Ds. J.T. Doornenbal

n.a.v. Jeannette Donkersteeg, Die heimwee hebben, komen Thuis. Het leven van ds. J.T. Doornenbal, Utrecht 1996

Het leven is een vreemde reis, ons hart een donker ding
Ds. Doornenbal was iemand die voor menigeen een vreemdeling bleef. Er doen veel anekdotes over hem de ronde. Dat is er een bewijs van dat hij enerzijds dicht bij de mensen stond, maar anderzijds een deel van zijn persoonlijkheid voor hen verborgen hield. Ondanks zijn schijnbare openhartigheid in de Veluwse Kerkbode was Doornenbal ten diepste een gesloten mens. Hij was een man die veel strijd kende en die alleen – in de binnenkamer – uitvocht. Zijn lievelingsregels waren: ‘Het leven is een vreemde reis, ons hart een donker ding’ (M. Nijhoff).

Mee naar gezelschappen
Jacobus Teunis (Co) Doornenbal werd op 29 november 1909 in Doorn geboren als zoon van Hendrik Doornenbal en Tonia de Greef. Hij werd in de hervormde (confessionele) Maartenskerk van Doorn gedoopt. Doornenbal was ernstig en zwijgzaam en moeders lieveling. Op de dorpsschool blonk hij uit. Zijn lessen leerde hij al lopend over de landweggetjes rondom de boerderij. Al vroeg ging hij met zijn moeder mee naar de ‘gezelschappen’.

Langzaam zingen
Doornenbal ging talloze keren naar de oude kerk van Neerlangbroek, die hem even lief was als die in zijn eigen woonplaats. Hij vond het er vooral fijn omdat de psalmen er zo langzaam werden gezongen. In Doorn was zijn vader diaken. Het dorp op de Utrechtse heuvelrug telt talloze prachtige, historische gebouwen, waaronder Huis Doorn, waar in 1919 de Duitse ex-keizer Wilhelm II kwam wonen. Dit gebeurde toen Doornenbal tien jaar oud was. De nieuwe bewoner van Huis Doorn bracht maar liefst 59 wagons met kostbare meubels en serviesgoed uit zijn Duitse paleizen mee. Hij nam zo’n zestig man personeel in dienst. Hij vertoonde zich geregeld in het dorp.

Duitse Keizer als buurman
Het is niet onmogelijk dat Doornenbal de keizer meer dan eens in levenden lijve heeft ontmoet. Hij hoefde maar door het hek schuin tegenover hun huis te kijken of hij blikt al in de tuin van Wilhelm II. Het landgoed van Huis Doorn grensde bijna aan de voortuin van het huis van de Doornenbals. Merkwaardig genoeg heeft hij in de vele pennenvruchten die hij later zou schrijven, nooit met een woord over zijn bijzondere en beroemde overbuurman gerept.

Afkeer van lawaai op zondag
Doornenbal moet een serieuze jongen zijn geweest. Al vroeg had hij een afkeer van de toenemende zondagsontheiliging. Toen er almaar meer verkeer op de wegen kwam, bad hij verschillende keren of God alle auto’s wilde opnemen om ze in de diepte van de zee te werpen. Die afkeer van auto- en bromfietslawaai op de zondag heeft hij zijn hele leven gehouden. Hoogtepunt van het kerkelijke jaar in zijn kindertijd was de landelijke zendingsdag in Driebergen.

Theologie studeren
Het was aanvankelijk niet zijn keuze predikant te worden. In zijn hart voelde hij zich boer en later zei hij dat hij dat ten diepste misschien ook wel altijd gebleven was. Aan de andere kant trok de talen- of literatuurstudie hem. Doornenbal zegt hier in 1960 over: ‘Ik hoorde vorige week een man van een adviesbureau voor beroepskeuze zeggen dat als iemand heel erg onhandig en stom was, hem de raad gegeven werd theologie te gaan studeren. Zodat ik op mijn ouwe dag toch nog tot de ontdekking kom dat ik ’t juiste vak heb uitgezocht. Ik heb er lang genoeg aan getwijfeld!’

Boordevol emoties
Honderden keren liep hij door de bossen bij zijn ouderlijk huis, boordevol emoties die hij nergens kwijt kon. Vreugde en verdriet, moedeloosheid en geluk om de machtige schoonheid van de schepping kon hij met anderen niet delen. ‘En God weet hoe zwaar dat is’, zo schreef hij in 1961. ‘Zo zijn er telkens momenten in deze dagen van de morgen tot de avond en bij elke voetstap die ik zet, waarin het verleden weer bovenkomt, en ik verdring het niet langer. Maar er is te veel en de kracht der herinnering zo sterk, dat ik mij toch wel bedwingen moet, want de tranen zitten dan vooraan, al zou ik niet kunnen zeggen wat voor tranen, van teerheid, van aandoening, van weemoed om een verloren jeugd en een leven dat voorbij is en niet gebracht heeft wat het had moeten en kunnen brengen’.

Wij leven ’t heerlijkst in ons verst verleden
Hoewel hij aan de ene kant over een verloren jeugd sprak, zou hij aan de andere kant altijd met heimwee aan zijn jonge jaren terugdenken en waren ze voor hem de gelukkigste periode van zijn leven. ‘Wij leven ’t heerlijkst in ons verst verleden; de rand van het domein van ons geheugen, de leugen van de kindertijd, de leugen, van wat wij zouden doen, en nimmer deden’, zo citeer hij Du Perron. Vaak staarde Doornenbal naar een plaat aan de muur waarop een oude hofstee aan het water stond. Bij de boerderij was een brug waarover het vee ging en erachter stond: ‘The hour of rest’. ‘Ik kende toen nog geen Engels en ik dacht dat het betekende: “Te huur of te koop”. En dan hoopte ik dat ik het nog eens zou kunnen huren of kopen, want het leek me de volmaaktste plek om er te wonen’.

Rijke fantasie
Doornenbal was al jong een echte boekenwurm. Hij las met rode oren over de voortrekkers en scherpschutters van Zuid-Afrika, de wild-westverhalen van Karl May over de prairies met de roodhuiden en de mustangs, verhalen die hem soms ziek van verlangen maakten. Geen moment kon hij vermoeden dat hij ooit zelf op één van zijn reizen zou spreken met een indiaan en zou slapen in een blokhut in de bergen. Zijn wegdromen in de boeken ontwikkelde in hem een rijke fantasie.

Literatuur
Na de basisschool volgde het Christelijk Lyceum in Zeist. Hij voelde zich er niet echt thuis en was een eenzame leerling, altijd gezeten op de achterste bank, dromerig voor zich uitkijkend. Thuis en in de bossen voelde hij zich het prettigst. Daar droomde hij weg en verdiepte hij zich in de literatuur. Menig kerkbodelezer of kerkganger zou van hem woorden van Shakespeare, Goethe, Rilke, Roland Holst, Nijhoff en Achterberg horen. Op bijna twintigjarige leeftijd begon hij zijn theologiestudie in Utrecht. Hoge verwachtingen had hij niet van de studie. Hij sloot zich aan bij studentenvereniging Voetius (hij zou het schoppen tot assessor). Hij was snel afgeleid, afwezig, dromerig. Een mens die bovendien meer hechtte aan beleving dan aan formulering.

Geestelijke crisis
In 1931 deed hij belijdenis van zijn geloof. In zijn derde studiejaar hield Doornenbal voor Voetius zijn eerste preek over 2 Kor. 7:10a ‘Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid’ (kritiek was: de toon van de voordracht was wat zangerig). Doornenbal maakte tijdens zijn studiejaren een geestelijke crisis door. Zoals zoveel theologiestudenten belandde hij aanvankelijk in een tijd van verwarring en vertwijfeling. Hij onderzocht alle dingen, bevond zich onder het gehoor van vrijzinnige en moderne hoogleraren, maar bezocht ook nog steeds de gezelschappen. Met al zijn vragen en twijfels kon hij zich uiteindelijk alleen in de laatsten herkennen. Zo werd hij één van hen.

Geen kerkmuren
Kerkmuren bestonden er niet voor Doornenbal. Hij luisterde soms naar de oud-gereformeerde ds. Blaak, die nog de gewone boerendracht droeg. Soms fietste Doornenbal naar een klein lokaal tussen de koeien in een buurtschap bij Woudenberg, waar door de week oefenaars en predikanten spraken en waar hij later zelf ook preken zou. Vaak moest zijn dan denken aan de opwekking die deze streek onder ds. Michiel Christiaan Vos (1759-1825) had gekend en waarover oude mensen hem wel eens vertelden.

Stemmingsmens
Doornenbal bleek in zijn studententijd al een typisch stemmingsmens, die ontzettend gebonden was aan de sfeer van mensen en gebouwen. Een kleinigheid kon een hele dienst voor hem verknoeien. Een studiegenoot vroeg zich in stilte wel eens af of Doornenbal zich echt voor de theologie interesseerde. Hij had soms de indruk dat hij meer belangstelling voor literatuur dan voor theologie had. Ondenkbaar zijn die vermoedens niet. Doornenbal was een gevoelsmens bij uitstek. Hij was een diepe denker die geen strakke lijnen trok, hij kende altijd een mystieke ondertoon.

Goethe
Over een roeping heeft hij nooit gesproken. ‘Ik kan evenwel niet ontkennen dat er ook een drang was naar het ambt. Er was vreze des doods en verlangen naar de eeuwige dingen’. Op zijn 18e maakte hij een fietstocht langs de Rijn in Duitsland. Er ging een wereld voor hem open. De romantische Rijn, de machtige Keulse Dom, de heuvels met de ruïnes prikkelden zijn fantasie. Heel dichtbij kwam hier ook de grote Goethe (‘dat gelukkige mensenkind’):

Selig, wer sich vor der Welt
Ohne Harz verschliesst,
Einen Freund am Busen halt,
Und mit dem geniesst.
Was von Menschen nicht gewusst
Oder nicht bedacht,
Durch das Labyrinth der Brust
Wandelt in der Nacht.

Proefpreek
In oktober 1933 hield Doornenbal zijn proefpreek in Utrecht. Zijn medestudenten waren bijzonder nieuwsgierig hoe hij voor de dag zou komen. Welke kant zou hij opgaan? De gereformeerde? De ethische? Hij was van huis uit wel gewend een gezang te zingen en kende er ook veel uit zijn hoofd, maar zijn gedachtenwereld lag toch op een andere lijn dan de confessionele. Het werd ‘de gereformeerde kant’. De tekst voor zijn eerste preek was Jes. 42:3a ‘Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen’.

Apart figuur
‘Als student viel Co Doornenbal zeker op. In het begin van zijn studie was hij heel anders dan aan het einde ervan. Aanvankelijk voelde hij zich nogal aangetrokken tot de ethische beweging. Later is hij helemaal opgeschoven naar rechts’, aldus een studiegenoot, die hem typeerde als een ‘aparte figuur’. ‘Hij is voor mij altijd een raadsel gebleven. Ik heb hem ontmoet, ik heb veel van hem gehouden, ik heb alles gelezen wat er door hem en over hem is geschreven, maar vraag je me nu: Ken je Co Doornenbal? Dan zeg ik: Nee!’

Woubrugge
Toen kandidaat Doornenbal het land in mocht om te gaan preken, reisde zijn moeder trouw mee om met trots en eerbied naar haar oudste te luisteren. Hij stelde zich nog niet meteen beroepbaar. Hij wilde liever nog wat studeren. Toch kwamen er beroepen, eerst uit Rijnsaterswoude, waar hij voor bedankte. Toen Woubrugge (een confessionele gemeente) hem een jaar later beriep, nam hij het aan. ‘Ik dacht: dan kom ik op de kansel van Comrie te staan’. Jongelui uit Woubrugge zeiden: ‘Jongens, heb je ’t al gehoord? Die kandidaat die hier laatst preekte, komt! Hij zeurde een beetje’.

Wie is bekwaam?
Studievriend ds. J.J. Poldervaart bevestigde hem op 8 maart 1936 in het ambt. Zestig jaar later zei die: ‘Doornenbal had zulke mismoedige tijden, waarin hij dacht niets te kunnen. Eens zei hij me: “Ik had maar beter boer kunnen worden”. Toen heb ik gezegd: “Je moet je schamen! Je werkt met zegen!”’ Bij Doornenbal leefde de vraag ‘wie is bekwaam tot de dienst des Woords?’ sterk. Doornenbal betrok met zijn huishoudster Johanna Cornelia Hofs (toen 41 jaar) de statige pastorie aan de Comriekade. De consistorie was aan de overkant van een weg opzij van de kerk, die elke zondag door een kleine stoet van zwarte mannen werd overgestoken, waarvoor de kerk een ontheffing van het verbod op processies had gekregen!

Een eindje wandelen
Hij viel middenin het winterwerk dat nog aan de gang was. Toen de avond van de aanneming van nieuwe lidmaten achter de rug was, deelde hij de catechisanten mee: ‘De kerkenraad heeft uw kennis voldoende bevonden, maar zelf kan ik me daar niet bij aansluiten’. De dienst ging desondanks door. Hij preekte over de tekst ‘Heere, gedenk mijner’. Soms ging Doornenbal ’s avonds om half tien nog even aan bij een geestelijke vriend en vroeg dan: ‘Ga je mee een eindje wandelen’.

Ironie over kerkgangers
In 1936 richtte hij een mannenvereniging op, evenals een kerkbode, ‘Immanuël’. Doornenbal publiceerde hierin onder andere een aantal korte artikelen over Wulfert Floor, de Erskines, Andrew Gray en Alexander Comrie. Later zou ds. I. Kievit hem vragen om een serie artikelen over Wulfert Floor in het Gereformeerd Weekblad te schrijven. Deze artikelen zouden later in boekvormen verschijnen. Ook gaf hij enkele ‘Practische wenken voor sommige kerkgangers in onze gemeente’:

1. Begin met ’s Zondagsmorgens zo laat mogelijk op te staan. Niemand kan u kwalijk nemen, dat ge dan eens uitslaapt.
2. Besluit ge dan, na enig aarzelen, om toch maar naar de kerk te gaan, wacht dan tot de klok 10 uur geslagen heeft, voor ge op weg gaat.
3. Blijkt ge per ongeluk toch aan de vroege kant te zijn, blijf dan bij de brug staan, tot de voorzang half is uitgezongen. Ge heb er immers niets aan om zolang onnodig in de kerk te zitten.
4. Kom vervolgens binnen als de dienst al aan de gang is; dan kan iedereen zien dat ge in de kerk zijt en men heeft daar rekening met u te houden: iedereen moet voor u opstaan, ge trapt uw buurman op zijn tenen en gooit de stoof van uw buurvrouw omver.
5. Hebt ge dan eindelijk uw plaats bereikt, geef dan, door luid te hoesten, nogmaals blijk van uw aanwezigheid.
6. Als de preek u niet interesseert, laat het dan merken door duidelijk blijken van vervelen en zet uw onderbroken nachtrust voort.
7. Ga vooral geen tweemaal naar de kerk, zoals al die huichelaars doen, die altijd de kerk platlopen, en ’t er in ’t leven niet half zo goed afsturen als gij. De kerk kan u niet zalig maken! En we zijn niet Rooms!

Preken voorbereiden
De kerk van Woubrugge is nooit zo goed bezet geweest als in de dagen van Doornenbal. ‘Hij had iets mystieks. Je merkte dat aan zijn wonderlijke woordkeus (…) Als hij klaar was (met zijn schriftuitleg en toepassing) en z’n boekje in zijn binnenzak had gestoken, vouwde hij z’n handen over de kanselbijbel en dan kwam de bevinding’. Z’n preken leerde hij ’s morgens vroeg uit zijn hoofd als de boeren in het land zaten te melken, terwijl hij almaar rondjes liep in de polders rond het dorp. Aanvankelijk liet hij behalve psalmen ook gezangen zingen, zoals de gemeente gewend was. Langzamerhand verdwenen die gezangen uit de liturgie. Zijn vader zou daar kritiek op gehad hebben: ‘Je bent met gezangen beroepen, dan moet je je daar ook aan houden’. Een lievelingspsalm van Doorenbal in die tijd was Ps. 85. Een veel aangehaald gezang was:

Geest des Heeren, kom van boven,
Laaf met Uw genadegloed
Alle zielen die geloven,
Doe ze blaken in Uw gloed.

Kievitkring
Zondagsavonds kwam er regelmatig een groepje gemeenteleden in de pastorie praten. Als iedereen vertrokken was, stapte de dominee de treden van zijn pastorie af en wandelde door de donkere nacht naar de brugwachter om met hem nog wat na te praten. Doornenbal behoorde tot de groep predikanten rond ds. I. Kievit en het Gereformeerd Weekblad. Tot De Waarheidsvriend voelde Doornenbal zich minder aangetrokken. In 1936 schreef Doornenbal in de kerkbode voor het eerst iets over zijn grote liefde voor de Veluwe. ‘Hoevelaken is een trouwe, meelevende, ouderwetsche gemeente, van het Veluwsche type, met sterk bevindelijke inslag en groote belangstellende liefde voor het woord der waarheid’.

Lastige mensen
Moeder Tonia stierf in 1937 op 63-jarige leeftijd. In Woubrugge bleven de beroepen komen. Doornenbal kreeg best veel tegenkanting, bijvoorbeeld toen hij de bid- en dankdagdiensten overdag ging houden in plaats van alleen ’s avonds en een kerkenraadslid heeft later eens gezegd: ‘De hemel verhoede dat we ooit weer zo iemand krijgen als ds. Doornenbal’. Doornenbal zegt over zijn eerste gemeente dat het wel de trouwste, maar niet de gemakkelijkste was. ‘Ik kan zelfs niet geloven dat er in het vaderland lastiger plaats is, met lastiger mensen. Ze vechten er letterlijk over elke dominee en elke preek’.

Teergevoelig
Later schreef hij: ‘Ik was te jong. En als ik er nu aan terugdenk hoe zwaar het was, kan ik nog niet begrijpen hoe ik erdoor ben gekomen. Ik geloof niet dat er een dag was waarin ik niet dacht: het gaat niet, ik moet eruit stappen en naar huis teruggaan’. Een gemeentelid blikt terug: ‘Dominee was een teergevoelig man. Voor zichzelf was hij heel moeilijk. Nooit kon hij eens spontaan lachen. Toen hij aan het ziekbed stond, zei de zieke later: ‘Ik moest eigenlijk meer de dominee troosten, dan dat hij het mij heeft gedaan’. Het was net alsof hij altijd een zware last meedroeg.

Naar Kesteren
In 1939 kwam het beroep uit Kesteren. Hij nam het aan. Het blad ‘Immanuël’ werd opgeheven, maar vond in Kesteren een doorstart. Het was oorlogstijd. Veel van zijn schapen zouden geëvacueerd worden, omdat er in het gebied veel werd gevochten. In Kesteren kon je ’s zondagsmorgens al vroeg de zware voordeur van de pastorie horen opengaan. Dan stapte de dominee naar buiten om z’n preek te leren. Hij liep dan almaar rondjes door de tuin en om het huis en dreunde eindeloos de preek op, die hij voor zich hield.

Eerbied in de kerk
Wat Doornenbal stoorde was het ‘overbodig hoesten en vooral snuiten onder het voorgebed’. Zijn leven lang zou hij er nauwlettend op toezien dat er in de kerken waar hij preekte eerbied was. Slecht of snel zingen, slapen, praten en hoesten in de kerk waren hem een doorn in het oog. ‘Ik heb gemerkt dat sommigen na het uitspreken van den zegen dadelijk in het gebouw al, een sigaret of sigaar aansteken. Vrienden, dat moesten we toch niet doen’. Toen er middag- in plaats van avonddiensten kwamen (ze kregen geen elektrische stroom) merkte Doornenbal op: ‘We kunnen bij welzijn in de komende maanden ’s nachts lang genoeg slapen, zodat het middagslaapje wel kan vervallen’.

Oorlog
In 1942 kwamen er hoorders in de pastorie. Ze kwamen echter niet voor Doornenbal, maar voor een dominee in een naburig dorp. Die viel echter tegen en toen besloten ze de avonddienst bij hun gastheer mee te maken. Die dienst maakte zo’n indruk dat men besloot Doornenbal te beroepen. Het was onder andere B. Marijs uit Arnemuiden, en een vriendschap voor het leven werd gesloten. In 1944 ontbrandde de strijd weer in alle hevigheid. De Engelsen landden bij Arnhem. Het ene na het andere vliegtuig stortte brandend neer. De frontlinie liep dwars door Opheusden heen. Ds. Doornenbal en ds. T. Dorrestein (gereformeerde gemeente) werkten samen. Doornenbal raakte in deze dagen een groot deel van zijn boeken kwijt. De pastorie raakte zwaar beschadigd en de kerk – evenals die van Opheusden in de eerste oorlogsdagen – raakte zwaar beschadigd.

Samen met de gereformeerde gemeente
De Duitsers noemden Doornenbal ‘der verrückte Pfarrer’, de man die zich nergens wat van aantrok. Spertijd (avondklok) of niet, hij ging zijn gang. Gerard Kievit, zoon van ds. I. Kievit, een begaafd musicus met een fijn gemoeds- en gevoelsleven, kwam in die dagen veel en graag in de pastorie. Na de oorlog bleef er een goed contact tussen ds. Dorrestein en Doornenbal. Alle kerken van Opheusden en Kesteren lagen aan het einde van de oorlogsjaren plat en maandenlang hielden de beide hervormde gemeente, de gereformeerde gemeente en de oud-gereformeerde gemeente samen dienst in de veilinghal. Ds. Doornenbal nam de ene dienst voor zijn rekening en ds. Dorrestein de andere. De verschillende kerkenraden liepen afwisselend gezamenlijk achter de één of achter de ander aan. ‘Het was de merkwaardigste kerkenraad die ik ooit meegemaakt heb’. De gemeente zat op kisten en planken en velen zouden later nog wel eens terugverlangen maar de eensgezindheid van die tijd.

Oene
In 1946 verschenen er voor de zoveelste keer hoorders in de kerk van Kesteren. ‘Oene?’ schrok de dominee, die niet eens wist dat de gemeente vacant was. Na het kennismakingsbezoekje aan dit dorpje dacht hij: ‘Ik weet het niet, maar ik geloof dat ik verkocht ben…’ Hij werd door ds. I. Kievit bevestigd. Doornenbals nieuwe woning was een statige, witte pastorie uit 1860. Meteen op de maandag na zijn intrede ging hij ’s morgens vroeg per fiets naar Deventer om de zieken in het ziekenhuis te bezoeken. ‘Van hem gold niet het spreekwoord: hardlopers zijn doodlopers. Hij is getrouw gebleven tot het laatst’, zo zegt een oud-gemeentelid.

Thuis op de Veluwe
De catechisanten moesten veel leren, naast de catechismus ook een psalmvers, meestal verzen waar de geloofsstrijd, de eenzaamheid en het verlangen in werden uitgezongen. Ook kregen ze bijbelse geschiedenis. ‘Hij vond dat wij geen snars van de Bijbel afwisten’. Doornenbal voelde zich snel thuis op de Veluwe. Misschien kwam dat door de bossen, die hij liefhad en die hem herinnerde aan de bossen waarin hij geboren en opgegroeid was. Misschien kwam het door zijn heerlijk huis met de grote tuin waarin hij zich helemaal uit kon leven, en met het plekje bij de haard vanwaar hij over de tuin heen een ‘verrukkelijk’ gezicht op het dorp had. Misschien kwam het door het eenvoudige boerenvolk dat zijn dominee op handen droeg.

De wijzen uit het oosten
De kerk van Oene was oud. Een deel ervan stamde van voor de 12e eeuw. Met zijn mooie gewelven was het een kerk die paste bij de man uit Doorn. De Oener kerkenraad had gezocht naar een vreedzaam man, die de boel bij elkaar zou weten te houden. Er waren in Oene zowel Bonders als vrijzinnigen. Vooral uit de oostkant van Oene waren er die in Epe gingen kerken. Gekscherend werden ze wel ‘de wijzen uit het oosten’ genoemd. Doornenbal kon diep verdrietig over tegenstand worden, maar ging er zelden ontactisch tegenin. Hij had ‘iets lieflijks’ in zich, zo won hij verschillende dorpelingen, die aanvankelijk niet meer naar de kerk kwamen. Doornenbal kende dit gedicht van A. Roland Holst:

Ik zal de halmen niet meer zien
Noch dragen ooit de volle schoven.
Maar leer mij in de oogst te geloven
Waarvoor ik dien.

Niet in een hokje
Doornenbal paste uitstekend in het klimaat midden-orthodox met een rechtzinnige inslag. Hij wilde niet gerekend worden tot een modaliteit. Zijn preken hadden iets van een spectrum: de ene keer bevindelijk, de andere keer meer confessioneel. Hij was niet bepaald boeiend in zijn voordracht, maar een opmerkzaam hoorder kon fraaie staaltjes van beeldspraak en zinsbouw opmerken.

Hanepoten
In 1947 klaagde hij in de kerkbode dat er zeker nergens ter wereld meer onkruid was dan in de tuin van een pastorie. Vooral de hanepoten kostten hem hoofdbrekens. Ook schreef hij zich vertwijfeld af of hij er wel goed aan deed van alles over het wel en wee in zijn tuin te schrijven. ‘Sedert in enkele, toch werkelijk niet wereldschokkende mededelingen deed over de stand van zaken in de pastorietuin, krijg ik elk ogenblik de vraag te horen: “Dominee, hoe gaat het met de hanepoten?” Terwijl nooit iemand vraagt naar de toestand van het geestelijk leven in de gemeente’.

Zendingsmiddag in de tuin
Meteen in 1947 organiseerde hij de eerste zendingsmiddag van Oene in z’n eigen tuin. Er kwamen ruim vijfhonderd mensen naar de pastorietuin. Wel was hij ’s morgens half ziek ‘bij de gedachte aan de verwoesting, die door jong en oud kon worden aangericht’. Alleen op regenachtige dagen had de zendingsmiddag in het kerkgebouw plaats en vanaf 1960 wordt ze daar altijd gehouden.

Vreugde in het schrijven
Het was W. Dijkhof die Doornenbal in zijn begintijd in Oene tot het schrijven aanzette. Een aantal jongesn uit de gemeente zat toen in Indië en Dijkhof zei: ‘Dominee, u moet eens wat meer in de kerkbode schrijven. Dat is fijn voor onze jongens, dan blijven ze meeleven’. En zo begon hij. ‘Ik zou me dit ogenblik wel willen vastleggen: deze schone, stille lentedag, de weelde van de bloeiende natuur (…) Maar een dominee is geen dichter, en kerkbodestukjes zijn geen verzen’. ‘Er is nauwelijks een groter vreugde dan het neerschrijven van de dingen die een mens ter harte gaan’.

Humor als gave
Hoewel Doornenbal regelmatig zijn twijfel over het nut van zijn schrijverij uitspraak, wist hij ook dat velen in de omtrek zijn stukjes met graagte lazen. Sommigen waren alleen geabonneerd op de Veluwse Kerkbode om zijn stukjes te lezen; anderen bladerden eerst naar Oene voordat ze de rest van de kerkbode lazen. ‘Ware humor is een goede gave in ons leven. Ze is, in haar diepste betekenis, een glimlach die doorbreekt door de tranen van ons levensleed en onze levensstrijd. Zonder humor was ons leven toch heel triest en troosteloos. Een mens die nooit eens glimlachen kan over z’n eigen getob, maar die alles van zichzelf even gewichtig en ernstig neemt, is toch wel een uitermate naargeestig en hopeloos geval’.

De brede en smalle weg
Ook uitgevers kregen in de gaten dat Doornenbals pennenvruchten populair waren. Ze maakten van die wetenschap gebruik. Geregeld stuurden ze hem boeken of muziek in de hoop dat de predikant die in de kerkbode zou aanbevelen. Als een uitgever hem de opnieuw verschenen oude plaat van de brede en smalle weg stuurt, schrijft Doornenbal: ‘Je kunt aan ’t eind van de brede weg op de smalle weg komen. Er is een brugje. Blijkbaar hoef je dan niet door ’t poortje. Of ’t moet omgekeerd zijn, dat je van de smalle nog net op ’t laatst op de brede kunt komen. Dat heb ik nooit begrepen’.

Hij las geen theologisch boek meer
Doornenbal kon wel eens scherp zijn. Bijvoorbeeld in een recensie over het boek Huurling en herder van Jan Overduin. ‘Door al die narigheden heen wordt die dominee bekeerd (…) Zo’n bekering gaat tegenwoordig trouwens wel iets anders dan vroeger, nu, sedert Abraham Kuyper, een distel behoorlijk handig een mirt kan worden. Maar ik mag er verder geen kwaad woord van zeggen’. Doornenbal las alles. Een greep uit de auteurs: Sartre, Trygve Gulbranssen, Ernst Wiechert, C. Rijnsdorp, Simon Vestdijk, Kierkegaard, Charles Dickens. Voor theologie interesseerde hij zich naar eigen zeggen het minst: ‘Het is wel treurig voor een dominee, maar helaas al te waar dat ik na mijn proponentsexamen nooit meer een boek over theologie of kerk gelezen heb. Ik kan er met de beste wil van de wereld mijn gedachten niet bijhouden: na twee of drie bladzijden weet ik absoluut niet meer waar ’t over gaat en ik schei er mee uit of val in slaap’.

De hoedenkwestie
De veelgehoorde uitspraak dat ds. Doornenbal kon zeggen en schrijven wat geen enkele predikant zich kon veroorloven is ten dele waar. Soms echter kreeg hij wel kritiek. Bijvoorbeeld toen hij schreef (in 1961): ‘En ten slotte voor de zoveelste keer: ik zal niet uitmaken of ’t christelijk of niet christelijk is als vrouwen zonder hoed in de kerk komen, maar ’t is geen stijl! EN IK DULD HET NIET. Laten ze, als ze het toch met alle geweld willen, maar ergens anders naar de kerk gaan, waar ze ’t wel mooi vinden. Gebrek aan stijl is het ALLERERGSTE. Het is domweg een belediging. Vooral in de kerk’.

Jac. Overeem
In een discussie die in de Barnveldse Krant gevoerd werd nam Jac. Overeem het voor Doornenbal op: ‘Enkele meisjes van om de twintig in Oene weten best hoe hun dominee erover denkt en als zij dan toch als ’t ware demonstratief een andere stijl de kerk indragen, dan mogen ze verwachten dat hun dominee ten einde raad het eens een keer wat al te cru in de kerkbode aan de kaak stelt’.

Hij preekt zwaar, schrijft raar
Een andere keer schreef Doornenbal erover dat een dominee iedere dag wat handenarbeid moet verrichten. ‘Dat is goed voor het lichaam en voor de geest. En zeker zal dat goed zijn in onze tijd van intellectuele overspanning en neurotische verslapping. Vooral voor dominees en al dat soort dooie dienders en zenuwpatiënten wel in de eerste plaats’. Een lezer reageerde: ‘Hij preekt zwaar, maar hij schrijft raar’. De kritiek op zijn artikelen trok Doornenbal zich soms toch wel erg aan. Diverse keren heeft hij besloten de pen maar neer te leggen. Zo liet hij in 1948 plotseling niet meer van zich horen via de kerkbode. Een lezer had hem zeer gegriefd. Hoe de uitgever ook smeekte, de dominee liet zich lange tijd niet meer tot schrijven bewegen.

Radiokerkdiensten
Over de radio zegt Doornenbal: ‘Daar is natuurlijk niets op tegen, als er tenminste goed gebruik van gemaakt wordt’. Hij is kritisch over het luisteren naar radio-kerkdiensten in plaats van naar de kerk te gaan. Je hoeft er niets voor te doen, je schoenen niet aantrekken, ‘en je bent toch een godsdienstig mens, want je hoort een preek’. En je hoort altijd de beste preek, want aan zo’n preek heeft de radiodominee lang gewerkt. En als het te lang duurt doe je de radio gewoon uit. ‘Jammer dat ze geen ziekenbezoek of begrafenissen arrangeert. Maar daar heb je dan toch je eigen dominee altijd nog weer voor. En je moet die man ook wat gunnen!’

Nieuwe kerkorde aan de laars gelapt
In 1951 werd een nieuw kerkgedeelte in gebruik genomen, waardoor de vanaf 1948 ingestelde derde dienst niet meer nodig was. Inmiddels was er ook een nieuwe kerkorde verschenen, die onder andere voorschreef dat ambtsdragers op een bepaald moment moesten aftreden. Hij lapte dergelijke voorschriften aan zijn laars. Hij kon niet buiten de broeders met wie hij zo’n lange tijd had opgetrokken. Hoewel het nergens anders lukte, kreeg de gemeente voor deze zaak dispensatie.

Rotaryclub
Het was doorgaans stil in de pastorie. De dominee was veel van huis of in zijn studeerkamer. Hij sprak niet veel, uitte zich voornamelijk op het papier. Doornenbal sloot zich ook aan bij de Rotaryclub, die hij eens per week bezocht. Het was een groep intellectuelen die wekelijks bij elkaar kwamen om te spreken over een bepaald onderwerp. Uit elke beroepensector mocht slechts één persoon vertegenwoordigd zijn. Op een avond kwam de dominee te laat. Dat kwam omdat hij licht had zien branden in de katholieke kerk die hij passeerde, waarna hij het niet kon laten er even naar binnen te gaan. Soms speelden de leden een potje volleybal waaraan Doornenbal in zijn zwarte pak meedeed. De gemeente kon dominees lidmaatschap niet helemaal plaatsen. Eens schreef hij treurig: ‘Boze tongen beweren dat ik vrijmetselaar ben’. Doornenbal bleef lid tot de club in 1967 op zondagen ging vergaderen.

Ritmisch zingen
Bij alle veranderingen in de jaren vijftig dreigde ook het zingen in de kerken te veranderen. Sneller en ritmisch zingen raakte ‘in’. Doornenbal vond het vreselijk. ‘Ik geloof wel dat het rythmische zingen ’t oorspronkelijke is en bij sommige psalmen mooier. Maar voor de eredienst in onze grote kerken vind ik ’t toch niet geschikt’. Misschien waren er ook nadelen verbonden aan het zingen op hele noten, ‘vooral dat draaien soms, van het ene woord naar het andere’. Maar over het ritmische zingen zegt hij: ‘Ik geloof nooit dat de Heilige Geest ’t bij kan houden en ik denk dat de engelen vol afkeer hun oren dichthouden’.

Nieuwe huishoudster
In 1953 stierf juffrouw Hofs, op 58-jarige leeftijd. Stijntje van Dijk nam de plaats van de oude huishoudster in. Zij was twee jaar jonger dan de dominee en een heel ander type dan haar zwijgzame voorgangster. Het botste wel eens tussen Doornenbal en haar. Beiden wisten wat ze wilden en beiden hadden ze een karakter dat niet altijd even gemakkelijk was om mee om te gaan. Meer dan eens heeft ze haar koffer gepakt, maar altijd wist Doornenbal haar over te halen om te blijven. Doornenbal was vaak verstrooid. Hij vergat menigmaal zijn preken mee terug te nemen. ‘Laatst op huisbezoek zei een bij-de-hand deerntje: “Dominee, laat nu alstublieft uw pijp niet weer liggen, anders kan ik ‘m weer naar de pastorie brengen”’.

Op de grote, stille heide
In het voorjaar van 1957 verliet ds. Cuperus na twintig jaar zijn gemeente in Doornspijk om naar Waddinxveen te gaan. Het afscheid viel Doornenbal zwaar. Hij schreef: ‘Wat lijkt de Veluwe leeg te worden nu ds. Cuperus heengaat’. Ds. R. Joh. de Boer uit Veessen, die wel vaker op Doornenbals stukjes reageerde, publiceerde in de kerkbode het volgende gedicht:

Op de grote, stille heide
Fietst een pastor eenzaam rond.
’t Is de dominee van Oene:
‘Of hij soms Cuperus vond’.
Want zijn vriend ging van hem heen,
Helemaal naar Waddinxveen.
Hoe leeg is mijn heide!
Hoe leeg is mijn heide, mijn heide!

Gerrit Achterberg
Zo breed als zijn interesse was, zo breed was ook zijn vriendenkring. Gerrit Achterberg, vier jaar vóór Doornenbal in Neerlangbroek geboren, kwam in de jaren vijftig in contact met Doornenbal. Het werd een hechte, merkwaardige vriendschap. Achterberg komt niet bepaald als christelijk dichter uit de verf, integendeel! Velen hebben Doornenbal wat betreft zijn vriendschap met de zonderlinge poëet nooit begrepen. Achterberg ging nooit naar de kerk. Hij had in 1937 zijn hospita doodgeschoten. Doornenbal was zo vol van Achterberg dat hij in 1953 een lezing over hem hield voor de Rotary-club in Epe. ‘Ik herinner mij niet, dat ik ooit een preek met zoveel voldoening heb gehouden. Ik kon er ’s nachts niet van slapen!’

Het oude, zwijgende land
Wat heeft Gerrit Achterberg aangetrokken in ds. Doornenbal? Er was verwantschap in het geestelijk klimaat en daardoor in de beleving van het bestaan. ‘Het oude, zwijgende land, waar wij thuis horen’. Evenals Achterberg voelde Doornenbal zich een gekwelde, ook hij had ‘een doorn in het vlees’. Hoewel weggegroeid van het milieu van zijn ouderlijk huis, is Achterberg nooit losgekomen van God. Achterberg heeft ongelooflijke, existentiële worstelingen doorgemaakt. In het laatst van zijn leven keerde hij steeds meer terug naar het calvinisme van zijn jeugd. In 1962 overleed Achterberg.

Oldebroek, Oosterwolde en Elburg
Doornenbal heeft ook veel waardering voor het werk van de dichter Martinus Nijhoff, die hij eveneens persoonlijk heeft gekend. De meeste poëzie van Doornenbal is op zijn eigen brandstapels in de pastorietuin verdwenen, net als heel veel dagboeknotities, correspondentie en preken. Dit gedicht is wel bewaard:

Wanneer, van over de Wooldberg
En de bossen van Zwaluwenberg,
De winterwind waait vanuit de hoek
Van Oosterwolde en Oldebroek,
Vanaf de hoge Noorderkant
En ’t oude Elburger Zuiderzeestrand,
Dan draagt hij vandaar de herinnering mee
Als ’t ruisen der bossen en ’t bruisen der zee
Van al wat geweest is en nu voorbij.

Rijbewijs
In 1961 werd Doornenbal uitgenodigd te spreken voor de zomerconferentie van de CSFR. Ir. J. van der Graaf was toen preses. Samen met twee medestudenten moest hij in de Oener pastorie op bezoek om de dag enigszins voor te bereiden. Ze kwamen met de trein in Apeldoorn aan, waar Doornenbal, die net z’n rijbewijs had gehaald (in de 11e keer), hen stond op te wachten. Het werd een levensgevaarlijke rit. ‘…En we reden langs ’t kanaal…’ De lezing die door Doornenbal werd gehouden, zouden veel aanwezigen niet meer vergeten. Hij begon met te zeggen dat hij helemaal geen zin had. In de eerste plaats zou spreken voor studenten paarlen voor de zwijnen zijn en in de tweede plaats: híj voor studenten, dat kon helemáál niets worden. In de derde plaats had hij niets te vertellen.

Ernst en luim
Ernst en luim hebben bij Doornenbal altijd dichtbij elkaar gelegen. Aan het einde van zijn referaat waarschuwde hij z’n jonge toehoorders voor drie dingen: drank (hoewel hij even tevoren zelf nog een ‘hartversterking’ had genomen), roken (hij haalde zijn pijp en tabak uit z’n broekzak) en vrouwen. Dit slot van de ongetrouwde leverde de nodige hilariteit onder de studenten op.

Halleluja
In 1965 schreef Doornenbal: ‘Ik weet niet of het de geliefde gemeente al is opgevallen dat ik de laatste tijd in toenemende mate het woord halleluja in mijn preek gebruik. Dat komt niet omdat ik tot het halleluja-christendom bekeerd zou zijn. (…) Maar ’t komt omdat (de 3-jarige) Beppie van de meester het zo’n erg mooi woord vindt. (…) Er staat in de Bijbel: “Wee u als ge één van deze kleinen ergert”’. Er zijn meer voorvallen geweest waaruit de liefde voor de kleine kinderen bleek. Zo zei hij in St. Maartensdijk eens in zijn preek tegen een kleine jongen die zat te geeuwen: ‘Nog even m’n jongen, ik hou zo op’.

Wijzer en bedroefder
‘Geen mens was ooit tegenstrijdiger dan ds. Doornenbal’, zo zei iemand. De last die hij droeg, was zwaarder dan menigeen kon denken. Bekend werd zijn toespraak: ‘Die heimwee hebben, komen Thuis’. Na elke levenservaring was het zoals bij Shakespeare: ‘A wiser and a sadder man’, een wijzer en bedroefder man. Een enkele keer konden zijn moedeloosheid en onzekerheid in zijn bediening te ver gaan. Dan was een preek slechts één zwarte nacht en brak van het begin tot het einde er geen sprankeltje Evangelielicht in door. ‘Dominee zit in de put’, zei men dan.

En tóch, en tóch, gemeente!
Maar ook vaak werd hij wonderlijk geholpen tijdens een preek. Meer dan eens gebeurde het dat hij aan een preek begon, er na een tijdje opeens mee stopte, bijna niet meer verder kon, een andere preek uit zijn zak haalde, en dan plotseling zonder aarzelen de grote daden Gods verkondigde. Die hem vaak gehoord hebben, herinneren zich nóg zijn uitspraak: ‘En tóch, en tóch, gemeente’. Dat was zíjn uitdrukking voor het ‘nochtans des geloofs’. Soms verscheurde hij ’s morgens voor de dienst het groene schriftje waarin hij zijn preek had geschreven, ging zonder papieren de kansel op en verkondigde het Woord, zonder dat iemand merkte dat hij niets bij zich had.

Met tranen zaaien
Juist omdat er tijdens preken wonderen gebeurden, had hij er aanvankelijk zo’n hekel aan dat ze opeen gegeven moment op de band werden opgenomen. Een preek was voor Doornenbal iets eenmaligs. Doornenbal heeft vaak met tranen gezaaid en het is niet voor niets geweest dat de psalm die hierover zingt talloze keren door de Oener kerk geklonken heeft. Verdriet, neerslachtigheid, moedeloosheid en onzekerheid kenmerkten hem. Als er íemand was die kritiek op zijn persoon en op zijn werk had, was hij het zelf wel. Hij kon niet preken, hij had geen goede stem, hij wist het allemaal niet, hij rommelde maar wat aan.

Rumoer in Wezep
Bij het preken zat zijn stem (zacht, melancholiek, schijnbaar geaffecteerd, maar je zou het ook plechtig en statig kunnen noemen), hem in de weg. Met name over die zachte stem klaagde hij geregeld en waarschijnlijk was het mede daarom dat hij een gloeiende hekel aan rumoerige gemeenten had. Toen in Wezep de grote kerk eens vol met mensen zat, van wie er telkens weer een paar hoestten, zei hij halverwege de preek: ‘Gemeente, als u niet ophoudt, doe ik het’. Ook aan slapers in de kerk stoorde hij zich vreselijk. ‘De dienste van zondagmorgen was een levende illustratie van ’t tekstverband: de wijze en dwaze maagden, die allemaal in slaap gevallen waren. Hele rijen sliepen en bloc’. Volgens sommigen was Doornenbals talent om te schrijven, te studeren en mee te lijden groter dan zijn gave om te spreken.

Preekvoorbereiding
Doornenbal ging pas na gedegen studie de kansel op, met altijd wel een verwijzing naar het oorspronkelijke in Hebreeuws of Grieks. Zo hield hij eens een referaat over het laatste woordje van Handelingen: ‘Onverhinderd’. Hij sprak een half uur over de filologische aspecten van dit woord. Al zijn preken en voordrachten schreef hij compleet uit en memoriseerde hij, zodat hij de tekst nagenoeg van buiten kende. Zijn leven lang lag in het spanningsveld van zielenherder zijn en zijn brede belangstelling voor kunst. Daarom was er in zijn preken vaak niet alleen bevinding te vinden, maar ook mystiek, romantiek, literatuur, psychologie en melancholie. Doornenbal liep nooit over platgetreden paadjes. ‘Ik zou geen predikant weten die zo’n grote kring van merkwaardige, bijzondere mensen om zich heen wist te scharen als hij’. Van theologische invloeden is bij Doornenbal weinig te merken. Wel is ds. I. Kievit voor hem een voorbeeld geweest. Ook hebben mannen als Comrie en Wulfert Floor wellicht een stempel op hem gezet.

Hervormingsdag
Diep in zijn hart is Doornenbal altijd katholiek gebleven. Hij gruwde van elke afscheiding. De Reformatie had volgens hem ín de kerk moeten geschieden. Hij was niet enthousiast over Hervormingsdag. Hij was daarin een eenling. Één keer sprak hij toch op een hervormingsdag. ‘En ik had, gelijk natuurlijk van mij verwacht werd, de Roomsen er aardig van langs gegeven. Maar op de terugweg voelde ik mij zo leeg en aan het eind van alles, dat ik mijn toevlucht zocht, uitgerekend in een nonnenklooster’.

Niet ons menselijk pogen
‘Ik heb weinig begrip voor kerkelijke en dogmatische geschillen en de theologie is voor mij een gesloten boek, letterlijk en figuurlijk’. ‘Ik verlang helemaal niet naar een hereniging met de gereformeerde kerken. Ik wil die ook niet. Ze is voor mij zelfs een onmogelijkheid. Je kunt niet tot één maken, wat niet werkelijk één is, en je moet het ook niet proberen. (…) Hij heeft Israël en Juda nooit herenigd, en Hij heeft ook niet toegelaten, dat het gebeurde. Hij kon alleen een nieuwe eenheid scheppen en dat zal Hij ook zeker doen op Zijn tijd en naar Zijn welbehagen, maar niet door ons menselijk pogen’.

Bonder?
Welke predikant had vrienden uit zoveel verschillende kerken als hij? Van de Gereformeerde Kerken moest hij weinig hebben, maar evenmin voelde hij een band met de Gereformeerde Bond. Toen hem eens tijdens een bijeenkomst door een collega werd gevraagd: ‘Dominee is zeker ook van de bond?’ nam hij een stevige trek aan zijn pijp, blies de rook uit en zei: ‘Als je ’t hebt over de bond tegen het roken, heb je ’t mis’. Men schaarde Doornenbal aan de rechterkant van de kerk.

Hij miste de breedte
Hij was een echte herder. Als hij weer eens langdurig met iemand in gesprek was geweest, merkte de omgeving dat hij de problemen met zich meedroeg. Hij had zelf iets gedreprimeerds. Daardoor was hij een man die ook wel eenzaam en vaak neerslachtig door het leven móest gaan. Iemand vergeleek hem bij de grote Bavinck, die in de Gereformeerde Kerken nooit helemaal voor vol werd aangezien. Hij had in Leiden en niet in Kampen gestudeerd. Zo kwam het dat hij iets had van de breedte die de Gereformeerde Kerken miste. Bij Doornenbal was dat ook zo.

Herkenning in de hemel
De overlijdensberichten waren altijd vele malen langer dan de aankondigingen van huwelijken of huwelijksjubilea. De predikant leefde dicht bij de dood. Hij geloofde dat er een weerzien is in de hemel. ‘Sommige mensen geloven dat niet. Dan zeggen ze: je zult daar boven alleen Christus zien, je zult alleen het Lam zien, maar ik weet dat allemaal zo precies niet. Ik weet alleen dat we Abraham zullen zien en dat we Jacob zullen zien en dat we Izak zullen zien. (…) En als je de vaderen zult zien, waarom zou je dan je eigen vader niet zien en je eigen moeder. (…) En dan kún je niet al te bedroefd zijn als ze weg zijn’.

Koetjes en kalfjes
De huisbezoeken werden per fiets gemaakt, meestal met een ouderling. Een ouderling zegt: ‘Eens waren we bij een grote boer. Die bleef maar praten over koetjes en kalfjes. Er viel gewoon niet tussen te komen. Uiteindelijk moest ik maar een stukje lezen en de dominee heeft een gebed gedaan. Hij had nog geen “adem” gezegd, of de boer zei: “Sjonge, wat waren de kalveren zaterdag goedkoop op de markt!” Toen we buiten waren, stonden de dominee de tranen in de ogen: “Ik heb tevergeefs gearbeid, ik heb tevergeefs gearbeid”, zei hij’.

Niet donkerblauw, maar zwart
Als er een adres op de lijst stond waarvan Doornenbal wist dat er iets sterks zou worden ingeschonken, bewaarde hij dat voor het laatst en aan het einde van de middag: ‘En nou gaan we naar de congnac!’ Toen eens een ouderling, die het jammer vond met zijn dure zwarte pak op de fiets te zitten, het waagde om in zijn donkerblauwe kostuum huisbezoeken af te leggen, sprak Doornenbal hem vermanend toe: ‘Heb jij geen zwart pak? (…) Laat ze maar zeggen: ‘Daor komt die zwarte kreai’n an”. Het hoort erbij!’

Veel beroepen
Tijdens zijn periode in Oene heeft het beroepen geregend. Telkens als er weer eentje in de brievenbus was gegleden, voelde hij hoezeer hij aan zijn dorp gehecht was. Hij is vrijwel zeker de meest beroepen predikant van deze eeuw geweest. Dat kwam natuurlijk ook omdat hij zo lang in Oene stond. Bovendien is hij ook vaak beroepen terwijl men toch al wist dat hij niet zou komen. Al na zes jaar kreeg Doornenbal forse kritiek: was er tussen al die beroepen niet één geweest waar God hem riep? Over het bezichtigen van pastorieën gaat het verhaal dat Doornenbal ooit eens na het bekijken van wéér een predikantswoning hoofdschuddend gezegd zou hebben: ‘Nee, in zo’n huis zal mijn vrouw niet willen wonen!’

Blijven op de Veluwe
Arnemuiden was zijn grote liefde. ‘De gemeente waar ik het liefst naar toe ga van alles’. ‘Nog nooit heb ik helemaal kunnen begrijpen waarom ik tot tweemaal voor een beroep naar Arnemuiden heb moeten bedanken.’ Het gebeurde eens dat hij de woning van Marijs binnenstapte en zei: ‘Ik ben de dominee van Arnemuiden!’ Toe hij echter op de Veluwe terugkeerde, ontdekte hij hoe lief Oene hem was en meende hij dat hij er verkeerd aan had gedaan het beroep aan te nemen.

112 beroepen
Bekend zijn verhalen dat Doornenbal soms uit pure radeloosheid twee brieven op een beroep schreef: een bedankbrief en een aannemingsbrief. Hij trok één van de brieven en bracht die naar de brievenbus, daarna keerde hij terug naar huis en opende de achtergebleven envelop om te kijken of hij moest gaan of zou blijven. Toen hij eens bij thuiskomst ontdekte dat hij een beroep had aangenomen, kreeg hij zo’n spijt dat hij terugging naar de brievenbus en daar uren bleef wachten totdat die werd geleegd en hij zijn envelop er weer uit kon plukken. Doornenbal kreeg in totaal ongeveer 112 beroepen, waaronder Doornspijk (1969), Elburg (1946 en 1950), Oldebroek (1942), Oosterwolde (1957) en Wezep (1953).

Ongehuwd gebleven
Doornenbal is een eenzame man geweest. Hij ging ongetrouwd door het leven. Het moet extra zwaar zijn geweest niet dagelijks een luisterend oor te vinden aan wie hij veel mocht toevertrouwen en geen vrouw te hebben die hem altijd en overal terzijde stond. ‘Elk huis heeft zijn kruis en mijn huis heeft een dubbel kruis’, zei hij eens. Hij voelde zich niet vaak gelukkig. Hij kon wel eens humoristisch uit de hoek komen over zijn ongehuwd-zijn. ‘Kijk, ik heb helemaal geen verstand van kinderen opvoeden. En daarom heb ik ze ook niet’. En toen hij eens de gemeente vroeg hem geen cadeautjes meer te geven: ‘Als u dan beslist eens wat geven wilt om uw goede hart voor uw herder en leraar te tonen, b.v. tegen de tijd dat hij 50 jaar getrouwd zal zijn, geef hem dan maar een boekenbon’.

Geen man om te trouwen
Aan het einde van een jeugdavond vroeg één van de jongens hem: ‘Dominee, hoe kwam Kaïn aan zijn vrouw?’ ‘Jongeman’, zei hij, ‘hoe kom ík aan een vrouw!’ Hij zou wel eens gezegd te hebben dat hij graag had willen trouwen. Doornenbals geboortestreek kenmerkte zich erdoor dat er talloze mensen ongehuwd bleven. De mensen hadden iets teruggetrokkens en geslotens. Ook in zijn eigen familie bleven velen ongetrouwd. ‘Hij was een sober man. En het celibaat paste bij hem’, zo zegt iemand. Een oud-catechisant: ‘Ds. Doornenbal is een onbegrepen mens geweest. Hij was geen man om te trouwen’.

Verliefd in Oosterwolde
Voor velen was het alleen-zijn van Doornenbal een mysterie. Het was zo’n innemend man. In Woubrugge en Kesteren waren er meisjes gek op hem en reden zich blauw langs de pastorie of zaten expres voor in de kerk. Vast staat dat Doornenbal wel degelijk oog voor vrouwen had. Jac. Overeem zegt: ‘Als ds. Doornenbal ergens schrijft: “Maar twee diensten in Oosterwolde zullen mij altoos onvergetelijk blijven om meer dan één reden: de eerste maal dat ik er preekte op een winterzondagavond vol machtige emoties…” dan denken we aan een verhaal dat hier wat opheldering kan geven. De dominee die er toen stond, vertelde ons dat ds. D. er eens gepreekt had. Zoals altijd was er toen wel in het bijzonder een opvallend aandachtig gehoor. Maar één hoorderes moet wel heel apart hebben uitgeblonken. Na de dienst was dominee wat nerveus. “Broeders”, zei hij, “Ik wil haar ontmoeten! Ik wil een gesprek met haar hebben. Het is een meisje van een jaar of twintig. Ze zat precies in het midden en ze droeg een sneeuwwitte muts”. De ouderlingen die wisten wie hij bedoelde, probeerden de predikant er van af te brengen, maar hij stond erop.’

Jonge vrouwen als engelen
Een ouderling beloofde een gesprek in de loop van de week voor te bereiden, maar daar is het nooit van gekomen. We weten dat Doornenbal met jeugdige vrouwen omging alsof het engelen waren. In 1967 schreef hij naar aanleiding van een preekbeurt: ‘Daar is Oosterwolde! Herinneringen! Onuitwisbaar staan ze in het geheugen gegrift, onweerstaanbaar komen ze boven en voeren je mee in hun stroom. Ik dacht aan mijn eerste dienst in de kerk van Oosterwolde, waarvan de gedachtenis altijd zal blijven en die misschien wel voor de eeuwigheid bewaard wordt’.

Drie reizen naar Amerika
Doornenbal ondernam verschillende reizen. In 1954 bezocht hij Amerika. ‘Veel Nederlanders heb ik ontmoet en het mooiste was dat er verscheidene oude bekende waren, waarvan ik helemaal niet wist dat ze daar woonden.’ Doornenbal logeerde onder andere bij ds. Lamain, predikant van de zusterkerk van de Gereformeerde Gemeenten. Hij was met hem in contact gekomen toen hij een preek van Lamain had gelezen waaraan hij veel gehad had, maar waarmee hij het op één punt niet eens was. Hij schreef de predikant daarover en zo ontstond een blijvende correspondentie. ‘Ik moet niet veel hebben van dit soort kerken, maar door een duistere voorzienigheid moet ik er altijd weer mijn vrienden vinden’. ‘In Holland zeg ik geen afgescheiden dominee zelfs maar goeiendag, al val ik over hem, maar in Amerika is het steeds mijn lot geweest ze in de armen te vallen vanaf het ogenblik dat ik aan land kwam.’

Ds. W.C. Lamain
In 1959 ging Doornenbal voor de tweede keer naar Amerika (als geestelijk verzorger op een emigrantenboot). Toen ook weer kwam hij bij ds. Lamain in huis. ‘In zijn tegenwoordigheid word ik altijd mijn ambtelijke en geestelijke tekortkomingen bewust en ik voel mij een klein kind bij deze geweldenaar in het geestelijke koninkrijk.’ In 1966 zou hij zelfs een derde reis naar Amerika maken, opnieuw als geestelijk verzorger.

Overige
– In 1938 deelt hij mee: ‘Mij is ook gevraagd de aandacht te vestigen op de NCRV-films die (…) vertoond zullen worden in “Het Oude Raedthuys”. Zelf hoop ik ’t openingswoord te spreken. (…) Zeer hartelijke aanbevolen’.
– ‘Nooit heb ik…’, ‘Zelden zag ik…’ en ‘Niet eerder ben ik…’ waren echte ‘Doornenbal-zinnen’.
– De sfeer in de pastorie was gezellig, maar de dominee kon halverwege een maaltijd zomaar eindigen en vast opstaan. Die rusteloosheid is velen die hem van dichtbij meemaakten opgevallen.
– Humor had Doornenbal ook. Toen hij eens preekte over de ‘ongelovige Thomas’, zie hij midden in de preek: ‘Wij hebben ook een Thomas in ons midden, maar hij slaapt!’ Het was een man die tijdens de dienst nog wel eens een dutje deed.
– Toen Doornenbal eens een meningsverschil met een vriend had, liep hij boos weg en sloeg de deur achter zich dicht. Om kwart voor twaalf ’s nachts stond hij op het raam te kloppen om het weer goed te maken.
– Aanvankelijk vond Doornenbal een preek op de band ‘bepaald iets griezelig’, maar bij het ziekbed van zijn broer zag hij wat preken op de bandrecorder konden betekenen. Na het overlijden van zijn broer Dirk in 1963 hielp hij mee als het hooibouw was. De boerderij had altijd de liefde van zijn hart.
– Toen Doornenbal bij de weduwe van Gerrit Achterberg een televisie-documentaire over haar man bekeek, waren ze beiden diep teleurgesteld. Mevrouw Achterberg hing een zwarte lap over de tv, en telkens als Doornbenbal haar opzocht, zei hij: ‘Je moet die lap nog maar even laten hangen, hoor’.
– Doornenbal had veel hartzeer van het feit dat steeds meer boerderijen in Oene hun kleine ruitjes kwijtraakten en er grote ramen voor in de plaats kregen. ‘Etalageruiten’ noemde hij die. Geregeld luchtte hij zijn hart erover in de kerkbode. Toen een ver familielid van hem dit ook deed, zei hij: ‘Nu jullie dat gedaan hebben, kom ik niet meer’.
– Ds. J. van de Ketterij uit Arnemuiden herinnert zich Doornenbal: ‘Hij zat nooit op de kansel te zingen. Hij stond en luisterde alleen maar naar het zingen als naar de golven en de baren van de zee.’
– Doornenbal was voorzichtig met het vergeestelijken van bijbelse geschiedenissen. ‘Calvijn zegt dat de allegorische Schriftverklaring een dwaling is en een bron van veel kwaad’. Doornenbal gebruikte wel vaak beelden uit de natuurlijke schepping.
– Marijs kwam een keer in Oene logeren. Doornenbal nam hem mee naar de Rotaryclub en tot ontsteltenis van deze visser uit Arnemuiden moest híj het woord voeren. Hij moest maar eens iets vertellen over het vissersleven. In 1959 verving Doornenbal Marijs een week aan boord van de vissersboot. Hij vond vissen prachtig en was nooit zeeziek.
– Doornenbal zei eens tegen iemand die journalist wilde worden: ‘M’n jongen, journalisten kunnen nooit zalig worden…tenzij door genade’.
– ‘De jongenscatechese lijkt vooralsnog meer op een roversbende’.
– Toen eens een vogel in de pastorietuin werd doodgeschoten, was de reden: ‘Ja dominee, want het beest zong gezangen’.
– In 1970 moest Oenes oude pastorie plaatsmaken voor een nieuw gebouw. Dat ging Doornenbal zeer aan het hart. Hij voelde zich er nooit meer echt in thuis.
– De merkwaardigste verre reis die Doornenbal maakte was wellicht die naar Marokko in 1958, met ds. Cuperus en twee van zijn zoons. Ze reden met de auto 10.000 kilometer om er te komen. In 1972 bezocht Doornenbal Israël, met een reisgezelschap onder leiding van ds. Rijksen (GG) en ds. Den Butter (CGK).
– ‘Mijn troost is dat er voor mij op aarde geen troost is’.

Vroeg oud
Doornenbal was vroeg oud. In 1951 sprak hij al over zijn ‘oude, stijve botten’. ‘Als een dominee, behalve stijf en oud, ook nog dik gaat worden, ziet het er voor de gemeente en het huisbezoek vermoedelijk niet al te best meer uit’. Hij was toen 42 jaar! ‘Vaak verlang ik voorgoed naar het einde, want ik kan met het leven van vandaag niet meer mee’. Het (vroeg) ouder-worden viel hem niet gemakkelijk. Ergens schrijft hij: ‘Ook onze reis kort op. Zolang zal ’t niet duren. Het is goed! Dit land zal de rust niet zijn. Niets is er daar ik in kan rusten. En: ‘Zo blij de landman, moe van ’t ploegen / De neigende avondschaduw groet, / Zo blij zien wij, bij al ons zwoegen, / Dat onze dag ten einde spoedt’.

Laatste dienst
Het ging snel bergafwaarts met Doornenbals gezondheid. Soms was hij ineens de draad van zijn preek kwijt of wist hij de zegen niet meer uit te spreken. De laatste jaren van zijn leven zijn zwaar en zorgvol geweest. De laatste dienst waarop hij voorging was op 15 april 1973, een belijdenisdienst. Toen hij de belijdenistekst van een jongen vergat, zei hij: ‘M’n jonchie heb je zelf een tekst op ’t ogenblik? Anders zeg ik maar: wacht op de Heere. Als er één tekst is, die ik me kan herinneren dan is het die. Zijt sterk en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op de Heere’.

Vervroegd emeritaat
Op doktersadvies moest hij enige weken rust houden. Op de kansel zou hij nooit meer staan. Hij ging met vervroegd emeritaat. Een afscheidsdienst kon nooit worden gehouden. In 1974 zei hij tegen ds. P. Koeman: ‘Je zou mij moeten opvolgen’. Koeman had er in Wezep ongeveer vier jaar opzitten. Doornenbal riep eerder nog wel eens de hulp van deze jonge predikant van het naburige dorp in om een weekdienst voor hem te vervullen.

Nog één keer naar Zeeland
Vaak voelde de zieke Doornenbal zich intens angstig. Meer dan ooit was zijn leven een reis door de nacht geworden. In de zomer van 1974 verhuisde Doornenbal met zijn huishoudster naar een ander huis in Oene. Niet lang voor zijn heengaan bezocht hij Arnemuiden nog een keer. Nog één keer wilde hij zijn dierbaar Arnemuiden zien. In de kleine visserswoning van Marijs heeft hij hartstochtelijk gehuild. Hij wist dat het de laatste keer was. Hij zat een tijdlang stil in een stoel in de voorkamer voor zich uit te kijken. ‘Hoe is ‘t, broeder, je zegt zo weinig’, informeerde Marijs. ‘De zaligheid is me nu nader dan toen ik voor het eerst geloofde’, antwoordde Doornenbal.

Hij die zo’n heimwee had gehad, kwam Thuis
In januari 1975 deed ds. Koeman zijn intrede in de gemeente. Die zou Doornenbal later typeren als ‘een groot man een tegelijk een groot kind’. Ook in zijn laatste dagen bleef de predikant een onzeker, vertwijfeld, zoekend en afhankelijk mensenkind. Zoals hij van anderen wel eens had geschreven dat ze bevreesd waren zich iets toe te eigenen dat hen niet wezenlijk toebehoorde, zo was hij zelf ook. Toch heeft hij zich ook in die laatste weken ontroerend vastgeklemd aan het Evangelie en aan Gods rijke beloften. Op woensdag 16 april 1975 overleed hij, op 65-jarige leeftijd. In de rouwdienst werden zijn lievelingspsalmen gezongen: 42, 73 en 89. Hij werd begraven in Doorn. Op het graf klonk het ‘Geloofd zij God met diepst ontzag’.

Wanneer komt die dag?
Ds. L. Kievit herdacht Doornenbal in De Waarheidsvriend. Hij was geen doorsnee dominee, nauwelijks een ‘bondsdominee’. Hij was een natuurmens, een cultuurmens. Hij hing aan zijn ouderlijk huis, aan zijn geboortestreek, de geest van Wulfert Floor waarde er rond. Kievit besluit zijn In Memoriam met de psalmregels van Datheen:

Als een hert gejaagd, o Heere
Dat verse water begeert
Alzo dorst mijn ziel ook zere
Naar U, mijn God hoog geëerd.
En spreekt hij haar met geklag
O Heer’ wanneer komt die dag
Dat ik toch bij U zal wezen
En zien Uw aanschijn geprezen.

Koningin Beatrix bezoekt het door MKZ getroffen Oene
In het voorjaar van 2001 brak de MKZ-crisis uit. Oene werd zwaar getroffen. Op zondag 29 april bezocht koningin Beatrix ’s morgens de dorpskerk, waarin de plaatselijke predikant A.J. van den Herik voorging. De koningin wilde hiermee haar medeleven tonen. Het was de eerste keer dat ze in een door nood getroffen gebied incognito in Nederland een kerkdienst bijwoonde. Van den Herik werd zaterdagavond van het koninklijke bezoek op de hoogte gesteld. Hij kreeg te horen dat de koningin een normale kerkdienst bij wilde wonen, ze wilde een gewone kerkganger zijn. Van den Herik mocht het natuurlijk niet verder vertellen en zal die nacht weinig geslapen hebben…

Verbaasde kerkgangers
De kerkgangers waren natuurlijk verrast toen koningin Beatrix vergezeld van een vriendin en enige beveiligers even voor half tien de kerk betrad. ‘De mensen gingen spontaan staan. Iedereen begon tegen elkaar te praten. Late kerkgangers reageerden verbaasd toen ze zagen dat de koningin er was’. Van den Herik preekte over Joh. 20:24-29, de ongelovige Thomas. Het was gewoon een preek die hij anders ook gehouden had. In zijn gebed besteedde hij wat meer aandacht dan normaal aan het koninklijke huis en na de dienst klonk het Wilhelmus, maar dat gebeurde altijd al rond Koninginnedag.

Boeken van Doornenbal in de koninklijke auto
Na afloop van de dienst dronk koningin Beatrix in de pastorie nog een kopje koffie met het predikantsechtpaar en ouderling-kerkvoogd G. van Spijkeren en vrouw. Ze nam ruim een uur de tijd voor dit gesprek. Bij het vertrek van de koningin uit de pastorie zong een haag van Oenenaren ‘Oranje boven’. Ik heb het nergens meer kunnen natrekken, maar volgens mij schijnen er boeken van ds. Doornenbal in de auto van de koningin te hebben gelegen. Ze had zich dus goed voorbereid!

Gepubliceerd in september 2008

Advertenties