Dr. Herman Bavinck

n.a.v. V. Hepp, Dr. Herman Bavinck, Amsterdam 1921

Vader Jan Bavinck
Bavincks wortels liggen in het Duitse Bentheim. Het was hier in de 19e eeuw, evenals in Nederland, een ingezonken toestand. Met de Afscheiding kwam er een geestelijke opwekking. Vooral onder het gewone volk breidde dit snel uit. De Graafschap werd overstroomd met lekenpredikers en oefenaars. Hermans vader Jan werd hier predikant van de afgescheidenen. Eerst rondreizende, later een vaste gemeente: Uelsen. Jan Bavinck had een stille natuur, hield zich graag achteraf. Voor zichzelf kon hij het niet verder brengen dan een ‘bedrieg ik mij niet’ of een ‘denk ik’. Tot zijn levenseinde bleef het weifelende hem kenmerken, behalve waar het principiële kwesties en zijn persoonlijk geloof betrof. Hij was niet alleen predikant, ook was hij betrokken in de opleiding van studenten (Hebreeuws, Grieks en Latijn). Toen de Theologische School in Kampen geopend werd – en Bavinck voor de benoeming tot docent bedankt had – werd een zoon geboren: Herman (13 december 1854).

Het belang van het gezin
Herman was een lieve jongen. Kwajongensstreken van hem zijn niet bekend. Zijn ouders hebben er wel leed over gedragen dat hun Herman zich zo moeilijk liet doorgronden en tegenover hen zo gesloten was. Bavinck kende aan het gezin een belangrijke plaats toe. Later zou hij zeggen dat het ‘is en blijft het opvoedingsinstituut bij uitnemendheid (…) In het huisgezin heeft de menswording van de mens plaats’. Verder zegt hij:

‘Alles voedt in het huisgezin op, de handdruk van de vader, de stem van de moeder, de oudere broer, het jongere zusje, de zuigeling in de wieg, de zieke lieveling, de grootmoeders en de kleinkinderen, de ooms en de tantes, de gasten en de vrienden, de voorspoed en de tegenspoed, de feestdag en de dag van rouw, de zondagen en de werkdagen, de bede en de dankzegging aan tafel en de lezing van Gods Woord, het morgen- en het avondgebed. Alles is bezig om elkaar op te voeden, van dag tot dag, van uur tot uur, zonder plan, zonder methode en stelsel, die te voren uitgedacht zijn. Van alles gaat een opvoedende kracht uit, zonder dat ze ontleend en berekend kan worden. Duizend nietigheden, duizend kleinigheden, duizend beuzelingen, ze oefenen alle haar werking uit. Het is het leven zelf, dat hier opvoedt, het rijke, onuitputtelijke, afzijdige, grote leven. Het huisgezin is de school des levens, omdat het er de bron en de haard van is’.

Naar Leiden
Bavinck ging studeren aan het gymnasium in Zwolle. In 1873 legde hij belijdenis van zijn geloof af. Over de ontwikkeling van zijn persoonlijk geloof heeft hij weinig gesproken. In hetzelfde jaar kreeg zijn vader een beroep uit Kampen. Hij zag hiertegen op. Zondag aan zondag moeten preken voor professoren en studenten: het was een schrikbeeld voor hem. Toch nam hij aan. Voor zoon Herman was dit een uitkomst. Hij kon nu gaan studeren én onder het ouderlijke dak blijven. Één jaar studeerde hij nu aan de Theologische School van Kampen. Daarna ging hij naar Leiden. Bavinck wilde de moderne theologie van nabij meemaken. Waarom achtte hij de moderne theologie meer waard dan de ethisch-irenische van Beets, Oosterzee en Doedes? Haar halfslachtigheid voldeed hem niet. Misschien speelt ook mee dat een diametraal de eigen geloofsovertuiging snijdende levensbeschouwing voor een jeugdig student minder gevaarlijk is dan godsdienst van het midden.

Het studentenleven
In Leiden liet hij zich als corpslid inschrijven, maar spoedig had hij hier berouw van. De geest die toen in de studentenwereld heerste was geheel tegengesteld aan de zijne. Afgescheiden predikant toen in Leiden was J.H. Donner, voor wie Bavinck zijn hart uitstortte. Deze gaf te kennen dat een student van zijn kerk in het corps niet behoorde. De student was een menstype van eigen soort. Het studentenleven werd treffend in dit gedicht uit 1876 uitgedrukt:

Niet studeeren / Rondflaneeren / Geld verteeren / Eeuwig beeren
Groote heeren / Imiteeren / Ploert negeeren / Mooie kleren (Pauweveeren)
Steeds vermeeren / Weinig keeren / Retourneren / In de veêren / Ecarteeren
Veel parieeren / Steeds mijnheeren / Druk festeeren / Poculeeren
Dan laveeren / Niets ontbeeren / Repeteeren / Zonder eere / Promoveeren
Vloeken als een echt matroos
Dat is eerst studentikoos!

Ondanks alles eenvoudig
Bavinck hechtte zeer aan een omgeving. Toen zijn huisbazin verhuisde, ging hij met haar mee. Hij had behoefte aan rust om zich onverdeeld aan de studie te kunnen geven. Bavinck zou zich vanaf nu onberispelijk gaan kleden. Hij trok moderne kleding aan. Als hij in de vakanties naar Kampen terugging, viel dat op, was hij ‘werelds’ in veler ogen. Onder alles bewaarde hij de eenvoud, uit de ouderlijke woning meegebracht. Maar correctheid tot in zijn uiterlijke verschijning toe, fijnheid van vorm en ongekunstelde voornaamheid van manieren waren hem tot levensnoodzakelijkheden geworden. Bavinck was bedeesd tegenover meisjes, hij wist zich dan geen houding te geven.

Studievriend
Studievriend van Bavinck was Christiaan Snouck Hurgronje. Een paar avonden in de week kwamen zij op elkaars kamer bijeen, om te blokken en te repeteren. Zij begonnen om zeven uur en stopten pas te middernacht. Er mocht geen tijd verloren gaan. Onder meer hebben ze op die avonden de gehele Bijbel doorgewerkt. Het werd een hechte vriendschap. Zijn vriend ging echter een andere weg. Hij dacht eerst theoloog te worden, maar het Arabisch kreeg zijn liefde en in dat vakgebied bleef hij. Ze deden samen candidaatsexamen. Eerst moest Snouck Hurgronje. Tegen alle verwachtingen behaalde hij geen ‘cum laude’. Bavinck, die meer in de gratie stond bij de professoren stond, kreeg dit wél. Bavinck stond erop dat de zijne werd geschrapt. Anders konden ze het document wel verscheuren. Hij kon niet dulden dat zijn vriend op zo’n wijze werd achtergesteld. Later zou zijn vriend een andere kant op gaan, ook in godsdienstig opzicht, Bavinck spreekt zelfs van ‘zo ontzaglijk ver in beginsel en in levensbeschouwing uiteengaan’.

Zwarigheden
Opmerkelijk is het te lezen, hoe Bavinck altijd vol zwarigheden zit. Vooral drukt het hem, dat hij in de vakanties zo weinig studeert. De zwaartillendheid was hem eigen. Elk nieuw vak ‘viel’ hem ‘niet mee’. Bavinck kwam er wel achter dat wie wetenschap vergadert, ook smart vermeerdert. ‘Hoe meer ik er aan doe, des te minder zie ik kans om klaar te komen voor het examen’. In een vakantie kan hij het zich niet voorstellen, dat hij al meer dan een week thuis is en haast nog niets heeft uitgevoerd. En dorre vakken (hij noemt geschiedenis en taalkunde) ‘beneemt me haast alle lust’. Kerkgeschiedenis staat hem niet erg aan. Bavinck werd ook door examen-vrees gekweld.

Zoon van de Afscheiding
Bavinck verloochende zijn achtergrond niet. Toen hij op een keer in het openbaar een oppositie moest voeren tegenover de moderne theologie, wilde hij tonen een zoon van de Afscheiding te zijn. Hij bracht een trillend protest uit tegen de kerk, waar op dezelfde kansel leugen en waarheid wordt verkondigd. Hij zei dat het zijn persoonlijke schuld ook was en hij eindigde in tranen. Grote consternatie! Bavinck betreurde zijn optreden achteraf; het was volgens hem meer hoogmoed dan Gods eer dat hem dreef.

Eerste preek: het geloof dat de wereld overwint
Bavinck hield in diezelfde tijd zijn eerste preek. Men noemde het toen nog niet een ‘stichtelijk woord’. Destijds nam men het nog niet zo nauw met het preken van studenten. De eerste preek hield hij in Enschede (augustus 1878). Het ging over 1 Joh. 5:4b ‘Dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof’. ‘Het uitspreken viel me zeer mee. Ik was zeer kalm en bedaard. Zodat ik blij ben dat ik het maar gedaan heb, en de grootste zwarigheid ook hierin weer overwonnen is (…) Ik sprak niet met dat gevoel voor mij zelf als ik gehoopt had dat ik doen zou; terwijl de gedachte, altijd zo ver beneden het ideaal te blijven staan, me onophoudelijk bijbleef.’

Nog steeds geen Kampen
Vrienden van Bavinck waren begonnen met de werken van Chantepie de la Sausaye en Gunning te lezen en kwamen geheel onder bekoring van hun theologie. Ze dreigden voor de afgescheiden kerk verloren te gaan, dat zag Bavinck. Daarom ging hij met hen spreken. In Kampen volgde Bavinck geen colleges. Wel informeerde hij wat de docenten behandelden. De school kon hem echter weinig of niets bieden. Vooral het onderwijs van Helenius de Cock (dogmatiek) zinde hem niet. Bavincks vond in het uit preken gaan een mooie afleiding. Met zijn dissertatie wilde het nog niet vlotten. Alleen al het kiezen van een onderwerp ging moeizaam. Uiteindelijk kwam hij uit op ‘ethiek bij Zwingli’. Omdat Bavinck niet hield van publiciteit werd het een private promotie.

Promoveren op Zwingli
Hij zegt onder andere: ‘Geen der hervormers is onze tijd zo na verwant als Ulrich Zwingli. De humane toon, de vermijding van al die onkiese beelden, waarin de eeuw der reformatie smaak en welgevallen vond, het gemis van scholastieke redeneringen, de eerbiediging van anderer overtuiging, de ruime, verziende blik, de historische zin, bovenal de ethische beschouwing zijn zovele trekken, die van onmiskenbare verwantschap met onze tijd getuigen’. Een stelling bij zijn proefschrift luidde: ‘Getoetst aan het gereformeerd beginsel was de Afscheiding van 1834 recht- en plichtmatig’. Opmerkelijk is het dat Bavinck het in zijn andere geschriften nergens meer zo sterk voor Zwingli opneemt. Daarin staat voor hem Calvijn in alle opzichten bovenaan.

De blinde leidslieden laten varen
Tussen zijn promotie en zijn examen voor de Theologische School lag een maand. Berucht was de tekst die student Bavinck opkreeg om een preek over te leveren: ‘Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden’ (Matth. 15:14). Bavinck was woedend. Hij begreep meteen, dat men die blinde leidslieden de Leidse professoren bedoeld werden. Brummelkamp had al tegen Jan Bavinck gezegd toen Herman naar Leiden ging studeren: ‘Gij vertrouwt uw zoon aan de leeuwenkuil toe’, waarop vader zei dat God Zijn kind wel zou bewaren. Nu Leiden afgesloten was, werd er gezegd: ‘Wij danken God, dat dit waagstuk – want dat blijft het toch altijd – zo goed is afgelopen’.

Een waagstuk die niet voor iedereen goed afloopt
Bavinck zei: ‘Heb ik iets aan Leiden te danken dan is het dit: de tegenstander proberen te begrijpen’. Niet voor iedereen liep dit goed af. ‘Nergens wordt dit conflict met meer smart doorleefd dan in het hart van de student’. Er waren veel jonge studenten die zichzelf de tijd niet gunden om een nauwgezet onderzoek in te stellen en dan pas een weloverwogen beslissing te nemen. ‘In de naam van een goed bedoelde maar toch oppervlakkige oprechtheid haastten zij zich, om meteen en beslist positie te kiezen, het oude als verouderd en onbruikbaar te verwerpen en het nieuwe als onveranderlijke en onwankelbare waarheid aan te nemen.’

Kinderlijk geloofsvertrouwen geschokt
Wat Bavinck tot zijn groot verdriet constateerde, was dat hij bemerkte dat na zijn Leidse tijd zijn kinderlijk geloofsvertrouwen was geschokt. Sommigen zeiden tegen hem: als je geschikt voor het ambt wilt zijn, moet je veel vergeten wat je in de collegezalen hebt gehoord. Hoevelen lijden bij deze gedachte onder een innerlijke onwaarheid, die het leven verscheurt! ‘Met hun positie ontevreden, zoeken velen dan een uitweg in poitiek, diaconaat of filantropie en houden in diezelfde mate op, dienaren des Woords en uitdelers van Gods verborgenheden te zijn’.

Geen gezelligheidsmens
Bavinck was meest in zichzelf gekeerd. Hij had geen zussen om hem te plagen en hem eens uit de hoek te lokken. Zijn broertjes stonden in leeftijd ver beneden hem. De Bavincks hadden allemaal iets stils over zich. Zo ging menig maaltijd voorbij, zonder dat een woord werd gewisseld. Vooral als er vrienden bij waren kon Bavinck soms heel kort zijn. Bavinck vond het allerminst gezellig gezellig te moeten zijn. Tegenover vreemden was hij dit wel verplicht, tegenover eigen niet. Was hij in druk gesprek met anderen gewikkeld en kwam zijn vader binnen, dan zweeg hij weldra. Dit is wel eens in voor hem ongunstige zin uitgelegd.

Nieuwe levensfase
Het tijdperk der kritiek is voor Bavinck afgesloten. Hij stelt zich ten doel van nu af zijn overtuiging te volgen en te verdedigen. ‘Het naïeve van het kinderlijk geloof, van het onbegrensd vertrouwen op de mij ingeprente waarheid, zie, dat ben ik kwijt (…) en nu weet ik het wel, dat ik dat nooit terugkrijg. Zelfs vind ik het goed en ben ik er waarlijk en oprecht voor, dat ik het verloren heb. Er was ook in dat naïeve veel, wat onwaar was en gereinigd moest worden.’ Bavinck wilde niet bekend staan als criticus. ‘Ik kan niet alles ontleden, koel en onverschillig’.

Preekkoorts
Zijn roem als redenaar verbreidde zich. Zo ook in Franeker. Hij werd daar beroepen en nam aan. Het was een verdeelde gemeente. ‘Preekkoorts’ begon hier. Meestal moest hij vanwege de zenuwen ’s zondagsmorgens overgeven en at hij de hele dag weinig of niets. In Franeker hielden ze wel van hem. ‘Het skuum stond de prediker vaak op de mond, men dacht soms een ogenblik een engel te horen’. Bavinck zette zijn prediking op zo’n hoog plan, dat zij alle geschillen in Franekers kerk ver beneden zich liet. Hij zweeg over de leer van de verkiezing niet, maar sprak er niet zo opzettelijk, tijdig en ontijdig over, als zijn voorganger gedaan had. Bavinck leefde zo voor zijn stof dat soms hem de tranen langs de wangen liepen.

‘Ik word steeds meer gereformeerd’
Bavinck trok ongetrouwd de pastorie binnen. Een echtpaar woonde bij hem in om voor hem te zorgen. Tegen de ccatechisaties zag Bavinck erg op. Even scheen hij van plan te zijn geweest vóór het aannemen van zijn beroep te bedingen, dat hij alleen de catechisaties van de oudere jeugd zou hoeven te doen. Moeilijk viel hem ook het ziekenbezoek. Hij had het zo nodig, dat een ander het gesprek gaande hield. Bavinck brengt in de gemeente geen veranderingen tot stand, daar is hij de man niet naar. In zijn briefwisseling met zijn vroegere vriend Snouck Hurgronje zegt hij: ‘Eerlijk gezegd, ik word en ben steeds meer “gereformeerd”. Menig voorbarig oordeel van vroeger spreek ik thans niet meer uit. Ik heb meer eerbied gekregen en meer piëteit voor het geloof en de geloofsarbeid der eeuwen, ik ben bescheidener geworden in mijn meningen, en ben enigszins afgedaald van het hoogmoedig standpunt om alles te toetsen aan mijn verstand en aan mijn rede.

Overige
– Bavinck heeft zijn boeken van elk persoonlijk element bijna geheel gezuiverd; het is dus moeilijk hieruit biografische gegevens af te leiden.
– Bavinck was – in ieder geval in zijn jeugd – een groot liefhebber van het damspel.
– Bavinck begon al vroeg met de gewoonte om nooit een boek te lezen zonder aantekeningen te maken.
– Wie was ds. Donner, de predikant uit Leiden waaronder Bavinck als student verkeerde? Zijn preken waren superieur, hij was een geducht exegeet.
– Bavinck grapte eens op de catechisatie. ‘Er zijn geleerden die beweren dat de mens oorspronkelijk een staart heeft gehad. Sommigen worden, naar men zegt, ook nu nog met zulk een aanhangsel geboren. En een iegelijk onderzoeke bij zichzelf of het aldus zij…’

Professor
Lang bleef Bavinck geen gemeentepredikant. In 1882 werd hij benoemd tot docent van de Theologische School te Kampen. Aan hem werden de vakken opgedragen dogmatiek, polemiek, ethiek, encyclopedie, antiquiteiten, mythologie, filosofie en een deel Grieks. Er waren drie docenten tegelijk benoemd, die op dezelfde dag inaugureerden. De eerste die dat deed had daar zo veel tijd voor nodig, terwijl het koud was, dat Bavinck boos de kerk uitliep. ‘Ongehoord’, zo zei hij, ‘Het ding komt toch in druk, ik spreek het niet uit’. Toch wist men hem te bewegen het wel te doen, en zodoende sprak hij het in een snel tempo uit, zodat het in een uur en een kwartier gedaan was. Zijn voorganger had er meer dan drie uur voor nodig. Die sprak zich wel warm en voelde de koude niet. Over de oratie schreef Abraham Kuyper: ‘Dit is nu werkelijk gereformeerde wetenschappelijke theologie’.

Druk leven
Bavinck was in zijn element nu hij docent was. Hij kon naar hartelust studeren. Zozeer concentreerde hij zich op de studie, dat hij zichzelf haast geen enkele ontspanning gunde. Preken deed hij niet vaak. In 1883 bijvoorbeeld maar 21 keer, waarvan 7 keer in zijn woonplaats Kampen. Zijn dagindeling zag er als volgt uit: van ’s morgens negen tot ’s nachts twaalf of één uur zat hij over boeken gebogen, slechts onderbroken door haastige maaltijden en drukke colleges. De gezelligheid die hij door zijn drukke bezigheden moest opofferen was een offer dat, gegeven zijn ietwat teruggetrokken natuur, hem niet al te zwaar moet zijn gevallen. Maar buiten een meer vertrouwelijke omgang kon hij ook niet. Belangrijk voor hem was collega D.K. Wielenga. Men zegt wel dat wanneer Bavinck niet een Wielenga achter zich had gehad, de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken een andere loop zou hebben genomen. Bavinck was van nature toegeeflijker, Wielenga hield echter altijd voet bij stuk en haalde zijn vriend vaak over.

Niet helemaal thuis in Kampen
Bavinck heeft zich eigenlijk nooit helemaal thuisgevoeld in Kampen. ‘Een Christelijke Universiteit zou mijn ideaal zijn; en hoezeer ik in Dr. Kuyper veel afkeur, aan zijn grootse stichting wens ik zegen en welvaart’. Bavinck wil in het volle leven staan. Hij wilde niet de kant op van het terugtrekken uit het leven. ‘Men trok zich uit geheel het leven terug, scheidde zich in de letterlijke zin des woords van alles af, en ging soms, erger nog, naar Amerika scheep, het vaderland als toch verloren aan het ongeloof prijsgevende’. Hoewel Bavinck ongetwijfeld de energie van de emigranten (Van Raalte en Scholte) bewonderde, keurde hij het beginsel dat hen dreef als separatisme af.

Bavinck te mild?
Bavinck had sympathie voor de gereformeerde beweging die in de Ned.Herv.Kerk gaande was in zijn studentenjaren. Bavinck koesterde als student grote bewondering voor Kuyper, al had hij ook al wel ‘enige ernstige bedenkingen’, vooral zijn nadruk op de zelfstandigheid van de lokale kerken en het niet tot zijn recht laten komen van de kracht en betekenis van het kerkverband. Ook spreekt hij over de ‘suprematie’ van Kuyper. Bavinck kon Kuypers waarschuwing tegen de ethische theologie als een gevaar niet waarderen. Bavinck heeft met zeldzame nauwkeurigheid de werken van De la Saussaye bestudeerd. Het was blijkbaar zijn streven zijn tegenstander volop recht te doen. Kuyper vond echter dat Bavinck te mild was in zijn kritiek op de ethische theologie.

Bavinck en Kuyper
Bavinck beschrijft de ethische theologie in die zin dat hij zich ‘bij alle waardering toch van volkomen instemming terug moet houden’. Maar wij vragen ons af: mag dit? Als je tot de conclusie komt dat een leer niet naar de Schrift is, moet je dan niet feller spreken? Het heeft misschien iets te maken met zijn irenische natuur. Hij was voorzichtig. Ook droeg Bavincks karakter een particulier, en die van Kuyper een publiek karakter. Bavinck had een zekere irenische zucht om door kritiek zich geen kritiek van anderen op de hals te halen. Hoewel Bavinck en Kuyper dus wel eens elkaar bediscussieerden, Bavinck hield zijn mensen steeds voor ogen, hoeveel ze aan Kuyper verschuldigd waren. Nergens twijfelt Bavinck aan Kuypers oprechtheid. Bavinck is in zijn beoordeling van Kuyper niet steeds gelijk gebleven. Het wisselde van tijd tot tijd.

Vijandschap in eigen hart onderkend
Bavinck handhaaft tegenover het ervaringsbeginsel van de ethischen het Schriftprincipe. Hoe verder men Bavinck in deze periode van zijn leven volgt, des te meer vindt men in hem een geharnast strijder tegen de ethische theologie. Bavinck was heel open in een brief aan Snouck Hurgronje: ‘Soms bespeur ik in mijn eigen ziel een onuitgesproken wens, dat de Schrift niet waar mocht zijn, dat de nieuwere kritiek gelijk hebben mocht en daarin zie ik iets van die geheime vijandschap, die het zondige hart tegen de Heilige gevoelt, en die alleen door het geloof en het gebed overwonnen kan worden (…) Het is voor mij in de eerste plaats het hart en het geweten, dat mij belet modern en liberaal te zijn’.

Bavinck en de Doleantie
Bavinck begroette de Doleantie niet met zo’n geestdrift als men enkele jaren eerder van hem zou hebben verwacht. Als eenmaal het kerkelijk conflict in 1886 is uitgebroken, toont hij zich uiterst gereserveerd. Hij keurt het niet af, hij stelt Kuyper principieel in het gelijk, maar toch had hij een voorzichtige houding. Brummelkamp en Van Velzen waren veel anders. Telksens als er weer een hervormd predikant geschorst werd plaatste Brummelkamp dit in De Bazuin onder het opschrift: ‘Het Eerediploma (…) Wij ontveinzen het niet, dat ons hart daarbij tintelt van vreugde en dankzegging’. Van Velzen zegt: ‘Menigmaal is mij gevraagd: zullen wij (…) en de Dolerenden verenigd worden? Als ik iemand zo hoor vragen denk ik: ik begrijp u niet, of gij begrijpt het werk des Heeren niet’. Bavinck was niet zo snel enthousiast, er was zelfs geen warme belangstelling bij hem. Zou dit te maken kunnen hebben met zijn verkoelde verhouding tot Kuyper in die tijd?

Bavinck nog niet naar Amsterdam
Bavinck weifelde steeds. Hij had gelijk toen hij zei dat nog niemand de bezwaren zo diep had opgedolven, het verschil tussen de afgescheidenen en de dolerenden zo sterk geaccentueerd heeft, er in die mate een principe achter gezocht heeft als Kuyper. En waar een man van zo verreikende invloed zich zo duchtig weerde, beloofde dit voor de komende synode niet veel goeds. Bavinck kwam nog wel met een voorstel over de vereniging, die Kuyper goed vond, maar niet werd aangenomen. In 1892 vond de Vereniging daadwerkelijk plaats. Kuyper verklaarde dat hij het vroeger door hem gebruikte beeld van de huwelijkssluiting liet varen. ‘Wie toch zou dan in deze vereniging de man, en wie de vrouw zijn, en bij wie zou de maritale macht berusten?’

Toch nog getrouwd
Er kwam nog een grote verandering in zijn leven: hij werd zich bewust dat alleen te zijn voor de mens niet goed is. Hierin kwam het echt menselijke bij hem uit. Hij verlangde lange tijd naar een vrouw, ‘die mij begrijpen en aan wie ik mij gans en al toevertrouwen kan’. Maar ‘ik doe er ook niet de minste moeite toe en ben op dat terrein geheel passief, duldend wachtend’. Toen hij docent in Kampen werd, trok hij weer bij zijn ouders in! Echter, in 1891 trouwt Bavinck met een 13 jaar jongere Vlaardingse. De tijd daaraan voorafgaand was het een voortdurend reizen tussen Kampen en Vlaardingen. In 1894 werd er een dochter geboren, hun enigste kind.

Gereformeerde Dogmatiek
Bavinck ijverde voor de verbetering van het onderwijs aan de Theologische School van Kampen. In 1895 verscheen het eerste deel van zijn Gereformeerde Dogmatiek. Kuyper laat nog maar eens zijn sympathie voor Bavinck horen. Bavinck was volgens hem op hetzelfde standpunt uitgekomen als hijzelf in zijn Encyclopedie. ‘En dit is nu juist het kostelijke. Zo toch ontwaart men, hoe twee mannen, die elk op eigen gelegenheid, voor een aanmerkelijk deel, een gelijksoortig onderzoek instelden, eenvoudig omdat zij in de beginselen waarachtig één waren, langs geheel eigen weg tot dezelfde uitkomst zijn geraakt’.

Opleidingskwestie
De opleidingskwestie beheerste ook een deel van Bavincks leven. Intussen ging Bavinck overstag in een richting, tegenovergesteld aan hoe hij er eerder in had gestaan. Hij vindt nu dat de kerken veel beter voor de opleiding tot de dienst des Woords kunnen zorgen dan de overheid, of een particuliere vereniging (zoals de VU). Want ‘wie kan haar ter verantwoording roepen? Vrij ontstond zij, vrij gaat zij heen’. Maar als Bavincks voorstel het zou halen, zou het uit zijn met de vrijheid aan de theologische faculteit van de Vrije Universiteit. Bavinck had een brandende begeerte naar eenheid van opleiding. Bavincks voorstel werd in de synode niet eens besproken.

Als ik omringd door tegenspoed…
In 1899 kreeg Bavinck een psychische inzinking. De machtige bezieling verliet hem meer en meer. Nooit had hij de dingen des levens licht genomen, maar nu maakte een zwaartillendheid zich van hem meester. Voortaan vermeed Bavinck zoveel mogelijk alle actie, waaraan volhardende strijd was verbonden. Wel ging hij weer meer preken en lezingen houden. Een gebroken man is hij wel nooit geworden, maar in de kerk zong hij zelden of nooit mee. Alleen wanneer Ps. 138:4 werd opgegeven, kon hij niet zwijgen:

Als ik omringd door tegenspoed,
Bezwijken moet,
Schenkt Gij mij leven…

Naar Amsterdam
In 1903 werd hij benoemd aan de VU te Amsterdam en dit keer nam hij het wel aan. Dit kostte hem wel veel strijd. Hij verwoordde dit in zijn brochure Blijven of Heengaan. In Amsterdam doceerde hij dezelfde vakken. Aan waardering ontbrak het hem ook in Amsterdam niet, maar zij droeg een andersoortig karakter. In Kampen had zij meer iets uitbundigs en dwepends. Daar kende ieder hem, was men trots op hem. In Amsterdam was daarvan natuurlijk geen sprake. Graag wandelde hij op één van de drukste momenten van de dag in de Kalverstraat om zo het heerlijke bewustzijn over zich te laten komen slechts een druppel te zijn in de mensenstroom. Het culturele leven trok hem krachtens zijn mentaliteit sterk aan. Als men hem later over Kampen sprak, gaf hij meestal het stereotype antwoord: de Veluwe ligt er tussen. In Kampen was hij de man. Met de VU stond het anders. Zij had zich ontwikkeld zonder hem.

Drang naar het objectieve
Bavinck was een veelgevraagd spreker. Met een kleine overdrijving kan men zeggen dat elke jubilerende vereniging in gereformeerde kring, die zichzelf respecteerde, begon met Bavinck als spreker uit te nodigen. In 1911 werd hij lid van de Eerste Kamer. Onderwijs en opvoeding bleken ook hier de liefde van zijn hart te bezetten. Hij bestudeerde ook steeds meer de psychologie en pedagogiek. Hij heeft in de tweede helft van zijn leven geen bevindelijke boeken meer geschreven. Er is een drang naar het objectieve bij hem. De jonge Bavinck ontdekte al de eenzijdigheden binnen de afgescheiden kringen. Zo zegt hij: ‘Maar weinigen komen zover. De meesten blijven tot hun stervensuur toe klagend en zuchtend voortstrompelen op de levensweg (…) Liefst horen zij zich toespreken als schuldig kroost van Adam, als zondaren en doemelingen (…) Van het aardse leven spreken zij niet dan als een leven vol moeite en verdriet. De wereld is hun een jammerdal’.

Drie problemen
Het diepe denken ging bij de oude Bavinck enigermate in tobben over. Hij was de oude niet meer. Hij werd gekweld door drie problemen: het toekomst-, het Schrift- en het cultuurprobleem.

1. Het toekomstprobleem: in grauwe kleuren kon Bavinck het heden soms afschilderen. ‘Er is zonder twijfel vooruitgang (…) maar daarnaast ook een snelle vooruitgang in…’, en dan noemt hij zaken op als geldzucht, alcoholgebruik, zedeloosheid, vrije liefde, misdaad en drugsgebruik. ‘Van hogere belangen, van ideale beginselen is schier geen sprake meer; alles draait om vrouwen en geld. Utilisme en egoïsme zijn de sterkste motieven, die de daden der mensen beheersen.’ Bavinck houdt ook rekening met de mogelijkheid dat bij de geringste aanleiding een oorlog ontbrandt, ‘die in vernielende werking alle vroegere oorlogen overtreft’. Zelfs stelt hij de vraag van de ondergang van onze Westerse beschaving. Ook kan Bavinck nog positieve dingen zien: ‘Wij staan blijkbaar niet aan het einde, maar aan het begin van een ontwikkeling; welke veroveringen er nog in wetenschap en techniek gemaakt zullen worden (…), wij kunnen het niet zeggen, maar voor grootse verwachtingen bestaat er alleszins grond. God is bezig grote dingen in deze tijd te doen.’

De Eerste Wereldoorlog greep Bavinck geweldig aan. Vooral de aanklacht tegen het christendom, als zou dat nu in zijn onmacht aan de kaak zijn gesteld, trof hem diep. ‘We zitten met deze oorlog in grote verlegenheid en weten hem geen plaats te geven in onze redelijke, zedelijke, christelijke wereldbeschouwing.’ Één van de bitterste gevolgen van deze vernietigingsoorlog acht hij dat deze in sterke mate ‘het geloof in de macht van het christendom heeft ondermijnd, velen ten aanzien van de Voorzienigheid en de liefde Gods sceptisch heeft gestemd, en niet zelden, vooral als hij door alle partijen in Gods heilige naam ondernomen heet, tot bittere spot aanleiding gaf’.

Bavinck gaat niet mee met mensen die ‘alle vredescongressen belachelijk en van het ten onrechte dusgenaamde Vredespaleis een goedkope karikatuur maken’. Bavinck had wel de vrees dat de (verkeerde) cultuurstroom uit Europa naar Amerika zou overgaan. Ook ziet hij voor de kerk zware tijden tegemoet komen. Hij wekt het gereformeerde volk op tot eenheid en getrouwheid.

2. Het Schriftprobleem: de mening is soms geuit alsof het gezag van de Schrift door hem in twijfel werd getrokken. Nee, het ging bij hem niet om de autoriteit, maar om het vraagstuk van de inspiratie van de Schrift. Vooral het punt hoe de inspiratie de inwerking van de omstandigheden onderging. Bavinck komt op grond van zijn Schriftvisie tot de conclusie dat bijvoorbeeld de Bergrede voor de gelovigen nu in wezen en beginsel nog wel geldt, maar concreet niet meer. Hij beargumenteert dit uit de tijd van toen in vergelijking met de tijd van nu. Maar het gevaar van willekeur is nu wel heel groot, dat onderkende Bavinck ook.

3. Het cultuurprobleem: Bavinck geeft de hoop op eenheid binnen de christenheid op. En er zijn steeds meer mensen die zich christen noemen, en daar kan Bavinck weinig mee: ‘Al verder neemt het getal schier dagelijks toe van hen, die zich met het christendom trachten te verstaan’. Bavinck ging nu wel hoop koesteren op een andere synthese, namelijk die tussen christendom en cultuur. Hij ondervond hierbij in eigen kring geen medewerking. Het hinderde hem bijvoorbeeld dat hij zijn geestverwanten voor de idee van een Volkenbond, volgens hem een cultuurbelang van uitnemendheid, niet warm kon maken. ‘Veel gemakkelijker is het, het kapitaal te vervloeken, op de oorlog te schelden, alle cultuur in de ban te doen, dan om op al deze terreinen als een kind Gods te wandelen en Christus na te volgen. (…) De strengste orthodoxie maakt de zonden van smokkelarij en woekerwinst, van oneerlijkheid en bedrog in de handel, van sociale en politieke ongerechtigheid niet goed. Wie de naam van Christus noemt, moet afstand doen van alle ongerechtigheid. Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien’. Tot een uitwerking van de synthese tussen christendom en cultuur is het niet gekomen. Het staat vast dat hij van zijn diepste gedachten daaromtrent niemand deelgenoot heeft gemaakt.

Laatste discussie
Aan het einde van zijn leven was Bavinck nog betrokken in een veelbesproken discussie. Op de synode van Leeuwarden in 1920 ontspon zich een discussie tussen de Kamper hoogleraar Honig en Bavinck. Honig wilde in het zogenaamde ‘Getuigenis’, een opwekking aan kerkenraden, onder zonden waartegen gewaarschuwd zou worden met name vermeld zien: schouwburgbezoek, dansen en kaartspel. Bavinck verzette zich daartegen. Alsof er geen ergere zonden waren die in gereformeerde kring heersten.

Bavincks sterven
Kuyper sterf op 8 november 1920. Opvallend genoeg was de vermelding van diens dood het laatste stukje uit het dagboek van Bavinck. Want daarna werd Bavinck steeds zwakker, lange lijdensmaanden maakte hij door. Hij zei op zijn ziekbed dat hij wel een wens had, maar die kon niet vervuld worden: hij wenste als hij de hemelse heerlijkheid ingegaan was, nog even naar de aarde te mogen terugkeren, om tot al Gods volk en zelfs tot de wereld van die heerlijkheid te getuigen’. Bavinck zei eens op zijn sterfbed: Het…leven…is…vreemd…, het…sterven…nog…vreemder’. Nog was de denker in hem niet gestorven. Op 29 juli overleed hij. Waar bij Kuypers begrafenis uitgebreide ordemaatregelen werden getroffen, stampvolle treinen en spreektribune waren, waren er bij Bavinck slechts enkele honderden mensen bijeen. Bavinck was ondanks al zijn praktische bemoeiingen voor het volk de geleerde gebleven. Populariteit had hij zich nooit verworven. Bij zijn begrafenis werd gezongen Ps. 84:6. ‘Want God, de HEER’, zo goed, zo mild / Is t’ allen tijd een zon en schild’.

Overige
– Een dogmatiek moet volgens Bavinck aan drie eisen voldoen: schriftuurlijk, kerkelijk en actueel.
– Van trein of tram hield Bavinck niet.
– Bavinck werd voordat hij echt ging twee keer gevraagd docent aan de Vrije Universiteit te worden. Hij bedankte echter. Zijn hart trok wel naar Amsterdam, maar plichtsbewustzijn weerhield hem om die innerlijke drang te volgen. In Leiden stond hij op de nominatie om professor te worden, maar de keuze viel op Gunning.
– Bavinck maakte twee reizen naar Amerika.
– ‘Gewone politiek heeft meestal een vuile kant, maar kerkelijke politiek heeft er altijd één!’

‘Aan mijn geleerdheid heb ik nu niets meer…’
Bavinck is vooral bekend geworden door zijn vierdelige Gereformeerde Dogmatiek, dat verscheen tussen 1895 en 1901. Bavinck heeft aan vernieuwing van het gereformeerde denken en leven meegewerkt; hij stond aan de basis van het neocalvinisme. Hij kende een brede blik, wat onder andere blijkt uit zijn oratie in 1888 over De Katholiciteit van Christendom en Kerk. ‘Het Evangelie is een blijde boodschap voor de enkele mens niet slechts, maar ook voor de mensheid’. Eenzelfde breedheid komt in een redevoering als Modernisme en Orthodoxie (1911) naar voren. De Reformatie, het weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven, is uit Bavincks geest voortgekomen. Bavinck begreep de jongeren en voelde met hen mee, omdat hij zijn tijd verstond en een open oog had voor de taak voor de toekomst. Hij vooral was dan ook de man, die de jongeren in aanraking bracht met het geestelijk leven buiten hun eigen kring. Hij stond bijvoorbeeld sympathiek tegenover de Nederlandse Christen Studentenvereniging (NCSV), hoewel andere gereformeerde voormannen daartegen waarschuwden. In een voorrede op de vernieuwde uigave van de werken van Erskine (1904) zei hij: ‘Er is een belangrijk element in, dat ons heden ten dage veelszins ontbreekt (…) De geestelijke zielskennis wordt er in gemist. Het is alsof wij niet meer weten, wat zonde en genade, wat schuld en vergeving, wat wedergeboorte en bekering is’. Deze laatste zin is misschien het scherpste, dat de zachtmoedige Bavinck ooit geschreven heeft. Wie het indenkt zal ook verstaan wat Bavinck op zijn sterfbed heeft gezegd:

‘Aan mijn geleerdheid heb ik nu niets meer;
Mijn dogmatiek baat ook nu niet meer;
Alleen het geloof maakt mij zalig’.

Gepubliceerd in mei 2008

Advertenties