederlandse lutheranen, ook qua gezag. Na de Dordtse Synode van 1618/1619 verslechterden de verhoudingen, men vreesde toenadering tussen remonstranten en lutheranen, want Wittenberg had de remonstranten verdedigd! Ze mochten geen openbare functies bekleden en niet verder uitbreiden. Ook onderlinge meningsverschillen. Het Duitse piëtisme: Johann Arndt, Ph.J. Spener en A.H. Francke. Met deze aandacht voor het subjectieve element in het geloof vertoonde het Piëtisme overeenkomst met het Puritanisme en de Nadere Reformatie. Typisch luthers: innerlijke strijd die tot geestelijke doorbraak voert.

Doopsgezinden waren er vooral in Friesland
Midden 17e eeuw waren er ongeveer 60.000 in Nederland, 3 procent van de bevolking. Vooral in Friesland en ook in Haarlem. Factoren waardoor het hun aantal is teruggelopen: onderling sterk verdeeld. Geen enkele hiërarchie, dus individualisme vrij spel. Hoe ruim moest je de heiligheid van de gemeente zien? Weinig invloed op de samenleving; ze vormden gesloten groepen, door de overheden met argwaan bekeken. Nog steeds spookte het gebeuren in Münster door ieders hoofd, hoe sterk men zich ook ervan distantieerde. Doopsgezinden meden de publiciteit. Doel: eigen gemeente rein te bewaren en in deze boze wereld te overleven. De ernst, vroomheid en levensstijl heeft overeenkomst met de Nadere Reformatie!

Doopsgezindte cultuur
Tolerantie maakte bouw van kerkgebouwen (‘vermaning’) mogelijk. Bekende doopsgezinden: Jan Leegwater, Jan Luyken, Joost van den Vondel (later rooms-katholiek). De gemeenten werden bestuurd door de dienaarschap (leraars, diakenen en oudsten). De oudste: sacramentsbediening, meer dan één per gemeente, dit ambt verdween. Leraar: zelf in onderhoud voorzien, pas eind 17e eeuw bezoldigd. Ouders: zelf kinderen catechiseren! Omvangrijke liederenschat (Jan Philipsz., Lusthof des gemoets, vertaling in het Engels: The wandering Soul). Ook martelaarsboeken (veel dopersen omgebracht door de inquisitie).

Onkerkelijken als kenmerkend voor Nederlanders
Reijnier Donteclock deed onderzoek naar de kerkelijk ongebondenen in 1608. Volgens hem was de allergrootste sekte die mensen die geen werk meer maakten van uiterlijke religie. Dit verklaarde hij vanuit de volksaard. Het paste volgens hem bij de Hollanders om ‘gheen werkck te maecken van religie’. Naast de grote groep onverschilligen bestond er ook een relatief kleine, maar hardnekkige groep mensen die het bestaan van de kerk op principiële gronden afwezen.

Joden werden getolereerd, maar beperkt
Er waren in Nederland niet veel Joden, maar in economisch en cultureel opzicht waren de Nederlandse Joden het invloedrijkste in West-Europa. Eind 16e eeuw kwamen er al Portugese Joden naar Amsterdam. In 1612 telde Amsterdam 500 Joden. In 1672 al 7.500! Ook in steden als Kampen, Amersfoort, Nijkerk, Den Haag, Rotterdam en Middelburg kwamen Joden. In Drenthe mochten slechts drie Joodse families zich per dorp vestigen: een slager, een koopman en een leerlooier. In naam hadden Joden burgerrechten, maar hun vrijheid was beperkt. In tegenstelling tot de Hugenoten mochten Joden geen lid worden van een gilde, wel konden ze actief zijn in de vrije beroepen en in de handel.

Menasseh Ben Israël en Spinoza
Van gelijkberechting was geen sprake. Zij woonden vaak uit eigen beweging in eigen wijken. Gemengde huwelijken waren ondenkbaar. Menasseh Ben Israël was grondlegger van de vermaarde Amsterdamse Hebreeuwse drukkerijen. Door zijn optreden in Engeland wist hij te bewerkstelligen dat de Joden onder Cromwell weer naar Engeland mochten (tot die tijd was Engeland verboden gebied voor Joden, maar door inzet van de Puriteinen veranderde dit). Spinoza: Holland was voor hem ‘mea patria’ (mijn vaderland). Assimilatie mogelijk zonder doop, een mogelijkheid die elders niet bestond. Hij werd in de Nieuwe Kerk te Den Haag begraven!

Volksgeloof en Balthasar Bekker
Geloof in heksen, duivelse figuren, spoken en onheilspellende wondertekenen kwam voor. Door de oncontrolerende krachten van de natuur konden deze ideeën ontstaan. De medische zorg betekende weinig in de strijd tegen ziekte en dood. Gods toorn over de zonden van het land was een breed gedragen gedachte: biddagen. De Paapse superstities (bijgeloof): oude begrafenisrituelen, bijgelovige verering van de kerkklokken (om boze geesten te verjagen), het bidden voor de zielenrust van gestorvenen en het houden van kerkdiensten op Goede Vrijdag. De laatste heksenverbranding vond plaats in 1608. Balthasar Bekker bestreed het geloof in demonen in zijn geschrift Betoverde Weereld. Maar men was fel afwijzend: ze zagen dit als cartesiaanse drijverij van deze eigenzinnige predikant.

De gereformeerde kerk
Staatsbemoeienis in de kerk
Het vasthouden aan de gewestelijke autonomie was niet bevorderlijk voor een theocratische uniformiteit zoals de gereformeerde kerk deze voorstond. De overheid was bang dat de gereformeerde leer verspintering teweeg zou brengen, dus men wilde meer zeggenschap in kerkelijke zaken. Dit leidde tot conflicten tussen ‘kerkelijken’ en ‘politieken’, met namen in Holland. De ‘politieken’ zaten meer in de hoek van Zwingli en Bullinger dan Calvijn en Beza. In de praktijk: door middel van afgevaardigden van de overheid hadden dezen in kerkenraden, classes en synoden vaak een flinke stem. Nauw verband tussen strijd kerkorde (kerk-staat) en strijd belijdenis (kerkleden onderling). Voorstanders van meer overheidsinvloed waren tegenstanders van de strikte handhaving belijdenisgeschriften. De remonstranten vonden dat hun visie het meest oorspronkelijk was. Gomarus: in de lijn van de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis wilde hij geen overheidsbemoeienis.

Arminius en Gomarus
Arminius: wedergeboorte wel door Gods Geest en genade, maar niet zonder instemming van de mens. Romeinen 9 heeft geen betrekking op verkiezing en verwerping van individuele mensen, maar op groepen van mensen. Hij verwierp de visie dat het object van de verkiezing de nog te scheppen mens zou zijn. Het geloof niet als effect, maar als voorwaarde voor de verkiezing. Vooruitgezien geloof. Gomarus: de centrale plaats van Gods wil, die contingent is en niet noodzakelijk. Arminius daartegen: niet de goddelijke wil in middelpunt, maar Gods bepaalde voorkennis voorafgaande aan Zijn wil, die de vrije keuze van de mens verdisconteert. Hoe kan Gods genade effectief zijn zonder de menselijke vrijheid aan te tasten? De leer van de middenkennis: voldoende genade en effectieve genade. Genade is pas effectief als een mens gaat geloven. Wanneer een bedelaar zijn hand ophoudt om de aalmoes uit de hand van de rijke te ontvangen, houdt de aalmoes niet op een pure gift te zijn omdat de bedelaar zijn hand ophoudt. Oproep tot beslissende keuze voor of tegen het aangeboden heil dus centraal; heilszekerheid zo in gevaar.

Vier besluiten van God
In een tijd van grote zuigelingensterfte werd dit geschil een publiek debat. Het sterftecijfer was hoog. Omdat Arminius voorstander was van overheidsbemoeienis in kerkelijke zaken, bepleitte hij een nationale synode. Verwierp de drie gereformeerde visies op de predestinatie (supra-lapsarische, gematigd supra-lapsarische en infra-lapsarische visie). Al deze visies zeggen dat God predestineerde voordat de zondeval plaatsvond, maar het ging erom hoe God de mens beziet; al dan niet als gevallen mens. Arminius overleed in 1609. Volgens hem waren er vier besluiten van God: het aanstellen van een Middelaar, het zaligmaken van volhardende gelovigen en het verdoemen van ongelovigen, het schenken en besturen van de middelen tot geloof en bekering en Gods voorkennis.

Het Twaalfjarige Bestand
Remonstranten en contraremonstranten: het Twaalfjarig Bestand was in 1609 begonnen: een overwinning voor Johan van Oldenbarnevelt, en een nederlaag voor Maurits en met als gevolg een verwijdering tussen die twee. De politieke tegenstellingen werden nu versterkt door de theologische verdeeldheid. Termen ‘slijkgeuzen’ en ‘bavianen’. Drie maanden na Arminius’ dood kwam er onder leiding van Wtenbogaert een Remonstrantie (vertoogschrift), in vijf artikelen. Amsterdam was het centrum van de contraremonstranten.

Oldenbarnevelts einde
Oldenbarnevelts ‘scherpe resolutie’ in augustus 1617: nadat Maurits in de Haagse Kloosterkerk een contraremonstrantse kerkdienst had bijgewoond, en daardoor duidelijk partij koos, machtigde Oldenbarnevelt de stedelijke overheden om ‘waardgelders’ in dienst te nemen (kleine huurlegers, die de orde moesten bewaken en onlusten kop in drukken). De aanwezigheid hiervan zorgde voor hevige rellen in de steden. Tegelijk werd het bijeenroepen van een nationale synode afgewezen. Maar in oktober 1617 besliste de Staten-Generaal alsnog daartoe; hierop benoemde Maurits in steden met remonstrantse meerderheid nieuwe magistraten, liet Oldenbarnevelt en Hugo de Groot gevangennemen. Wtenbogaert vluchtte. Op 13 mei 1619 werd Oldenbarnevelt wegens landverraad onthoofd voor de Ridderzaal.

Oldenbarnevelt onderschatte de situatie
Oldenbarnevelt heeft waarschijnlijk de kerkgeschillen onderschat; theologisch kwam hij overeen met Gomarus, maar hij vond dit niet van fundamenteel belang. De kwestie was wie daarover mocht beslissen. Ook zijn hardnekkige oriëntatie op het rooms-katholieke Frankrijk maakte hem verdacht. Maurits daarentegen had al zijn kaarten op Engeland gezet! Conrad Vorstius, de opvolger van Arminius te Leiden was ook een remonstrant. Koning Jakobus van Engeland liet zijn boeken verbranden en oefende druk uit om hem te ontslaan. Dat gebeurde!

De Dordtse Synode
In dezelfde maand als de terechtstelling van Oldenbarnevelt hield de nationale synode haar slotzitting. Duur van deze synode: van 13 november 1618 tot 6 mei 1619. Dus het heeft maar een half jaar geduurd, en geen twee jaar, zoals het lijkt! Deze is de eerste en enige internationale gereformeerde synode ooit! Er waren 23 buitenlandse afgevaardigden. Een soort algemeen gereformeerd concilie dus! Er waren 37 predikanten, 19 ouderlingen en 18 commissarissen-politiek en hoogleraren afgevaardigd. Een langwerpige tafel in het midden van de zaal was voor de gedaagde remonstranten, van alle kanten omringd door hun aanklagers. Bepaald geen opstelling die een open debat suggereerde!

De Dordtse Leerregels in de juiste proporties zien
Aanvankelijk verliep de synode heel moeizaam; ellenlange redevoeringen van remonstranten om bevoegdheid synode in twijfel te trekken. Op 14 januari 1619 maakte Bogerman hier een einde aan: ‘DIMITTIMINI, EXITE, EXITE’ (wij zenden u weg, gaat heen, gaat heen). De Dordtse Leerregels alleen kregen alleen geen instemming van de afgevaardigden van Bremen en Hessen. De Dordtse Leerregels moeten we niet als samenvatting van de gereformeerde theologie zien! Zij zijn een uitvergroot fragment, dat vervolgens in het grotere verband teruggeplaatst moet worden. Het is dus onjuist om de gereformeerde theologie te bestempelen als ‘decreten-theologie’. Gods predestinerende wil is een belangrijke categorie, maar niet een allesomvattend systeem!

Statenvertaling, Maccovius, Dordtse Kerkorde, patronaatsrecht
Het volgende kwam op de synode aan bod: besluit tot Statenvertaling. Affaire Maccovius (die zou geleerd hebben dat God de mens tot zonde heeft voorbestemd als middel ter uitvoering van het besluit der verwerping). Na het vertrek van de buitenlandse theologen opende de synode de nazittingen, vastgelegd in de post-acta. Deze geven ons een goede indruk van het toenmalige leven in kerk en staat. De nieuwe Dordtse kerkorde werd alleen aanvaard in Utrecht, Gelderland en Overijssel! Van de voorgenomen regelmatige bijeenkomst van een landelijke synode kwam niets terecht. Punt van discussie: het patronaatsrecht; meerderheid voor afschaffing, maar de commissarissen-politiek hielden dit tegen. Regelingen getroffen voor visitatoren. Correspondentie tussen particuliere synoden. Geen toelating ongeletterden tot predikantenambt, alleen als men te doen had met uitzonderlijke gaven.

Psalmberijming, het orgel, invloed krijgen op universiteiten
Psalmberijming van Datheen gehandhaafd, met aanvulling van Enige Gezangen. Al het andere verboden. Uiterlijk en inrichting van de kerk vielen onder de zorg van de overheid, zodat de grootte van de kerk(torens) vaak een prestigestrijd tussen steden werd. De organist was in dienst van de overheid en had de opdracht om voor en na de kerkdienst te spelen. Het orgel ging pas halverwege de 17e eeuw de gemeentezang begeleiden. Het Kort Begrip van Faukelius 1608 goedgekeurd. Men wilde gereformeerde curatoren waaronder ook predikanten bij de universiteiten, ook de hoogleraren moesten de drie formulieren ondertekenen; hier kwam niets van terecht. De kerk had wel de vrijheid haar aanstaande dienaren te examineren en kandidaat moest de drie formulieren ondertekenen.

De remonstranten verenigen zich
De remonstranten kwamen in oktober 1619 bijeen in Antwerpen (38 predikanten). De Remonstrantse Broederschap werd opgericht. Predikanten die de Dordtse Leerregels niet ondertekenden, werden verbannen: de Acte van Stilstand. Get ging om meer dan 80 predikanten. Dieptepunt was 1623, toen bij de aanslag op Maurits remonstranten betrokken waren. Velen keerden zich toen van de remonstranten af en keerden naar de gereformeerde kerk terug. Na 1625 keerde het tij: Frederik Hendrik was de remonstranten gunstig gezind. Rotterdam: 15 procent remonstrants! Amsterdam: eerste grote schuilkerk, tegenwoordig bekend als ‘De Rode Hoed’. Ook kwam er een seminarium in de hoofdstad. Na de dood Arminius ging men steeds meer richting het rationalisme en de Verlichting en kwam men op het standpunt dat elk mens door gebruik te maken van de rede tot ware kennis van God kan komen; hiervoor waren geloof en bekering niet meer noodzakelijk.

De rooms-katholieken
Nederland als afvallig gebied en object van missie
De bekleding van de vacante bisschopszetel van Utrecht durfde men niet aan wegens de politieke consequenties en de mogelijke negatieve uitwerking daarvan op de katholieken in de Nederlanden. De Nederlanden waren voortaan: ‘gebied van de afvalligen’. Het begin van de ‘Hollandse missie’ was een feit. Met de Spaanse herovering van Oldenzaal, Groenlo en Lingen kwam de weg vrij voor de katholieke restauratie in deze gebieden en kon van daaruit ook het missiewerk aangestuurd worden. Men kon vaststellen dat het katholicisme zich op de meeste plaatsen behoorlijk had weten te handhaven. Maar de nauwelijks 100 priesters konden onmogelijk al het werk doen. Op bijvoorbeeld de Zuid-Hollandse eilanden had de rooms-katholieke kerk daarom nauwelijks aanhang meer. In Keulen was er een eigen opleidingsinstituut, die verhuisde naar Huissen, daarna naar Leuven. Men had drie opleidingsmogelijkheden: Keulen, Leuven en Rome.

Jezuïeten tegenover de seculiere clerus
Met de komst van vier missiepaters in 1592 diende zich een gezagskwestie aan: de jezuïeten vonden dat de Republiek een missiegebied was; daarom was men geen gehoorzaamheid verschuldigd aan de apostolische vicaris, maar alleen aan hun leiding in Rome. De seculiere clerus daarentegen vond dat de hiërarchie min of meer in tact was gebleven; missiepaters mochten dus niet zonder hun toestemming preken of sacramenten bedienen. In 1610 kwam er een overeenkomst: paters mochten alleen werkzaam zijn met een algemene permissie van de apostolische vicaris. Missiepaters vestigden zich liever in de steden, zodat het platteland verwaarloosd werd! Het Concordia van 1624 bracht een nieuwe overeenkomst. Daarmee leek helderheid verschaft te zijn in de onderlinge verhoudingen en zou in principe eendrachtig gewerkt kunnen worden aan de wederopbouw van de vervallen katholieke kerk in de Nederlanden. In 1652 waren er 57 jezuïetenstaties met 93 missiepaters: hoogtepunt van haar activiteiten.

Missiestaties
De eerste apostolische vicaris Sasbout Vosmeer liet bij zijn overlijden in 1614 een goede kerkelijke organisatie achter. Opvolger: Philippus Rovenius. Het missiegebied werd opgedeeld in regio’s die samenvielen met de grenzen van de in 1559 geformeerde bisdommen en onder bestuur geplaatst van provicarissen. Rovenius werd bijgestaan door twee adviescolleges. De gemeentegrenzen van de gereformeerde kerk vielen doorgaans samen met de oude parochiegrenzen. In plaats daarvan kwamen de missiestaties of kortweg staties, die gevormd werden rond een plaats waar één of meer priesters een kerkzaal inrichtten en een schare gelovigen rond zich wisten te verzamelen. Met name in de steden was er een felle concurrentiestrijd tussen seculiere priesters en missiepaters. Het ging hierbij ook om geldelijk gewin. In steden hadden ze hogere inkomsten dan op het platteland.

Jezuïeten in Nederland verboden
In 1645 waren er ongeveer 300 seculiere priesters in de Republiek, tegenover 142 regulieren! Ook waren er minderbroeders (Franciscanen), predikheren (Dominicanen) en augustijner eremieten, kapucijnen, karmelieten en benedictijnen. Het werk van de paters geschiedde onder directe aansturing vanuit het buitenland, en dat riep natuurlijk weerstand op. De seculiere priesters beschouwden hen als vreemde indringers, die het gemunt hadden op hun inkomsten. De overheid beschouwde hen als representanten van een vreemde mogendheid, die erop uit waren het moraal en het gezag te ondermijnen. Dus in 1596 kwamen er strenge plakkaten door de Staten-Generaal tegen de ‘secte hen vermeetelijck noemende jesuiten’

De klopjes als belangrijke schakels
Klopjes waren ongetrouwde vrouwen die hun leven in dienst stelden van het missiewerk van een biechtvader. Daarbij leefden ze zelfstandig, bij familie of soms in kleine geloofsgemeenschappen en voorzagen in eigen levensonderhoud. Zij vormden dankzij hun netwerken en familiebanden belangrijke schakels in het lokale kerkverband, dat in hoge mate gebaseerd was op informele structuren. Niet zelden kwamen ze uit rijke families, en daardoor betekende dit een stevig financiële impuls. Het onder de hoede nemen van kloppen werd in de loop van de 17e eeuw gemeengoed voor zowel seculieren als reguliere priesters. Een al te vrijmoedige omgang werd voorkomen doordat ze onderworpen waren aan strikte gedragscodes. Een zielzorger in die tijd werd omringd door gemiddeld 5 tot 7 kloppen. Het totaal aantal was aan het eind van de 17e eeuw ongeveer 5000.

Betrokkenheid van de leken noodzakelijk
Voor een missiekerk als de Hollandse was betrokkenheid van leken onmisbaar om te kunnen overleven. De oprichting van religieuze broederschappen bleek in dit verband een bijzonder succesvolle formule. Meerdere doelen: het organiseren en bevorderen van religiositeit door middel van een bijzondere devotie. Functie in het bevorderen in de onderlinge solidariteit. Het bijeenbrengen van mankracht en kapitaal voor de kerkopbouw en het uitdragen van de katholieke boodschap.

Het pragmatisme won het van de handhaving van de wet
Het anti-katholieke beleid werd in grote mate bepaald door politiek pragmatisme. Na het ontdekken van ‘complotten’ en na de tegenslagen op het slagveld volgden vaak verstoringen van misvieringen, veroordelingen van kerkgangers, verbanning van priesters of verplichte eedaflegging. Van daadwerkelijke vervolging van katholieken, louter omwille van hun geloof, was echter geen sprake. Met het wijken van het oorlogsgevaar nam ook de bereidheid af om de anti-katholieke wetgeving daadwerkelijk te handhaven; het pragmatisme won. De remonstrantse twisten leidden ook de aandacht van de katholieken af. Hierdoor konden ze in alle rust de missieorganisatie verder uitbouwen!

Oogluikend toegelaten, betalen voor vrijheid
Bij de hervatting van de oorlog in 1621 had de Hollandse Missie voldoende inhoud verkregen om zich te handhaven en uit te breiden. De aanwezigheid van de katholieke kerk op het grondgebied van de Republiek werd een onomkeerbaar gegeven. De inrichting van de kerken werd oogluikend toegestaan, zolang de gebouwen vanaf de straat maar niet als zodanig herkenbaar waren. Deze vrijheid moest overigens vaak gekocht worden: gerechtsdienaren waren bereid tegen forse betaling hen ongemoeid te laten: de zogenaamde recognitiegelden. Maar de rooms-katholieken bleven buitengesloten van overheidsfuncties.

Niet in het openbaar, heilige moordenaar, vroomheidsstreven
Openbare manifestaties van katholieke religiositeit (processies, bedevaarten) werden streng verboden. Voor onbelemmerde deelname aan devotionele praktijken waren de Nederlandse katholieken volledig aangewezen op bedevaartsoorden op buitenlands grondgebied, waarbij de vlak over de grens gelegen plaatsen grote populariteit genoten. Er zijn pogingen gedaan om Balthasar Geraerts heilig te laten verklaring! Er was sprake van een sterk contra-reformatorische inkleuring van geloofspunten, gericht op vroomheidsstreven van leken. Middelen daarbij: catechismusonderricht, biecht- en communiepraktijk, broederschappen, boekcensuur en onclausuleerde bijbellezing (dat wil zeggen: zonder toestemming van geestelijken).

Gemengde huwelijken, Luis de Molina, Jansenius
Sterk afwerende houding tegenover gemengde huwelijken. De tegenstelling tussen seculieren en regulieren begon zich toen ook in spiritualistische zin af te tekenen. De Spaanse Jezuïet Luis de Molina: belang van menselijke vrije wil benadrukt; theorie van de middenkennis; dit was een optimistische boodschap van genade en vrijheid, die zich in de praktijk uitstekend aan de man liet brengen. Cornelis Jansenius werd veroordeeld: zijn genadeleer stond dichter bij zijn gereformeerde omgeving dan Rome. Molina was populair bij de jezuïeten, Jansenius bij de clerus!

Assertiviteit en een kansloze gereformeerde missie
Na de Vrede van Münster kropen de katholieken steeds meer uit hun schulp; toenemende activiteit en assertiviteit van de priesters en het katholieke volksdeel. Katholieken in de generaliteitslanden (Noord-Brabant en Limburg): deze gebieden kwamen pas na de Münsterse vrede onder het gezag van de Staten-Generaal. Op aandrang van de gereformeerden werd vervolgens een planmatige invoering van de Reformatie bedacht: 52 predikanten en 73 schoolmeesters gingen daarnaar toe, maar stuitten op grote vijandigheid van de bevolking: het werd een kansloze missie. Er kwam een kleine gereformeerde ambtelijke elite die hoofdzakelijk uit import bestond.

Persvrijheid, reacties op Delftse ramp, Van Neercassel
Een groot aantal polemische geschriften van de rooms-katholieken zagen het licht (dit kon dus gewoon). Pieter de Witte schreef in zijn Delffsche Donder-slagh dat de rampzalige kruitontploffing van 1654 in deze stad een straf van God was voor een te lankmoedige omgang van gereformeerden met andere religies. Arnout van Geluwe reageerde met Het goddelijck trompet over Hollant waarin hij beweerde dat de ramp juist liet zien dat God het katholicisme gunstig gezind was omdat uitgerekend de katholieke wijken gespaard bleven. De apostolisch vicaris Joannes van Neercassel was de eerste missiebestuurder in de Republiek die de overheid niet als uitgesproken vijand zag en had. Hij genoot daarom grote bewegingsvrijheid in de Noordelijke Nederlanden. Hij vond het belangrijk dat leken zich konden meten qua kennis met de gereformeerden. Hij vond dat het gedrag van de geestelijkheid onberispelijk moest zijn, hoewel het ontbreken van ambtskleding sociale controle moeilijk maakte.

De Nadere Reformatie
Ontwikkelingen in deze tijd
Interne confessionalisering: het proces van consolidatie van theologische, kerkelijke, politieke en sociaal-culturele verhoudingen en posities, zoals dat plaatsvond binnen de gereformeerde kerk van de 17e eeuw. Interne theologische debatten binnen de gereformeerde orthodoxie zelf. De opkomst van de Nadere Reformatie. De strijd tussen de voetianen en coccejanen. De crisis veroorzaakt door de opkomst van de nieuwe filosofie van Rene Descartes.

Synopsis Purioris Theologiae en Theologia Traditiva
Er waren drie stromingen binnen de Orthodoxie van de 17e eeuw: Synopsis Purioris Theologiae: door Polyander, Walaeus, Thysius en Rivetus. Als eerbetoon aan de zes jaar geleden gehouden synode werd dit leerboek geschreven; gematigde opstelling en pacificerende invloed. Theologia Traditiva: stroming die geworteld was in de traditie van Beza. Maresius en de Spanheims. Het waren infralapsariërs. Op het punt van de zondagsviering huldigden ze een oudere, ruimere standpunt. Ook andere vormen van puriteinse invloed wezen zij af. Ze waren geneigd de overheid meer invloed toe te kennen in kerkelijke zaken. Ze waren voorstanders van gematigd episcopaal stelsel.

De school van Voetius
De school van Voetius: scholastiek-synthetisch. Vroomheid verbinden met wetenschap. Anselmiaanse project voortzetten (geloof dat zoekt naar inzicht). Hoornbeeck, Leydekker, Mastricht en Rijssen wilden exegese, systematiek en praktijk met elkaar tot één geheel verbinden. Geoorloofd om in navolging van de kerkvaders met behulp van de (aristotelische) logica conclusies te trekken die in de Bijbel zelf nog niet getrokken worden. Voorwaarde: conclusies mochten inhoudelijk niets aan de Bijbel toevoegen. Dit is de leer van de ‘wettige gevolgtrekkingen’. Wetenschap moet in dienst staan van de pietas, de praktijk der godzaligheid. Voetius was één van de grondlegger van Nadere Reformatie.

De Nadere Reformatie
Door grensverkeer met de puriteinen. Willem Teellinck: diens program werd door Voetius overgenomen. Reactie op de vervlakking van het geloofsleven. Een verdieping en verbreding van de doorwerking van de 16e-eeuwse Reformatie. Men stelde inhoudelijke en procedurele reformatieprogramma’s op. Geen exclusief Nederlands verschijnsel, maar een verschijningsvorm van een bredere piëtistische beweging, naast het angelsaksische Puritanisme en het Duitse Piëtisme.

Amesius komt naar Nederland
William Ames(ius) werd hoogleraar te Franeker. De verbondstheologie van Johannes Coccejus had invloed op Amesius. Amesius’ ijveren voor de levensheiliging werd gewaardeerd. Theologie als doctrina of ars Deo vivendi (het onderricht of de kunst om voor God te leven). Vanaf de kansel werd het leven in de zonde en onder de genade afgeschilderd, besloten met de oproep tot bekering en opwekking om het leven aan God te wijden. De Nadere Reformatoren bleven in de kerk en waren wars van afscheiding. In de historiografie wordt onderscheid gemaakt tussen kerkelijk piëtisme en separatistisch/radicaal piëtisme.

Jean de Labadie en Jodocus van Lodenstein
Jean de Labadie (Waalse predikant): eerst had Voetius grote verwachtingen van hem, maar later niet meer. Anna Maria van Schurman (eerste vrouw die colleges in Utrecht volgde) stond achter De Labadie. Toen De Labadie gestorven was, vestigden zijn volgelingen zich in Duitsland, waar ze kolonies stichtten; later gingen ze naar Friesland. In hun kolonies leefden ze in gemeenschap van goederen en kenden zij vormen van extatische blijdschap door mystieke ervaringen. Jodocus van Lodenstein: zijn boeteprediking, ascetisch leven en mildheid boezemden bij iedereen respect in. Uytspanningen: liederen. Hij wilde persoonlijk het avondmaal niet meer bedienen, omdat de onbekeerlijkheid van de meerderheid hem moeite gaf. De kinderdoop moest in zijn ogen alleen als ouders persoonlijk geloof hadden. Zo verschoof reeds bij Lodenstein de aandacht naar de vrome belevenissen van de mens en de ontleding van het zielenleven.

De beweging verzandde
Doordat de overheid de Nadere Reformatie niet overnam, verzandde deze beweging in innerlijkheid en subjectiviteit. Van het theocratische naar het binnenkerkelijke. Van de rechtvaardiging naar de wedergeboorte. Van de wedergeboorte naar de wedergeboren mens. Van de wedergeboren mens naar de gevoelige genade (wat zo’n mens in de vernieuwing van zijn gemoed moet ervaren). Deze ontwikkeling spoorde niet meer met het oorspronkelijke streven van de Nadere Reformatie. Wilhelmus à Brakel: de Redelijke Godsdienst (een breed georiënteerde orthodoxie).

Coccejanen en voetianen
Het debat tussen de coccejanen en voetianen zorgde voor veel onrust. Over sabbatsgebod en verbondstheologie. Beiden maakten gebruik van scholastieke begrippen. Functie van het begrip ‘verbond’ in de dogmatiek. Heilshistorische visie op de verhouding tussen Oude en Nieuwe Testament. Coccejus’ interpretatie van de rechtvaardiging riep vragen op (verschil tussen vergeving van zonden in oude verbond en nieuwe verbond). Leer van de afschaffingen (verbond der werken steeds meer afgeschaft en de invloed van het genadeverbond nam rechtevenredig toe, een dialectiek tussen onheilsafname en heilstoename, sterk eschatologisch). De twisten waren minder destructief als die met de remonstranten. Voetianen en coccejanen bleven in dezelfde kerk bijeenkomen en aanvaardden in de kerkelijke praktijk een zekere pluriformiteit. Waarom deze twisten? Vanwege de ongerustheid over de opkomst van de nieuwe filosofie van René Descartes (1596-1650).

De strijd rondom Descartes
Sinds 1629 bracht Descartes veel onrust in de Nederlanden. Hij was de vader van de moderne filosofie. Hij gaf de aanzet tot de Vroege Verlichting. Zijn uitgangspunt was in het menselijk denken. ‘Waar is, wat ik helder en duidelijk inzie’. Hij onderwierp alle zintuiglijke waarnemingen en overgeleverde denkbeelden (inclusief het bestaan van God) aan de methodische twijfel teneinde tot zekere kennis te komen. De crisis die in Utrecht ontstond was een fundamentele controverse over de aard van de oorzakelijkheid of causaliteit waarin de verhouding tussen God en werkelijkheid centraal stond. Voetius’ kritiek: Descartes’ mechanistische filosofie kan geen interen oorzaken van beweging of handelen aanwijzen, is een terugval in materialistische theorieën, die in de scholastieke filosofie allang weerlegd waren. Drie factoren die de receptie van het cartesianisme in Nederland hebben beïnvloed: de arminiaanse crisis, de structuur van het academisch onderwijs en de politieke situatie.

Descartes, Aristoteles, Bekker, Galilei en Voetius
Men had nog altijd voor iedereen de algemene propedeuse waarin de filosofie van Aristoteles het begrippenmateriaal leverde. Het is historisch onjuist om uitsluitend een conflict te zien tussen ‘oud’ en ‘nieuw’. De overheid zag nauwelijks toe op de naleving van de anti-cartesiaanse verordeningen en men gaf hun de volle ruimte. In Utrecht kwamen gewoon zulke hoogleraren! Jacobus Koelman protesteerde tegen het boek van Balthasar Bekker, De betoverde weereld (1690). Natuurwetenschappelijke revolutie in die dagen: Copernicus, Bacon, Galilei en Kepler. Na de pauselijke verordeningen tegen Galilei in 1633 sloeg Descartes andere wegen in door te zoeken naar een metafysische onderbouw van zijn fysica; in plaats van een empirische benadering koos hij voor een rationalistische, deductieve benadering. Het oude beeld van een starre Voetius tegenover het nieuwe denken van Descartes is grondig herzien.

Dissidenten
Vele sekten in de Republiek
De gereformeerden vormden slechts 1/3 van de natie. Dit is de mening van een Fransman die in 1672 in Utrecht was. Volgens hem waren er naast rooms-katholieken en lutheranen brownisten, independenten, arminianen, sosinianen, anabapisten, enthousiasten, quakers, borelisten, armeniërs, mosovieten, libertijnen en vele anderen. Bij deze dissidenten stond het individualisme op de voorgrond. Hun aanhang werd versterkt door de vele intellectuelen uit Europa, die hun land ontvluchtten en kozen voor de veiligheid en de relatieve gewetensvrijheid in de Republiek. Collegianten: afkeer van vaste organisatie en geordende predikanten, iedereen mocht spreken, verschillende colleges zijn er ontstaan, heiligheid en beoefening van het innerlijke leven, ondogmatische vroomheid, verdraagzaamheid en mystieke en chiliastische trekken (na afzetting remonstrantse predikant ontstaan).

Socinianen uit Polen
Socinianen waren Italiaanse humanisten die zich in Polen vestigden en van daaruit naar Nederland kwamen. Pertinente afwijzing van het dogma van de triniteit, ze ontkenden dat de mens een natuurlijk religieus bewustzijn had, de mens bezat alleen redelijk verstand om de Bijbel te kunnen begrijpen, had daar geen kerkelijk leergezag of filosofie voor nodig. Doel was praktisch christendom. Krachtens zijn vrije wil kan de mens de wet van God volkomen gehoorzamen. Ze bestreden de leer van de genoegdoening of satisfactie, evenals de leer van de erfzonde en de predestinatieleer. Ze leerden een algehele vernietiging van de goddelozen, geen lichamelijke opstanding. Talloze kerkelijke vergaderingen waarschuwden voor deze ‘verdommelyke ketteryen’. In 1653 kwam er een plakkaat tegen de sociniaanse activiteiten. Het denken in de sociniaanse kring dreef in de richting van de Verlichting. Ook Hugo de Groot (arminiaan) bestreed hun. Echte sociniaanse gemeenten zijn er in de Republiek nooit geweest.

Chiliasten uit Engeland door de tekenen der tijden
Er kwam een opleving van eindtijdverwachtingen door de Burgeroorlog in Engeland, de Dertigjarige Oorlog in Duitsland en de herroeping van het Edict van Nantes. De wederkomst zou moeten voorafgegaan worden door een algehele bekering van de Joden, dus zending onder hen werd er bedreven. Er waren met name in Engeland veel chiliasten. Zij vestigden zich in de Republiek vanwege de grote mate van vrijheid van meningsuiting hier. Vaak wordt aangenomen dat het chiliasme vooral opkwam bij onderdrukte protestantse groeperingen en sekten, maar binnen de gereformeerde Orthodoxie nauwelijks een rol speelde. Toch vonden ook in deze kringen chiliastische opvattingen ingang. Bijvoorbeeld Jacobus Koelman, Johannes à Marck en Wilhelmus à Brakel.

De derde macht: de mystieken
De ‘derde macht’ waren diverse spiritualistisch-mystieke, internationale bewegingen rond bepaalde personen. Er werd grote waarde gegeven aan de directe inwerking van de Geest in het menselijk bewustzijn. Onder hen waren vele intellectuelen; Adam Boreel geloofde dat alle bestaande kerken fragmenten van de waarheid bezaten. Jacob Böhme: visioenen en openbaringen waren hem ten deel gevallen. Johnn Georg Gichtel proclameerde een leven van liefde tot Jezus en elkaar, liefst zonder huwelijk, omdat hij dit met het wedergeboren leven in strijd achtte. Antionette de Bourignon: erotisch-mystieke geschriften.

Internationaal perspectief
Vooral contacten met Duitsland, Willem III als Europees figuur
Zonder overdrijving kan het calvinisme in de 17e eeuw een Europese religie genoemd worden. Centraal figuur voor de contacten met het Duitse grondgebied was Frederik Willem van Brandenburg (1640-1688), die gehuwd was met de dochter van Frederik Hendrik. Vanuit de kerken aldaar was een levendig verkeer met de Republiek. Met Engeland liepen de dynastieke, politieke en religieuze belangen aanvankelijk minder parallel. Tot 1640 waren het vooral de puriteinen die naar Nederland toekwamen. Tijdens de oorlog met Frankrijk en Engeland (1672, rampjaar) groeide Willem III uit tot een Europese figuur, die met Lodewijk XIV in staatkundig evenwicht wilde blijven en het protestantisme handhaven. In 1688 ondernam hij de oversteek naar Engeland om zijn schoonvader Jacobus II te verjagen en dit land te betrekken in een coalitie tegen Frankrijk.

Relaties met de Hugenoten
Via de Waalse kerk bestond er een relatie met de Franse Hugenoten, een relatie die ook gevoed werd vanuit de gereformeerde universiteiten van Sedan en Saumur. De gereformeerde kerk was een kerk met goed opgeleide voorgangers, die veel te danken hadden aan het humanisme. Cambrigde, Leiden, Heidelberg en Saumur groeiden uit tot internationale centra van wetenschapsbeoefening.

Hulp- en protestacties over de grenzen
De internationale verbondenheid van calvinisten in Europa bleek uit allerlei collecten en inzamelingen: na de verovering van de Palts door de Habsburgers in 1621 werden fondsen geworven voor de vluchtelingen uit dit gebied. De herroeping van het Edict van Nantes in 1685 zorgde voor een grote stroom vluchtelingen uit Frankrijk. Maar de aandacht betrof niet alleen de huisgenoten des geloofs: ook brief om bezitsonteigening van doopsgezinden in Zwitserland aan te vechten. In 1655 vond er terreur plaats tegen de Waldenzen: vanuit Zwitserland, Engeland, Frankrijk en Nederland werd hier fel tegen geprotesteerd. Ook rooms-katholieken deden hieraan mee!

Gereformeerde kerken in handelsgebieden
De onafhankelijkheid van de Republiek leidde ook tot internationaal diplomatiek verkeer. Bijvoorbeeld de ambassadekapellen in hoofdsteden van Europa met een gereformeerde predikant. De oosters-orthodoxe patriarch las met grote belangstelling de Heidelbergse Catechismus in de Griekse vertaling. Ook waren er handelskerken in Russisch gebied.

Koloniën minder tolerant dan Nederland zelf
Rond 1650 was de Republiek op het toppunt van haar macht. Op de VOC-schepen werden alleen gereformeerde kerkdiensten toegestaan, katholieken werden door de VOC’ers als onbetrouwbaar gezien. Kinderen geboren uit Nederlandse mannen en inlandse vrouwen mochten alleen na het volgen van catechese en afleggen van openbare belijdenis gedoopt worden. In de koloniën was er geen officiële vrijheid van eredienst: geen andere kerk dan de gereformeerde was toegestaan (je kunt dus misschien zeggen dat in de koloniën minder tolerantie was als in Nederland zelf). Het waren vooral de zogenaamde ziekentroosters die met de schepen meegingen.

De slavenhandel: na aanvankelijke afkeuring
Een zwarte smet op de Gouden Eeuw was de slavenhandel. Aanvankelijk wees men de slavenhandel van de ‘papisten’ af (Portugal en Spanje begonnen ermee). Deze politiek geïnspireerde afkeer van de slavenhandel ging samen met religieuze motieven. In de catechismusverklaring van Ursinus wordt elke vorm van slavernij als ‘mensendieverije’ veroordeeld! Ondanks deze aanvankelijke bezwaren sloeg de stemming om toen bleek dat de slavenhandel een winstgevend economisch instrument kon zijn bij de ontwikkeling van de plantage-economie. De aanvankelijke protesten verstomden en maakten plaats voor de rechtvaardiging van de slavenhandel.

Hugo de Groot voor, Bernardus Smytegelt tegen
Hugo de Groot: slavenbezit verkregen door een rechtvaardige oorlog tussen de Afrikanen zelf mag als oorlogsbuit aan Europeanen verkocht worden. In deze trant redeneerde ook Godfried Cornelisz. Udemans: men mocht aan slavenhandel meedoen mits het om heidenen ging die in een rechtvaardige oorlog gevangen waren genomen. Als die slaven christen werden, moesten ze na zeven jaar worden vrijgelaten. Bernardus Smytegelt (1665-1739): deze Middelburgse predikant was een hardnekkig tegenstander van de slavernij (en dat terwijl de meeste Nederlandse slavenschepen vanuit Middelburg en Vlissingen vertrokken).

Gepubliceerd in juni 2007