Dostojewski

n.a.v. Henri Troyat, Dostojewski. De mens en zijn werk, Amsterdam z.j.

Jeugd en opleiding
In Moskou
De grootvader van Dostojevski was priester, uit een adellijk geslacht. Diens zoon wilde medicijnen gaan studeren, en dit was een schandaal, want hij moest eigenlijk in de voetsporen van zijn vader gaan. Hij verliet het ouderlijke huis en vestigde zich in Moskou. Het moeizaam begin en zijn middelmatig succes als arts hadden zijn karakter verzuurd. Hij werd hard tegen zichzelf en tegen anderen. Hij werd een huistiran, ‘meester naast God’. Hij kende een overmaat van sentimentaliteit en kon soms plotselinge aanvallen van droefheid krijgen. Als zo’n aanval voorbij was klom hij weer op zijn bespottelijke voetstuk. Eigenlijk was hij niet door en door slecht. Hij hield van zijn vrouw, paste geen lijfstraffen toe op zijn kinderen, maar kon dus wel erg boos zijn. In Moskou woonden ze bij een hospitaal, een liefdadigheidsinstelling, waar hij werkte. Hier werd op 30 oktober 1821 zoon Fjodor Michajlovitsj geboren.

Vliegen vangen
Hij was ook een man van een goedgeregelde dagindeling. ’s Morgens om zes uur stond iedereen op. ’s Middags sliep hij anderhalf uur en op zomerdagen moest één van zijn kinderen naast hem zitten om de vliegen van zijn gezicht te jagen. ‘Ongelukkig degene die een vlieg doorliet’, zo schreef zoon André ooit. Het ‘heimelijk fluisteren’ in de middagen tijdens vaders slapen heeft de jeugd van Dostojevski verzoet. Het avondeten begon om precies negen uur. Na het eten gingen de kinderen meteen naar bed. Maar de voedsters van de kinderen slopen nog wel eens stiekem naar de kamers van de kinderen om ze spannende verhalen te vertellen.

Afgezonderd leven
De ouders van Dostojevski ontvingen weinig gasten. Vader hield er bovendien niet van laat naar bed te gaan. ’s Zondags en op feestdagen gingen ze naar de kerk. Te midden van deze kleine kring groeide Dostojevski op, verschrikkelijk afgezonderd van de buitenwereld, zonder vrienden, ervaring en vrijheid. Deze afgesloten jeugd en deze kunstmatige ontwikkeling van zijn gevoeligheid lieten hun sporen achter op zijn hele verdere leven. Dostojevski hield ervan zo nu en dan de patiënten van zijn vader te bezoeken en met ze te praten. De lijdende mens stootte hem niet af maar trok hem juist aan. Er bestaat geen twijfel dat vader Dostojevski de angst voor de gemeenschap, de buitengewone gevoeligheid en de plotseling optredende twijfel bij zijn zoon heeft ontwikkeld, waaraan deze tot aan zijn dood heeft geleden.

Liefde voor de nederige boeren
Dostojevski heeft tegenover zijn vader onduidelijke en tegenstrijdige gevoelens gekoesterd. Hij vreesde hem, verafschuwde hem soms, had zelfs soms een afkeer van hem. Maar soms kreeg hij plotseling medelijden met zijn vader. In 1831 kocht hij een bezitting bij Moskou wat bestond uit 750 hectare grond met twee dorpen met in totaal honderd inwoners. Hij werd hier landedelman, niet alleen om over zijn lijfeigenen te heersen, maar om hier de zomers door te brengen in de frisse lucht. Dit bracht een beetje verandering in het kleurloze bestaan van de familie. De kinderen genoten van de vrijheid, die ze zo lang hadden moeten ontberen. Ze verzonnen allerlei spelen. De nederige boeren, die botte werkers, boeiden Dostojevski op dezelfde manier als de zieken uit het hospitaal. Hij voelde zich op zijn gemak bij hen. Alle schaamte en eigendunk verdween in de omgang met hen. Hij ontdekte met verrukking dit Russische volk, eenvoudig, verweerd en ontelbaar, waarvoor hij zijn hele leven een hartstochtelijke liefde bleef koesteren.

Goed onderwijs
Het onderwijs begon voor de kinderen al vroeg. Ze moesten Latijn gaan leren. Iedere avond verzamelde vader zijn kroost om zich heen en dan begon een afschuwelijke kwelling. Vader was een vervaarlijk leraar. Hij leefde zijn machtswellust uit op zijn leerlingen. Hij verbood hen te gaan zitten tijdens de les, die meer dan een uur duurde. Bij de kleinste fout volgde geschreeuw en vuistslagen op tafel. De ouders van Dostojevski wilden hun zonen nooit naar het gymnasium sturen, waar lijfstraffen werden toegepast. Daarom gingen Michel en Fjodor naar een dure particuliere school. Elke zaterdag kwamen ze dan weer thuis. Ze lazen hartstochtelijk alles wat hun in handen kwam.

Bang voor de buitenwereld
Dostojevski’s zeer grote eigendunk, scherpe wantrouwen en ziekelijke verlegenheid hielden zijn medeleerlingen op een afstand. Hij wilde zich graag aan iets of iemand wijden, zich toevertrouwen, maar van het begin af aan sloot hij zich als een slak in zijn huisje. Hij was bang voor de buitenwereld. Weemoed heeft hij, en hij droomt veel. Moeder Dostojevski stierf in 1837, na een ziekbed, op 37-jarige leeftijd. Dit was een grote schok voor het gezin. Het leven thuis werd onhoudbaar. Vader besloot zijn oudste zonen naar een militaire school in Sint Petersburg te doen, waar ze officier konden worden. Dostojevski werd vlak voor vertrek ziek en leed aan verlies van zijn stem. Hij hield zijn hele leven een merkwaardige, lage, ‘kunstmatige’ stem, die hinderlijk was voor degenen die met hem spraken.

Einde veilig familieleven
Fjodor en Michel Dostojevski gingen een eenzaam leven tegemoet en begonnen vol ijver aan al het werk dat van hen werd geëist. Fjodor werd toegelaten, maar Michel om gezondheidsredenen niet, hij moest naar een onderafdeling van de school. Fjodor vond het jammer dat er een scheiding kwam tussen hem en zijn broer. Ze hadden een warme vriendschap. Een zwaar studieprogramma volgde, in alle denkbare vakken. De discipline was streng. De jongens moesten gehard en aan de oorlog gewend worden. Dostojevski werd dus na een veilig behoed familieleven plotseling in dit ruwe en gisterende wereldje gezet. De uitdrukking van zijn gezicht werd somber, verzonken en onrustig. De eerste aanraking van Dostojevski met zijn kameraden was pijnlijk. ‘Wat zagen ze er dom uit!’ zo schreef hij in zijn herinneringen. Kinderen, die mooi en gezond op school waren gekomen, werden na enkele jaren monsters. Er was sprake van kleingeestigheid, alleen maar eerbied voor succes en ze spraken alleen over winstgevende baantjes. ‘Ze waren slecht tot het afstotelijke toe’.

Dwalen met een boek in de hand
Dostojevski dwaalde vaak met een boek in zijn hand door de gangen, somber, wanhopig en eenzaam. Hij vermeed toenadering tot zijn leraren en ontliep gesprekken met zijn kameraden of ging er niet op in. Maar hij wende aan de nieuwe situatie. Later zou hij schrijven: ‘Ik denk dat de beste definitie van de mens is: een wezen, dat aan alles went’. Dostojevski regelde zijn eenzaamheid. Hij hield zich graag afzijdig. De wapenoefeningen bevielen hem niet. Het militaire stond hem niet aan. Tijdens de weinige vrije minuten trok hij zich terug in een vensterbank waar hij een boek las. Hij maakte zich zo los van deze wereld met zijn kleine beslommeringen. Men kon Dostojevski ook vaak midden in de nacht zien zitten aan zijn werktafeltje. Hij zat dan met blote voeten en een deken over zijn schouders. Als leerling was hij zeer vlijtig.

Gezakt voor examen
Enkele leerlingen werden op den duur meegesleept door zijn geestdrift. Er vormde zich een kring van vier of vijf jonge mensen, die over dichtkunst spraken en zelfs over idealen. Dostojevski boeide hen met zijn bezielde woorden. ‘Zijn verstikte, als uit zijn binnenste komende stem drong tot in ons diepste wezen en bond ons aan hem’. Hij schreef aan Michel: ‘Ik weet niet of mijn droefgeestige gedachten mij ooit zullen verlaten’, en later: ‘Ik weet wat: ik word gek’. Dostojevski voelt zich alleen staan ‘en zij zijn met velen!’ Dostojevski zakte ondanks zijn ijver voor een examen en liep daardoor vertraging op in zijn studie. Hij schreef: ‘O God! Waarmee heb ik Uw toorn opgewekt? Waarom schenkt Gij mij niet Uw weldaden, als een liefhebbend Vader? O, hoeveel tranen heb ik vergoten!’ Ondertussen had zijn vader zich teruggetrokken op zijn landgoed en gaf zich over aan drank en wanhoop. Hij wilde niemand zien en niets horen.

Dood van zijn vader
De eenzaamheid van Darowojé, waar vader Dostojevski verbleef, was angstaanjagend. Hij begon te drinken en kreeg er duizelingen en hallucinaties van. Om aan zijn terneergeslagenheid te ontkomen, nam hij een dienstmeisje tot maîtresse. Hij was ontzettend gierig geworden. Hij was altijd betweterig en wreed geweest, maar in Darowojé ontwikkelden zijn ondeugden zijn vrijelijk. Hij wreekte zijn slechte humeur op zijn boeren. In 1839 smeedden de boeren een complot om hun slechte heer te doden. Ze deden het. Maar de moordenaars werden door een godsdienstige vraag gekweld. Mag je een christen, hoe zondig hij ook is, laten sterven zonder dat hij eerst heeft gebiecht? Daarom haalden ze voor zijn definitieve dood een priester erbij. Een beroerte, zo was de doodsoorzaak uiteindelijk. De familie wist wel beter, maar bracht het niet in het openbaar.

Schuldig?
Een maand tevoren had Dostojevski nog een geprikkelde brief aan zijn vader gestuurd, waarin hij hem om geld vroeg. Had hij de gierigheid van zijn vader vervloekt? Had hij zijn vader al niet eens doodgewenst? De misdaad van de boeren sprong terug of Dostojevski. Hij was schuldig, hoewel niet volgens menselijke wetten. De verschrikkelijke schok deed hem wankelen, hij kromp ineen en viel brullend en met schuim op de mond op de grond. Een eerste aanval van de vallende ziekte. Hij zou eroverheen proberen te komen. En als hij eenmaal voorbij de muur (de natuurwetten) was, zou hij een land van het irrationele betreden, dat het ware vaderland is van zijn helden.

Arme mensen en de dubbelganger
Altijd platzak
Dostojevski werd na zijn examens tweede luitenant. Maar al gauw gaf hij deze baan op en ging zich geheel wijden aan schrijven. Hij zou zijn hele leven platzak zijn. ’s Avonds ging hij uit, een hartstochtelijk bewonderaar van toneel, ballet en concerten als hij was. Maar ’s middags sloot hij zich in zijn kamer op en werkte in een blauwe wolk van sigarettenrook. Hij hoestte voortdurend en sprak slecht verstaanbaar. Broer Michel trouwde en broer André trok bij Dostojevski in, want hij had – toen hij nog voor het leger werkte – een geweldig groot huis met maar één gemeubileerde kamer. Toen die weer weg was, ‘hervond Dostojevski zijn geliefde eenzaamheid’. Dostojevski gaf veel geld uit bij het biljarten (kennelijk spelen om geld) en hij ging er slecht en verwaarloosd uitzien. Hij zat voortdurend zonder geld. Zijn omgeving leefde er goed van; hij werd uitgeplunderd. Dostojevski werkte dag en nacht aan een werk waarover hij niets wilde zeggen. Hem werd aangeraden een beetje beweging te nemen. Hij ging daarop even wandelen, maar de vrije lucht, het licht, het lawaai van de straat zijn hem onverdraaglijk. Hij wordt er duizelig van.

Arme Mensen
Een angstvallige zorg voor de vervolmaking van zijn werk verhindert hem het voorlopig uit te geven. ‘In februari ben ik weer begonnen met besnoeien, polijsten, inlassen en wegschrappen. Ongeveer half maart was ik klaar en tevreden’. Het geesteskind, waar hij mee bezig was, heette Arme Mensen, zijn eerste roman. Het was ontstaan nadat hij ging wandelen door Sint Petersburg. Eerst was hij geheel in gedachten verdiept, maar langzamerhand gingen zijn ogen open. ‘Ik geloof dat mijn werkelijk leven toen pas is begonnen. (…) Ik zag vreemde, uitzonderlijke gezichten, die geheel tot de werkelijkheid hoorden’. Hij zag kleine ambtenaren met bevroren neuzen, meisjes in versleten kleren die misschien gevoelens hadden die niet minder waren dan de gevoelens van een prinses. Allen die hij tegenkwam op straat, leefden met hun geheim, met hun hartstocht, met hun toewijding of met hun misdaad. Er bleven alleen maar arme mensen over, vernederden en gekwetsten.

Bijna alle thema’s al aanwezig
Het was een eenvoudig verhaal. Arme Mensen ging over de dagelijkse werkelijkheid. De held is geen groot figuur, maar een bescheiden ambtenaartje. De roman is in briefvorm. Twee hoofdpersonen: de ambtenaar en een jonge vrouw die tegenover zijn kamer woont. Zij wil hem niet in haar kamer ontvangen of naar hem toe gaan uit vrees voor praatjes, vandaar dat ze naar elkaar schrijven. Zij is ongelukkig en hij is dat ook. Een rijk en gebrekkig heer vraagt haar ten huwelijk. Nu begint de lijdensweg voor de ambtenaar. Alle gevoelens daaromtrent komen in de brieven naar voren. De secundaire thema’s van Dostojewski verschijnen al duidelijk in deze eerste roman. Alle bijfiguren zijn reeds aanwezig. Allen, bijna allen zijn al opgesteld. Maar hun karakters zijn nog vaag. Één persoon ontbreekt nog: God. De beproevingen van het schavot en van Siberië brengen Hem later op de voorgrond van de wereld van Dostojevski.

Complimenten
Dostojevski krijgt veel complimenten. Hij zou een ‘buitengewoon kunstenaar’ zijn. ‘U hebt een gave gekregen, schat die gave naar waarde, wees haar trouw en gij zult een groot schrijver worden’. Dostojevski was trots, alles draaide voor zijn ogen. Hij had succes! Hij was plotseling naar een andere wereld gestegen, vanwaar hij de anderen als mieren beschouwde. Hij wordt in de salons uitgenodigd. Hij is opgewonden en verschrikt tegelijk. Dit alles is te mooi en te gemakkelijk. Tijdens een receptie werd Dostojevski meegenomen naar een mooie jonge vrouw die hem een nietszeggend compliment over zijn werk wilde maken, maar Dostojevski verbleekte, wankelde en verloor zijn bewustzijn. Dostojevski was een buitengewoon nerveus en gevoelig mens. Hij was niet groot, tenger en bleekblond; zijn kleine grijze ogen schoten schichtig heen en weer en zijn bleke lippen trokken af en toe nerveus. Hij was verlegen, hoogdravend en uit de hoogte.

Dostojevski gaat ten onder aan het succes
Hij valt aan uit vrees aangevallen te worden, de reflex van een verlegen mens. Hij verhoogt zichzelf uit vrees vernederd te zullen worden. Hij gelooft onderhoudend te zijn en is onuitstaanbaar. Hij gelooft geestig te zijn maar is kwaadaardig en dom. Zijn collega’s vielen als een zwerm horzels op die makkelijke prooi aan. Hij kon boos worden, trok zich alles aan. Dostojevski dacht dat iedereen jaloers op hem was. Hij beschouwt zichzelf als een genie. Hij is niet gelukkig. ‘Wat heeft Dostojevski toch? Hij zegt alleen maar stommiteiten en met wat een verbittering!’ Walgend van zichzelf en van anderen zoekt hij vergetelheid in uitspattingen. Hij gaat zich aanstellen als een volleerde wellusteling. ‘Dostojevski is gewoon gek geworden!’ zo zegt iemand. Dostojevski beleeft het zo: ‘Het is onverdraaglijk. Waar ik me ook vertoon, lachen ze over me. Ik heb heel goed gezien hoe jullie allemaal begonnen te lachen, toen ik binnenkwam!’ Overal wordt dus om hem gelachen. En Dostojevski weet niet waarom.

De Dubbelganger
Dostojevski begint inmiddels aan een tweede roman: De Dubbelganger. Het gaat weer over een ambtenaar, Goliadkin, die verlegen is tot het afschuwelijke toe en steeds bezig is zichzelf weg te cijferen, maar ontmoet op een goede dag zijn dubbelganger. Die is even eerzuchtig, cynisch, kleverig, spottend, vleierig en slecht als Goliadkin bescheiden, dom en eerlijk is. Deze kwaadaardige persoon maakt zich heel gemakkelijk meester van de identiteit van mijnheer Goliadkin. De twee konden niet naast elkaar voortbestaan. De sterkte heeft de zwakste gedood. De slechte heeft de goede gedood. En alles is weer in goede banen. De dubbelganger is de eeuwige indringer, de eeuwige vreemdeling, de ongewenste. ‘Ik sta alleen en zij zijn met allen’. Goliadkin is Dostojevski. Wie is die andere Goliadkin? Dat is ook Dostojevski. De geslaagde Dostojevski, de wereldse Dostojevski, die complimenten afdwingt, die vrienden heeft, die tegen zijn natuur vecht. De splitsing van de persoonlijkheid heeft zich verwerkelijkt. Aan de ene kant de ware Dostojevski, nederig, droevig en toornend; aan de andere kant de Dostojevski die door het succes is bedorven. En de ware Dostojevski veracht zijn afschuwelijke dubbelganger. Hij is bang niet meer zichzelf te zijn.

Namaak
‘Er zijn in ieder mens gelijktijdig twee richtingen vertegenwoordigd, de ene naar God en de andere naar de duivel’. Deze gedachte heeft hij in zijn volgende werken volledig uitgewerkt. De Dubbelganger leek echter wel heel erg op een andere roman in die dagen: De Neus. Toen hij voor een nieuwe uitgave zijn werk corrigeerde, moest hij heel wat ‘neuzen’ uit zijn tekst schrappen. Het werd een grote slachting. De roman wordt dan ook wel gezien als ‘namaak geniaal’. De kritiek was niet mals. Ook Dostojevski staat het boek steeds meer tegen. Dostojevski voelt dat de sympathie van het publiek hem verlaat. Hij wil die terugwinnen door een nieuwe roman te schrijven. Maar dat wil niet erg vlotten. Nederlagen, mislukte boeken, volgen elkaar op. Dit alles ontmoedigd hem.

Moeilijke tijd
Tijdens die periode van gehaaste productie zonder roem werd het leven van Dostojevski vergald door grauwe zorgen, gemeen verraad en schurkenstreken. Hij leerde de nederige ellende kennen van een kamer die betaald moet worden en omgaan met geld. Hij verloor vrienden. ‘Wat is het toch vreselijk te moeten werken om te leven! Mijn werk kan geen geldzorgen verdragen’. Zijn hele leven haastte hij zich. Hij voelde zich niet thuis in deze wereld. Hij had behoefte aan verandering van lucht. Dostojevski werd door angsten aangegrepen, die hem ’s avonds besprongen. Hij voelde ‘geheimzinnig afgrijzen’. Dostojevski ging boeken over geneeskunde bestuderen, hij eiste van de dokter dat hij zorgvuldig de knobbels van zijn schedel bestudeerde. ‘Ik worstel als een vis onder het ijs’. Dostojevski had een vreselijk gevoel, niets te hebben om voor te leven. De weg die hij ging, liep dood. Hij zag de blinde muur aan het eind al voor zich. Nog enige schreden en hij zou niet meer verder kunnen.

Revolutionaire woelingen
De Russische soldaten, die in het hart van Europa waren geweest in de jaren 1812-1814, brachten ideeën mee die ze daar hadden gezien. Dit werd in het geheim besproken met elkaar. Te Tsaar had niet zoveel zin in hervormingen. Dostojevski was nieuwsgierig en verscheen ook op hun bijeenkomsten. Ze hadden verboden boeken uit Europa en die wilde hij graag lezen. Dostojevski bleef wel sceptisch over hun plannen, maar hij waardeerde het goede in de menslievende idealen. Wel vroeg hij zich af of het in Rusland zo zou kunnen worden toegepast. Hij vond dat de Russen zich in hun eigen geschiedenis moesten gaan verdiepen en daaruit heilzame lering trekken. Dostojevski is dus nooit een revolutionair geweest. Hij wilde geen omverwerping, maar omwerking. Hij droomde niet van een sociale hervorming, maar van een redelijke en geleidelijke ontwikkeling der dingen. Maar het moest van de Tsaar komen, hij is immers ‘de vleeswording van het volk zelf, van zijn gedachten, van zijn geloof en hoop’. De verhouding van de Tsaar met zijn volk is die van vader en kinderen. Daarom zegt Dostojevski: men moet wachten, men moet geloven.

Gevangengenomen
Maar langzamerhand verloor Dostojevski zijn vertrouwen in een vreedzame oplossing. Hij wilde de boeren bevrijden uit hun onvrije leven. Dostojevski werd uiterst vatbaar voor indrukken. Zijn letterkundige nederlagen en zijn zenuwmoeheid ontwapenden hem tegenover de gebeurtenissen. Dostojevski wilde dat de Tsaar de grote ellende in zijn land zou inzien, een revolutie wilde hij niet. Aanvallen tegen de kerk konden zijn goedkeuring ook niet hebben. Dostojevski werd in april 1849 geheel onverwachts gearresteerd, alleen omdat hij aanwezig was geweest op een bijeenkomst van radicalen, die het systeem van lijfeigenschap wilden afschaffen. Het is zeker een misverstand, dacht Dostojevski. Dostojevski behoorde tot de belangrijkste misdadigers. Hij kwam alleen in een cel terecht. Is hij ongelukkig? Nee! Diep onder zijn verwarring verbergt zich een opluchting, die hij aan niemand zou durven bekennen. Hij had allang de noodzakelijkheid van een catastrofe erkend. Zijn onbelangrijk, nutteloos en bedorven leven moest een keer uit zijn koers worden geworpen. Zijn arrestatie en gevangenzetting redden hem van zijn eentonig bestaan. Hij hervindt zichzelf en de hand Gods. ‘De Almachtige heeft mij naar het bagno willen zenden om mij te leren wat het belangrijkste is, waar de mensen niet zonder kunnen leven’.

Het dodenhuis van Siberië
In de cel
Twee en een halve maand zat hij eenzaam in zijn cel, zonder dat hij bezoek of post mocht ontvangen. Na verloop van tijd mocht hij lezen, schrijven en brieven ontvangen. ‘Ik gebruik mijn tijd hier goed: ik heb stof verzameld voor drie novellen en twee romans. (…) In de menselijke natuur is een verbazingwekkende levenskracht. Werkelijk, ik had nooit gedacht, dat ik zoveel weerstand had, maar nu weet ik het uit ervaring’. Een brief aan zijn broer bevat de volgende zin: ‘Wil je me een paar boeken over geschiedenis sturen, dat zou heerlijk zijn. Maar een Bijbel (de beide Testamenten) zou nog beter zijn’. Met de komst van de herfst – hij zit nog steeds in zijn cel – wordt hij zwaarmoediger, zoals altijd bij dit jaargetijde. De volkomen eenzaamheid waarin hij voortleefde vernietigde hem langzaam. Hij verloor zijn gevoel voor tijd en ruimte.

Doodstraf?
Dostojevski wordt ervan beschuldigd deel te hebben genomen aan vergaderingen waarin de regering werd bekritiseerd. Dostojevski beweert dat zijn vrijheidsliefde zo moet worden uitgelegd dat hij de ‘vurige wens koestert zijn vaderland nuttig te zijn. (…) Ik ben nooit socialist geweest, hoewel ik graag boeken over sociale problemen las en bestudeerde’. Hij en zijn kameraden hielden verder hun kaken op elkaar. De gearresteerden worden na vijf maanden onschuldig verklaard, maar van hogerhand moet er een nieuw onderzoek komen en die veroordeeld hen tot de dood of deportatie. Die doodstraf werd in het geheim door de tsaar overgezet in dwangarbeid, maar dat weten de veroordeelden nog niet. Hun wacht een schrikwekkend toneelspel. De tsaar zorgt er nog persoonlijk voor dat Dostojevski van de 8 jaar dwangarbeid 4 jaar als gewoon soldaat mag uitzitten.

Laatste minuten geslagen
Zo gaan ze naar het schavot. Dostojevski siddert. Der dood veroordeeld! Dostojevski kan het niet geloven. Maar als hij opkijkt ziet hij de doodkisten al klaar liggen: alles is nauwkeurig in scène gezet. Zelfs een geestelijke doet er aan mee, hoewel zonder het sacrament van de stervenden. De straf is te zwaar voor de misdaad, denkt Dostojevski, maar de kerk zal toch zeker niet meedoen met zo’n toneelspel? ‘De zaak waarvoor we werden veroordeeld (…) wekte in geen van ons allen enig gevoel van berouw; maar het leek ons toe dat ons lijden ons op de één of andere manier reinigde en dat door dit lijden ons veel zonden vergeven zouden worden’, zo schreef Dostojevski later. De beulen naderden. Dostojevski telt zijn minuten uit. Hem overvalt een krampachtige schrik. ‘En als ik eens niet zou sterven? Wat een eeuwigheid (…) O, dan zal ik iedere minuut in een eeuw veranderen, ik zou er geen één verliezen, ik zou mezelf rekenschap geven van al mijn ogenblikken opdat ik er geen enkel lichtzinnig zou verdoen!’

Verbanning als werkelijke vonnis
Waarom schieten ze niet? De aftocht wordt geblazen. De aanklager leest het genade-oordeel voor: ‘Zijne Majesteit de Keizer heeft in zijn oneindige genade gratie verleend…’ Verbanning! De vreugde valt als een steen op Dostojevski. Gered! De rest doet er niet meer toe. ‘Ik herinner me niet ooit zo gelukkig te zijn geweest’, zo zei hij later. De tsaar blijkt het hele toneelstuk tot in de kleinste onderdelen te hebben geregisseerd. Hij wilde een heilzame les geven aan de ‘onbezonnen jongelui’. Maar hij was te ver gegaan. Hij had het berouw gedood in plaats van het op te wekken. De herinnering aan die terechtstelling leeft in de boeken van Dostojevski voort.

Siberië als bevrijding
‘Als ik aan het verleden denk, als ik denk aan al de tijd die ik verknoeid heb, alle tijd die ik verloren heb in dwalingen, in fouten, in nietigheden en door gebrek aan levenservaring vliegt me het bloed naar het hoofd. Ik zal me veranderen en beter worden. Dat is al mijn hoop en al mijn troost’, aldus Dostojevski. Op 24 december, Kerstnacht, wordt Dostojevski op transport naar Siberië gesteld. Diezelfde man, die enkele maanden geleden in volle vrijheid, dacht allerlei ziektes te hebben, onder nachtelijke angsten leed, zich boos maakte, ruzie zocht en zich van streek maakte om niets, aanvaardde nu met onwraakzuchtigheid en moed de beproeving van het schavot en de scheiding van zijn broer. Deze lichamelijk en geestelijke ontspoorde vreesde vier jaar kou, ontbering en zwaar werk niet. En dat mag ons ook weer niet verwonderen. Hij voelde zich alleen maar op zijn gemak in de uitzondering. Hij kon alleen maar in een storm ademhalen. ‘Zo leef ik misschien intenser dan jij’, zo zegt Dostojevski zelf.

Harde werkelijkheid
De tocht naar Siberië was vreselijk. ‘Om ons heen was de sneeuw en de storm, voor ons Siberië en onze onzekere toekomst, achter ons alles wat was geweest. Het was zeer treurig en ik heb geweend’. Na 18 dagen kwamen ze in Tobolsk aan, niet ongehavend: Dostojevski klaagt over ingesneden neusgaten en een kliergezwel in zijn mond. In de bagno was maar één boek dat was toegestaan: het Nieuwe Testament. Dostojevski heeft nooit kunnen scheiden van deze ‘relikwie’. Het leven in het bagno was hard. Een vroegere professor uit Polen kreeg honderd stokslagen omdat hij had gezegd: ‘Wij zijn geen bandieten, wij zijn politiek veroordeelden’. De wekelijkse scheerbeurt was een ware kwelling. Omdat het scheermes van de kapper niet scherper was dan een stuk ijzer sneed het niet maar schuurde de huid tot bloedens toe open en rukte de haren uit. De mannen wrongen zich in hun stoel, brulden en dreigden dat ze dat niet langer zouden dulden.

Verschrikkelijke omstandigheden
Bij de dwangarbeiders was één strenge stelregel: wat ze misdaan hadden mocht niet worden verteld, erover praten was ontoelaatbaar. Tussen een afschuwelijk mengsel van dieven en moordenaars bracht Dostojevski de vier nuttigste jaren van zijn leven door. Het ijs smolt nauwelijks in de slaapzalen, iedereen stonk als een zwijn. twee kale houten planken dienden als bed. De hele nacht waren ze in de weer om luizen en vlooien te vangen, bij bakken vol. Wel hadden de dwangarbeiders hun vrolijke avonden, er was voortdurend herrie en ruzie. Er werd meteen een kring gevormd rondom een vechtend stel. Het eten was er slecht. Men kon er niet van leven, dus moest men illegaal aan eten zien te komen. Ze dreven allemaal een handeltje. ‘Ik dronk thee en kocht af en toe een stukje vlees. Dat heeft me gered. Bovendien was het onmogelijk uit te houden als je niet af en toe iets te roken had gehad. Dat was goed tegen de stank’.

Met wantrouwen bejegend
Dostojevski werd met wantrouwen door zijn lotgenoten ontvangen. Hij was welopgevoed en van goeden huize dus waren ze vijanden. Dostojevski wilde wel graag vriendschappen sluiten, maar het lukte niet. Hij probeerde op de anderen te gaan lijken, zich in hun gedachten in te leven, maar hij paste gewoon niet bij de anderen. Hij was een edelman en daarmee was de kous af. Zelfs de enkele intellectuelen in het bagno kwamen niet nader tot Dostojevski. Er was er één die ‘de heilige’ werd genoemd, omdat hij vaak bad. Dostojevski wilde geen klacht uiten over het centrale gezag en viel de tsaar en het Russische volk niet af, ondanks zijn onrechtvaardige behandeling.

De beproeving glorierijk doorstaan
Dostojevski kon de beproeving van het bagno glorierijk doorstaan, omdat hij haar van begin af aan niet had weerstaan. Hij kon weer zichzelf worden, omdat hij enige tijd niet zichzelf was geweest. Hij kon winnen omdat hij er zich bij had neergelegd te zullen verliezen. Het werk was zwaar. Ze moesten stenen laden, molens in beweging houden of krijt stampen, terwijl ze altijd geketend waren. De kou was ondraaglijk: soms meer dan min 40 graden Celsius. Dostojevski hield vooral van het vervoeren van stenen. ‘Ik vond het prettig te denken, dat ik zo krachtiger werd’. Hij ruimde ook graag de sneeuw weg voor de gebouwen. Je hoeft dan aan niets te denken. Alles sprak van vrijheid, vlucht en gemakkelijk en eenvoudig leven. Door zijn goede gedrag kreeg Dostojevski nog wel eens gelegenheid om makkelijker werk te doen. Maar het kon niet te ver gaan, want toen de commandant toestemming vroeg om hem van zijn ketenen te bevrijden om hem ander werk te laten doen, weigerde de tsaar dat.

Van dwangarbeider tot soldaat
Iedere dag leek op de andere als twee druppels water. ‘Het geheel gaf mij de indruk dat als we later eens samen in de hel zouden komen, wij de plaats waar we nu waren, zouden herkennen’. Maar ook: ‘Soms is de tegenwoordigheid Gods zo klaarblijkelijk, zo verschrikkelijk, zo heerlijk, dat je buiten je eigen leven wordt gezet’. In het bagno kwamen veel jeugdherinneringen naar boven, goede herinneringen veelal. In februari 1854 verliet Dostojevski het bagno. Hij mocht nu als soldaat gaan dienen. Dostojevski was gelukkig, ontroerd en dankbaar.

Uit het Dodenhuis
De vier jaar waren als een geheim reservoir, waaruit zijn genie zich voortaan voedde. Dostojevski vervloekt en zegent beurtelings zijn Siberische tijd. ‘Het is mijn kruis en ik heb het verdiend’. Toen hij Uit het Dodenhuis schreef, waren de omstandigheden in de kampen al veel ten goede veranderd, vandaar dat hij sommige passages met een voetnoot moest voorzien. Dit prachtige werk was de eerste vrucht van vier jaar lijden en nadenken. Hij had een nieuwe wereld gezien, en hij heeft die groots beschreven. De ontmoeting met het volk, de ontmoeting met Rusland, de ontmoeting met het Evangelie. Dit drievoudige wonder vond plaats in Siberië. Terwijl hij zich in het bagno bevond, was hij bij het volk, midden in het volk. Maar dat volk, waarmee hij zich zo graag wilde verenigen, stootte hem terug. Hij was een heer. Gedurende vier jaar leefde hij daarom afgezonderd tussen al die mannen, die niet van zijn soort waren. Hij leed onder hun domheid, lelijkheid en slechtheid.

Idealisering van het gewone volk
Maar langzamerhand ontdekte hij dat ze een ziel hebben. Het waren ‘echte mensen, diepe, machtige en mooie karakters. Er was goud onder de drek’. Dit volk bestaat uit mensen, die met hun handen werken, die niet nadenken. Zij zijn tevreden met voelen. Hij wordt behoed voor de beschaving, voor de omgangsvormen en de wetenschappelijke leugens. Hij is dicht bij God. Hij heeft het geheim van het leven met God in zich. Tot hem gaan, betekent tot God gaan. Deze gedachtegang ontwikkeld Dostojevski enkele malen in zijn romans. Die idealisering van het volk en die verachting van de beschaving zijn des te levendiger naarmate Dostojevski is afgesneden van de intellectuele wereld. Hij krijgt geen brieven, leest geen boeken. Het Evangelie is zijn enige voeding en het Evangelie betekent reeds de overwinning van het hart over het verstand. Het overdenken van de Bijbel werd voor Dostojevski van het allergrootste belang. Al zijn werken en zijn hele leven dragen in het vervolg de weerschijn van het Evangelie.

De tweede verdieping
Zijn romans krijgen twee verdiepingen: op het eerste speelt zich het leven van alledag af, op de tweede verdieping speelt zich het werkelijke menselijke drama af: het zoeken naar God, het zoeken naar een nieuwe mens. De ware tragedie is zuiver moreel en speelt zich hoger af. Zij speelt zich af in de hoogste sfeer van de ziel. Het enige geluk is het zoeken naar de oneindigheid, de zekerheid, God. ‘God heeft mij mijn leven lang gekweld’, zo roept Kirilow uit in Demonen. Dit onderging Dostojevski zelf. Hij wil geloven, maar een duivelse klaarheid weerhoudt hem op de rand van de genade. Hij gaat bij zichzelf te rade. Hij onderzoekt de teksten. Hij overweegt in plaats van te aanvaarden. ‘Ik moet u van mijzelf bekennen, dat ik een kind van deze eeuw ben, een kind van het ongeloof en de twijfel. (…) Mijn dorst naar geloof veroorzaakt me de vreselijkste kwellingen. (…) En toch zendt God mij soms ogenblikken van volslagen rust. En het is in die ogenblikken, dat ik in mijzelf een geloofsbelijdenis heb opgesteld: men moet geloven dat er niets schoners, niets diepers, niet met meer medegevoel, niets moedigers, niets volmaakters bestaat dan Christus’.

Zoals Kierkegaard en Overbeck
Dostojevski neemt deze oplossing van wantrouwen tegen de officiële leer van de kerk aan, zonder iets te weten van Kierkegaard of Overbeck. Voor hem is geloof nooit een veilig bezit. Het moet altijd tegen de vijand worden verdedigd en tegen hemzelf. De bedreiging geeft het bedreigde voorwerp waarde. Het geloof is een waagstuk. De Kerk met zijn vaste regels, zijn biecht en absolutie vermindert het gevaar. De Kerk heeft het geloof onder ieders bereik gebracht. De Kerk betekent een geloof met gemakken. Maar Dostojevski haat alles wat gemakkelijk is. Hij wil alleen strijden. Hij wil zelf zijn weg vinden. ‘Mijn lofzang is door het vuur van de twijfel gegaan’.

Vrijheid en de man onder de grond
Soldaat
Semipalatinsk was een soort Aziatische pleisterplaats, waar de kamelenkaravanen de nacht overbleven. Het stadje had ongeveer zesduizend inwoners, het waren Tartaarse kooplieden, soldaten en ambtenaren. Even buiten de Kozakkenvoorstad kampeerden de Kirgiezenherders in hun tenten van huiden. De troepen waren er gestationeerd om de aanvallen van opstandigen af te slaan. De dienst was zwaar in het Siberische leger. De soldaten brachten de hele dag met instructies door. ’s Nachts moesten ze op wacht staan. Heel vermoeiend was het voor Dostojevski. Maar ‘ik beklaag me niet; dat is mijn kruis en ik heb het verdiend’. Ook hier wilde Dostojevski de sympathie van zijn kameraden winnen. Zijn meerderen waren tevreden over hem. Hij mocht zelfs in de stad gaan wonen en huurde daar een kamer. Uit het Dodenhuis werd gedeeltelijk neergeschreven in het wrakke planken bouwsel bij het schijnsel van een slechte kaars.

Een vrouw
Maria Dmitriwna Issajew was een jonge vrouw die Dostojevski hier leerde kennen. Het was de eerste keer dat een vrouw op een bepaalde manier van vaag sensuele tederheid naar hem luisterde. Maar deze vrouw was al getrouwd en had een zoon. De hartstocht voor deze vrouw groeide echter. Vóór dit gebeuren is van Dostojevski geen enkele andere verhouding bekend. De heldinnen in zijn eerste romans zijn meestal kleurloos en abstract. Hen ontbreekt vlees, bloed en werkelijkheid. Ze zijn geschapen door een man die nooit heeft liefgehad. Dostojevski verliest alle plezier in zijn werk, zijn opgewektheid en zijn gezond verstand. Hij is steeds met zijn gedachten bij die vrouw. Hij gaat zelfs te rade bij een helderziende. Het gaat slechter en slechter met Dostojevski.

Wel of niet?
Maar dan: de man van Maria Dmitriwna sterft. Deze man, een kwelling voor zijn vrouw (want hij was een dronkaard), en een hinderpaal voor Dostojevski, was er niet meer. Maar ook in dit geval overkomt Dostojevski een schuldgevoel. Heeft hij hem doodgewenst? Hij is weer verantwoordelijk. Hij is weer buiten alle wetten van de menselijke samenleving schuldig, net als bij de dood van zijn vader. Toen Dostojevski Maria Dmitriwna de hand vroeg, was zij in werkelijkheid helemaal niet zo zeker ervan. Ze hield eigenlijk niet van Dostojevski, hij was arm en ziek. Ze denkt met een ander te trouwen. Dit alles kwelt Dostojevski. Hij wil niet meer zonder haar. Hij wil amnestie krijgen en dan weer gaan schrijven, geld verdienen. Dit gaat zo een tijdje door. Uiteindelijk trouwt hij op z’n 35e, zij is 28. Maar nauwelijks getrouwd of een vreselijke aanval van epilepsie overvalt hem. Hij stikt daarbij bijna, hij is de dood nabij. En zij staat daar voor hem, verstijfd van vrees en afschuw. Hoe zal ze ooit kunnen houden van dat geheimzinnige wezen, dat plotseling een beest wordt, alleen nog maar een beest is? Het begin van hun huwelijk wordt dus een afschuwelijke klucht. Dostojevski is verpletterd door dit nieuwe ongeluk. Hij heeft zonder het te weten zijn vrouw bedrogen.

Vrij man
Dostojevski werd in 1856 weer hersteld in zijn adelsrechten. In 1858 vraagt hij toestemming uit dienst te mogen gaan. Die krijgt hij pas een jaar later. Het was hem nog wel verboden de steden Sint Petersburg en Moskou te betreden. Hij vestigt zich in het stadje Tver. Op weg naar de vrijheid komt Dostojevski de grens van Europa en Azië tegen, een paal met de tweekoppige adelaar. De koetsier hield stil. Een plechtig moment. Dostojevski neemt zijn hoed af en zegt: ‘Eindelijk heeft God mij toegestaan dit beloofde land weer te zien’. Tver is een provinciale stad, er is geen bibliotheek. ‘Het is mij onmogelijk om ver van Sint Petersburg te leven. Ik ben epileptisch. Ik moet onder behandeling’, zo schrijft hij aan de tsaar. Heel lang moet Dostojevski op antwoord wachten. ‘Het is veel erger op de drempel van het Paradijs te worden vastgehouden, dan om in de hel te worden geworpen’. De tsaar willigt in. Dostojevski mag naar Sint Petersburg. Het huwelijk van Dostojevski is ondertussen zeer ongelukkig. Hij krijgt bovendien steeds vaker aanvallen van epilepsie.

Terug in Sint Petersburg
Als Dostojevski na tien jaar weergekeerd in Sint Petersburg is er niets meer dat lijkt op vroeger. Rusland is onder een nieuwe tsaar gekomen en er is veel veranderd. Slavernij is bijvoorbeeld afgeschaft. Andere liberale hervormingen zijn in overweging. De pers heeft betrekkelijke vrijheid, en maakt daar gretig gebruik van door de stemming van de beschaafde bevolkingsgroep te leiden. Dostojevski valt in deze wereld binnen, terwijl hij grote liefde heeft voor de tsaar en Rusland. Maar hij komt in een andere wereld. Hij is er niet in alle opzichten gelukkig mee.

Epilepsie-aanvallen en het moment eraan voorafgaand
Dostojevski werkt bijna alleen ’s nachts. Van elf tot vijf werkt hij, en daarna slaapt hij tot 2 uur in de middag. Deze leefwijze gaat boven zijn krachten. Hij krijgt meerdere epilepsieaanvallen per week. Zij kondigen hun komst telkens aan. Al zijn twijfel en opwinding lost zich dan op in een gevoel van bovenaardse harmonie. Hij is kalm, bevrijd van alle zorg en klaar om de vreugden van een andere wereld te ondergaan. ‘Maar die stralende ogenblikken waren slechts het voorspel van de laatste seconde, degene die onmiddellijk voorafging aan de aanval’. Als Dostojevski op het punt van deze mystieke extase gekomen was, greep de kramp hem aan en wierp hem brullend en schuimbekkend op de grond. Het gebeurde dat hij zich verwondde als hij viel. Was het de dood van zijn vader of de dood van de eerste man van zijn vrouw die hem zo kwelden? Deze drang naar boete heeft het hele leven van hem beheerst.

Naar het buitenland
Het giste in Rusland. Overal steekt de roep om revolutie het hoofd op. Dostojevski wordt afgemat door de politieke gebeurtenissen en besluit een reis naar het buitenland te gaan maken om dit te ontvluchten. Zo komt hij in juni 1862 in Parijs aan, een stad waar niemand hem kent en hij kent niemand. Zijn vrouw blijft achter in Sint Petersburg. Dostojevski leeft in Parijs in een gruwelijke eenzaamheid. Hij verlangt naar Rusland. ‘Parijs is een ontzettend naargeestige stad’. Na tien dagen gaat hij naar Londen. ‘De straten worden verlicht met gaslantaarns, waarvan ze bij ons geen idee hebben. Overal zijn cafés. (…) Die spoorlijnen boven de huizen (en weldra ook eronder), dat stoutmoedige initiatief, die schijnbare wanorde, die in werkelijkheid het toppunt van burgerlijke orde is’. Maar hij ziet ook de ‘half naakte, verwilderde, uitgehongerde bevolking’ in de achterbuurten. Heel Europa, heel het Westen komen hem bedorven voor door vooruitgang. Landen waar de mens koning is, de wetenschap heerst, daar moet hij niets van hebben. Het heil ligt ergens anders. Het heil is in een nieuw volk, in het Russische volk, dat nog niet is aangeraakt door de beschaving. Rusland zal Europa redden, zo denkt Dostojevski.

Ongeoorloofde verhouding
Verder gaat hij naar Genève, Luzern, Turijn, Genua en Florence. Dostojevski houdt niet van reizen. Hij ziet niets van de omgeving als hij onderweg is, want hij is alleen maar bezig met innerlijke beschouwingen. In de steden neemt hij een ieder bliksemsnel in zich op om ideeën op te doen voor zijn schrijven. Dostojevski ziet niet verder dan de mens, hij kan niets anders zien dan de mens, het landschap boezemt hem geen belang in. Thuisgekomen in Sint Petersburg vindt hij zijn vrouw nog steeds ziek. En ze hield niet meer van hem. Wel wordt Dostojevski ondertussen verliefd op een andere, jonge, knappe vrouw. Hij dorst namelijk naar liefde. Maar zij, Pauline Soesslowa, is voorstander van vrije liefde en gelooft niet in God. Bovendien heeft ze kort haar. Ze is een nihilist. Maar Dostojevski denkt: ik zal haar raad geven, ik zal een nieuwe zin aan haar ongeregeld leven geven, ik zal een nuttige vrouw van haar maken, zij heeft mij nodig.


De speelzaal: gokverslaving
In Wiesbaden gaat Dostojevski zijn geluk beproeven in de speelzaal, onder meer om zijn schulden te kunnen afbetalen. Dit werd het begin van een gokverslaving. Hij wint, hij wint nog meer, hij wint heel veel, en dan nog maar één keertje proberen, en…hij verliest alles weer. Dit refrein zien we de komende levensjaren telkens weer terug. Dostojevski verliest Pauline, want zij is verliefd geworden op iemand anders. Dostojevski zoekt ontspanning aan de speeltafel. Hij verliest veel. Na deze ongelukkige en laakbare episode uit zijn leven gaat hij terug naar Rusland. De verhouding met Pauline zou in zijn werken één van de grote thema’s zijn. In Sint Petersburg is zijn (echte) vrouw stervende. En weer overvalt een schuldgevoel Dostojevski. Het is een grote schuld, wat hij gedaan heeft. Aan het ziekbed van zijn ongelukkige vrouw schrijft de ongelukkige Dostojevski een afschuwelijke biecht, die één van de hoogtepunten van zijn werk vormt: Herinneringen van één, die onder de Grond leeft.

De man onder de grond
De man onder de grond woont in een donker, ellendig hol, dat hij zijn ‘schulp’ noemt. Hij leeft alleen. Hij heeft geen vrienden, hij heeft niets aantrekkelijks, is ziek en slecht. Maar het weten om zijn slechtheid is hem een geheim genoegen. Hij zwelgt in een mengeling van heerlijk zelfverwijt, van grijnzende haat en groots opgezette gemene streken. Het is hem een vreemde vreugd zichzelf ervan te overtuigen dat hij tot de laatste trap van slechtheid is gedaald, dat hij nooit een mens zal worden als de anderen, dat hij iets heel bijzonders en buitengewoons is, dat hij naast en buiten de massa staat. De man onder de grond is Dostojevski. Hij zegt: ‘Wat heb ik te maken met de wetten van de natuur en de rekenkunde, als die wetten me in het één of andere geval niet bevallen?’ Hij werpt alle bewijzen omver en gaat voorbij aan het veto van de wetenschappelijke wetten.

Chaos
‘Alles wat de mens te doen heeft, bestaat dunkt me uit zichzelf te bewijzen, dat hij een mens en geen machine is, aldus Dostojevski. De geestelijke stelregels sluiten de mensen evenzeer in een gevangenis als de materiële. De rem van deze stelregel te overwinnen, betekent een hogere waarheid vinden. Er bestaat geen goed en kwaad meer als de geestelijke kluisters eenmaal zijn gevallen. Evenzo bestaat er, als de wetenschappelijke wetten eenmaal worden overschreden, nog slechts een chaos. En de man onder de grond wil ons tot die chaos bekeren. In die chaos ondergaat de man onder de grond een gevoel van volslagen vrijheid. En hij verkiest die vrijheid boven zijn welzijn.

Het lijden
Door het lijden nadert de mens het onbegrijpelijke, het ontoegankelijke: het wonder. Door het lijden kan hij zich boven zichzelf verheffen. In feite leiden de wetten van het lijden, de wegen van de vrijheid tot de ontdekking van God óf tot de vergoddelijking van de mens. De God-mens of de mens-God. Nietzsche laat de mens ondergaan in de supermens, de mens-God. Bij Dostojevski daarentegen wordt het wezen van het menselijke in overeenstemming gebracht met het wezen van het goddelijke. God bestaat en de mens bestaat. Zij worden met elkaar verbonden door een bewonderenswaardige bemiddelaar: Christus. En de vrijheid van de mens is misschien een groot lijden, maar aan het eind van de beproeving komt hij, hoe verachtelijk en verwond hij ook moge zijn, in het onuitsprekelijke licht van Christus. De man onder de grond wordt de sleutel tot zijn hele werk. Want in al zijn geschriften wordt Dostojevski heen en weer getrokken tussen de natuurlijke en de bovennatuurlijke opvatting van de wereld.

Schuld en boete
Dostojevski’s vrouw sterft
Maria Dmitriewna blaast in 1864 haar laatste adem uit. ‘Zij heeft zoveel geleden, dat ik me afvraag, wie haar niet alles zou vergeven’, aldus Dostojevski. Dostojevski kan de gedachte niet verdragen, gescheiden te zullen zijn van deze vrouw, die hem heeft bedrogen en gekweld, die zijn leven met haar nutteloze last heeft bezwaard. In dezelfde tijd sterft zijn broer Michel. Deze slaag maakt de maat van het lijden van Dostojevski vol. Hij is alleen, eenzamer dan in de gevangeis, eenzamer dan in Siberië. ‘Moest ik nieuwe banden aanknopen, een nieuw leven opbouwen? De gedachte alleen schrikte me af. Ik begreep voor het eerst, dat ik hen door niemand zou kunnen vervangen, dat ik slechts van hen had gehouden in deze wereld en dat een nieuwe liefde niet alleen onmogelijk, maar ook goddeloos zou zijn. Ik voelde rondom mij koude en leegte’.

Schuld en Boete
Dostojevski neemt de zorg op voor de weduwe van zijn broer en haar vier kinderen. Dostojevski gaat weer reizen. In Wiesbaden is hij weer te vinden aan de speelzaal. Het refrein herhaalt zich telkens opnieuw. En het is niet raar dat hij zo in geldnood komt, want hij verliest meestal, hoe vaak hij ook wint, toch verliest hij alles steeds weer. En dan moet hij bijvoorbeeld zijn horloge belenen om toch nog aan geld te komen en om zijn terugreis te kunnen betalen. Ondertussen heeft Dostojevski een nieuw boek voor ogen. Een jonge student heeft besloten zich met één slag uit zijn moeilijke omstandigheden te redden: hij besluit een oude vrouw te doden, de vrouw die een pandhuis houdt. Na haar beroofd te hebben kan hij het geld gebruiken om zijn moeder gelukkig te maken. Maar hij komt krijgt gewetensnood en besluit zichzelf aan te geven. Dit is zijn enige hoop om zich weer in de menselijke gemeenschap opgenomen te voelen. Het gevoel van ingesloten zijn, van zijn eenzaamheid tussen de andere mensen, dat hem direct na zijn daad had overvallen, kwelde hem zo, dat het hem ertoe dwong. De wet van de waarachtigheid en van de menselijke natuur was de sterkste. Ziehier Schuld en Boete in grote lijnen. Dit boek zou hem beroemd maken.

Geen hoger moraal, volslagen vrijheid?
Maar als hij het grootste deel klaar heeft is hij niet tevreden en verbrandt het manuscript en begint opnieuw. Hij werkt vervolgens weer dag en nacht en Schuld en Boete (ook wel: Misdaad en Straf) is definitief een feit. Het probleem van Raskolnikov, de held van dit boek, is evenals de man onder de grond het probleem van de algehele vrijheid. Voor één enkel leven kunnen vele andere levens verbeterd worden, zo denkt hij. Maar na de moord begint de innerlijke boete. Bij stukjes en beetjes, van vraag tot vraag, en verbazing tot verbazing, komt hij ertoe de ware beweegreden voor zijn daad bloot te leggen: ‘Ik heb niet gedood om mijn moeder te hulp te komen. (…) Neen, ik heb eenvoudig gedood, gedood voor mezelf’. Het blijkt dat deze jongen stikt tussen de muren van de erkende moraal, net als de man onder de grond. Hij voelt zich anders dan de anderen, geroepen tot een buitengewoon noodlot, voorbestemd tot het vreselijk avontuur van geestelijke onafhankelijkheid. Voor hem bestaat geen hogere moraal. Er is daarentegen een volslagen vrijheid.

Toch geen vrijheid, maar afhankelijker dan ooit
Alles is toegestaan aan enkelen (hij denkt aan Napoleon met zijn oorlog en geweld). Alles is toegestaan aan degene die zichzelf alles wil toestaan, omdat die wens alleen al een teken van uitzondering is. ‘Ik heb geen aanslag gepleegd op een menselijk wezen, maar op een stelregel’. Als hij deze stelregel kapot had kunnen slaan zou hij zijn roeping van supermens hebben kunnen volgen. Hij zou los van alle banden zijn en zich in een eindelijk verworven onafhankelijkheid hervinden. Maar het blijkt dat hij nooit afhankelijker is geweest dan sinds het ogenblik van zijn vlucht buiten de menselijke levensvoorwaarden (=de moord). Hij, die heeft willen ontsnappen aan alle zedelijke remmen, heeft zich nu een nieuwe rem aangelegd. Dag en nacht speelt zich in zijn geest een pleidooi en oordeel af van de misdaad, waar hij trots op had willen zijn. Hij is geen persoonlijkheid meer. Hij is een strijdperk. De moord is niet te rechtvaardigen in de ogen van zijn diepste geweten. Wie de hand slaat aan zijn naaste, slaat de hand aan God en aan zichzelf. Toen Raskolnikov zijn bijl op de schedel van de oude vrouw liet dalen, heeft hij niet een gierige vrouw gedood, maar zichzelf, het goddelijk licht dat in hem woonde.

Hij kan het niet aan supermens te zijn
‘Tenslotte heb ik maar een luis platgeslagen’, zo roept hij uit. Maar iemand geeft hem van repliek: ‘Die luis was een menselijk wezen’. Ook die vrouw was naar het evenbeeld Gods geschapen. Voor God zijn ze allen gelijk, ook Raskolnikov. En dus begint hij al bij de eerste passen die hij aan de andere zijde van de muur doet, te wankelen. Hij voelt zich niet thuis in die geweldige vlakte. De krachten verlaten hem. Hij, die een supermens had willen zijn, beeft en klaagt nu als een kind in een donkere kamer. Zijn misdaad zet hem op een eiland midden in de menselijke stroom. Zijn misdaad sluit hem op met zichzelf. Alleen een volledige bekentenis en een zware straf zouden hem weer onder de mensen kunnen brengen. De beproeving van de vrijheid is te zwaar voor Raskolnikov. Na veel strijd werpt hij, de supermens, zich op de grond, hij bekent zijn misdaad en geeft zich aan. ‘Je moet het lijden op je nemen en daarmee jezelf terugkopen’, zo krijgt hij als advies.

Ik ben de Opstanding…
Raskolnikov wordt tot dwangarbeid in Siberië veroordeeld. Maar hij had geen berouw van zijn misdaad. Hij vroeg zich af: ‘Hoe is het mogelijk dat mijn daad voor hen zo iets verschrikkelijks is? Omdat het een misdaad is? Wat betekent het woord misdaad?’ Hij is veroordeeld omdat zijn geest niet breed genoeg was. Hij is in elkaar gezakt. ‘En dus beschouwde hij het als zijn misdaad, dat hij niet had kunnen volhouden en dat hij zichzelf was gaan aangeven’. En uit die leugen en die twijfel wordt plotseling het geloof geboren. Hij leest in het Evangelie van Johannes: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven, die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven’. Nu, in Siberië, begrijpt hij deze woorden pas: het woord van de opwekking. Er blonk de dageraad van een nieuwe toekomst, van een algehele wedergeboorte tot het leven. En zo leert Raskolnikov de ware vrijheid kennen. Deze vrijheid is geen trotse vrijheid. De mens is niet God. De sterkste mens kan niet bestaan indien God niet bestaat. God ontkennen is zichzelf ontkennen. God willen worden, betekent te willen sterven als mens.

Binnen of buiten de muur?
Hieruit volgt dat binnen de muren van de erkende moraal de vrijheid bestaat om het goede te kiezen. Je zou kwaad kunnen doen, maar je doet het niet omdat het ‘verboden is’, omdat je de mogelijkheid hebt ‘gestraft’ te worden, in ‘de gevangenis’ of in ‘de hel’. Degenen die de lessen van deze stomme gidsen niet achten, degenen, die misselijk worden van de recepten uit deze geestelijke keuken, de denkers en de sterken, die kunnen de muur overschrijden. En dan bevinden ze zich in het gebied van de tweede vrijheid, van de volledige vrijheid. Sommigen houden zichzelf voor supermensen en gaan er dadelijk wild op los. Anderen ontdekken de zaligheid van het goede te doen omwille van het goede. Deze vrije goedheid, deze goedheid zonder noodzaak, deze goedheid uit zuivere liefde brengt hen ongemerkt in het spoor van God en redt hen.

Vrede in God
Langs de omweg van zijn misdaad eindigt Raskolnikov in de vrede in God. Hij heeft de vrijheid die hem was gegeven misbruikt. Hij heeft wat er menselijk in hem was willen vernietigen. Berouw vergoedt de fout en koopt de vrijheid. In zijn hervonden nederigheid begrijpt Raskolnikov zichzelf en God. Hij heeft zijn plaats gevonden. Hij heeft zijn leven gevonden. ‘Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar zo wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal het vinden’!

Slechts monsters en zieken?
Men heeft Dostojevski wel eens verweten dat hij slechts monsters en zieken beschrijft in zijn boeken. Inderdaad is zeker een kwart van al zijn beschreven personen psychisch ziek. Maar we herkennen onszelf in hen. En zij zijn niet abnormaler dan wij. Ze zijn, wat wij niet durven zijn. Zij doen en zeggen wat wij niet durven doen en zeggen. Maar hun ziekten en hun waanzin? Ach, dat zijn toch slechts verontschuldigingen. Om de lezer ertoe te bewegen toe te geven dat het mogelijk is, dat zulke wezens bestaan! Het grote publiek ontvangt Schuld en Boete met verrukking. Het boek, dat zowel detectiveroman als een sentimenteel verhaal is en bovendien een filosofische stelling poneert, stelde iedereen tevreden.

De Speler en de Idioot
De Speler
In 1866 neemt Dostojevski de jonge Anna Grigoriewna in dienst als stenografe. Ze is 20 jaar jong. In het begin is Dostojevski niet zo tevreden over haar. Ze had ergens een punt vergeten en een ander teken niet duidelijk genoeg gemaakt. ‘Ontoelaatbaar! Ontoelaatbaar!’ zo vindt de precieze Dostojevski. Maar hun samenwerking wordt beter. Hij schept er een merkwaardig behagen in om met dat frisse, beminnelijke jonge meisje samen te werken. Het feit dat hij haar een liefdesroman dicteert voegt nog een prikkel aan het avontuur toe: De Speler. Het is een verhaal van speelkoorts, winst, verlies en liefde. Hierin komt Dostojevski’s hartstocht voor de speeltafel naar voren. De roulette geeft hem de gelegenheid met het lot te spelen, zoals het lot met hem speelt. Dankzij de roulette kan hij aan de andere kant van de ‘muur’ komen. Hij komt in het gebied waar de logica niet meer heerst, waar alles mogelijk is en niets samenhangt. ‘Twee keer twee is vier’ betekent niets meer.

Tweede huwelijk
Hij is tweemaal zo oud als haar, maar toch worden ze verliefd op elkaar (44 en 20). Ze trouwen spoedig. Sinds haar 15e had ze haar toekomstige man bewonderd als schrijver, terwijl ze hem nog niet persoonlijk kende. Ze bleef hem als haar man haar leven lang bewonderen, zonder hem al te zeer te begrijpen en probeerde eenvoudig hem gelukkig te maken. Ze was het type vrouw die ‘in orde brengt wat in wanorde is geraakt’, zij is pietluttig, spaarzaam, deugdzaam en vertrouwd met kasboeken. Ze heeft in zekere zin het leven van Dostojevski afgestoft. Familieleden, waaronder Dostojevski’s schoonzus en kinderen waarvoor hij heeft beloofd te zorgen, zijn zeer koel tegen de ‘indringster’. Dostojevski lijdt hieronder. Op doktersadvies vertrekt hij naar het buitenland, samen met zijn vrouw. Ze vertrekken niet voordat ze aan de schuldeisers genoeg voldaan hebben. Dostojevski zou een groot deel van zijn leven met schulden zitten. En de volgende periode uit zijn leven zou ook wel laten zien waarom hij nooit van schulden afkwam: de gokverslaving.

Naar het buitenland
Dostojevski ging naar Berlijn, maar dit vond hij zo’n koude, lege en vervelende stad dat hij al snel naar Dresden vertrok. Hier huurden Dostojevski en zijn vrouw een kamer. Zijn vrouw hield een dagboek bij, waar alle details inkwamen: de maaltijden, de prijzen van eieren, en allerlei verhalen over het humeur van haar man. Dus de vrouw van een man die zulke diepzinnige romans schreef, kon in haar dagboek neerschrijven: ‘Ik ben vroeg opgestaan en wilde me gaan wassen, daardoor werd Fjodor wakker. Maar hij was niet boos’. Anna Grigoriewna hield van haar man maar begreep hem niet. Dostojevski is Rusland ontvlucht om te gaan werken, om boeken te schrijven. Dit doet hij hoofdzakelijk ’s nachts. Maar toch schiet hij niet op. ‘Ik kan niet zonder Rusland’, hij voelt zich ‘als een vis op het droge’. De gokverslaving gaat ook weer spelen. Maar hij durft er met zijn vrouw nog niet over te spreken. Intussen wordt zijn stemming steeds slechter. Tenslotte zegt hij het en zijn vrouw geeft hem toestemming naar Hamburg te gaan om zijn speelkoorts kwijt te raken. Hij gaat alleen. Hij verliest veel. Hij wordt ziek van zelfverwijt. Het hele leven hangt aan de wenteling van het rad. Genot en lijden zijn samengeperst.

Zelfverwijt door gokverslaving
Dostojevski speelt, wint, verliest, wint weer, wint veel, verliest alles uiteindelijk. Dit refrein gaat steeds door, tot vermoeiens toe. Vaak moet hij zijn trouwring belenen om weer aan geld te komen. Meerdere malen als hij veel heeft gewonnen, moet hij toch nog één keer een gok wagen en dan verliest hij weer alles. Op een keer moet zijn vrouw haar oorbellen zelfs belenen om weer aan geld te komen. Dit alles om de gokverslaving van haar man te voldoen. Dostojevski krijgt een groot zelfverwijt in zijn hart. Hij is een misdadiger, een dief, een lafaard. En hoe wanhopiger zijn toestand is, hoe meer de groene tafel hem aantrekt.

De Idioot
Dostojevski krijgt een idee voor een roman: De Idioot. Hij wil een in alle opzichten bewonderenswaardige man beschrijven. Het gaat over een epilepticus die uit een kliniek terugkomt en niets weet van het leven. Zijn leven is voorbij gegaan met inwendige beschouwingen. Hij woont buiten de sociale muren, buiten de wereld van het ‘twee keer twee is vier’. Hij is verschoond gebleven van ieder contact met de mensen. En als hij midden tussen hen in valt, in dat grote samenraapsel van roofvogels, schurken, wellustelingen, schelmen en dronkaards, maakt hij de indruk een vreemdeling te zijn. Hij is ook onhandig, maar hij hindert zijn omgeving niet. De eenvoud zonder bijbedoelingen van deze man spreekt de mensen aan. Zeker, ze lachen om hem. Ze voelen dat hij van elders komt. Hij heeft een kennis, die de ‘ommuurden’ van deze wereld in het geheel niet kunnen bevatten. Hij heeft kennis van de hoofdzaken.

Kennis van de hoofdzaken
In werkelijkheid draait de roman om dit ene punt: het binnendringen van de kennis van de hoofdzaken in het gebied van de secundaire kennis. Deze kennis van de hoofdzaken, de kennis van het gevoel, verstoort de wereld waarin ze wordt verplaatst. Het verschijnen van deze ‘idioot’ brengt een frisse wind in die afgesloten wereld. Langzamerhand zet die idioot alle als volkomen vaststaand aangenomen grondbeginselen op losse schroeven. Deze arme van geest geeft iets te denken aan de wijze mannen. Deze indringer wordt onmisbaar. Deze zwakke temt de sterken. Er straalt een geheimzinnige invloed van hem uit. Als de mensen hem zien, verdwijnen schaamte en haat voor enige tijd. Maar degenen die het diepste de betovering van zijn aanwezigheid voelen, zijn de geweldenaren, de slechtaards, de verdwaalden, allen die ‘de grenzen hebben overschreden’.

Aan de andere kant van de muur
Juist omdat deze mensen zich hebben bevrijd van alle stelregels van de geldende moraal. Ze zijn aan de andere kant van de muur. Weliswaar hebben ze zich in de weg vergist, zodra ze buiten de omheining kwamen, die hen vroeger omgaf. Maar zij die geprobeerd hebben de vrijheid te winnen, zij die hebben geleden, die kwaad hebben gedaan, zijn dichter bij de waarheid en verdiepen de waarheid meer dan zij, die niets hebben ondernomen om haar te leren kennen. Hartstocht verontschuldigt alles. Hartstocht, zelfs misdadige hartstocht, is meer waard dan rustige rust.

Kinderen zijn nog vrij
Onder de vrienden van de idioot zijn ook de kinderen. Kinderen hebben een makkelijk vormbare geest, die geen weerstand kent. Zij leven dicht bij de natuur, dicht bij God. Later zullen ze in de instellingen van de mensen geloven en verloren zijn voor de vrijheid. Hun ouders en hun leraren zullen er kleine grijsaards, sterk in de wetenschap, ijskoude mensen van de rede, op hun gemak gestelde burgers, kortom monsters van maken. Maar nu zijn ze nog open en kwetsbaar. De verstandsmensen hebben met het gezicht naar de hemel gekeerd een muur van menselijke waarheden opgebouwd, die hen scheidt van het hoogste licht. Hun eigen trots stelt zich tussen hen en de waarheid. ‘Hij heeft aan de wijzen en verstandigen verborgen wat hij aan de kinderkens heeft geopenbaard’.

Ik lijd, dus ik ben
Iedere smart is goed om de grenzen van het bestaan te ervaren. Ik lijd, dus ik ben. Ik stijg boven de kwellingen uit en zal dus zijn. Wie zich door de gebeurtenissen laat leiden, komt op de weg naar God. Wie zichzelf in veiligheid wil brengen, raakt van die weg af. ‘Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar zo wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal het vinden’. Nooit is bij Dostojevski de liefde een rust voor de ziel of het lichaam. Nooit wordt het verlangen bevredigd. De vrouw bestaat slechts voor hem als een middel. Haar plaats tussen de man en God is niet nutteloos, maar de vrouw is slechts om de man te doen lijden, om hem te kwellen, hem neer te slaan en weer op te heffen, om hem buiten de zedelijke wetten te lokken en hem in de onuitsprekelijke wereld van de vrijheid te werpen. Voor Dostojevski is iedere liefde, die aan een schepsel wordt gewijd, niet aan God ontstolen. De aardse liefde schokt de zielen omdat ze onvolkomen, vluchtig, kwellend en belachelijk is, en bereidt ze voor op de enige liefde, die hen niet zal misleiden. ‘Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zo blijft het alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort’. Dit vers lijkt de bedekte grondgedachte van De Idioot te zijn.

De wetten van de natuur zijn machtig
In het boek komt ook een andere persoon voor, die op sterven ligt. Zijn uren zijn gesteld en hij heeft de behoefte zijn biecht in het publiek voor te lezen. Door middel van deze stervende stelt Dostojevski het probleem van de uiteindelijke betekenis van het leven. De stervende wordt, evenals Dostojevski zelf, verscheurd door de strijd tussen de gedachte en de materie. Bestaat er iets achter de muren? Bestaat er een kracht die de natuurwetten kan overtreden? Is een wonder mogelijk, of is alles vastgesteld zoals ‘twee keer twee is vier’? Hij denkt aan een schilderij van de lijdende Christus, Wiens lichaam zo verminkt was, dat niemand toch had kunnen denken dat deze martelaar weer zou kunnen opstaan. Als de dood zo vreselijk is en de wetten van de natuur zo machtig dan moet men, ondanks zichzelf, zich wel afvragen hoe men hen zou kunnen overwinnen. En inderdaad hebben de wetten van de natuur, de regels van het ‘twee keer twee is vier’ geen uitzondering gemaakt voor deze Christus. Ze hebben zich meester gemaakt van Hem.

Geloof niet door kennis, maar door gevoel
Voor de stervende man is de natuur ‘een moderne machine, die domweg alles fijnstampt, opslokt of verscheurt’. Filosofische systemen en godsdiensten zijn niets tegenover de materie en het getal. Christus’ gruwelijke dood is een klap in het gezicht van het geloof. De dood regeert het heelal. Welnu, als het dan al zo is, als er alleen maar een ongevoelige Eerste Motor bestaat, die zonder onderscheid de goeden en de slechten vermaalt, dan blijft er niets anders over dan zich daarvoor te buigen, zoals Christus zelf het voorbeeld heeft gegeven. Het geloof ontstaat niet van afleiding tot afleiding, zoals de oplossing van een vraagstuk. Men verkrijgt het niet door kennis maar door het gevoel.

Demonen
Dostojevski denkt erover om een nieuwe roman-serie te schrijven: Het leven van een groot zondaar. Het moet een groot werk van vijf romans worden en is bedoeld om het bestaan van God te bewijzen. ‘De belangrijkste vraag, die in alle delen van het werk wordt gesteld, is de vraag die mij bewust en onbewust gedurende mijn hele leven heeft gekweld: het bestaan van God. De hoofdpersoon zal gedurende zijn leven eerst atheïst, dan een gelovige, dan fanaticus, dan een ketter en daarna weer een goddeloze zijn’. Eerst bewerkt hij een ander onderwerp in verband met de sociale revolutie. De nihilistische denkbeelden aan de universiteiten maken Dostojevski bedroefd. Aan de hand van de berichten uit de pers schrijft hij het strijdschrift Demonen. ‘O, wat zullen ze tegen me tekeer gaan, de nihilisten en materialisten’, zo weet Dostojevski al. Aan dit strijdschrift hecht hij veel meer waarde dan aan zijn romans. Hij hecht er waarde aan omdat hij door het te schrijven zich vastlegt en het er op waagt een groot deel van zijn publiek te verliezen of een gehoor over de hele wereld te winnen. Hij levert de grote slag van zijn leven.

Duitsland heeft geen toekomst
Dostojevski heeft ook een mening over de landen waar hij verblijft. Over Duitsland zegt hij: ‘En dan roepen ze nog: “Het jonge Duitsland!” Het is integendeel een natie, die zijn krachten heeft uitgeput, omdat ze berust op het zwaard, bloed en geweld. (…) Een natie zonder toekomst!’ Over het Westen zegt Dostojevski dat ze Christus heeft verloren door de schuld van het katholicisme, en ‘daarom zal het Westen sterven, uitsluitend daarom’. In het buitenland voelt Dostojevski zich een Rus in hart en nieren. ‘Ik heb Rusland nodig: zonder Rusland verdwijnt mijn kracht en mijn talent’.

Nooit meer aan de roulette
Dostojevski kan het niet laten en begint weer met gokken. En weer begint het hele refrein van winnen, veel winnen, maar uiteindelijk alles verliezen. ‘Ik leed zo zeer, dat ik dadelijk naar de priester ben gelopen. (…) Het is een herder van God, ik zal tegen hem niet als mens maar als tot een biechtvader spreken’. Zo loopt Dostojevski alleen door de straten van Wiesbaden. Hij komt voor een kerk, denkend dat het een Russische kerk is en wil binnengaan, maar…het is een synagoge. ‘Het was als een koude douche voor mij. (…) Er gebeurt iets groots in mij. (…) Nu is het afgelopen. Het was de laatste keer. Ik was gebonden door het spel’. Deze belofte is nu geen lege zin. Dostojevski hield woord en heeft nooit meer gespeeld. De speelwoede was een soort ziekte geweest, maar in de laatste tien jaren van zijn leven is er geen spoor meer van te ontdekken. Hoe is die plotselinge ommekeer te verklaren? Is hij plotseling verstandig geworden?

Terug naar Rusland
Dostojevski heeft in zijn laatste spel zwaar verloren. In zijn schrik en vernedering ziet hij slechts één uitkomst: de orthodoxe kerk. Maar deze kerk wordt hem geweigerd. Hij denkt de Redder te vinden, maar komt bij degenen die Hem hebben gekruisigd. Ongetwijfeld is de herinnering aan dit avontuur voor een ziek, nerveus en bijgelovig schepsel als Dostojevski voldoende om iedere verleiding te kunnen weerstaan. Dostojevski gaat weer terug naar Rusland. Rusland, het Rusland van de aarde, van het werk en van het geloof. Het Rusland, dat het andere zal redden. Dat is het echte Rusland. Dostojevski heeft het gevoel voor de tweede keer uit het bagno bevrijd te zijn. Hij is Rus gebleven. Is Demonen iets anders dan een verdediging van Rusland tegen de duivelen waarover het Lukasevangelie spreekt? ‘En aldaar was een kudde veler zwijnen, weidende op de berg; en de duivelen baden Jezus, dat Hij hen wilde toelaten daarin te varen; en hij liet het hun toe. En de duivelen uitvarende van de mens voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer, en versmoorde.’

Demonen
Revolutie is als moord
Demonen is de beschrijving van het avontuur van een volk, dat de sociale stelregels verwerpt en in de hoop zichzelf te redden verloren gaat. Moord is voor het individu wat revolutie voor de gemeenschap is. De volksmenners van de opstand willen de grote massa een bovenmenselijke plaats inruimen, ze willen de ontwikkeling inleiden door een massamoord en een dienst aan de massa in te stellen in plaats van het geloof in God. Zoals Raskolnikov, die een moord pleegt, alle vrijheid verliest zodra hij zijn daad heeft bedreven en de slaaf wordt van een dwangvoorstelling, zo vindt het volk dat in opstand komt aan het einde van hun beproevingen slechts een vernederende dienstbaarheid en wanhoop.

Socialisme in plaats van christendom
De eeuwige verleiding van het ‘alles is toegestaan’ moet eindigen in een oneindige mislukking. Er bestaat geen vrijheid zonder God. Wie de vrijheid zoekt buiten God veroordeelt zich tot het ontkennen van zichzelf. Het socialisme is een godsdienstige kwestie en moet als zodanig worden behandeld. Het Russische socialisme beweert niet alleen het welzijn van de werkende stand op het oog te hebben, het beweert het hele leven te beperken tot die onmiddellijke zaligheid, ze wil het leven van de mens hier op aarde regelen. Het is de godsdienst van de mensheid. Het is het einde van de mensheid. Het neemt de plaats van het christendom in.

De mens wil echter meer dan het hier en nu
Alles begint en alles eindigt hier op aarde, zo zeggen ze. De individuele waarden, het eigen leven, geestelijke verworvenheden en bovenzinnelijke verwachting versmelten tot niets in dit moeras van het onbewuste en het nietswaardige. De staat neemt de taak op zich om de kudde te voorzien van spijs en drank en kleine dagelijkse vreugden en dan denkt de mens gelukkig te zijn. Maar de mens heeft er niet alleen behoefte aan om gelukkig te zijn. Het zou altijd willen geloven dat er een verheven, volkomen onvoorstelbare en heerlijke vreugde bestaat. Hij heeft behoefte aan het onmeetbare, het onbegrijpelijke, de oneindigheid. ‘De hele wet van het menselijk bestaan ligt in de behoefte van de mensen om zich voor iets geweldig groots te buigen’.

Profetische blik
Die typen van duivelse opstandelingen en van onevenwichtige socialisten zijn pas in de 20e eeuw opgestaan. de roman van Dostojevski moest dan ook eigenlijk in de 20e eeuw spelen. Demonen is een geniale vooruitziende blik! De tragedie van de Russische Revolutie heeft een droeve zin gegeven aan dit grootse boek, waarin ze werd aangekondigd. Maar de duivels zullen niet altijd in het mishandelde lichaam, waarin ze zijn gevaren, blijven wonen. God waakt. En er zal een dag komen dat die zwerm duivels zal worden uitgedreven en zich aan een kudde zwijnen zal vastklampen.

Volledige gelijkheid
Demonen is, evenals alle romans van Dostojevski, minder van belang door zijn intrige dan door de algemene gedachten. Het boek gaat nog verder: er komt een systeem van volledige gelijkheid onder de mensen. Het peil van de opvoeding, wetenschap en kundigheid moet omlaaggeschroefd worden. Grote geesten moeten verbannen of gedood worden. Door deze stelselmatige verstikking van de gedachte zal de mens iedere waardigheid verliezen en iedere lust tot onderzoek, hij zal een schaakstuk worden als de anderen. ‘De belangrijkste drijfveer, de kracht die alles bij elkaar houdt, is de schaamte om een mening voor zichzelf te hebben’. Door die gelijkmaking zal er geen persoon meer zijn, die zich onderscheidt. Zelfs de moraal zal onpersoonlijk worden. Het hele bestaan zal zich buiten het goed en kwaad afspelen. Maar opdat de mens dit kunstmatige monster kan blijven, moet hij beschermd worden tegen alles wat in hem de dorst zou kunnen wekken naar zijn verloren genade. Hij moet beschermd worden tegen de liefde, tegen het gezin.

Slaven moeten meesters hebben
Over dit slavenvolk zal een tirannieke minderheid regeren: ‘De slaven moeten meesters hebben’. Zo eindigt de revolutie tegen de autocratie in een nieuwe autocratie. ‘Uitgaande van de onbegrensde vrijheid, besluit ik tot het onbegrensd despotisme’. Het enige grondbeginsel dat in de strijd moet vallen, is de godsdienst. Men zal het bestaan van God moeten ontkennen. En wie zal de nieuwe meester zijn? ‘Nacht zal over Rusland dalen, de aarde zal zijn oude goden bewenen. Dan zullen we een beroep doen…op wie? Op de heerserszoon Iwan’. Dit is Iwan Stavrogin. Men weeft een legende om zijn persoon. Niets merkwaardiger dan die geheime zucht tot vernedering en aanbidding bij een atheïst.

De warme bronnen laten verdrogen
Stavrogin, één van de leiders van de revolutie, is evenals Raskolnikov (de moordenaar) een ‘omverwerper van muren’. Raskolnikov heeft tegen zichzelf en tegen God gestreden met het vuur van een geestdrijver. Hem is vergiffenis geschonken. Hij is door Christus teruggevonden omdat hij, zonder het te weten, Christus heeft gezocht. Maar Stavrogin zoekt niets. Hij is bezeten door ontkenning. Dat God niet bestaat, dat moraal belachelijk is, dat ‘alles is toegestaan’ en dat er geen innerlijke boetedoening bestaat, is voor hem eenvoudige waarheid. Maar als het afstanddoen van het geestelijke ons niet meer beroert, als we ons niet meer hoeven verdedigen tegen telkens weerkerend geloof, hoe kunnen we dan nog beminnen, haten, geloven en verder leven? Deze vreedzame revolutionair heeft alle warme bronnen van het leven in zich laten verdrogen. Hij weet niet erg goed waarvoor hij op de wereld is. En hij probeert het ook niet te weten te komen. Hij leeft uit luiheid.

Wroeging, maar uiteindelijk onverschilligheid
Stavrogin verkracht een klein meisje en doodt haar. ‘En toen, terwijl ik thee dronk en met mijn vrienden praatte, bracht ik voor de eerste keer in mijn leven voor mijzelf de gedachte onder woorden, dat ik niet wist en niet aanvoelde wat goed en kwaad is, dat ik het niet alleen niet kon voelen, maar dat er geen goed en geen kwaad is. (…) En ik vond het ellendig zo afgestompt te moeten leven’. De ellende beklemt hem, hij zoekt de beste houding pas in de afstotelijke opoffering van zijn gevoelsleven. Het beeld van het kleine meisje achtervolgt hem in zijn dromen. De angst wordt vervelend. Dan werpt hij zich in de sociale strijd. De massamoord, de stichting van een proletariërnest op de overblijfselen van de beschaving, de instelling van een nieuwe dictatuur over een kudde idioten, zullen hem niet van zijn verveling genezen. Slechts het berouw zou hem kunnen verlichten. Het berouw, dat wil zeggen, ook de boete, de vernedering. De wens naar vergeving is al een hemelse beloning. Als hij op het punt staat toe te geven aan zijn zelfverwijt, keert Stavrogin terug tot zijn afschuwelijke onverschilligheid.

Socialisme is goddeloos
Een andere persoon is Chatov. Hij is één van de Russische idealisten die plotseling getroffen werd door de een of andere gedachte en die door de schok ter aarde werd geworpen. Hij was vroeger een overtuigd vrijdenker. Maar hij weet nu niet meer aan wie hij zich moet toevertrouwen. Hij is uitgeput en eenzaam. ‘Maar het ergste is nog, dat er overal niets anders dan schelmen zijn, schoften, schoften!’ Voor Chatov houdt, evenals voor Dostojevski, het socialisme goddeloosheid in. Het socialisme is goddeloos, omdat het zijn heelal wil bouwen op de wetten van de wetenschap. Maar de volkeren vormen zich en leven volgens andere, onbekende wetten. De geschiedenis van een volk is terug te voeren op het zoeken naar God, of beter nog: op het zoeken naar zijn God. Want volgens Dostojevski heeft ieder volk altijd zijn eigen God gehad. Het is een teken van achteruitgang bij de volkeren als ze beginnen gemeenschappelijke goden te hebben.

Het Russische volk als toekomstige verlosser van de wereld
Ieder volk heeft zijn God, volgens Chatov. Maar er bestaat maar één God. Dan dwalen dus alle volkeren, behalve één. Maar welk volk is de enige drager van God? Het Russische volk, antwoordt Chatov. Het Russische volk, omdat het het enige christelijke volk is, dat nog niet met de beschaving is besmet, omdat het het enige onschuldige volk, het enige kinderlijke volk van de wereld is. Zo belast Chatov (of eigenlijk Dostojevski) het Russische volk met de rol van een messias. Het is een uitverkoren volk, het Russische volk is de toekomstige verlosser van de wereld. Men heeft in deze opvatting wel een ‘herjudaïsering’ van het christendom willen zien. Maar Dostojevski ontkent niet dat alle volkeren zijn ingewijd in de waarheid van God. Maar hij beweert dat in de loop der eeuwen alle nationaliteiten achtereenvolgens zich onwaardig hebben betoond voor de rol van messias en dat alleen Rusland op de weg van God is gebleven, omdat het niet werd beroerd door de vooruitgang. Dus is Rusland niet de enige geroepene voor de rol van messias, maar het is de enige die die roeping heeft behouden.

Nieuw leven als geheim
Hoe dan ook, de gedachte van een volk dat de drager van het God is, is gevaarlijk, omdat ze leidt tot een aanbidding van het volk om het volk. En Chatov vervalt in die dwaling. Hij stamelt: ‘Ik geloof in Rusland…Ik geloof in zijn rechtgelovigheid’. Maar in God? In God? ‘Ik…Ik zou in God geloven?’ Dostojevski is evenals Chatov tot God gegaan door het volk. Maar terwijl voor Dostojevski het volk slechts een rustplaats onderweg was, is voor Chatov het volk het einde. Bij hem zijn de volkse en godsdienstige gedachten zo verward, dat hij ze niet meer van elkaar kan onderscheiden. Chatov is de vleesgeworden vergissing van veel godsdienstige Russische sekten, die het heidendom van de boeren mengen met het Evangelie van Christus, met hun verzwaren van de godsdienst met vreemde rituelen en mysteriën die niet in de Bijbel staan. Als Chatovs vrouw een kind krijgt, roept hij uit: ‘Het geheim van de verschijning van een nieuw wezen op aarde is een groot en onoplosbaar geheim’. Maar de vroedvrouw (die het socialisme is toegedaan) zegt: ‘Wat kletst hij toch? Het is doodgewoon een ontwikkeling van een organisme’. Maar Chatov luistert niet naar haar: hij heeft een wonder gezien. Voor het eerst sinds jaren merkt hij dat hij gelukkig is. Diezelfde nacht wordt hij door de revolutionairen gedood.

Als God niet bestaat…
Kirilov is één van de merkwaardigste figuren in de wereld van Dostojevski. Hij is een vurige ongelovige. ‘Als God bestaat, hangt alles van hem af en vermag ik niets buiten Zijn wil. Als Hij niet bestaat, hangt alles van mij af en ben ik gehouden om mijn onafhankelijkheid te bewijzen’. Wat is de hoogste graad van ongehoorzaamheid voor een mens? Dat is de ontkenning van een leidende macht. De mens wordt hierdoor zelf een god. ‘Als God niet bestaat, ben ik God’. De mens heeft slechts een afgod gemaakt en muren van godsdienst opgetrokken om zich te verdedigen tegen de vrijheid, waar hij bang voor is. Hij heeft van zichzelf een gevangene gemaakt uit vrees voor de onafhankelijkheid. Kirilov pleegt zelfmoord, want dat is het bewijs voor de algehele vrijheid, die van de mens de meester van het heelal maakt.

Zelf een grote zonde begaan?
Demonen veroorzaakt een hevige reactie bij de linkse pers. Het is een waanzinnige aanval tegen de vrijheidslievende denkbeelden. In feite is Demonen een deel van Het leven van een groot zondaar, waarvan al eerder sprake is geweest en dat nooit werd geschreven. Zou Dostojevski zelf een grote zonde hebben begaan? Want het komt in elk van zijn boeken steeds weer terug. Deze vraag heeft veel mensen beziggehouden. We weten het niet.

Het dagboek van een Schrijver
Dostojevski krijgt nog steeds te maken met schuldeisers, maar zijn vrouw weet er goed mee om te gaan en neemt deze zorg van Dostojevski over. Naast haar man, die een dromer, goed van vertrouwen en ziek is, voert zij moedig de dagelijkse strijd. Op haar lopen de kleine moeilijkheden van het bestaan te pletter. Zij gaat ook boeken van Dostojevski uitgeven. Met Het dagboek van een schrijver komt Dostojevski met een nieuw soort journalistiek, dat een persoonlijke biecht vermengd met meningen over de politiek, gebeurtenissen en beslommeringen. Het is een onrustig gesprek met de lezer. Het heeft een ongedwongen, eenvoudige stijl, maar kan zich soms ook verheffen tot een bijbelse welsprekendheid.

De Rus
Kan er voor Rusland vooruitgang zijn die geen Europese vooruitgang is? Jazeker. En het volk wijst die weg. Het volk zal Rusland redden, omdat de boeren hun eenvoud, onwetendheid en geloof in de waarheid van Christus hebben behouden. Ze zijn tegen de Europese besmetting beschermd door hun achterlijkheid. Het is niet nodig iets te leren om te geloven. Het geloof ontstaat niet door de rede, maar door een lichamelijke gesteldheid. De Rus heeft een zekere behoefte aan het lijden, waardoor hij Christus kan benaderen, die hem Christus schenkt. De Rus is altijd ontevreden met zichzelf. Hij heeft de neiging tot overdrijven. Het Russische volk heeft slechts werkelijke waarde in de orthodoxie en het tsarendom. Dostojevski ziet geen ander evenwicht voor het land. En de orthodoxie is zodanig versmolten met de geest van het volk, dat Christus een soort nationale God is geworden. ‘Wie de orthodoxie verloochent, zal ons volk nooit kennen’.

Europa heeft geen God meer
Het Russische volk zal niet alleen Rusland, maar ook de wereld redden. Waarom? Omdat het Russische volk alleen de gave bezit van algemeen medegevoel, die voor iedere handeling van een messias onmisbaar is. Rusland staat tegenover Europa, dat geen God meer heeft en geestelijk dood is door de vooruitgang. ‘De Gouden Hoorn en Constantinopel zullen helemaal van ons zijn’, zo denkt Dostojevski. In zijn geestdrift komt hij zelfs zo ver het bloedvergieten goed te keuren. ‘De oorlog frist de lucht op die we inademen en waarin we stikten, ziek als we waren van ontbinding en geestelijk verval van krachten’. Rusland moet de vijanden van Christus gaan bestrijden. Maar de slachtingen gedurende de veldslagen, de doden? Daar weet Dostojevski niets op. Heeft hij die zin vergeten, die hij in 1870 over de oorlog schreef? ‘Neen, wat door het zwaard is gebouwd, kan niet bestendig zijn’.

Tegen het katholicisme
Er zal dwang moeten worden gebruikt om Europa een nieuwe zaligheid op te leggen. Maar heeft het katholicisme dan niet al de eenheid in Christus verwerkelijkt? Nee, het katholicisme heeft Christus verloren. De roomse geestelijkheid heeft de noodzaak verkondigd van een tijdelijk bezit van landen en volken. Daarentegen is het orthodoxe ideaal, een godsdienstige eenheid van het mensdom in Christus en dan ‘volgt de politieke en sociale eenheid vanzelf uit de geestelijke eenheid’. Dostojevski merkt niet dat hij door de komst van de Russische Christus te verkondigen zich verder van de christelijke leer verwijdert dan de katholieken, die hij veroordeelt. De hele mensheid, behalve het Russische volk, heeft het goddelijk Woord vergeten. En het is aan Rusland om het weer in herinnering te brengen. Ter meerdere glorie van God zal de wereld geestelijk toebehoren aan Rusland alleen. Dostojevski kritiseert Europa als het nieuwe Babylon, de wetenschap, de democratie en het pacifisme. Het Dagboek van een schrijver is een weefsel van voorspellingen, waarvan er nog erg weinig zijn uitgekomen. En het Russische volk heeft na de revolutie van 1917 geen Christus meer, alleen nog materialisme.

Broers Karamazov, grootinquisiteur
Meer en meer aanhangers
De gedachten van Dostojevski krijgen meer en meer aanhangers. Dostojevski wordt voor een groot deel van de intellectuele jeugd een soort profeet. Hij ontvangen vele brieven, die hij ook nog eens wil beantwoorden. Dostojevski wordt overal uitgenodigd. Iemand viel het op hoe buitengewoon bescheiden Dostojevski was gebleven. ‘Het leek of hij zijn eigen waarde niet kende’. Zijn slechte humeur wordt een onmisbare trek in het beeld van het genie. Dostojevski smaakt het genoegen van een door ieder erkende roem. Hij is er in geslaagd het grootste deel van zijn schulden te betalen. Dostojevski zinspeelt op een nieuwe roman, een deel van de onvoltooide romancyclus die hij Het leven van een groot zondaar noemde. Het gaat over het bestaan van God. Het zal ‘zijn allerlaatste woord’ zijn. Hij stapelt aantekeningenmateriaal op. Hij zou drie jaar nodig hebben, om zich goed van zijn taak te kwijten. ‘Ik heb een grote roman in gedachten’. Ondertussen heeft Dostojevski kennis gemaakt met een Vladimir Solovjov, met wie hij eindeloos praat en waardoor zijn eigen gedachtewereld onder woorden wordt gebracht, geordend wordt. Deze vriend helpt hem om de filosofische chaos, waarmee hij al zoveel jaren te kampen heeft, in duidelijke woorden neer te leggen.

De gebroeders Karamazov
Het verhaal gaat zo: de familie Karamazov woont in een klein provincieplaatsje. De oude Karamazov heeft zijn leven gesleten met niet genoemde wandaden. Van zijn eerste vrouw heeft hij een zoon, Dmitri, die een losbandige bruut is, met plotselinge vlagen van zin voor eerbaarheid en bovennatuurlijke onderscheiding. Van zijn tweede vrouw heeft hij een zoon, Iwan, die een prikkelbaar verstandsmens is, met een gekwelde, destructieve geest, een held en martelaar van de ontkenning. Verder waren er nog Aleksei (bijgenaamd Aljosja) en Smerdjakov. Tussen de vader en zijn vier zonen staat een vrouw, Groeschenka. Zij strijden tegen elkaar om haar te krijgen en Smerdjakov doodt de oude Karamazov in de gedachte dat hij daarmee aan de geheime wens van Iwan voldoet. Maar Dmitri wordt van de moord beschuldigd. Hij wordt tot dwangarbeid veroordeeld en gaat naar Siberië. Dat is het verhaal. Twee vraagstukken komen aan de orde: het vraagstuk van de verleiding en het vraagstuk van God, Groeschnenka en Christus. De schoonheid van Groeschnenka heeft de oude Karamazov betoverd. Die oude, vrekkerige, leugenachtige en slechte dronkaard is waarschijnlijk een zwart portret van de vader van Dostojevski. De verwarring van de zinnen van de Karamazovs staat naast de politieke verwarring van Demonen. In beide gevallen maakt het verlangen naar een aardse bevrediging mensen tot beesten.

Godslasterlijke ontkenning
Smerdjakov heeft dus zijn vader vermoord. Hij heeft gedood omdat niets tegen die moord sprak. Dankzij de redenaties van de vrijdenker Iwan heeft hij begrepen, dat ‘alles is toegestaan’ op deze wereld. Er is geen God, er is geen hel. ‘Als God niet bestaat, bestaat er geen deugd en is ze ook nutteloos. Zo heb ik geredeneerd’. Na God te hebben afgezworen, vindt Iwan zich tegenover Smerdjakov terug. In plaats van de supermens vindt hij de karikatuur. In plaats van de lichtende ladder naar omhoog, een afgrond. In plaats van de alles overheersende rede, de waanzin. Iwan is Dostojevski, die ‘God zijn hele leven heeft gekweld’. De godslasterlijke ontkenning van Iwan is dezelfde als van Dostojevski in de uren van zijn twijfel. Iwan is voor Dostojevski de belichaming van dat deel van hemzelf, dat hij haat.

Aljosja en Sossima
Boven deze vervloekte wezens vertonen zich twee heldere figuren aan de lezer: Aljosja en Sossima. Aljosja is de jongste broer Karamazov. Hij is novice in een vreedzaam klooster met grote witte muren. Toch is hij geen mysticus. De jongen is helemaal evenwichtig en staat midden in de werkelijkheid. Hij heeft een rustig, eerlijk en gezond vertrouwen in God. Hij gelooft in wonderen. Aljosja is een volledig mens. Hij is geen vreemde voor de zondaars die hem omringen. Hij is van deze wereld. Sossima, de starets (geestelijk leider) van het klooster dwingt de gelovigen niet tot een strenge leefregel, tot een kloosterlijke ontzegging of een huilerige boetvaardigheid. Hij vraagt hen maar weinig: hun dwalingen in te zien en om lief te hebben. Het verkregen resultaat telt niet, maar wel de aangewende krachtsinspanning. Als de trotse het hoofd buigt, is hij dichter bij God.

De grootinquisiteur
Iwan Karamazov stelt tegenover het kalme geloof van zijn broer Aljosja de duivelse redenaties van de ‘grootinquisiteur’. Dit verhaal is het hoogtepunt van De Gebroeders Karamazov en waarschijnlijk van het hele wek van Dostojevski. Het herhaalt alles in het kort. Het licht alles toe. In Sevilla verschijnt in de tijd van de inquisitie Christus onder de schare. Hij wordt meteen herkend. De mensen verdringen zich om hem heen en smeken om wonderen. En Jezus doet de gevraagde wonderen. Dan laat de grootinquisiteur, een oude man van tachtig jaar met een uitgedroogd gezicht en holle ogen, de Verlosser gevangen nemen. En de grijsaard richt een vreselijke aanklacht tegen Jezus. In feite gelooft de grootinquisiteur noch in God, noch in de mens. Hij verwerpt de mogelijkheid van de eenwording van het menselijke en het goddelijke principe in vrijheid. Vrijheid kan slechts in smart worden gesmaakt. Het christendom is allereerst de godsdienst van de smart. Zo ziet de mens zich voor een keuze geplaatst: aan de ene kant de onafhankelijkheid met zedelijke kwellingen en aan de andere kant een welzijn in onderwerping. Wat zal hij kiezen?

De mens kan de vrijheid niet aan
De grootinquisiteur zegt, dat Christus de kracht van de schepselen heeft overschat, toen Hij hen de beproeving van de vrijheid oplegde. De mens is te zwak voor de volle verantwoording. Het grote doel van de mens is gelukkig te zijn. En het is aan de kerk om zijn geluk op aarde te regelen. De Kerk bemint de mens meer dan Christus hem heeft bemind, die hem een veel te zware last op de schouders heeft gelegd. De gedachte zoals zij in de Evangeliën is opgetekend, kan slechts door enkele uitverkorenen worden begrepen. Zij is aristocratisch. En een aristocratische godsdienst is onmogelijk. Een godsdienst richt zich op de massa. De Kerk zorgt voor de menigte. Hij verdedigt de hongerigen en zwakken. Hij belooft hen niet meer het hemelse brood, maar het aardse brood. Deze godsdienst van het aardse brood is hetzelfde als het atheïstisch socialisme uit Demonen. De grootinquisiteur roept de regering uit van het middelmatig geluk, tegenover de grote wensen van de geest: ‘We zullen hen een stil geluk geven, een nederig geluk, dat past voor de zwakke wezens, die ze zijn’.

De Kerk kleineert God
De mensen kunnen niet volgens hun hart geloven. Zij hebben zekerheid nodig. De mensen waren verheugd weer te worden geleid als een kudde en bevrijd te zijn van die rampzalige vrijheid, die hen zo veel kwellingen bezorgde. In plaats van de godsdienst van enkele uitverkorenen te zijn, wordt het christendom de godsdienst van allen. De Kerk verraadt God omwille van de mens. Ze bedient zich van Christus om een niet meer geestelijke, maar sociale instelling te dekken. Zij stelt door haar riten, haar feesten, haar biecht en officiële tekenen, voor de menigte de goddelijke tegenwoordigheid voor. Ze doet een beroep op alle kunsten en alle zinnen om de massa te betoveren. Zij kleineert God, zij biedt Hem aan en prijst Hem aan als koopwaar.

Christus veroordeeld
De Kerk verzaakt Christus, terwijl zij Zijn werken predikt. Zij is de laatste schuilplaats voor het atheïsme. En de mensen zouden Christus verbranden, liever dan afstand te doen van de gemakkelijke leer, die de grootinquisiteur voor hen heeft opgesteld. De inquisiteur zegt tegen Christus: ‘Als iemand meer dan alle anderen de brandstapel heeft verdiend, dan ben jij het, en morgen zal ik je verbranden’. Als enig antwoord nadert Christus de inquisiteur en kust zijn bloedeloze lippen. De man siddert onder die kus. Daarna opent hij de deur en zegt: ‘Ga en kom niet terug…nooit meer’. De gevangene gaat.

Dostojevski wil een onaanvaardbaar geloof
Het is merkwaardig te zien dat Iwan de goddeloze, die scheiding tussen de godsdienst en de Kerk omschrijft. Dus is het niet Christus, die hij aanvalt, maar de Kerk en hij verdedigt niet de goddeloosheid maar onwillekeurig het ware geloof. Het is alleen maar de katholieke priesterheerschappij, volgens Dostojevski, die er schuldig aan is het woord van Christus te hebben gestolen voor heerszuchtige doeleinden. Maar de Byzantijnse orthodoxie kan voor dezelfde misdaad worden aangeklaagd. Gedurende zijn hele geschiedenis heeft de Kerk gestreden tegen de verzoeking om de vrijheid van de geest te loochenen. Want niets is minder in overeenstemming met de natuur van de mens, dan die vrijheid. De daad van het geloof is geheel uit vrije wil. En tot dit vrije, onbegrijpelijke, redelijk onaanvaardbare geloof, wil Dostojevski ons leiden.

Geen God die grijpbaar is voor de menselijke geest
Maar wat is de houding van Iwan Karamazov tegenover God? Iwan weigert een god in deze wereld te aanvaarden. Hij roept alle menselijke lijden voor zich op. ‘Hoe zou ik iets van God kunnen begrijpen, die veel te hoog voor me is?’ Dus ontkent deze atheïst niet God, maar de mogelijkheid Hem te begrijpen. Naar God verlangen betekent al niet meer atheïst te zijn. God beledigen, is al geloven in God. De hartstochtelijke ontkenning van Iwan is gericht tegen de God van de Kerk, de kunstmatige God van de inquisiteur. Iwan wil geen God die grijpbaar is voor de menselijke geest, die gerechtvaardigd wordt door menselijke redenaties, en door de mensen op deze wereld wordt teruggehaald. ‘God is niet van deze wereld’. Hij kan slechts een raadsel zijn, een verwachting, een hoop. De Kerk verstoort die hoop, door ze te omschrijven.

Iwan geeft God zijn toegangsbewijs terug
Maar Iwan keert terug, als hij op deze wijze op de drempel van het ware geloof is gekomen. Is het God, die de mens heeft geschapen of heeft de mens God geschapen? Aan deze mislukte wereld en deze God, Die er zelfs niet aan denkt Zijn werk toe te lichten, ‘geeft Iwan zijn toegangsbewijs terug’. Als hij God heeft afgewezen, wendt hij zich tot de duivel. Iwan Karamazov is zelf de duivel. Hij ziet in een aanval van koorts de duivel en die duivel is hij zelf. De duivel zegt tegen Iwan: ‘Ik was erbij toen het aan het kruis stervende Woord naar de hemel opsteeg. (…) Ik had me op dat ogenblik willen voegen bij de menigte en met hen mijn hosanna roepen. Maar met het oog op mijn plichten heb ik een mooi gebaar moeten onderdrukken en moest ik in mijn schande blijven.’ Dankzij de duivel ontdekt Iwan tenslotte de redenen van zijn eigen atheïsme.

Tegenover de logica de liefde
Het is door de wens zich met God te meten, zonder God te leven, God te vervangen, dat de oudste broer Karamazov het geloof, dat hem op de hielen zit, afwijst. En daar vinden we weer het thema van de supermens, dat Dostojevski zo lief is. ‘De menselijke geest zal groter worden, zal zich tot een duivelse trots verheffen en dat zullen de tijden zijn van de God-mensheid’. Toch voelt Iwan zich midden in zijn atheïsme niet op zijn gemak. Hij verjaagt de duivel. Hij verjaagt zichzelf. Iwan is ziek van God. Zal hij aan die kwaal sterven? Aljosja beschouwt zijn broer met verbazing en medelijden. Tenslotte kust hij hem zacht op de lippen, zoals Christus bij de grootinquisiteur. Dat is het enige antwoord, dat de Christus voor de atheïst heeft. Want hij kan tegenover de logica slechts de liefde stellen.

Recht tegenover het Geheim
Dit geweldige boek is niet alleen een samenvatting van alle gedachten van Dostojevski, maar ook een zeer volledig overzicht van zijn manier van schrijven. Nergens verschijnt het heen en weer gaan van de schrijver tussen het droombeeld en de werkelijkheid duidelijker dan in De Gebroeders Karamazov. De hartstocht van de helden heeft hun vlees verteerd en we staan tegenover een botsing van gedachten. Overal heerst wanorde en ook onrust. Deze wezens worden niet gekweld door hun ziekten of door de angst voor de toekomst, maar door God. De schrijver ontlast hen van de kleine dagelijkse zorgen. Zij staan recht tegenover het Geheim. Hun handelend leven komt overeen met het leven in het diepst van onze ziel. Evenals Dostojevski niet heeft willen kiezen tussen de revolutie en het tsarendom, zo wil hij ook niet kiezen tussen droombeeld en werkelijkheid. Hij schippert er tussen door.

Populaire man
Dostojevski heeft gebaggerd door het moeras van een vreugdeloze jeugd, een onrechtvaardige veroordeling, het bagno, zijn ziekte, het spel en zijn schulden. Plotseling staat hij op het droge, geschramd en bloedig, maar gered. Nu is hij oud. Hij heeft een gezwel in zijn longen. Het verontrust hem erg. Doordat hij steeds de lofzang op Rusland heeft gezongen, wordt op zijn oude dag de geheime bewaking die hij altijd nog had opgeheven. Dostojevski is populair. ‘U bent onze profeet. We zijn beter geworden, toen we De Gebroeders Karamazov hadden gelezen’. Hij wordt overal bewonderd. Door Dostojevski is het volk weer trots Russisch te zijn, en is niet meer zo verdeeld als vroeger.

Dostojevski’s overlijden
Dostojevski wordt erg ziek. ‘Ik weet dat ik vandaag moet sterven. Steek een kaars aan en geef me het Evangelie’, zo zegt hij op 28 januari 1881. Als Dostojevski vroeger niet tot een besluit kon komen, opende hij vaak op goed geluk zijn oude Bijbel uit het bagno en las de eerste verzen die hem onder ogen kwamen. Ook nu doet hij het weer. En hij leest: ‘Mij is nodig van u gedoopt te worden en komt Gij tot mij? Maar Jezus, antwoordende, zei tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen’ (Matth. 3:14,15). ‘Hoor je wel’, zei hij, “Laat nu af”. ‘Dat betekent dat ik zal sterven’. Fjodor Michajlovitsj Dostojevski sterft iets na half negen ’s avonds. Op 31 januari is de begrafenis, 30.000 mensen volgen de begrafenisstoet.

Overige
– Als kind legde Dostoveski iedere avond een briefje op zijn nachttafeltje waarop stond: ‘Het is mogelijk dat ik schijndood ben, begraaf me niet voor er een paar dagen verlopen zijn’.
– Dostojevski werd achtervolgd door de gedachte van het lijden.
– Hij dacht graag aan zijn gelukkige en vreedzame jeugd, maar hij heeft juist in zijn jeugd ook droeve en pijnlijke ervaringen opgedaan, die niet door de tijd zijn geheeld en die bij de mens de neiging tot zenuwziekten wekken, zoals epilepsie.
– ‘Hoe kan een intelligent mens ook maar tien minuten aan een zo belachelijk tijdverdrijf als kaarten geven?’
– Liefde voor grote gedachten, geestelijke vervoering, snelle verandering van stemming, zijn allemaal trekken van het Slavische karakter.
– Dostojevski’s romans zijn mannelijke romans; vrouwen spelen geen rol van betekenis.
– In Genève woont Dostojevski een keer een vredescongres bij. ‘Het is onmogelijk om je voor te stellen wat die heren socialisten en revolutionairen (…) voor leugens konden vertellen. (…) Ze begonnen met ons te zeggen dat om vrede op aarde te doen heersen, het christelijk geloof uitgeroeid moest worden en de grote mogendheden vernietigd om er kleine voor in de plaats te zetten, dat het kapitaal opgeheven moest worden en alles van iedereen moest zijn en dat dan allemaal zo maar in de lucht en zonder enige bewijs.’
– Een recensent in Dostojevski’s tijd: ‘Er zijn in het werk van de heer Dostojevski hele bladzijden die volslagen onbegrijpelijk zijn!’
– Als Dostojevski’s vrouw een tweede kind verwacht (het eerste kind is na een kou opgelopen te hebben gestorven), neemt hij stilletjes Oorlog en Vrede van Tolstoi van zijn vrouw weg omdat daarin de doodstrijd van een vrouw staat beschreven die in het kraambed sterft.
– Toen Dostojevski eens 48 uur gevangenisstraf kreeg omdat hij per ongeluk zonder toestemming woorden van de tsaar in zijn krant publiceerde, gebruikte hij die tijd door Les Misérables nog eens te lezen. Eindelijk had hij daar weer eens tijd voor…
– ‘Ik lees het boek Job. Het wekt een ziekelijke geestdrift bij me. Ik leg het boek neer en loop wel een uur in de kamer heen en weer en huil bijna’.
– ‘Kinderen zijn een last, maar een onmisbare last’.
– Dostojevski kleedde zich ’s morgens meteen helemaal aan, met schoenen, das en een hagelwitte stijve boord. Hij paste erg op zijn jasjes. ‘Ik kan gewoon geen vlekken verdragen. Ik kan niet werken als ik weet dat ze er zijn’.
– Op zijn werktafel heerst een orde als op de instrumententafel van een chirurg: de sigarettendoos, brieven, boeken en kranten hadden een vaste plaats.

Gepubliceerd in juli 2008

Advertenties