Ds. P. Zandt

n.a.v. H. Hille, Als een vogel uit een boom geschoten. Leven en werk van ds. P. Zandt, Houten 1999

Welgestelde familie
Zandts wortels liggen in het Groningse Stedum, waar hij op 8 maart 1880 geboren werd. Hij kwam uit een bemiddeld en invloedrijk boerengeslacht, ze woonden in een kapitale boerderij. De familie had zelfs een speciale bank in de kerk. De hervormde gemeente van Stedum was rijk en een hoog traktement zorgde ervoor dat de gemeente nooit lang vacant was. De invloed van het Friese Reveil liet nog zijn sporen na. Op het grafschrift van één van zijn voorouders staat het volgende gedicht:

ZAND rust hyr in het Zand
Maar ’t Zand zal hem niet houden
In ’t betere Vaderland
Zal hy zyn God aanschouwen.

Boek met een vloek
Pieter Zandt ging op z’n 13e naar Kampen om daar aan het Stedelijk Gymnasium te gaan. Deze school had in orthodox-hervormde kring een goede naam. Hier moest hij zijn Groninger dialect en tongval zien af te leren, wat eigenlijk zijn leven lang niet goed gelukt is. Toen hij in zijn jeugd een boek las waar een vloek in stond, sloot hij die onmiddellijk en nam zich voor nooit meer zo’n boek te lezen, hoe interessant het verder ook zou zijn. Toen Zandt een keer voor Grieks een wijsgerig boek moest lezen kreeg hij er zo’n weerzin tegen dat hij het in de hoek van zijn kamer wierp. In 1900 liet Zandt zich inschrijven aan de Utrechtse universiteit om theologie te gaan studeren. Hij kon nog niet spreken van bekering of roeping.

Een pijl die raak was
Zandt deed volop mee met het studentenleven en kwam onder invloed van humanistische levensbeschouwingen, zoals Tolstoj. Al het oude werd in deze tijd door hem als ouderwets en bekrompen beschouwd. In deze periode maakte hij zich een grote filosofische en literaire kennis eigen, die in later jaren vaak doorklonk in zijn redevoeringen en preken. De gereformeerde leer zei hem nog niet veel. Het geweten ging wel spreken, familieleden waarschuwden hem. Er kwam verandering. Naar eigen zeggen werd hij onder het lezen van de Duitse filosoof Hegel ‘door één van Gods pijlen als een vogel uit een boom geschoten’. Maar deze verandering was nog verstandelijk. Hij begon nu wel geschriften van oudvaders te lezen. Het neocalvinisme bekoorde hem niet.

Kamperveen
Zandt trad in het huwelijk met Tine Pruissen, een vrouw uit de deftige burgerij van Kampen. Hun huwelijk bleef kinderloos. In 1906 werd Zandt verbonden aan zijn eerste gemeente: Kamperveen. Hier was hij de eerste gereformeerde predikant. Zijn voorganger, de latere professor H.Th. Obbink, was zeker niet gereformeerd; hij stond bekend als ethisch. Niet weinig Kamperveners bezochten daarom de diensten in Noordeinde. Toen in 1901 bij de tienjaarlijkse stemming de wijze van benoeming van ambtsdragers veranderde, veranderde de kerkenraad van kleur, waardoor Zandt werd beroepen. De predikant die Zandt bevestigde was overigens confessioneel. Ook liet Zandt aanvankelijk nog gezangen zingen.

Gezangen en gezelschappen
In Kamperveen werd in de vacaturetijd voordat Zandt kwam maar één kerkdienst per zondag gehouden; Zandt voerde de vaste middagdienst in. Het zingen van gezangen werd ook steeds minder. ‘Een kleintje dan’, zo zei hij en hij koos dan meestal een lied van Van Lodenstein of dergelijke. De kerkgang nam gestadig toe. Er was in Kamperveen ook een man, Aalt Stuivezand, die oefeningen bij hem thuis hield. Zandt stond positief tegenover ‘het bevindelijk volk’ en gezelschapen. Deze man zou later ouderling worden. Er kwamen ook veel gezinnen uit de gereformeerde kerk over. In Kamperveen keken de kerkgangers elke zondag uit naar het moment dat mevrouw Zandt de kerk binnenkwam; welke hoed zou ze nu weer ophebben? Ze had kennelijk een grote variatie aan hoofddeksels en hoedversieringen.

IJsselmuiden
Na drie jaar vertrok Zandt naar Loon op Zand. Hier bleef hij maar één jaar. Hij zei daarover: ‘Een jaar voor één ziel’. Zandt zelf leerde hier Christus kennen. In Loon op Zand stond hij bekend als onverschrokken. Hij haalde soms belijdeniscatechisanten uit het café vandaan. In 1910 deed hij intrede in IJsselmuiden-Grafhorst. In die tijd werd het kerkgebouw fors uitgebreid; twee dwarsbeuken werden er gebouwd. Een keer was Zandt in gesprek met iemand in zijn studeerkamer, toen Zandt plotseling wegliep en even later terugkwam; aan zijn broek ter hoogte van zijn knieën was te zien dat hij had gebeden.

Zwartgallig?
In IJsselmuiden kwamen soms Kamper theologen hem uit nieuwsgierigheid wel eens beluisteren. Ze keerden dan spottend lachend over de Kamper brug terug. Zandt was voor hen een zwartgallig predikant, die er ziekelijk godsdienstige gevoelens op nahield. Dit, terwijl vroeger de afscheiden ds. Van Velzen en andere docenten van de Theologische School geregeld tijdens vacatures in de hervormde kerk van IJsselmuiden optraden. Zandt zou later, toen hij in Delft stond, een pennenstrijd voeren met onder andere Klaas Schilder. ‘Ik verkeer liever met dezulken in de lage landen, dan met al de denkbeeldige grootheden’. In IJsselmuiden zou Zandt ook nog korte tijd consulent zijn in zijn vroegere gemeente Kamperveen. In 1915 ontving Zandt een beroep uit Ede. Hoewel hij veel brieven kreeg uit deze plaats met het verzoek vooral te bedanken, nam hij het aan. In Ede had Zandt een collega naast zich.

Ede
In Ede kon niet iedereen Zandt waarderen, vooral het waarschuwende en ontdekkende element in zijn prediking niet. In 1919 vertrok Zandt naar Delft, waar hij de rest van zijn leven zou blijven. Hij trof daar een verdeelde gemeente aan. Het had vijf predikantsplaatsen. Toen Zandt in de intrededienst werd toegesproken door een collega, zei die dat hij voor de gehele Delftse gemeente gekomen was, en niet voor een gedeelte. Zandt viel hem hierin niet bij. ‘Doch waar het Woord recht gepredikt wordt, daar valt scheiding (…) Als nu deze strijd ontbrandt, waar zult gij dan staan?’ zo wendde hij zich heel persoonlijk tot zijn collega. Het viel niet in goede aarde.

Delft
Meer dan in al zijn voorgaande gemeenten barstte de vijandschap los over zijn prediking. Het is wel gebeurd dat tegenstanders met geheven vuist voor hem stonden nadat hij gepreekt had en ‘niet één woord goeds van de mens gezegd had’. Eens onder een preek riepen de woorden van Zandt zoveel weerstand op bij ethischen, dat ze met veel lawaai opstonden, de deurtjes van de kerkbanken openden en weer dichtklapten en de kerk verlieten. Het kwam ook voor dat er ’s nachts een spotschrift op de deur van zijn woning werd bevestigd. Nog in het begin van de vijftiger jaren heeft Zandts toenmalige buurman, ds. W.L. Tukker, een dergelijk gedicht ’s morgens vroeg uit achting voor Zandt van diens voordeur verwijderd. Kinderen in de stad staken soms de tong uit naar mevrouw Zandt. Niet alleen was er tegenstand; ook zou hij in Delft veel vrienden hebben. Met één vriend wandelde hij een keer naar huis, toen hij voorstelde om hem thuis te brengen; al lopend gebeurde dit een paar keer om en om, waardoor ze vroeg in de morgen pas definitief afscheid van elkaar namen.

Emeritus
Toen Zandt in 1925 Tweede Kamerlid werd en dus emerituspredikant werd, bedankt hij voor benoemingen in evangelisaties zoals van Zwolle. Met name die plaats ging hem aan het hart. In die omgeving verkeerde hij graag. Op geen enkele plaats heeft hij zoveel gepreekt als in Zwolle. Zeker eenmaal per maand een hele zondag, soms wel vaker. Zandt bleef in Delft wonen, tot aan zijn dood. Als gewoon gemeentelid in Delft kwam er een totale verandering in de samenstelling van de kerkenraad; alle gereformeerden werden door de nieuw gevormde meerderheidscoalitie van confessionelen en ethischen uit alle colleges geweerd. De drie hervormd-gereformeerde predikanten die er nog stonden kwamen alleen te staan.

Een fout gezang?
Een confessionele predikant liet eens Gezang 83 (God enkel licht) zingen. Ds. H.A. Leenmans, hervormd-gereformeerd predikant in Delft, en later schoonvader van SGP-er ds. H.G. Abma, miste in dit gezang het ‘eeuwig welbehagen Gods in Jezus Christus tot de gegevenen des Vaders’ en zag het als een ‘verloochening van de algehele val des mensen’ en ‘de weg der zaligheid onschriftuurlijk in remonstrantse zin’. Langzamerhand kwam er een evangelisatie in Delft, waardoor er toch elke zondag twee hervormd-gereformeerde diensten werden belegd. Een probleem was dat de vele gereformeerde gezinnen die er nog waren weigerden hun confessionele of ethische wijkouderling te ontvangen. Een oplossing kwam er: oud-ambtsdragers werden ingeschakeld.

Een remonstrant
Zandt hield zich afzijdig van de Gereformeerde Bond, maar niet van de Gereformeerde Zendingsbond. Hij bezocht de zendingsdagen in Driebergen, al was hij dan wel een kritisch toehoorder. Zo was hij eens samen met ds. P.J. Dorsman op de zendingsdag terwijl hij opeens zei: ‘Hoor, dat is een remonstrant!’ Zandt kreeg het ook nog een keer aan de stok met de voorzitter van de GB, ds. M. van Grieken. Zandt fulmineerde ook tegen gereformeerde ouderlingen en diakenen die tegen het advies van de Gereformeerde Kiesvereniging deel van de kerkenraad bleven uitmaken. Tijdens een toespraak wees hij ze met zijn vinger aan terwijl hij zei dat ‘dezulken door ons als verraders zijn uitgeworpen’. Dit kwam hem op een berisping van het classicaal bestuur te staan.

Hoe het verder met Delft ging
De Delftse kerkenraad bleef wel steeds een gereformeerde predikant beroepen als er één van die richting vertrok. Het probleem echter was, dat de kerkenraad niet wilde erkennen dat er binnen de hervormd-gereformeerden verschillen bestonden inzake de prediking. Niet elke predikant was acceptabel. Dat blijkt duidelijk uit de volgende zinnen: ds. G.H. Beekenkamp, een bekend voorman van de GB, zei over Delft: ‘Daar waait door een bepaald deel van de Delftse gemeente een geest van onbijbelse, ongereformeerde overgeestelijkheid. (…) Valse onmacht en ziekelijke lijdelijkheid’. Ds. M. van Grieken, voorzitter van de GB, zei: ‘Voor velen bleek Gereformeerd niet Gereformeerd genoeg te zijn. Het was de tijd, dat men iets extra’s begeerde en dat de geestelijke smaak van een deel van onze mensen bedorven werd. (…) Doorvloeien in ongereformeerde, ziekelijke richting’. De evangelisatie in Delft werd na de Tweede Wereldoorlog gesloten. Het hervormd-gereformeerde kerkelijke leven concentreerde zich in de daarop volgende jaren rond de twee wijken Maranathakerk en Mattheüskerk.

Tweede Kamerlid
Pieter Zandt werd in 1925 Tweede Kamerlid. Hij zegt al kort na zijn bekering tot deze taak te zijn geroepen. In de vijf gemeenten die Zandt vanaf 1906 diende maakt hij tijd vrij voor studie van onder andere de christen-staatsman Groen van Prinsterer. In het begin van de eeuw was er geen partij waarbij hij zich wilde aansluiten. In 1918 werd de SGP opgericht, wat mogelijk werd door een grondwetswijziging waardoor het districtenstelsel werd afgeschaft. De partij werd opgericht door ds. Kersten uit de Gereformeerde Gemeenten, maar kreeg vanaf het begin een interkerkelijk karakter door het hoofdbestuurslidmaatschap van de christelijk gereformeerde ds. J. van der Vegt. Daarnaast werd Zandt hoofdbestuurslid, als eerste uit de Ned.Herv.Kerk.

De hele nacht doorwerken
Toen Zandt in de Kamer kwam ontstond er een persoonlijke band met Kersten, die altijd bleef. Ze werkten 15 jaar samen. Dikwijls kwam Zandt ’s avonds laat bij het huis van Kersten in Rotterdam aan, waar ze samen bleven werken, terwijl allen in huis sliepen, en gingen ’s morgens vroeg samen wandelend naar het station, waar Zandt de eerste trein naar Delft nam. Het was echter niet zo dat Zandt op elke kansel van de Gereformeerde Gemeenten welkom was. Hij bleef de man uit de ‘Grote Kerk’.

Niet op de voorgrond
Zandt sprak in zijn eerste jaar in de Kamer slechts één keer. Een vlotte spreker was hij niet. Zelden interrumpeerde hij. Sommigen denken dat hij spreekangst had. Soms legde hij, wanneer hij spreken moest, vooraf zijn papiertjes op het spreekgestoelte klaar, en liep dan, tot hij aan de beurt was, achter het gordijn zijn zenuwen te verlopen. Één keer heeft een altijd grappen makend mede-Kamerlid het gewaagd die papiertjes allemaal door elkaar te schudden. De gewoonte van Zandt om de Kamerredevoeringen voor te lezen in plaats van uit zijn hoofd uit te spreken was dat ‘een verkeerd woord je 25 jaar later nog voor de voeten wordt geworpen’. Zandt had een meer ‘contra’-houding dan Kersten. Hij onthield zich nogal eens van stemming. Samenwerking met andere partijen wees hij af. Hierin was hij mogelijk nog stringenter dan Kersten.

Kersten was de baas
De nacht van Kersten, dat de SGP grote bekendheid bezorgde, vond plaats toen Zandt nog maar drie maanden Kamerlid was. Kersten trad meer op de voorgrond dan Zandt. Zandt was milder en meer bescheiden. Binnen de fractie – vanaf 1929 aangevuld met ir. C.N. van Dis – gaf Kersten de toon aan. Eens, vlak voor een stemming, draaide een collega-kamerlid zich schuin naar achteren en vroeg aan Zandt wat de SGP zou gaan doen. Zandt boog zich voorover en fluisterde zachtjes: ‘Ik weet het nog niet; dominee heeft nog niet beslist’. Een vaste portefeuilleverdeling was er nog niet. De buitenlandse politiek had niet de grootste belangstelling van Zandt; hij was meer gericht op eigen land.

Gemeenteraadslid
Zandt was niet alleen Kamerlid, ook van 1927 tot 1961 gemeenteraadslid in Delft. Niet iedereen kon hem waarderen. De burgemeester zei eens: ‘Voor de heer Zandt is het regeren heel gemakkelijk. Hij spreekt zijn betoog uit, steekt zijn sigaar aan en gaat naar huis’. Met name de zondagsheiliging ging Zandt aan het hart. Op zondag maakte hij zelden gebruik van vervoersmiddelen. Als hij moest preken in nabijliggende plaatsen als Rijswijk, Schiedam, Pijnacker of Zoetermeer, dan liep hij die afstand. Zandt was voor een spaarzaam beleid, om belastingverhoging te voorkomen. Jaar op jaar protesteerde hij tegen de rij jaarlijks toe te kennen subsidies. De aanstelling van een schoolarts achtte hij onnodig (preventief onderzoek vond hij niet nodig) en zag hij als een stap richting meer ambtenarij.

De oorlog
In de oorlog ging Zandt als rechtgeaarde Nederlander zeer behoedzaam zijn gang. Hij was niet Duitsgezind, maar toch volgzaam en weinig getuigend. Hij zocht het martelaarschap niet. De verzetsgroep in Delft vond hij wel moedig, maar was zijns inziens onvoorzichtig geweest. Zandt verklaarde na de oorlog de artikelen van Kersten in De Banier niet voor zijn rekening te nemen.

Niet afscheiden
Zandt bleef altijd veel preken. In 1949 bijvoorbeeld maar liefst 256 keer. Hij preekte lang; zijn diensten duurden ruim twee uur. Hij preekte veel in evangelisaties, gemeenten die betrekkelijk los stonden van de Ned.Herv.Kerk. Zandt bleef de volkskerk wel altijd trouw. ‘Mensen, verlaat nooit de Hervormde Kerk. (…) Als ze mij er vóór uitjagen, dan kom ik er áchter weer in. (…) Blijf maar waar je bent, want in het leven van die gescheiden kerken zul je ook bitter teleurgesteld worden en het is Gods weg niet’.

Zwolle
Zwolle had een speciaal plekje in zijn hart. Hij preekte er in de evangelisatie ongeveer 12 tot 16 zondagen per jaar. De evangelisatie te Zwolle werd bezocht door ongeveer 350 personen, waarvan de helft uit het tot Zwolle behorende Zwollerkerspel kwam. In deze evangelisatie, ‘Elim’ geheten, vond in de loop van de tijd een scheuring plaats, en de afgesplitste groep vormde een vrije kerk rondom onder andere ds. J. Blankespoor. Eind jaren 80 ging deze groep teniet. In 1964 kreeg Elim een predikantsplaats in Zwolle toebedeeld, algehele integratie in de hervormde gemeente dus. Ds. W.L. Tukker werd hun eerste predikant.

Dorsman
Andere evangelisaties waar Zandt veel kwam waren Apeldoorn, Gouda, Breukelen, Leersum, Schiedam en Zoetermeer. In Bleskensgraaf preekte hij vooral vaak in de jaren dertig, omdat deze gemeente gedurende 1923 tot 1942 vacant was doordat ze de kerkelijke belasting niet wilde betalen. Zandt leidde in zijn leven bevestigingsdiensten van onder andere ds. Jac. van Dijk, ds. P.J. Dorsman en ds. A.J. Wijnmaalen. Dorsman verbond hij ook in het huwelijk en daar hij het ongepast vond om zijn voornaam in de stampvolle kerk van Staphorst te noemen, deed hij dat niet.

Onverzettelijk en beminnelijk
Kersten was een charismatisch partijleider en uitstekend organisator, Zandt miste deze gaven ten enenmale. Zijn optreden riep ook minder irritatie in de Tweede Kamer op dan dat van zijn medestander Kersten. Hij bezat een ‘wonderlijk mengsel van strakke onverzettelijkheid en grote beminnelijkheid’. Toen Zandt gevraagd werd wat hij van een vrouwelijk VVD-kamerlid vondt, zei hij: ‘Ja, ja, wat zal ik zeggen, dat is niets persoonlijks tegen de dame hier, maar u weet misschien uit mijn beginselprogramma dat ik tegen vrouwenkiesrecht ben. En laat ik dus verder maar niets zeggen’. Bij het maken van zijn redevoeringen ging hij heel zorgvuldig te werk. Vrijwel elke zin en elk woord werd overwogen. Hij heeft zijn vele tegensprekers nooit door een onheus woord gekwetst. Overigens kon hij wel eens uit zijn slof schieten. Hij maakte eens de opmerking dat ‘velen in de Kamer niets te dol en te bont is’. Op verzoek van de Kamervoorzitter veranderde hij deze zin in: ‘Niets te vreemd en te wonderlijk’.

Ds. Jac. van Dijk
Zandt was dus geen organisator. Kersten greep in 1948 zelfs in toen de partij dreigde uiteen te vallen. Kritiek van binnenuit deed Zandt veel meer pijn dan van buitenaf. Met name de ruzie met ds. Jac. van Dijk was pijnlijk. Deze dominee kwam van uiterst links (‘eigenlijk was ik in die jaren meer maatschappelijk werker’) naar uiterst rechts. In de jaren 50 kwam er verwijdering wat zijn oorzaak had in de moeilijkheden in de evangelisatie te Zwolle. Van Dijk werd steeds kritischer tegenover sommige standpunten van de SGP. De partij zou inconsequent zijn door tegen sociale wetgeving, vrouwenkiesrecht en vaccinatie te zijn, maar hiervan wel te profiteren. Het hoofdbestuur reageerde met een royement van Van Dijk.

Het briefje van 25
Zandt was – zeker in zijn laatste levensjaren – moeilijk te verstaan. Daardoor behoorde hij tot de zorgenkinderen van de ministers en de parlementaire pers. Het vormde voor zijn gehoor echter eerder een stimulans dan een belemmering. Als hij het woord voerde, dromde gewoonlijk een aantal leden bij de sprekerstribune samen, om hem beter te kunnen horen. Zandt leek in zijn redevoeringen een onverdraagzaam mens, wiens opvattingen ‘wat al te zeer van de gangbare afweken’, maar in de persoonlijke omgang was hij een mild christen, die bij een jubileum tot verwondering van velen onthulde, dat hij in zijn leven vele katholieke vrienden had gehad. Zo kwam jarenlang een Delftse pastoor hem aan huis op zijn verjaardag feliciteren. Antikatholiek was hij echter wel steeds. Zo ontdekte hij ooit dat er een roomse afbeelding stond op de bankbiljetten van 25 gulden, wat alle kranten haalde. Het was een plaatje van de uit de 4e eeuw stammende bisschop Martinus van Tours. Ds. J.J. Buskes dichtte naar aanleiding hiervan spottend:

De roomsen trachten overal te penetreren,
Het Vaticaan is er op uit
Ons landje te regeren,
Ik ken ze en ik ruik de roomse stank
Tot in de tempel van de Nederlandse Bank.

Overlijden
Zandt is altijd blijven wonen in het in 1923 betrokken herenhuis van de hervormde diaconie aan de Phoenixstraat. Hierbij was ook een tuinhuis, wat tegelijk zijn studeerkamer was. Ook voerde hij vanuit het raam de katten uit de buurt met kaas en vlees, een geliefde bezigheid van Zandt. In 1955 overleed zijn vrouw op 73-jarige leeftijd. Nu verouderde Zandt sterk. Sommigen spraken van een wat mildere prediking. In 1961 zou hij overlijden. De laatste preek hield hij in de evangelisatie van Schiedam. Op 4 maart overleed hij in de leeftijd van 80 jaar, twee dagen voor zijn verjaardag. De begrafenis vond plaats in IJsselmuiden, na de rouwdienst in drie kerkgebouwen in Kampen. In verband hiermee was besloten op die dag geen vergadering van de Tweede Kamer te houden, een unicum in de parlementaire geschiedenis. Ds. Joh. van der Poel vergeleek Zandt met Nathanaël: een Israëliet in dewelke geen bedrog is.

Uitspraken
– ‘Een veer moet nog aangeblazen worden om in de hoogte te gaan, maar een mens gaat vanzelf omhoog’.
– Zandt wilde geen ruimte geven aan bijvoorbeeld confessionele predikanten, want het was zo dat dan ‘op gereformeerde wagens onder confessionele vlag karrenvrachten remonstrants-methodistische lering werd uitgedragen’.
– ‘Ik heb eertijds gelezen de kundigste en meest geprezen schrijvers. Ik heb gelezen ideologen als Marx, wijsgeren als Hegel, literatoren als Goethe en zoveel andere meer.’
– Zandt vond dat er op school diende gezongen te worden ‘zoals het vrome volk zingt’, dus niet zo snel, nee, diaken P. Wijnmaalen zei: ‘Elke noot drie telletjes’.
– Toen een vriend uit Overijssel vroeg: ‘Dominee, hoe kon u dat toch doen, in de politiek gaan?’ antwoordde Zandt spottend: ‘Ja Van der Scheer, ik ben dat catechiseren ook wel eens moe’.
– ‘O, zien wij op Nederland, wij vrezen’.
– Alle sociale wetten waren Zandt een doorn in het oog: ‘Het ontwerp draagt in zich de kenmerken van een staatssocialisme, waarbij de overheid de onderdaan van de wieg tot het graf verzorgt’.
– Toen Zandt een collega tegenkwam die in Friesland predikant was, vroeg hij: ‘Hoe is het in Friesland? roemen ze daar nog steeds in hun ongeloof?’

Overige
– Zandt was een beminnelijk man van weinig woorden.
– Zijn lievelingslied was Ps. 36:3 ‘Bij U, HEER’, is de levensbron’.
– Ds. Zandt ontving in zijn leven vijftig beroepen, waaronder uit Oosterwolde (1922) en Elburg (1918).
– In IJsselmuiden was er een ouderling, Hendrik Jonker, die de opa was van de latere professor Jonker.
– Niet alleen het zingen van gezangen was volgens velen fout, ook het aanhalen ervan in de prediking.
– Ds. A.J. Wijnmaalen werd in 1943 hulpprediker bij ds. T. Lekkerkerker in Delft.
– Zandt reisde met de tram naar Den Haag. Het gebeurde nogal eens, dat hij reeds bij de volgende halte uitstapje om thuis nog het een en ander dat hij vergeten was op te halen.
– Zandt bedreef politiek als boetgezant en niet als volksvertegenwoordiger.

Gepubliceerd in mei 2008