Diaspora

n.a.v. Werner Keller, En zij werden verstrooid onder alle volken. De geschiedenis van het jodendom na het bijbelse tijdvak, Zwolle 1966

Karikatuur
De geschiedenis van de joden na de bijbelse tijd is bij het grote publiek vrijwel onbekend. ‘Is het niet ongehoord dat de joden te midden van andere volkeren wonen, maar dat over hun leven (…) niettemin slechts geruchten bestaan?’ Het lot van de joden op aarde gedurende tweeduizend jaar bleef tot op onze tijd zelfs voor de ontwikkelde Europeaan een niemandsland. Daarom konden in dit vacuüm vooroordelen en laster binnensluipen. ‘Wij dragen een eeuwenoude karikatuur van het jodendom met ons mee’. Geen ander volk heeft een dergelijke gang door de geschiedenis beleefd als de afstammelingen van het verstrooide bijbelse volk. Het toneel van hun lot is de hele aarde: van het Nabije Oosten, van Egypte en Afrika loopt hun weg naar Europa en naar Amerika en eveneens naar India en China.

Verstrooid
Ondanks alle kwellingen en lijden, zonder eigen staat en eigen land, zonder bescherming, macht en rechten, weerstaat dit volk. Dat door geen bedreiging met de dood in zijn geloof aan God wankelt, alle stormen en rampen – en het blijft bestaan. Het is de geschiedenis van een buitengewoon volk dat geen gelijkenis met enig ander volk op aarde vertoont. Het behoort tot de grote raadselen van de wereldgeschiedenis. In de verstrooiing die tweeduizend jaar duurde, ging het beeld van een drieduizend jaar geleden in Deuteronomium (4:27) uitgesproken bijbelse voorspelling op werkelijk ontstellende wijze letterlijk in vervulling:

‘En de HEERE zal u verstrooien onder de volken; en gij zult een klein volkje in getal overblijven onder de heidenen, waar de HEERE u heen leiden zal’.

Herziening?
Wat het joodse volk aan vervolgingen en vernederingen altijd maar weer onderging, is niet gemakkelijk volledig te beseffen. Dit volk bracht tot op onze tijd altijd maar weer grote figuren voort, die niet alleen het voortbestaan van hun volk garandeerden, maar bovendien grote diensten bewezen aan de mensheid. De waardering van de grote figuren in de geschiedenis kon wel eens op een verrassende wijze worden herzien, wanneer hun wreedheid of hun grootmoedigheid tegenover het joodse volk een factor van doorslaggevend belang gaat worden. Het is wel bijzonder schokkend te lezen hoeveel culturen verraad pleegden aan hun eigen ideeën en principes, zodra het om de behandeling van de joden ging.

Speelbal
Israël is door zijn geografische ligging het land geweest waar de grote legers van de veroveraars op hun marsen tussen Egypte en Mesopotamië doorheentrokken. Bijna altijd was het land speelbal en slachtoffer in de nooit aflatende strijd om de macht tussen de wedijverende grote mogendheden. In Genesis lezen we van de aartsvaders. Duizenden kilometers leggen Abraham, zijn familie en zijn kudden af op hun tocht door het uitgestrekte gebied tussen Mesopotamië en Egypte, de dominerende achtergrond waartegen het leven van Israël zich afspeelt. Gedurende een tijdperk van grote droogte wordt Egypte opgezocht, waar de kinderen en kleinkinderen van Jakob (Israël) tot een talrijk volk wordt. Na een verblijf van vierhonderd jaar volgt de uittocht onder leiding van Mozes.

Catastrofen
In het Beloofde Land teruggekeerd kiest het volk onder de bedreiging van de Filistijnen Saul tot zijn eerste koning. Uit Juda kwam de dynastie van David voort. Na slechts honderd jaar van eenheid valt de jonge staat in twee afzonderlijke koninkrijken uiteen: het noordelijke Israël en het zuidelijke Juda. Van dat ogenblik af drijft een onafgebroken noodlot het bijbelse volk naar twee catastrofen van ontzaglijke omvang. De afgodendienst wint veld. In huiveringwekkende visioenen en door de eeuwen steeds herhaald klinkt de oude voorspelling van de verstrooiing. Met de woeste Assyriërs nadert het eerste ongeluk: in 733 v.Chr. valt Tiglatpileser III Israël binnen en de eerste deportatie is een feit. Tien jaar later wordt de hoofdstad Samaria veroverd en wordt het grootste deel van de nog overgebleven bewoners weggevoerd. In hun plaats vestigen zich vreemde kolonisten. De tien stammen waren voor altijd verloren gegaan.

Grote ommekeer
Honderdvijftig jaar later luidt ook voor het zuidelijke rijk Juda de doodsklok. Koning Nebukadnezar van Babylon, het nieuwe rijk van de Chaldeeën, veroverde Jeruzalem en in twee deportaties wordt het volk in de Babylonische gevangenschap gevoerd; een klein deel van de bevolking slaagt erin naar Egypte te vluchten. Slechts enkelen die akkers en wijnbergen bewerkten, bleven in het land. Dit gebied werd niet door vreemde kolonisten in beslag genomen. De kring was gesloten: aan de rivieren de Eufraat en de Nijl, waarvan Abraham en Mozes eens waren weggetrokken, hadden hun afstammelingen moeten terugkeren, de eersten als gevangenen, de anderen als vluchtelingen. Zevenhonderd jaar na de intocht in Kanaän leek het einde van de kinderen Israëls te zijn aangebroken. Het staatsbestel was vernietigd, het land verwoest. Maar hoeveel andere volken en stammen ook voor altijd verloren zijn gegaan, opgehouden hebben te bestaan, het volk van Juda ontkwam aan dit lot. In het land van de ballingschap kwam het tot een grote ommekeer: in Babylonië begon het diep ingrijpende proces van de geestelijke vernieuwing en loutering dat het volk ook na de ondergang van de staat redde. Er werd vervuld wat in Ezechiël 36:26 staat:

‘En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u…’

Terugkeer
Losgerukt van hun vaderland, maar verenigd door een gemeenschappelijk geloof, begrepen de uit Juda weggevoerden voor het eerst aan de volle diepte van de gedachtenwereld van hun profeten. In plaats van de offerdienst in het centrale heiligdom kwam het gebed, waartoe men in kleine groepen in huizen bijeenkwam. Wat wij nu de gemeente noemen, kreeg toen voor het eerst gestalte: de oervorm van de synagoge. Na de val van het Babylonische rijk in 538 v.Chr. kregen de joden van de Perzische koning Cyrus toestemming terug te keren naar het eigen land en de tempel in Jeruzalem te herbouwen.

Jeruzalem als centrum
Er begint iets volkomen nieuws. Het huis van David komt niet meer aan het bewind. Van nu af trad de hoogste der priesters van Jeruzalem als hogepriester in de plaats van de koning. Judea werd een theocratische republiek. Onder de uit Babylon afkomstige priester Ezra komt het tot een vernieuwing van het bondgenootschap met God. Hij riep de eerste grote bijeenkomst van de ouderen bijeen, waaruit het synhedrion (het sanhedrin of de hoge raad) ontstond en het was ook Ezra die de Thora, het wetboek van Mozes, als grondwet uitriep. De onderwerping aan deze wet gold zowel de teruggekeerden als de (in Babylon en Egypte) achtergeblevenen in de diaspora. Jeruzalem werd het religieuze centrum ook voor de in de verste verstrooiing levende gemeenten.

Alexander de Grote
Onder de strengheid van de wet, onder het regime van priester, schriftgeleerde en onderwijzer van de wet, en in de geloofskracht van een door niets meer aan te tasten monotheïsme neemt het karakter van het jodendom een dergelijke vaste en diepe vorm aan dat een geestelijk type doet ontstaan dat zijn stempel drukt op de hele verdere geschiedenis van dit volk. Met Ezra begon de geschiedenis van het jodendom. In de 4e eeuw v.Chr. kwam een ernstige beproeving, voor het eerst van een machthebber die niet uit het Oude Oosten kwam, maar uit Europa: Alexander de Grote. ‘Jafeth treedt de hutten van Sem binnen’. De wereldomvattende zegetocht van de Griekse cultuur begint, het hellenisme. Voor het jodendom wordt het een grote uitdaging én een gevaarlijke bedreiging.

Gedwongen vergrieksing en vrijheidsstrijd van de Makkabeeën
Vooral in Alexandrië raakte het jodendom al heel spoedig steeds meer in het culturele kielzog van het hellenisme, men nam de Griekse taal aan en vertaalde de Thora zelfs in het Grieks (de Septuaginta). Eerst laat de nieuwe orde de Judea nog ongemoeid, maar een bitter conflict komt er nadat de Syrische despoot Antiochos IV Epiphanes in het jaar 169 v.Chr. de priesterstaat met geweld begint te vergrieksen, de joodse cultus verbiedt, de aanbidding van de Griekse goden gelast en in de tempel van Jeruzalem een standbeeld van Zeus liet zetten. Het verzet laaide op. De joden grepen naar de wapenen. Onder aanvoering van het heldengeslacht van de Makkabeeën voerde deze bevrijdingsoorlog tot een resultaat dat alle verwachtingen overtrof.

Niet lang vrij
De strijd eindigde met de politieke bevrijding. De reeds eeuwen verloren gegane staatkundige onafhankelijkheid werd hersteld. Na de heerschappij van vijf elkaar aflossende grote mogendheden – de Assyrische, de Babylonische, de Perzische, de Grieks-Egyptische en tenslotte de Grieks-Syrische – was Judea voor de eerste maal bevrijd van het juk van iedere vreemde overheersing. En het geslacht van de Makkabeeën, de Hasmoneeën, vernieuwt tenslotte ook het joodse koninkrijk. Maar de droom van het vrije koninkrijk van de joden zou slechts van korte duur zijn, nauwelijks tachtig jaar. Door partijstrijd en dynastieke troebelen verscheurd, werd de jonge staat rechtstreeks in de armen gedreven van het naar Azië grijpende Rome.

Pompeius in de tempel
Toen de Romeinen dichtbij kwamen, woedde er juist een burgeroorlog in Judea. Nadat Salome, de enige koningin die ooit op de troon van Judea heeft gezeten, na een gelukkig negenjarig bewind in het jaar 67 v.Chr. de ogen had gesloten, was tussen haar zonen in de strijd om de erfopvolging een moordende broedertwist ontbrand. Toen de Romeinen uiteindelijk Jeruzalem innemen (63 v.Chr.), zetten de priesters hun dienst gewoon voort en lieten zich neerhouwen zonder enige weerstand te bieden en betrad Pompeius met zijn lijfwacht het heilige der heiligen in de tempel, waar niemand behalve de hogepriester mocht binnengaan. Nieuwsgierig bekeek hij de heilige voorwerpen. De dag daarna beval hij de reiniging van de tempel en de hervatting van de diensten.

Antipater
Zonder genade was Pompeius opgetreden: meer dan 12.000 mensen vonden de dood. De overwinnaar nam een vérreikend besluit: het hele land wordt schatplichtig verklaard en als protectoraat ondergeschikt aan Rome. Pogingen tot opstand tegen het Romeinse gezag waren er genoeg. Zo werden er in 53 v.Chr. 30.000 joden in gevangenschap geraakte joden na het neerslaan van een opstand als slaven verkocht. Caesar verleende Antipater – stadhouder van Idumea, het oude Edom, de vader van de latere koning Herodes I en de ergste vijand van iedere vrijheidsbeweging van de joden – het Romeinse burgerrecht en benoemde hem tot stadhouder van Judea.

Caesars gunsten
Maar tegelijkertijd nam Caesar een reeks andere, nobele maatregelen, die ertoe hebben bijgedragen dat zijn naam bij de joden voorgoed een dankbare klank heeft gekregen. Judea behoefde namelijk in het geheel geen belasting meer te betalen aan Rome en geen rekruten voor de Romeinse legers te leveren. Het kreeg ook de havenstad Jaffa terug, en mocht de verwoeste vestingwerken van Jeruzalem herbouwen. Ook tegenover de diaspora toont de dictator zich goedgunstig. Hij geeft de joden van alle gemeenten in het rijk nadrukkelijk toestemming hun godsdienst uit te oefenen, hun aangelegenheden zelf en volgens hun eigen rechtspraak af te handelen – kortom, hij verleent hun binnenlandse autonomie.

Herodes voor het Sanhedrin
Antipater voert meedogenloos zijn eigen binnenlandse politiek om de toekomst ook voor zijn zonen veilig te stellen. Zijn zoon Herodes, landvoogd over Galilea, wordt beschuldigd van moord en voor de Hoge Raad gedaagd. Maar hoe verscheen hij voor de verzamelde oudsten (met als hoofd Sjemaja)? In een purperen mantel en met militaire staatsie! Hij had zich daartoe verstout omdat hij wist dat de Romeinse stadhouder bij het Sanhedrin nadrukkelijk zijn vrijspraak had bepleit. Met dit uitdagende optreden geconfronteerd, durfden de leden van het hoogste gerechtshof zelfs geen aanklacht te formuleren.

Herodes wordt koning van Judea
Herodes werd later tot koning van Judea uitgeroepen (40 v.Chr.). Intussen hadden de Parthen in de winter van 41/42 v.Chr. Jeruzalem verovert en iemand uit het geslacht van de Hasmoneeën als koning weer op de troon gezet. Een bloedige strijd volgde en na 2,5 jaar was aan de heerschappij van de Hasmoneeën definitief een einde gekomen. Voor het eerst in de geschiedenis werd nu de macht door een zuiver wereldlijk koning overgenomen, door iemand die niet eens een jood was. Zijn regering begint met een meedogenloze vervolging van zijn tegenstanders en mededingers. Allerlei joodse prominenten worden met verbanning getroffen. Hij rust niet voordat hij het geslacht van de Hasmoneeën volledig heeft uitgeroeid. Zelfs zijn hartstochtelijk beminde vrouw Mariamne (ook uit dat geslacht) laat hij terechtstellen, alsmede twee van zijn zoons uit dat huwelijk.

Caesarea gebouwd
Na dit alles begint Herodes vol eerzucht zijn rijk naar het Romeins-Griekse voorbeeld een nieuwe vorm te geven. Samaria wordt op prachtige wijze uitgebreid. Er komt een complete, nieuwe havenstad met kunstmatige kaden. Onder de openbare gebouwen ontbreken schouwburg, amfitheater en renbaan niet – ook wordt er een tempel voor Augustus gebouwd. De keizer wordt geëerd in de naam van de stad: Caesarea. Herodes gaat er prat op dat hij de Grieken nader staat dan de joden. Maar steeds groter wordt de haat van het volk. Het moet de ontzaglijke kosten opbrengen, het kreunt onder die lasten en zien dat heilige rechten worden geschonden en godsdienstige gevoelens gekwetst worden. Het ambt van hogepriester is bijvoorbeeld afgezakt tot een werktuig van ’s konings willekeur, in de plaats van het Sanhedrin treedt een blind gehoorzamende troonraad van verwanten en gunstelingen. Een leger van spionnen loert op alles wat in het land gebeurt.

Hillel
Het lijkt of land en volk in hun zware lot alleen staan en hun geestelijke leiders hebben verloren. Uit de openbaarheid teruggetrokken leven de Farizeeën. Ze vermijden het hof, zij bemoeien zich met geen enkele staatsaangelegenheid. Ze weten hoe kansloos en zinloos iedere opstand zou zijn. In alle stilte zijn ze begonnen met het grote werk van de geestelijke veiligstelling van het joodse volk en wijden zij al hun krachten aan de beoefening, het vastleggen en de uitbreiding van de Thora. Toen het nauwelijks tot nieuw leven gewekte college van geleerden weer dreigde te vervallen trad een man op de voorgrond: Hillel. Hij kwam uit Babylonië. Met Hillel voer een nieuwe geest in het godsdienstige leven. Hij werd de grote opwekker. Hij legde de nadruk op een levend stelsel van wetsuitleg dat aan de eisen van de veranderde tijd was aangepast en op consequent denken berustte.

Sjammai
Hillel werd de schepper van een verheven, eenvoudige leer, waarin hij de naastenliefde boven alles stelde. Hij antwoordde een heiden die tot het jodendom wilde overgaan en hem had verzocht het wezen van het geloof in korte woorden uit te drukken: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat is de hele wet, al het andere is slechts toelichting daarop. Ga heen en leer het!’ Naast Hillel en als diens plaatsvervanger was er Sjammai. Hij stichtte ook een eigen school. Waar Hillel bij het volk om zijn aard geliefd was, was Sjammai ruw en afwijzend tegen zijn medemensen. Hun tegenstelling was bijna spreekwoordelijk, de overlevering heeft er vele verhalen over bewaard. Eens kwam er een heiden bij Sjammai en sprak: ‘Ik wil tot het jodendom toetreden onder voorwaarde dat ik hogepriester kan worden’. Hij werd bars afgewezen. Daarna ging de heiden met dezelfde eis naar Hillel; deze onderrichtte hem en bracht hem weldra van de gestelde voorwaarde af.

Adelaar boven de tempelingang
Herodes’ prachtige wederopbouw van het heiligdom in Jeruzalem kon het volk niet verzoenen met zijn heerschappij, wat de tiran in stilte gehoopt had. Wel verwekte de vernieuwde tempel oprechte bewondering. ‘Wie de tempel van Herodes niet heeft gezien, heeft nooit iets schoons gezien’. Toch had Herodes niet nagelaten de gevoelens van de gelovigen te kwetsen: hoog boven de hoofdingang van de tempel had hij een reusachtige vergulde adelaar, het symbool van de macht van het heidense Rome, laten aanbrengen! In het jaar 4 v.Chr. stierf Herodes na een lang, smartelijk lijden, zeventig jaar oud. Drie zoons waren zijn opvolgers. Het volk eiste hervormingen. Aan de vooravond van het pesachfeest, toen zich de vele pelgrims ook patriotten hadden gemengd, kwam het tot rumoerige betogingen die in een bloedbad eindigden: bijna 3000 mensen werden neergeslagen.

Judea onder direct Romeins bestuur
Een gezantschap van wanhopige Judeeërs ging in 6 n.Chr. naar Rome en formuleerde zijn klachten. Herodes’ zoon Archelaos werd hierop uit zijn functie ontzet en Judea werd definitief bij de provincie Syrië ingelijfd en onder een tot op grote hoogte zelfstandige procurator (stadhouder)geplaatst. Slechts in Galilea-Perea en in de aan de bovenloop van de Jordaan gelegen gebieden blijven de zonen van Herodes, Herodes Antipas en Philippos, nog als tetrarchen en vazallen van Rome in functie. Rome heerste nu dus rechtstreeks over het hart van Israël. Caesarea werd het hoofdkwartier van het Romeinse leger. Een Romeins garnizoen betrekt de burcht Antonia op de Tempelberg in Jeruzalem. Alleen de procurator is bevoegd tot het uitspreken van de doodstraf en alle belangrijke besluiten van de Hoge Raad vereisen zijn toestemming. Alleen het godsdienstige leven blijft onaangetast.

Ze zijn overal
Niet van de schriftgeleerden, die zonder bezit en verlangen naar aardse goederen slechts voor studie en uitleg van de wet leefden, ging het initiatief tot de opstand uit. Ze raadden het volk aan tot een geduldig wachten op betere tijden. Het waren de extremistische patriotten, de zeloten (ijveraars) waarbij zich vele duizenden aansloten. Mét het onheil dat zich dreigend boven Judea samenpakte, naderden ook grote zorgen voor de in de diaspora levende joden: onderdrukking en vervolgingen. Ook zij namen deel aan het lot van het vaderland. De joodse gemeenten lagen bij het begin van de christelijke jaartelling ver verspreid over de landen van het Romeinse imperium. ‘Zij hebben in alle staten toegang gekregen. Het is niet gemakkelijk op de hele wereld ook maar één gebied te vinden waar het geen leidende plaats heeft verkregen’, aldus aardrijkskundige Strabo. Maleachi 1:11 kwam uit: ‘Van de opgang der zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden’.

Blik op het vaderland
De kennis omtrent het leven en het lijden van de verstrooiden is vrijwel geheel verloren gegaan. Velen verdwenen ook voorgoed in de massa. Maar het merendeel van degenen die in gemeenten bijeen woonden, bleef door de eeuwen bestaan. Hun blik bleef gevestigd op het vaderland. Van heinde en ver spoedden zich de boden uit de diaspora naar Davids stad, wanneer er zich vraagtekens voordeden bij de uitleg van de wet. En ieder jaar trokken grote scharen pelgrims naar Jeruzalem. Sinds meer dan vijfhonderd jaar woonden talrijke joodse gemeenten in de landen aan de Nijl. Vluchtte niet Jerobeam reeds naar Egypte, naar farao Sisak, waar hij tot de dood van de grote Salomo verbleef om daarna koning van het noordelijke rijk te worden? Nam ook farao Necho na zijn overwinning op koning Josia in de vlakte van Jezreël geen scharen gevangenen mee en verbande hij diens opvolger Joas niet naar Egypte? En toen de profeet Jeremia na de verwoesting van de heilige stad en de tempel door de Babyloniërs met scharen uit Juda gevluchte krijgslieden de bodem van het Nijlland betrad, richtte hij zijn woorden tot alle joden die in Egypte wonen (Jer. 44:1).

Alexandrië
De stad Alexandrië werd een belangrijk middelpunt van het joodse leven in Egypte. Twee van de vijf wijken van de stad werden door hem bewoond – zij vormden één reusachtige gemeente, die omstreeks het begin van de jaartelling bijna honderdduizend zielen telde (volgens andere schattingen zelfs drie- tot vijfhonderdduizend). Ze hadden gelijke burgerrechten, dreven handel en werkten als landarbeiders en boeren. Ze klommen op tot hoge functies in bestuur en leger. Aan het hoofd stond een ethnarch (volksleider). Er was een groot aantal synagogen in Alexandrië, met de hoofdsynagoge met zijn weergaloze schoonheid. De hellenistische joden wilden graag hun superioriteit en intellect bewijzen. Maar al hun werken werden in grootte en betekenis overtroffen door de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament. Voor het eerst konden ook niet-joden met de leer van het jodendom kennismaken.

Overal joodse gemeenten
De krachtig bloeiende joodse kolonie in Egypte breidde zich ook uit over de naburige landen in Noord-Afrika: er vormden zich zelfstandige gemeenten in het gebied van Cyrene, Syrië en vooral Klein-Azië. Ook waren er joden in Griekenland, zoals in Athene, Corinthe, Thessalonica en Philippi. Er ontstonden joodse gemeenten in Italië, gevormd uit vrijgelatenen of vrijgekochte slaven die door Pompeius waren weggevoerd, en uit kooplieden. Eeuwenlang blijft de geschiedenis van de oude joodse gemeenten in Mesopotamië in het diepste duister gehuld. Ver verwijderd van de door oorlogen geteisterde landen aan de Middellandse Zee leefden de gemeenten van Babylonië. Het schijnt dat ze lange tijden van rust genoten. Babylonië raakte nooit in het machtsbereik van Rome, de Eufraat werd de grens. Maar zelfs dat kon hun nauwe band met Jeruzalem niet verbreken. Als het ongeluk over Israël losbreekt, treft dat ook de in den vreemde wonende joden. ‘Jeruzalem is niet slechts de hoofdstad van Judea, maar ook van de meeste landen der wereld’, zo schrijft iemand in die tijd. Ook eilanden als Cyprus en Kreta zijn al vol met joodse kolonisten.

Jodenvervolging in Rome
In de tijd van keizer Tiberius komt het tot de eerste godsdienstvervolging van de joden, midden in het hart van het wereldrijk. Onderdrukkingsmaatregelen die eigenlijk gericht zijn tegen duistere, uit het oosten naar Rome doorgedrongen afgodendiensten, treffen nu de 4000 joden die in Rome wonen. Het was een ongelukkige samenloop van gebeurtenissen. Keizer Augustus had zich namelijk steeds welwillend jegens de joden betoond en hun rechten ook nadrukkelijk gewaarborgd. Tiberius, de nieuwe wereldbeheerser daarentegen hield niet van joden. Zijn grootste bezwaar was dat het zich boven alle andere religies verheven achtte. Uitgerekend één van de felste jodenhaters van die tijd had kans gezien zich in de gunst van Tiberius te dringen. Het was de schrijver Apion, nota bene afkomstig uit Alexandrië, waar reeds lang de schandelijkste leugenverhalen en verdachtmakingen tegen alles wat joods was de ronde deden.

Apion
Joden werden daar gezien als lastig en irritant, immers ze ondervonden concurrentie van de begaafde en hard werkende ‘vreemdelingen’. Dat de joden sinds Caesar als gelijkberechtigde burgers waren erkend, was een doorn in het oog. Ze deden er dus alles aan hun goede naam door het slijk te halen. Wat maakte Apion zijn tijdgenoten wijs? De oude Israëlieten zouden in de tijd van hun verblijf in Egypte in werkelijkheid een stam van melaatsen zijn geweest, daarom moesten ze dwangarbeid doen. Mozes, een afvallige Egyptische priester, zou de farao hebben verslagen, een tijdlang over Egypte hebben geheerst en uiteindelijk verdreven zijn. Zijn wetten eerden de godheden van de Egyptenaren niet meer en heilige dieren moesten worden geslacht. In de tempel van Jeruzalem zou een gouden ezelskop staan opgesteld, die de joden een tijdje hadden aanbeden. En wanneer ze ongedesemde broden aten, was dat omdat ze die oorspronkelijk van gestolen meel hadden gemaakt.

Beschuldiging van rituele moord
Het gruwelijkste was wel dat de joden ieder jaar een Griek overvielen, hem in de tempel vetmesten om hem op een dag naar het bos te slepen en na bijzondere riten te doden: rituele moord. Deze afschuwelijkste van alle beschuldigingen hebben zich tot in de 20e eeuw verspreid. Het volgende schandaal werd aanleiding dat de keizer een harde anti-joodse maatregel nam: een vrouw van een senator die tot het jodendom was overgegaan had kostbare geschenken aan de tempel in Jeruzalem gegeven. Echter, de boden die de giften moesten overbrengen bleken dieven te zijn. Dit voorval gaf de keizer het welkome motief scherp tegen hen op te treden. Onmiddellijk stelde hij de Romeinse senaat voor alle joden en proselieten uit Rome te verbannen.

Pilatus naar Judea
‘Wat Judea betreft, zond Tiberius Pilatus als stadhouder daarheen’, aldus Josephus. ‘Een onbuigzaam en meedogenloos harde natuur’, zo schildert Philo hem, wiens stadhouderschap gekenmerkt zou worden door ‘corruptie, roverijen, gewelddaden, krenkingen, mishandelingen, voortdurende terechtstellingen zonder veroordeling en grenzeloze wreedheid’. Pilatus gaat naar Judea met de vooropgezette bedoeling het volk te tarten. Heimelijk, ’s nachts, laat hij door troepen uit Caesarea standaarden met beeltenissen van de keizer naar Jeruzalem overbrengen. Tot dusver hadden de Romeinen respect getoond voor de afschuw van joden voor beeltenissen waarin zij mensenverering zagen. Volgens de joodse wet was er een streng verbod op beeldverering in de heilige stad. Nooit tevoren waren door Romeinse troepen vaandels met de beeltenis van de keizer in de stad van David vertoond. De vergulde adelaar boven de tempelpoort was het uiterste geweest, waartoe Herodes durfde te gaan.

Uiteindelijk verbannen
De joden smeekten het ongedaan te maken, maar Pilatus bleef onvermurwbaar. Tenslotte maakt hij van een list gebruik: hij lokt het volk dat hem met zijn smeekbeden bestormt in de arena, die heimelijk door zwaar bewapende mannen is omsingeld. Nu dreigt hij met bruut geweld. Maar de joden willen zich liever laten doden dan de ontheiliging van Jeruzalem dulden. Bij het zien van die onbuigzaamheid schrikt Pilatus voor het bloedbad terug. Hij geeft toe en beveelt de keizerlijke banieren weer naar Caesarea terug te brengen. Pilatus gebruikte voor de bouw van de waterleiding gelden uit de tempelschat. Het schrikbewind van Pilatus hield pas op toen hij zelf voor zijn hardheid en wreedheid moest boeten. Hij werd verbannen naar Zuid-Frankrijk, waar hij zelfmoord schijnt te hebben gepleegd.

Ontstaan christendom
In de tijd van Pilatus ontsproot aan het jodendom de eerste dochterreligie, het christendom, waarvan de vertegenwoordigers en aanhangers het toekomstige lot van de joden zo diep als geen andere macht ter wereld zou beïnvloeden. Geen enkele joodse overlevering vermeldt het optreden van Jezus en evenmin maakt enigerlei wereldse bron uit die tijd er gewag van. Men zou verwachten dat de oudste berichten over Jezus en Zijn leer in de Talmoed te vinden waren. Want Jezus leefde in een tijd waarin de scholen van Hillel en Sjammai hun grootste bloei beleefden en waarin reeds de grondsteen was gelegd voor het grootse religieus-literaire bouwwerk dat men de Talmoed noemt. In een tijd die tengevolge van de heerschappij van het huis van Herodes en van de Romeinse stadhouder vol onrust was, was het optreden van Jezus zulk een onbelangrijke gebeurtenis, dat zijn tijdgenoten er vrijwel geen aandacht aan besteedden.

Agrippa
Na de moord op Tiberius kreeg Judea weer een eigen koning: Julius Agrippa, een kleinzoon van de vermoorde Hasmoneese prinses Mariamne en van Herodes. Dit bracht grote vreugde. Wie kon toen vermoeden keizer Gajus Caligula, die Agrippa benoemd had, niet lang daarna schrik en ellende over Israël en de diaspora zou brengen! Het was de uitdrukkelijke wens van de keizer dat Agrippa via Alexandrië naar Judea reisde. Raddraaiers daar wachten op een geschikte kans. Ze wilden niet dat de gunsten die de nieuwe keizer de joden zo overvloedig had bewezen, ook hun geloofsgenoten in Egypte ten goede zou komen. Ze versjouwden de standbeelden van de keizer, die overal stonden opgericht, braken de synagogen open en plaatste de standbeelden erin. Toen de joden vroegen om bescherming, werd dat tot hun schrik afgewezen. In plaats van het oproer te beteugelen ontam de stadhouder de joden het burgerrecht en verklaarde hen tot ‘vreemdelingen en immigranten’.

Jodenvervolging in Alexandrië
Er brak een jodenvervolging uit, de ergste die Alexandrië ooit beleefde. Huizen werden in brand gestoken of verwoest, joden werden gemolesteerd en mishandeld. Zonder hulp of bescherming moesten de joden van Alexandrië alles over zich heen laten gaan. De wandaden houden pas op als de stadhouder in ongenade valt. Zijn ijver voor de keizerverering had hem dus niet geholpen. Maar nog steeds stonden de beeltenissen van de keizer in de synagogen. Philo ging als woordvoerder naar Rome; men had geen beter pleiter kunnen vinden. Philo van Alexandrië, thuis in de geschriften van Plato, wilde het jodendom met de Griekse wereldbeschouwing verzoenen. Toen ze bij Caligula kwamen, zei die: ‘Dus jullie zijn de godslasteraars die mij niet als god willen erkennen!’ Het kwam niet echt tot een gesprek; het joodse gezantschap werd weggezonden zonder dat het zijn verzoek had voorgelegd. ‘Die mensen zijn niet zo zeer schuldig alswel beklagenswaardig, want zij geloven niet aan mijn goddelijkheid’, zo zei hij.

Weer stadhouder in plaats van koning
Caligula raakte steeds meer verstrikt in zijn waanidee van ‘god-keizer’. Hij werd vermoord en Claudius was zijn opvolger. Hij maakte Agrippa tot koning over het gehele rijk, zoals eens Herodes de Grote. Voor de laatste maal geniet Judea enkele jaren van ongestoord geluk. Slechts vier jaar regeerde Agrippa en in die tijd verwierf hij door zijn trouw aan het volk, het land en het geloof van de vaderen, door zijn vriendelijkheid en karaktervastheid, de liefde van de joden. Het land was diep in rouw toen hij in 44 plotseling overleed. Voor de niet-joden in het land was het een dag van vreugde. De keizer besloot wederom een stadhouder aan te stellen en diens bevoegdheden te vergroten. Weer moet een vernederd Jeruzalem het hoofd buigen voor het triomferende Caesarea, de residentie van de stadhouders. Niet veel meer dan twintig jaar later zal het onderdrukte, geplaagde en getarte volk naar de wapenen grijpen.

Zeloten en messendragers
Met Cumanus begint de rij van de laatste vijf stadhouders wier regime tot de gewapende opstand van het volk hebben geleid. Onder Antonius Felix, zijn opvolger, wordt het alleen maar erger. Botsingen met de patriotten zijn aan de orde van de dag. Hij vervolgt meedogenloos de zeloten, de ‘ijveraars’ onder het volk, door de Romeinen ‘rovers’ genoemd. De geheime bond van ‘messendragers’ komt tot stand. Op feestdagen stoten ze in het dichte gedrang voor de tempel met hun korte, onder de kleren verborgen dolken bliksemsnel hun slachtoffers neer. Het lukt hen bijna steeds ongemerkt te ontkomen. Niemand is zijn leven nog zeker. Dikwijls duiken valse profeten en messiassen op en vinden grote aanhang. Één van hen, de ‘Egyptenaar’, verzamelt duizenden mensen in de woestijn, trekt met hen naar de Olijfberg bij Jeruzalem en spoort hen aan de heilige stad van de Romeinen te bevrijden.

Begin opstand
Nero ontzet op aandringen van zijn geliefde Poppaea, die zich tot het geloof van de joden voelt aangetrokken, in het jaar 59 de landvoogd Felix uit zijn functie. Zijn opvolger was Procius Festus, die na twee jaar sterft en vervangen wordt door Lucceius Albinus. ‘Er bestaat geen misdaad die hij niet pleegde’, zo beschrijft een tijdgenoot hem. ‘Hij liet zelfs misdadigers tegen een losgeld vrij. (…) Zo raakten de gevangenissen leeg, maar wemelde het land van de rovers’. Het laatste geduld was uitgeput en de opwinding van het vernederde, getrapte volk tot het uiterste gestegen. Er was nog slechts een vonk nodig om de opstandigheid in openlijke rebellie te laten losbarsten. Onder Florus begon de oorlog. Hij liet in 66 zijn legioensoldaten moorden en plunderen in Jeruzalem, nadat de eis om hem uit de tempelschat geld af te staan afgewezen was. De voorstanders van vrede met Rome verloren na een verbitterde strijd; de zeloten kregen de overhand. Paleizen gingen in vlammen op, de Romeinse bezetting werd uitgemoord. Nu was er geen terug meer: de oorlog tegen Rome was begonnen!

Aanvankelijk succes
Bliksemsnel breidde de opstand zich over het land uit. Tegelijkertijd ontbrandde de strijd tussen heidenen en joden. In Caesarea wordt de gehele joodse bevolking, bijna twintigduizend mensen, omgebracht. Ook in Alexandrië komt het tot een bloedbad (men spreekt van 50.000 doden). Nu kon de stadhouder van Syrië, Cestius Gallus, niet langer kalm toezien. Met een leger van dertigduizend man trok hij Judea binnen, brandde steden en dorpen plat en rukte naar Jeruzalem op. Maar zeloten slaagden erin de Romeinen te verslaan en zware verliezen toe te brengen; het legioen van Antiochië verloor zijn standaard, wat in Rome als een zeer grote vernedering werd beschouwd. Met een rijke buit aan wapens en oorlogstuig keerden de overwinnaars naar Jeruzalem terug. Nergens in het land bevonden zich nog Romeinse bezettingstroepen. Judea en Galilea hadden het Romeinse juk afgeworpen!

Vespasianus komt
Een dergelijke nederlaag en uitdaging kon Rome niet over zijn kant laten gaan. Nero zond zijn beste veldheer, Vespasianus. Hij kreeg opdracht het opstandige land te straffen. Zijn zoon Titus kwam daar ook met een legioen bij. Tegen een dergelijke militaire overmacht was het land niet opgewassen. Al snel was geheel Galilea en de andere noordelijke gebieden weer in Romeinse handen. Onder de gevangenen bevond zich ook Flavius Josephus, de bevelhebber van de joodse strijdkrachten in Galilea. Hij werd door Vespasianus begenadigd, bleef in het Romeinse legerkamp en trad op als tolk en onderhandelaar. In Rome schreef hij boeken over de joodse oorlog, de joodse oudheid (vanaf de schepping) en een verdediging van het jodendom tegen de verwoede aanvallen van de ophitser Apion.

Titus klaart de klus
Ondertussen stierf Nero (in 68). Vespasianus werd tot keizer uitgeroepen. Hij vertrok naar Rome en liet het opperbevel in de joodse oorlog aan zijn zoon Titus. De belegering begon in 70. Jeruzalem hield ondanks hongersnood en bloedige partijstrijd binnen de stad met weergaloze heldenmoed stand. Op 9 Av (juli/augustus) konden ze over bergen lijken en puin tot de tempel doordringen. Het heiligdom werd in brand gestoken. Dit was vrijwel op de verjaardag van de verwoesting van Jeruzalem door Nebukadnezar. Nog een maand hield de bovenstad zijn wanhopige tegenstand vol. Vier jaar had de heldhaftige strijd van het kleine volk tegen de wereldoverheersers geduurd. Na vijf maanden belegering was de heilige stad nog slechts een puinhoop vol lijken in handen van de vijand. Meer dan een miljoen joden waren gedood, bijna 900.000 waren gevangengenomen. Opnieuw zat Sion op de verschroeide aarde van de berg Moria, weende zijn volk op de puinhopen van Jeruzalem. Weer was geschied wat Jeremia eens na de eerste verwoesting had geklaagd:

‘Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volk was! Zij is als een weduwe geworden, zij die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is cijnsbaar geworden. Zij weent steeds des nachts, en haar tranen lopen over haar kinnebak; zij heeft geen trooster onder al haar liefhebbers; al haar vrienden hebben trouweloos met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden’ (Klaagl. 1:1,2).

Het lot van de overlevenden
Titus gaf bevel onder de overlevenden strenge rechtspraak te houden. Deze gaf bevel allen die als strijders waren herkend of verraden, aan het kruis te slaan. Iedereen boven de 17 jaar wordt tot levenslange slavenarbeid veroordeeld. Duizenden anderen kwamen om in het circus en de arena als gladiatoren of door verscheurende dieren. De rest valt in handen van slavenhandelaren. Daarna volgde het bevel de hele stad en de tempel te slopen. Geheel Judea werd aan de meestbiedenden verkocht. In Caearea werden wilde dieren opgehitst tegen de gevangenen en de joden moesten in groepen tegen elkaar vechten en elkaar ombrengen. Bij één enkele bloedige voorstelling kwamen 2500 mannen om het leven. Als trofeeën werden buitgemaakte kostbaarheden uit de tempel van Jeruzalem meegevoerd. Zo trots was Rome op de onderwerping van het kleine Judea, dat het ter herdenking aan de overwinning munten sloeg. Maar de eretitel ‘Judaicus’ die men Vespasianus en Titus verleende, wezen beiden af. Vreesden zij dat het aanvaarden verkeerd zou worden uitgelegd en zij als ‘vereerders van de joodse godsdienst’ zouden worden beschouwd?

Masada hield nog even stand
In het overwonnen Judea hield een eenzaam bolwerk nog steeds onverslagen stand tegen de Romeinen: de vesting Masada. Op die steile rots aan de Dode Zee, op een verloren post, boden duizend zeloten met vrouwen en kinderen een laatste, wanhopige tegenstand. De Romeinen wierpen rondom Masada aarden wallen op. Op de eerste Pesachdag van 73 besloten de joden tot zelfmoord: ‘Onze vrouwen zullen sterven zonder te zijn verkracht en onze kinderen zonder de slavernij te hebben ondervonden! Moge de roem, niet van onze vrijheid beroofd te zijn, ons tot doodskleed strekken!’ Toen de Romeinen de volgende dag de vesting bestormden, was er niets dat zich roerde en waren zij plotseling omringd door een doodse stilte. Negenhonderdzestig doden telden zij. Alle joden in het Romeinse Rijk werden verantwoordelijk gesteld en gestraft voor de joodse oorlog. Er kwam een gedwongen bijdrage voor een heidense god, de ‘fiscus judaicus’, de eerste officieel ingestelde jodenbelasting.

Nieuw tijdvak
Judea was verlaten en verwoest. Overgeblevenen waren slechts weduwen en wezen, zwakken, zieken en gewonden. Het was zoals na de ballingschap: ‘Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de naam des HEEREN betrouwen’ (Zefanja 3:12). Op de akkers werd niet gewerkt, de olijfbergen en wijngaarden verwilderden. Geen ander volk op aarde heeft ooit een noodlot overleefd als dat wat zich over Israël had voltrokken. De ijveraars voor de politieke vrijheid waren gevallen en verstomd. Des te machtiger verhieven nu de ijveraars voor de geestelijke vrijheid hun stemmen. Er begon een nieuw tijdvak in de geschiedenis van de kinderen Israëls, de heerschappij van de wetgeleerden.

Joachan ben Zakkai in Jabne
In het kleine dorp Jabne, ten zijden van de havenstad Jaffa, opende een school haar poorten. De hoogbejaarde geleerde van aanzien Jochanan ben Zakkai gaf hier leiding aan. Het werd een – in het begin vrijwel onopgemerkt – nieuw geestelijk centrum. Hij was, toen de zeloten over de stad heersten en niemand haar mocht verlaten, uit Jeruzalem ontsnapt in een doodskist. Door de Romeinse bevelhebber werd hem toegestaan een school te stichten. Die kon nauwelijks vermoeden waarvoor hij toestemming gaf, welke geestelijke kracht hij op dat ogenblik vrij spel gaf.

Weldadigheid in plaats van offers
Zonder land zouden de joden, verstrooid onder de volken zoals de profetie had voorzegd, hun zwerftocht door de geschiedenis voortzetten, samengehouden door hun Heilige Schrift en de daarin vervatte Wet, die hun als een ‘draagbaar vaderland’ gold. ‘De weldadigheid treedt in de plaats van de offers’, zo zei Jochanan ben Zakkai. Van heinde en verre lokte het kleine dorp jongeren aan om er te gaan studeren. In Jabne riep hij een ‘Hoge Raad van Ouderen’ bijeen, een nieuw sanhedrin. Voor de eerste maal in de geschiedenis van Israël kwam deze raad buiten het heiligdom bijeen. Er begint een diep ingrijpende verandering. Nooit heeft het volk de tempel vergeten.

Door studie tot roem
Maar in plaats van de eredienst werden nu de schoot van het joodse gezin, de synagoge en het woord van de Heilige Schrift het middelpunt van de joodse godsdienst. Geen volk onderwierp zich zo sterk aan de leiding van geleerden. Niet afkomst of titel, maar wijsheid was criterium om hoog te komen. Zo kwamen arme jongemannen door onvermoeide studie van de leer tot grote roem. Zo ontstond een opvoedingsstelsel dat een volmaaktheid bereikte die in Europa pas laat in de 19e eeuw werd bereikt. Ook de diaspora erkende de Hoge Raad al spoedig en aanvaardde zijn beslissingen. Het nieuwe Sanhedrin stelde ook de kalender van de feestdagen vast. Vanuit Jabne werden de boden uitgezonden om de besluiten kenbaar te maken.

Mondelinge leer
Gedurende eeuwen was naast de schriftelijk vastgelegde Thora een ‘mondelinge leer’ verkondigd en doorgegeven: commentaren op de Thora, de halacha, en voorlichting, de agada. Een ontzaglijke, bijna onoverzienbaar geworden hoeveelheid wijsheid had zich opgehoopt en was, aangezien er een verbod op bestond het op te schrijven, van mond tot mond doorgegeven. De kennis van deze mondelinge leer stelde aan het geheugen van leraar en leerlingen eisen die wij ons nog maar nauwelijks kunnen voorstellen. De traditie van deze mondelinge leer – later als Misjna schriftelijk vastgesteld – is door Jochanan ben Zakkai gered. Onder Gamaliël II kwam er een belangrijke hervorming: het gebed werd tot het middelpunt van de godsdienst in de synagogen. Naast het oeroude gebed Sjema Israel Adonai Elohenu Adonai Echad (hoor Israël, de HEERE is onze God, de HEERE is één, Deut. 6:4) kwam nu het Sjemone Essre, het gebed van de achttien lofprijzingen. Het uitspreken van deze beide gebeden werd de dagelijkse plicht voor iedere gelovige. Gamaliël II, die als leider van het sanhedrin de titel nassi voerde, werd door Rome als opperhoofd en vertegenwoordiger van het joodse volk erkend.

Opstandjes
Vijfenveertig jaar na de val van Jeruzalem bereikte een uiterst verontrustend bericht Judea: de joden van de Levant en van Afrika zouden in opstand gekomen zijn! Een veldtocht van keizer Trajanus naar Babylonië had daartoe aanleiding geven. De joden aldaar wilden niet onder het juk van Rome komen en zagen Trajanus als een nakomeling van hen die de tempel hadden verwoest. De gevechten in de landen aan de overzijde van de Eufraat werden het sein voor een hele reeks opstanden van joden in de Romeinse diaspora: in Cyrene, Egypte (Alexandrië), Libië en het eiland Cyprus. Ook in Israël zelf begon het te gisten. Met onmenselijke hardheid werden de joden bedwongen. In Alexandrië ging de hoofdsynagoge in vlammen op en werden joodse woonwijken verwoest. Nooit heeft de eens bloeiende gemeente in Egypte zich van die slag hersteld. Het was het begin van haar ondergang. Het Tweestromenland werd uiteindelijk toch geen Romeinse provincie.

De opstand van Bar Kochba
Keizer Hadrianus bezocht in 131 Judea. Hij had een groots plan: op de plaats van de voormalige hoofdstad van de joden, na een halve eeuw nog steeds een verlaten steenwoestijn, moest een moderne Romeinse stad ontstaan, de militaire nederzetting Aelia Capitolina. Kon Hadrianus vermoeden welke gevolgen dit besluit zou hebben? Er brak weer een grote en langdurige oorlog uit. Zolang de heilige stad in puin lag, konden de joden nog altijd hoop koesteren dat op zekere dag een nieuw Jeruzalem en een nieuwe tempel zouden herrijzen. Nu verdween zelfs ook deze zweem van hoop. Een heidense stad op de plaats van David! Judea trok het zwaard: de opstand van Bar Kochba was begonnen.

Te gronde
Vele schriftgeleerden zagen in de opstand een waanzinnige daad en rieden hem dringend af. Maar desondanks verzamelde zich een geweldige macht van 580.000 krijgslieden. Tegen een dergelijke overmacht was de Romeinse stadhouder niet opgewassen. Binnen een jaar tijd vielen Judea, Galilea en Samaria in handen van de opstandelingen. Ook Jeruzalem schijnt door Simon bar Koseba – wiens gestalte door legenden wordt omweven – te zijn ingenomen. Maar stap voor stap winnen de Romeinen veld. Slechts ten koste van zware verliezen gelukt het hun vesting na vesting, dorp na dorp op de zich taai verzettende opstandelingen te veroveren. Drie jaar duurt het nog; langzaam en smartelijk gaat Israël te gronde. Op een klein gebied rondom Jeruzalem zijn de vrijheidsstrijders tenslotte teruggedrongen.

Aelia Capitolina op de plek van Jeruzalem
Tegen het jaar 135 – volgens de overlevering op dezelfde noodlottige datum waarop Jeruzalem 65 jaar tevoren was gevallen – vonden Bar Kochba en al zijn krijgers de dood. Na drie en een half jaar strijd en een half miljoen joodse doden lagen alle steden, dorpen en gehuchten die verzet hadden geboden in as. In het vroeger met olijven en wijngaarden overdekte Galilea was nauwelijks meer een olijfboom of wijnstok te vinden. Nu kon Hadrianus alsnog zijn reeds lang gekoesterde plan verwezenlijken: de bouw van een heidense stad midden in Judea. Over de Tempelberg werd de ploeg getrokken, om iedere herinnering aan het oude heiligdom te verdelgen. Zo ontstond de Romeinse kolonie Aelia Capitolina.

Het uur van verdelging
Op de plaats waar eens de Tempel had gestaan, werd een tempel van Jupiter Capitolinus gebouwd en een standbeeld van Hadrianus opgericht. Aan de zuidpoort brachten de Romeinen de beeltenis van een onrein dier aan, een varkenskop. En het werd de joden op straffe des doods verboden de stad te betreden. Maar zelfs deze vernederingen waren Hadrianus nog niet voldoende. Hij wilde ook hun geest uitroeien, hun het heidendom opdringen. Er begon een geloofsvervolging. Hij dacht de joodse godsdienst te kunnen verbieden. Door keizerlijke decreten werd onder bedreiging met de doodstraf het opvolgen van de geheiligde wetten verboden: de besnijdenis, het vieren van de sabbat en het onderricht in de Thora. Sjaath ha’sjmad brak aan, de tijd van de zware vervolging, het uur van verdelging.

Noodleugen?
De Hoge Raad werd verhuisd naar Lydda, waar ze in het grootste geheim bijeenkwamen. Zij moesten het antwoord vinden op de vraag die over leven en dood besliste: mag een jood die wegens trouw aan zijn geloof met de doodstraf wordt bedreigd, het jodendom in schijn verloochen om zijn leven te redden? De meningen van de geleerden waren verdeeld. Na lange, opgewonden debatten werden de rabbijnen het eens over een gulden middenweg: een jood mocht om de marteldood te ontgaan alle geboden van de Wet overtreden, wanneer een gewetenloze tegenstander dit openlijk eiste, met uitzondering van drie: afgodenverering, onkuisheid en moord.

Christendom als nieuwe tegenstander
Evenals eerder verlieten ook tijdens de opstand van Bar Kochba en daarna vele duizenden vluchtelingen en emigranten Judea. Er vormden zich nieuwe koloniën en de geografische grenzen van de diaspora werden sterk uitgebreid, waaronder Syrië, Klein-Azië en Noord-Afrika. Ook ver van het vaderland bleef de joden in de diaspora geen lange tijd van rust beschoren. Met de opkomst van het christendom, de dochterreligie van het jodendom, verschijnt een nieuwe, sterke en meedogenloze tegenstander. Het heidendom had het politieke bestaan van het jodendom vernietigd. Nu nadert de tijd dat het christendom zal proberen ook het geestelijk bestaan van de joden te doven.

Vastleggen mondelinge leer
Maar nog hangt de doodsadem van de ramp van het jaar 135 over het verwoeste land, of op de oude vaderlandse bodem straalt opnieuw de glans van het geloof. De geestelijke elite van het volk steekt de hoofden bijeen en volbrengt in enkele generaties een werk van de allergrootste betekenis: het verzamelen en rangschikken van het ontzaglijke materiaal van de ‘mondelinge leer’ en het schriftelijk vastleggen hiervan. Allen zijn door één gedachte bezield: de grote taak te volbrengen. Jabne is verwoest. De keus valt daarom op het stadje Oesja. Even arm als het land zijn de geleerden: de tannaim, de leraren. Vrijwel ieder van hen beoefent een handwerk om zich en de zijnen te kunnen onderhouden. Simon ben Jochai is straatarm. Hij is door de Romeinen ter dood veroordeeld, waarop hij twaalf jaar in een grot heeft gewoond, zich voedend met wilde vruchten, terwijl hij zich in de Wet verdiepte.

De Misjna
Het in academie, sanhedrin en patriarchaat verrichte werk vond zijn bekroning in de arbeid van een man die het gezag en het aanzien van deze drie instellingen in zijn persoon verenigde: Juda ha-Nassi. Hij verplaatste zijn werkterrein naar Zippori (Sepphoris), de hoofdstad van Galilea. Als Juda na meer dan veertig jaar arbeid in 220 de ogen sluit (aanvankelijk durfde niemand het aan het volk te zeggen), laat hij een levenswerk achter dat als mijlpaal in de ontwikkeling van de Wet voor altijd onvergetelijk blijft: onder hem komt het lange voorbereidende werk van de geleerden tot de codificatie van de mondelinge leer. Het scheelde niet veel of zij was voorgoed verloren gegaan. De Misjna was ontstaan, dat wil zeggen herhaling of onderricht.

Gemara en Talmoed
Niet alle kwesties waren nog behandeld. Dus begonnen de wetgeleerden er toelichtingen en kritische uiteenzettingen aan toe te voegen; commentaren, in het Aramees Gemara, voltooiing genoemd. Er werd met geleerdheid, scherpzinnigheid en vaak ook met spitsvondigheid gediscussieerd. De toelichtingen sprongen vaak van de hak op de tak. In de Gemara wordt het historische met het legendarische, met spreuken en gelijkenissen gemengd, medische raadgevingen ontbreken evenmin als astronomische en andere natuurwetenschappelijke uiteenzettingen. Pas uit de geweldige hoeveelheid ervaringsmateriaal die in Misjna en Gemara ter beschikking staat, ontstaat uiteindelijk het in zijn soort unieke reuzenwerk, de Talmoed. Vooral Jochanan bar Napacha en Resj Lakisj legden de grondsteen van de Palestijnse Talmoed.

Verval in Palestina
Ondertussen ontstaan er in Palestina de eerste kerkelijke centra van enig belang. Origines leert Hebreeuws en krijgt onderwijs van rabbijnen. De joodse gemeenten van de Afrikaanse diaspora stonden al bloot aan scherpe aanvallen van christelijke zijde. Tertullianus voerde een hevige campagne tegen de joden en Commodianus hield honende toespraken en noemde het treurige lot van het joodse volk een welverdiende straf voor hun verwerping van de Heere Jezus. De proselietenbeweging was tot stilstand gekomen. De scholen vervielen en de zelfbeschikking werd minder. Het aanzien en de invloed van het moederland, waarop de ogen van de verstrooiden tot op dat tijdstip nog steeds waren gericht, verbleekte steeds meer. Babylonische scholen stonden gereed om de lichtende fakkel verder te dragen.

Leraren als behoeders van de stad
Het peil van de ontwikkeling van de Babylonische joden was buitengewoon hoog. Iedere gemeente aldaar bezat een school, want: ‘Een stad die niet op schoolkinderen kan bogen, kan gemakkelijk te gronde gaan’, aldus de Talmoed. Een leraar mocht nooit meer dan 25 leerlingen onderwijzen. Steeg het aantal, dan moest er een hulpkracht worden aangetrokken. In Palestina ziet het er daarentegen treurig uit. In vroeger zo stampvolle gehoorzalen zitten nog slechts enkele leerlingen. Eens werd er gevraagd: ‘Waar zijn de behoeders van de stad?’ Snel werden er enkele bewapende militairen opgetrommeld. ‘Wij bedoelen de geleerden en de leraren die het Woord van God dienen, want er staat geschreven: “Zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter”’.

Constantijn
Juist in deze dagen kreeg het jodendom nog eenmaal een grote beschermer op de keizerstroon: Diocletianus. Hoewel hij de christenen op gruwelijke wijze vervolgt laat hij de joden ongemoeid, zij hoeven niet aan de Romeinse goden te offeren. Het Romeinse Rijk had de joden meestal gewetensvrijheid en onbelemmerde vrije uitoefening van hun godsdienst gegeven, maar niet lang zou dit meer duren; met de komst van het christelijke Rome begon voor de joden een lange nacht. De leer die niet van deze wereld is verbond zich ten nauwste met de militaire heerschappij en in plaats van het ‘hemelse rijk op aarde’ te grondvesten, werd zij volkomen in aardse dingen verstrikt. In 313 kondigt keizer Constantijn het edict van Milaan af: alle bewoners van het Rijk krijgen gewetensvrijheid. Hoewel dit eerst ook de joden gold, zou dit zeer spoedig een voor de joden smartelijke en noodlottige keer nemen.

Godsmoordenaars
De verdraagzaamheid jegens de joden hield onder keizer Constantijn slechts zeer korte tijd stand. Al na twee jaar volgen de eerste tegen de joden gerichte besluiten. Van dit ogenblik af zal het jodendom blootgesteld staan aan aanvallen die wat duur en felheid betreft hun weerga niet hebben in de geschiedenis van de mensheid. Een ondoorgrondelijk noodlot wil dat het jodendom juist in het christendom zijn onverzoenlijkste en onverbiddelijkste tegenstander vindt. Het joodse geloof wordt tot de ‘onheilige cultus’ van een verdoemd, ‘godslasterlijk volk’ verklaard, zijn aanhangers worden ‘godsmoordenaars’ genoemd. In 315 dus begon de eerste, gevoelige beperking: het werd verboden onder christenen aanhangers voor hun geloof te winnen. In 321 wordt een oud en gewaarborgd voorrecht van de joden vervallen verklaard: de vrijstelling van het Romeinse decurionaat (een zware functie in het stadsbestuur).

Pasen en Pesach gescheiden
De joden worden bestempeld als ‘verderfelijke sekte’ en ‘misdadige groepering’. De kerkvaders zijn bang dat christenen onder joodse invloed (joden zijn overal) zullen geraken. Het concilie van Nicea (325) besluit dat de viering van zijn grootste feestdag (Pasen) gescheiden moet worden van de Joodse versie. Tot dan toe werd het gelijktijdig met het joodse Pesach gevierd. Nu werd het christelijke feest van de joodse kalender losgemaakt. ‘Het zou onwaardig zijn dat wij bij dit heilige feest de zede zouden volgen van de joden, die hun handen met de afschuwelijkste misdaad hebben bezoedeld en geestelijk blind zijn gebleven. In het vervolg willen wij niets meer gemeen hebben met het vijandelijke volk der joden.’

Jeruzalem wordt christelijk
Ook Palestina begint de invloed van het christelijke Rome te voelen. Overigens verdwijnt onder Constantijn de heidense benaming Aelia Capitolina en krijgt Jeruzalem weer zijn oude naam. De heilige stad wordt inmiddels van een heidens in een christelijk oord veranderd. Er verrijzen kerkgebouwen. De Venustempel, waar men onder de fundamenten het graf van Christus vermoedde, moest op bevel van Constantijn plaatsmaken voor de bouw van de Kerk van het Heilige Graf. Het bleef de joden verboden hun voormalige hoofdstad te betreden. Slechts eens in het jaar wordt er een uitzondering gemaakt. Op de vastendag van 9 Ab laten de wachtposten voor de poorten van Jeruzalem ook joden passeren.

Even lucht
Onder Constantius wordt ieder huwelijk tussen joden en christinnen verboden. Ook wordt het ze verboden christelijke of heidense slaven te kopen of bezitten. Aangezien het gehele economische leven van die tijd op het werk van slaven berustte, werden de joden door dit besluit uitgesloten van de uitoefening van vele beroepen. Onverwachts wordt de ellende die over het joodse volk kwam, door een nieuwe troonsbestijging onderbroken. Julianus wordt in 361 keizer. Hij krijgt de bijnaam Apostata, de Afvallige, omdat hij de heidense godsdienst weer invoert. Hij geeft de joden weer hun oude, onbeperkte burgerrechten en laat hen weten dat hij Jeruzalem wil herbouwen!

Bijna was de tempel herbouwd
Er worden voorbereidingen getroffen tot de wederopbouw van de tempel. Maar als bouwlieden het tempelterrein betreden schieten er plotseling uit de diepte vlammen op en doden enkelen. Vermoedelijk waren gassen, die onder de oude fundamenten samengeperst waren, eensklaps ontsnapt en tot ontbranding gekomen. Het volk zag er een waarschuwing in. Ogenblikkelijk werd alle arbeid gestaakt. Hij zou nooit meer worden hervat. Julianus werd op een veldtocht in Mesopotamië door de pijl van een christelijke soldaat uit zijn eigen leger dodelijk getroffen. Bij zijn sterven in 363 moet hij gezegd hebben: ‘Galileeër, gij hebt overwonnen!’ Hij was er niet in geslaagd het wiel van de geschiedenis tegen te houden.

Palestijnse Talmoed krijgt een afronding
In deze tijd vindt na de arbeid van de Amoreeën in Palestina, die vijf generaties had geduurd, het verdere werk aan de Misjna – namelijk de commentaren en uitleggingen in de Gemara – een plotseling einde (Talmoed = Misjna + Gemara). De onrustige toestand in het land, de inkrimping van het aantal scholen en het gebrek aan bevoegde leraren verhinderen dat het belangrijke werk in Israël volledig kan worden afgesloten. De Palestijnse Talmoed, die op een ongelukkig ogenblik ter wereld was gekomen, kreeg nooit de betekenis van de anderhalve eeuw later geschapen Babylonische Talmoed. Het voerde een grotendeels verwaarloosd bestaan, tot in de 12e eeuw de inhoud door de grote Maimonides weer met de stroom van de traditie van het joodse geestelijke leven werd verenigd.

Synagoge in de brand
Het christendom werd voorgoed de staatsgodsdienst in het imperium. Theodosius I beveelt dat niemand de joden in de vrije uitoefening van hun godsdienst mag hinderen en zorgt ervoor dat het joodse zelfbestuur onaangetast blijft. Dit was wel nodig, omdat de joden niet overal meer veilig waren. De bisschop van Edessa had omstreeks 388 in Callinicum aan de Eufraat een synagoge in de brand laten steken, maar Theodosius gelastte hem de verwoeste synagoge op eigen kosten te laten herbouwen. Een andere bisschop, Ambrosius, was het niet eens met de keizer. Hier stond de ‘eer van God’ op het spel. Een christen mocht volgens hem niet gedwongen worden een ‘plaats van ongeloof en goddeloosheid’ te bouwen.

Chrysostomus over de joden
In Constantinopel verheft een beroemd prediker luid zijn stem tegen het jodendom: Johannes Chrysostomus. Hij vecht tegen het vreedzaam samenleven van christenen en joden. De ‘joodse verzoeking’ was kennelijk groot: veel christenen sympathiseerden met de synagoge en bezochten joodse godsdienstoefeningen. In juridische aangelegenheden wendden ze zich vaak tot joodse gerechtshoven en ze gingen naar joodse artsen. In heftige donderpreken trekt Chrysostomus van leer tegen ‘de ellendige en rampzalige joden’. ‘Ik weet maar al te goed dat velen de joden hoogachten en hun ceremoniën als heilig beschouwen. Daarom haast ik mij deze verderfelijke opvatting met wortel en tak uit te rukken’. Hij brandmerkt de joodse bedehuizen als toevluchtsoorden van boze geesten. ‘Wanneer iemand deze een bordeel, een plaats van zonde, een toevluchtsoord des duivels, een burcht van satan, een verderf voor de ziel, een gapende afgrond van ieder onheil of wat dan ook noemt, dan zegt hij nog steeds minder dan zij verdienen!’

Hieronymus en Augustinus
Niettemin bleef in zeer grote kringen van de bevolking de verhouding tot de joden nog lange tijd vreedzaam en ongestoord. Maar op schrift gestelde preken als die van Chrysostomus werkten des te langer na. Zonder medelijden klinken ook de woorden van de geleerde Hieronymus: ‘Trouweloze inwoners, die de dienaren Gods en vooral de Zoon van God hebben vermoord. (…) Zwakke, oude vrouwen en grijsaards in lompen, die reeds door hun uiterlijk en hun dracht Gods toorn verraden. (…) Een ongelukkig volk dat nochtans geen medelijden verdient’. En dat terwijl hij van joden kennis van het Hebreeuws krijgt bijgebracht. Dankzij joods onderricht kon hij zijn beroemde Vulgata schrijven en bij zijn uitleggingen van het Oude Testament maakt hij gebruik van rabbijnse overleveringen. En toch vindt ook Hieronymus niet de weg naar de ‘oudere broeder’. Augustinus sprak met beslistheid het verwijt van ‘godsmoord’ tegen. Maar ook hij schreef een polemische verhandeling tegen de joden: Tractatus adversus Judaeos. ‘De joden in hun vernedering zijn getuigen van hun ongelijk en van onze waarheid’. In zijn werk De civitate Dei wijst Augustinus het joodse volk een plaats aan buiten de christelijke samenleving.

Steeds minder rechten voor joden
Het komt steeds meer tot een doelbewuste politiek van vermindering en opheffing van joodse rechten. Theodosius II, de heerser van het Oost-Romeinse Rijk, verbiedt bij decreet iedere bouw van nieuwe synagogen. Joden worden in één adem genoemd met heidenen en ketters. Opgeruide menigten christenen verwoesten hun synagogen of andere gebouwen, die dan in kerken worden veranderd. De joden zijn weerloos. De joden worden uit de landbouw en veel andere met mankracht gedreven beroepen verdrongen. In 418 worden de joden in zowel het Oost- als in het West-Romeinse Rijk uitgesloten van militaire dienst. Zelfs wordt er ingegrepen in het familierecht: jodenkinderen die tot het christendom zijn overgegaan mogen niet meer onterft worden. Vanaf 425 mogen joden (en heidenen) geen staatsambten meer bekleden en niet meer pleiten in rechtszaken.

Ook weg uit Alexandrië
Één enkele stap, één enkel ceremonieel zou voldoende zijn geweest om zich uit deze paria-positie te bevrijden: de doop! De staat en de kerk hielden deze ‘gouden poort’ wijd open. Maar deze stap werd niet gezet, vrijwel niemand gaf het overgeërfde geloof prijs; bekeringen bleven hoge uitzonderingen. Als een lopend vuur vlamden in het Morgenland de anti-joodse betogingen op en deelde het leed van Syrië tot Afrika over de joodse gemeenten neer. Aartsbisschop Cyrillus van Alexandrië waagde het de joden uit zijn stad te verdrijven. Een door hem opgeruide menigte drong in 414 de synagogen binnen en nam deze in beslag. De joden werden verdreven uit de stad die voor hen een vaderland was geworden!

Het patriarchaat eindigt
Herhaaldelijk probeerden prefecten en rectoren in de provincies de joden in bescherming te nemen. Zij slaagden er niet in. Monnik en kluizenaar Simeon kreeg ook nog eens een profetie dat God de keizer zou straffen voor de gunst die hij aan de ‘ongelovige joden’ had bewezen (Theodosius II probeerde de joden nog wat te beschermen tegen de volkswoede). Toen de keizer dit ter ore kwam, ‘beefde hij van schrik en deed hij boete. Hij gaf onverwijld bevel overal bekend te maken dat zijn vroegere decreten ongeldig waren’. Waar klonken in die tijd uit de gelederen van de kerk stemmen die tot bezonnenheid maanden? In die jaren van zware slagen eindigt ook in Palestina de autonomie: het patriarchaat verdwijnt voorgoed (429).

Één grote nacht
Vijftien mannen uit één huis waren elkaar opgevolgd: twee Hillels, drie Simeons, vier Juda’s en zes Gamaliëls. De naam van de hoogste joodse waardigheid wordt nu door de kerk overgenomen: in het jaar 451 kent het concilie van Chalcedon de bisschop van Jeruzalem de titel van patriarch toe. Een joodse preek uit het het heilige land van die dagen luidt als volgt: ‘O, Heere der wereld, vroeger placht Gij mij tussen een nacht van Egypte en die van Babylonië, tussen die van Babylonië en die van Medië, tussen de nacht van Medië en die van Griekenland, tussen die van Griekenland en die van Edom, maar nu volgt de ene nacht onmiddellijk op de andere’.

Volksverhuizingen
Rome valt in 410. Het ontstellende bericht van de val van de ‘eeuwige stad’ gaat als een schok door de wereld. ‘Het heldere licht van de aardbol is uitgedoofd’, klaagt Hieronymus die het in Bethlehem verneemt, ‘bedwongen is nu de stad die eens de gehele aarde bedwong’. Alles verandert: de tijd van de volksverhuizingen breekt aan. Onder de nieuwe heersers (de Goten bijvoorbeeld, zij waren arianen) begint voor de joodse gemeenten in het land een tijd van rust en veiligheid en wijkt de druk. Het zelfbestuur van hun gemeenten wordt erkend. In heel Europa – ver van het verloren moederland tot een tweede vaderland geworden – genieten de Joden volle vrijheid. Het begon in de kuststeden in Gallië. In Marseille woonden zulke grote aantallen joden dat het de ‘Hebreeuwse stad’ werd genoemd. De Joden werden niet als minderwaardige, aan speciale bepalingen onderworpen klasse behandeld. Zonder beperking vindt men de joden in het Frankische en Bourgondische rijk in alle beroepen.

Omgang met joden als gevaar
Deze vreedzame samenleving bleef ook bestaan toen Clovis in 493 katholiek werd. Maar gaandeweg gaan er ook in Gallië stemmen op die tot onverdraagzaamheid aansporen. De grote menigte was nog maar kort geleden tot het christendom bekeerd en daardoor maar weinig geloofsvast; hun dagelijkse verkeer en gesprekken met joden waren dus een gevaar. Bij de joden bestond sinds eeuwen de leerplicht. De grote massa van de christelijke bevolking bestond evenwel uit analfabeten en zou dat nog meer dan duizend jaar blijven. In Spanje waren er ook vele joden. De namen van verscheidene Spaanse steden bewaren nog de herinnering aan grote gemeenten. Granada heette in vroeger tijden de Jodenstad. Ook in Tarragona, Córdoba en Zaragoza waren er heel veel joden.

Theorie, maar nog geen praktijk
De kerkelijke concilies houden zich met het joodse vraagstuk bezig. In 517 wordt het voor geestelijken verboden met joden aan tafel te gaan, in 533 worden huwelijken tussen christenen en joden verboden. Joden mogen ook niet meer als rechter fungeren bij geschillen tussen christenen. In 538 kwam de bepaling dat de joden vier dagen lang, van witte donderdag tot tweede paasdag, zich niet onder de christenen mochten vertonen. In de praktijk wordt weinig aandacht geschonken aan al die bepalingen houdt niet iedereen zich eraan. Het uur heeft nog niet geslagen waarop de kerk stevig genoeg in de staat is verankerd om het nakomen van haar maatregelen te kunnen afdwingen.

Hard optreden tegen de joden
Als in 527 Justinianus keizer van het Oost-Romeinse Rijk wordt, wordt de vervolging van de joden en hun vernedering tot wet en tot norm. Zijn keizerlijke edicten leggen gewetensdwang op en grijpen zelfs in de godsdienstoefeningen in de synagoge in. Wat kon de reden zijn opnieuw zo hard tegen hen op te treden? Hun onwankelbare volharding in hun geloof had de onwil en toorn van de christelijke machthebbers in Byzantium opgewekt. Overal in de provincies was de kerk steeds weer op de joden gestoten. Justinianus is bereid zijn macht te gebruiken om het joodse volk te vernederen. Hij maakt alle rechtsbeperkingen die sinds de tijd van Constantijn tot aan die van Theodosius II tegen de joden zijn uitgevaardigd, weer van kracht.

Wetboek dat onheil zou brengen
In 534 ziet één van de belangrijkste wetboeken aller tijden het licht: het beroemde Corpus Juris Civilis. Daarmee wordt het Romeins recht tot nieuw leven gewekt. Het was één van de voortreffelijkste scheppingen van ’s mensen ordenende geest en helder verstand. Maar hierin sluimeren noodlottige kiemen waaruit het onheil over de joden zal losbreken. Het omvat ook alle wetten die op de joden betrekking hebben en vereeuwigt ze. De joden zijn weer tweederangs onderdanen. En dit zal voor de gehele middeleeuwse wetgeving tot maatstaf worden. De keizer wil ook de door de volksverhuizingen verloren gegane gebieden weer terug. Hij herovert Carthago van het machtige rijk van de Vandalen. Tot de buit zouden ook de gewijde voorwerpen uit de tempel van Jeruzalem hebben behoord en men zou ze weer hebben overgebracht naar Constantinopel, waar zij uiteindelijk verloren gingen. Naast Noord-Afrika werd ook Italië terug veroverd. In deze strijd vochtten de joden aan de zijde van de Goten.

Paus Gregorius de Grote
In tegenstelling tot de Byzantijnse kerk mengde de West-Romeinse zich niet in de wereldlijke politiek. De heersers van het land waren dan ook nooit door de pausen tot anti-joodse maatregelen aangezet, evenmin als de bevolking ooit tegen de aanhangers van het joodse geloof was opgeruid. Gregorius I wordt in 590 paus. Gematigd en met weloverwogen billijkheid probeert hij alles te vermijden wat de atmosfeer zou kunnen vergiftigen en wat de spanning in de wederzijdse betrekkingen zou kunnen verscherpen, juist omdat de bekering der joden hem oprecht ter harte gaat. Hij vordert een strikte naleving van de anti-joodse wetten. De godsdienstvrijheid in de reeds bestaande synagogen wordt gewaarborgd, maar iedere nieuwbouw blijft verboden. Geen jood mag ook maar de minste invloed op christenen uitoefenen. Geen jood mag in een christelijke staat een plaats bekleden die hem enigerlei macht over christenen verleent.

De joden niet dwingen maar winnen
Gregorius is een vijand van iedere vorm van fanatisme. Hij treedt krachtig op tegen vervolgers van het jodendom. Hij heeft echter volstrekt geen milde gevoelens voor het ‘volk van God’. Hij gebruikt woorden als ‘bijgeloof’, ‘verdorvenheid’ en ‘arglist’ (superstitio, perditio en perfidia). Hij wil de joden langs vreedzame weg winnen voor het christelijk geloof. Om de joden tot de kerk te brengen looft hij zelfs premies uit en stelt hij allerlei gunsten in het vooruitzicht. Iedere vorm van geweld en druk moet achterwege blijven. Eind 6e eeuw kwam er een belangrijke godsdienstige omwenteling: de beslissing tussen het arianisme en het katholicisme valt definitief. Stuk voor stuk wenden de jonge Germaanse staten zich van het ariaanse geloof af.

Katholicisme wint definitief van het arianisme
Het katholicisme wordt de enige, allesbeheersende geloofsbelijdenis. Daarmee zijn de wegen voor de toekomstige ontwikkeling bepaald. Het was de zwaarste dag van het noodlot die de joden van Europa kon treffen. De joodse gemeenten verliezen hun aloude rechten en de vervolgingen beginnen. In het Frankenrijk komt het tot de gedwongen doop. De keus is: doop of verbanning. Ten aanzien van het steeds toenemende, eigenmachtige optreden bleef Gregorius niet werkeloos. Men diende, liet hij weten, de Joden liever door overreding dan door dwang voor het christendom te winnen. Gregorius de Grote stierf in 604. Daarna werd het alleen maar erger. Het ergst zou de jodenvervolging worden aan gene zijde van de Pyreneeën.

Spanje: doop of verbanning
Als in geen ander land beginnen nu in Spanje koning en kerk onmiddellijk zeer nauw samen te werken. Er moet een homogeen katholiek Spanje worden geschapen, dat geen plaats meer biedt aan andersdenkenden. Men spreekt over het verdoemde joodse bijgeloof (Ebreorum execranda perfidia). In 613 komt er een ultimatum: doop of verbanning! Velen besluiten te blijven, vooral zij die in de landbouw werkzaam zijn; zij geven toe aan de doop, hoewel slechts in schijn en vastbesloten het geloof der vaderen heimelijk trouw te blijven. Velen wier beroep in handwerk of handel een grote beweeglijkheid mogelijk maakt verlaten Spanje. Ze vertrekken naar het rijk van de Franken, waar ze niet veel later hetzelfde lot zullen ondergaan. Een deel gaat naar Noord-Afrika.

Wetten voor gedoopte joden
De vreselijke verdrukking duurt van tot 621. De volgende koning is zachtaardig en rechtvaardig. Veel bannelingen keerden naar hun vroegere woonsteden terug. Maar na zijn tienjarige regering wordt het weer zoals daarvoor. Nu wreekt de kerk zich voor de geleden nederlaag. Het concilie van Toledo (633) besloot: ‘In de toekomst mag aan geen jood het christelijk geloof met geweld worden opgedrongen. Maar zij die [in het verleden] tot de doop zijn gedwongen en tot de kerkelijke sacramenten zijn toegelaten, moeten ook verder christen blijven’. De kinderen van gedoopten worden van de ouders weggenomen, ter opvoeding in kloosters geplaatst of bij christelijke gezinnen ondergebracht. Iedere gedoopte die erop wordt betrapt in het geheim de wetten van zijn vroegere geloof na te leven, verliest zijn vrijheid, hij wordt slaaf.

Joodse godsdienst verboden
De koning zegt: ‘Het land dat ik bestuur is door deze melaatsheid bevlekt. Terwijl de almachtige God in ons land alle dwaalleren heeft uitgeroeid, is alleen deze godslasterlijke sekte nog steeds niet verdelgd. Zij moet dus óf door de kracht van onze vroomheid op het rechte pad worden gebracht óf met de knuppel der wraak worden neergeslagen’. In 655 wordt bevolen dat de gedoopte joden iedere bisschoppelijke godsdienstoefening moesten bijwonen en op alle joodse feestdagen de kerk bezoeken. Wanneer zij niet verschijnen, dreigen stokslagen. In 681 wordt de joodse godsdienst verboden. Alle joden van Spanje krijgen het bevel zich binnen een jaar te laten dopen. Anders ‘zal hij gestraft worden met honderd zweepslagen en het uitrukken van het hoofdhaar alsmede met verbanning, terwijl zijn eigendommen ter beschikking van de kroon komen’.

Samenzwering in Noord-Afrika
Veel joden vluchten hierop naar het buitenland, vooral naar Afrika. Maar ook velen verschuilen zich in het land zelf. Stadhouders en leenheren in de provincies nemen hen in bescherming. Zonder het te vermoeden, droegen koning en concilie er met hun terreurwetten, die vele joden naar Afrika verdreven, veel toe bij de krachten te steunen die de ondergang van het West-Gotische rijk zouden veroorzaken. Aan de overkant van de Straat van Gibraltar zijn de Arabieren een nieuwe veroveringstocht begonnen. De Spaanse koning vermoed een samenzwering: ‘Spaanse joden hebben met hun buitenlandse geloofsgenoten uit de overzeese landen onderhandelingen geopend om tegen het christelijke volk samen te zweren’. Daarom keert hij zich nog feller tegen de joden die er nog in Spanje zijn: alle joden in Spanje zijn lijfeigenen van de koning. Maar er staan dingen te gebeuren in Noord-Afrika: in 711 zou het Iberische schiereiland (het deel van Europa ten zuiden van de Pyreneeën, het huidige Spanje en Portugal dus) in Arabische handen vallen.

Tweede dochterreligie
De opkomst van de tweede dochterreligie (de islam) luidde voor het jodendom een nieuw tijdperk van vrijheid in. In de woestijnen van Arabië werd de islam geboren, het geloof dat zich een wereldrijk zou veroveren. Het begon zes eeuwen na het ontstaan van het christendom met de door Mohammed gegrondveste leer van de ‘overgave aan God’, een tweede aan de schoot van het jodendom ontsproten religie. Voor Mohammed en zijn landgenoten waren de joden geen vreemdelingen. Ze woonden in hun midden, in het reusachtige gebied van het schiereiland tussen de Rode Zee en de Perzische Golf, waarin het scheen dat de tijd had stilgestaan.

De Arabische woestijn
Ver verwijderd van de tonelen van de grote, wereldschokkende gebeurtenissen, in de uitgestrektheden van eindeloze zandvlakten, slechts doorsneden door eenzame, gevaarlijke karavaanroutes, waar nooit een groot leger langs had durven rukken, leidden de Arabieren sinds onheuglijke tijden in ongebonden vrijheid van vader op zoon een onveranderd bestaan. Ze hielden getrouw vast van hun oeroude zeden en leefden in gesloten stamgemeenschappen, waartussen vriendschap en bloedige veten elkaar met nooit aflatende regelmaat opvolgden.

Joden onder de Arabieren
Er waren dus ook joden daar. Niemand dwong hen hun ongetemde vrijheidsdrang en hun krijgshaftige houding op te geven. In taal, zeden en levensgewoonten onderscheidden ze zich nauwelijks van hun Arabische landgenoten. Jathrib gold als zetel van de joodse geleerdheid. Het aanzien dat de joodse stammen onder de oorspronkelijke bevolking genoten, was groot. Allen konden lezen en schrijven, een kunde die slechts weinig Arabieren machtig waren. Dezen danken dan ook aan de joodse geleerden hun nauwkeurige, uit maanmaanden opgebouwde tijdrekening. Van hen leerden zij een maand in te voegen in de jaren die bij het zonnejaar achterbleven.

Mohammed
Hoeveel geschiedenissen uit de Heilige Schrift en talloze, met dichterlijke fantasie gesmukte, bijbelse verhalen en legenden waren er niet bij de (Arabische) woestijnbewoners in omloop! Valt het dan te verwonderen dat menig sjeik sympathie voor het jodendom opvatte en zich bekeerde? Daar de Arabieren trouwens ook besneden waren, viel de overgang niet eens zo zwaar. In 570 werd Mohammed geboren. Ook hij werd door het jodendom beïnvloed. In Mekka groeit de jongeman op. Hier heerst vrede. Ieder jaar komen hier grote scharen pelgrims naar toe, want de stad herbergt een heel pantheon van Arabische godheden. Maar van oudsher kende men ook een onzichtbare God, de vader van alle goden: Allah. De pelgrims vereerden hem in een reusachtige steen, die in een klein gebouwtje, de Kaäba, werd bewaard.

Openbaringen van een engel
Mohammed werd koopman. Op zijn reizen leerde hij de vertellingen van het Oude Testament en van de Talmoed kennen, evenals geschiedenissen uit de evangeliën en christelijke legenden. Wat hem het diepste trof en een onuitwisbare indruk op hem maakte in het jodendom, was het geloof aan de ene, de wereld beheersende God van Abraham, van de aartsvaders en van de beroemde profeten van dit volk. Mohammed is veertig jaar oud wanneer er ontzaglijke veranderingen in hem optreden. Hij trekt zich in de eenzaamheid terug, visioenen en dromen bezoeken hem. In een grot verschijnt de engel Gabriël hem en openbaart hem goddelijke waarheden. Mohammed wordt de stichter van een godsdienst, dat maar één hoofdthema kent: ‘Er is slechts één God en Mohammed is zijn profeet’. Het wordt de geloofsbelijdenis van de islam. Gods openbaring kent zes trappen: Adam, Noach, Abraham, Mozes, Jezus en Mohammed. Na hem zijn er geen verdere profeten meer nodig.

Teleurgesteld in de joden
Mohammed begint het eerst in zijn geboorteplaats te verkondigen. Maar in Mekka faalt hij. De rijke kooplieden vernederen hem en treden vijandig tegen hem op. Zijn aanvallen op de afgoderij brengen veel bewoners van Mekka tegen hem in het harnas. Men begint hem te vervolgen. Hij vlucht in 622 uit Mekka. Hij gaat naar Jathrib. In deze stad – dat later onder hem de naam al-Medina, (dé stad) krijgt, dingt Mohammed naar de sympathie van de joden. Zijn hoop wordt echter teleurgesteld. Het merendeel is afwijzend. Toen verkeerde de sympathie van de profeet in haat. Hij brak voorgoed met de joden. Hij werd hun besliste en verbitterde vijand. Zijn grote doel wordt nu Mekka. Mohammed besluit de Kaäba in zijn macht te krijgen. Het traditionele pelgrimsoord van alle Arabieren moet een nationaal heiligdom worden!

De islam krijgt vorm
In 623 verandert hij de richting bij het gebed: van nu af moeten de gelovigen zich tijdens het bidden niet meer naar Jeruzalem, maar naar Mekka wenden. Ook het vasten op de joodse Verzoendag schaft hij af. Hij wijst in plaats daarvan de maand ramadan aan, die trouwens al van oudsher voor de Arabieren als heilig gold. Ook bepaalt hij dat alle Arabieren in duidelijke tegenstelling tot de joodse sabbat op vrijdag moeten rusten. Mohammed brengt zo zijn leer in harmonie met de overleveringen van zijn land – de islam wordt de nationale godsdienst van het Arabische volk.

Afrekenen met de joden
Het jodendom krijgt als eerste de vijandschap van de profeet te voelen. In een vierjarige oorlog verslaat Mohammed met zijn scharen alle in Arabië wonende joodse stammen. Het zou voorlopig de laatste maal zijn dat Israël zich van de wapens bediende om zijn godsdienst te verdedigen. Want van nu af onderwerpt het jodendom zich aan haar lot, het wordt passief. De vechters worden tot dulders die zelfs de zwaarste vervolgingen van de komende eeuwen zonder gewapend verzet over zich heen laten gaan. Vele uitspraken van Mohammed tegen de joden zijn vereeuwigd in de Koran. Hoewel de anti-joodse soera’s gemakkelijk tot fanatisme hadden kunnen opvlammen, kwam het door de eeuwen heen evenwel slechts zelden tot een uitbarsting. De islam bleek, nadat het een wereldmacht was geworden, uiterst tolerant te zijn.

De Rotskoepel
In 632 sloot Mohammed voorgoed de ogen. Palestina, Syrië en Egypte zijn aan het machtige Byzantium ontrukt en in het Tweestromenrland Babylonië bedwongen. De heilige oorlog had de wereldsituatie voorgoed veranderd. In 638 valt Jeruzalem. Ook zij leggen beslag op de oude, eerbiedwaardige plaatsen, zoals de Romeinen en de christenen dat eerder gedaan hadden. Hoog boven op de oude Tempelberg moest ingevolge de wens van kalief Omar ibn al Katab een moskee worden gebouwd als overwinningssymbool voor de islam temidden van de vroegere hoofdstad van het jodendom en van de heilige stad van het christendom. Pas een halve eeuw later liet kalief Abd el-Malik het prachtige koepelgebouw oprichten dat nu nog steeds boven het stadsbeeld van Jeruzalem uitsteekt.




Joden kunnen zich vrij bewegen…
Onmiddellijk na de capitulatie wordt de eeuwenoude, strenge beperking opgeheven: Omar staat de joden het betreden en het verblijf in Jeruzalem weer toe – tot grote ergernis van de christenen. De joden haalden ook in Alexandrië opgelucht adem, toen de Arabieren in 641 ook Egypte veroverden. Voor de eerste maal sinds de tijd van Alexander de Grote wonen de joden van de Nijl tot de Eufraat in één rijk verenigd! De joodse gemeenten kregen een grote mate van vrijheid. Opnieuw kregen ze het recht zich onder een exilarch, een vorst met politieke en rechterlijke bevoegdheden, in een eigen gemeenschappelijk bestel aaneen te sluiten. Het duurde niet lang of ook het geestelijk leven in Babylonië kreeg een nieuwe impuls. Met de gaon Mar Isaak, rector van een talmoedische hogeschool, begon een nieuw hoofdstuk in de joodse geschiedenis: het tijdvak van de geonim.

…Mits ze belastingen betalen
Arabië, het islamitische moederland, moest orthodox en vrij van alle ongelovigen blijven. Wilden zij echter hun nieuwe, ontzaglijke gebied niet volkomen ontvolken, dan moesten de kaliefen verdraagzamer worden. En aldus geschiedde. Wel mochten ongelovigen geen wapens bezitten, geen paarden berijden en moesten ze aparte kleding dragen. Streng verboden was de bouw van nieuwe bedehuizen. Ze waren uitgesloten van openbare ambten. Wie het waagde de profeet te beledigen of een islamiet te bekeren, werd met zware straffen bedreigd. De meeste verboden en beperkingen werden echter zeer spoedig verwaarloosd. De grote richtlijn voor de islamitische politiek jegens alle niet-islamieten werd een tekst uit de Koran: ‘Bestrijdt hen die niet geloven in Allah (…) totdat zij uit de hand de schatting opbrengen, in onderdanigheid’. Allen die niet islamitisch waren werden schatplichtig – en de belastingen waren drukkend zwaar.

Islam maakt sprong naar Europa
De geslaagde verdediging van Constantinopel redde het Avondland van een dreigende invasie van de Arabieren. Maar hoewel in het oosten de opmars mislukt en Byzantium een onneembare barrière tegen de islam opwerpt, veroveren de Arabieren nog in dezelfde eeuw geheel Noord-Afrika. In 675 valt Tunis in hun handen en in 670 wordt in het gebied van het oude Carthago een nieuwe stad gesticht, Kairoean. Het zou later het culturele middelpunt van het Noord-Afrikaanse jodendom worden. In 700 valt ook Marokko in Arabische handen. En in dit meest westelijke gedeelte van de Middellandse Zee lukt het de islam de sprong naar Europa te maken. In 711 landen ze op Gibraltar. Tot aan de Pyreneeën wordt Spanje van een groot christelijk land in Europa tot een kolonie van het Arabische kalifaat. Bij de verovering worden de Arabieren overal gesteund door de joden, die hen begroeten als de bevrijders uit de zware verdrukking. Zodra de islamieten een stad hebben ingenomen vertrouwen ze de stad bijna geheel aan de joden toe.

Karel Martel houdt ze tegen
Geheel Europa wordt nu ernstig bedreigd. Reeds vallen islamieten Gallië binnen. In de veldslagen bij Tours en Poitiers verslaat Karel Martel de Arabische strijdmacht. De tangbeweging van de Arabische wereldmacht is eindelijk tot staan gebracht. Europa is bevrijd uit de omsingeling die vanaf de Bosporus en vanuit Spanje had gedreigd. Met de verovering van Spanje werd voor de eerste maal een brug geslagen tussen de diaspora in het oosten en die in het westen. Joden komen onderling in contact. Voor de joden is plotseling de poort van de wereld wagenwijd opengegaan. Na lange tijden van onbeweeglijkheid begint een machtig trekken: scharen joden – geleerden en artsen, kooplieden, handwerkers en boeren – volgen de Arabische overwinnaars. Nu begint een tijd van ongestoorde vrede en buitengewone culturele en geestelijke bloei.

Bagdad
Bij de keuze van de nieuwe hoofdstad stond een jood aan de wieg ervan. Joodse astrologen berekenden aan de hand van horoscopen de plek: Bagdad, aan de Tigris, ‘stad van het heil’. Geen beroep blijft voor de joden gesloten. ‘Er mag in het geloof geen dwang bestaan’, zo zegt de Koran. Wie de vaak duizelingwekkend hoge belastingen betaalt, ziet alle deuren voor zich geopend. Zeer spoedig maken de joden zich het Arabisch eigen en wordt het Aramees verdrongen. Ontelbare joodse vertalers brengen de islamieten van die tijd af de schatten van de wetenschappelijke literatuur van de Antieken, die daarmee voor de mensheid bewaard bleef. Kaliefen en op kennis beluste beschermers van kunsten en wetenschappen zenden hun boden uit om alle nog bestaande wijsgerige en natuurwetenschappelijke, astronomische, wiskundige en medische geschriften van de Grieken in handen te krijgen. Onder de islamieten bereiken wetenschap en onderzoek een ongekende, nieuwe hoogte.

Bagdad als middelpunt joodse wereld
Babylonië blijft het geestelijk middelpunt van het jodendom over de hele wereld. De exilarch heeft zijn residentie in Bagdad. Aan het hof van de kalief behoort hij tot de hoogste waardigheidsbekleders. Hij geldt als het ware als een vorst van een schatplichtig volk. Waar een gemeente dan ook in gevallen van twijfel omtrent kwesties van de joodse wet goede raad of een nadere uitleg nodig had, wendde men zich tot de geleerden in Mesopotamië. De geonim hadden geen enkel wereldlijk machtsmiddel tot hun beschikking om het strikte naleven van hun beslissingen af te dwingen van broeders in het geloof die heel ver van hen vandaan woonden. En toch werden zij erkend en gevolgd en alle gemeenten in de diaspora onderwierpen zich vrijwillig aan de joodse geleerden aan de Eufraat.

Joodse godsdienstfilosofie
Aan de hogescholen begonnen geleerden zich met het humanistische denken bezig te houden en lang voordat het christelijke Avondland van de grootste denkers uit de Oudheid kenniskan, hielden de joden zich al bezig met de leer van Aristoteles, waarover grote meningsverschillen waren ontstaan. Saadia ben Joseph, de grootste van alle geonim en schepper van de joodse godsdienstfilosofie, was, zoals Philo van Alexandrië vóór hem, een voorstander van de opvatting dat het joodse geloof zich wel degelijk laat rijmen met de steeds verder voortschrijdende ontdekkingen en gedachtensystemen. In een gedurfde gedachtengang bewijst hij de schepping van de wereld uit het niets, het bestaan van de eenheid van God en hij staaft zijn eigen godsdienst met verstandelijke argumenten.

Goede tijd onder Karel de Grote
De 8e eeuw brengt voor Israël op het toneel van het Avondland een hoopgevende en veelbelovende ommekeer. Met de opkomst van de Karolingers begint ook in de andere landen van Europa voor het jodendom een tijd van vrede en ongestoord bestaan. Karel de Grote (768-814) maakt een einde aan de onverdraagzame politiek jegens de joden. Zijn opvattingen van de taak van het staatsbestuur zijn veel te nuchter en te zakelijk om ze in dienst te stellen van een kerkelijke politiek. Hij deinst er niet voor terug bepalingen van de kerk en besluiten van concilies naast zich neer te leggen. De paus was er niet blij mee: ‘Door bezorgdheid overweldigd en dodelijk beangstigd ontvingen wij van u het bericht dat het jodenvolk (…) volledig met de christenen is gelijkgesteld’.

Het nut van de joden
Karel de Grote nam de joden onder zijn voogdij. Hij waarborgde de bescherming van hun leven en eer, hun godsdienstoefeningen en eigendommen. Tevens veroorloofde hij hun de vrijheid om handel te drijven. Wel waren de joden elk jaar een betaling schuldig van een tiende deel van hun inkomen. Karel de Grote moedigde de joden aan om economisch bezig te zijn; hij had zeer goed begrepen van hoeveel nut en voordeel een vlijtige en ondernemende joodse bevolking met haar veelzijdige kennis en bekwaamheden voor een nog in opkomst zijnd land kon zijn. De joden waren de stuwende kracht van een internationale handel.

Joden zorgden voor contact tussen de twee werelden
Rondom het Avondland was als het ware een reusachtig IJzeren Gordijn neergelaten. Het Arabische wereldrijk had voor alle christelijke landen, van de Atlantische Oceaan in een grote boog tot aan de Kaukasus, een geweldige grendel geschoven. De eens zo levendige handel over de Middellandse Zee verliep. De stroom van goederen en koopwaren uit het oosten was opgedroogd, peper en kruiden werden zeldzame kostbaarheden. Alleen de joden waren nog in staat de verbinding tussen het christelijke Avondland en het islamitische Morgenland in stand te houden. Alleen zij mochten ongehinderd de islamitische landen bereizen. Wie in het Avondland sprak vreemde talen? Maar zij kenden vele talen als niemand anders. Joodse kooplieden waren ook de eersten die een levendig contact met het Verre Oosten onderhielden, al vierhonderd jaar voordat Marco Polo naar China ging.

Lodewijk de Vrome
De rechten en de bescherming die de joden onder Karel de Grote voor de eerste maal waren verleend, werden onder zijn opvolgers verder uitgebreid en bevestigd. Lodewijk, die daarom de bijnaam ‘de Vrome’ kreeg, ging tegen de bepalingen van het canonieke recht in, die iedere zeggenschap van een jood over christenen nadrukkelijk verbieden. Hij gelaste zelfs het verleggen van de wekelijkse markten van de zaterdag naar een andere dag. Vanuit het zuiden van Frankrijk, dat bijzonder dicht met joden bevolkt was, breidden zij zich over het noordoosten uit. Vele van de nieuwe nederzettingen ontstonden op precies dezelfde plaatsen waar vijfhonderd jaar tevoren reeds joden hadden gewoond, bijvoorbeeld in het oeroude Keulen. Tussen de tijd van die allereerst joodse gemeenten en de tijd van de Karolingers is een hiaat. Wat in de daartussen liggende, stormachtige eeuwen hun lot was, weet niemand.

De joden woonden overal
Overal kwamen de joden te wonen. In de steden woonden ze bij elkaar, altijd in de onmiddellijke nabijheid van de godsdienstschool, het badhuis en vooral de synagoge, die men op de sabbat met enkele schreden moest kunnen bereiken. Sommige steden hadden complete joodse voorsteden, zoals Béziers, Nîmes en Arles. Maar ze leefden nooit afgescheiden van de andere burgers. Er waren ook geen economische tegenstellingen, want ook de joden bedreven landbouw. Het volk achtte hen. Niet zelden werd de godsdienstoefening in de synagogen ook door christenen bezocht. Geestelijken schrokken er niet voor terug geleerde joden bij de uitlegging van de Heilige Schrift om raad te vragen. Ook aan het hof waren ze. Onder Karel de Grote en Lodewijk de Vrome was voor de joden dus een gouden tijdperk van verdraagzaamheid aangebroken. Maar dit zou niet lang zo blijven.

Stijgende invloed geestelijkheid
Het was namelijk een doorn in het oog van de katholieke geestelijkheid, die dit alles als een groot gevaar beschouwde. Agobard, aartsbisschop van Lyon, leidt de hartstochtelijk en hardnekkig gevoerde strijd tegen de voorrechten en privileges van de joden. De aanspraken beginnen zich af te tekenen die de kerkelijke macht over staat en samenleving wil laten gelden. Na de dood van Lodewijk verbrokkelt het imperium. Een gaandeweg stijgende invloed van de geestelijkheid begint. Maar de heersers weerstaan nog alle pogingen van kerkelijke zijde; afgezien van enkele uitzonderingen blijven vervolgingen en vernederingen voor de joden nog steeds een onbekend hoofdstuk. Tot de kruistochten woonden de joden ook in Duitsland ongestoord. Wegens het nut dat ze meebrachten waren de bisschoppen bereid de strenge canonieke voorschriften te vergeten.

Rabbinisme
In het hart van Europa zijn nieuwe wetenschappelijke centra ontstaan: een reeks academies die langs de Rijn werden gesticht. Gersjom ben Juda uit Mainz werd de vader van het rabbinisme. Als meor ha-Gola, ‘fakkel der ballingschap’, ging hij de geschiedenis van zijn volk in. Met zijn hogeschool kwam het geestelijk leven in de Duitse en Franse landen aan de Rijn tot grote bloei. Tot ver over de grenzen werden de ‘geleerden van Lotharingen’ beroemd. Onder de leerlingen van een leerling van hem bevond zich ook de man die later als grootste commentator van de Bijbel en de Talmoed de duurzaamste invloed op het jodendom van de middeleeuwen zou uitoefenen: rabbijn Salomo ben Isaak, kortweg ‘Rasji’ genaamd.

Rasji
Rasji werd wijnbouwer en pas na de dagelijkse arbeid in de wijngaard wijdde hij zich aan zijn studie en onderzoekingen. Hij stichtte in zijn geboortestad Troyes een eigen talmoedschool. Rasji ontsloot voor de Europese joden de schatten van de Babylonische Talmoed. Hij slaagde erin de ontzaglijke codex, waarvan het begrijpen voordien een lange studie vereiste, overzichtelijk en duidelijk van commentaren te voorzien, zodat iedereen deze nu kon bestuderen. Het was voor iedereen begrijpelijk, zelfs voor de gewone man. Dit commentaar werd zeer ijverig bestudeerd en had mede een beslissende invloed op de christelijke exegese. Zoals reeds in de dagen van de kerkvaders werden de joden opnieuw de leraren van de christelijke exegeten. Een franciscaan citeerde de joodse geleerde zo vaak dat hij de bijnaam ‘Rasji’s aap’ kreeg. Voor de eeuw ten einde was, brak met de eerste kruistocht een tijd van bloedige vervolging over de joden los. Rasji zelf was nog getuige van de vernietiging van bloeiende gemeenten aan de Rijn. ‘Wij mogen niet tegen Gods besluiten morren, hoewel misdadigers ons bedreigen’, schreef hij in 1096. ‘Reeds lang zijn wij als verstard van schrik. Zelfs in het heilvolle werk van de bestudering van de Thora kunnen wij geen troost vinden. Diep is onze smart’.

De stad Córdoba
Twee eeuwen na de verovering door de islamieten breekt voor het jodendom in Spanje een gouden tijdperk aan. Het was een unieke ontplooiing van geestelijk leven dat op het gebied van wetenschap, dichtkunst en wijsbegeerte een nooit tevoren gekende hoogte zou bereiken. Het beroemde kalifaat van Córdoba was onafhankelijk van Bagdad. Het werd een machtig en bloeiend rijk. Materiële welvaart en hoogontwikkelde cultuur maakten Spanje gedurende bijna een hele eeuw tot hoofd van de beschaafde wereld. Sevilla, Granada, Lucena, Toledo, Almeria, Murcia en Valencia waren bloeiende steden. Maar Córdoba was de schitterende hoofdstad en residentie van de kalief. De roem van deze stad drong tot alle landen door. De stad was met zijn 28 voorsteden de grootste stad van Europa. Zij herbergde – in een tijd dat buiten Constantinopel geen enkel andere stad meer dan 30.000 zielen telde – bijna een half miljoen inwoners.

Het Chazarenrijk
In deze stad begon een unieke ontwikkeling van de Spaanse joden. Chasdai ben Isaak ibn Sjaproet werd lijfarts aan het hof. Maar daar bleef het niet bij. De kalief vertrouwde hem ook geheel andere taken toe: belangrijke staats- en regeringsaangelegenheden. Hij werd minister. Van gezanten uit Chorosan in Perzië kreeg hij op een dag een vreemd aandoend bericht: zij vertelden hem van een ver rijk dat in het stroomgebied van de Wolga en aan de oevers van de Kaspische Zee gelegen was en waarover een joodse koning heerste. Hier bleek koning Jospeh te regeren, over de Chazaren, geen afstammelingen van de stammen Israëls, maar van heidense oorsprong en verwant aan de Turken. Omstreeks 740 was hun koning na een twistgesprek tussen een christen, islamiet en jood tot het jodendom bekeerd. Met de opkomst van Rusland was het niet lang daarna gedaan met het Chazarenrijk.

Einde kalifaat van Córdoba
Dus terwijl het christelijke Europa in onwetendheid verkeerde, kwam in het Spaanse kalifaat een unieke culturele bloei tot stand. In Córdoba ontstond een bibliotheek die in Europa haar weerga niet vond. Ze telde een schat van bijna 400.000 delen. Er woonden in de stad bijna duizend rijke joodse families. Er was onder de joden een ware wedijver in de meest uiteenlopende takken van wetenschap. Een veelzijdige kennis gold bij zowel joden als islamieten als sieraad voor een man. Barbarijse soldaten, uit Noord-Afrika afkomstig en jarenlang als huurlingen voor de grensoorlogen met de christelijke vorstendommen het land binnengehaald, werden het noodlot van het machtige rijk. In 1013 drongen ze de hoofdstad binnen; dagenlang stond de schitterende metropolis bloot aan plunderingen en vernielingen. Deze troffen ook de grote joodse gemeente. In een bloedige burgeroorlog ging het kalifaat van Córdoba ten onder. Een groot aantal islamitische koninkrijkje kwam ervoor in de plaats.

Jodenvervolging in Granada
In één daarvan klom wederom een zeer geziene joodse staatsman op: Samuel Hanagid. Toen die stierf volgde zijn zoon Joseph hem op. Toen er in 1066 een inval door een aangrenzend volk werd gedaan, verbreidde zich het gerucht dat hij de vijanden naar het land had geroepen. Een woedende menigte bestormde zijn paleis, vermoordde hem en sleepte hem door de stad. Meer dan 1500 joodse families van Granada werden op die dag omgebracht. De vervolging verbreidde zich over het gehele land: alle joden moesten vluchten uit het rijk waarin zij 500 jaar in vrede hadden geleefd. De bloedige opstand in Granada bracht de eerste jodenvervolging op het Isberische schiereiland mee sinds de heerschappij van de islam.

Joden toch nog een tijdje met rust gelaten
De reconquista, de herovering van Spanje, begon ook. Toledo, de oude West-Gotische konings- en hoofdstad van Spanje kwam in 1085 weer in christelijke handen. De islamieten wilden de christelijke opmars stuiten en haalden gewapende hulp uit Noord-Afrika. Dit was eerst wel een succes, maar het bleek dat ze een eigen vijand het land hadden binnengehaald. Het duurde niet lang of het zuiden van Spanje veranderde in een toneel van bloedige binnenlandse gevechten. De joden werden nog met rust gelaten. Terwijl aan de andere zijde van de Pyreneeën met de eerste kruistocht het onheil over de joodse gemeenten van Midden-Europa losbrak, kende de Gouden Eeuw van het jodendom in Spanje zijn hoogste bloei. De joodse dichtkunst en wijsbegeerte ontplooiden zich als nooit tevoren.

De liederen van Halevi
In 1085 zag Jehuda Halevi het levenslicht. Zijn liederen, vervuld van een onstilbaar verlangen naar het Heilige Land, spreken steeds weer van zijn bewogenheid over het lot van de nooit eindigende ellende van Israël. Zijn verlangen en streven gaan uit naar het oude vaderland, naar het verloren en verwoeste Sion. Door zijn gedichten – meer dan driehonderd in getal – werd Halevi de lieveling van zijn volk. Vergeefs zochten zijn vrienden hem af te houden van de gevaarlijke tocht naar Palestina, dat juist door de kruisvaarders was veroverd. Het verdere lot van de dichter is niet bekend. Slechts één sage weet te verhalen: toen Halevi Jeruzalem van verre aanschouwde, wierp hij zich ter aarde en hief hij zijn beroemde treurzang aan: ‘Sion, vraagt gij nog naar het lot der verdoemden?’ Op dat ogenblik zou een ridder zijn komen aanrijden en de op de grond hurkende man hebben overreden. Met de onsterfelijke verzen van zijn grootste lofzang op de lippen, blies Halevi de laatste adem uit. Nog heden wordt de ‘Sionide’ van deze weergaloze dichter op de vastendag van 9 Ab voorgelezen in de synagogen.

Na 750 jaar het land verlaten
De dichtkunst had haar hoge vlucht beëindigd, de wijsbegeerte moest haar vleugels nog uitslaan. Maar eerst zou het joodse leven in Spanje door een vernietigende slag worden getroffen – in hetzelfde jaar waarin de tweede kruistocht in Midden-Europa begon. De gelukkige Arabische periode brak plotseling af. Uit Afrika kwamen onverzoenlijke islamitische strijders die ook in Noord-Afrika de verdraagzame islamieten al hadden verdrongen. Wie niet bereid was tot de islam toe te treden, moest het land verlaten. Een golf van vervolgingen trof de joodse gemeenten en alle synagogen werden verwoest. De grote massa trachtte dit gewetensconflict te ontlopen. In hele menigten haastten de vluchtelingen zich naar het noorden, naar de christelijke staten. Wederom had Israël een vertrouwd geworden vaderland – ze hadden er 750 jaar gewoond – verlaten en opnieuw zijn zwerftocht moeten beginnen. Geen enkele jood die openlijk voor zijn geloof uitkwam was in de islamitische gebieden achtergebleven.

Maimonides, de tweede Mozes
De man die alle geleerden van de Arabisch-Spaanse school overtrof, die als één van de voornaamste denkers in de geschiedenis van het jodendom geldt, volbracht zijn veelomvattend levenswerk in Egypte: Moses Maimonides, die door het volk met de naam ‘tweede Mozes’ werd vereerd. Hij was in 1135 in Córdoba geboren, moest later vluchten van stad tot stad. Hij verdiepte zich in het wijsgerige stelsel van Aristoteles, wiens trouwe aanhanger hij zijn gehele leven bleef. Uiteindelijk kwam hij dus in Egypte terecht, waar ze na bijna twintig jaar zwerven eindelijk rust vonden. Moses begon de Talmoed, waaraan gedurende bijna duizend jaren steeds weer nieuwe wetten waren toegevoegd en die tot een waar labyrint was uitgegroeid, te ontwarren en overzichtelijk te ordenen. Als vrucht van een scheppende arbeid die tien jaar duurde ontstond een geweldig werk: de ‘Misjne Thora’, de herhaling van de wet. Er was een nieuw handboek voor de praktijk ontstaan.

Aristoteles
Van alle zijden wendde men zich tot hem om raad en voorlichting. Naast zijn beroep als arts en zijn arbeid als rabbijn, vervolgde hij, van ’s morgens vroeg tot diep in de nacht werkend, zijn studie en bezigheden als wetenschappelijk schrijver. Hij schreef medische artikelen en een handleiding over hygiëne. Zelden was het leven van een geleerde zo vervuld van zulk een onvermoeid, vruchtbaar en veelzijdig scheppen. In zijn ‘Gids der verdoolden’ ontwikkelde hij een godsdienstfilosofie voor het jodendom, onderneemt hij de dappere, grootste poging in het jodendom twee wereldbeschouwingen, geloof en kennis, met elkaar te verzoenen. Maimonides ging ervan uit dat het geloof ‘met de eisen van het verstand moet overeenstemmen’. Niet slechts het geloof, maar ook het verstand is een bron van openbaring. ‘Het ene is voor de mens in de Bijbel belichaamd, het andere in de wijsbegeerte van Aristoteles’, zo zei hij.

Geen relevantie
Zo schiep hij een eigen metafysica, ervan overtuigd dat ‘het gehele heelal niets anders is dan een verwezenlijking van de eeuwige ideeën van God’. Onder de streng gelovige rabbijnen uit de Provence ontketende dit boek een ware storm: door hen werd het boek als gevaarlijk voor het geloof gedoodverfd. Voor het jodendom in het hart van Europa kwam Maimonides niet op de juiste tijd. Toen hij zijn ‘Gids der verdoolden’ schreef waren de ellende en de vervolgingen al begonnen. In dat leed konden slechts gebed en bijbellezing kracht en troost brengen, maar nimmer filosofische bespiegelingen.

Van Morgen- naar Avondland
De gehele erfenis van de Antieken, in eeuwen van nijver onderzoek en vlijtige studie uitgediept en uitgebreid, bevond zich in de bibliotheken van de Arabische universiteiten en in joodse scholen. Langs vele kanalen begon omstreeks het jaar 1000 dit culturele bezit voor de eerste maal door te sijpelen naar de landen van Midden-Europa. Een nieuwe denkwijze trad in de plaats van het scholastieke denken en in de renaissance en het humanisme baande zij de weg voor het grote geestelijke ontwaken waarmee de middeleeuwen eindigden en de ‘Nieuwe Tijd’ zou aanbreken. Een streek in het zuiden van Frankrijk, voor de poorten van Spanje gelegen, scheen voorbestemd te zijn als één van de grote middelaars tussen Morgenland en Avondland: de Provence, met steden als Marseille, Narbonne, Montpellier, Arles en Aix. Dit meest zuidelijke deel van West-Europa, een ware opslagplaats van wetenschap, werd tot een grote sluis voor de stroom van geestelijke goederen en kennis. Hier ontstonden beroemde vertalingen.

Het begin van lange, droevige en donkere eeuwen
Zuid-Italië was in die tijd naast de Provence de andere belangrijke ‘brug van het Morgenland naar het Avondland’ geworden. Ook hier waren veel vertalers joden. De tijd was rijp, meer dan rijp. De rijke schatten van de menselijke kennis en vooruitgang lagen voor het grijpen. Men behoefde in het Avondland slechts toe te tasten. Maar de machten die daar heersten, spraken hun veto uit; zij zagen in dit alles een gevaar voor het geloof. De werken van de grote denkers kwamen op de index (lijst door de kerk verboden boeken). En Europa sloeg een andere weg in, begon de tocht door lange, droevige en donkere eeuwen.

De eerste kruistocht
‘En er viel een diepe duisternis over ons’, zo schreef een jood in 1096. De middeleeuwen zouden voor de joden een hel worden. Op het concilie van Clermont in 1095 vraagt paus Urbanus II aan vorsten en ridders om Jeruzalem – ‘het middelpunt van de aarde en het tweede paradijs’ – van de ongelovigen te bevrijden. Aan alle deelnemers worden vérstrekkende aflaten en andere gunsten beloofd. Slechts zelden heeft een toespraak zulke ongewone, zulke vérdragende gevolgen gehad. Gehele volken komen in beweging. Maar intussen duiken ook troepen op die reeds in het eigen land en op eigen houtje een geheel andere kruistocht beginnen: plunderend en moordend werpen zij zich op de joden, ‘wier voorvaderen onze Heiland hebben gekruisigd’. Het sinds de vierde eeuw gangbare begrip van ‘godsmoordenaars’ deed op steeds noodlottiger wijze zijn uitwerking gevoelen.

Massale zelfmoord
Het ontbrak de keizer aan macht en zijn bevelen werden in de wind geslagen. De bisschop van Spiers laat enkele opruiers voor straf een arm afslaan. De joden verleent hij toevlucht in zijn eigen paleis. Verder kunnen de instanties weinig doen tegen de jodenvervolgingen. Veel joden benemen zichzelf uit wanhoop het leven, de moeders doodden eerst hun kinderen en daarna zichzelf. Hun laatste gebed was het Sjema Israel. De joden in de bisschoppelijke burcht worden ook achterhaald. Ze moeten gedoopt worden, maar ze krijgen bedenktijd. Toen deze verstreken was, kreeg men een gruwelijk schouwspel te zien: geen enkele jood leefde nog. Ze hadden zich van het leven beroofd. De kruisvaarders spaarden zelfs de doden niet. ‘Zij schudden hen naakt uit’.

Joden naar de doopvont gesleept
Een jongeman die men met geweld had gedoopt wreekte zich: hij trok een mens en stak drie van zijn aanvallers dood. De menigte scheurde hem in stukken. In Mainz gebeurden ook zulke dingen. De joden sterven liever door eigen hand. De vader offerde zijn zoon, de broeder zijn zuster, de moeder haar dochter, de buurman zijn buurman, de bruidegom zijn bruid. De joden van Praag worden naar de doopvont gesleept en allen die zich verzetten worden gedood. Vergeefs verhief de bisschop zijn stem tegen het gedwongen dopen. Keizer Hendrik IV, die terugkwam van een reis, hoorde toornig en vol afschuw van deze gruwelijke gebeurtenissen. Hij gelastte een streng onderzoek naar de jodenmoorden. Het bloedbad dat na eeuwen van rust als een donderslag bij heldere hemel over hen was gekomen, liet bij de joden diepe, onuitwisbare sporen achter. Voor de eerste maal was in het Avondmaal een brede kloof tussen jodendom en christendom ontstaan. Boetgebeden en godsdienstige klaagliederen vol duister leed, vervuld van smart om de doden, bewaren de herinnering aan deze tijd van verschrikking.

Jeruzalem wordt christelijk
Op 15 juli 1099 valt Jeruzalem. Alle niet-christelijke inwoners worden vermoord: of het nu islamieten of joden zijn. Jeruzalem wordt een christelijke stad, de hoofdstad van een koninkrijk dat dezelfde naam droeg en waarvan de machtssfeer zich weldra over geheel Judea, Galilea en de kuststrook van Jaffa tot Tyrus uitstrekte. Vele joden vertrokken. Een halve eeuw blijft de rust in het heilige land bewaard. In 1146 roepen paus Eugenius III en de Franse abt Bernardus van Clairvaux opnieuw tot een kruistocht op, omdat er gevaar dreigde. Ook begon men weer tegen de joden te ageren. Aan de Rijn trok een monnik van stad naar stad en predikte hun bekering of uitroeiing. Bernardus van Clairvaux keerde zich in een brief die hij in Frankrijk en Duitsland liet verspreiden fel tegen dit ophitsen. Hij spoorde nadrukkelijk aan de joden te sparen. Het zou de joden nog veel erger zijn vergaan als keizer en kerkvorsten hen niet hadden beschermd. Geen jood was zijn leven zeker. Pas na het vertrek van de kruisvaarders naar het beloofde land konden zij herademhalen.

Pierre Abelard verheft zijn stem
‘Joden mishandelen houdt men voor een Gode welgevallig werk. Want een ballingschap zoals de joden die ondergaan, kunnen de christenen alleen maar uitleggen als een uiting van Gods diepe haat. (…) Akkers en wijnbergen kunnen de joden niet bezitten, omdat er niemand is die hun de eigendom ervan garandeert. En op die manier rest hun alleen nog maar het beroep van geldschieter, dat hen daardoor nog gehater maakt bij de christenen’, aldus de Franse scholasticus Pierre Abelard (gelatiniseerd tot Petrus Abaelardus), die vol medegevoel het bittere lot van de opgejaagde joden schilderde. Hij was echter een roepende in de woestijn, niemand luisterde naar hem. Na de kruistochten volgde de duistere periode van de middeleeuwen – drie eeuwen waarin de verschillende brandpunten van het jodendom in West-Europa aan de verwoesting werden prijsgegeven.

Weer joden naar Jeruzalem
De nederlaag van de kruisvaarders in de slag bij Tiberius bracht bijna het gehele christelijke Palestina in handen van de islamieten. De derde kruistocht kon het verlorene niet terugwinnen. Slechts Akko kon na een bloedige veldslag worden ingenomen en in het kustgebied werd weer vaste voet verkregen. Onder bescherming van de islamieten werd in Jeruzalem opnieuw een talrijke joodse gemeente gevormd. Bijna driehonderd rabbijnen uit Frankrijk en Engeland trokken in 1211 naar Palestina. Ze werden er gastvrij opgenomen. De talmoedwetenschap, die in het hart van Europa tot hoge ontwikkeling was gekomen, kreeg in het Morgenland een nieuwe woonplaats. Bij de vierde en laatste kruistocht ging men aan de Bosporus aan wal. In een bloedige broederstrijd bevocht en onderwierp het Latijnse christendom het Griekse. In 1203 werd Constantinopel stormenderhand genomen.

Joden tot paria’s
Het pausdom bereikte het hoogtepunt van zijn macht. De man op de stoel van Petrus kon alle monarchen en vorsten en al hun onderdanen zijn wil opleggen. Het zou zijn stempel drukken op alle volken, maar vooral op het joodse. Want harder dan alle anderen werden de in Europa wonende joden getroffen. Iemand zei: ‘De paus was niet de opvolger van Petrus, maar van Constantijn’. De joden werden door de kerkelijke politiek van de paus tot een groep paria’s. Ze werden vernederd, hun bestaansmogelijkheden werden steeds meer beperkt. Het doel was niet het uitroeien van de joodse mensen, maar het volharden in hun godsdienst moest de joden worden tegengewerkt.

Joden moeten kentekenen gaan dragen
De anti-joodse wetten van de vroegchristelijke kerk werden vernieuwd, nadat deze zeven eeuwen lang niet meer van kracht waren geweest. Joden en niet-joden mochten niet meer tussen elkaar wonen: de eerste stap naar het getto. In 1215 kwam er zelfs een verbod om christelijke beroepen uit te oefenen. Ook moesten joden (zowel man als vrouw) zich in alle christelijke landen op openbare plaatsen steeds door een bijzondere soort kleding van de overige bevolking onderscheiden. Als motief werd opgegeven het verhinderen van het als misdaad beschouwde geslachtsverkeer tussen christenen en joden. Joden moesten ook een ‘Kaïnsteken’ dragen. Dit werd in heel Europa een normaal verschijnsel. Engeland koos een kenteken in de vorm van de twee stenen tafelen met het inschrift van de Tien Geboden. In Frankrijk moesten joden een rood stof in de vorm van een wil op de bovenkleding dragen; in Duitsland was het een geel stuk stof.

Jodenhoed
In 1267 kwam hier nog bij een beschamend hoofddeksel: de ‘cornutius pileus’, een hoge hoed met twee punten, opdat men hen reeds van verre zou kunnen onderscheiden. Het bleef niet slechts bij het ‘jodenteken’ en de ‘jodenhoed’. Er kwamen andere vernederende gebruiken, zoals het stenen gooien naar de joden bij Pasen. Herhaaldelijk werden de joodse gemeenten gedwongen uit hun midden de beulen aan te wijzen, functionarissen die als eerloos werden beschouwd, vaak werd de galg op hun begraafplaats opgericht. Men verbood hun de openbare badhuizen te betreden of liet hen slechts toe op de dagen die eigenlijk voor de prostituees waren gereserveerd.

Geen joden meer in christelijke beroepen
De christelijke samenleving met haar streng geleide ordening, met haar feodaal stelsel en standbegrippen, had voor hen geen plaats meer. Geen jood mocht nog een christelijk beroep uitoefenen. De joden met hun techniek van bodembewerking en bevloeiing, ze hadden oosterse specerijen en Chinese zijde naar Europa gebracht, ze hadden een eigen methode gevonden voor het verven van textiel en ververijen opgericht en ze hadden de Europese cultuur verrijkt. Voor het jodendom begon een diep ingrijpende maatschappelijke omwenteling. Zonder arbeidskrachten, die de kerkelijke voorschriften hun streng verboden, was geen land- en tuinbouw, geen fruit- en wijnteelt mogelijk. Bovendien werden er al zeer spoedig overal wettelijke bepalingen uitgevaardigd dat een jood geen grond in vrij en onbezwaard eigendom mocht bezitten.

Lenen tegen rente
Door de gilden werd bepaald wie een handwerk mocht beoefenen. Maar slechts christenen mochten als lid toetreden. De anti-joodse voorschriften in de steden groeiden aan tot steeds langer wordende lijsten. Soms was het bedoeld om de lastige joodse concurrentie uit te schakelen. Er bleef hun nog slechts een door het christendom geminachte bezigheid: het als verwerpelijk en zondig gedoodverfde bedrijf van het lenen tegen rente. Iedere christen die het nog waagde tegen rente geld uit te lenen, werd bedreigd met ontzegging van een christelijke begrafenis (1179). Slechts niet-christenen hadden geen gevolgen te vrezen die de kerkelijke veroordeling van de ‘woeker’ met zich meebracht.

Kredietverleners
Van nu af namen de joden de functie van de kredietverlening over, een belangrijke functie, want geen samenleving of economie, hoe primitief ook, kan erbuiten. Ze hadden voor dit beroep geen enkele aangeboren neiging. Godsdienstig bestonden er ook bezwaren tegen deze nieuwe bron van inkomsten. Deze kredietverlening was in strijd met het strenge bijbelse verbod (Ex. 22:25). In de Talmoed was dit verbod zelfs nog uitgebreid. De joden stonden dus voor een dilemma. Tenslotte moesten ze rekening houden met de nood der tijden en toegeven.

Kamerknechtschap
Zij financierden hofhoudingen van koningen en vorsten, oorlogen en bouwwerken. De kerk maakte er ook gaarne en vaak gebruik van. Zo werden er kathedralen mee gebouwd. De suprematie van de joden in de financiële wereld bereikte in de 13e eeuw haar hoogtepunt. Maar de schaduwzijde bleef niet uit. De vorsten begonnen de joden als onuitputtelijke geldbron te beschouwen. Hun rechtspositie verslechterde. De joden werden volledige eigendomsobjecten van de koningen. Hieruit groeide het ‘kamerknechtschap’ voor alle joden van Duitsland. Zij golden nu voortaan als ‘dingen waarop rechten bestaan’, waarover de bezitter vrijelijk mocht beschikken. Hun kon naar willekeur belasting worden opgelegd, hun eigendom kon zonder meer in beslag worden genomen. Het opende de deuren voor de grofste misbruiken. Ook kwam de kerk nog op de proppen en verlangde van de joden de ‘tiende penning’.

Politiek van plundering
Het volk begreep niets van de onontbeerlijkheid van de joden als kredietverleners. Achter de gewelddaden tegen de joods gemeenten verborgen zich vaak louter economische motieven. Niet zelden waren het juist die ophitsers die aan hun slachtoffers grote sommen geld schuldig waren. Was de joodse schuldeiser gedood en de schuldbekentenis verbrand, dan had de schuldenaar geld en rente gewonnen. De joden vielen ten prooi aan de ergste politiek van plundering. Vooral de toestand van de Engelse joden was op een gegeven moment zo ondraaglijk dat er nog slechts één hoop overbleef: emigreren. Ze moesten daar namelijk in 1239 een derde deel van hun vermogen afstaan. ‘Het komt ons voor dat onze heer, de koning, ons van de aardbodem wil verdelgen. Wij smeken u dan ook in naam van God ons te laten vertrekken’. De koning dacht er niet aan de joden uit het land te laten vertrekken.

Rituele moord
Uit de heidense tijd stamde een afschuwelijke en noodlottige beschuldiging die de joden in een gruwelijk licht plaatste. Plotseling dook deze ook in het christelijke avondland op: de leugen van de rituele moord. In verscheidene Franse steden waren onder het volk plotseling afschuwelijke verhalen de ronde gaan doen. In 1171 werden in Blois 34 mannen en 17 vrouwen levend verbrand. De sterfdag van deze martelaren werd tot een vasten- en rouwdag, die de gemeenten ieder jaar herdachten. Maar het was slechts een voorspel. In 1181 waren bij Wenen drie jongens die op het ijs hadden gespeeld verdwenen. Enkele christenen meldden zich die beweren te hebben gezien hoe joden de jongens in een huis hadden gelokt en als offerdieren geslacht. Er kwam een proces en 300 joden werden ter dood veroordeeld. Toen het ijs in het voorjaar ontdooide, viste men de gave lijken van de kinderen uit de Donau op. Zij waren verdronken…

Niet tegen te houden
Keizer Frederik II sprak in 1236 alle joden van Duitsland van de beschuldiging vrij en verbood iedereen die lasterlijke aanklacht tegen het te herhalen, want ‘noch in het Oude, noch in het Nieuwe Testament is een aanwijzing te vinden dat de joden begerig zouden zijn naar mensenbloed. Integendeel hoeden ze zich juist voor bevlekking met alle bloed’. Maar dit bevel vermocht de verdere verbreiding van de heilloze legende niet tegen te houden. Onopgehelderde, op christenen gepleegde moorden leidden voortaan tot eigenmachtige, van martelingen, doodslag en plundering vergezelde overvallen op de joodse gemeenten in de omgeving van het misdrijf. Niet zelden werden lijken van christenen zelfs heimelijk in joodse huizen neergelegd om de verdenking op de bewoners te werpen.

Zelfs een pauselijke bul
Paus Innocentius IV sprak zich uit in een bul: ‘Omdat wij de joden, wier bekering God in Zijn barmhartigheid nog steeds verwacht, niet onrechtvaardig willen zien kwellen, gelasten wij u hen vriendschappelijk en welwillend te bejegenen’. Maar dit was tevergeefs. De vreselijke aanklacht ging verder en groeide aan, zelfs onder geleerden. Wereldlijke heersers kwamen evenals de pausen tegen deze beschuldiging op en veroordeelden ze. Aan vooraanstaande rabbijnen werd gelegenheid gegeven ze in het openbaar te weerleggen, christelijke theologen bewezen stelselmatig de onjuistheid. Noch vermaningen en dreigementen, noch keizerlijke bevelen en pauselijke bullen, noch alle moeite om licht in deze zaken te brengen, hielpen.

Zomaar afgeranseld
De gehele christelijke wereld in Europa scheen tegen de in haar midden levende minderheid samen te zweren. Er hadden altijd al godsdienstige gedachtewisselingen tussen joden en christenen plaatsgevonden, ondanks het verbod om over geloofszaken te disputeren. Geloofsgesprekken werden nu plotseling op de vuist beslecht. Meer dan eens kwam het voor dat rabbijnen door een opgewonden menigte werden afgeranseld. De joden begonnen dan ook de openbare discussie uit de weg te gaan.

Proces tegen de Talmoed
Maar ook de kerk toonde geen belangstelling meer voor debatten met de joden – zij het om geheel andere redenen. Maar al te vaak was namelijk gebleken dat onvoldoende geschoolde christenen, zelfs uit de kringen van de geestelijkheid, niet tegen de argumenten van hun joodse tegenpartij waren opgewassen. De dominicanen – de voorvechters in de kerkelijke strijd tegen ketters en andersdenkenden – gingen evenwel tot de aanval over. Om een zware slag toe te brengen, grepen zij de geestelijke uitrusting van het jodendom aan. Ze zetten een proces op touw tegen de Talmoed. Dit boek zou ‘dwalingen, godslasteringen en beledigingen’ bevatten. De Talmoed was een schadelijk boek dat moest worden verbrand. Jodentekens en het verbod bepaalde beroepen uit te oefenen, bijgelovige laster en boosaardige vertekening van hun geloof, het werd een angstwekkende, noodlottige kring die zich steeds nauwer om hen sloot. Het gesprek tussen de kerk en het jodendom was afgebroken, verstomd. Wat gebeurde er bijvoorbeeld als en jood voor de rechtbank een eed moest afleggen? Dan moest hij op blote voeten en gehuld in een haren kleed met ontbloot bovenlijf op een pas afgestroopte, nog bloedige varkenshuis gaan staan.

Het schenden van hosties
De lasten en plichten die de joden werden opgelegd in de Duitse landen, waren zo ondraaglijk dat zij tot volslagen verarming leidden. Uit Mainz, Worms en Spiers en vele andere steden begonnen joodse families weg te trekken. Maar in 1286 vaardigde de koning een emigratieverbod uit. Een nieuwe beschuldiging deed haar intrede: dat de joden hosties schonden. De joden, heette het, stelen of kopen gewijde hosties om deze uit haat jegens Christus met messen te doorboren of in een vijzel fijn te stampen. Verschrikkelijke slachtingen vonden als gevolg hiervan plaats onder de joden. In de grote gemeente van Würzburg bleven van de meer dan duizend inwoners slechts enkelen in leven. Ontelbare joden beroofde zich van het leven. Tevergeefs smeekten ze in hun benarde positie om bescherming van de overheid. In het jaar 1298 vielen 164 joodse gemeenten ten offer aan de gruwelijke bloedbaden. De klaagliederen uit die tijd spreken van 20.000 doden.

Heeft ooit een volk zo moeten lijden?
Een nieuwe vorst maakte een einde aan de vervolgingen en legde alle steden die hun joodse gemeenten niet in bescherming hadden genomen forse boeten op als schadeloosstelling voor het verlies van…zijn kamerknechten. Op de Duitse joden was een onuitwisbare indruk achtergelaten en deze kwam tot uiting in de gezangen van de synagoge. Er ontstonden klaagliederen, vol van onuitsprekelijke rouw en hevig verdriet. ‘O, hemel, zijn wij dan slechter dan andere volken? Is ons weerstandsvermogen dan gelijk aan dat van een steen of is ons vlees van erts, dat wij zulke rampen moeten verdragen? (…) Vraagt allen die op aarde wandelen: heeft ooit een volk zo moeten lijden?’

Verbanning uit Engeland
In Engeland voltrok zich in 1290 het noodlot over de joden: Eduard I ondertekende op 18 juli van dat jaar (de herinneringsdag aan de verwoesting van Jeruzalem) het verbanningsdecreet: alle joden moesten vóór 2 november het land verlaten. Een exodus begon. 16.500 joden verlieten het land, waarvan zij de welstand mede hadden bevorderd. Hun huizen en landerijen werden verbeurd verklaard, hun synagogen in kerken veranderd. De koning wilde hen in vrede laten vertrekken, maar het volk vervolgde hen tot aan de inscheping. Één kapitein liet, nadat hij de gelden voor de overtocht had opgestreken, een groot gezelschap dat bij eb van een zandbank in de monding van de Theems aan boord zou gaan, verdrinken toen de vloed opkwam. Hij riep hun spottend toe dat zij maar hulp moesten vragen aan Mozes die immers de wateren kon scheiden. Eduard I zorgde er overigens voor dat hij en al degenen die voor deze daad verantwoordelijk waren, de dood aan de galg vonden.

Zestien jaar later uit Frankrijk
Er trokken afzonderlijke groepen naar Duitsland, Vlaanderen en Spanje. De grote meerderheid ging naar Frankrijk – niet vermoedend dat zij daar zestien jaar later opnieuw zouden moeten gaan zwerven. Lange tijd (3,5 eeuw) bleef Engeland jodenvrij. Pas Cromwell stond in 1657 enkele joden toe zich weer in Londen te vestigen. Het voorbeeld van Engeland werkte aanstekelijk. In 1306 gebeurde hetzelfde in Frankrijk. De Franse koning gaf de opdracht de joden op één dag onverwachts gevangen te nemen. De vorst werd gedreven door geldzucht. Op 22 juli werden alle joden in gevangenissen opgesloten. Pas daarna vernamen zij wat hun te wachten stond: binnen een tijd van één maand moesten zij met achterlating van al hun roerende en onroerende bezittingen het land verlaten.

Financiële gevolgen
Van alle middelen beroofd en zonder vaderland begonnen de bannelingen hun zwerftocht, weg uit het land dat ze al ten tijde van de Romeinse republiek hadden bewoond (dus lang voor het binnendringen van de Franken). Ieder die tot het christendom overging was van de verbanning verschoond. De meeste verdrevenen bleven dicht bij de Franse grenzen. De koning kreeg de gevolgen van de uitdrijving van de joden aan den lijve te voelen. Hij was nu geheel overgeleverd aan christelijke geldschieters die het, nu zij van de joodse concurrentie waren bevrijd, behoorlijk bont moeten hebben gemaakt. Daarom knoopte hij onderhandelingen aan met de verdrevenen om hen tot terugkeer te bewegen. De joden vertrouwden dit verzoenende gebaar niet en stelde eisen: zij verlangden koninklijke waarborgen voor hun veiligheid. Slechts een deel van de bannelingen maakte er in 1315 gebruik van.

Moorden na een visioen
De vrede duurde ternauwernood vijf jaar. In 1320 heeft een jonge herder plotseling een visioen: een schone jonkvrouw heeft hem aangespoord strijders te verzamelen om tegen de ongelovigen op te rukken. Een menigte van vele duizenden trok hierop van plaats naar plaats, alle joden uitmoordend. Paus Johannes XXII gaf bevel dit een halt toe te roepen, maar 120 joodse gemeenten in Frankrijk en Noord-Spanje waren verwoest. Het volgende jaar kwam er een nieuwe ramp over de joden. Melaatsen in het Zuid-Franse Guienne hadden, om zich ervoor te wreken dat zij slecht werden verzorgd, vergif in enkele waterputten gedaan. Één van de gearresteerden legde, toen hij gefolterd werd, plotseling de bekentenis af dat de joden hen hadden opgestookt en ook het vergif hadden geleverd. Meer dan 5000 joden werden gevangengenomen, gemarteld en levend verbrand. Elke joodse gemeente kreeg een boete van 150.000 livres.

Jodenmeppers
Een nieuwe uittocht begon: de meedogenloze inning van deze geweldige som dwong de meesten het land te verlaten. Na 1322 woonden er in Frankrijk niet veel joden meer. Hoe verging het de joden in Duitsland? Onveiligheid, rechteloosheid, uitbuiting en vervolging kenschetsten ook hier hun lot. Vele pogroms kwamen voor. Benden uit Beieren, die zich ‘jodenmeppers’ noemden, begonnen in 1336 op eigen houtje rooftochten te ondernemen en overvielen joodse gemeenten. Slechts hier en daar beschermden de burgers de joden tegen vervolgingen.

De zwarte dood
In het jaar 1348 verbreidde zich over Europa één van de gruwelijkste epidemieën: de pest. Een derde van de bevolking bezweek aan de ‘zwarte dood’. De mensen verloren hun bezinning. Toen begon een afschuwelijk gerucht de ronde te doen: de ‘zwarte dood’ zou door de joden zijn opgeroepen, zij hadden om de christenen uit te roeien alle putten en alle bronwater vergiftigd. Deze waanzinnige beschuldiging werd geloofd – ongeacht het voor iedereen waarneembare feit dat ook de joden zelf aan de pest ten offer vielen. Deze aanklacht kwam het eerst voor in Frankrijk, en het gerucht sloeg naar Spanje over. De paus vaardigde snel een bul uit waarin hij onder bedreiging met de kerkelijke ban verbood om joden zonder rechterlijk vonnis te doden.

De joden krijgen de schuld
Het eerste ‘bewijs’ was wel geleverd. Joden werden zo lang gefolterd dat ze bekentenissen gingen afleggen. Maar de paus greep opnieuw in en koos partij voor de vervolgden. In een bul verklaarde Clemens VI dat de ‘zwarte dood’ een gesel Gods was. Ook de geestelijken werden nogmaals vermaand de joden in bescherming te nemen. Tevergeefs! Tegenover dit massale zelfbedrog stond zelfs het pausdom machteloos. Nergens werd de verdelging van de joden zo grondig en gruwelijk bedreven als in het Heilige Roomse Rijk, het toenmalige Duitsland. Wel trokken bezonnen mensen partij voor de ongelukkigen, maar zij werden overstemd. In 1348 werden de joden in de Elzas vogelvrij verklaard. Zo ondergingen alle joden van Straatsburg in 1349 op hun eigen begraafplaats de vuurdood – bijna tweeduizend. Elders verdronk men joden in een moeras. In Mainz maakten de omsingelde joodse families zichzelf tot ‘brandoffer’, zesduizend.

Grootste catastrofe voor de joden
Als een niet te blussen, helse brand woedde de jodenslachting door geheel Duitsland. Wie telt alle steden – van de Alpen tot aan de Noordzee, van de Rijn tot aan de Oder – waarin de joden werden verbrand of zichzelf aan de vlammen prijsgaven. Verschrikkelijk was de balans van de catastrofe – de vreselijkste die de joden in Europa ooit getroffen had. In meer dan 350 joodse gemeenten had moord in zijn beestachtigste vormen gewoed; 60 grote en 150 kleine gemeenten waren verwoest, in de as gelegd, uitgeroeid tot de laatste man. De overlevenden waren naar het oosten gevlucht. Het Duitse jodendom, dat in de middeleeuwen een leidende rol in Europa had gespeeld, was vernietigd. Zelfs de grafstenen van hun begraafplaatsen had men nog te gelde weten te maken…als bouwmateriaal.

Toch hadden ze de joden nodig
Enkele jaren later hadden de Duitse steden de grootste haast de joden weer op te nemen. Wat was de reden? Het economische leven had door de verbanning van de joden geleden, was beroofd van haar geldschieters. Na de vernietiging van de joden raakte de financiële toestand in Duitsland door gebrek aan liquide middelen in wanorde. Maar de slag die het Duitse jodendom was toegebracht was niet meer goed te maken. Velen die zich inmiddels in Oostenrijk, Bohemen en in Polen hadden gevestigd, dachten er niet aan terug te keren. Ook waren de voorwaarden van toelating niet altijd zo bijzonder aanlokkelijk. Het verwerven van een eigen huis was verboden, alleen het wonen in huurhuizen was toegestaan. De joden mochten bovendien slechts wonen ‘waar dit de burgers het beste leek en nergens anders’, dat wilde zeggen in speciale jodenwijken of -straten. In Frankrijk, waar de regering hun in 1360 om financiële redenen eveneens weer toegang tot het land verleende, hadden de joden het beter. Ze mochten niet slechts huizen, maar ook akkers bezitten. De vele privileges leidden ertoe dat van heinde en ver vele joden naar Frankrijk trokken.

Hun uiterlijke verschijning verandert
De joden waren niet meer zoals vroeger – hun eens zo onbedwingbare kracht en hun trots waren verdwenen. Hun blik werd vol treurigheid, zoals de klaagliederen in de synagoge. Overal ontmoetten zij wantrouwen, verachting en spot. Strenger dan ooit tevoren letten de autoriteiten op de naleving van de kledingsvoorschriften. Steeds langer wordende jodenverordeningen krioelden van het woord ‘verboden!’. Zelfs hun uiterlijke verschijning veranderde, hun lichamelijke ontwikkeling en hun lichaamshouding wijzigde zich: sinds de late middeleeuwen kent de wereld de mistroostige en gebogen gestalte van de jood, die tot spotfiguur, tot voorbeeld van lelijke karikaturen zou worden. Ook hun innerlijk onderging een verandering. De jood kreeg het sluw onderworpene, onecht devote, bijna spottend huichelachtige karakter waarin de weerloze noodgedwongen en knarsetandend vlucht voor de ruwe machthebber, tegenover wie hij zich innerlijk superieur voelt. Bij de Duitse en de Franse joden kwijnde het geestelijke leven.

Hussietenoorlog
In Frankrijk ontlaadde de ontevredenheid van de bevolking, die met ondraaglijk hoge belastingen opgescheept was, zich in aanvallen op de joden. In verschillende steden kwam het tot een slachting. Op 17 september 1394, het was juist Grote Verzoendag, gelastte de koning de uitdrijving van de joodse bevolking uit alle koninklijke gebieden van Frankrijk. Hiermee eindigde de kroniek van het jodendom in Frankrijk, om pas in de nieuwe tijd weer te beginnen. Engeland en Frankrijk hadden met een staatsbesluit, met de uitwijzing, een streep gezet onder het hoofdstuk van de joodse geschiedenis in hun landen. In Duitsland en in Oostenrijk kwam het daar nooit toe: daar zou het lijden van de joodse gemeenten doorgaan. De Hussietenoorlogen deden de kerk ter verdediging van haar geloof opnieuw een campagne ondernemen tot verscherping van de haat tegen de joden. Om de kosten van de oorlog te dekken confisqueerde keizer Sigismund een derde van alle joodse vermogens. Ook moesten de joodse gemeenten de kosten van het concilie van Constanz dekken, dat Johannes Hus tot de brandstapel veroordeelde.

Oostenrijk
De joden van Oostenrijk werden wel het zwaarst getroffen. Waar joodse mannen en vrouwen werden verbrand werden hun kinderen gedoopt en in kloosters ondergebracht. Bedelmonniken en predikheren voerden een meedogenloze strijd tegen de ketters, waardoor ook de joden werden getroffen. Pausen spraken zich in verscheidene bullen krachtig tegen deze haatcampagne uit. Ze bereikten niets. In deze jaren werden alle keizerlijke wetten tegen de joden uit het verleden weer bevestigd. Twee nieuwe bepalingen werden toegevoegd: geen jood mocht meer tot een universiteit worden toegelaten en allen moesten verplicht worden bekeringspreken aan te horen – zo nodig onder dwang. Scharen franciscaner en dominicaner monniken begonnen in jodenwijken te prediken. De bedreigingen en vervolgingen namen toe.

De heilige Simon
Op Witte Donderdag 1475 verdween in Trente een driejarig jongetje, Simon. Het lijk werd door een jood aan de oever van de Etsch gevonden. Om iedere verkeerde uitleg te voorkomen, liep hij rechtstreeks naar de bisschop en vertelde hem van zijn vondst. Toch werden de joden weer beschuldigd. Na een lang verhoor en martelingen legden beschuldigden de gewenste bekentenis af en werden verbrand. Het lijk van de kleine Simon had men inmiddels gebalsemd tentoongesteld en de monniken verkondigden van de kansel dat zich bij het stoffelijk overschot van Simon wonderen hadden voorgedaan. Van heinde en ver begonnen nu pelgrimstochten naar Trente. De toenmalige paus weigerde Simon als heilige te canoniseren. Een eeuw later gebeurde dit alsnog.

Beangstigende suggestie
‘Ter ere Gods en tot meerdere lof van de heilige maagd’ waren de joden uit een groot gedeelte van het rijk verbannen. Zo liep de 15e eeuw ten einde, een eeuw waarin ene Johannes van Capistrano als oplossing van de situatie die tussen joden en christenen was ontstaan de beangstigende suggestie had kunnen doen: alle joden moesten aan boord van schepen worden gebracht en ‘deze vijanden van het geloof’ dienden in volle zee overboord te worden gezet!

Spanje christelijk
De slotakkoorden van de duistere symfonie der middeleeuwen zouden op het Pyreneese schiereiland klinken. Toen Spanje weer christelijk werd kregen de joden in sommige steden moskeeën om die als synagogen in te richten. Ook bouwden de joden nieuwe, prachtige bedehuizen. Het leek nog te gevaarlijk om de joden net zo te behandelen als de islamieten. De overwinning was nog vers. Politieke redenen gaven dus de doorslag voor een verdraagzaam regeren. Het uur van de clerus had nog niet geslagen. Er begon een vruchtbare wetenschappelijke bedrijvigheid. Het aantal joden aan het hof nam toe. Alfons X ‘de Wijze’ was een koning van wie gezegd werd dat hij door de hemel de aarde had vergeten.

Aanval op de joden, niet de moslims
Verdraagzaamheid, humaniteit en vooruitgang werden terzijde geschoven door de machten die over de toekomst van de mensen op het Iberische schiereiland zouden beslissen. Deze kenden een geheel ander doel dat zij onvermurwbaar najoegen: één geloof, één rijk en één door de geest van de allesbeheersende kerk gedragen cultuur. De clerus werd steeds machtiger, machtiger dan ooit. Een eeuw na Alfons was de tijd rijp. Niet de islamieten die nog steeds in grote getale in Spanje woonden, vormden het doelwit. De aanval werd op een zwakker front ingezet: op de joden. Wie ter wereld nam er aanstoot aan wanneer men de hand aan de joden sloeg? Waar op aarde bestond een macht die bereid zou zijn hun te hulp te snellen? Wie tegen Israël optrad, had niets te vrezen.

Veel joden lieten zich dopen
De jodenvervolging begint (eind 14e eeuw). Het bloedbad van Sevilla (vierduizend doden) was slechts het begin. Doodslaan wie de doop weigert – zo luidde de order die de fanatieke priester Ferdinand Martinez verbreidde. Op vreselijke wijze kiemt het zaad van een lange, stelselmatige beïnvloeding van de massa’s. Het aantal van hen die zich laten dopen is tamelijk groot. Hoe dat ging? Het gepeupel komt de jodenwijk binnen en schreeuwt: ‘Martinez komt jullie dopen’. Voor het jodendom in Spanje was de balans van de bloedige storm verschrikkelijk. In minder dan één kwartaal waren de bloeiende gemeenten van de Pyreneeën tot aan de Straat van Gibraltar totaal verwoest. Tienduizenden hadden hun leven verloren, vele duizenden waren gevlucht. Maar er was ook iets gebeurd dat tot dusver een grote uitzondering was gebleven: overal hadden duizenden de massale doop aanvaard om de dood te ontgaan. Het aantal ‘bekeerden’ overtrof ver dat van de martelaren.

Kloof tussen joden ontstaat
In Spanje was – een uniek gebeuren in de joodse geschiedenis – gedurende de uren van de zwaarste beproeving het weerstandsvermogen van de joden voor de eerste maal gebroken. Toen de terreur was afgelopen, gaapte er een diepe kloof tussen degenen die tot dusver gezamenlijk in één gemeente hadden geleefd. Naast de joden die het bloedbad hadden overleefd en onverbrekelijk trouw aan hun geloof waren gebleven, woonden nu plotseling uit hun midden gerukt en van hen gescheiden, de bekeerden. In het geheim bleven ze hun oude geloof trouw en leefden ze volgens de oude wetten.

De maranen
Maar daarmee geraakten zij langzamerhand in een wanhopige situatie die hun en hun kinderen uiteindelijk noodlottig zou worden. Het duurde niet lang of men begon hen met de grootste argwaan te bekijken en noemde hen maranen (marranos – het Spaanse woord voor ‘zwijnen’). Uit de gelederen van deze afvalligen verrees – zoals zo vaak gebeurt – één van de verbitterdste en gevaarlijkste tegenstanders van het jodendom. Hij maakte het jodendom en de joodse gebruiken belachelijk. De joodse geleerden bleven hem het antwoord echter niet schuldig. Een scherp gevoerde polemiek ontbrandde.

Gedoopte joden zijn succesvol
Één van de ontzettendste tragedies begon – die van de maranen. Er woedde een strijd tussen de christenen en de gedoopte joden met als inzet de vraag wie nu de invloedrijkste posities in de overheid bekleedden. Vele maranen werden gedood. Uit verscheidene steden werden alle gedoopte joden verdreven. Nu zij ineens gelijkberechtigd waren kregen ze kansen als nooit tevoren. Als joden en dus onder ongunstige omstandigheden hadden zij reeds hoge ambten bekleed en succes in hun beroep gehad. Kon het hun kwalijk genomen worden dat zij nu de kansen aangrepen die hun overvloedig werden geboden? De doop had aan de bekwaamheden en talenten van de joden niets veranderd en ongelooflijk snel voltrokken zich carrières van duizenden en nog eens duizenden onder dwang gedoopte joden. Ze bekleedden overal de belangrijkste posities. De rijkeren trouwden met leden van de hoge adel.

Afgunst
Afgunst en haat vlamden onder het volk op tegen deze ‘nieuwe christenen’. Het grootste deel van hen was weliswaar gedoopt, maar nooit echt bekeerd. Voor zover het mogelijk was, hielden zij de sabbat. Wanneer men van de heuvels in de omtrek op een stad neerkeek, kon men zien hoeveel schoorstenen op die dag geen rook naar de hemel zonden. Zo leidden zij een dubbel leven. De kerk was diep geschokt. Zij moest vol schrik erkennen dat haar uitgesproken vijand nu plotseling midden in haar eigen gelederen stond. Nu begon de ‘heilige oorlog tegen de vijand in eigen huis’ met het doel deze weer kwijt te raken. Toen er in 1474 een heerserspaar kwam, waarbij de geestelijkheid een gewillig oor vond voor haar plannen, raakte Spanje onder de tirannie van een tussen kerk en kroon gesloten pact. Als nooit tevoren zou het land van de drie godsdiensten voor alle andersdenkenden een hel op aarde worden.

Inquisitie
In 1478 werd de inquisitie ingevoerd. De geschiedenis van de vreselijkste en meest meedogenloze ketterberechting aller tijden begon. Er werden instructies gepubliceerd die tot in bijzonderheden alles opsomden wat op neiging tot het jodendom wees: van het dragen van schoon ondergoed op zaterdag tot aan het handenwassen voor het gebed. Onder bedreiging met de zwaarste straffen werd aan alle christenen opgedragen iedere verdachte persoon aan te brengen. Iedere aangifte bleef anoniem en werd zonder onderzoek geloofd. Op 6 februari 1481 vond in Sevilla de eerste auto de fe plaats, de beruchte ‘daad des geloofs’.

Brandstapels
Er trekt een griezelige processie door de stad. De weg leidt naar de plaats waar een bijzondere gerechtsplaats is ingericht: de ‘quemadero’, waar een reusachtige brandstapel is opgericht. Er zijn tribunes opgesteld waarvandaan leden van het hof, van de adel en van de geestelijkheid alles kunnen gadeslaan. Ecclesia abhorret a sanguine, de kerk verafschuwt bloedvergieten. Daarom worden de ketters levend verbrand. Slechts degenen die berouw tonen, wordt een bijzondere genade toegestaan: de beul wurgt hen en pas als zij dood zijn, worden ze aan het vuur prijsgegeven.

Totale verbanning
De ene auto de fe volgt op de andere. Er ging een kreet van ontzetting dor geheel Spanje. De paus laakt scherp het optreden van de inquisiteurs. In een bul verklaart hij dat de meeste processen niet worden ingegeven door geloofsijver en bezorgdheid voor het zielenheil, maar uit hebzucht. Tevergeefs! Vooral met de komst van een nieuwe Grootinquisiteur in 1483 begint men in heel Spanje massaal te arresteren, te folteren en te verbranden. In 1492 bezegelt één pennenstreek het lot van de Spaanse joden, die sinds meer dan duizend jaar tot de bewoners van het land hebben behoord. Alle joden moeten het land verlaten. Spionnen hielden streng toezicht dat geen enkele christen een overtreding beging tegen het verbod de mensen die het land moesten verlaten ook maar de kleinste dienst te bewijzen.

Economische gevolgen
Alle mensen die het joodse geloof beleden verdwenen uit Spanje. Met de verbannen joden waren niet alleen vele ontwikkelde en geleerde mensen, financiers en kooplieden, maar ook een grote massa landbouwers en wijnbouwers, handwerklieden, wapensmeden en metaalbewerkers verjaagd. De belangrijke middenstand was door hun vertrek vrijwel verdwenen. De economie begon het weldra te voelen. De grote bloei die het land en steden eens hadden gekend, keerde na de verdrijving van 1492 nooit meer terug.

Portugal neemt joden op…
De grootste stroom van de uit Spanje verdreven joden koos de naaste en ongevaarlijkste weg naar het westen. Alle wegen en paden die naar de grenzen van Portugal leidden, zagen zwart van de eindeloze stoeten mensen. Vol hoop richtten zij hun schreden naar het land waar hun geloofsgenoten gedurende eeuwen ongestoord hadden gewoond, onder koninklijke bescherming en in ordelijke omstandigheden, werkzaam in wijn- en landbouw, in handwerk en handel. En joodse geleerden en artsen stonden aan het hof in hoog aanzien. De grote verwachtingen van de verdreven joden werden echter bitter beschaamd. Portugal zou slechts een kort durende etappe op hun vlucht worden.

…En werpt ze snel weer uit
Het land maakte namelijk slechts uitzondering voor rijke joden die hun kapitaal naar Portugal meebrachten alsmede bepaalde vaklieden. Er werden ook joden tegen hun wil zo snel mogelijk aan de Afrikaanse kust aan land gezet en anderen werden tot lijfeigenen verklaard en als slaven verkocht. Even kregen de in slavernij geraakte joden de vrijheid terug, maar dat duurde maar heel kort. Het land werd in 1497 gezuiverd van alle joden. Ook hier speelden zich weer onbeschrijflijke tonelen af. Ook in Portugal begon, ondanks de over de gehele wereld veroverde bezittingen en de gunstige ligging, het economische en geestelijke verval. In de bergen van Noord-Portugal overleefde een hele gemeente heimelijke joden, die pas in het begin van de 20e eeuw werd ontdekt en toen pas openlijk voor hun van ouds beleden geloof kon uitkomen.

De stad van Constantijn wordt islamitisch
Met tienduizenden gingen ze langs de Noord-Afrikaanse kust aan land. De allergrootste stroom koos zijn weg nog verder naar het oosten: het Ottomaanse rijk opende de poorten wagenwijd: de reddende halve maan dus! Toen in 1453 Constantinopel onder de bestorming van de Turkse veroveraars viel en de stad islamitisch werd, kwam er – elf eeuwen na keizer Constantijn I – een verandering in het lot van de diaspora. Het historische getij keerde zich. Het kruis was van de reusachtige Sofiakathedraal verwijderd; het gebouw diende nu als hoofdmoskee. Overal in het Ottomaanse rijk ontstonden nieuwe joodse gemeenten en breidden de oude zich uit. Istanbul herbergde weldra de grootste joods gemeente van Europa.

Grote bloei door de joden
Het grootst was de toevloed van de sefardim, zoals de Spaans-Portugese joden werden genoemd. Daarnaast bleef het aantal immigrerende asjkenasim, de uit Frankrijk en Duitsland stammende geloofsgenoten, gering. Turkije bespeurde spoedig het nut dat de massa’s joodse vluchtelingen voor het land meebrachten. De industrie, de economie en de handel kwamen tot grote bloei. Saloniki werd de grootste scheepshaven van het gehele Middellandse Zeegebied en tevens een overwegend joodse stad. Nog nooit waren voor de joden de mogelijkheden zich vrij te bewegen zo groot geweest, nooit was hun geloofsvrijheid meer gerespecteerd dan in die Turkse tijd. De joden onderwezen de Turken in de nieuwste militaire technieken, zoals buskruit.

Sjoelchan Aroech
Het Spanjools, een Spaans dialect met Hebreeuwse leenwoorden, verdrong het Grieks dat er vroeger werd gesproken. Het werd de omgangstaal van alle joden in het Nabije Oosten. Joden bekleedden staatsbetrekkingen en velen behoorden als lijfartsen tot de intiemste raadgevers van de Turkse sultans en viziers. Vanuit het Ottomaanse rijk werd hulp geboden aan joden waar ook in Europa. Joodse kolonisten mochten zelfs bij Tiberias een nederzetting stichten. Maar het verzet van de omringende Arabieren werd zo groot, dat de poging van een joodse kolonie op Galileese bodem mislukte. Wel kwam er een nieuw geestelijk leven tot bloei in het Galileese Safed. Joseph Karo schreef hier zijn beroemd geworden ‘Sjoelchan Aroech’, de gedekte tafel. Hij zette voor iedereen begrijpelijk de op dat ogenblik geldende wetten en gebruiken op een rijtje: de dagelijkse plichten, bepalingen omtrent sabbat en feestdagen, de rituele voorschriften, het huwelijksrecht en het burgerlijk wetboek. Het succes van dit boek was weergaloos. De ‘levenswijze volgens de Sjoelchan Aroech’ werd de lijfspreuk van de joden.

Groei van de kabbalistiek
Tegelijkertijd begon een machtige godsdienstige stroming het jodendom in haar ban te krijgen: de mystiek beleefde een geweldige bloei. Naast de rationele stroming trad de contemplatie op, de joodse mystiek, die in de Kabbala wortelde. Het woord kabbala betekent ‘ontvangen’, ‘overlevering’ en dat wil zeggen dat de Kabbala evenals de Wet een onderdeel van de traditie en van goddelijke oorsprong zou zijn. Wat zij leert werd na 1100 in Europa eerst mondeling verspreid, daarna dook eind 13e eeuw plotseling het ‘Sefer Zohar’, het boek van de glans, op. In Safed kwam een nieuw centrum van de kabbalistiek tot bloei. En hier van uit (Galilea) koos de ‘praktische Kabbala’ haar wereldomspannende weg over geheel Turkije, naar Italië, Duitsland en tot in Polen.

Polen als toevluchtsoord
Polen (en Litouwen) was evenals Turkije een toevluchtsoord voor allen die verbannen, vervolgd en opgejaagd waren. In de Slavische landen waren de joden niet, zoals in het Westen, aangewezen op nederige en verachte beroepen; hier mochten zij deelnemen aan alle takken van de voortbrengende en bewerkende industrie, aan handel, bedrijf en landbouw. In dit nog niet opengelegde en economisch onderontwikkelde gebied kwam met de joden de vooruitgang. Tegenover 500 christelijke groothandelaren waren er in Polen 3200 joodse, maar ook driemaal zoveel handarbeiders, onder wie goud- en zilversmeden, wevers en grofsmeden. Joodse gemeenten waren er in vrijwel ieder dorp en in bijna elke stad.

Jiddisch
Slechts een kommerlijke rest van gemeenten leidde nog een bestaan in het westen van Europa. In Polen daarentegen groeide hun aantal voortdurend. Geen enkel land vertoonde een dergelijk grote concentratie. Uit het westen van Europa verschoof het zwaartepunt van het jodendom in het Avondland zich naar het oosten. Met de komst van de asjkenasim hield ook hun taal, die hoofdzakelijk Duits was, haar intocht en werd er inheems, het ‘Jiddisch’, het joodse Duits. Dit werd vermengd met Hebreeuwse en Slavische woorden. Men schreef het in het Hebreeuwse alfabet. Het werd de overheersende taal voor de joden in het noorden.

Verbazingwekkend geheugen
Polen werd als geen ander land het vaderland van de Talmoed. Nergens anders werd de kennis, zelfs van de gemiddelde leerling, zo groot. Waar anders heeft zich ooit een heel volk zo intensief met de godsdienst bezig gehouden, zo zonder mankeren iedere jongen van zijn prille jeugd af tevens geestelijk geschoold! ‘Het is uiterst verbazingwekkend hoe het geheugen van twaalf- en dertienjarige jongens, die in deze tijd de waardigheid van “bar mitswa” krijgen, door de studie van de Talmoed is getraind. Het komt vaak voor dat zeer jonge knapen de gehele pentateuch uit het hoofd kennen, evenals trouwens de psalmen’, zo schreef iemand.

Onbezorgd en vredig
Polen was sinds lang voor joden een land waarin zij onbezorgd woonden en een vredig bestaan hadden gevonden. Het bleef voor alle vervolgden hét grote asiel. Wel drong de adel soms op beperkende maatregelen aan. En ook de kerk vond de al te vreedzame betrekkingen tussen Polen en joden vanaf het begin gevaarlijk. Maar de kerk had geen invloed op de regering. Pas tegen het midden van de 17e eeuw werden de gemeenten in het oosten van Europa voor de eerste maal door een ramp getroffen. Door het lijden van de joden brak een hartstochtelijk verlangen zich baan: de grote verwachting dat de tijd nabij was waarop een einde zou komen aan de ellende. Er duikt iemand op die zegt de voorloper van de Messias te zijn. Sommigen berekenen de datum waarop de verlossing zal plaatsvinden.

Johann Reuchlin als pleitbezorger
Met een gevaarlijke aanval op de joden en de Talmoed begon de 16e eeuw in Duitsland. Er was echter ook een medestander: Johann Reuchlin uit Tübingen, de grote geleerde en humanist, de ‘phoenix van Germanië’, was één van de weinige Duitse christenen die zich met de taal van de Heilige Schrift vertrouwd hadden gemaakt. Wie de grondslagen van het christelijk geloof wilde begrijpen, stelde hij, kon er niet buiten Hebreeuws te leren. En Reuchlin schrok er niet voor terug de consequenties te trekken, zich te verklaren voor de Hebreeuwse tekst tegen de in de kerk als canoniek geldende Latijnse bijbelvertaling, de Vulgata. ‘Ik houd van de heilige Hieronymus, maar slechts de waarheid aanbid ik als God’. Reuchlin stelde vast – hij was de eerste die het openlijk waagde te verkondigen! – dat de joden burgers van het Duitse rijk waren en ‘dezelfde rechten en bescherming genieten’. Dit recht zou moeten worden erkend. En de joodse boeken moesten bewaard blijven; vele van hun werken waren ook voor de christelijke theologie van het grootste belang.

Alleen in zijn opvatting
Inzake de vraag of de Tamoed gevaarlijk was, zegt Reuchlin: ‘Wanneer de Talmoed zo verdoemelijk zou zijn als beweerd wordt, dan hadden onze voorvaderen eeuwen geleden, toen men het christelijk geloof ernstiger opvatte dan nu, hem reeds lang verbrand’. Hij vindt ook dat geestelijke zaken slechts met geestelijke wapens kunnen worden bestreden. Het ware raadzamer aan iedere Duitse universiteit twee professoren voor de Hebreeuwse taal aan te stellen. Reuchhlin stond met zijn opvatting vrijwel alleen.

Is het christelijk joden te haten?
Toen Reuchlin heftig werd aangevallen en beschuldigd werd met omkoping door joden, kon hij niet langer zwijgen. Verontwaardigd zei hij: ‘De christen moet daarentegen de jood als zijn naaste liefhebben – dit alleen is juist’. Voor de eerste maal was een man met rang en naam volkomen openlijk voor de joden in de bres gesprongen. Op het concilie van de Lateranen in 1516 sprak de meerderheid zich uit voor Reuchlin. De Talmoed was gered en mocht zelfs in z’n geheel worden uitgegeven. De joden konden herademen. Reuchlin leek wel iets op Erasmus van Rotterdam, die zou zeggen: ‘Als het christelijk is de joden te haten, dan zijn wij allen maar al te goede christenen’.

Luther
Op 31 oktober 1517 sloeg Maarten Luther zijn 95 stellingen. Maar de door hem opgeroepen hervormingsstorm bracht geen verandering in de positie van de joden. In het begin leek het weliswaar alsof er een schijn van hoop voor de joden was. De jeugdige Luther wees in de eerste plaats de laatmiddeleeuwse behandeling van de joden beslist van de hand. In 1523 publiceerde hij het geschrift Dat Jezus Christus een geboren jood was. Zeer scherp stelde hij daarin de onwaardige behandeling van de joden aan de kaak. ‘Want onze dwazen, de pausen, bisschoppen, sofisten en monniken, die grove ezelskoppen, hebben met de joden tot dusverre zo omgesprongen dat wie een goed christen zou zijn geweest, wel een jood had willen worden. Want zij hebben de joden behandeld alsof het honden waren en geen mensen, en hen van hun bezittingen beroofd. En toch zijn zij bloedverwanten, neven en broeders van onze Heere’.

Omkeer
Luther was er vast van overtuigd de joden voor zijn nieuwe leer te kunnen winnen. Zijn christendom steunde immers veel sterker op het Oude Testament dan de rooms-katholieke kerk deed. Luthers dappere geschrift verwekte groot opzien. De joden hoopten op hem, maar hun standvastigheid in het geloof der vaderen bleef onwankelbaar. Zij bekeerden zich niet tot het christendom, ook niet toen Luther het Oude Testament in het Duits had vertaald. Daarom verstomde zijn meevoelende stem, en voltrok zich een verandering in hem, wat hem tot een onverzoenlijke tegenstander maakte. De welwillendheid waarmee hij hen oorspronkelijk tegemoet was getreden, maakte steeds meer plaats voor een groeiende antipathie tegen de ‘verstokten’ en weldra groeide dit gevoel tot haat uit.

Leugens van de joden
Keurvorst Frederik van Saksen, een trouw aanhanger van Luther, besloot alle joden uit zijn land te bannen. Luther schreef in 1538 zijn Brief tegen de sabbathouders. Het was eigenlijk gericht aan sektarische groepen die zich bijzonder graag op de geschriften van het Oude Testament beriepen en soms zelfs de sabbat in plaats van de zondag heiligden. Luther schreef echter ook over de joden. ‘Door alle duivels bezeten’ zou dit volk zijn en zij waren ‘een afschrikwekkend voorbeeld van de goddelijke toorn’ en ‘verdoemd’. In 1543 publiceert hij Van de joden en hun leugens. ‘Wat moeten wij christenen nu doen met dit bedorven, verdoemde volk der joden? Ik wil een goede raad geven. In de eerste plaats dat hun synagogen of scholen in brand worden gestoken. Verder dat hun huizen eveneens afgebroken of vernield dienen te worden, want zij bedrijven daarin hetzelfde als in hun scholen. Ten derde dat al hun gebedenboeken en Talmoeds hun worden ontnomen. Ten vierde dat hun rabbijnen eens en voor altijd wordt verboden verder les te geven, dat men het vrije verkeer en het recht de straat te betreden voor hen opheffe, (…)’. En zo gaat Luther nog wel even door.

Andere hervormers
Enkele vooraanstaande persoonlijkheden van het protestantisme waren over dit opruiende geschrift verontrust. De Zwitserse hervormer Heinrich Bullinger schreef aan de hervormer van de Elzas, Martin Bucer, dat men bij het lezen de indruk kreeg dat dit ‘door zwijnenhoeders en niet door een beroemde zielenherder was geschreven’. Luthers toornige geschriften vervulden de joden met schrik, omdat men naar Luthers woorden moest aannemen dat de joden vogelvrij waren. Ook Philippus Melanchthon scheen bezwaren te koesteren. Toch liet hij het beruchte geschrift van Luther aan de landgraaf van Hessen wegens ‘waarlijk veel nuttigs en leerzaams’ zenden. Deze landgraaf vaardigde ook een bevel tot uitwijzing uit. Dat waren de onmiddellijke gevolgen van de uitspraken van Luther, de verdere gevolgen duurden langer – tot in de 20e eeuw. ‘Zoals de kerkvader Hieronymus de katholieke wereld met zijn onverbloemd uitgesproken jodenhaat had aangestoken, zo vergiftigde Luther met zijn de joden vijandig gezinde geschriften voor lange tijd de protestantse wereld’.

Joden in Italië
In geen land van Europa hadden de joden gedurende de middeleeuwen gelukkiger geleefd dan in Italië. Nooit had het land vervolgingen of slachtingen beleefd. De paus stond zelfs de vestiging van een Hebreeuwse drukkerij in Rome toe. Pas op de drempel van de Nieuwe Tijd valt ook over dit van bloedige vervolgingen verschoond gebleven vluchtgebied een donkere schaduw. Plotseling doofden de lichten van de verdraagzaamheid die onder de pausen van de renaissance nog zo helder hadden gestraald. Waren het de joden niet geweest die de hervormer de oorspronkelijke tekst van de Bijbel hadden overgebracht en hem trouwens de kennis van de Hebreeuwse taal hadden geleerd?

Getto
De Societas Jesu, die in 1534 wordt gesticht (de Jezuïeten), eist van ieder lid van de orde het bewijs dat hij vijf generatie terug geen joodse voorvaderen heeft gehad. De paus komt in 1555 met een bul: ‘Omdat het volkomen omgerijmd en ontoelaatbaar lijkt dat de door God om hun schuld tot eeuwige slavernij veroordeelde joden zich in onze christelijke liefde en verdraagzaamheid verheugen (…) zien Wij Ons genoodzaakt de volgende maatregelen te nemen…’ Alle joden van Rome, evenals in alle andere steden van de Kerkelijke Staat, moeten in een streng van de andere bewoners gescheiden, door een muur omringde wijk trekken die later de benaming ‘getto’ krijgt. De poort is van het begin van de avondschemering tot zonsopgang gesloten.

Weg uit de Kerkelijke Staat
Iedere gemeente – hoe groot die ook mag zijn – mag slechts één enkele synagoge behouden. Alle andere moeten worden afgebroken. Iedere jood moet een gele hoed dragen, iedere jodin een gele hoofddoek. Geen jood mag zich nog door een christen met ‘heer’ laten aanspreken. Zij mogen geen eigendommen aan grond en vaste goederen bezitten, slechts de handel in oude kleren blijft hun geoorloofd. In 1569 verdrijft de paus alle joden uit de Kerkelijke Staat. Dit optreden vindt in de andere Italiaanse steden navolging. In geheel Europa worden benardheid en vernedering in het getto het kenmerk van het joodse leven.

Nieuwe gemeente in Berlijn
De door de paus opnieuw in het leven geroepen onverdraagzaamheid bleef niet tot Italië beperkt, ze drong over de Alpen naar het noorden. Er kwamen wel geen bloedige moordpartijen meer voor, maar het onmenselijke spel dat met hen werd gespeeld, hield niet op. In de door de Habsburgers geregeerde landen hing de verjaging onafgebroken als het zwaard van Damocles boven de joden. Tijdens de Dertigjarige Oorlog ging het hun beter vanwege ‘de onvervangbare bron ter financiering van de oorlog’. In 1670 bevond zich in heel Oostenrijk geen enkele jood meer. Maar de economie had daardoor een gevoelige klap gekregen, de handel was achteruit gegaan, het ontbrak aan goedkoop krediet. De grootste massa van de bannelingen was naar Moravië getrokken, een kleine groep naar het noorden, naar Brandenburg-Pruisen. Daar werd een gemeente gevestigd die een belangrijke rol zou spelen in de geschiedenis van het jodendom, de gemeente van Berlijn. Uitsluitend overwegingen van nuchter eigenbelang openden voor de joden de poort van deze progressieve staat. Het viel juist in een tijd dat over hun geloofsgenoten in het oosten een vreselijke catastrofe was losgebroken.

Poolse catastrofe
In 1648 vielen de Poolse gemeenten ten offer aan bloedige vervolgingen en gruwelijke moordpartijen die al het leed van de kruistochten en de pestepidemie nog verre overtroffen. In de zuidelijke randgebieden van Polen, in de Oekraïne, waren de gemoederen in de loop van de tijd licht ontvlambaar geworden. De koning en de hoge adel buitten de vruchtbare landerijen meedogenloos uit. De mensen werden beschouwd als lijfeigenen. Horigen of pachters beheerden de bedrijven van de grootgrondbezitters, onder wie veel joden. Joden hielden zich ook bezig met het innen van belastingen. Er kwam een opstand in het hele land. Overal verzamelen zich benden. Onvoorstelbare gruweldaden worden begaan tegen de joden. ‘Zij doorstaken zuigelingen in de armen van hun moeders en hakten vele mensen als vissen in mootjes. Bovendien werden hele schare joodse kinderen in het water geworpen om ondiepe plaatsen te dempen’. Een massale vlucht begon, door waanzinnige angst voortgedreven. Het aantal vermoordde joden tussen 1648 en 1656 schat men op 300 tot 500.000. Na deze catastrofe begon in het oosten de ondergang van de grootste diasporagemeente die ooit ter wereld had bestaan. Vanaf 1648 begon de stroom van joodse uitgeweken terug te vloeien, naar het Westen.

Joden met Columbus mee
In 1492 ontdekte Columbus Amerika. ‘In dezelfde maand’, schreef hij in zijn aantekeningen, ‘waarin de Spaanse vorsten de verdrijving van de joden uit het gehele koninkrijk gelastten, droegen zij mij op mijn reis naar Indië te ondernemen’. Van het eerste begin af was de ontdekking van de Nieuwe Wereld aan de overkant van de Atlantische Oceaan ten nauwste met het jodendom verbonden; de grote expeditie was een onderneming waar maranen en joden aan meewerkten. Was Colombus zelf een jood? Niemand kan het met zekerheid zeggen. Vrijwel alles wat Columbus aan nautische instrumenten en kaarten op zijn reis meenam, was door joden verschaft. Luis de Torres, een jood die pas kort voor het vertrek gedoopt was, zou de eerste zijn die het nieuwe land betrad. Hij besloot ook te blijven. Hij vestigde zich op het eiland Cuba en begon met het verbouwen van een genotmiddel dat toen in Europa nog volkomen onbekend was en dat hij zelf had ontdekt: tabak.

Eigenlijk mochten joden niet naar Amerika
Ook de tweede ontdekkingsreis naar de Nieuwe Wereld in het jaar 1493 werd uit joodse vermogens gefinancierd. De gelden waren afkomstig uit de opbrengst van de in beslag genomen bezittingen van uitgewezen joden. Er was een nieuwe wereld ontdekt. Vol hoop hoorden de maranen dit en weldra stroomden hele scharen ‘gekerstende’ joodse emigranten naar Amerika. Zij moesten in het geheim scheep gaan, want officieel was hun het betreden van de nieuwe gebieden streng verboden. Portugese joden begonnen grootscheepse plantages op te zetten, inclusief negerslaven in dienst. Al snel greep de arm van de inquisitie ook naar de nieuwe koloniën. De eerste brandstapels waren er in 1528. De vervolging bleef echter beperkt van omvang.

Nederlanders in Brazilië
In 1624 waren de Nederlanden de sterkste zeemacht geworden en maakten hun handelscompagnieën het Portugal moeilijk. De West-Indische Compagnie deed een greep naar Brazilië. De zeer benarde maranen aarzelden geen ogenblik zich aan de zijde van de Hollanders, het volk dat in Europa hun geloofsgenoten liefderijk in hun land had opgenomen, toen zij ui Portugal werden verdreven. Gaandeweg konden de Nederlanders het gehele land veroveren. Met hun heerschappij kwam voor alle gedoopte joden in Brazilië het uur van de vrijheid. Voor de eerste maal ontstonden er in de Nieuwe Wereld joodse gemeenten die hun geloof in de volle openbaarheid mochten belijden. Maar na een negenjarige oorlog werd in 1654 de laatste Hollandse bezitting in Brazilië heroverd door de Portugezen. Bij het vredesverdrag vergaten de Hollanders hun medestrijders niet. Zij verlangden volledige amnestie voor de burgerbevolking en nadrukkelijk ook voor de joden. De Portugezen beloofden het, maar hielden geen woord.

Eerste joden in New York
Er ontstonden onder andere joodse gemeenten op Curaçao, in Jamaïca en Suriname. Ze waren tot groot nut en zeer zegenrijk voor de kolonies. De suikerproductie vooral werd de ruggengraat van de vroege koloniale economie in de Nieuwe Wereld. In 1645 gingen in de haven van Nieuw-Amsterdam, het latere New York, 23 joodse vluchtelingen aan land. De stad was Nederlands en de nieuw aangekomenen twijfelden er niet aan gastvrij te zullen worden opgevangen. Tot hun grote ontsteltenis betoonde de gouverneur, Peter Stuyvesant, zich evenwel zeer afwijzend. Maar uit Holland kwam het antwoord: het is onverstandig en onrechtvaardig degenen die zulk een belangrijk aandeel hebben gehad in de Braziliaanse onderneming en die door hun verdrijving schade hebben geleden, geen asiel te verlenen. Het enig voorbehoud was dat de onbemiddelden onder hen niet ten laste van de Compagnie of van de christelijke gemeenschap komen, maar door hun eigen geloofsgenoten worden gesteund. Het geboorte-uur van de grootste joodse gemeente ter wereld had geslagen…

Nederland als toevluchtsoord
De opgejaagde maranen vonden in de Nederlanden onverwacht een nieuw toevluchtsoord. De Nederlanders hadden met goed gevolg gevochten voor hun geloofsvrijheid in de grootse vrijheidsstrijd van een klein volk tegen een wereldmacht, Spanje. Niet lang nadat ze het Spaanse juk hadden afgeschud kwamen de eerste vluchtelingen aan. He waren joden uit Portugal. De Amsterdamse magistraat gaf de maranen toestemming hun geloof openlijk te belijden. Het nieuws van de verdraagzaamheid van de Hollanders maakte dat spoedig nieuwe scharen maranen naar het land trokken. Amsterdams opbloei tot één van de belangrijkste steden van geheel Europa begon, juist vanaf die tijd.

De immigranten waren mannen van stand
Van druk bevrijd ontplooiden de maranen een grote bedrijvigheid. In die tijd was er nauwelijks een andere joodse gemeente te vinden die qua ontwikkeling, aanzien en rijkdom zoveel vooraanstaande mannen telde als die in Amsterdam. De immigranten behoorden grotendeels tot geleerde en aanzienlijke kringen, mannen die in Spanje of Portugal als artsen, wetenschappelijke onderzoekers of rechtskundigen hadden gewerkt of hoge functies als ambtenaren of geestelijken hadden bekleed. Velen bezaten hoge adellijke titels.

Manasse ben Israël
In de Nederlanden, in die tijd het beschaafdste land van Europa, waar het humanisme in hoog aanzien stond, verkeerden geleerde joden weldra overal met christelijke mannen van wetenschap en kunst. Amsterdam werd het ‘Hollandse Jeruzalem’ genoemd. Tot de meest vooraanstaande mannen van de joodse gemeente behoorde Manasse ben Israël (1604-1657). Mannen als de rechtskundige Hugo de Groot, de ‘vader van het volkerenrecht’, stonden met hem in briefwisseling. Rembrandt behoorde tot zijn vrienden, maakte zijn portret en nam hem als voorbeeld voor het bekende schilderij van de Amsterdamse rabbijn.

Nederland werd rijk
Met de immigranten vloeiden grote kapitalen het land binnen en deze waren van zeer veel nut voor het opkomende land. De Nederlanden waren voordien arm, vernietigende oorlogen hadden het land geruïneerd. Met de vermogende joodse immigranten en hun handelsbetrekkingen hield ook een nieuwe, stormachtige ondernemingsgeest zijn intocht en werd weldra overal merkbaar. Tijdens de Dertigjarige Oorlog kreeg Amsterdam opnieuw een grote aanwas, ditmaal van de andere kant: joden uit Duitsland zochten asiel. Velen van deze asjkenasim werden diamantslijper. Verreweg de meeste gilden waren voor de joden gesloten.

Baruch Spinoza
Na een bestaan van ternauwernood dertig jaar brak in de Amsterdamse gemeente een conflict uit dat de gemoederen van de Portugese joden ten zeerste schokte. Juist de voormalige maranen toonden zich bijzonder streng en trouw aan de wet. Zij hadden orthodoxe rabbijnen laten komen met al te grote godsdienstijver. In deze sfeer van hartstochtelijke vroomheid, waarin iedere opwelling van vrije gedachten een verdoemelijke ‘ketterij’ moest schijnen, kwam het tot een tragedie die groot opzien baarde – die van Baruch Spinoza. Daarmee werd één van de meest vrije denkers en grootste filosofen door onverdraagzaamheid uit de gemeenschap van de synagoge gestoten.

Vervreemd van het geloof van zijn vaderen
Het stelsel van Descartes (men moet aan alles twijfelen wat niet met volle zekerheid waar blijkt te zijn) veroorzaakte in de gedachtenwereld van Spinoza een diepgaande verandering. Weldra begon hij zijn eigen gebouw van kennisleer op te richten. Het verstand werd voor hem de enige bron van alle kennis – boven alle goddelijke openbaring en godsdienstige overlevering. Hij begon de synagoge te mijden. Steeds meer raakte hij vervreemd van het geloof van zijn vaderen. Hij zwoer het oude geloof af. Zo kwam het in 1656 tot een breuk: hij werd in de ban gedaan. Spinoza vestigde zich in Den Haag om daar in volledige afzondering het leven van een filosofisch kluizenaar te leiden. Om in zijn behoeften te voorzien, leerde hij de kunst van het lenzenslijpen. Het bescheiden inkomen was hem voldoende. Iedere steun werd door hem geweigerd. Ook weigerde hij een aanstelling als professor in Heidelberg.

Ethica
Zijn beroemd in 1670 uitgegeven ‘Theologisch-politiek tractaat’, waarin hij de oude godsdienstige waarheden volkomen trachtte te weerleggen, verscheen anoniem. De storm van verontwaardiging lieten hem voorzichtiger worden. Hij waagde zich tenslotte geen enkele publicatie meer. Hij sterft op 44-jarige leeftijd, onverzoend met zijn joodse gemeente. Onder de povere bezittingen die hij naliet bevond zich een document met als opschrift het simpele woord ‘Ethica’ – Spinoza’s onsterfelijk werk over zijn rationalistische stelsel, waarin hij het joodse godsgeloof vertolkt in de wiskundige taal van zijn tijd en de eenheid van God en de natuur verkondigt. Spinoza leefde vóór de tijd die hem bij machte was te begrijpen. Pas toen Lessing hem een eeuw later opnieuw ontdekte, begon hij zijn triomftocht door de wereld van de geesteswetenschap. Herder en Goethe bewonderden en vereerden hem, Kant bestudeerde hem, Schelling en Hegel ook.

Joden in Hamburg om economische motieven getolereerd
De vrije stad Hamburg herbergde reeds vroeg joden, zonder er evenwel een vermoeden van te hebben. Het waren voorname, rijke kooplieden en ondernemers, vertegenwoordigers van buitenlandse firma’s die niet slechts aanzienlijke kapitalen hadden meegebracht, maar ook over wereldomspannende relaties beschikten. Een poos lang ging het goed. Ze beschouwden de ‘kooplieden van Portugese nationaliteit’ als katholieken. Toen bleek dat het joden in een christelijke vermomming waren, stond alles op stelten. Ze mochten blijven, mits ze geen synagoge bouwden. Maar in 1627 richtten ze in alle stilte een bescheiden synagoge in. Het duurde niet lang voor men hier achter kwam. De heren van de raad wisten echter maar al te goed dat het de maranen waren die Hamburg hielpen bij de succesvolle concurrentie tegen Amsterdam, toen de grootste handels- en zeemacht ter wereld. De lutherse geestelijkheid slaagde er dus niet in de joden uit hun midden te weren.

De puriteinen
Gedurende meer dan drie eeuwen hadden op de Britse eilanden nauwelijks joden gewoond, sinds zij in 1290 waren verdreven. De puriteinen, die in hun banieren het opschrift ‘De leeuw van Juda’ voerden, die de terugkeer predikten tot de strenge moraal en de discipline van het Oude Testament, waren geneigd de joden als het oude volk van God vriendelijk tegemoet te treden. Niet weinigen koesterden in stilte de hoop dat het hun kerk zou gelukken de joden voor zich te winnen. In 1649 werd in het parlement het voorstel gedaan de zondag naar de sabbat te verplaatsen. Als staatsman dacht Cromwell dat als hij vooraanstaande joodse en maraanse kooplieden naar Londen kon krijgen, dit de Engelse handel ten zeerste zou bevorderen.

Geen volledige wederopneming in Engeland
Vanuit Nederland werd een eerste poging gedaan ten gunste van de wederopneming van joden in Engeland: Mannase ben Israël nam deze stap. Hij had eerder al moeite gedaan voor de vestiging van joden in Scandinavische landen. In 1650 verzond hij het ‘lange parlement’ met een petitie tot toelating van de joden, zijn geschrift De hope Israëls. Hij richtte in 1655 ‘a humble address’ aan de regering, waarin hij zijn wensen uiteenzette: opneming van de joden in Engeland en vrije godsdienstuitoefening. Cromwell wilde dit wel, maar de geestelijkheid niet en de koopmansstand vreesde dat de joden hen alle winst zouden ontnemen. Er kwam een compromis: de maranen kregen mondelinge toestemming in Engeland zaken te blijven doen. Manasse ben Israël was teleurgesteld dat het gehoopte doel niet volledig bereikt werd. Op zijn terugreis (1657) overleed hij. Zijn missie was echter niet voor niets geweest. De verdere resultaten lieten niet lang op zich wachten.

Spanje en Portugal bleven in de middeleeuwen steken
In Spanje en Portugal eiste de inquisitie nog steeds haar offers. In 1680 – tweehonderd jaar na de invoering van de inquisitie – werd Madrid zelfs opnieuw het toneel van een grote auto de fe, ter ere van een koninklijk huwelijk. Daar klonk ook een meisjesstem uit de brandstapel: ‘Heb erbarmen, koningin! Hoe kan ik het geloof afzweren dat ik met de moedermelk heb ingezogen?’ Portugal bleef niet bij Spanje achter. Maar de kerkelijke processen tegen de joden brachten economisch de ondergang. Het rijk verviel.

Centrum wereldhandel naar het noorden
Ook Spanje verloor de wereldheerschappij. Het nieuwe, voor de toekomst van belang zijnde leven brak zich op andere plaatsen, in andere landen baan – overal waarheen de maranen waren gevlucht! De verplaatsing van het centrum van de wereldhandel van Zuid- naar Noord-Europa in de loop van de 17e eeuw was volstrekt niet de onbelangrijkste van de gebeurtenissen die door de inquisitie werden bevorderd. ‘Als een zon gaat Israël over geheel Europa op: waar het komt bloeit opnieuw leven, waar het wegtrekt, verkommert alles wat voordien had gebloeid’.

Messias Sabbatai Zwi
Kort na de verschrikkingen in het Oosten ontstond een messiaanse beweging. In het allerdonkerste uur, had het altijd geheten, zou de messias verschijnen. In die tijd woonde er in Smyrna een man, Sabbatai Zwi geheten. Hij leidde een ascetisch leven, bracht in de eenzaamheid lange uren in gebed door, vastte herhaaldelijk, geselde zich en nam ’s winters zelfs baden in zee. Vaak vernam men tot diep in de nacht zijn gezang, zijn treurliederen om Sion. De betovering van deze jeugdige dweper leek onweerstaanbaar. Hij oefende grote invloed op zijn omgeving uit. Midden onder een godsdienstoefening in 1648 roept hij in de synagoge de volle naam van God uit over de verzamelde, biddende mensen. Niemand, behalve de hogepriester in de tijd toen de tempel nog bestond, mocht deze naam uitspreken. Slechts op het einde der tijden zou de Messias het ook doen. Ontsteld over zoveel vermetelheid doen de rabbijnen hem in de ban.

De valse messias wordt moslim
Maar veel mensen zien in hem de Messias. Ook in Nederland zijn er die het geloven. Als een roes trekt het over heel Europa. Sabbatai wordt hoogmoedig en verkondigt de sultan van Turkije te onttronen. Maar daar aangekomen wordt hij meteen opgesloten. Zijn kerker wordt een residentie. Velen komen hem bezoeken. Zo ook een Poolse kabbalist, die hem op de proef wil stellen. De proef doorstaat hij niet. Na gesprekken die dagen in beslag hebben genomen bestaat voor hem geen twijfel meer: deze man is een volksverleider en dus des doods schuldig. Hij is een valse messias. Hij krijgt nu de keus: de marteldood of de overgang naar de islam. Wat niemand verwacht gebeurt: hij werpt zijn ‘joodse muts’ weg en zet een tulband op. Hij stierf op 50-jarige leeftijd. De ‘Sabbatianen’ – een beperkte kring aanhangers – hielden tot het begin van de 19e eeuw stand.

Slechts één per gezin mag trouwen
In Oostenrijk publiceert in 1700 Eisenmenger, een protestantse theoloog, een boek tegen de joden. Bezorgd neemt de joodse gemeenschap er kennis van. Ze begrijpt welk onheil een dergelijk boek kan aanrichten. Ze krijgen gedaan dat het boek wordt verboden. Tien jaar later verschijnt het boek niettemin toch – in Pruisen. Het boek werd geestdriftig gelezen, tot in de 20e eeuw. Er kwamen in 1726 en 1727 reductiewetten tegen de joden in Moravië en Bohemen: slechts één mannelijke afstammeling per gezin mocht een huwelijk aangaan. Alleen hij kon een vestigingsvergunning krijgen, al zijn broers en zussen moesten het land verlaten. Dit dwong duizenden mensen tot een vrijgezellenstaat of emigratie, of tot een geheim huwelijk. Ook mochten joden niet meer tussen christenen wonen en werden ze verbannen uit de nabijheid van katholieke kerken. In 1745 worden alle joden Bohemen (waaronder Praag) uitgezet.

Moses Mendelssohn
In Pruisen, de jonge, krachtig opbloeiende staat in het hart van Europa, stonden de joden ook onder een onafgebroken, zware druk. De vorsten lieten zich hier echter niet verleiden tot hartstochtelijk onbezonnen daden. De Jodenpolitiek hier werd bepaald door koele berekening: nuchtere, strenge bepalingen. Alle Pruisische vorsten wilden joden hebben – maar vooral niet te veel. Er heerste een systeem van bescherming op afbetaling. In de hoofdstad van Pruisen, Berlijn, dook uit het duister van het getto een beroemde jood op: Moses Mendelssohn. Hij was een joods filosoof in de tijd van de Verlichting. Hij las in zijn jeugd zoveel dat zijn lichaam scheefgroeide.

Begin emancipatie van de joden
‘Welk een vernedering voor ons benard volk! Welk een overdreven verachting! Het eenvoudige volk van de christenen heeft ons steeds als het uitvaagsel van de natuur, als een gezwel op de menselijke samenleving beschouwd. Maar van geleerde mensen zou ik toch te allen tijde een eerlijker beoordeling verwachten’. Mendelssohn slaagde erin uit eigen kracht tot een geestelijke hoogte te stijgen die de bewondering van alle ontwikkelde mensen opwekte. Hij had alle barrières doorbroken en had zich een plaats verworven in de hoogste kringen van het Duitse geestelijke leven. Hij werd om zijn prestaties en zijn werk geëerd. De wereld werd erdoor gedwongen het overgeërfde, verkeerde oordeel over de joden aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. De erkenning van Mendelssohn bleef een grote uitzondering. Maar de emancipatie van de joden was begonnen.

Duitse Thora-vertaling
Mendelssohn wilde zijn geloofsgenoten uit de beklemmende atmosfeer van het getto bevrijden. Niet slechts in rechten, ook cultureel was de positie van de joden bedroevend. De toegang tot ontwikkeling, tot kunsten en wetenschappen kon slechts worden bereikt via een taal. In de plaats van het Jiddisch moest de geschreven taal komen. Hij vertaalde de vijf boeken van Mozes in het Duits (1783). Met zijn Thora-vertaling begon in de joodse gelederen een Duitse literatuur. Door de joden met de Duitse taal vertrouwd te maken, gaf hij hun de sleutel tot de letterkunde, de wetenschap en de filosofie van hun eigen tijd.

Achternamen
In 1787 werd bepaald dat alle joden in de Habsburgse erflanden burgerlijke familienamen moesten aannemen. De Oostenrijkse ambtenaren lieten zich voor welluidende namen, zoals die afgeleid van bloemen, edelstenen of edele metalen, duur betalen. De minder welgestelden mochten zich noemen naar de plaatsen waaruit zij afkomstig waren of naar gewone stoffen, zoals staal, ijzer en dergelijke. De armen die in het geheel niets konden betalen, kregen hun namen toegewezen, vaak opzettelijk weerzinwekkend of belachelijk. En die bleven hun nakomelingen dan aankleven tot zij in staat waren zich een andere naam te kopen.

Vrijheid in Amerika, getto’s in Europa
In 1776 riepen de Noord-Amerikaanse staten de onafhankelijkheid uit en tegelijk daarmee werden de rechten van de mens afgekondigd. Voor het eerst sinds de heidens-Romeinse tijd werden de joden gelijke rechten gewaarborgd. Maar terwijl daarginds in de Nieuwe Wereld de bevrijdende beslissing gevallen was, zag het er in de Oude Wereld nog steeds even achterlijk uit. Midden in Europa, dat zich zo op de Verlichting beroemde en de rede op haar troon had verheven, leken de eeuwen te hebben stilgestaan: als duistere overblijfselen van het verleden doemden overal nog onveranderd de door muren omsloten getto’s op. De christelijke gezagsdragers wezen iedere wijziging, de kleinste verlichting van de voorschriften streng af. Zodra de joden door de poort waren gegaan, ontmoetten ze slechts spot en verachting. Vernedering was schering en inslag.

Joden hadden opvallend uiterlijk
Niemand kon de bleke gezichten en het ziekelijke uiterlijk van de gettobewoners ontgaan, zomin als hun schuwe blik, de gebukte houding, de armelijke kledij. Hun uiterlijk weerspiegelde hetgeen hun gedurende lange eeuwen was opgelegd: zij waren lichamelijk achtergebleven, hun lengte had enkele centimeters ingeboet en zij waren schrikachtig. Wie zou in deze verkommerde, schichtige gestalten ooit de afstammelingen hebben herkend van de dappere Makkabeeën? Moesten zij, zelfs op niet vooringenomen mensen, geen afstotende, zonderlinge indruk maken? De aanklagende en spottende vertekening van de joden was een typisch joodse uitvinding. Omstreeks 1300 was het thema ‘jodenzwijn’ al in zwang gekomen. Zelfs bij iemand als Goethe duurde het lang voor de ingeprente vooroordelen uit zijn kinderjaren overwonnen waren.

Een wederstrevig volk
Het hardste en het drukkendste, erger dan overal elders, was het lot van de joodse gemeenten in het machtsbereik van de paus. Er was een getto dichtbij het Vaticaan waar tegenover de hoofdingang een groot houten kruis stond met als inscriptie: ‘Ik heb Mijn handen uitgebreid, de ganse dag tot een wederstrevig volk’ (Jes. 65:2). Het werpen van stenen naar joden die langs een kerk liepen was een dagelijks terugkerende gebeurtenis. Ieder gesprek met christenen was taboe. Er stonden straffen op het hardop zingen van psalmen bij een begrafenis. Iemand schreef na een bezoek aan Italië: ‘Er wordt steeds weer gevraagd: wanneer zullen de joden zich eindelijk tot het christendom bekeren? Ik vraag me echter af: wanneer zullen de christenen zich tot verdraagzaamheid laten bekeren?’

Het chassidisme
Uit al het leed van de joden in Polen en Litouwen ontstond een nieuwe, diepe gelovigheid: de beweging van de vromen, de chassidim. De grondlegger was Israël ben Elieser. Niet op geleerdheid, niet op nuchtere studie komt het aan, maar enkel en alleen op innige vroomheid die uit de eenvoud des harten voortsproot, zo zei hij. Duizenden en duizenden raakten in de ban van deze nieuwe leer. In heel het oosten werd het verbreid. Veel rabbijnen vonden het iets ongehoords en spraken er de banvloek over uit. Maar er trad een beslissende ommekeer in: de joden in het Oosten hadden een eigen, nieuwe weg ingeslagen. Het jodendom had daar alleen nog maar aandacht voor het geloof, het hart, de ziel, de zedelijke loutering, het kapselde zich in en sloot zich geestelijk geheel af van de onrechtvaardigheden van de omringende wereld. Het ging niet om de uiterlijke vernieuwing, maar om de innerlijke. Als vrucht van dit geestelijk reveil onder het Oost-Europese jodendom zijn ons de vertellingen van de chassidim nagelaten. Het bijeenbrengen daarvan is het levenswerk van Martin Buber geweest.

Baard mag er niet af
Voltaire bleef vasthouden aan de bestaande vooroordelen. Tot aan het einde van zijn leven liet hij niet na in geschriften en brieven de Bijbel en de geschiedenis van het volk Israëls te bespotten en te belasteren. ‘Is de schade die de pen aanricht minder verderfelijk dan de vlammen van de brandstapel?’ kreeg Voltaire te horen. ‘Is dit kwaad, omdat het door het nageslacht wordt overgenomen, niet nóg verterender dan het vuur?’ In Parijs sarde en vernederde men de joden op de ongelofelijkste manieren. Iedere jood die in de stad aankwam moest zich melden bij de ‘Commissie van toezicht op boeven en joden’. In Berlijn begon iets verbijsterend nieuws: ontmoetingen en gedachtenwisselingen tussen joden en christenen onder de ontwikkelde mensen uit beide kringen. Maar het bleef slechts voor een beperkte kring; de rechteloosheid bleef. Zo kreeg een rijke jood geen toestemming zijn baard af te scheren. Wel ging een wetsontwerp in 1790 ervan uit dat de joden over ongeveer zestig of zeventig jaar volkomen gelijk zijn aan christenen. ‘De ervaring heeft geleerd dat de jood bij machte is alle maatschappelijke deugden te tonen’.

Franse Revolutie betekende vrijheid voor de joden
De Franse Revolutie werd de inleiding tot de bevrijding van het joodse volk in geheel Europa. De vreugde van de joden was groot: de afkondiging van de godsdienstvrijheid omvatte ook hen! Alle grote voorvechters voor de vrijheid pleitten voor de joden, zoals Robespierre. Voor de eerste maal in de moderne geschiedenis waren mensen die tot het joodse volk behoorden volgens een Europese wet volwaardige staatsburgers geworden! De revolutionaire legers dragen de bevrijding van de joden uit naar de door hen veroverde landen van Europa. In veel steden wordt bevel gegeven de muren van het getto te slechten, ‘opdat ieder spoor van deze scheiding, die in strijd is met de zeden van vrije mensen, voorgoed verdwijne’.

Herbouw Jeruzalem onder Napoleon?
Op de revolutie volgde zeer spoedig het Napoleontische tijdperk. Zijn houding jegens de joden was wispelturig, hun vriend was hij heel beslist niet. Gedurende zijn Egyptische veldtocht kwam hij voor de eerste maal met hen in hun oude vaderland in aanraking. In 1799 riep hij voor de poorten van Jeruzalem de joden van Azië en Afrika op om het Franse leger bijstand te verlenen. Als dank beloofde hij hun de wederopbouw van de Heilige Stad. Verder zegt Napoleon: ‘Het was het werk van zwakke heersers de joden te vervolgen. Ik zal dat verbeteren’. In de Duitse staten die door de heerschappij van Napoleon onder Franse invloed geraakten, werden de joden bevrijd. De burgerij verzette zich hardnekkig tegen deze ongewenste nieuwe maatregel. Twintig jaar na de Franse Revolutie besloot ook Pruisen tot de emancipatie van de joden. Daar ging wel een felle strijd aan vooraf. Er waren weer heftige antisemitische acties. Maar dit verstomde toen Berlijn in 1806 de intocht van de Fransen beleefde. Pruisen verloor alle grondgebied ten westen van de Elbe en het grootste deel van de voormalig Poolse gebieden. In 1808 kregen de joden stedelijke burgerrechten, inclusief dienstplicht. Maar de emancipatie van de Pruisische joden was slechts een kort leven beschoren. Reeds na drie jaar kwam er – met de val van Napoleon – een snel einde aan.

Klok weer teruggezet
In 1813 begon de grote bevrijdingsoorlog tegen de Corsicaan, die door Pruisen in bondgenootschap met Rusland en Oostenrijk werd gevoerd. De joden toonden zich loyale burgers en vochten massaal mee. Het zou hen echter niet baten. Beloften werden gebroken en de burgerlijke vrijheden en rechten die de joodse bevolking waren verleend, werden weer ingetrokken. Ook in Italië werd de klok teruggezet, werd de vrijheid die de Franse invloed de joden had toegekend, weer ingetrokken. De poorten van het getto, die enkele jaren geleden uit hun hengsels waren gelicht en verbrand, sloten zich weer. Van alle Europese landen die tot 1814 onder Franse heerschappij hadden gestaan, was Nederland de enige uitzondering. Hier werd de gelijkstelling van de joden niet aangetast. Het herstel van het Huis van Oranje veranderde niets aan de heersende liberale orde.

Opkomst Duits nationalisme
De eersten die het terugzetten van de klok te voelen kregen waren de joodse militairen die uit de bevrijdingsoorlogen terugkeerden. Schouder aan schouder met christenen hadden ze gevochten. Ze waren gesneuveld, gewond en onderscheiden. De Pruisische minister van justitie beargumenteerde: ‘Het vermoeden van gebrek aan moraal wordt door een tijdelijke dapperheid niet ontzenuwd’. De vrijheidsstrijd had in het teken gestaan van de romantiek, het vurige verlangde Duitse rijk moest worden opgebouwd op christelijk-Germaanse grondslag, op de eenheid van godsdienst, taal en nationale gezindheid. Naast de godsdienstige onverdraagzaamheid kwam nu dus ook de nationale, een eerste stap tot de latere rassendiscriminatie.

Het land van ongedierte zuiveren
In 1819 duikt het spook van de middeleeuwen in vele Duitse steden weer op. Hierosolyma est perdita, Jeruzalem is verloren, tot ‘Hep’ afgekort, werd het parool, de nieuwe strijdkreet. Onder de kreet ‘Hep, hep! Jude verrecke!’ slaat een golf van gewelddaden over het land. In hetzelfde jaar verscheen er van de romanschrijver Hartwig von Hundt-Radowski het boek ‘Der Judenspiegel’. Hij beschouwt daarin het doodslaan van een jood ‘noch als zonde noch als misdaad, maar eenvoudig als een soort verkeersovertreding’. ‘Het beste zou zijn het gehele land van dit ongedierte te zuiveren, hetzij door hen geheel te verdelgen of, zoals de farao, hen het land uit te jagen’.

We zijn niet geïmmigreerd, we zijn hier geboren
De Duitse joden lieten zich niet van hun stuk brengen: onvermoeid vochten zij verder voor hun rechten. Gabriël Riesser werd de eerste joodse politicus die zich openlijk Duitser noemde en hij werd de grote voorvechter van zijn geloofsgenoten. ‘Ons voor te houden dat onze vaderen eeuwen of duizenden jaren geleden het land zijn binnengekomen, is even onmenselijk als onzinnig. (…) Wij zijn niet geïmmigreerd, wij zijn hier geboren’. De overgang tot de kerk was een steeds vaker voorkomend verschijnsel geworden. Veel bekwame en begaafde joden keerden in die tijd het jodendom voorgoed de rug toe.

Joden worden christen om erbij te horen
De wens te worden erkend en voor vol te worden aangezien, was bij hen sterker geworden dan de binding met de traditie. Van de vier kinderen van Moses Mendelssohn bijvoorbeeld keerden zich er drie het jodendom de rug toe en zijn kleinkinderen waren allemaal christenen. In 1824 werd in Trier de uit een zuiver joodse familie afstammende Karl Marx door zijn ouders ten doop gehouden. De gedoopte joden vormden een lange rij! Ook in de eigen gelederen was inmiddels aanpassing aan de nieuwe tijd te bespeuren. Sommigen voerden koorzang en orgelspel in, net als in de lutherse kerk. Men ging meer nadruk leggen op de algemeen menselijke aspecten van hun religie.

Bismarck over de joden
De jonge Otto von Bismarck zei in 1847: ‘Ik ben geen vijand van de joden. Ik heb hen zelfs onder bepaalde omstandigheden lief. Ik gun hun zelfs alle rechten, alleen mogen zij geen overheidsfuncties bekleden in een christelijke staat. (…) Ik deel dit gevoel met de grote massa van het gewone volk en ik schaam mij niet dat ik mij in dit gezelschap bevind’. Pas de storm van het jaar 1848, die het algemene streven naar een democratische wetgeving naar de overwinning voerde, bracht de joden een stap dichter bij hun doel. Uiteindelijk kwam in 1869 een tolerantiewet. Hiermee kwam een eind aan de lange strijd, het sluitstuk van de emancipatie was werkelijkheid geworden. De Duitse joden zagen verheugd de toekomst tegemoet, een nieuwe tijd scheen de poorten voor hen te hebben geopend…

Middeleeuwen definitief voorbij
Het tijdvak van de bevrijding der volkeren was onherroepelijk aangebroken. Na het revolutionaire begin van de jaren 1848 tot 1870 vallen in het ene land na het andere in Midden-Europa eindelijk de boeien van de middeleeuwen. Terwijl de poorten van het Vaticaan zich achter de paus sloten, werden de poorten van het Romeinse getto voorgoed geopend. De laatste schimmen van de middeleeuwen, die eeuwenlang het joodse leven hadden verduisterd, waren nu ook uit Midden-Europa verjaagd.

Fysieke verbetering
Israël beleefde in het westen van Europa een verbijsterende renaissance. Zij, die zolang gedoemd waren geweest op de achtergrond te blijven, verzuimden geen ogenblik om de vele, hun tot dusver ontzegde mogelijkheden te benutten. Het komt tot prestaties en verrichtingen die getuigen van een buitengewoon veelzijdige begaafdheid op alle gebieden. Zelfs hun uiterlijke verschijning verandert. Verrassend snel maken de nieuwe omstandigheden een eind aan de ongunstige fysieke invloeden waaraan zij zoveel geslachten lang waren blootgesteld. De gebogen houding, de uitgemergelde gestalte verdween, de grauwe gelaatskleur werd zeldzaam. De jood won enkele centimeters aan lichaamslengte. Was dit nog wel hetzelfde volk?

Economie afhankelijk van de joden
Het beginnende industriële tijdperk had ontzaglijke kapitalen nodig. De opkomst van de economie was afhankelijk van de liquiditeit. Banken van joodse financiers verschaften de overal benodigde gelden. De joden nemen dus een sleutelpositie in. Bismarck nam zijn joodse privé-bankier mee toen de kanselier in 1871 van het verslagen Frankrijk een buitengewoon hoge oorlogsschadevergoeding eiste. De franse president zei hem dat een dergelijk bedrag zelfs niet zou zijn op te brengen als men ten tijde van Christus was begonnen te sparen. Bismarck antwoordde: ‘Juist daarom heb ik een adviseur meegebracht wiens tijdrekening met de schepping van de wereld begint’.

Joodse uitvindingen
Tot de pioniers van de luchtvaarttechniek behoren ook joden. In 1875 tovert de jood Siegfried Marcus zijn ‘op eigen kracht rijdende wagen’ uit zijn werkplaats in Wenen tevoorschijn. Het voertuig had een explosiemotor met elektrische ontsteking. De politie verbiedt echter alle verdere proeven wegens het storende lawaai. De naar Amerika geëmigreerde jood Emil Berliner vindt de microfoon en grammofoonplaat uit. De jood Robert Lieven vond verschillende praktische toepassingen uit, waardoor later de radiotechniek en de geluidsfilm mogelijk werden. Zo kunnen we nog wel even doorgaan: de kleurenfotografie, het motorschip, de veiligheidslucifer, de bacteriologie, de forensische psychiatrie, de verfstoffenindustrie, het handelsrecht: allemaal dankzij de joden. Joden stonden aan de wieg van de New York Times en het persbureau Reuter. De joden brachten met minder dan één procent van de wereldbevolking meer dan tien procent van de Nobelprijswinnaars voort. Toen de 19e eeuw ten einde liep, was het werk reeds begonnen van twee geleerden die voor de mensheid geheel nieuwe werelden ontsloten: Sigmund Freud en Albert Einstein.

Rassenkwestie geboren
Antisemitisme keerde telkens wel weer terug, bijvoorbeeld na 1871 in Duitsland. De opvatting dat de staat beter functioneert als de individuen eendrachtig waren, kon geen buitenstaander dulden. Van de joden werd dus volkomen assimilatie geëist, het opgeven van iedere vorm van anders-zijn. De oude, krachtig losbrekende stroom van antisemitisme graaft zich een nieuwe bedding. Argumenten die eens op de godsdienst stoelden, worden geseculariseerd en pseudo-biologisch gefundeerd: er duikt een nieuwe, zogenaamd ‘wetenschappelijke’ leer op. De Jodenkwestie, luidt het daarin, is geen godsdienstige, maar een rassenkwestie. ‘Het Duitse vaderland van de volkomen verjoodsing redden’, zo werd een doel.

Antisemitisme
De antisemieten hadden overigens geen succes met hun eisen. Maar het eenmaal gestrooide gif, het antisemitisme, ‘het socialisme van de dommen’, vreet verder. Hele reeksen opruiende geschriften en pseudowetenschappelijke werken tegen het jodendom verschenen. Op het eind van de 19e eeuw was het arsenaal van het antisemitisme compleet: alle leuzen, argumenten en slagwoorden die na 1933 zouden voeren tot de grootste, ooit begane massamoord op een weerloze minderheid lagen klaar. Wenen ontwikkelde zich steeds meer tot een burcht van antisemitische agitatie. Wat er in die tijd in deze stad aan opruiende anti-joodse literatuur bestond, werd gelezen door ene Adolf Hitler. Zelfs Frankrijk, het vaderland van de emancipatie, bleef niet verschoond: kort voor het einde van de eeuw komt het tot een grote uitbarsting van antisemitisme: door de strijd om Alfred Dreyfus wordt het land tot aan de rand van een burgeroorlog gevoerd.

Theodor Herzl
Vlak voor het begin van de 20e eeuw staat uit de gelederen van de vele duizenden geassimileerden voor het jodenom de man op die het initiatief neemt tot de politieke beweging van het zionisme: Theodor Herzl, in 1860 te Boedapest geboren. Hij was ooggetuige van de degradatie van de als verrader gedoodverfde Dreyfus en onderging een grote schok toen hij zag dat men hem niet als mens, maar als jood zag, bij wie medelijden ophoudt. ‘Op dat ogenblik werd het zionisme geboren’. In 1896 verschijnt de brochure Der Judenstaat. Versuch einer modernen Lösung der Judenfrage. Maar men lacht hem uit, men houdt hem voor een utopist. Tot zijn vroege dood in 1904 blijft hij ijveren voor de verwezenlijking van het grote plan. Inmiddels was men al begonnen in Palestina land te kopen. Joodse immigranten, vooral uit Rusland, begonnen onder onvoorstelbare moeilijkheden het pionierswerk dat nodig was om de verwaarloosde bodem weer vruchtbaar te maken. Herzl kreeg van de Engelse minister van koloniën zeer concrete voorstellen, waaronder dat van een nederzetting in het huidige Oeganda. De meerderheid van de zionisten sprak zich echter uit voor Palestina als enig doel.

Pogroms in Rusland
De sluiting van de gettopoorten was niet tot het oosten doorgedrongen. Onveranderd bleven in Rusland de druk van middeleeuwse toestanden, terwijl hier verreweg het grootste aantal joden van het Europese vasteland woonde. Pas met de troonsbestijging van Alexander II (1855) leek voor de joden een nieuwe tijd aan te breken. Joden mochten gaan studeren. Toen in 1881 Alexander III tsaar werd, keerde het getij en kreeg de reactie de overhand. De hel brak los en een golf van pogroms (het Russische woord voor verwoesting) begon. De berichten over deze gruwelijke gebeurtenissen verwekten in de westelijke wereld alom ontsteltenis.

Exodus uit Rusland
In Rusland veroorzaakten de pogroms een paniek onder de joodse bevolking. De dodelijk verschrikte mensen zien nog slechts één uitweg uit hun ellende: vluchten. Bij duizenden en duizenden lieten velen alles in de steek. Er begon een exodus van een omvang die alles in de schaduw stelde wat tot dusver in de joodse geschiedenis had plaatsgevonden. In dertig jaar tijd verlieten ongeveer een miljoen joden hun voormalige vaderland. Geheel Europa is hier getuige van: in alle hoofdsteden van het Westen duiken hele scharen uitgehongerde, verpauperde gestalten op. In Duitsland en Oostenrijk ontmoeten ze een afwijzende houding. Deze beide landen in het hart van Europa, waarin het antisemitisme zijn propaganda heeft ontplooid, blijven koud.

Grootste diaspora: Amerika
Het grootste deel van de vluchtelingen vond een nieuw vaderland in overzeese gebieden: Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika, Zuid-Amerika en vooral Canada. Een nog veel grotere stroom koos Engeland. Maar in geen staat liep het aantal immigranten zo snel op als in de Verenigde Staten van Amerika: de grootste diaspora. Dan zijn er al meer dan twee eeuwen verstreken sinds 1654, toen de eerste 23 joden voet zetten op Manhattan. Nieuw-Amsterdam werd spoedig omgedoopt tot New York. De joden werden Engelsen. De puriteinen toonden zich goedgezind jegens de ‘kinderen van het volk Israëls’, zij hadden geen vooroordelen tegen de joden. Hun geloof stoelde geheel op de geest van het Oude Testament en zij vergeleken hun eigen vlucht naar Amerika graag met de exodus van de joden uit Egypte.

Officiële gelijkheid in Amerika
De universiteit van Harvard voerde in 1636 het Hebreeuws als gelijkwaardig aan het Latijn en Grieks in. John Cotton, de puriteinse ‘patriarch van Nieuw-Engeland’ sprak eens de wens uit de Mozaïsche codex als basis te nemen voor de wetten in Massachusetts. Overal ontstonden joodse vestigingen op de nog maar pas gekoloniseerde bodem, in 1733 in alle dertien koloniën. Met de onafhankelijkheid werd bepaald dat ‘niemand die het bestaan van God erkent door de wet burgerrechten mag worden ontzegd’. Waar het jodendom in Europa al meer dan duizend jaar op wachten was in Amerika nu een feit. Oorspronkelijk had het merendeel van de immigranten bestaan uit Portugees-Spaanse maranen, maar na 1700 kwamen er steeds meer asjkenazim bij. Van 10.000 in het jaar 1820 groeide het aantal joden in de USA aan tot een kwart miljoen in 1880. In 1825 kwam het tot een poging een joodse staat te stichten. In het stadje Buffalo vierde men het stichtingsfeest van de nieuwe staat Ararat. Maar het werd niets.

Vooral Russische joden in Amerika
Na 1871 neemt de immigratie uit Duitsland en Oostenrijk zeer sterk af als gevolg van de emancipatie. De stroom landverhuizers blijft wel aanhouden, vooral veel Poolse en Russische joden. Van 1880 tot 1900 kwamen er 600.000 joden uit Oost-Europa in Amerika aan. Toen er in 1903 opnieuw pogroms begonnen, kwamen er in nauwelijks vijf jaar tijd nog eens 500.000 bij. In 1929 waren er 2,3 miljoen joden in Amerika, waarvan meer dan 70 procent uit Rusland. Een derde deel van alle Oost-Europese joden was de Atlantische Oceaan overgestoken. Vanaf 1933 vluchtten 200.000 Duitse joden naar de Verenigde Staten. Het merendeel van de Oost-Europese vluchtelingen concentreerde zich in New York. De grootste gemeente na New York ontstond in Chicago. Grote gemeenten vormden zich ook in Boston, Baltimore, Cleveland en Philadelphia. In Canada ontstonden in Toronto en Montreal grote joodse centra. Binnen twee geslachten was de grootste en belangrijkste diaspora in de joodse geschiedenis ontstaan: die van de Verenigde Staten.

Zwarter dan zwart
Nu zijn we aangekomen bij de verschrikkelijkste ramp uit de joodse geschiedenis: de Holocaust. Het is onvoorstelbaar dat na zoveel eeuwen van vervolging en uitroeiing het ergste nog moest komen. Hier past alleen maar een zwarte, diepzwarte bladzijde. Toen in 1948 de nieuwe staat Israël uitgeroepen werd en in 1950 de ‘wet van de terugkeer’ van kracht werd, waardoor ‘iedere jood gerechtigd [is] naar Israël te emigreren’, had het joodse volk eindelijk weer een eigen staat, waar ze veilig was, die voor haar kon opkomen.

Gepubliceerd in december 2008