Ds. I. Kievit

n.a.v. H. Hille, De tijd is kostbaar. Ds. Izaäk Kievit (1887-1954). In de branding van het kerkelijk leven, Kampen 2002

Uit een teruggetrokken en afstandelijk gezin
Izaäk Kievit werd op 6 november 1887 te Oud-Vossemeer op het eiland Tholen geboren in een gezin van elf kinderen, waarvan er vier jong overleden. Vader Leendert was boerenknecht geweest, maar had zich opgewerkt tot een eigen boerenbedrijfje. De familie Kievit stond bekend als streng hervormd. Ze leefden wat teruggetrokken en afstandelijk. Lichamelijk waren ze niet al te sterk. Vader Kievit ging heel zijn leven bekommerd zijn weg, pas aan het einde van zijn leven kwam hij tot ruimte. De prediking in de Dorpskerk beviel hem niet. Maar in 1900 deed de eerste predikant van gereformeerde richting zijn intrede. Toch bleef Kievit thuis een preek van een oude schrijver lezen, terwijl hij alleen in de kerk kwam om zijn kinderen te laten dopen. Naar afgescheiden kerken ging hij niet.

Studeren in Utrecht
Reeds als kind kende Izaäk diepe indrukken van God en worstelde hij met levensvragen. HBS deed hij in Bergen op Zoom. Het duurde een hele tijd voordat hij daar kwam: eerst met paard en wagen naar Tholen, vervolgens via de pont en de tram. Soms reisde hij samen met plaatsgenoot Johan Jacob Timmer, die ook hervormd predikant zou worden. Na de HBS ging Kievit naar Utrecht om theologie te studeren. Als jong student had hij last van heimwee naar het Thoolse land en zijn ouderlijk huis. Studiegenoten leerden hem kennen als een student ‘vol levensernst’. Hij was nauw betrokken met studentenvereniging Voetius. De geplande systematische bespreking van Calvijns Institutie daar werd wel begonnen, maar niet voortgezet. Ze hadden te hoog gegrepen. De eerstejaars klaagden over de moeilijke woorden en termen. Het gevolg was dat het aantal leden flink daalde.

Prof. H. Visscher
Met name prof. H. Visscher imponeerde Kievit. Nooit vergat hij de uitspraak die de hoogleraar meerdere malen op college deed: ‘Mijne heren, gijlieden moet wederom geboren worden en anders zult gij Gods Koninkrijk niet zien. Dan alleen zult gij waarlijk Gods kerk kunnen dienen, anders weet een godvrezende boer meer van de waarheid dan gij’. Prof. Visscher stimuleerde Kievit tot grondige studie van de bronnen, met name van Calvijn. Kievit zou in zijn studententijd en heel zijn leven de Institutie en Calvijns Bijbelcommentaren zich eigen maken. Kievit zou een kenner van de geschriften van Calvijn worden.

Geen doctoraalexamen
Kievit legde zijn kandidaatsexamen cum laude af. Prof. Visscher wilde dat hij doctoraal examen zou gaan doen vóór zijn kerkelijk examen. Visscher zag hem wellicht als zijn opvolger. Het onderwerp was: ‘Cartesius en de gereformeerde theologie zijner dagen’. Vlak voor het einde van zijn doctoraal kreeg hij er zo’n afkeer van, dat hij de studie afbrak en kerkelijk examen deed. Hij kreeg beroepen uit Arnemuiden, Garderen, Bleskensgraaf en Ottoland en nam dat naar Garderen aan. Toen Kievit later in Baarn stond, zou prof. Visscher nog een paar keer naar hem toegekomen zijn waarbij hij zei: ‘Jij moet morgen je doctoraal doen, ik zal zorgen dat je slaagt. En je moet daarna promoveren’.

Garderen
Kievit trouwde drie weken voor zijn intrede met de vijf jaar oudere Johanna Klootwijk uit Papendrecht. Hun huwelijk werd gezegend met vier kinderen. Op 28 november 1915 bevestigde ds. K.J. van den Berg Kievit tot predikant met de tekst van 1 Kor. 14:8, over de bazuin die geen onzeker geluid moet geven. Intrede deed hij met Jes 40:6-8. ‘Een stem zegt: roep. En hij zegt: wat zal ik roepen? Alle vlees is gras (…) maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.’ Garderen was een heel uitgestrekte gemeente: 1200 zielen en een groot buitengebied. Kievit was de eerste niet-confessionele predikant in Garderen.

Strenge uitstraling
Aanvankelijk legde hij het bezoekwerk lopend af. Dit kostte hem veel tijd. Daarom vroeg hij of hij zijn fiets mocht gebruiken. Zijn hele leven zou hij geregeld op de fiets te vinden zijn, want autorijden heeft hij nooit geleerd. Kievit had iets stringents over zich. Zijn strenge uitstraling deed sommigen aan een politieagent denken. In het dorp was een herberg waar veel militairen hun avond doorbrachten. Als er vechtpartijen waren, ging Kievit er steevast op af en probeerde de vechtenden uit elkaar te krijgen. Het toezicht op de leer en het leven van de gemeenteleden was scherp. Ouders die geen regelmatige kerkgangers waren mochten hun kind bijvoorbeeld niet laten dopen. Kievit was een streng leermeester op catechisatie. Hij wilde zijn catechisanten veel kennis bijbrengen. Hij legde grote nadruk op de heilsfeiten.

Hij, Immanuel, kwam net op tijd
Kievit kon scherp zijn in de prediking. Toen de kerkenraad in conflict kwam met de schoolmeester van de openbare school, sprak Kievit ervan dat ‘zijn haat zich op satanische en helse wijze geopenbaard had’. In zijn prediking was hij ontdekkend en afsnijdend. Hij beperkte zich niet tot het geestelijk leven, maar betrok er het hele leven bij in gezin, staat en maatschappij. Kievit werd in zijn eerste predikantsjaren naar eigen zeggen tot de volle ruimte gebracht na veel bekommerdheid en duisternis tijdens een dankdagpreek over ‘Gij dwaas, deze nacht zal men uw ziel van u afeisen’. Kievit zei daarover: ‘Hij, Immanuel, kwam net op tijd, geen ogenblik te vroeg, noch te laat’. Wel hield God hem kort, hij was vaak bedrukt en doodbrakende, zo zei hij.

Benschop
In 1918 vertrok hij naar Benschop, een kleinere gemeente (1000 zielen). Afscheid nam hij met de woorden ‘Ik neem heden tegen ulieden tot getuige de hemel en de aarde: het leven en de dood heb ik u voorgesteld, de zegen en de vloek’ (Deut. 30:19). In Benschop bevestigde ds. D.J. van de Graaf hem met de tekst ‘En Filippus deed zijn mond open, en (…) verkondigde hem Jezus’. Kievit deed intrede met ‘Evenwel het vaste fundament Gods staat…’ De gemeente kwam onder zijn leiding tot nieuwe bloei. Kievits preken waren gloedvol. Meermalen was hij tot tranen toe bewogen. Hij zette dan zijn bril af en veegde zijn ogen zorgvuldig met de zakdoek af.

Lunteren
Kievit trok uit de Lopikerwaard veel kerkgangers. Zelfs kwamen gezinnen uit de Gereformeerde Kerk over. In 1920 nam hij het beroep naar Lunteren aan, na voor veel beroepen te hebben bedankt. De Waarheidsvriend had zelfs zijn naam af en toe uit de beroepingsberichten weggelaten, waardoor men hoopte dat de aandacht van de vacante gemeenten minder op Kievit zou zijn gericht. Lunteren telde 3500 zielen. Het kerkgebouw werd tijdens zijn periode aanmerkelijk vergroot, tot 900 zitplaatsen. Tijdens de verbouwing schijnt het volgende gebeurd te zijn: Kievit wilde de akoestiek van de kerk testen. Terwijl hij dacht dat er niemand meer in de kerk was, beklom hij de kansel en sprak uit: ‘Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden’. Echter, er was nog een metselaar in de kerk aanwezig, en hem werden deze woorden tot eeuwige zegen. Een dergelijk verhaal is trouwens ook bekend van Spurgeon.

Baarn
In 1923 vertrok Kievit naar Baarn. ‘De eeuwige God zij u een woning’, zo was de afscheidstekst. Baarn werd zijn laatste gemeente, ondanks de vele beroepen. Beroepen kwamen er onder andere van Oosterwolde (1922) en twee maal Elburg (1917 en 1942). Het dorp Baarn kende een stuk middenstand, twee arbeiderwijken en daarnaast een groot aantal villa’s van de rijken. In die kringen heerste een voorname, op de Bijbel georiënteerde humanistische geest. Baarn was altijd ethisch geweest. Het collatierecht lag tot 1920 nog bij de ambtsheerlijkheid Soestdijk, maar dit gaf geen problemen.

Opwekkingen
Reeds jarenlang bestond er in Baarn een kleine bevindelijk gereformeerde onderstroom. Die was gevoed vanuit een opwekking in de omgeving van Lage Vuursche (19e eeuw, ds. H. Bax). Deze opwekking had een uitstraling naar omliggende plaatsen als Hilversum, Baarn en Maartensdijk. Voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog was er in Baarn mede door import spontaan een opwekkingsbeweging op gang gekomen. Deze opwekking was geen conventikelvroomheid, maar eerder verwant aan het Reveil. Er leefde een duidelijk hervormd kerkelijk besef, waardoor men niet wilde uitwijken naar afgescheiden kerken.

Tweede predikantsplaats
Aanvankelijk wilde de Baarnse kerkenraad geen ruimte geven aan een dergelijke prediking. De uit Amsterdam afkomstige C. Balke vroeg aan de toenmalige predikant: ‘Ik tref hier een groepering aan, die toch een wat andere prediking begeert. Mogen wij op maandagavond in het gebouw van de kerk een dominee laten komen?’ Dit werd toegestaan, meestal op woensdagavond. In 1922 besloten dertig gemeenteleden een kerkelijke kiesvereniging op te richten, ‘De Heere is onze Banier’. Aanvankelijk dachten ze aan een confessionele predikant, maar toen er een tweede predikantsplaats werd gesticht (de gemeente had 4500 leden) kon aan een gereformeerde bonder worden gedacht.

Baarnse elite liet banken onbezet
Zo werd Kievit beroepen. Hij deed intrede met ‘Verkondigende vrede door Jezus Christus’ (Hand. 10:36). Bij de bevestiging werden de verhoudingen al op scherp gezet. Bevestiger Van der Graaf liet zingen Ps. 126:1, en tijdens het voorlezen van de regels ‘Toen hieven zelfs de heid’nen aan / De HEER’ heeft hun wat groots gedaan’ keek hij nadrukkelijk in de richting van de Baarnse elite, die ’s middags en ook verder de hele periode van Kievit in Baarn hun banken onbezet hield.

Verhoudingen op scherp
In Baarn bezat Kievit geen eigen (wijk)kerkenraad. Met zijn ethische collega diende hij de hele gemeente. De gemeenteleden konden zich richten tot de predikant van hun keuze. De groep rond Kievit vormde een minderheid. Kievit koos geheel in de lijn van prof. Visscher zeer scherp positie tegen de ethischen. ‘Tussen ons en de ethischen ligt Gods onfeilbaar Woord’, zo zei hij eens. ‘Een hond blaft wel als men zijn meester aanvalt en zou ik dan zwijgen, wanneer Gods waarheid wordt aangerand? (…) Niet het brute ongeloof is het grootste gevaar voor Gods kerk, docht de verfijnde dwaling is veel gevaarlijker’. Meer dan eens wendde hij zich in de avonddienst tot de aanwezige kerkenraadsleden met het verwijt: ‘Jullie hebben vanmorgen onder een verkeerde leer gezeten’. De verhouding tussen de ethischen en gereformeerden lag gedurende zijn hele periode in Baarn scherp.

‘Calvijn’ opgericht en gebouwd
In de kerkenraad zaten weinig, en in de jaren dertig zelfs geen geestverwanten van Kievit. Voor een deel was hij daar zelf debet aan. De ethischen waren er niet op uit de hervormd-gereformeerden geheel te weren. Ze wilden wel een zeker evenwicht bewaren, maar Kievit speelde het principieel en wilde geen kerkpolitiek, maar gewoon op elke vacature een hervormd-gereformeerde naam. Hierdoor kwam er niet één hervormd-gereformeerde in de kerkenraad. Omdat in Baarn maar één kerk was, deden de beide predikanten om de beurt dienst. Het verzoek om twee morgendiensten te beleggen werd afgewezen. Kievit en zijn geestverwanten besloten buiten de kerkenraad om een soort tweede dienst te beleggen. Hiertoe werd een vereniging opgericht: ‘Calvijn’. In 1925 kon een gebouw in gebruik worden genomen. Het werd een kerk met 450 zitplaatsen zonder toren. Nu kon het gereformeerde deel tweemaal op zondag de gereformeerde woordbediening horen. De samenkomst in het gebouw ‘Calvijn’ was een soort evangelisatiedienst, zoals men dat toen noemde; geen officiële kerkdienst dus. De predikant droeg in ‘Calvijn’ bijvoorbeeld geen toga. Verder was bijna alles hetzelfde.

Contact met de vromen
De beide groepen te Baarn groeiden uit elkaar. Baarn had een heel aparte, vrijgevochten positie. Kievit had te maken met een ethische en later midden-orthodoxe kerkenraad, die nauwelijks bij hem in de kerk kwam. Soms was er niemand die hem naar de kansel leidde. Hij moest dan zelf de deur van de consistoriekamer sluiten. Collecteren werd dan gedaan door collectanten van ‘Calvijn’. In 1929 werd Kievit ernstig ziek, een maagoperatie was nodig. Toen hij er doorheen gekomen was preekte hij over ‘Het leven is mij Christus, het sterven gewin’. Kievit had veel contact met de vromen in de gemeente. ‘Mijn vader had voor godvrezende mensen een scherpe neus’, zo zou zijn zoon ds. L. Kievit later zeggen. Toen zijn zoon in Schoonrewoerd stond, wees zijn vader hem eens op een gemeentelid met de woorden: ‘Jongen, die ene vrouw moet je in de gaten houden, want die weet van het bloed van Christus’.

Koninklijk Huis
Baarn was ook de gemeente waaronder de bewoners van paleis Soestdijk ressorteerden. Het prinselijk (en later koninklijk) gezin was lid van de Baarnse hervormde gemeente. De leden van het Koninklijke Huis kerkten ook wel in Baarn, ze hadden een eigen bank. Kievit zag ze echter zo goed als nooit onder zijn gehoor. Wel heeft koningin-moeder Emma eenmaal onder zijn gehoor gezeten. Kievits collega leidde in 1938 de doopdienst van prinses Beatrix. De leden van het Koninklijk Huis kerkten dus nooit bij Kievit, ook niet als hij één keer in de veertien dagen in de morgendienst voorging, want dan kerkten ze in de aula van een Baarnse middelbare school, waar een afdeling van het Nederlands Luthers Genootschap voor In- en Uitwendige Zending samenkomsten belegde! Dit alles moet Kievit wel gestoken hebben. Hij reageerde ook eens ongemeend fel op de hofprediker, prof. dr. H.Th. Obbink. Kievit noemde hem vanaf de kansel ‘zo blind als een mol’. Kievit bleef wel oranjegezind.

Twee kanten
Kievit was niet groot van postuur, hij zag veelal bleek. Kievit bezat geen sterke gezondheid. Hij had een opgewekte natuur. Scherp lette hij op tekenen van geestelijk leven in zijn gemeente. Wanneer hij maar de geringste ritselingen daarvan meende waar te nemen, ging hij naar de betrokkene toe, zo ondervond ook een jongeman die had gehuild onder een preek. Kievit had ook een andere kant. Was de verhouding met een gemeentelid verstoord, dan kon hij afstandelijk, kortaf, ja zelfs afwijzend, hooghartig en onverzoend reageren. Soms lagen vriend en vijand voor hem vlak naast elkaar. Hij was een sterke persoonlijkheid van wie een groot gezag afstraalde. Van gemaaktheid en vrome praatjes had hij een afkeer. Aan ‘vrome mensen’ had hij een hekel.

Ritmisch zingen geen probleem, goed zelfs
Aan tradities en gewoonten hechtte hij weinig waarde. Hij zocht steeds naar de bijbelse grond. Ritmisch zingen vond hij bijvoorbeeld prima. na de Tweede Wereldoorlog werd dit in Baarn ingevoerd, en hij had er geen bezwaar tegen. Integendeel, nadat hem duidelijk was geworden dat de oorspronkelijke psalmmelodieën ritmisch waren en het zingen op hele noten in de pruikentijd ingevoerd was, ontpopte hij zich zelfs als een voorstander van de ritmische zangwijze. Met argumenten van emotionele aard hield hij zich niet bezig. Het zingen in Baarn was een drama, zo verteld ds. J. van der Haar: ‘De organist speelde wel op zogenaamde hele noten, maar zo vlug, dat de gemeente nog maar nauwelijks een nieuwe regel zong, of Gerard (Kievits zoon die organist was, muziek studeerde en zijn vader voor zijn ideeën won) was al aan het einde van die regel gekomen. Weinig stichtelijk’.

Verkleinwoorden
Soms kon hij met zijn standpunt op de lange tenen van bepaalde vromen trappen, maar dat maakte hem niet uit. In een artikelenserie over ‘Het krijgen van teksten’ schreef hij over de voorkeur in sommige kringen om verkleinwoorden te gebruiken: ‘Dat is niet bijbels’. En ook zegt hij: ‘Wanneer wij zorgvuldig het zielenleven nagaan, dan blijkt ons, dat ook veel imitatie, nabootsing, op dit gebied voorkomt. Er kan een jacht zijn op het krijgen van woorden om mee te tellen. Dit is diep zondig en dwaas’.

Misstanden rondom het consistoriegebed
Bij in zijn ogen bestaande misstanden legde hij onverbiddelijk de vinger. Het gebed voor de dienst in de consistoriekamer ervoer hij soms als zo’n misstand. Dat gebed hoorde een korte bede voor de predikant, de preek en de hoorders te zijn. Een ouderling die zich liet gaan in een omhaal van woorden, kon op een vermaan rekenen. Het moet eens zijn gebeurt dat hij zelf een eind aan dat gebed maakte met de woorden ‘Amen, het is meer dan tijd, broeder!’ Zo’n geval is er ook van prof. G. Wisse bekend. Er gaat ook een verhaal dat hij onder het zich in lengte uitstrekkende gebed van de ouderling zich omdraaide naar het raam. Naar buiten kijkend wachtte hij het amen af, waarna hij de ouderling wees op het oneigenlijke van dit gebed. Wanneer het gebed soms een preek wordt is het geen steun meer maar een last voor hem die erdoor gesterkt moet worden.

Plotselinge confronterende vragen
Het pastorale werk was in Baarn niet altijd Kievits sterkste zijde. Hij beperkte zich tot zijn eigen groep. Het geschiedde in de eerste plaats vanaf de kansel. Daarnaast kwam dit aspect naar voren in zijn meditaties in het Gereformeerd Weekblad. Niemand ging bij Kievit ongewaarschuwd heen. Met grote vrijmoedigheid sprak hij met iedereen die hij tegenkwam over het geloof. Dan vroeg hij vaak: ‘Heb jij dat ook geleerd?’ Uitgever Bout van het Gereformeerd Weekblad zag er daarom altijd tegenop als hij de kopij voor het blad bij Kievit kwam ophalen. Heel plotseling kon Kievit een vraag stellen. Bij zijn gemeenteleden liep hij de deur niet plat.

Calvijn en oude schrijvers
Kievit had een analytische inslag. Zijn prediking getuigde van diepgaand Schriftonderzoek en nauwkeurige exegese op grond van de grondtalen die hij volledig beheerste. Hij las Calvijn in het oud-Frans en Latijn. Daarnaast las hij theologen van de 17e en 18e eeuw, zowel voetianen als coccejanen. Hoewel hij de oude schrijvers hoogachtte, behield hij toch altijd een zekere reserve. Ze dragen namelijk het stempel van hun tijd. En er zijn er ook ‘die dor zijn, zich te buiten gaan aan vele aanhalingen uit heidense schrijvers, te weinig Christus prediken en bij de kenmerken van de wedergeboorte blijven staan’.

Christusprediking
Kievit preekte altijd vanaf een schets. Vaak las hij gedeelten van de preek letterlijk voor vanaf die schets. Het kon echter ook voorkomen dat hij er niet eens op keek. Hij was voortdurend met de mensen in gesprek. Hij bleef in zijn prediking niet steken in stichtelijkheid. Keer op keer benadrukt hij in zijn prediking de betekenis van de heilsfeiten. ‘Niet weinigen prediken de wet en komen aan Christus nauwelijks toe. (…) Er is weinig levende Christusverkondiging in onze dagen. (…) We beleven een vreemde tijd. Aan de ene zijde een oppervlakkig christendom zonder kennis van ellende en verlorenheid, aan de andere zijde ook een brede zoom van mensen, die menen in hun blindheid, dat zij niet verlost en gered behoeven te worden. Ze hebben het vaak nog druk over Gods tijd om hun ongeloof te bemantelen, maar weten niet, dat hun tijd om zich te bekeren en God God te laten altijd daar is’.

Woord en sacrament
Kievit wees het verlangen naar bijzondere openbaringen af. Hij wees erop dat de Heilige Geest werkt in gebondenheid aan Woord en sacrament. Een gemeentelid was een keer niet aan het avondmaal gekomen. Toen Kievit er naar vroeg zei hij: ‘Och, ja, mijn moeder zei altijd…’ Kievit viel hem in de rede: ‘Aan deze woorden van je moeder heb je niets, luister liever naar de woorden van je Vader’. Toen iemand beweerde dat hij in een droge sloot avondmaal gevierd had, antwoordde Kievit dat het daar dan wel erg modderig zal zijn geweest. Kievit was er tegen niet te spreken over de verkiezing op de preekstoel. ‘O, wat kan een oprechte ziel gekweld, ja gefolterd worden door de vraag of wel ooit een goed werk door de Heere is begonnen; of ze zelfs maar niet aan het werk zijn getogen’. De duivel valt een vol schip aan, geen leeg schip.

Ambtsopvatting
Kievit had een hoge ambtsopvatting. De predikant moet van de dienst des Woords leven. ‘Tijd voor studie om in staat te zijn de tijd, waarin wij leven, te verstaan, toe te nemen in grondige kennis der Schriften, wil men niet geestelijk verarmen’, achtte hij van groot belang. Zijn collega’s raadde hij aan om veel nieuwe preken te maken. ‘Wie zijn preken moet uitschrijven wage het niet, als hij rond is, zijn stapeltje om te keren en van nieuws te beginnen’. Elders zegt hij: ‘Aan dat onderzoek, dat vorsen, dat graven in de schat des Woords, ontbreekt veel, daarom zijn veler preken in en buiten onze kerk van rechtzinnige leraars, zo dor, zo eentonig, zo eng begrensd, zo weinig diep, al zijn zij wellicht uiterst traditioneel en vol term maar weinig kern, of zonder beide’. De predikant moet niet naar aanleiding van de tekst preken, maar uit de tekst.

Predikant moet niet teveel preken
Kievit vond het een bedenkelijk verschijnsel dat de zaterdag voor de predikanten steeds meer een spreekdag werd op samenkomsten of landdagen. ‘De predikant heeft afzondering nodig’. ‘Als uw dominee op zaterdag bij u komt binnenlopen, vraag hem dan: Dominee, ik had u op uw studeerkamer veracht, gij zijt niet welkom!’ De preken voor de zondag kostte Kievit zeker twee dagen. ‘Soms, als ik lees, dat men vijf, zesmaal per week preekt, denk ik wel eens: (…) werken ze lange dagen en studeren ze in de nacht? (…) Praten ze er op de duur maar op los, zonder tekstuitleg, zonder orde? En de bevinding, die men preekt, is in tal van opzichten zeer aanvechtbaar. Het lijkt bovendien vaak meer op een theorie over de bevinding dan wezenlijke verkondiging’.

Geen dominee in de politiek
Kievit kon het niet rijmen dat een predikant tot een andere staat des levens overging. Daarom kon in zijn visie op het ambt van dienaar des Woords ook niet verbonden worden met andere functies en ambten. Slechts in het geval men geroepen werd tot professor in de theologie kon men naar zijn gevoelen ambtstitel en ambtsbevoegdheden behouden. Kievit keerde zich dus ook frontaal tegen degenen die (met behoud van hun emeritaatsrechten) een plaats in de volksvertegenwoordiging innamen. ‘Schoenmaker, houd je bij je leest’. Voetius had ook al geschreven over een predikant die in de politiek was gegaan. Een particuliere synode besliste toen dat hij hiermee zijn bediening had verlaten, en onwaardig was om het predikambt te blijven bekleden. Zelfs het kandidaat stellen voor de Tweede Kamer vond Kievit onaanvaardbaar. Kievit zegt ergens: ‘Het is dan ook een beslist bewijs van innerlijke zwakte, wanneer een politieke partij in de leiding het van de dominees en godsdienstonderwijzers moet hebben’. Hij doelde hiermee natuurlijk op de SGP.

Kerkenraad en kerkvoogdij wilde hij niet scheiden
De toestand van de kerk verontrustte Kievit en regelmatig liet hij zijn stem horen, bijvoorbeeld tegen het vrouwenkiesrecht (de kerkenraad van St. Annaland werd in die tijd afgezet wegens weigering hiervan). Kievit kwam ook in een commissie die de predikantstraktementen moest onderzoeken. Omdat er geen rekening was gehouden met de enorme inflatie na de Eerste Wereldoorlog werd er in veel pastorieën grote armoede geleden. Aanvankelijk weigerden honderden hervormde gemeenten te voldoen aan een bijdrage of aanslag om dit allemaal te verbeteren. Zulke gemeenten mochten vervolgens bij een predikantsvacature niet gaan beroepen. Kievit kritiseerde de scheiding van bestuur en beheer in de gemeente. Naar zijn gevoelen kwam de kerkenraad ook het beheer van de stoffelijke goederen toe.

Geen lid meer van de Gereformeerde Bond
Er komt afstand tussen Kievit en het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond naar aanleiding van het voorstel Ontwerp van en regeling tot reformatie van de Kerk der belijdenis onder de Synodale Organisatie. De commissie die dit voorstel deed, en waarvan Kievit deel uit maakte, wilde de vorming van een organisme binnen de Ned.Herv.Kerk. Predikanten, ouderlingen, diakenen en gemeenten die wilden staan op basis van Schrift en belijdenis, dienden zich binnen de kerk te verenigen tot Nederduits Gereformeerde Gemeenten met eigen kerkenraden, ringen en classes, waarin de belijdenisgeschriften streng zouden worden gehandhaafd. Het accent kwam dus te liggen op de plaatselijke gemeenten. Het hoofdbestuur vond dit eigenlijk gelijk aan een afscheiding en het zou als zeer verwarrend gaan werken. Kievit bedankte voor het lidmaatschap van de Gereformeerde Bond. Kievit isoleerde zich echter niet. Mede aan zijn appel is het te danken dat de bond toch een gereformeerde lijn bleef volgen. Het Gereformeerd Weekblad fungeerde als een soort contragewicht. In dit blad keerde hij zich samen met prof. Visscher tegen de voorstellen van de verenigingen Kerkherstel en Kerkopbouw (respectievelijk confessioneel en ethisch). Woelderink betoonde zich er voorstander van.

Gereformeerd Weekblad minder meditatief, meer vormend
Het Gereformeerd Weekblad werd steeds meer een blad van voorlichting en meningsvorming en minder meditatief, wat het daarvoor vooral was geweest. Het hervormd-gereformeerde volksdeel had behoefte aan principiële voorlichting, want ze versnipperde en vertoonde onkerkelijke neigingen. Kievit was niet overdreven kritisch naar de Bond toe, maar wilde wel staan voor het oorspronkelijke bondsstandpunt. Prof. Visscher deed een voorstel tot samenspreking tussen de Waarheidsvriend en het Gereformeerd Weekblad, maar ‘de Bondsheren wilden geen eenheid. Zij wensten noch prof. Severijn, noch ds. Kievit, de laatste vooral niet. En van deze laatste wilde ik mijn niet scheiden’, aldus Visscher. In een artikelenserie over het antinominisme bestreed Kievit de opvattingen van dr. De Lind van Wijngaarden, die ook in de scheurkalender van de GZB stond. Door deze bestrijding beëindigde de GZB dit.

Politiek
Het stemgedrag van bonders liep sterk uiteen: een deel stemde CHU, de meerderheid ARP en een klein deel SGP. Kievit behoorde aanvankelijk tot het AR-kamp. Hij bedankte daar in 1924 echter voor. Sindsdien was hij van geen enkele politieke partij meer lid. In 1935 trad prof. Visscher uit de ARP. Hij richtte een nieuwe politieke groepering op: de CNA (Christelijke Nationale Actie). Struikelblok voor samenwerking met de SGP was de vrijheid van godsdienst. Hervormd-gereformeerden als oefenaar J. Vroegindeweij uit Middelharnis en ds. J. van Rootselaar te Hagestein gaven adhesie aan deze partij. Kievit niet openlijk, maar zijn sympathie ging er wel heen.

Woelderink en Kievit
Vanouds liepen er twee lijnen door de Bond: een sterk verbondsmatige lijn en de ‘wedergeboortetheologie’. Woelderink en Kievit stonden lijnrecht tegenover elkaar. Woelderink wilde het subjectivisme in de gemeente bestrijden, maar Kievit vreesde dat Woelderink het leven van dat volk niet kende. De harde, confronterende wijze van benaderen van Woelderink deden velen van dat volk zich van hem afkeren. ‘Het is vaak zo schampend en kwetsend’, aldus Kievit. Terwijl ‘aan de andere zijde de kritiek mild is op degenen, die met klaarheid afwijken van de belijdenis’. Visscher zegt ergens: ‘Met harde redeloze oordelen bekeert men de mensen in de gemeente niet van hunne dwalingen. Zij blijven zich met de oude schrijvers beroepen op het Woord. En daaraan hebben zij gelijk. Gelukkig de gemeente, waarin nog zulk volk zit!’ Kievit stemde wel toe dat het gaat om het zich toevertrouwen aan Gods beloften, maar hij vreesde bij Woelderink oppervlakkigheid. Beiden meenden zich te kunnen beroepen op Calvijn. Volgens Kievit kende Woelderink de gereformeerde theologie ‘niet genoegzaam’ én hij mist ‘de nodige affiniteit’ met haar.

Geen afscheiding
Kievit wist niet waar hij anders heen moest gaan dan in de Ned.Herv.Kerk. Afscheiding was voor hem geen alternatief. ‘Nooit hebben onze vaderen het beginsel van afscheiding voorgestaan. Dit deden wel de donatisten, labadisten en wederdopers. Nooit zal dit heilloze beginsel goed kunnen worden, of voordeel aan de waarachtige gemeente kunnen aanbrengen. (…) Het beginsel der scheiding trekt ons minder dan ooit’. In eigen kerk zag Kievit genoeg ketterijen: ‘Wanneer er een verderfelijke leugenleer wordt gebracht, kunnen wij niet opgaan, ook al is het een bondsdominee, of een zich confessioneel noemend predikant, dan wel een zich noemende vriend van Kohlbrugge. Dit is juist het benauwende van onze tijd, dat het verraad zo groot is aan Gods waarheid onder de leuze van echte gezonde gereformeerdheid’.

Over de Gereformeerde Gemeenten
Kievit las eens een preek van ds. E. du Marchie van Voorthuijsen. Hij zei: ‘Gaarne waarderen we het vele goede in deze preek. Toch bevredigt ze niet en het gevaar is niet denkbeeldig, dat er meer aan “term” dan aan kern wordt geboden’. De pennenvruchten van Kievit werden door ds. G.H. Kersten waarderend ontvangen. Hij beval zijn boeken aan de lezers van De Saambinder aan. Een hervormd-gereformeerde vond dit raar. Kievit leerde immers een drieverbondenleer en stond toch dichter bij ds. Jongeleen dan bij Kersten? Kievit wilde echter in deze leergeschillen niet betrokken worden. Wat hij wel zegt (naar aanleiding van de kwestie rondom ds. R. Kok): ‘We verwerpen hartgrondig de gerationaliseerde verkiezingsleer, zoals deze in de Gereformeerde Gemeenten en elders wordt geleerd en gepropageerd. De bediening des Woords wordt erdoor verkracht en Sion schreit eronder. Het wordt verdedigen en verwerpen van stellingen, een dorre en dode beweging’. Ook keurt Kievit de methode van bewijsvoering af, ‘die meer lijkt op een wild citatenspel uit oude schrijvers, dan een godvruchtige bijbelse uiteenzetting om tot overeenstemming te geraken’.

De Duitse bezetting
Prof. Visscher stond aanvankelijk kritisch tegenover Hitler en zijn antisemitisme, maar door zijn steeds negatievere houding tegenover het westerse democratisch stelsel veroordeelde hij in verloop van tijd de NSB niet meer zonder meer. Nederland kon in vele opzichten van Duitsland leren, zo vond hij. Hij ging steeds positiever staan tegenover het nationaal-socialisme. De jodenvervolgingen braken weliswaar zijn hart, maar anderzijds zag hij het als een voltrekken van een oordeel dat door de hand van Hitler als instrument van God uitgevoerd werd. Kievit deelde de opvattingen van Visscher niet. Maar hij viel hem in het openbaar niet af. Hij wilde het politieke en geestelijke uit elkaar houden.

Visscher eruit
De Duitse inval in mei 1940 zette de zaken op scherp. Visscher stelde zich pro-Hitler op terwijl Kievit de bezetting noodgedwongen aanvaardde. Kievit schreef artikelen als ‘Het gebed voor de overheid’ en ‘De houding jegens de overheid’. Hij zei dat het gebed voor de bezettende macht geen pro-instelling inhoudt. ‘Wij staan dus allerminst aan de zijde dergenen die in hetgeen aan ons volk overkwam eigenlijk een weldaad zien.’ Aan Visscher liet hij weten dat volgens hem de bezetting van Nederland door Duitsland ‘niet rechtvaardig naar Gods wet’ was. Zo kwam Kievit tot een openlijke positiekeuze. Hij liet vervolgens weten te bedanken als redacteur van het Gereformeerd Weekblad. Uitgever J. Bout uit Huizen koos daarop de zijde van Kievit en Visscher beëindigde zijn werkzaamheden voor het blad.

Invloed van Visscher
Kievit bleef Visscher hoog achten. Wel gaf hij toe dat Visscher zijn eigenaardigheden en zwakke zijden had. Maar daarover wilde hij niet schrijven. Kievit behield een kritische distantie behouden ten opzichte van Visscher. Andersom was Visscher niet altijd kritiekloos over Kievits schrijfwerk. Het zou schorten aan systematiek. Visscher zei eens van een schrijfsel van Kievit: ‘Het is geen geschrift, dat aanspraak maakt op een waardering naar streng wetenschappelijk maatstaf’. Bij Kievit zijn duidelijk invloeden van Visscher te merken, zoals in zijn opvatting over de kerk (Kuyperiaanse kerkopvatting, een kerk waarin alleen plaats is voor gereformeerde belijders). Net als zijn leermeester ging een bepaalde innigheid in het geloofsleven samen met een zakelijke, soms harde opstelling jegens andersdenkenden.

In 1938 was Visscher verhuisd naar Nijmegen, waar hij zich aansloot bij de Waalse gemeente. Dit gaf wel een schok in kerkelijk Nederland. ‘Onze eenvoudige mensen schrokken. Dat verblijdt ons nu juist, want daaruit blijkt, dat zij prof. Visscher waarderen en niet kunnen missen’, aldus Kievit. De Waalse kerk is onderdeel van de Ned.Herv.Kerk, dus dat viel nog wel mee.

Harde houding, maar er kwam matiging
Zoals gezegd, Kievit kon een harde en confronterende houding aannemen jegens andersdenkenden. Zo ook tegen confessionele predikanten. ‘Zij versteende en verhovaardigde, zij ziet het historisch geloof aan voor zaligmakend geloof en heeft weinig belangstelling voor het werk des Heiligen Geestes.’ Hun prediking zou Gods openbaring aanranden en feitelijk geen Woordbediening zijn, aldus Kievit. In later jaren kwam Kievit iets terug van deze houding. Mede onder invloed van de jongere generatie en vooral van zijn zoon Leendert liet hij de denklijn van prof. Visscher wat los. Hij ging meer kerkelijk denken. Zijn geestverwanten in Baarn volgden hem daarin aanvankelijk niet.

Veranderingen Gereformeerd Weekblad
Na de Tweede Wereldoorlog deden naast Kievit ook andere predikanten mee aan het Gereformeerd Weekblad, waaronder J. van Sliedregt, J. van der Haar, J.T. Doornenbal, G. Boer, H.G. Abma, W.L. Tukker, E. van Meer, S. van Dorp, J.R. Cuperus en de Vroegindeweij’s. Het lezersaantal groeide boven verwachting. Kievit wilde het stichtelijk karakter van het blad handhaven. Wel veranderde het blad na de oorlog door de verandering van medewerkende predikanten. Opmerkelijk is dat na de oorlog de toon van Kievits artikelen ten aanzien van de Waarheidsvriend verandering onderging. ‘Wij onthouden ons steeds zoveel mogelijk van polemiek met de Waarheidsvriend, daar wij dezelfde zaak behoren te dienen’. Ook kwam dit doordat aan de kant van de Gereformeerde Bond ds. J.J. Vermaas en ds. J.J. Timmer de plaats innamen van de vooroorlogse woordvoerders Woelderink en Van Grieken. Vermaas en Timmer schreven in verzoenende geest. Een gezamenlijke afwijzende houding was er ten opzichte van de in die jaren ontworpen kerkorde. Aan het einde van de jaren veertig stopte Kievit met zijn redacteurschap; zijn gezondheid liet het niet meer toe.

Leendert Kievit
Kievits oudste zoon Leendert (1919-1990) trad in de voetsporen van zijn vader. ‘Ik heb de zaligheid Gods overhandigd gekregen door de dienst van mijn lieve vader’. Vader bevestigde zijn zoon in Schoonrewoerd met de tekst ‘Predik het Woord’, waarop zoon intrede deed met ‘Heere, open mijn lippen…’ Toen vader de bevestigingsdiensten niet meer kon leiden deed ds. G. Boer dat. Vader Kievit had een groot vertrouwen in zijn zoon. Bij bepaalde vraagstukken verweest hij nogal eens naar zijn zoon. ‘Vader en zoon waren eensgeestes’, zo verklaarde prof. Balke, die beiden goed gekend heeft door zijn Baarnse afkomst. Ze gingen in dezelfde sporen met een zelfstandige uitwerking in de eigen tijd. Vader Kievit zelf zei: ‘Ik heb het in mijn tijd gedaan, jullie tijd is weer anders’.

Baarnse contio’s
Als student werd al snel duidelijk of je een ‘kievitiaan’ of een ‘woelderinkiaan’ was, zo scherp lagen de verschillen. Vanaf het moment dat Leendert theologie studeerde kwamen er regelmatig studiegenoten in Baarn over de vloer, waar vader Kievit kennis mee maakte. Na verloop van tijd ontstond er een kring van geestverwante studenten en jonge predikanten. Ds. Kievit zou van menig kandidaat de bevestigingsdienst leiden. Zijn geestverwanten hadden een haast onbegrensd vertrouwen in Kievit. De Baarnse contio’s tussen 1939 en 1950 waren spontane samenkomsten in de pastorie en later in gebouw ‘Calvijn’ waar eerst de Synopsis puroris theologiae gelezen werd, later door iemand een inleiding werd gehouden over een onderwerp. Op zo’n dag werd ook eens in de oorlogsjaren het nationaal-socialisme behandeld. Het gevolg was dat Kievit in Amsterdam moest verschijnen bij de SD.

Minder negatief over Woelderink
In de Gereformeerde Bond tekenden zich drie groepen af: een groep ter linkerzijde (Woelderink, die later bedankte als lid), een grote middengroep en een groep ter rechterzijde (rond de persoon van ds. Kievit). Kievit zei na de oorlog echter: ‘Misschien kan van nuancering worden gesproken op sommige punten, maar in ieder geval is er geen verschil in waardering van Schrift en belijdenis. En wat de groep van ds. Woelderink betreft, wij zijn overtuigd dat inzake Schrift en belijdenis, althans met ds. Woelderink, van uiteenliggen geen sprake is’. Kennelijk was er in de loop van enkele jaren toch wel iets veranderd. Er was min of meer een brug geslagen tussen Kievit en Woelderink.

Gunnender en verbondsmatiger
Souplesse, toegeeflijkheid en inschikkelijkheid vindt je bij Kievit tevergeefs. Het gebeurde nogal eens dat hij op zijn rechten stond en daar geen afstand van wilde doen. De ouderwordende predikant ergerde zich aan verschillende dingen. Kievit heeft de scherpe kanten van zijn karakter proberen af te slijpen. Vooral na 1945 probeerde hij zijn houding te matigen. Zijn prediking werd in die jaren ook minder scherp. Sommigen spraken zelfs van gunnender, verbondsmatiger. Waar Kievit voor de oorlog nog kon toornen over uiterlijke zaken als vrouwenkleding en kort haar bij vrouwen, hoorde je hem hierover na de oorlog niet meer. Sommigen namen dit hem kwalijk. Dit heeft Kievit veel verdriet gedaan. De laatste jaren vielen hem zwaar. Hij had een sombere toekomstverwachting over de Baarnse gemeente. De oude generatie vromen was er niet meer en hij zag weinig nieuw geestelijk leven. Toen er in het begin van de jaren vijftig sprake van was dat er in Baarn wijkkerkenraden gevormd zouden worden en er mogelijk ook een gereformeerdebondskerkenraad voor de groep rond Kievit verkozen zou moeten worden, vroeg de predikant zich vertwijfeld af: ‘Waar moeten we daar de mensen voor vandaan halen?’

Overlijden
De gezondheid van Kievit ging hard achteruit. Hij leed onder een reumatische aandoening en had last van zijn maag en nieren. Hij moest zich aan een streng dieet houden. Zijn lichaam was scheefgegroeid. Op 7 juli 1950 beklom hij voor het laatst de kansel: ‘Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil’. Tijdens zijn ziekbed heeft hij nog één keer het avondmaal gevierd, met de gemeente van Putten. Met ingang van 1 januari 1953 ging hij met emeritaat. Zijn zoon leidde de afscheidsdienst. De afbraak van zijn lichaam ging onherroepelijk door. Hij werd uitgemergeld. Toch wilde hij op de hoogte blijven van de theologische ontwikkelingen. Kievit zei op zijn ziekbed eens: ‘Maar in dit smartelijk verdriet, mistrouwt mijn hart Uw goedheid niet’. Hij kon ook zeggen: ‘Ik heb niet vergeefs geleefd’. Zwager D.J. van der Graaf kreeg de laatste woorden van hem te horen. Op zijn vraag hoe het met hem ging, antwoordde Kievit: ‘Wij hebben Vaders Zoon aan boord, en veilig strand voor ’t oog’. Op 4 juni 1954 overleed ds. Izaäk Kievit, 66 jaar oud.

Begrafenis
De kist werd door een achttal jongere predikanten grafwaarts gedragen, waaronder G. Boer, J. van Sliedregt (die aan het graf sprak en na een jarenlange vacante periode Kievit in Baarn zou opvolgen) en J.T. Doornenbal. Psalm 87:2 en 68:2 werden gezongen. Ds. Doornenbal schreef in de Veluwse Kerkbode: ‘Het was een zeldzame begrafenis. (…) Ik denk aan het aangrijpende woord van zijn zoon tijdens de rouwdienst: “Hij mocht gaan slapen. En hij was erg moe”’.

Overige
– Beide zwagers van Kievit waren eveneens predikant: D.J. van de Graaf en T. Hoekstra.
– Bij zijn 25-jarige ambtsjubileum sprak ds. J.C. Terlouw van Garderen de jubliaris toe en kenschetste hem als een ‘in heilige zin onverdraagzaam mens’.
– In 1918 richtte hij met andere predikanten waaronder J.J Timmer het blad De Weegschaal des Woords op.
– In de consistorie duldde hij geen gesprekken over wereldse zaken, zelfs niet over het weer. Wel informeerde hij bij de aanwezigen of God nog iets gedaan had aan hun geest.
– Voor de aanvang van de dienst knielde Kievit op de trap van de kansel neer.

– Kievit voelde zich sterk verwant aan David, en dus met het psalmboek.
– Toen hij eens met zijn zoon Leendert liep te wandelen, wees hij de jongen op de telefoonpalen. ‘Zo is mijn leven, het verloopt van zondag tot zondag, evenals de draden tussen twee palen: van de ene top naar de andere (want daar zijn ze vastgemaakt), maar daar tussenin hangen ze veel lager’.
– Kievit kon scherp zijn, en van een eenmaal ingenomen standpunt kwam hij niet gemakkelijk terug.
– ‘Zijt gij daar wel eens geweest, mijn lezer, in het rechthuis, waar de vierschaar is gespannen? Ja, zeker, ge komt er gewis, en het beste is dat gij er geweest zijt voor gij gedwongen wordt er te komen’.
– ‘Op de kansel doceert men niet (…) leest men geen akten voor van een notaris (…) maar bedient het Woord.’
– Kievits pennenvruchten waren niet altijd oorspronkelijk. Wellicht zal tijdgebrek en werkdruk daaraan wel mede debet zijn geweest. Niet voor niets schreef hij eens: ‘De tijd is kostbaar’. Zo nu en dan bracht hij gedachten van anderen als waren het zijn gedachten naar voren (ook in lezingen), bijvoorbeeld hele stukken van Calvijn, Spurgeon, B. Wielenga en H. Bavinck. Dit is natuurlijk niet goed te praten.
– Niet iedere predikant of kandidaat die voor gereformeerd wilde doorgaan had meteen het vertrouwen van Kievit. In een tijd van veel vacante gemeenten en veel kandidaten kon hij het wel begrijpen dat menig kerkenraad toch niet gemakkelijk een kandidaat beriep.
– In 1936 verscheen van zijn hand Tweëerlei kinderen des verbonds. Het onderwerp van het verbond der genade stond in die jaren sterk in de belangstelling. Kievit was achteraf niet erg gelukkig met deze publicatie. Hij zou er zelfs afstand van hebben genomen aan het einde van zijn leven. Publiekelijk heeft hij dit echter nooit gedaan. Hij zou er nooit mee hebben ingestemd het werkje ongewijzigd te herdrukken.
– Kievit verleende zijn medewerking aan het Gereformeerd Weekblad gedurende 1931-1950. Hij zag de lezers een beetje als een gemeente.
– Kievit sprak liever van ‘voorafgaande werkingen’ dan van ‘voorbereidende genade’.
– Kievit wilde niet spreken van een ‘bekommerde kerk’. ‘Dan kan ik er nog veel meer bij maken. Men zou dan gemakkelijk zes of zeven kerken kunnen onderscheiden, wat niet schriftuurlijk is’.
– Visscher zegde net als Kievit op een bepaald moment zijn lidmaatschap van de Gereformeerde Bond op.

– Kievit sprak veelal voor een groot gehoor. Een enkele keer zei hij openlijk aan de gezichten van zijn hoorders te kunnen zien dat ze hem niet begrepen. Iemand die dit vaker van hem meemaakte zei: ‘Dat was toch een uitdrukking die ik later minder passend ben gaan vinden’.
– De prediking van Kievit riep naast veel waardering ook kritiek en tegenstand op. Na een dienst in Gouda kwam één van de Goudse predikanten hem in de consistorie zeggen dat de prediking geen evangelieverkondiging was geweest. Kievit vond hem maar remonstrants.
– Prof. Hugo Visscher overleed in 1947 op 82-jarige leeftijd.
– Volgens ds. W.L. Tukker is het te danken aan Kievit dat de Christusprediking in gereformeerde kring weer meer centraal was komen te staan, zodat de oude aanklacht als zouden gereformeerde meer de christen dan de Christus prediken minder dan voorheen werd gehoord.
– Was Kievit een ‘gekrookte-rieter’? Nee, daarvoor was, met name in zijn latere levensjaren, zijn blikveld te ruim. Maar er valt wel een lijn te trekken met de groep rondom hem en de groep rondom het blad Het Gekrookte Riet (1981-2004).
– In 1938 waren er in de Ned.Herv.Kerk 188 predikanten van gereformeerde richting (niet-gezangen zingende predikanten).
– De jonge Leendert Kievit ging wel eens gebukt onder het feit dat men hem steeds weer vergeleek met ‘de oude Kievit’, zijn vader. De mensen zeiden: ‘Het is toch de oude niet!’ ‘Weet je waar het op vastzit?’, zei Leendert dan: ‘Ze hebben mijn vader niet begrepen!’
– Ds. Jacob van Sliedregt (1914-1973) was predikant in Eemnes-Buiten, Vuursche, Bleskensgraaf, Huizen, Ede, Putten, Baarn en Ouderkerk aan den IJssel. In 1971 werd hij directeur van de GZB. Op 27 oktober 1973 overleed hij bij Lexmond na een auto-ongeval. Van Sliedregt wordt beschouwd als een geestelijke zoon van I. Kievit. Van Sliedregt was niet zo ingenomen met het fenomeen van buitengewone wijkgemeente. ‘Die vorm zal ons ook nooit bevredigen, omdat het hervormd-zijn zo diep in ons hart wortel heeft geschoten en we kerkelijk – wijl schriftuurlijk – denken. Dat “buitengewoon” blijft altijd bij ons schrijnen’.

Gepubliceerd in juli 2008