Ds. G. Boer

n.a.v. J. van der Graaf, Passie voor het Evangelie. Leven en werk van ds. G. Boer, Heerenveen 2005

Timmerman
Op 27 maart 1913 zag Gijsbert Boer het levenslicht in Bodegraven. Met warmte en waardering spreekt hij over zijn ouderlijk huis. Hoewel hij al jong de begeerte heeft om predikant te worden zal hij voor het zover is nog een lange weg afleggen. Na de basisschool gaat hij eerst als timmerman aan de slag. Dominee worden was voor hem ‘te hoog gegrepen’. Maar het timmermansvak was ook niet echt voor hem. In de familiekring herinnert men zich nog altijd de balk in een boerderij, die hij er ‘scheef’ aanbracht. Zijn kinderen herinneren zich niet dat zij hun vader ooit een hamer in de hand hebben zien nemen. Wel dat moeder thuis de hamer hanteerde om spijkers te slaan voor het ophangen van schilderijen!

Gymnasium
Boer vond dat er ‘grote slapte’ in zijn werk als timmerman kwam, en zag hierin een vingerwijzing om de studie weer ter hand te nemen. In 1938 schreef Boer op het gymnasium een opstel over het onderwerp ‘Twijfel’. Hij zegt daarin dat de mens van de twintigste eeuw meer dan ooit de waarheid van de Romeinse spreuk ‘vae soli’ (wee de alleenstaanden) voelt. En met Pascal zegt Boer: ‘De mens hijgt naar geluk, maar stort zich in ’t ongeluk’. Na zijn gymnasium-staatsexamen gaat Boer theologie studeren in Utrecht. Hij legde niet zo veel contacten met zijn medestudenten, omdat hij zijn studie zo snel mogelijk wilde voltooien. Hij zou er drie jaar over doen.

Oorlogservaring
Aan het eind van zijn studie is hij enige tijd hulpprediker (vicaris) in Rotterdam-Delfshaven, waar een diep ingrijpend gebeuren plaatsvond. Het huis waar hij op kamers zat viel in puin tijdens één van de bombardementen. Samen met zijn hospita ligt hij 24 uur onder het punt. Samen met haar brengt hij die uren door in gebed, terwijl de hospita niet gelovig is. Hij zingt ook psalmen. Zij zijn de enigen uit de hele flat die gespaard blijven. De auto die hem daarna naar het ziekenhuis bracht, vloog ook nog in brand. Deze uren brachten een omkeer in het leven van de hospita.

De banden des doods
Zijn boekenvoorraad gaat door dit bombardement geheel verloren. Deze oorlogservaring heeft, behalve geestelijke zegen, ook een zeker oorlogstrauma bij Boer nagelaten. Bij hevig onweer kwam kennelijk die ervaring boven. Hij kroop toen een keer achter de schoorsteenmantel. Zijn proefpreek ging over Ps. 116:3-5. ‘De banden des doods hadden mij omvangen…’ Een treffende tekstkeuze gezien zijn oorlogservaring! Op 31 oktober 1943 wordt hij door ds. I. Kievit bevestigd tot predikant in Eemnes-Buiten. De week daarvoor treedt hij in het huwelijk met Wilhelmina Hendrina Dorothea Dam uit Zwammerdam. Ze kregen drie kinderen.

Eemnes-Buiten
De kerk van Eemnes-Binnen staat buiten de huidige dijk en de kerk van Eemnes-Buiten staat binnen de voormalige dijk. Een beetje verwarrend… Boer volgde hier ds. J. van Sliedregt op, die al in 1941 naar Lage Vuursche was vertrokken. De gemeente was ‘meer naar het onderwerpelijke’, vooral onder invloed van ds. I. Kievit. Maar de gemeente was toch ook weer anders dan in de Alblasserwaard, waar men zich soms ‘in absolute lijdelijkheid verliest’. Ook dat was te danken aan ds. Kievit, door diens prediking van ‘de eis des geloofs en der bekering’.

Vriendschap met Kievit
Prof.dr. W. Balke zegt: ‘Er was in die dagen een hoogconjunctuur van geloofsleven met een sterk doxologische inslag, die men een opwekking zou kunnen noemen. Het was een unieke beweging’. In de Baarnse kring leefde een sterk hervormd kerkelijk besef: ‘Zolang als onze God nog in de grote kerk is, kunnen wij er ook wel blijven’. ‘Is onze God zo klein dat hij in de grote kerk geen wonder meer kan doen?’ Boers vriendschap met ds. Kievit was van grote betekenis: ‘Voor velen sta of val je daarmee’. Bij de dag van zijn bevestiging werd rekening gehouden met de rangschikking van de etenstafels zodat botsingen zouden worden voorkomen! De bevestigingstekst was 2 Tim. 1:8 ‘Schaam u dan niet…’, de intredetekst was Rom. 1:16 ‘Want ik schaam mij…niet’.

Anders dan Paauwe
Het ging Kievit niet om een bevindelijk systeem, aldus W. Balke. ‘Hij heeft nooit slachtoffers van systeemdwang gemaakt, zoals ds. J.P. Paauwe, die volgens Kievit in een voorstadium van de rechtvaardiging is blijven steken’. Balke zegt verder over Kievit: ‘De volle verbanden van rechtvaardiging, verzegeling, zoonschap kwamen bij hem tot een uitwerking, die men haast nergens aantreft, uitgezonderd bij John Owen, Boston en Comrie. Met hen, als ook met Ch.H. Spurgeon had Kievit affiniteit, meer dan met prof. Visscher, ds. Kersten en Van der Groe. (…) Stellig speelt in de persoonlijke beleving van het geloof ook het karakter een rol. Dat zag ds. Kievit ook heel goed. Dikwijls ziet men de zogenaamde bewuste rechtvaardiging bij mensen met een stoer, vastberaden karkater en met een heldere besluitvaardige geest, zoals ds. Kievit er zelf een was’.

Van Sliedregt
Boer gaf in zijn preken in die tijd meer uitdrukking aan de ‘vaderlijke toorn’ dan dat hij evangelisch was in Christus. Zijn prediking was anders dan die van zijn voorganger J. van Sliedregt, in wiens preken enerzijds het gevoelsmatige meer aanwezig was dan in de preken van Boer, met name wanneer hij over het werk van Christus sprak, en waarin anderzijds ook de rechtvaardiging in de vierschaar der consciëntie een plek had. Van Sliedregt was een warm en geestelijk prediker. Maar in zijn prediking kwam Boer dichter bij de mensen dan Van Sliedregt. Boer stond midden in het leven. Zijn preken waren belijnd, bestudeerd en op de man of vrouw af, soms ook scherp. ‘Huichelaars’ zei Boer eens tot drie maal toe vanaf de kansel, toen tijdens de oorlog niemand de helpende hand had uitgereikt naar twee weduwen.

Putten
In januari 1946 nam Boer afscheid van Eemnes omdat hij geen weerstand kon bieden aan de roeping van het ‘zwaar getroffen’ Putten. Vanaf Eemnes-Buiten had hij Putten zien branden. Hij was in Putten opvolger van ds. C.B. Holland. De tweede predikantsplaats werd sinds 1945 bezet door ds. L. Kievit, met wie Boer zeer bevriend was. Boer wordt bevestigd door diens vader I. Kievit uit Baarn, die Boers tweede kind ook zou dopen. Hieruit blijkt wel Boers verknochtheid aan I. Kievit.

Belijdenis doen van de waarheid?
Op de eerste kerkenraadsvergadering in Putten waar Boer aanwezig is kwam de vraag naar voren of tot het afleggen van belijdenis des geloofs ‘een zaligmakend geloof’ is vereist of ‘een historisch aanvaarden van de leer der Kerk’. Men besluit nog het één, noch het ander maar zoekt een tussenweg: ‘Zonder iets van den eis te laten vallen toch niet het weten des geloofs als voorwaarde stelt, maar juist onder ’s Heeren zegen daartoe dringen zal’.

Jac. van Dijk
Er kwam een derde predikantsplaats. Ds. Jac. van Dijk uit Monster komt die vervullen. Bij het lezen van de 48e ‘predicatie’ uit de Keurstoffen van Bernardus Smijtegelt was hij als predikant van Naaldwijk van vrijzinnig rechtzinnig geworden. Van Dijk gaf toe dat zijn ligging verschilde van die van de collegae Boer en Kievit. Hij zei een keer dat hij nu eenmaal niet tot de kring van de Baarnse intimi behoorde: ‘Ik kom nooit op het hoofdkantoor’. Al na 2,5 jaar vertrekt Van Dijk naar Gameren.

Het zaad ontkiemde
Over zijn dienst in Putten heeft Boer geschreven dat er een doorbraak van geestelijk leven heeft plaatsgevonden. Had ds. Holland al voren getrokken, ‘in het ontzettend gericht, dat over Putten gegaan was, had de Heere deze voren verdiept en bevestigd. In dit spoor viel het zaad van het Evangelie en…het ontkiemde’. Toch zegt Boer ook ergens dat hij teleurgesteld is over het feit dat in Putten ‘de kastijdingen des Heeren’ minder ‘ootmoedig leven’ hebben uitgewerkt dan hij had gehoopt en verwacht.

Herdenking razzia
Op 2 oktober 1945 was voor de eerste keer de ramp in de kerk herdacht. Ds. L. Kievit had beklemtoond dat wat in Putten was gebeurd geen vergelding was geweest maar een kastijding, ‘een opvoedkundige straf’. Bij de tweede herdenking, op 2 oktober 1946, preekt Boer over ‘Jezus in de storm’. Toen satan rondging als een briesende leeuw had Jezus gebeden ‘dat het geloof van de Zijnen niet zou ophouden, dat in deze benauwdheid geestelijke kinderen geboren zouden worden, tot de doorbraak des geloofs zouden komen’. De slag die Putten had getroffen was ten zegen geweest: ‘Niet de ramp, die tot in verre geslachten beschreven zal worden, maar Christus in deze ramp. Hoor de roede en wie ze besteld heeft. Ouders, onderwijzers, denkt daaraan, dat gij dit de kinderen zult inscherpen, ja inkerven, opdat dit getuigenis niet verloren ga’.

Wist ge het niet, dat Ik het was?
Tot degenen die zich van het geloof dreigden af te wenden sprak hij: ‘Wist ge het niet, dat Ik het was, nu twee jaar geleden?’ ‘Zo is de Heere ook door Puttens buurtschappen en straten geschreden. Incognito. Als een Onbekende. Zoals een vorst in kleding reist, die hem ombekend doet zijn. In een andere gedaante. De wolken waren het stof Zijner voeten. Wolken en donkerheid omgaven Hem. In ontzagwekkende majesteit is Hij neergedaald en allen hielden de adem in…’ Uit alles bleek hoe Boer, evenals zijn collega Kievit, worstelden met de weg die God ging in de ramp. ‘Daar was Hij overal, waar Hij in waarheid werd aangeroepen (…) Daarom konden zij deze wereld verlaten, omdat zij haar zagen als een groot concentratiekamp, waarin wij allen lopen met een ster op onze rug, d.w.z. ten dode opgeschreven; vandaag deze en morgen die!’

Gouda: meer tijd voor studie
Nadat hij afscheid had genomen met Fil. 2:12,13 ‘…werkt uws zelfs zaligheid met vrezen en beven…’, vertrok Boer naar Gouda waar hij voor het eerst de Ned.Herv.Kerk in haar geheel binnen zijn gezichtskring kreeg. Hij zou er kennismaken met ‘de verwoestende gevolgen van richtingstrijd en kerkscheuring’. En waar hij in Eemnes en Putten weinig tijd had gehad voor studie, kreeg in Gouda ‘de lust tot studie weer nieuw voedsel’. Wat was de voorgeschiedenis van de Goudse hervormde gemeente? In 1899 was de ‘Nederlandsche Hervormde Vereeniging Calvijn’ opgericht, met als doel door middel van lezingen op doordeweekse avonden de nodige kennis bij te brengen van de belijdenisgeschriften.

Calvijn in Gouda
Wie in Gouda een ‘bevindelijke preek’ wilde horen kon terecht bij één van de vier predikanten. Maar die preekte maar één keer per zondag. In 1920 ging ‘Calvijn’ eigen zondagse diensten beleggen, met vierhonderd tot vijfhonderd kerkgangers. In 1925 kocht men een eigen gebouw. Er gingen veel ‘godsdienstonderwijzers’ voor (vooral W. van Leeuwen uit Schoonrewoerd). Met de komst van ds. C.A. Korevaar in 1945 verminderde het aantal ‘Calvijn’-gangers aanzienlijk, hoewel de groep hem ‘niet gereformeerd genoeg’ vond. Korevaar gaf aan ‘Calvijn’ zijn zondagse preekbeurten op, zodat ‘Calvijn’ de andere diensten kon invullen. Dit werd in de loop van de tijd door de centrale kerkenraad verboden.

Steenblok
Met de komst van ds. Boer leek het alsof ‘Calvijn’ de deuren definitief zou sluiten. De wens van de vereniging werd in 1960 helemaal vervuld: twee hervormd-gereformeerde predikanten, met een kleine honderd preekbeurten per jaar, verdeeld over de Sint Janskerk, de Westerkerk (1936) en de Pauluskerk (1963). Boer stond in Gouda van 1949 tot 1956. Ook dit keer bevestigde ds. I. Kievit hem. Al spoedig laat Boer de gemeente weten hem op zaterdag niet te storen: ‘De zaterdag is de voorbereiding op de zondag, waarop voor alle andere dingen rust nodig is om bezig te zijn met het Woord des Heeren’. In deze tijd vonden ook de leergeschillen rondom de Goudse dominee C. Steenblok van de gereformeerde gemeenten plaats. Wellicht dat hij met het oog hierop in 1953 een preek heeft gehouden over ‘Verkoeling der liefde’. Hij laat zich er verder niet over uit.

Hoort Hem
Er gingen veel mensen over van de gereformeerde gemeente naar de hervormde gemeente, in die jaren toch zeker driehonderd. Iemand zei dat Steenblok wel Christus predikte, maar Hem altijd weer ‘terugtrok’ als je op het punt stond Hem in het geloof te omhelzen. C. Graafland, opgegroeid in Gouda en ‘een verstokte christelijk gereformeerde’ wilde Boer ook wel eens horen en raakte onder de bekoring. Hij herinnert een preek over Matth. 17:5 ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in Welke Ik Mijn welbehagen heb. Hoort Hem’, een preek die voor Graafland existentiële betekenis heeft gekregen, waarin het ‘hoort Hem’ onontkoombaar was. Soms was het zo druk in de kerk dat met het zingen van de middenzang er gewisseld moest worden; de mensen die tot dan toe hadden moeten staan, kregen dan een plaatsje om te zitten. Rondom de preekstoel moesten de kinderen zitten, die Boer dan ook wel eens aansprak om aan te dringen op vernieuwing van het hart.

Kritisch over de kerk
Boer was kritisch inzake de weg die de Ned.Herv.Kerk als geheel ging op weg naar de Nieuwe Kerkorde van 1951. Hij preekte eens in een tijd van kerkelijke discussie over Ps. 119:19 ‘Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg Uw geboden voor mij niet’. Dit geluid verstaat de wereld niet, ‘maar, wat erger is, dit geluid verstaat de verbasterde kerk van onze dagen ook niet meer’. Hier wordt ‘mystisch hemelverlangen’ afgewezen, daar roept men dat het gaat om het ‘Rijk’, inclusief ‘allerlei sociale hervormingen’, weer anderen zeggen ‘weg met de antithese’, geen christelijke gettovorming, ‘doorbraak op alle terrein’, ‘wij zoeken de nieuwe humaniteit’.

Vreemdelingschap
Ook de levensstijl van de christen (film, toneel, schouwburg, dans) is in het geding. ‘Wij zijn – zonder het te weten – puinruimers geworden van de christelijke zede en wij ruimen de resten van de zondagsviering op. Wij zijn straks dat bekende geslacht, dat van onze christelijkheid geen last meer heeft’. Het vreemdelingschap wordt gemist. Daaraan krijgt men deel ‘door een machtig werk Gods’. De tijd van Boer in Gouda werd, behalve door opbloei onder de prediking, gekenmerkt door ‘een diepgaand conflict’ tussen de hervormd-gereformeerden en de centrale kerkenraad. Het lag volgens Boer aan de visie op het vraagstuk der modaliteiten. ‘De eenheidsvisie, die men daar had, beantwoordde op geen enkele wijze aan de eenheid van het geloof, zoals de Bijbel die leert.

Over huwelijk en gezin
Direct na zijn komst in Gouda start Boer in het kerkblad een serie artikelen over huwelijk en gezin, die uitdijt tot een totaal van 51. Over dit thema zou hij ook later regelmatig publiceren. Het staat in de context van de ontwikkelingen direct na de Tweede Wereldoorlog: woningnood, die duizenden jonge mensen verhindert op een normale leeftijd te trouwen, het verblijf van velen in Indonesië, de voortgaande industrialisatie, die door het stelsel van dag- en nachtploegen de gezinsband doorbreekt en de overdracht van veel taken van het gezin aan de gemeenschap (zieken- en ouderenzorg). De echte oorzaak van de crisis waarin huwelijk en gezin zich bevinden ligt in de ontkerstening. ‘Wie niet door God wil geregeerd worden, wordt door de duivel geregeerd’.

Gezond gezin, gezond volk
‘In den beginne was er een bruiloft’ en de geschiedenis van het menselijk geslacht eindigt met een bruiloft. God beschikt de gezinsverbanden. ‘De Heere Jezus haalt het huwelijk weer onder de laag van farizese geboden en verboden uit’ door terug te grijpen naar het begin. Hij ‘schaft de scheidbrief af en verklaart het huwelijk als onontbindbaar’. Boer pleit voor huisgodsdienstoefening en huiscatechisatie. Mannen behoren priester te zijn in hun gezin. ‘De zogenaamde vrijmaking van de vrouw’ loopt uit op nieuwe slavernij. Verder dienen ‘de fonteinen des levens’ zuiver te worden gehouden. ‘Niet gij, maar Hij zal uw kindertal bepalen. Wanneer ergens de Heere regeert, dan hier’. Boer sluit af met een slagzin van de toenmalige KVP: ‘Gezond gezin, gezond volk!’

Lunteren
In 1954 overlijdt ‘mijn leermeester’, ds. I. Kievit te Baarn. Hij schrijft dat Kievit ‘voor mij en mijn gezin veel heeft betekend’. Gouda is de gemeente waar Boer van alle zeven gemeenten die hij heeft gediend het langst heeft gestaan, zeven jaar. In 1956 vertrekt Boer naar Lunteren. Hier werd hij bevestigd door ds. L. Kievit uit Woerden. Lunteren maakte een moeilijke periode door. Tegen de predikant die er bijna 25 jaar stond was veel verzet gerezen en er werd een stembusstrijd gevoerd. Die predikant was ds. J.H. van Schuppen, eerst ‘een zware bonder’ die zelf geen deel nam aan het avondmaal’, maar later, toen hij wel ging deelnemen aan het avondmaal, ging hij de hele gemeente pressen om het ook te doen en vervolgens ontwikkelde hij zich met zijn prediking in middenorthodoxe richting.

Geen ruimte voor confessionelen
Na 125 vacante weken kwam er in Lunteren eindelijk een nieuwe herder en leraar. Er ontwikkelde zich al spoedig een ‘minderheidsgroep’, confessionelen, ongeveer een derde deel van de gemeente. Ds. Boer wilde realistisch zijn en stelde voor te komen tot een situatie van drie predikantsplaatsen, twee bezet door hervormd-gereformeerden en één door een confessionele predikant. Uiteindelijk besloot de kerkenraad geen confessionele diensten toe te laten, omdat er bij hen zorg is dat het bij hen ‘te gemakkelijk gaat’, en dat de hoorder daardoor bedrogen wordt. Er kwam uiteindelijk een scheuring en er ontstond een confessionele ‘noodgemeente’.

Naar Huizen
Het eerste beroep dat Boer ontving, van Huizen, nam hij aan. Huizen kende hij van de tijd dat hij in Eemnes predikant was. Hij werd in juni 1960 bevestigd door ds. J.H. Cirkel, collega in Huizen. Hij doet intrede met Jes. 50:4,5 ‘De Heere HEERE heeft Mij een tong der geleerden gegeven…’ In Huizen telt de kaartenbak van zijn wijk 2866 leden, onder wie 496 potentiële catechisanten. De oorzaken van de ontkerstening acht hij gecompliceerd. ‘Maar een van de oorzaken is zeker, dat de predikanten veel te grote wijkgemeenten hadden en hebben’. Bij de gereformeerden bijvoorbeeld lag de bovengrens per predikantsplaats bij duizend. Maar het zijn toch voor een belangrijk deel papieren leden? Ja, maar die hebben de zorg meer dan nodig.

Midden in het moderne leven
Boer vindt dat er in Huizen een vijfde, misschien wel een zede predikantsplaats moet komen. Er komen in tien jaar tijd vijftienduizend mensen bij, terwijl de hervormde gemeente elfduizend zielen telt. Huizen zal uitgroeien tot 32.000 inwoners, en er zullen (slechts!) twee kerken gebouwd moeten worden. Het wordt de taak van de gemeente zich erop voor te bereiden ‘geheel midden in het moderne leven’ te komen staan. Er past geen krampachtige houding. En ‘ook in de oude Huizer bevolking is een bedenkelijke crisis ingetreden. Het huisbezoek leert dat sommigen reeds aan het versterven zijn’. Boer vertrouwt veel aan het papier toe. Het Huizer Kerkblad moet soms in groter omvang verschijnen om dat te kunnen bergen.

Witte mutsen verdwijnen
In Huizen dragen veel vrouwen nog klederdracht. In de kerk is het een zee van witte mutsen. Vrouwen die geen klederdracht dragen hebben in de plaats daarvan niet meer een zondagse hoed als vervanging genomen. Komt dit ter sprake, dan ziet Boer hier geen principe in (‘bij Paulus ligt dat niet zo simpel’). Hij houdt het op goede ‘stijl’, wat dan echter niet geldt voor jonge meisjes. In Huizen bestond de ‘kwade gewoonte’ dat ze alleen op zondagmorgen naar de kerk komen. Vooral de jonge gezinnen verzuimen de tweede dienst. In een kanselboodschap wordt dit aan de orde gesteld.

Genesis 1
In de bijbellezingen in Huizen hield Boer zich specifiek met het thema ‘de schepping’ bezig. ‘De bijbel geeft ons geen wetenschappelijke weergave van de feiten maar biedt ons het wereldbeeld van de aanschouwing, die de aarde laat zien als het middelpunt en brandpunt van Gods daden’. Geloofstaal is een andere taal dan de taal van de wetenschap. Wat Boer vooral bezig houdt zijn thema’s als ‘het spreken Gods, de schepping van de mens, het beeld Gods, man en vrouw, de zegen van de vruchtbaarheid, geboorteregeling, overbevolking, voedselpakket en het raadsel van Gods goede schepping’. Veelzeggend is dat hij vier preken wijdt aan Gen. 1:28a ‘En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde’.

Tragiek in de kerkgeschiedenis
In de tijd dat Boer predikant is in Huizen nemen landelijk zijn activiteiten toe. Sinds 1961 maakte hij deel uit van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in de Ned.Herv.Kerk, in 1966 nam hij de eindredactie van de Waarheidsvriend over van prof.dr. J. Severijn. In 1965 vertrekt Boer naar Katwijk aan Zee, nadat hij bedankt had voor een beroep naar Ede, waar grote onrust was door de schorsing van ds. G.M. van Dieren, die zich vanwege het synodebesluit om de vrouw tot de ambten toe te laten had ontrokken aan ambtelijke verplichtingen en door schorsing buiten de gemeenschap was gesteld. Boer schrijft: ‘Dat is de grote tragiek in de kerkgeschiedenis, dat mensen en groepen, die ijveren voor de heiligheid van de gemeente, de spanning en de tocht niet aankunnen en zich afzonderen van het geheel. Op deze wijze werken zij onbedoeld mee aan de verdere ontluistering van de gemeente Gods op aarde, omdat binnen één of twee generaties dezelfde vragen ook in die groepen weer aan de orde zijn’.

Katwijk aan Zee
Intussen diende zich zorg aan met betrekking van zijn gezondheid. Hij moest een operatie aan de hartkransslagader ondergaan. De operatie slaagde. Katwijk was vanouds een confessionele gemeente, waar Afscheiding en Doleantie nauwelijks voet aan de grond hadden gekregen. Boer kwam in de plaats van ds. W.L. Tukker, die als samenbindend figuur na een felle strijd tussen de modaliteiten in de plaats kwam van ds. P.P.J. Monster, die in 1952 zijn gemeente had meegedeeld dat hij anders zou gaan preken en dat hij zich tot de Gereformeerde Bondssignatuur aangetrokken voelde. Katwijk telt in Boers tijd zeven predikanten; dit aantal zou nog uitbreiden tot tien. Bonders en confessionelen worden gelijkelijk over de predikantsplaatsen verdeeld. Wel doen zich de eerste ritselingen voor van Het Gekrookte Riet, ‘geen modaliteit maar een krantje, net als De Telegraaf’, zei eens iemand.

Minderheidsrapport over verzoening
Boer wordt bevestigd door ds. Tukker, die kort tevoren naar Zwolle vertrokken was. In 1965 overlijdt Severijn en krijgt Boer het voorzitterschap van de Gereformeerde Bond toebedeeld. In die hoedanigheid stelt hij zaken aan de orde die de kerk als geheel raken. In 1966 geeft hij aandacht aan de verzoening, na de uitspraak van prof. P. Smits ‘Geef mijn portie maar aan Fikkie’. Boer komt ter synode met een minderheidsrapport over dit onderwerp, A.A. van Ruler valt hem bij.

God moet bloed zien?
Boer hield zich uitvoerig bezig met het thema de verzoening. Prof.dr. G. Quispel stelde dat de Reformatie niet radicaal genoeg met Rome gebroken had en ook had moeten breken met Augustinus’ uitverkiezingsleer en met Anselmus’ verzoeningsleer. Met een verwijzing naar een uitdrukking uit oud-gereformeerde kring ‘God moet bloed zien’ verwierp hij de hele voldoening aan Gods toorn. ‘Waar in het Nieuwe Testament wordt gesproken van Gods toorn bij het kruis?’

Spreekwijze ontlenen aan de Schrift
‘God moet bloed zien’? Boer zegt dat nooit. ‘Wel staat er: ‘Als Ik het bloed aan de posten zie, zal Ik voorbij gaan’ en ‘zonder bloedstorting geen vergeving’. Het ‘moeten’ van Christus is hierin alleen maar een te aanbidden mysterie. En als de dood een straf is op de zonde, is de dood van Christus een straf van God. Boer vindt wel dat predikanten hun spreekwijzen wat meer aan de Heilige Schrift moeten ontlenen. Ds. I. Kievit ‘verruimde’ zich steeds meer daarin dat hij zijn uitdrukkingsvormen nauwkeurig toetste aan de Bijbel.

Vrouw in het ambt
Als de synode het besluit neemt de vrouw ook tot het predikambt toe te laten, reageert Boer uiterst kritisch op het feit dat dit gebeurd is zonder dat een rapport van Van Ruler over het ambt ooit is uitgebracht. Dit rapport was gesneuveld omdat het kennelijk te weinig ruimte bood om de vrouw tot de ambten toe te laten. Boer schrijft naar aanleiding hiervan: ‘Maar wanneer wij verslagen thuis komen, blijft – God zij gedankt – de deernis met de kerk overheersen en het medelijden met hen, die zelf dwalen en anderen doen dwalen.

Samen met W. Aalders
Op 31 oktober 1967 verschijnt een Open Brief van dr. W. Aalders e.a., ‘de 24’, onder wie ook Boer, gericht tegen de apostolaatstheologie van die tijd. C.G. van Niftrik zei hierover: ‘Een snertbrief, de ondertekenaars moeten op hun kop hebben’. J.J. Buskes: ‘Wat de inhoud betreft soms voor 99% mee eens, maar voor 100% oneens met de ondertekenaars’. M. Groenenberg: ‘Een vreemd gezelschap van mensen, die niet eens voor elkander preken’. Boer zou trouwens Aalders een keer voor hem laten preken. Naast Boer en Aalders waren onder andere de ondertekenaars: L. Kievit, L.J. Geluk, W. Glashouwer en K.H.E. Gravemeijer (de initiatiefnemer).

Naïef-optimisme
Het thema ‘Kerk en Wereld’ heeft sinds de jaren veertig alles overheerst. De kerk wil apostolair zijn, maar zonder levende gemeente is ze gedoemd te verdorren. Mag het apostolaat bijbels gezien die naam wel dragen? Het boekje van de Engelse bisschop John A.T. Robinson, hogelijk geprezen door de theologen van het apostolaat, moge representatief heten voor de wijze waarop in zendings- en apostolaatkringen over de verhouding van kerk en wereld wordt gedacht: een ‘naïef-optimistische instelling tegenover de huidige, volstrekt geseculariseerde wereld als vrucht van het moderne denken’. Deze ontwikkeling is de schuld van de middenorthodoxie, de brede stroming in de kerk die een vermenging is van ‘confessionalisme, barthianisme en vrijzinnigheid’. De liefde van God is ‘een boventijdelijke waarheid, een heilige vanzelfsprekendheid’ geworden.

Vervlakt, verdoezeld en geëlimineerd
‘Woorden als zonde, schuld, duisternis, oordeel, verlorenheid, ondergang, die in de bijbelse prediking een centrale plaats innemen, zijn hier vervlakt, verdoezeld of zelfs geheel geëlimineerd. Daarentegen worden de moderne mens, het moderne denken, de moderne natuurwetenschap, de moderne techniek, en het daardoor ontstane geseculariseerde wereldbeeld niet alleen voluit serieus genomen, maar zelfs positief, ja christelijk gewaardeerd’. Kerkelijke leiders worden zo ‘bastaarden van hun eigen traditie’. In hun ‘superieure hooghartigheid’ brandmerken zij het geloof der gemeente als ‘fundamentalistisch, piëtisch, achterlijk, romantisch, niet modern’.

Er moet door ons gestudeerd worden
Het ‘vernieuwde apostolaat’ wordt zichtbaar in ‘vervlakt oecumenisme’, in samenwerking met humanisme en marxisme, in de benadering van de wereldgodsdiensten, uitgaande van ‘alverzoening’. ‘De positieve waardering van de saecularisatie is een aanzien van de duivel voor een engel des lichts. Het is àxb2f naïef àxb2f boosaardig, maar het is allebei even erg’. Aalders, de opsteller van de brief, zegt dat men toe is aan een periode van retraite: ‘Er is door Berkouwer, Barth en Kuitert zo veel materiaal gekomen tegen de reformatorische leer van zonde en genade. Er moet door ons gestudeerd worden’.

Buskes en Van Niftrik kritisch
Op de brief komt een golf van reacties in de pers. J.J. Buskes gaf aan ook bezwaar te hebben tegen allerlei ontwikkelingen in de Ned.Herv.Kerk. Maar in de Open Brief speurt hij de sfeer van ‘Kein Anderes Evangelium’ in Duitsland. De toon van de brief is hem te antithetisch. ‘Ik zou daar nooit aan mee kunnen doen’. Prof.dr. G.C. van Niftrik zegt: ‘Wat ze zeggen is waar. Maar de essentie van de brief, dat de theologie steeds verder van de kerk af raakt, kan ik helemaal accoord gaan. Jammer alleen, dat het op zo’n kreterige van-dik-hout-zaagt-men-planken-manier gezegd is’.

Van Niftrik bezint zich: het Getuigenis van 1971
Waar de bezinning in de kring van ‘de 24’ een einde neemt, duikt van geheel ander zijde een Getuigenis op. Het is opgesteld door Van Niftrik na een gesprek met Van Ruler, die met spijt had geconstateerd dat de verontrusting die Van Niftrik tijdens het gesprek had geuit niet op de band was opgenomen. Van Niftrik gaf aan Aalders toe dat die eerder de verontrustende ontwikkelingen had gezien dan hij. Er kwam nu een Getuigenis (oktober 1971), ondertekend door Aalders, Van Niftrik, Jonker, Van der Graaf en de vrouw van de plotseling overleden Van Ruler. Het was een protest tegen de vigerende marxistische, maatschappijkritische, messiaanse theologie en het wilde een bemoediging zijn voor de gemeente van Jezus Christus.

Beheerskwestie
In de Katwijkse jaren schrijft Boer in de Waarheidsvriend over de beheerskwestie. Boer had bij de invoering van de Nieuwe Kerkorde gepleit voor handhaving van ‘vrij beheer’. Prof.dr. J. Severijn had er steeds voor geijverd dat de kerkvoogdijen ‘zich niet zouden aanpassen aan de nieuwe kerkorde en de ouderling-kerkvoogd niet zouden aanvaarden’. Boer is bevreesd dat ‘de laatste resten van de plaatselijke zelfstandigheid ook in het beheer (en het zijn nog vele gemeenten) moeten worden weggeruimd voor centralisatie’. Wel zegt Boer dat de organisatorische onderscheiding tussen kerkenraad en kerkvoogdij ‘niet een bijbelse maar een historische’ is. En hij beseft ook dat zelfstandigheid van de kerkvoogdij niet altijd een vruchtbaar contact met de kerkenraad insluit.

De doorbraak van de ongerechtigheid gaat voort
In 1968 wordt, zonder behandeling in de synode, gepleit voor vrije verkrijgbaarstelling van anticonceptiva voor minderjaren vanaf zestien jaar. Hierdoor wordt de kerk, zegt Boer, opnieuw in diskrediet gebracht. Hoewel achter dit voorstel wel de gedachte zal zitten dat jonge meisjes, ‘ten gevolge van een los leven’, voor ongewenste zwangerschappen en eventueel voor een ongehuwd moederschap worden behoed, zal in de praktijk blijken dat ‘de doorbraak van de ongerechtigheid voortgaat’.

Ds. Poort over gezinsvorming
Ds. J.J. Poort hield in 1968 een rede over ‘Man en vrouw in bijbels perspectief’, voor de Protestantse Stichting ter bevordering van Verantwoorde Gezinsvorming. Het deed veel stof opwaaien, met name waar Poort kwam te spreken over het gebruik van ‘de pil’. Niet de pil op zich was goed of slecht maar het gebruik ervan. ‘Zoals elk middel kan ook dit zowel tot een verzoeking tot zonde zijn als tot een reden voor dankbaarheid (…) De 38-jarige moeder van tien kinderen zal de hemel danken door dit middel haar liefdeleven voort te kunnen zetten met haar man zonder dat de financiën, haar gezondheid en het gezinsleven door een elfde kind volledig ontwricht gaan worden (…) De liefde is vindingrijk; vindt middelen!’

Boer is kritisch
Ten gevolge van deze uitspraken was Poort van de sprekerslijst van de SGP afgevoerd, terwijl ook een aantal plaatselijke afdelingen van de Gereformeerde Bond de afspraken voor een lezing ongedaan maakte. Ook Boer reageerde in de Waarheidsvriend kritisch op Poort. Boer vindt dat Poort het vraagstuk heeft benaderd vanuit ‘het aardse welzijn van het kind’ en bemerkt weinig van ‘het geheiligd verstand’. Boer zegt dat een christen ‘zijn verstand heeft te gebruiken’ en dat er inderdaad veel ‘huwelijksfatalisme’ is, waardoor vrouwen onnoemelijk veel hebben geleden. ‘Calvijn spreekt in dit verband van mannen, die gedurige overspelers zijn van hun vrouwen’.

Knoeien aan de fonteinen van het leven
Boer vindt dat de pil slechts ‘een nieuwe Venus-cultuur’ dient. Hij valt Klaas Schilder bij, die sprak over ‘knoeien aan de fonteinen van het leven’. Hij keert zich hier tegen ‘de rangorde en volgorde’ die steeds meer wordt aangebracht inzake ‘de éénwording van man en vrouw boven het ontvangen van kinderen’. Hij spreekt liever over ‘twee bepalende momenten, die ieder om de voorrang strijden’, als ‘gelijkwaardige momenten’. Boer beziet de kwestie van de geboorteregeling dus ‘met grote reserve’. Hier zien we een man (en achter hem een groep) die verontrust is over veel moderne ontwikkelingen.

Hulp van God verkregen
Toen later op een zendingsdag van de GZB in Driebergen Poort zou spreken, zei Boer sputterend: ‘Hoe hebben ze die man kunnen vragen’. Toen Poort zijn toespraak gehouden had, reageerde Boer spontaan: ‘Daar val ik voor!’ In 1968 viert Boer zijn 25-jarig ambtsjubileum, ‘vermoedelijk het enige dat ik zal kunnen vieren’, zegt Boer zelf. Hij preekte bij deze gelegenheid over de tekst uit Hand. 26:22 en 23 ‘Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag…’ In 1969 verwisselde Boer Katwijk aan Zee voor Zoetermeer, waar hij tot zijn vervroegde emeritaat in 1972 zou blijven. Al spoedig moest hij op doktersadvies voor het voorzitterschap van de Gereformeerde Bond bedanken. In 1970 wordt zijn zoon G. Boer jr. bevestigd tot zendingspredikant, waarna hij vertrekt naar Ambon.

Zoetermeer
In Zoetermeer wordt een evangelist aangesteld (C. Blenk, toen nog geschiedenisleraar, later predikant). Deze ging op bezoek bij mensen die al jaren niet meer in de kerk kwamen. Er kwam een opschoning in het ledenbestand: 58 procent liet zich uitschrijven, terwijl 19 procent wel lid wilde blijven maar liever niet meer ‘lastig gevallen’ wilde worden. De overige 23 procent was of meelevend of bleek hernieuwd contact met de kerk op prijs te stellen. Boer had het moeilijk in de centrale kerkenraad van Zoetermeer. Soms zat hij op zulke vergaderingen in de asbak een vuurtje te stoken.

Overlijden
Aan Boers actieve predikantschap kwam voortijdig een einde, toen hij twee jaar na zijn intrede om gezondheidsredenen met vervroegd emeritaat moest. Hij preekte echter geen afscheid, omdat hij voorlopig nog voor twee dagen per week als bijstand in het pastoraat aan de gemeente verbonden bleef. Hij mocht het genoegen niet meer smaken mee te beleven dat de vacature vervuld werd. Boer overleed in de vroege morgen van 17 januari 1973 plotseling, aan een hartkwaal. Het was zijn wens om in Zoetermeer ‘te midden van zijn mensen’ en niet in zijn geboorteplaats Bodegraven begraven te worden. Ds. J.H. Cirkel leidde de begrafenisdienst.

Hoop op God, want ik zal Hem nog loven
‘Naar de laatste wilsbeschikking’ van Boer werden in de dienst gezongen de Psalmen 42:1 (’t Hijgend hert, der jacht ontkomen), 5 (Maar de HEER’ zal uitkomst geven) en 7 (O mijn ziel, wat buigt g’ u neder), 25:1 (‘k Hef mijn ziel, o God der goden), 6 (Wie heeft lust de HEER’ te vrezen) en 7 (Gods verborgen omgang vinden) en 68:10 (Geloofd zij God met diepst ontzag). Op de rouwkaart staan de woorden van Ps. 42:12b vermeld: ‘Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God’. Bij de groeve spreekt ds. J. van Sliedregt. ‘Het graf is ontgrendeld en open naar boven’, zegt hij. Hij typeert Boer als ‘een profeet Gods’. Van Sliedregt zou in datzelfde jaar, op 17 oktober, overlijden als gevolg van een ongeval, eveneens op de leeftijd van 59 jaar.

Het jaar 1951
Voor ds. Boer is het jaar 1951 van beslissende betekenis voor een deel van zijn ambtelijk werk. In dat jaar wordt hij namelijk gekozen tot lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Hij stond op tweetal met ds. W.L. Tukker die een jaar later ook in het bestuur werd gekozen en na hem de voorzittershamer zou gaan hanteren. In kerkelijk opzicht was 1951 een cruciaal jaar: de nieuwe kerkorde trad op 1 mei van dat jaar in werking. De kerk zou Christus-belijdende volkskerk zijn, die zou weren al wat haar belijden weersprak.

De ouderling-kerkvoogd
In hervormd-gereformeerde kring leefde sterk bezwaren tegen met name twee artikelen in de kerkorde. ‘Gemeenschap met de belijdenis’ betekende geen binding, dan had de formulering ‘in overeenstemming met de belijdenis’ moeten zijn gebezigd. En het artikel over het apostolaat had moeten volgen op het artikel aangaande het belijden: de kerk moet eerst uitspreken wat ze belijdt om vervolgens met die belijdenis in de wereld te staan. Er leefden ook bezwaren tegen de figuur van ouderling-kerkvoogd. ‘Mijns inziens is hier tekort gedaan aan het wezen van het ambt, dat een figuur als nu in de ouderling-kerkvoogd is geschapen, niet gedoogt’, aldus Boer.

Zij die bleven
Waarom zijn gereformeerden in de Ned.Herv.Kerk gebleven, in weerwil van de beschuldiging van ontrouw van de zijde van de afgescheidenen en dolerenden? De grondfout in de waardering van laatstgenoemden is dat ze geen onderscheid maken ‘tussen het wezen der Kerk naar art. 27 NGB en de synodale stolp, die haar wederrechtelijk was opgedrongen’. ‘Zij die bleven’ hebben die stolp ‘al zuchtend en biddend als een oordeel Gods verdragen’. De geschiedenis van ‘ons blijven’ was een geschiedenis van zonde en schuld, maar dat houdt niet in dat het blijven als zodanig zonde was.

Van Woelderink tot Kievit
De hervormd-gereformeerden bleven divers, met de theologie van ds. I. Kievit en ds. J.G. Woelderink als exponenten. Kievit schreef aan het einde van zijn leven meer en meer begrip te hebben voor de visie van Hoedemaker. En later zou Boer ook waarderend gaan spreken over de intenties van Hoedemaker. ‘Van Hoedemaker kan men leren dat de kerk nog kerk kan blijven, ook al gaat zij schuil onder allerhande ongerechtigheid’. Tussen Woelderink en ‘de bond’ kwam het echter niet meer helemaal goed. In 1946 bedankte hij als lid. Boer en Tukker waren toen de opposanten van Woelderink en schreven een gezamenlijk artikel in de Waarheidsvriend. Ze wezen resoluut de beschuldiging van de hand dat de Gereformeerde Bond een hang zou hebben naar de oud-gereformeerde gemeenten – gedoeld werd op een afscheiding in IJsselmuiden en Oldebroek – en dat er door de Gereformeerde Bond geen leiding zou zijn gegeven.

De crisis der Middenorthodoxie
Boer voerde in 1956 een discussie met H. Berkhof, die het boek De crisis der Middenorthodoxie had geschreven, waarin hij zei dat in de middenorthodoxie ‘de aanklagende functie van de Wet tekort komt’. Men was in de middenorthodoxie voor niets zo bang als voor ‘wettisch’ of ‘moralistisch’ te worden aangezien. ‘Een ander symptoom van onze Wetsschuwheid is het feit, dat wij de laatste brokken christelijke levensstijl in onze gemeenten (op het gebied van zondagsheiliging, gezinsgewoonten, vermaak, enzovoorts) als “wettisch” aan de kaak stellen, zonder in staat te zijn er nieuwe en betere levensvormen voor in de plaats te stellen’.

Terug naar de belijdenis een vlucht?
Dat Boer en Berkhof met elkaar in gesprek kwamen had vooral te maken het feit dat Berkhof, terwijl ‘de bond’ voor velen in de middenorthodoxie buiten beeld lag, deze uiterst serieus nam. Het belijdenisstandpunt van de bond acht Berkhof steriel. ‘Terug naar de belijdenis’ is in vele gevallen ‘een vlucht’. Berkhof noemt de aandacht voor bevinding bijbels, dogmatisch juist, katholiek en oecumenisch en modern. Berkhof citeert I. Kievit, die zei dat ‘de objectieve onderwerpelijkheid’ het ergste is wat er zijn kan in de prediking. De confessionelen zijn in dit opzicht vervlakt. De woordenwisseling tussen Boer en Berkhof gaan over en weer tussen Woord en Dienst en de Waarheidsvriend. Het hier gevoerde gesprek is wel als het beste modaliteitengesprek na 1951 aangemerkt.

Graaflands steen in de vijver
Op het door Graafland geschreven Verschuivingen in de Gereformeerde Bondsprediking (1965) reageerde Boer kritisch. In dit boek zei Graafland: ‘Onze plaats in de Hervormde Kerk is niet meer zo duidelijk als hij lange tijd is geweest (…) De naoorlogse ontwikkeling heeft ook ons denken op drift geslagen (…) Deze isolementshouding doemde ons beginsel tot onvruchtbaarheid’. Verschuivingen signaleert hij (theologisch) inzake de Schriftbeschouwing (Genesis 1 wordt bijvoorbeeld niet meer geheel letterlijk genomen), maar ook het werk van de Heilige Geest (‘wordt onder ons opnieuw getoetst aan Schrift en Belijdenis’). Men keert van een beklemtonen van de Nadere Reformatie terug tot een nieuwe waardering van de Reformatie, met name de theologie van Calvijn. Vooral Kohlbrugge was degene geweest ‘die ons van het systeem verloste’. ‘De oude Gereformeerde-Bondspreken dragen een Kuyperiaans stempel. De meeste jongere reken dragen een Kohlbruggiaans stempel’. Boer gaat op dit alles dus kritisch in.

Linkse bonders
Er ontstaat een groep ‘linkse’ Gereformeerde Bondspredikanten die inderdaad veranderingen wil, waarvan opvallend genoeg ook hoofdbestuurslid van de Gereformeerde Bond ds. L. Kievit deel van uit maakte. Enkele anderen zijn ds. W. Balke (Bodegraven), prof.dr. H. Jonker (Utrecht), prof.dr. S. van der Linde (Utrecht), ds. A. Noordegraaf (Oldebroek), ds. A. Romein (Wezep) en ds. M.J.G. van der Velden (Renkum). In een gesprek tussen de ‘contactgroep’ en ds. Tukker zei laatstgenoemde: ‘Wie dit (nl. de gereformeerde traditie waar de bond voor staat) te smal vindt, gaat een deur verder, die entree verleent bij de confessionelen’. Graafland wilde naar een bredere traditie dan het piëtisme van de Nadere Reformatie en de Dordtse Synode, waardoor het gereformeerde bondsklimaat volgens hem te veel werd beheerst. Liturgisch wil Graafland breder dan Dordt, namelijk naar ‘Straatsburg’, met de liturgie van Calvijn. En wat de Nadere Reformatie betreft heeft hij een hoge achting voor de oude schrijvers, maar hun denkkader is nu niet meer aan de orde. Graafland wil graag gereformeerd theoloog blijven, ‘maar binnen een grotere ruimte als binnen de Gereformeerde Bond officieus wordt toegestaan’.

Kritiek op Dordt
Boer bespeurt bij Graafland kritiek op Dordt, al spreekt deze zich daar niet zo expliciet over uit. De geschiedenis leert dat kritiek op Dordt bijna altijd uitloopt op kritiek op de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus. Kohlbrugge is een uitzondering. Ook die heeft zich een keer kritisch over Dordt uitgelaten. ‘Bij hem zien we een wachthouding bij de rechtvaardiging van de goddeloze’. Maar verder ging hij niet. De vraag is niet of er niet veel meer is dan in Dordt aan de orde kwam, ‘maar of het waar is wat Dordt geleerd heeft’. De tijd na Dordt mag dan wel verkeerde ontwikkelingen hebben gekend, we zijn aan het piëtisme wel dank verschuldigd dat ze het geestelijke leven bewaard heeft.

Graafland blijft staande
De ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken vervullen Boer met zorg. Hoewel vanuit die kerken ‘wezenlijke vragen’ worden gesteld, gaan die vragen gepaard ‘met een algemeen erkende inzinking in het geloof en met een verandering van de functie van de belijdenis. Wanneer Graafland ‘snakt naar meer ruimte’, dan kan hij zich de moeite besparen, al hebben we ‘elkanders liggingen te verdragen en nog veel meer’. Toen Graafland in 1968 een beroep aannam naar Amsterdam, was Boer van oordeel dat hij nu ‘verloren’ was. Toen hij echter in de Amsterdamse context nochtans staande bleef, was hij verrast.

Ik sta voor de bond
Graafland vond dat er bij Boer in die tijd een verstrakking plaatsvond, omdat hij zich vereenzelvigde met de Gereformeerde Bond. ‘Ik sta voor de bond’, zei hij eens. Er was bij Boer enerzijds het profetische, anderzijds het rechtlijnige, aldus Graafland. Hij bezigde krachtige bewoordingen en sloot ook aan bij mensen die zich in zulke bewoordingen uitte. Dat verklaart volgens Graafland ook zijn latere relatie tot dr. W. Aalders. Zijn kritische recensie van Graaflands boek kwam Boer op een Open Brief van 35 predikanten uit de Contactgroep (dit keer geen L. Kievit) te staan, die het niet eens waren met zijn artikelen tegen Graafland. Omdat het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond niet welwillend tegenover deze groep stond, ging deze ‘rebellenclub’ verder ‘ondergronds’, zo zei Graafland. Sommigen uit de Contactgroep gingen spreken over ‘gereformeerd-hervormden’ in plaats van ‘hervormd-gereformeerden’, hetgeen Boer bekritiseerde omdat hij het woord hervormd (1816) ‘geen onschuldige keus’ vond.

Nieuwe psalmberijming
Als de nieuwe psalmberijming er komt, zeggen hoofdbestuursleden van de bond H. Bout en K. Exalto dat hiervan ‘geen sjibboleth’ gemaakt mag worden, en geven aan dat dit ook de mening is van ds. Boer. L. Kievit liet in Leiden wel, ‘in Gouda nog niet’ uit de nieuwe berijming zingen. De Gereformeerde Bond heeft wel kritiek op de berijming. Ze is niet van ‘theologische eenzijdigheden’ vrij te pleiten, ze heeft ‘te weinig messiaanse visie’ en ‘te weinig oog voor het eschatologische element in de psalmen’. De hoop wordt uitgesproken dat de berijming niet officieel zal worden ingevoerd. Mocht dat wel het geval zijn, dan verdient het aanbeveling om bij de uitgave van de nieuwe ook de tekst van de oude berijming te doen opnemen, omdat deze voor het geestelijk leven van grote betekenis is geweest.

L. Kievit en Boer
Ds. L. Kievit stelt zich in 1967 niet meer herkiesbaar als lid van het hoofdbestuur. Als argument is gehanteerd dat dit om gezondheidsredenen was. Hoewel die ook zeker een rol speelden, was er toch ook sprake van discrepantie ten aanzien van het te voeren beleid met Boer. ‘Willen wij goede vrienden blijven, dan moet ik uit het bestuur gaan’, zei Kievit. Het was een publiek geheim dat de predikanten Boer en Kievit elkaar niet lagen. Kievit was de man van de meditatie, Boer van de polemiek.

Christelijke dagbladen
Aan het eind van de jaren zestig gaat het ook rommelen aan het dagbladfront. In 1968 wordt de Reformatorisch Christelijke Persstichting ‘Koers’ opgericht, met J.H. Velema en A. Vroegindeweij als vooraanstaande predikanten. Boer ontbreekt op de lijst. Nog in hetzelfde jaar wordt opgericht de Stichting Reformatorische Publicatie, met B. Haverkamp als lid. ‘Waarom niet samen?’ vraagt Boer. Er is verschil in visie op artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, het gebruik van de Statenvertaling, het al of niet verslaan van radio- en televisieprogramma’s en sportberichten. Als ergens het kerkelijke vraagstuk schrijnt, dan is het hier, zegt Boer.

Trouw is ontrouw
Kort voor zijn overlijden geeft Boer nog een krachtig signaal af met betrekking tot de media. In een geladen ingezonden brief in de Waarheidsvriend maakt hij kenbaar afscheid te nemen van het dagblad Trouw, wegens het verlies van de identiteit en het vervagen van het principieel karakter. Boer preludeert op het aan de gang zijnde Samen op Weg-proces. ‘De vereniging van instituten of de hereniging van kerken of de stichting van een nieuwe kerk (…) is zonder meer (vet van Boer zelf) geen oplossing. De kerkgeschiedenis geeft vele voorbeelden van scheuringen, weinige van hereniging. Als het Contact Orgaan van de Gereformeerde Gezindte wordt opgericht (1964), houdt Boer een lezing.

Gewoon de Bijbel
Toen Boer aftrad als voorzitter van de Gereformeerde Bond werd ir. J. van der Graaf eindredacteur van de Waarheidsvriend en ds. W.L. Tukker voorzitter. ‘De Bijbel, gewoon de Bijbel, is het kompas geweest voor ds. Boer’, schrijft Tukker ten afscheid en hij typeerde hem na zijn overlijden als ‘een man Gods onder ons’. Graafland schreef een in memoriam in het Reformatorisch Dagblad, onder de kop ‘Genade-gave geheim van profetische inspiratie’. De plaats die Boer in de kerk had ingenomen ‘is doorgaans een kritische geweest’, diep verontrust als hij was over de koers van de kerk in de naoorlogse jaren.

Niet eng kerkelijk
Zijn leidinggeven in de kerk heeft hij ervaren als een staan voor het aangezicht van God. Het ging hem volgens Graafland om leven en dood van de christelijke gemeente. Die geladenheid en absoluutheid kwamen ook tot uitdrukking in zijn prediking, waarmee hij velen tot een eeuwige zegen is geweest. Hier was sprake van een charisma, een genadegave, waarmee hij ook aankomende predikers jaloers heeft gemaakt. Ds. A. Vergunst van de Gereformeerde Gemeenten schreef dat Boer ook buiten de bond ‘diep respect’ genoot. Ook hij bezigde het woord profetisch. Zijn toespraken hadden ‘iets stuwends, en tegelijkertijd ook iets bemoedigends en vertroostends’. Hij dacht niet ‘eng kerkelijk’.

Gods volk hoor je daar niet zo over
Toen een student Boer vroeg naar wat Kohlbrugge ooit zei, namelijk dat hij op Golgotha was bekeerd zei Boer dat je dat niet kon losmaken van Kohlbrugges worsteling. Boer wilde dus elke objectivering van de hand wijzen. Leerde Boer, als leerling van ds. I. Kievit, een ‘vierschaarbeleving’? C. Blenk zegt: ‘Zeker niet schematisch.’ Gods werk in ons is wel ‘kenmerkend’, maar mag niet leiden tot ‘kenmerken-prediking’. De kinderdoop stond bij hem hoog, vanwege het verbond. Op een tegenwerping ‘Gods volk hoor je daar niet zo over’, zei hij in een preek: ‘Dan heb je ze nog niet allemaal gesproken’.

W. Balke over I. Kievit
De vraag hoe Boer, met name in zijn visie op de rechtvaardiging, wedergeboorte en zekerheid des geloofs, stond in de traditie van zijn leermeester I. Kievit blijft intrigeren. Expliciet heeft hij daar nooit over gepubliceerd. Volgens W. Balke ging het Kievit om de zekerheid des geloofs ‘alleen op grond van de bewuste rechtvaardiging als goddeloze, en vandaaruit het hele wijde en schone veld der heiligmaking’. Bij Kievit beheerste de exegese de dogmatiek, waarbij hij ook de nieuwere exegese van onder andere Kittel, Cullmann en Sevenster vruchtbaar maakte. Woelderink en de Gereformeerde Kerken zijn hem te oppervlakkig wanneer gesteld wordt dat het gaat om een zich toevertrouwen aan Gods beloften, want ‘die beloften worden juist in hun vervuld-zijn in Christus in het geloofsleven gerealiseerd door de Heilige Geest’.

Nulpunt
Kievit leerde dat de Geest der wedergeboorte stuwt naar de rechtvaardiging, en zonder rechtvaardiging is er geen heiliging. Het is ‘de wondeplek’ in veler geestelijk leven dat men zich niet bewust is van de rechtvaardiging en dat de heiliging zich dan ook niet voltrekt ‘in de vrijheid der kinderen Gods’ maar ‘benauwd en ingeklemd tussen onzekerheden’ blijft. Kievit zei: ‘Wij moeten steeds weer van eigen levenswortel afgesneden worden, totdat er niets meer overblijft dan een goddeloze, het nulpunt’. ‘Of dit een proces is, korter of langer? (…) Heeft de gelijkenis van 30-, 60- en 100-voud iets te zeggen?’

J. van Sliedregt als geestelijke zoon van I. Kievit
Ds. J. van Sliedregt wierp zich op als ‘de eigenlijke geestelijke zoon en de juiste interpreet’ van I. Kievit, waarbij er van spanning tussen hem en L. Kievit sprake was, aldus Balke. Hoewel ook Boer een volgeling van Kievit was, stond hij ‘toch daarin anders dan Van Sliedregt’. Tussen Boer en Van Sliedregt waren markante verschillen. Bij Van Sliedregt ging het in zijn prediking inderdaad ook om wat de vierschaarbeleving in de consciëntie heet, een element uit de theologie van Kievit. Een keer vroeg iemand aan L. Kievit hoe het nu zat met die vierschaarbeleving bij vader Kievit. ‘Ik kan er geen bijbelse grond voor vinden’, gaf Kievit jr. ten antwoord.

Geen verplichte beleving
Later besefte Van Sliedregt dat een mogelijke beleving geen verplichte beleving voor ieder behoeft te zijn. In Huizen, waar Van Sliedregt ooit predikant was, heeft hij later, in een doordeweekse bijbellezing er afstand van genomen. Hij had de ruif te hoog gehangen. Boer heeft de vierschaarbeleving nooit gepreekt. Boer kwam regelmatig bij Kievit maar was intussen zelfstandig genoeg om ook theologische zijn eigen weg te gaan.

Boers prediking
Waar lag het geheim van Boers prediking? In de aparte woordkeus, die nooit iets afgesletens of geijkts had, die nooit in bepaalde termen bleef steken? Het geheim lag vooral daarin, dat zijn prediking betoning des Geestes en van kracht was. Zijn prediking was voluit trinitarisch en daarin christocentrisch. Hij was theoloog van Woord en Geest. Hij daagde de gemeente voor de rechterstoel van Christus, maar richtte eveneens het kruis van Christus hoog op in de prediking. Niemand kreeg gelegenheid om zijn prediking vrijblijvend aan te horen. ‘Hij zette niemand op een rustbankje.’

Rechtvaardiging van de goddeloze
Wanneer hij sprak over God, dan was er in zijn spreken een diepe eerbied. Hij sprak dan vaak over de Heere der heerscharen. Er valt de jaren door geen knik in zijn preken te ontdekken, hoogstens een verbreding en verdieping. Wel was er een groei (vanuit Kohlbrugge) in de prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze, een groei, die nog een extra verdieping betekende, omdat hij daarmee nog radicaler dan hij altijd al deed al wat in de mens was, hetzij goddeloze of vrome eigengerechtigheid, afsnoeide en uitrukte.

De bond mag sterven, maar de kerk zal leven
Boer stelde ontwikkelingen in eigen kring onder kritiek. Van hem is de uitspraak: ‘De bond mag sterven, maar de kerk zal leven’. Met name in later tijd viel zijn somberheid op. De laatste jaren van zijn leven had Boer met ingrijpende gezondheidsproblemen te maken en werd hij al vroeg uitgeschakeld. Dit viel hem zwaar. Hij gaf leiding aan de Gereformeerde Bond in een tijd met onverkwikkelijkheden in eigen kring. Balke vindt dat Boer als voorzitter van de bond niet in staat was goed leiding te geven. Hij was te impulsief, te angstig en volgde een te smal spoor. Terwijl hij de bond bijeen wilde houden, heeft hij dat juist niet bevorderd. De vraag is of het juist is wat Balke zegt. Binnen de Bond hebben zich al vanaf het bestaan twee sporen ontwikkeld. Afgezien van verschillen in accenten, karakter en aanpak zette Boer grosso modo de lijn van Severijn voort.

De vrije val van de Gereformeerde Kerken
Nam Boer te scherp positie tegen de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken? Feit is dat Graafland in die dagen de Gereformeerde Bond nog uitdaagde om een voorbeeld te nemen aan de wijze waarop binnen de GKN de vragen van de tijd onder ogen werden gezien. Later ging Graafland zelf spreken over ‘de vrije val’ van dat kerkverband, waarin hervormden toch niet zouden mogen worden meegenomen. Men kan zich afvragen of er altijd wel op de juiste wijze is gecommuniceerd. Vooral de gedachtewisseling met Graafland was scherp. Boer was primair reagerend, Graafland uitdagend. Nochtans bleef Graafland aan Boer verbonden, met name vanwege de prediking. Graafland voerde ook het woord bij de begrafenis van Boer. Ook is er even enige verwijdering geweest tussen Boer en L. Kievit. Toch bleef ook tussen hen de verbondenheid.

Overige
– Boer had een diepe band met zijn moeder. In de oorlogsperiode schreef moeder Boer wekelijks een brief naar hem.
– Op de preekstoel was hij geen ander mens dan thuis.
– Wat betreft zijn kinderen: zijn dochters hebben nooit een hoedje gedragen, aanvankelijk wel een baret. Een lange broek was geen punt. Twee keer per zondag naar de kerk was gewoon. Vooral de zondagavond was ontspannen, dan was de spanning van het preken voorbij.
– Toen prof.dr. J. Severijn van het proefschrift van H.M. Kuitert had voorspeld dat daarin het einde van de theologie in de Gereformeerde Kerken was aangebroken, vond Boer (nog) van niet.
– Boer ontwikkelde zich later theologisch meer en meer van de oude schrijvers naar Kohlbrugge.
– In Putten werd aan een organiste gevraagd om voor en na de diensten geen gezangen meer te spelen: ‘Hierin schuilt een gevaar’.
– In Putten kwamen sommige vrouwen ‘met ongedekten hoofde’ naar de kerk. Maar van ‘een verbod Gods’ inzake het ‘blootshoofd’ naar de kerk komen is geen sprake, maar dit heeft meer te maken met de christelijke zede.
– In december 1946 wordt besloten een kanselboodschap van de synode (over de volksnood na de ontwrichting in de oorlog waarin leiders werden opgewekt doeltreffende maatregelen te nemen) niet voor te lezen, omdat men van oordeel is, dat ‘de kerk zich te veel gaat inlaten op terreinen, die niet de hare zijn’.
– De generale synode liet in 1951 een protest horen tegen een voorstel van de Staatscommissie om het processieverbond op te heffen. ‘Dit kan de eerste schrede zijn tot de openbare processie. (…) In principiis obsta! In het begin: halt!’- Boer neemt evenals prof.dr. J. Waterink afstand van het boek Stomme Zonden. ‘Mocht het nog ergens in één onzer bibliotheken zijn, dan is de beste raad: Verwijder het onmiddellijk’.
– Toen ds. Boer niet volgens gebruik een ‘oogstdienst’ wilde houden, waarbij fruit en andere landproducten werden meegenomen, maar daarvoor in de plaats een ‘dankdienst’ hield, kwam het in een vergadering daarna tot ‘een onaangename samenspreking’, die ertoe leidde dat Boer en enkele anderen de vergadering verlieten.
– Een zondagse collecte voor de plaatselijke christelijke voetbalclub wil Boer niet, maar hij beveelt een huis-aan-huiscollecte wel aan, want ‘matige lichaamsoefening in christelijke stijl’ juicht hij toe.
– Als blijkt dat er geen eenheid in ambtskleding meer is, wordt het eens genomen besluit: ‘Jaquet of korte zwarte jas met grijze stropdas’ nog eens bekrachtigd.
– In de tijd dat Boer in Gouda stond, kreeg hij 14 beroepen, waaronder van Oldebroek.
– In Lunteren werden er tijdens de vakantieperiode jongeren ingeschakeld, die bij de aanvang van de kerkdienst een commissie van ontvangst vormden voor de gasten en hen een zitplaats aanwezen ‘nadat het rode lampje is aangegaan’.
– Boer sprak zich in Lunteren, evenals zijn voorganger, uit tegen de paasvuren. De kerkenraad liet een officieel protest horen bij het gemeentebestuur. ‘Rondom dit Paasvuur gaat het ten diepste om het recht van dit spreken der kerk’.
– In de Lunterse kerkenraad zat ook de vader van prof.dr. A. van de Beek. Diens zoon herinnert zich dat Boer vaak zei dat je niet alleen links maar ook rechts van de dijk kunt rijden.
– Boer hield zeer omlijnde catechismuspreken, in tegenstelling tot ds. I. Kievit, die nooit de catechismus kreeg doorgepreekt: ‘Hij haalde steeds maar weer het dikke cahier onder zijn toga vandaan’. Bij Boer was er ook een directer band tussen het afleggen van belijdenis des geloofs en het toegaan tot het avondmaal dan bij Kievit.
– In Huizen stimuleerde Boer een protestants-christelijk damesblad. ‘Boze tongen beweren dat veel dames trouwer hun bladen lezen dan hun Bijbel.’ Maar juist daarom pleit hij voor een damesblad op die grondslag. Ook was Boer voorzitter van de Openbare Christelijke Leeszaal en bibliotheek. Kennelijk was er bij Boer zorg over het leesgedrag van de Huizer bevolking.
– Boer was bevreesd voor ‘uitholling van de gemeente vanuit de school’ en participeerde daarom actief in een initiatief tot een christelijke middelbare school in Huizen.
– Boers prediking was geloofsmatig en christocentrisch, zonder dat hij uitging van ‘verondersteld’ geloof. Altijd was er weer de appellerende vraag in de prediking of er geloofsgroei was.
– Boer begeleidde meerdere vicarissen op weg naar het predikambt (zoals S. de Jong, G.S.A. de Knegt en A. de Reuver) en bevestigde kandidaten in hun eerste gemeente (waaronder C. Graafland en C. den Boer). Hij neemt bijvoorbeeld deel aan de handoplegging wanneer kandidaat H. Vreekamp (‘een vriend van mijn zoon’) in Oosterwolde tot predikant wordt bevestigd (1971).
– Boer was op de achtergrond betrokken bij de Evangelische Omroep die in 1967 opgericht werd. Dit had mede te maken met de contacten die hij in de kring van ‘de 24’ had gekregen met de oprichter van de EO, ds. W. Glashouwer. In 1971 leidde Boer een zangavond in Huizen, dat op televisie werd uitgezonden. Hij sprak over ‘Deze ontvangt de zondaars en eet met hen’. Daarvóór had hij nog wel eens meditaties voor de NCRV-microfoon uitgesproken. Maar toen de EO van start ging was hij één van de eersten.
– Op onderwijskundig gebied maakte Boer zijn gemeente er op attent dat in 1970 een reformatorisch atheneum in Rotterdam was gesticht (Guido de Brès).
– Boer had boven zijn studeerkamer in alle gemeenten een erts van J.Th. Toorop hangen met een afbeelding van Paulus met opgeheven vinger: ‘Wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig’. Passie voor het Evangelie dus!
– Door het monsterverbond tussen de middenorthodoxie en de vrijzinnigheid in de jaren na 1951 werden de verhoudingen met de Gereformeerde Bond aangescherpt. Gemeenten van gereformeerde signatuur werden opengebroken door het stichten van ‘noodgemeenten’ (later buitengewone wijkgemeenten of deelgemeenten).
– Boer was lid van de ARP. De Gereformeerde Bond had altijd ‘een zekere relatie’ onderhouden met deze partij. H. Colijn bezocht ooit een jaarvergadering van de Bond.

Uitspraken
– Toen zijn zoon vroeg of hij naar de bioscoop mocht, zei Boer: ‘Doe het niet voordat je voor jezelf zeker weet bij Wie je hoort’. Zijn kinderen zaten wel op sportverenigingen
– Over het hebben van een preektekst op maandag zegt Boer: ‘De tekst moet de hele week in de gang door de gemeente rijpen’.
– In de gemeenten waarin Boer stond heeft hij regelmatig opgeroepen de kinderen te laten inenten. ‘Deze vraag dient opnieuw ook in de Gereformeerde Gemeenten met ernst onder ogen te worden gezien’.
– ‘Al zou vandaag alle gereformeerde bloed uit de hervormde kerk wegvloeien, dan zal de Heere ervoor zorgen dat er over vijftig jaar weer een volk is dat Hem vrees, omdat het Zijn kerk is’.
– ‘Jongens, als jullie in donker Noord-Holland komen wonen, dan moet je trouw je kerkelijke bijdrage blijven betalen, want die dominee is tijdelijk maar God is eeuwig’.
– ‘De afgescheiden kerken zijn gesticht, maar de hervormde kerk is geboren’.
– ‘In de kerk blijven, ook als een oordeel rust op de kerk. Ook al is de kerk nog zo ziek, ik weet geen betere’.
– ‘Niet de spreuk samen ziek – samen gezond (van Hoedemaker) zal het doen maar het staan voor God in de gemeenschap met Christus’.
– ‘Een nieuwe afscheiding of doleantie lokt ons allerminst’.
– Over de relatie van de Gereformeerde Bond met de Confessionelen maakte Boer een vergelijking met een trein: ‘Je hebt eerste en tweede klas, maar het staat op de rails die naar één bestemming leidt’.
– ‘Weet u waar de Zaligmaker is? Hij ligt smekende aan uw voeten!’
– ‘God slaat een mens eerst tegen de vlakte om hem dan op te nemen in het hospitaal van vrije genade’.
– Toen iemand aan Boer een theologisch probleem voorlegde, reageerde hij: ‘Dat moet je aan een echte theoloog vragen’.
– Toen de vrouw tot de ambten werd toegelaten, zei Boer: ‘Ik geloof dat deze beslissing in strijd is met het Woord Gods. Maar ik geloof evenzeer, dat deze beslissing een oordeel Gods kan zijn over de eeuwenlange verwaarlozing van de dienst der vrouw in het midden van de gemeente’.

Gepubliceerd in oktober 2008

Advertenties