Ds. H.G. Abma

n.a.v. H.A. van Dolder-de Wit, ‘Levend in het werk des Heeren’. Ds. Hette Gerrit Abma (1917-1992): predikant en parlementariër, Ede 2006

Al vroeg serieus
De naam Abma wijst op een Friese afkomst. Zijn vader was onderwijzer in Wouterswoude toen Hette Gerrit geboren werd. Het was onder andere in de tijd dat ds. J.H. Koster daar predikant was. Wouterswoude maakte tot 1878 deel uit van een combinatie met Driesum en Dantumawoude. Er werd altijd een liberale predikant beroepen. Toen Wouterswoude zelfstandig werd, kwam hier een einde aan; voortaan beriep men een orthodox-bevindelijke predikant. Al meteen vond er een opwekking plaats. Hette Gerrit legde al vroeg een voor zijn leeftijd ongewone ernst aan de dag. Zo schreef hij in 1926: ‘Mijn negende verjaardag zal ik door ’s Heeren zegen vieren (…) Wilt Gij ons bewaken dan is het een recht prettig feest’. In 1922 ging het gezin naar Polsbroek in de Lopikerwaard waar vader Abma een aanstelling kreeg. In 1927 gingen ze naar Ede. Hier was hij een graag gehoorde preeklezer, organiseerde hij avondcursussen voor land- en tuinbouw en richtte hij een jongelingsvereniging. Aanvankelijk werd gevraagd met de ‘hengel’ rond te gaan. Maar als collectant heeft deze wat onhandige man het niet ver geschopt. Ettelijke malen botst hij niet alleen met de lange stok tegen de lampen aan, maar ziet ook kans de hoofddeksels van de kerkgangsters van het hoofd te wippen.

Het leven heeft zin!
Hette Gerrit ging na de lagere school naar het Christelijk Lyceum in Arnhem. Al op jonge leeftijd wil hij predikant worden. Later zou hij terugblikken: ‘Ik zei als kind al: ik word later dominee. Het houden van God, dat zegt je als kind nog niet zoveel, maar het was wel zo dat je hart ernaar uitging. Dat je gedachte hebt: ik ben niet alleen in het leven, dat er iemand is die zorg voor je draagt, naar je omziet. Dat je zegt: “Het leven heeft zin”’. Uit zijn dagboek leren we hem kennen als een opgroeiende jongen met zijn vreugde en verdriet. De weg naar volwassenheid was voor hem niet gemakkelijk. Hij toonde geen belangstelling voor oppervlakkig vermaak of sport. In zijn dagboeken bespeuren we een diep verlangen naar een levende relatie met God en een zoeken naar innerlijke vrede. Na veel strijd en gebed mag hij geloven een kind van God te zijn. Bijna juichend schrijft hij daarover op Hemelvaartsdag 1936: de nacht is voorbij en de dag nabij!

Geen oude schrijvers
Het dagboek, begonnen in 1933, krijgt de volgende titel: ‘Er worden zovele boeken gelezen…zovele. Maar de grootste boeken worden opzij geschoven… Dat zijn Gods Woord en ons eigen leven.’ Als in 1934 ds. H.A. Leenmans intrede doet in Ede, toont Abma opvallende belangstelling voor diens dochter Jo. Het zou zijn latere vrouw worden. In 1935 beschrijft Abma zichzelf als ‘een onbegrijpelijke jongen die zichzelf evenmin begrijpt. Vandaag optimistisch, morgen pessimistisch…’ Ook maakt hij mee wat zoveel boekenliefhebbers ervaren: ‘O, ’t is een onverdraaglijke gedachte dat ik alle boeken die er zijn en bestaan niet kan doorkomen al leefde ik zeer lang.’ Abma heeft niet zoveel met de oude schrijvers. ‘Ik word weggedreven van mensen, al zijn ze nog zo godzalig en de oude schrijvers werp ik van mij, niet uit moderne overwegingen, maar om een onverklaarbaar gevoel van wrevel, omdat ik die dingen zo leeg vind. Toch geloof ik, dat ik Sion dat boven is, zoek.’

Theologiestudie in Utrecht
Abma zakte voor zijn eerste examen. ‘Men zal op school zeggen dat ik zelf schuld heb aan mijn echec. ‘k Spreek het tegen, met eerlijke beslistheid. Lui ben ik nooit geweest’. Er was misschien een andere oorzaak: ‘Ik hield mij liever bezig met gevoelsindrukken, godsdienstige belangen’. Als hij het jaar daarop toch slaagt, mag hij beginnen met zijn theologiestudie in Utrecht. Hoogleraren waren A.M. Brouwer (Nieuwe Testament), Joh. de Groot (Oude Testament), M. van Rhijn (kerkgeschiedenis), J. Severijn (filosofie), M.J.A. de Vrijer en S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel. In 1938 legt hij belijdenis af van zijn geloof, hoewel hij van deze dag zegt: ‘Hard ben ik geweest, de gehele dag. Goddeloos hard, bij ’t onverschillige af. Waarom toch? O, wat is een mens een raadsel…’ Niet lang hierna neemt hij voor het eerst plaats aan het avondmaal. ‘Ieder zijgt – en ziet voor zich. Omlaag. Ja, daar leert men omlaag te zien.’ Als Abma met de afronding van de studie begint, wordt iemand als W.L. Tukker beroepbaar gesteld.

Wandeling zonder gevolgen
In 1940 maakt Abma met Jo Leemans een wandeling door het bos. ‘Wat hebben we veel gepraat. Ik hoef niet te vertellen van die wandeling, want de herinnering zal niet vervagen.’ Echter, voordat de liefde wederkerig is moet Abma nog een tijdje wachten. In mei 1940 maakt Abma de Duitse inval mee. ‘Vijf dagen heeft de Nederlandse Leeuw gevochten. Nu is hij gelegd aan een ijzeren ketting. Voor hoelang, o God?’ Ondanks goede voornemens wil het in dit jaar nog niet zo met zijn studie vlotten, hij is er met zijn gedachten niet bij. Ondertussen maakt hij een preekschetsje over Ps. 88:16. ‘Van de jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig’. Ook ging Abma eens luisteren naar een in die tijd bekende predikant uit de Gereformeerde Gemeenten. ‘Hij sprak zeer onsamenhangend en dogmatisch (…) dogmatische acrobatiek (…) ik vroeg me af of ongeoefende oren en weinig geleerde harten dit enigszins kunnen verstaan. Men heeft veel te schelden op het gereformeerde in onze dagen en ik neem het er altijd voor op, maar dit ging toch wel wat ver, geloof ik. O, dat we niet leerstelliger worden dan God’.

Wandeling mét gevolgen
Abma’s eerste preek ging over Ps. 77:6. ‘Heere, waarom verstoot Gij mijn ziel en verbergt Uw aanschijn voor mij?’ Dit was in de Pieterskerk van Utrecht, de zogenaamde proefpreek. De eerste preekbeurten vervulde hij op zondag 17 november 1940 in Eemnes. De dag daarvoor krijgt hij een brief van Jo, met de uitnodiging voor een wandeling op maandagavond aanstaande. ‘Het was een korte maar kernachtige troost op de levensweg!’ Jo had dus gewacht op haar ja-woord, nadat zijn studie voltooid was. Abma’s eerste gemeente werd Driesum, een bekend gebied voor hem. Vijf andere beroepen kwamen er. Toch ging hij naar Driesum, ook al had bijvoorbeeld Groot-Ammers een bijna tweemaal zo hoog traktement. Abma’s studiegenoot L. Kievit neemt van de op hem uitgebracht beroepen dat naar Schoonrewoerd aan. Op 21 augustus 1941 trouwen Hette Gerrit en Jo. Abma vond het woord van de ambtenaar van de burgerlijke stand ‘nietszeggend’.

Driesum als zijn eerste gemeente
In Driesum was de invloed van Nadere Reformatie en Reveil nog merkbaar. Het is verbazend hoe het mogelijk was dat binnen een mensenleeftijd het kerkelijk en bevindelijk-geestelijke leven hier een uitzondering werd. In Driesum en Wouterswoude kreeg de Doleantie geen vat. Beide dorpen in de Dokkumer Wouden waren een uitzondering met hun behoud van de gereformeerde signatuur. Toen ds. C.B. Holland in 1912 naar Driesum kwam, veranderde er veel. Ook ds. J.H. Koster (1918-1923) arbeidde hier zegenrijk. Intrede deed Abma (in augustus 1941) met Spr. 13:17. ‘Een goddeloze bode zal in het kwaad vallen, maar een trouw gezant is medicijn’, nadat zijn schoonvader hem bevestigd had. Van de oorlog was in Driesum weinig te merken. Vanaf 11 maart 1942 houdt Abma weer een dagboek bij: ‘Lang schreef ik geen journaal, nagenoeg niets in anderhalf jaar. Hij heeft nu een levensgezel naast zich aan wie hij alles kan toevertrouwen.’

IJsselstein
In mei 1942 werd hun eerste kind geboren: Gerrit Hette (Gertie). ‘Nog herinner ik me dat ik zo vaak Jo voorbijging in vroeger jaren in het dorp. Wat ver, onwezenlijk ver stonden we toen van elkaar. En nu vader en moeder van één en hetzelfde kind.’ De catechisaties in Driesum gingen niet zoals Abma had gewild: ‘Ik heb in Driesum met onplezier gecatechiseerd. Trouwens in Wouterwoude ook. (…) Er was zelfs haast geen belangstelling. (…) Er was geen openlijk verzet, maar een zwijgende tegenzin’. In 1944 vertrekt Abma naar IJsselstein. Hij doet intrede met de tekst uit 1 Joh.3:8b. ‘Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou’. Tijdens de winter van 1944/1945 is het zo koud dat Abma soms preekt met de winterjas aan.

Rotterdam-Delfshaven
Als de bevrijding aanbreekt, preekt Abma met als thema: ‘Deze dag is een dag van goede boodschap’. In 1946 wordt Hendrik Arie (Henk) geboren. Niet lang daarna sterft hun eerste kind, als gevolg van de difterie-epidemie die in het land heerst. Op de grafsteen staat vermeld: ‘Beter is de dag des doods dan de dag dat iemand geboren wordt’ (Pred. 7:1). In 1947 wordt weer een zoon geboren, met dezelfde doopnaam als hun eerste kind, maar met als roepnaam Hette. Tijdens zijn verblijf in IJsselstein ontvangt hij onder andere beroepen uit Oldebroek, Wepen en Elburg. Uiteindelijk neemt hij na zestien beroepen die van Rotterdam-Delfshaven aan. Hier doet hij in 1948 intrede, in de grote Mathenesserkerk, nu omgebouwd tot moskee. Rotterdam telt in die tijd zeven predikanten.

Ritmisch zingen, klagelijk preken
Aan het eind van de jaren veertig van de 20e eeuw gaan geleidelijk aan in veel hervormde gemeenten stemmen op om de psalmen voortaan ritmisch te zingen, zo ook in Rotterdam-Delfshaven. Hoewel Abma er weinig voor voelt, wil hij hier geen principezaak van maken en gaat akkoord. Voor menigeen was dit moeilijk. Door velen wordt dit gezien als een gril van de organisten, ‘en nu moet de gemeente maar volgen’. Kritiek krijgt Abma vooral om zijn manier van spreken. ‘Dat langzame, dat, ja laat ik het maar zeggen, dat gemaakte, dat klaaglijke in uw preken, dat is volgens mij een grote oorzaak waarom uw preken veel mensen niet liggen. Wij onder elkaar zeggen wel eens: ds. Abma, die hoort thuis in de Christelijk Gereformeerde Kerk’. Abma zegt: ‘Men wil een ethisch preekje in gereformeerde termen. Er is weinig zekerheid des geloofs, het is zo dor’.

SGP en IZB
In Rotterdam komt er een stroom van beroepen. Het zijn 24 gemeenten, waarvan sommigen meerdere keren een beroep op hem uitbrengen. Hieronder zijn Elburg (twee keer) en Wezep. Als Abma op een dag in Baarn preekt, ontmoet hij de bekende ds. I. Kievit. ‘Hij was oud geworden. De Noordenwind streek erover. Toch liet de Heere Zich niet onbetuigd. Maar hij had geen uitzicht. De aarde kon hem niet hebben, de hemel wilde hem niet overnemen!’ In 1953 wordt Abma lid van de SGP. In hetzelfde jaar reist hij ook voor het eerst naar Hilversum om daar voor de radio een overdenking uit te spreken. Al zijn in de eerste jaren na de oorlog de kerken nog goed gevuld, toch wordt het gaandeweg duidelijk dat velen zich niet meer voelen aangesproken door het evangelie. Als hij lid wordt van het bestuur van de IZB, vraagt men hem al spoedig voorzitter te worden. Het blad ‘Echo’ wordt niet bij alle geestverwanten positief ontvangen. Abma zegt daarover: ‘We hebben kritiek genoeg op duizend-en-één manieren waarop geëvangeliseerd wordt, maar alle kritiek is goedkoop en schijnheilig, zolang we zelf geen positieve bijdrage leveren.’ ‘Naar het hart van Jeruzalem spreken is iets anders dan de godsdienstige mens naar de mond praten’. Later zouden artikelen over de Heidelbergse Catechismus in het blad Echo uitgegeven worden onder de titel Een glimlach door de tranen heen. Abma hecht ook grote waarde aan christelijk onderwijs, wat blijkt uit diverse bestuurslidmaatschappen, waaronder de Vereniging van Gereformeerd Schoolonderwijs (VGS).

Monster
In 1954 wordt er een dochter geboren: Alida Anneke (Lily-Ann). In 1955 neemt Abma een beroep naar Monster aan. Aangezien deze gemeente hopeloos verdeeld was door allerlei conflicten, was het niet aantrekkelijk daar naartoe te gaan. De naam ‘Monster’ komt van Monasterio of Masemonster, ‘klooster aan de Maas’. De kerk in Monster is één van de weinige kerken ter wereld, zo niet de enige kerk, die gewijd is aan de heilige Machutus, een uit Schotland afkomstige edelman. Het kerkzegel van Monster draagt het prachtige opschrift: ‘Bewaert my, o Godt’. Intrede deed Abma met Hand. 10:29. ‘Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zo vraag ik dan, om wat reden gij mij hebt ontboden’. In Monster raakt Abma ook betrokken bij het jeugdwerk, waar onderwerpen aan de orde komen als ‘Is de leer van Billy Graham goed?’ en ‘Is de leer van onze kerk niet te zwaar voor een buitenkerkelijke?’

Putten
Uit niets blijkt nog dat Abma aan een politieke functie denkt. Een plaats op de kandidatenlijst voor de verkiezingen van de Tweede Kamer in 1956 wijst hij zelfs af. Wel komt hij tijdens zijn verblijf in Monster in meer persoonlijk contact met ds. P. Zandt, die in het nabijgelegen Delft woont. Ingezonden meditaties door Abma aan De Banier werden niet gewaardeerd en nooit geplaatst! In 1959 komt er voor de derde keer een beroep vanuit Putten. Nu neemt hij het aan. In Monster komt voor hem in de plaats ds. D. van der Ent Braat. Abma neemt afscheid met een preek over het thema ‘Wat waar is, is waar’, naar aanleiding van Joh. 10:41. Abma komt in Putten in de vacature van ds. J. van Sliedregt. Intrede doet hij met 1 Kor. 4:21. ‘Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in de geest der zachtmoedigheid?’ College in Putten wordt onder andere ds. L. Kieviet, een studievriend van weleer.

Voorzitter van de SGP
In 1960 overlijdt zijn schoonvader, ds. H.A. Leenmans. In het volgende jaar overlijdt ds. P. Zandt, waarna burgemeester D. Kodde uit Zoutelande het partijvoorzitterschap waarneemt. Opnieuw komt aan het licht dat er in de partij nog geen enkele vooruitgang is geboekt: er is gebrek aan kader, partijstructuur en aan communicatie met de achterban. Kodde zou graag hervormde bondspredikanten in het hoofdbestuur opnemen, maar van die kant is er weinig animo. Als in 1961 de predikanten W.L. Tukker, D. van der Ent Braat, G. Boer en J. van der Haar voor die functie worden aangezocht, neemt alleen laatstgenoemde zijn benoeming aan. Het hoofdbestuur kiest Abma als partijvoorzitter. ‘Mijn vrouw trouwde men een predikant, maar ze kreeg een politicus’, zo reageerde Abma.

Gemeentepredikant af
In 1963 laat Abma zich op de SGP-lijst voor de Tweede Kamerverkiezingen plaatsvinden. Hij realiseert dat dit het afscheid van de kerkelijke gemeente van Putten zal betekenen. Hij hoopt echter als predikant met de rechten van een emeritus de kerk te blijven dienen. Dit laatste zou een langdurige procedure worden, van 1963 tot 1966. Dit was voor hem één van de moeilijkste perioden uit zijn leven. Abma is hierin heel willekeurig behandeld. Het had alles te maken met de nieuwe kerkorde van 1951. Hij zegt erover: ‘Ik ging die maanden als een blinde langs ongeweten wegen.’ Intussen gaat Abma in Strijen wonen, waar hij een tijdje voor de gemeente aldaar werkt. Daarna verhuist Abma naar Gouda. Deze hele zaak deed Abma beseffen: ‘Vest op prinsen geen betrouwen, waar men nimmer heil bij vindt’. In zijn dagboek zegt hij: ‘Ik stortte mijn hart uit en vroeg de Heere om wijsheid in deze zo gewichtvolle zaak’.

Samen met Van Dis, Kodde en later Mieras
Toen Abma in de Tweede Kamer kwam, bestond de fractie uit drie personen: samen met ir. C.N. van Dis sr. (CGK) en D. Kodde (GerGem). Het duurt niet lang of Abma is binnen de eigen partij al onderwerp van kritiek. Typerend is iets wat tijdens een receptie plaatsvond. De één prijst het optreden van Abma in een Kamerdebat, waarmee hij bij zijn politieke voor- en tegenstanders groot respect afdwong. ‘Iedereen luisterde ademloos’, zo vertelt de man enthousiast. Het gezicht van de ander verstrakt: ‘Het is geen goed teken vriend, als de wereld aan je lippen hangt’. Als D. Kodde terugtreedt in 1963, komt ds. M.A. Mieras uit Krimpen aan den IJssel voor hem in de plaats; hij had al een poosje eerder in de Tweede Kamer gezeten. Het probleem met Mieras was dat hij vanwege zijn drukke pastorale bezigheden zijn plaats in de Tweede Kamer regelmatig onbezet laat, waardoor de werkdruk voor Abma en Van Dis toeneemt. In drie jaar tijd liet Van Dis viermaal verstek gaan, Abma negen keer en Mieras 75 keer! Bovendien werd zijn spreektijd vastgesteld op totaal een half uur per jaar. Dit kon zo natuurlijk niet doorgaan.

Moed in de schoenen
Abma staat nog iedere zondag één of tweemaal op de kansel. Ondanks alle kritiek van hem en op hem zegt hij: ‘Maar ik bemin ondanks alles de SGP. Iets, iets is er van de degelijke oud-Hollandse geest, van het merk van ons Calvinistisch vaderland. (…) De ARP is een wonderlijke combinatie van ijzer en leem, van Calvinisme en modernisme’. In 1966 legt Abma in een brochure met als titel ‘Dominee in de politiek’ verantwoording af van zijn keuze om in de politiek te gaan. Het verschijnen van de brochure en de reactie daarop, of liever het ontbreken ervan, beleeft Abma als een bittere ervaring. Het brengt hem tijdelijk in een toestand van moedeloosheid. ‘Ik heb de indruk dat sommigen me als een melaatse beschouwen, onrein, onrein. Als ik dwaal, dweep, dwaas doe, waar zijn de vele vrienden om mij terecht te brengen? Als ik Gods weg ga, waar zijn ze die met mij de Heere groot maken. Geen vijand en geen vriend, wat is dat voor een toestand?’ En dat citeert hij Ps. 69:4. ‘Mijn broed’ren ben ik vreemd, door elk onteerd…’

Kritiek uit de achterban
Na de verkiezingen van 1967 (toen Abma met twee zetels naar bed ging maar met drie zetels opstond: ‘Des avonds vernacht het geween, nauw rijst des morgens vroeg de dag…Toch drie zetels!’) nam ir. H. van Rossum de plaats van Mieras in. Nog steeds kende de SGP een weinig omlijnde werkstructuur. Fractievergaderingen werden bijvoorbeeld slechts incidenteel gehouden. Abma bracht hier verbeteringen in. Zelf nam hij Justitie, Binnenlandse Zaken, Volksgezondheid, Defensie, CRM en Onderwijs voor zijn rekening. In 1969 barst vanuit de rechterflank van de SGP felle kritiek los over de wijze waarop Abma de beginselen vertolkt. In dat jaar had Abma het hoofdredacteurschap van De Banier op zich genomen. Het is te danken aan een leerling van kweekschool De Driestar te Gouda, M. Golverdingen, dat de situatie gaandeweg in gunstige zin verbeterd. De studieverenigingen worden weer actief. De gevorderde leeftijd van veel SGP-bestuursleden en het hoge gehalte aan ‘geestelijken’ roept bij veel jonge kiezers tegenzin op. Ook lijkt de overgrote meerderheid het vraagstuk van het vrouwenkiesrecht achterhaald. Dit alles wordt geconcludeerd in een rapport uit Walcheren.

Abma als vijand van Gods volk betiteld
Op de partijdag van 1969 kwam het tot een voorlopige uitbarsting. Plotseling stormen enkele leden het podium op en proberen Abma de microfoon te ontfutselen om de vergadering toe te spreken. Op dat moment maakt deze resoluut een eind aan de discussie over het rapport ‘Walcheren’. Een aantal afgevaardigden verlaat woedend de zaal, nog diezelfde dag richten zij een ‘Comité van bezwaarden’ op, met E. de Groot uit Utrecht als voorzitter. Men eist dat het hoofdbestuur afstand neemt van het rapport. Ook een optreden van Van Dis voor de televisie is punt van kritiek. In de zomer van 1969 komen 250 bezwaarden bijeen. De kritiek gaat zich nu ook rechtstreeks richten op de persoon van Abma, die hier wordt bestempeld als ‘een vijand van Gods volk’. Die uitspraak gaat enkele aanwezigen wel te ver. Ds. A. Vergunst waarschuwt in de Saambinder tegen de praktijken van deze groep dissidenten. Hij ziet er een dreiging in van ‘de droeve verscheuring van een laatste overgebleven eenheid…En dat is onnodig. En dat in deze tijd!’

Het hoogste woord moet er uit
Abma laat er geen misverstand over bestaan in De Banier in de herfst van 1969. ‘Het is zover. In de SGP dreigt een scheuring. (…) Ik maak van mijn hart geen moordkuil, dat betekent dat ik volledig openhartig wil zijn.’ Abma had trouwens ook een keer geschreven ‘dat Christus een doorgangshuis was en een opvangcentrum’, hetgeen niet ieder dogmatisch juist vond. Abma verdedigt zich tegen de beschuldiging als zou hij een godlasterlijk schrijver zou zijn. ‘Ik heb de gedachte, dat misschien sommigen dat van Van het Reve vinden, braaf vonden bij wat ik heb geproduceerd…’ Ook had Abma zogenaamd ‘een vriendelijk ding over de paus geschreven’. Ook een bezwaarde SGP-er gezegd hebben over Abma: ‘Maar laat ‘m maar gaan, laat ‘m maar dwalen. Er is een God in de hemel voor Wie we eenmaal rekenschap voor moeten afleggen.’ Kortom, het was een artikel waarin Abma volledige openheid gaf en een goed weerwoord gaf. Hij ontving dan ook veel bemoedigende reacties hierop, vooral ook van vooraanstaande ‘gergemmers’.

Hoog van de toren blazen of telkens dichter bij God?
In 1971 is de kwestie ‘wel of niet inenten’ weer actueel, aanleiding is de uitbraak van polio in Staphorst. Abma reageert vol deernis voor de getroffen gezinnen. Maar hij wil ook begrip tonen voor hen die alsnog inenting overwegen: ‘Ook al mogen we geloven, dan kan toch het water aan de lippen komen’. Waar nog niet zo lang geleden de hele wereld met weerzin kennis had genomen van de gewoonte van volksgerichten in Staphorst, zegt Abma nu: ‘Wanneer ik nu de vele artikelen lees en commentaren beluister, krijg ik sterk de gedachte, dat half Nederland bezig is volksgericht te houden over Staphorst’. In hetzelfde jaar maken Abma en zijn vrouw een reis naar Israël. Maar na terugkomst wacht het werk hem weer. De bezwaarden uit de partij onder leiding van ds. Du Marchie van Voorthuizen maken hun opwachting. ‘Ze bliezen hoog van de toren. Godonterend, verzaking en dergelijke vervloekingen deden opgeld.’ Abma’s geestelijke leven wordt door al deze beschuldigingen alleen maar verdiept. ‘Met genoegen de laatste weken gepreekt. Geestelijk leven lijdt niet onder het publieke. Wordt verdiept, verrijkt. Wat zal het nieuwe jaar brengen? Het kan zoveel zijn – dichter naar het einde, laat het wezen. Telkens dichter bij God.’

De drie van Breda
In 1972 komt er een debat over het al dan niet vervroeg vrijlaten van oorlogsmisdadigers. Pogingen tot gratieverlening stuiten steeds op verzet bij de bevolking. Abma stelt in dit debat het spanningsveld tussen barmhartigheid en rechtvaardigheid op indrukwekkende wijze aan de orde. De rede van Abma wordt met grote bewogenheid uitgesproken en, wat in de Kamer zeldzaam is, ook met grote aandacht aangehoord. Een CHU-politicus herinnert zich later: ‘In zulke interventies was de parlementariër-dominee op z’n best. De kamer luisterde alom met intense aandacht. Na zijn rede verdrongen liberale, socialistische, KVP-, AR- en CHU-collega’s zich achter het groene gordijn om hem voor zijn speech te bedanken. Of men het er mee eens was of niet, er was iets substantieels, zo niet fundamenteels gezegd.’

Koninin Juliana niet toegankelijk voor SGP-ideeën
Abma heeft overal oog voor. Als hij eens een zondag in Rotterdam-Delfshaven preekt, zegt hij: ‘Soms lijkt het even dat de klok jaren stilstond – herinneringen: mensen, toestanden, temperaturen (warme zomeravonden, striemende regenvlagen), idealen, alles tuimelt over ons.’ Als Abma in 1972 wordt ontvangen door koningin Juliana op Huis ten Bosch, vraagt zij vriendelijk waar hij die zondag heeft gepreekt, zijn inleiding maakt haar echter ongeduldig. Hij heeft de indruk ‘dat de koningin niet zo toegankelijk was voor onze ideeën’. In hetzelfde jaar is er ook een felle discussie over het vrouwenkiesrecht. ‘Het zal eens tot een explosie komen, tenzij het zich rustig voegt. De dag van de klaarheid moet komen, want aan de onduidelijkheid, het vertrokken gezicht, gaat de SGP te gronde.’ Bij de verkiezingen aan het einde van dit jaar worden er 163.000 stemmen op de SGP uitgebracht, 15.000 meer dan anderhalf jaar daarvoor, maar een lager percentage, omdat de kiesgerechtigde leeftijd was verlaagd van 21 naar 18 jaar.

Als persoon breed gewaardeerd binnen de partij
Abma zegt over de campagne: ‘Drie zetels behouden. Advertentiecampagne redelijk, jeugdfolder kreeg wat tegenwind. Voorts verkiezingslijst niet veel bijzonders. Door een EO-opname hadden we in één schok ons image kunnen verbeteren. Het is niet gebeurd. De oppositie in eigen kring is behoorlijk. Het RD blijft daarbij niet achter. Gereformeerde Bond is laks. Gereformeerde Gemeenten zijn verdeeld, daarvan zijn we wel afhankelijk’. De persoon van Abma staat vrijwel niet ter discussie. Hij kreeg in 1971 85 procent van de stemmen, eind 1972 maar liefst 91 procent. Hij werd dus gewoon door het overgrote deel van de SGP-kiezers gewaardeerd! Abma’s jaren gaan ook tellen. ‘Ik word oud. Volgend jaar bij welzijn 56, wat een tijd’. Begin 1973 overlijdt ir. C.N. van Dis sr., en ARP-politicus, jurist, lid van de Eerste Kamer en minister van Binnenlandse Zaken W.F. de Gaay Fortman herinnert zich van de begrafenis: ‘Bij zijn begrafenis liepen mij de rillingen over de rug, toen vijf orthodoxe sprekers achter elkaar benadrukten dat de gestorvene ‘een groot zondaar was, die wel de Heere lief had, maar elke keer weer in zonde verviel. Maar dan spreekt het SGP-kamerlid Abma en gaat in op de preek, die de opwekking van Lazarus tot thema had. “Laten we het hier op houden: Lazarus onze vriend slaapt, maar Jezus is onderweg”, besloot Abma en dat maakte in die kerk een geweldige indruk, er was ineens een spanning weg’.

Revolutionaire rechterflank
Waar Abma ook woont, er bestaat altijd een bijzondere en voor hem zelf onverklaarbare band met Putten. ‘O Putten, indien ik u vergete!’ Het wekt dan ook geen verbazing dat hij dit dorp als woonplaats koos. Hij ging wonen aan de Kerkstraat. Eind 1974 bevestigde hij zijn zoon Gerrit Hette in het ambt, in Poortvliet, met de tekst uit 2 Tim. 2:1. ‘Gij dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade, die in Christus Jezus is’. Abma was zelf ook als kandidaat beroepen geweest door Poortvliet ruim 33 jaar geleden. In 1976 mislukt een lijst verbinding met de RPF, dit tot teleurstelling van Abma. ‘Vele partijen hebben een revolutionaire linkervleugel – de SGP een revolutionaire rechterflank’! De RPF zou uiteindelijk slechts 2400 stemmen te kort komen om in de Tweede Kamer te komen; met lijstverbinding zou dat wel gebeurd zijn! Maart 1976 werd de Landelijke Stichting tot handhaving van de Staatkundig Gereformeerde beginselen opgericht. Men wilde ‘in het spoor’ van Kersten en Zandt blijven. Velen in de partij ervoeren de uitingen van wantrouwen als uitermate grievend. Ds. A. Vergunst laakt de ‘onheilige hetze tegen de leidinggevenden der partij (…) Publiekelijk is de genadestaat van ds. Abma in de strijd betrokken. Dat acht ik beneden de waardigheid van een man, die predikant is.’

Saved Sinner
In het debat over de gedragingen van Willem Aantjes in de Tweede Wereldoorlog (1978) trekt Abma dezelfde lijnen als in 1972 bij het debat over de drie van Breda. ‘Ik heb het idee dat de twee letters die ik in het begin noemde – die nare letters – wel voorshands voor de heer Aantjes mee zullen moeten. Maar dan wensen wij dat ze mogen opglanzen in een nieuwe, rijke zin: S.S., Saved Sinner, geredde zondaar.’

Abortus
Het abortusvraagstuk speelde tijdens Abma’s gehele zittingsperiode een belangrijke rol. In april 1976 nam het ministerie Den Uyl een wetsontwerp aan waarbij afbreking van de zwangerschap werd aanvaard. Abma benaderde deze problematiek op een geheel eigen, maar zeer beginselvaste wijze. En juist die benadering bezorgt hem de sympathie van zijn vaak felle tegenstanders. Kamervoorzitter D. Dolman zegt terugblikkend op het debat in 1980: ‘Met ontzag hebben wij beluisterd, hoe ingetogen Abma zijn initiatief (…) verdedigde’. Met het GPV-Kamerlid Verbrugh diende Abma in 1980 een initiatief wetsvoorstel in: ‘Wat bescherming menselijke vrucht’. Abma deed een appel op het geweten van alle aanwezige Kamerleden. Zijn betoog staat in de ‘Handelingen’ van de Tweede Kamer te boek als een hoogtepunt.

Van der Vlies als opvolger?
In 1981 zet Abma een punt achter zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer. B.J. van der Vlies komt nu op de derde plaats, achter H. van Rossum en C.N. van Dis jr. Het is echter de wens van Abma dat G. Holdijk in zijn plaats komt en niet als vierde. Van der Vlies kwam uit de hoek van het Gekrookte Riet en dat vonden veel Gereformeerde Bonders geen goed idee. Dit werd nog eens versterkt toen Van der Vlies niet onomwonden verklaarde dat hij de koers van Abma zal voortzetten en omdat hij ook nog eens de steun van de bezwaarden in de partij genoot. Echter, de bezwaren waren zuiver kerkelijk van aard, zeker niet persoonlijk. Zo was Van der Vlies bijvoorbeeld inzake de kernbewapening linkser dan de doorsnee SGP-ers. Als statenlid van Utrecht baarde hij opzien, door een PSP-motie te steunen voor verwijdering van de kernwapens uit Nederland, waar het CDA nota bene tegen stemde! Uiteindelijk zouden er twee acties worden gevoerd in de aanloop naar de verkiezingen van 1981: één voor Holdijk (de nummer 4) en één voor Van der Vlies (de nummer 3). Ds. F. Mallan wist nog te vertellen dat als Abraham, Izak en Jakob nog hadden geleefd, zij vast en zeker op Van der Vlies zouden hebben gestemd, tenminste, deze draai gaf de pers aan Mallans uitspraken.

Meningsverschillen binnen het hoofdbestuur
Abma gaat naar de Eerste Kamer, volgt daar K. Meuleman op. Vanaf 1983 krijgt hij gezelschap van een tweede SGP-senator. In 1985 legt Abma het lidmaatschap van het hoofdbestuur van de SGP neer, en ook het hoofdredacteurschap van De Banier. De reden is dat Abma het niet eens is met de keuze van het hoofdbestuur om B.J. van der Vlies tot fractieleider te benoemen. Hiermee ging men namelijk voorbij aan Van Dis, die door de gang van zaken diep gegriefd. De Partijdag die volgde (1985) liet een opvallende afwezige zien: Abma was er niet. Waarnemend partijvoorzitter ds. D. Slagboom zei: ‘Ds. Abma heeft lang onze partij gediend. En dat met bijzondere gaven.’ In 1986 treedt Abma af als lid van de Eerste Kamer. In 1986 zou blijken dat veel mensen van de Gereformeerde Bond CDA stemden in wat werd beschouwd als bolwerken, zoals Huizen, Ede, Veenendaal, Ermelo en Katwijk. Met name hervormd gereformeerde jongeren stemden steeds minder SGP.

Slagboom verdedigt Abma
In 1986 wordt er in Putten een eigen groepering opgericht: de Gereformeerde Gezindte Putten (GGP). Zij verbinden zich met de RPF. De vooraanstaande SGP-ers uit Putten sluiten zich hierbij aan. Dit alles was het gevolg van een ingrijpen van de Provinciale Vereniging Gelderland van de SGP in de verkiezingslijst voor de SGP van Putten. Abma maakte natuurlijk ook deel uit van de GGP en dat werd hem binnen de partij allerminst in dank afgenomen. Ds. Slagboom verdedigde hem echter op de ledenvergadering in 1987. Hij kon zich met een eventueel royement niet verenigen. ‘Als ds. Abma geen lid meer van de SGP kan zijn, weet ik niet wat ik zal doen’. Uiteindelijk krijgt de gelegenheidscombinatie 3 zetels, de SGP 1. In 1987 neemt Abma definitief afscheid van de politiek. ‘Ik schaam me niet dat ik heb deelgenomen aan het politieke spel. Wel zou ik me schamen als ik er niet mee op kon houden’. Ook zegt Abma: ‘De zomer komt met onweer en verlaat ons met onweer’. Hiermee bedoelt hij dat toen hij aantrad, het klimaat was verstoord, en toen hij de politiek verliet nog veel erger. Hoe was het geestelijk leven eronder, na al die jaren politiek? ‘Het rendement is nooit weg. Je preekt “bevindelijker”, want aan lijf en ziel besef je duizend keer wat het is, wat je haast klakkeloos de gemeente opgaf’.

Een speler met woorden
Abma heeft 22 keer de partijrede uitgesproken. ‘Waar bij buitenstaanders steeds meer waardering werd ontvangen, bleef in de gelederen van zijn eigen partij de achterdocht een hinderlijke rol spelen. (…) Het kwam ongelooflijk hard aan wanneer onze sterk in zichzelf gekeerde vader weinig zachtzinnig werd behandeld. Vooral heeft het hem lelijk verwond, dat mensen de euvele moed hadden hem zelfs als een vijand van Gods volk aan te wijzen’, zo zegt zijn zoon. Abma hanteerde de taal op een bijzondere manier. Hij wist de verzonken betekenis van sommige woorden op een verrassende wijze aan het licht te brengen. Hij kende de waarde van het woord. De Volkskrant noemde Abma eens de beste stylist van het Nederlandse parlement. Niet alleen een opvallend taalgebruik met verrassende woordspelingen, maar ook zijn manier van schrijven werd gewaardeerd. Als de kinderen na het plotselinge overlijden van hun vader de spullen op het bureau opruimen, vinden ze een kalenderblok van 1991 waarop een aantal aforismen geschreven zijn. Zo blijkt bijvoorbeeld dat hun vader zich scherp uitlaat over hypocriet gedrag.

Abma’s heengaan
Abma bezoekt met zijn vrouw vaak de zieke ds. L. Kievit. ‘Wat is er overgebleven van “de Kievits”? Stof zijn we, stof dat weer stof wordt. Schijn die aan het verdwijnen is. (…) Leendert weet van alles niets. In gedachten leeft hij nog, maar is niet meer…Overleefde zijn grote jaren van weleer’. In 1990 overlijdt hij. Abma schrijft een ‘Ter nagedachtenis’ in de Waarheidsvriend onder de bijbeltekst ‘Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder’ (2 Sam. 1:26). In 1991 herdenken Abma en zijn vrouw nog dat ze vijftig jaar getrouwd zijn. Op 31 december van dat jaar schrijft hij de onvergetelijke woorden:

‘Oudejaarsdag – van rumoerig, veelbewogen jaar. ’s Avonds naar de Nieuwe Kerk die goed bezet was… Ik wil vanavond alleen zijn en uit het Woord van God kracht putten. En je denkt aan je vader en moeder. Zo was het wel eindelijk twee uur eer we ter ruste gingen’.

In de nacht van woensdag 1 op donderdag 2 januari 1992 overlijdt Abma, als gevolg van een zwaar infarct. Ds. J. Veldhuijzen preekt in de rouwdienst over Joh. 12:26. ‘…En waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn’. Op de rouwkaart staan de woorden: ‘Levend in het werk des Heeren’. Deze woorden zouden ook op het graf komen te staan. Zoon Gerrit Hette zei nog: ‘Wie mijn vader zag preken, weet dat het wederkerig was: de glans waarmee God Zijn aangezicht lichten doet op de preekstoel als berg der verheerlijking’. Op het graf werd nog gezongen Ps. 23. ‘De God des heils wil mij ten Herder wezen…’

Abma herdacht
Voorzitter van de Eerste Kamer H. Tjeenk Willink herdacht Abma. ‘Hij sprak alsof elk woord apart werd gewogen’. Minister-president Ruud Lubbers sprak: ‘Dat hij op een bijzondere wijze collegiaal overkwam, hartelijk en democratisch. (…) Een collega, een medemens, maar wel iemand die sprak en leefde vanuit de oriëntatie op Hem Die ons geschapen heeft’. Lubbers zei ook dat Abma de godsdienst niet liet opgaan in het horizonale. W.J. Deetman, de voorzitter van de Tweede Kamer, sprak over Abma’s milde humor en zelfspot. Ook zei hij: ‘In het najaar van 1991, dus betrekkelijk kort voor zijn plotselinge overlijden, preekte ds. Abma zo, ergens in het land over Psalm 4, waarvan de laatste regels luiden: “In vrede zal ik mij te ruste begeven en aanstonds inslapen, want Gij alleen, o Heere, doet mij veilig wonen”’. B. de Vries, minister van Sociale Zaken, sprak ook: ‘Het moeten dan ook zware jaren voor hem zijn geweest, omdat het een periode betrof waarin zich maatschappelijk en cultureel ontwikkelingen voltrokken, waartegen hij vanuit zijn geloofsovertuiging principiële bezwaren had’.

Ds. W.Chr. Hovius herdacht Abma in De Banier. ‘Schrik, grote verslagenheid, weemoed, herinneringen die zomaar bovenkomen (…) Geestig en “geestelijk” waren in zijn optreden nauw met elkaar verweven’. De burgemeester van Putten zei: ‘Met dominee Abma discussieer je na (…) een bijdrage van hem niet, dan luister je alleen maar en je overdenkt zijn woorden’. M. Dankers schreef over Abma in het jongerenblad Ons Contact. Hij haalde aan dat Abma nog wel eens met de letters S-G-P speelde: Stelt Geen Perken of Signalen voor Goede Politiek. Veel mensen konden deze fijne humor, dit spelen met woorden, niet volgen. ‘Op een gegeven moment was er zelfs een doodernstig officieel voorstel van een kiesvereniging om aan dat gespeel met de letters een einde te maken. Het mankeerde er nog maar aan, dat men niet over heilige letters sprak. Hoe hoog torende ds. Abma boven zoveel kleinzieligheid uit…’

Uitspraken
– ‘Helaas recenseren we meer ’t Woord dan dat we het exegetiseren’.
– ‘Het is een nare geschiedenis in onze kringen, dergelijke onderwerpen (vaccinatie en verzekeringen). Verzekering is massapsychologie. Maar het moet dan ook wettelijk geregeld worden. Zie, daaraan ontbreekt genoeg. De diaconie heeft grandioos gefaald. Ze heeft de ontwikkeling van het immense maatschappelijke leven niet kunnen bijbenen.’
– ‘Ik zeg niet, dat iedere theoloog in de politiek zou moeten. Maar er zit wel iets in van een uitdaging om de Bijbel in het praktische leven van de politiek te vertalen’.
– Toen de troonrede zonder gebed werd uitgesproken, sprak Abma over ‘een rede zonder bede is een bede zonder rede’. Rede is namelijk ook een oud woord voor belasting.
– Abma zei eens tegen Den Uyl: ‘Tenslotte ben ik ook minster’. Den Uyl antwoordde hierop: ‘Ja, dat weet ik nog wel: VDM, Verbi Divini Minister’.
– Abma zei eens dat in de prediking het dogmatische schilderijtje wel een scheef mag hangen.

Overige
– In Rotterdam bestond een aflopende schaal in het preekrooster: de gewoonte om de predikanten naarmate ze langer in de gemeente stonden minder preekbeurten op te dragen.
– In zijn Goudse jaren en zo’n twintig jaar later in zijn woonplaats Putten, is Abma ook lid van de gemeenteraad voor de SGP.
– Abma beklaagde zich nog wel eens over de berichtgeving in het Reformatorisch Dagblad.
– Toen Abma eens een motie indiende en minister van Agt dit wilde ontraden, zei deze: ‘Zij het met zeker leedwezen, want de geachte afgevaardigde de heer Abma is mij zeker wel dierbaar’.
– In 1976 ontving Abma een koninklijke onderscheiding.
– In 1984 verschijnt de brochure In haar waarde, waarin staat dat vrouwen wél mogen stemmen mits zij erkennen dat de man het hoofd is van de vrouw. Dit omdat de praktijk uitwijst dat de meeste SGP-vrouwen stemmen.
– Abma had veel oog voor de schoonheid van de natuur. In zijn tijd in Putten preekte hij één keer per maand in Elspeet en Vierhouten. Van de autoritjes hierheen genoot hij.
– Abma communiceerde in het persoonlijke valk wat moeilijk, zo werd wel gezegd. Dat kan ook een oorzaak zijn van het feit dat hij niet door de gehele achterban werd begrepen.
– Abma’s vrouw overleed in 2005 te Elburg, waar ze in verpleeghuis De Voord opgenomen was.

Gepubliceerd in maart 2008