Ds. W.L. Tukker

n.a.v. J.P. Neven, De zaligheid is in geen ander. Leven en werk van ds. W.L. Tukker, Bleskensgraaf 2001

Wortels in de Alblasserwaard
Wouter Leendert (Leen) werd op 14 september 1909 geboren in Hoek van Holland. De predikant aldaar was midden-orthodox en was gewoon om bij de doopbediening maar enkele delen van het doopformulier te lezen. Vader was ietwat liberaal, moeder was rechtzinnig. Zij was in de sfeer van het Albasserwaardse geloofsleven opgegroeid (net als haar man trouwens) en wilde dit, ondanks het wonen in een meer confessionele streek, behouden. Tukker zou later vaak verwijzen naar zijn Alblasserwaardse achtergrond: ‘Daar woonde mijn voorgeslacht, dat geadeld werd in de Godsvrucht’.

Lopend naar Monster
Leen had een zwakke gezondheid. De dokter zei: ‘Dat jongetje wordt niet oud’. Leen was veelal te vinden met een boek in zijn hand. Hij bleek meer dan goed te kunnen leren. Al vroeg voelde hij zich niet meer thuis onder een confessionele prediking. Op advies van zijn moeder ging hij ’s zondags naar Monster, waar een bevindelijke predikant stond. De 4 kilometer werden lopend afgelegd. Tussen de diensten verbleef hij bij de koster. Doordeweek ging Leen nog wel eens naar de CGK te ’s-Gravenzande, waar hij G. Wisse ook wel eens hoorde. Op 17-jarige leeftijd vond zijn bekering plaats, onder het lezen van Handelingen 7, de rede van Stefanus. Hij bezocht gezelschappen bij familieleden in de Alblasserwaard. Kort na zijn bekering volgde zijn roeping tot het ambt. Zijn vader stond er aanvankelijk afwijzend tegenover.

Predikant, maar waar?
Tukker doorliep een opleiding en ging daarna werken op een kantoor in Rotterdam. Zijn baas zag echter dat hij weinig kaas had gegeten van de commercie en adviseerde zijn vader hem theologie te laten studeren. In 1934 legde Tukker belijdenis van het geloof af, in Hoek van Holland. Al kerkte hij daar niet vaak, de plaatselijke predikant had respect voor hem. Wie zou de studie gaan betalen? Een kaashandelaar beloofde om de kosten, samen met nog twee andere gezinnen, te betalen. Voor Tukker was wel duidelijk dat hij predikant zou worden, maar waar? In de Ned.Herv.Kerk of in een afgescheiden kerk? Na gesprekken met ds. Pieter Zandt, die zei: ‘…in de Kerk de Vaderen…Meneer Tukker…in de Kerk der Vaderen!’, besloot hij naar Utrecht te gaan studeren. In 1938 was hij preses van Voetius. Jaargenoot was ondermeer J. van Sliedregt. Tukker bleek zo intelligent, dat sommigen hem als toekomstige professor zagen. Zijn eerste preekvoorstel ging over Hand. 4:12. ‘De zaligheid is in geen ander; want er is ook onder de hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welke wij moeten zalig worden.’

Hei- en Boeicop
Tukkers eerste gemeente werd Hei- en Boeicop (1939). Hij was toen dertig jaar. Deze gemeente was al vijftien jaar vacant geweest. Tukker kreeg acht beroepen. Hij wierp het lot om te bepalen waar hij heen zou gaan. Omdat zijn vader twee jaar eerder was overleden, ging moeder Tukker mee de pastorie in. In Hei- en Boeicop was een inzinking in het kerkelijk leven gekomen door de lange vacante periode. Tukker werd bevestigd door ds. A.F.P. Pop, predikant uit Monster, uit 2 Kor. 4:5. ‘Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus de Heere; en onszelf, dat wij uw dienaren zijn om Jezus’ wil’. Intrede deed Tukker met Jes. 64:1 ‘Och dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt’. De oorlogsdreiging hing boven ieders hoofd. Tegen deze achtergrond is het een zegen voor de gemeente dat ze juist nu een eigen predikant kreeg. Tukker blikt later terug op deze plaats: ‘Afgezonderd van het gewoel der wereld, leeft men er zijn leven in alle eenvoud en rust’.

Geen orde bij catechisatie
’s Avonds nam moeder Tukker hem apart om iets bijzonders te vertellen: ‘Zeg Leen, nu moet ik je één ding vertellen, het was altijd mijn gebed geweest of de Heere één van mijn zonen in Zijn dienst wilde nemen. En nu, dat gebed is gehoord en verhoord.’ De kerkenraadsleden in Hei- en Boeicop waren allen boeren. Jan de Jong werd zijn geestelijke vader. Het was een belezen boerenman. De Jong bezocht Tukker elke zaterdagavond. ‘Die stille, welonderlegde kerkenraadsleden, dat ouderwets-gereformeerde landvolk, met zijn stille, ingetogen wandel in de dingen Gods, zij hebben menig predikant vóór ons en ná ons gestempeld voor zijn leven.’ De gemeente was niet groot: zij telde bijna 600 leden. Op de dinsdagmiddag gaf Tukker godsdienstlessen op de openbare school. Catechisatie ging niet altijd makkelijk. Één keer liep hij weg toen hij de orde niet meer kon houde. Toen hij in de pastorie kwam vroeg zijn moeder: ‘Wat kom je hier door? Daar is je werk!’ En hij moest terug, of hij wilde of niet. Tijdens Tukkers bediening werd de kerk ook gerestaureerd en uitgebreid; de eerste in een lange reeks van restauraties tijdens zijn leven. Afscheid nam hij in 1942 met de tekst uit Hand. 20:32. ‘En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het woord van Zijn genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.’

Elburg: ‘En dan dat zingen!’
Zijn tweede gemeente was Elburg. De ouderlingen G. van Triest en W. Sterk brachten Tukker het beroep. De geslotenheid van het Veluwse karakter sprak Tukker niet zo aan. Ook was hervormd Elburg niet homogeen: er was een richtingenstrijd tussen bonders en confessionelen. Tukker ging in de wetenschap dat hij in Elburg nodig was. Ds. J.J. Poot bevestigde hem op 27 september 1942. Tukker deed intrede met 1 Kor. 2:2. ‘Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.’ Elburg telde 2200 zielen. ‘Toen woonde alles vrijwel nog binnen de veste van het oude vissersstadje, enkele boerenbuurten lagen her en der verspreid. Mooie, grote Sint Nicolaaskerk met een prachtig orgel. En dat dat zingen! Machtig als de golfslag van de zee, zij zongen op stemmen. Vrijwel alles ging ter kerke’. Tukker bleek een samenbindend persoon in Elburg, de confessionelen hadden respect voor hem. Tukker zorgde dat hij zijn gemeenteleden snel kende: wie een dienst verzuimde, kon rekenen op bezoek. Geen gezin werd overgeslagen: ook de plaatselijke caféhouders, zoals zijn overbuurman Timmerman, kregen huisbezoek. De voorbereiding op de twee preken vond plaats op vrijdag en zaterdag. Dan kwam hij zijn studeerkamer niet af. Lena Zoet, dochter van de plaatselijke hoefsmid, werd zijn nieuwe huishoudster.

Gemeente van grote liefde
In de prediking stelde Tukker ‘volkszonden’ ter sprake. In Elburg was dat het uitvaren op zondag. Vóór twaalf uur ’s nachts op zondag voer men dan de haven uit om, zoals dat in visserkringen heet, alvast enkele ‘steekjes’ te doen. Hij preekte een keer over Luk. 23:56. ‘…En op de sabbat rustten zij naar het gebod’. In die preek zei hij: ‘Vissers onder ons, wij spreken vandaag af, dat u van nu af aan niet meer op zondag afvaart’. Samen met de gereformeerde en christelijk gereformeerde kerk ging men ook de ontheiliging van de zondag door de jeugd aankaarten. De jeugd maakte nogal eens rumoer op de straten op zondag. Tukker kwam er in Elburg achter dat deze gemeente te groot was voor één predikant, maar volgens sommigen te klein voor een tweede predikant. Tukker zou later over Elburg zeggen: ‘In vroeger jaren was de gemeente door confessionele en naar mijn schatting ook wel door ethische predikanten gediend, maar sedert tientallen van jaren door predikanten van de Gereformeerde Bond. (…) ’t Zijn bewogen jaren geweest, daar. Een bewogen bevolking, met een bewogen gemoedsleven. Van alle gemeenten is Elburg wel het sterkst in mijn geheugen gebleven: gemeente van grote zorg, gemeente van grote liefde. Nu nog na jaren!’

Feestvieren met de bevrijding geoorloofd
Toen in de zomer van 1945 een schrijven van de hervormde gemeenten van Oosterwolde en Doornspijk kwam, om de overheid te vragen de bevrijdingsfeesten te verbieden met het oog op de droeve gebeurtenissen in de oorlog, was dit Tukkers antwoord: ‘Principieel kan het feestvieren niet verboden worden: ook Israël vierde zijn nationale feesten. (…) Praktisch staan wij achter de feesten. (…) Wel acht de voorzitter het de dure plicht van de kerkenraad om zoveel mogelijk remmend te werken.’ Tukker preekte bij deze gelegenheid uit Job 1:5, waar Job voor zijn kinderen offerde, want: ‘Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend.’ In de zondagavonddienst van 28 april 1946 nam Tukker afscheid van Elburg in een dienst waar naar schatting 1600 mensen aanwezig waren. Hij preekt over Hand. 20:26,27. ‘Daarom betuig ik u op deze huidige dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen. Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zo verkondigd hebben heel de raad van God’. Op deze gelegenheid spraken ds. J.R. Cuperus uit Doornspijk en ds. G.J. Koolhaas van Oldebroek.

Bleskensgraaf: moeizaam aangehoord, moeizaam aanvaard
Zijn derde gemeente was Bleskensgraaf, de geboorteplaats van zijn vader. In een overvolle houten noodkerk (het eigen kerkgebouw was immers op 12 mei 1940 door een bombardement verwoest) deed Tukker intrede met de tekst uit 2 Kor. 4:7. ‘Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid van de kracht zij van God en niet uit ons.’ Tukker typeerde Bleskensgraaf als ‘een strakke gereformeerde gemeente van oude stijl (…) Wettisch was over het algemeen de inslag van dit volk. Moeizaam werd het Evangelie aangehoord, moeizaam werd het aanvaard. De prediking van dr. Kohlbrugge, die van de Erskines, die van Calvijn konden aan dit volk goede diensten bewijzen.’ Moeilijkheden ontstonden er in de kerkenraad omtrent de herverkiezing van een diaken, die Tukker onheus bejegend had. Het ging om het volgende: er was verschil tussen Tukker en ds. J. van Sliedregt. De rechtvaardiging had bij Van Sliedregt een dominantere plaats. Die stond daarmee in de lijn van ds. I. Kievit. Bij Tukker greep de kwestie diep in, hij overwoog zelfs zijn ambt neer te leggen als het waar was dat hij de rechtvaardiging, en dus de Christus der Schriften niet preekte.

Kerkbouw in stilte
Tukker wilde in de nieuw te bouwen kerk geen ‘profane dingen’ of er een ‘zaak van kunst’ van maken. De noodkerk was een geschenk van de synode. Het oude meubilair, de herenbank, de kansel en het orgel, werden in de vroegere toestand teruggebracht. De noodkerk zou acht jaar dienst doen. Het initiatief tot de bouw van een nieuwe kerk kwam vooral van het Ministerie van Wederopbouw. Al in 1941 was de fundering gelegd, maar wegens schaarste van bouwmaterialen kon de bouw geen verdere doorgang vinden. Tukker wilde niet dat de radio tijdens de bouw van het kerkgebouw zou aanstaan, wat ook niet gebeurd is. De kerkbouw moest in stilte geschieden, gedachtig aan de tempelbouw van Salomo. Het hout was erg schaars, waardoor het niet toegestaan was om de toren af te bouwen met een spits. Om dit toch geregeld te krijgen bezocht Tukker de minister. Bij het binnentreden van de ontvangstkamer zei Tukker met gevoel voor humor: ‘Zijn Excellentie, de Filistijnen over u!’ De minister kon dit wel waarderen.

Weinig avondmaalsgangers
Tukker werd gewaardeerd. Zijn verschijning (Tukker was altijd geheel in het zwart gekleed) dwong alleen al respect af. Tukker bezat ook een dosis humor. Op gezelschap zei hij eens tegen een vrouw: ‘Bent u al getrouwd?’ De vrouw zei: ‘Ja’. Toen zei Tukker: ‘Dat is jammer’. Later zei Tukker over Bleskensgraaf: ‘Er is daar één kerk, namelijk de Hervormde kerk, zodat mensen allen in één richting gaan, met een sterk gevoel van saamhorigheid. Alleen van de kerkgang gaat al veel uit’. Het blijkt dat het aantal avondmaalsgangers zeer laag is in Bleskensgraaf. Maar een positief punt was dat het cafébezoek nauwelijks voorkwam. In 1948 werd hij beroepen door zijn oude gemeente, Elburg. Na dertien andere beroepen nam hij het aan naar Delft. Afscheid deed hij met 1 Petr. 5:10,11. ‘De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Jezus Christus, nadat wij een weinig tijd geleden hebben, Die volmake, bevestige, versterke en fundere u. Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.’

Willem Aantjes over Bleskensgraaf
Over Bleskensgraaf is wel meer te zeggen. Het was de geboorteplaats van ARP-politicus Willem Aantjes. De familie Aantjes behoorde tot de meer verlichten. Zo mochten ze wel fietsen op zondag. De zware bonders gingen op zondag de deur niet uit, scheerden zich niet en kookten niet op deze dag. De hervormde gemeente van Bleskensgraaf weigerde in de jaren twintig en dertig geld af te dragen aan de Generale Kas, waardoor ze geen eigen predikant mochten beroepen. Daarom waren ze lang vacant. In 1949 legde Willem Aantjes belijdenis af in Utrecht, de stad waar hij studeerde. Hij ging ook aan het avondmaal in de Domkerk. Twee jaar lang vermeed hij op de zondagen waarop de avondmaalsdiensten in Bleskensgraaf werden gehouden thuis te zijn. Maar vanaf 1951 werd het niet meer mogelijk dit steeds te ontlopen. ‘Dus toen heb ik de stap gedaan. Ik weet nog goed dat ik op een zondagochtend tegen mijn moeder zei: waar is mijn zwarte pak? Want aan het Avondmaal ging je niet in je normale zondagse kostuum, maar in een zwart pak met streepjesbroek. (…) O, zei ze toen, ga jij aan het Avondmaal. Dat is alles wat ze ervan gezegd heeft.’ De volgende morgen zat Aantjes thuis te studeren ‘en daar zag ik vrouw Ooms aankomen. Ik dacht: daar heb je het. Die komt me geestelijk doorlichten. Ik was sprakeloos toen bleek dat ze alleen maar even kwam zeggen: “Jongen, wat was ik daar blij mee”. Want vrouw Ooms was juist iemand uit die heel zware bevindelijke kring’. Aantjes heeft dit verhaal nog opvallend vaak verteld in interviews. Zie Roelof Bouman, De val van een bergredenaar. Het politieke leven van Willem Aantjes, Amsterdam 2002.

Kritiek van Pieter Zandt
In de Nieuwe Kerk van Delft deed hij intrede met Kol. 4:3. ‘Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus’. Onbekend was hij niet in Delft. In zijn studententijd kwam hij wel eens bij ds. Zandt. Deze oud-predikant stond echter kritisch tegenover de prediking van Tukker. Met name diens studie van de wat hij noemde ‘neo-gereformeerde boeken’ had zijns inziens de prediking van Tukker beïnvloed, wat hij niet waardeerde. Tukker kon goed samenwerken met de andere predikanten, niet in de laatste plaats omdat hij zocht naar wat verbond, en niet wat scheiding gaf. Deze houding was echter anders als het de vrijzinnigheid betrof. Toen dezen ook diensten wilden houden, hield de kerkvoogdij dit tegen, tot vreugde van Tukker.

Populair predikant
Met een ouderling ging Tukker in zijn wijk, met 4000 leden, drie à vier morgens en meestal drie middagen op stap. Tukker bezocht de jaarlijkse zendingsdagen van de GZB. Samen met collegapredikanten verschool hij zich dan ergens, waar ze liggend tegen een helling of een boom luisterden naar de sprekers. Vanaf 1950 maakte Tukker deel uit van de redactie van het Gereformeerd Weekblad. Hij leverde in het begin vooral artikelen over kerk en belijdenis aan. Tukker was populair in Delft, populairder dan zijn collega’s. Maar hij vond het niet leuk dat bij hem meer hoorders waren dan bij bijvoorbeeld ds. J.J. Poot, die in 1951 kwam. Hij belde soms mensen op om toch bij zijn vriend (ze waren als David en Jonathan) te kerken in plaats bij hemzelf. In 1951 trad Tukker toe tot het college van Visitatoren-Generaal. In 1952 werd hij gekozen tot lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Iedere eerste vrijdag van de maand werd er vergaderd.

Niet naar Oldebroek
De wijk van Tukker nam met duizenden toe doordat de stad steeds meer uitbreidde. De nieuwe kerkorde bracht veranderingen: het kiescollege werd afgeschaft. In 1952 ging Delft al over tot het aanstellen van ouderlingen-kerkvoogd, niet onomstreden in de kring van de bond (veel GB-gemeenten hadden dit in 2004 nog niet eens aangepast). De nieuwe kerkorde had gevolgen voor oudere ambtsdragers: het bereiken van de 70-jarige leeftijd betekende dat men niet meer herkiesbaar kon zijn. In Delft zou Tukker dertig beroepen krijgen, onder andere twee van Oldebroek: op 27 augustus en 10 november 1952. Oldebroek was in grote moeilijkheden geraakt door een dreigende scheuring; dat kan de reden zijn geweest een samenbindend figuur als Tukker tot tweemaal toe te beroepen. Droefheid had Tukker als er mensen overgingen naar afgescheiden gemeenten. Hij heeft meermalen gezegd dat er dan goed bloed wegstroomde. Soms waren dat vrienden, zoals de gebroeders Uitslag te Oldebroek. Toen zich daar een afscheiding voltrok, wilde hij hen spreken, maar zij kwamen de akker waarop zij aan het werk waren niet af. Albert Uitslag werd lerend ouderling en later predikant van de ontstane Vrije Oud Gereformeerde Gemeente.

Geen vrouw in het ambt
In 1954 begon Tukker zich zorgen te maken over de vrouw in het ambt. ‘Wij voor ons zullen de vrouw in geen geval in geen enkel ambt erkennen, noch op de kansel, noch in enige ambtelijke vergadering’. Tukker knoopte ook contacten aan met een Schotse predikant: Robert R. Sinclair, predikant van de Free Presbyterian Church of Scotland. In 1954 nam Tukker een beroep aan naar Rotterdam. Ruim zes jaar duurde zijn bediening in Delft. Afscheid nam hij in de Nieuwe Kerk, voor 1700 hoorders, naar aanleiding van Jer. 17:16. ‘Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde, ook heb ik de dodelijke dag niet begeerd. Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest’. Bij zijn afscheid bedankte een collega hem dat hij had gepoogd een synthese te vinden tussen het objectieve en subjectieve.

Marathon wandelen op zondag
In Rotterdam-Centrum deed Tukker intrede in zijn wijkkerk, de kolossale en nieuwe Koninginnekerk met Rom. 1:16. ‘Want ik scham mij het Evangelie van Christus niet.’ De gemeente telde 68.000 leden, waaronder veel randkerkelijken. Één van zijn collega’s was C.A. Korevaar, nog steeds in leven. Hij vertelt: ‘Er waren er ook, die zich afvroegen, hoe de Rotterdammers deze statig in het zwart geklede dominee zouden tegemoet treden? Was dit niet uit de tijd, zeker in deze moderne stad?’ Maar toch respecteerden ze Tukker: ‘Omdat dit zo geheel bij hem paste. En hij deze dingen niet aan anderen als een verplichting oplegde.’ Tukker wilde op de rustdag geen gebruik maken van het openbaar vervoer. Ook niet van de auto, waarvan hij in 1959 een rijbewijs had. De kerken in Rotterdam-Centrum lagen echter ver verwijderd van zijn pastorie. Tukker ging altijd wandelend naar de kerk, ook al moest hij maximaal 18 kilometer afleggen! Maar hij kreeg er ook wat voor. De kerk zat bij hem altijd overladen vol. De kolossale Koninginnekerk (1907) had nooit afgebroken mogen worden (dat gebeurde in 1971). Te laat kwam men erachter dat het inderdaad wel een bijzonder gebouw was, van de stijl Jugendstil. Deze kerk lag op de rand van de in de oorlog verwoestte binnenstad. De emoties liepen hoog op toen vaststond dat het gesloopt moest worden. De kerk was beeldbepalend voor de stad. Maar liefst 1700 kerkgangers kon de kerk herbergen. Op oudejaarsdag 1971 werd de laatste dienst gehouden.

Ook niet naar Oosterwolde
In 1956 overleed zijn moeder plotseling (die nog steeds bij hem inwoonde). In 1958 werd de vrouw in het ambt toegelaten in de Ned.Herv.Kerk. Tukker ging de nacht daaropvolgend niet naar bed. Huishoudster Zoet vertelt dat Tukker ’s nachts wakker was geworden, terwijl zijn kussen nat was van tranen. Er gingen geruchten dat Tukker zijn kerkelijke functies zou neerleggen. Dat deed hij niet. Wel bezocht hij sindsdien de classis-vergaderingen niet meer. In 1959 nam hij het beroep naar Katwijk aan Zee aan. Kort daarvoor had hij onder andere nog voor een beroep naar het Gelderse Oosterwolde bedankt. Hij nam afscheid met Hand. 13:48. ‘En er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.’ Tukker ging naar Katwijk aan Zee met een nieuwe huishoudster: Rika Zoet uit Elburg.

Katwijk was confessioneel
In Katwijk aan Zee kreeg Tukker te maken met een richtingenstrijd. Van oudsher waren er in Katwijk confessionele predikanten. Als gevolg van de nieuwe kerkorde van 1951 kon deze confessionele gemeente van kleur veranderen, omdat de confessionele kerkenraad niet meer zelf dubbeltallen mocht stellen. Ds. P.P.J. Monster startte een eigen kerkblad voor hervormd-gereformeerden. In zijn vacature kwam Tukker. Monster zei dat het ‘de Heere behaagd heeft mij in Katwijk aan Zee terug te voeren naar Zijn aloude paden’. Monster was kennelijk vroeger confessioneel en is in zijn Katwijkse periode gewonnen voor de richting van de Gereformeerde Bond. Tukker deed intrede in 1959 met 2 Kor. 5:19 met 2000 kerkgangers in de Nieuwe Kerk. ‘Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.’ Tukker schrijft terugblikkend op zijn eerste zondag in Katwijk: ‘Die prachtige Katwijkse mutsen, die helaas ook wel meer en meer zullen verdwijnen, dat massale psalmgezang, het maakte alles zo’n indruk op mij’.

Renovatie
Katwijk was de eerste gemeente waar hij op grote schaal met jeugdproblemen te maken kreeg. Er waren veel trouwerijen en veel begrafenissen. ‘Het leven voor de predikanten in de Katwijkse gemeente en in de Kerk van vandaag, is ongekend druk’. In 1961 woonde Tukker de begrafenis van luitenant-generaal Duymaer van Twist bij, hoofdbestuurslid van de Gereformeerde Bond. Hij werd begraven naast Groen van Prinsterer. Tukker trok veel kerkgangers. Het gebeurde eens dat hij een collega-predikant onderweg naar de kerk tegenkwam, waarna hij voorstelde om te ruilen. Tijdens Tukkers periode werd de Nieuwe Kerk grondig gerenoveerd. Tukker liet het niet na regelmatig bij de bouwvakkers te gaan kijken en liet zich zelfs hoog op de steigers fotograferen. Voor details had Tukker oog en hij nam dan ook veel initiatieven met betrekking tot de restauratie. Tukker maakte zich kwaad om de schade die vrouwen met ‘naaldhakjes’ aanrichten: ‘Willen de dames met hun naaldhakjes (hoe ter wereld kunnen zij er zich op in evenwicht houden?) eens gaan kijken naar de verwoestingen die zij aangebracht hebben in de (…) kerk? Bekijk eens de gaten in het nieuwe tapijt in het doophek…’

Meisje in broek, dominee in jurk
Tukker werd met de nieuwe mode geconfronteerd. Het meisje dat op zaterdagmorgen kruidenierswaren bezorgde verscheen in een broek, wat Tukker niet zinde. ‘Wil jij aan je vader vragen hoe hij er over denkt dat jij mannekleren draagt?’ De volgende zaterdag zei het meisje: ‘Mijn vader heeft gezegd: zolang u zondags in een jurk loopt, ik door de week best in een broek mag lopen’. Tukker kon er toch hartelijk om lachen. Tukker ging ook eens mee met de vissers op zee. Op een gegeven moment viel zijn pijp overboord. Maar zijn huishoudster bleek in zijn koffer vijf reservepijpen meegegeven te hebben. Roken bevorderde zijn gezondheid echter niet. Eind 1962 werd hem door de dokter ontraden langer te roken; hij leed aan een longziekte.

Naar Zwolle
Vanaf 1963 ging Tukker in plaats van zijn vriend, de bijna geheel blinde ds. Simon van Dorp de meditaties van het Gereformeerd Weekblad schrijven. Het waren bewerkingen van zijn preken, die hij (stipt als hij was) na zondagaond twaalf uur op de bus ging doen. Tien minuten later was de buslichting. In deze tijd werd ook ds. W. Vroegindeweij beroepen. De strenge winter van februari 1963 zorgde voor prachtige taferelen voor de pastorie: metershoge ijsschotsen lagen op het strand. In 1963 werd de Ichtuskerk gebouwd. In 1964 nam hij een beroep naar Zwolle aan. Hij preekte afscheid met Ps. 132:18. ‘Maar op Hem zal zijn kroon bloeien’. In Zwolle was hij de eerste predikant na de integratie van de evangelisatie ‘Elim’. Tukker kreeg een geografische wijk en het pastoraat over al de hervormden die in Zwolle en Zwollekerspel (de dorpen rondom Zwolle) tot de gereformeerde richting gerekend wilden worden. Zwolle was een midden-orthodoxe stad. Voor de zesde maal bevestigde ds. J.J. Poot hem. Tukker doet intrede met Hebr. 11:6. ‘Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet geloven dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.’ In deze tijd hield Tukker lezingen in Kampen, in de Broederkerk, over onderwerpen als uitverkiezing, wedergeboorte en heiligmaking. Hervormden, vrijgemaakt gereformeerden, studenten, predikanten, zelfs nonnen zaten onder zijn gehoor.

De Tukkerbijbel
In Zwolle was de Broerenkerk zijn wijkkerk. Dit was een voormalige kloosterkerk, en had geen toren. In 1966 werd Tukker tweede voorzitter van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. In 1968 nam Tukker een beroep aan naar Groot-Ammers. Hij deed afscheid in de Grote Kerk met Rom. 15:13. ‘De God nu der hoop vervulle u met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest.’ Zijn neef dr. C.A. Tukker bevestigde hem in Groot-Ammers. De overgang van het drukke Zwolle naar het landelijke Groot-Ammers was groot. Naast het gemeentewerk vroeg de revisie van de Statenvertaling in opdracht van het Nederlands Bijbelgenootschap veel tijd. In 1968 startte deze commissie, in 1977 was het klaar. De uitgave heette ‘Editie 1977’, maar werd al snel de ‘Tukkerbijbel’ genoemd, iets wat Tukker niet waardeerde. In 1970 stierf zijn vriend ds. J.J. Poot. In 1973 stierf oud-GB-voorzitter ds. G. Boer. Tukker was hem in 1970 opgevolgd als voorzitter. Tukker: ‘Ik heb onder de dominees weinig vrienden gehad, maar (tikkende op het glas van de kist van Boer) dit was er één.’

Sirjansland en Wassenaar
In 1974 werd Tukker officier in de Orde van Oranje Nassau. Op zijn 65e werd hem emeritaat verleend. Zo vertrok hij in 1974 naar Sirjansland. De afscheidsdienst moest zo sober mogelijk plaatsvinden. Dit hield verband met zijn visie op het afscheid: het ambt, dat hij van God ontving, werd weer voor God neergelegd en de opdracht van de kerk weer teruggegeven. Sirjansland was een kleine gemeente: honderd leden. Op één van de huisbezoeken vroeg Tukker: ‘Hoe vaak leest u per dag uit de Bijbel?’ Toen hij als antwoord kreeg dat het één keer per dag was, stelde hij de vraag: ‘Eet u dan ook één keer per dag?’ Na 2,5 jaar arbeid in de gemeente kon de gemeente overgaan tot het beroepen van een eigen predikant. Van 1977 tot 1979 verbleef hij in Wassenaar, waar een groep hervormd-gereformeerden kerkelijk onderdak had gekregen. Er waren ongeveer 40 mensen uit Wassenaar die hervormd-gereformeerd was, daarnaast kwamen er veel gezinnen uit de omgeving van Wassenaar bij hem kerken. Tukker vond dat het eigenlijk wel op een dolerend kerkje leek, maar hij voelde zich er desondanks best thuis.

Ouder en ouder
Eind 1977 ging Tukker met ander Gereformeerde Bonders naar Zuid-Afrika. Dit bezoek werd fel bekritiseerd, met name vanwege het feit dat de hervormde synode geen toestemming kreeg om het land te bezoeken. Hier preekte hij ook en voor het eerst in z’n leven stapte hij in een auto op zondag om te kunnen preken. In 1978 legde Tukker het voorzitterschap van de Bond neer. L.J. Geluk uit Zwolle was zijn opvolger. Eind 1978 kreeg Tukker een hartinfarct. Later zouden er nog twee volgen. In 1979 vertrok hij naar Arnemuiden. Daar bleef hij twee jaar. ‘Een pracht gezicht, heel dat stoelenvak in de kerk bezet met vrouwen in klederdracht.’ Tukker werd oud. Hij werd met de auto opgehaald omdat hij niet meer lopend naar de kerk kon. In 1979 stond hij veertig jaar in het ambt. Tukker bevestigde in 1981 de veertigste en laatste kandidaat: A. Schaap in Arnemuiden.

De laatste preek
Tukker vertrok naar Ridderkerk. Daar bleef hij tot 1988. Op 31 augustus 1984 verscheen zijn laatste meditatie in het Gereformeerd Weekblad, over Micha 6:4. ‘Mozes, Aäron en Mirjam’. Op zondag 25 december 1984 ging hij voor het laatst voor in Ridderkerk. Toen hij na het gebed de Geloofsbelijdenis opnieuw ging lezen werd hij daarop door de ouderling van dienst geattendeerd. Na afloop van de dienst zei Tukker: ‘Dit was nu echt de laatste keer’. Het laatste jaar dat hij in Ridderkerk woonde werd hij vergeetachtig, maar als er over geestelijke zaken werd gesproken, was hij glashelder. Zijn huishoudster Rika Zoet overleed in 1988. Het alleen wonen kon niet meer. Tukker verhuisde naar Epe, waar hij bij zijn neef inwoning en verzorging kreeg in de pastorie.

SGP’er
L. van der Waal typeerde Tukker als een ‘Schrift-theoloog’. Een bekende uitdrukking van Tukker was: ‘We ontvangen meer van de kerk, dan wij de kerk kunnen geven’. Nimmer accepteerde Tukker de openstelling van ambten voor de vrouw. Vergaderingen waar vrouwen aanwezig waren werden niet door hem bezocht. De kerk was voor hem een geloofszaak, een afkeer had hij van de zonden van de kerk. ‘Daarover mag zelfs de kerk de vloekpsalmen zingen’, zo zei hij. Tukkers preken waren altijd grondig voorbereid. Ze werden volledig uitgeschreven, op de kansel sprak hij de preek zonder te lezen uit. Tukker had een ‘koninklijke stem’, zijn voorkomen had iets majesteitelijks. Hij bleef altijd begrijpelijk. Jonge predikanten met archaïsch taalgebruik konden niet op zijn goedkeuring rekenen. Tukker had een voorkeur voor het niet-ritmisch zingen. Tukker stond op het standpunt dat de Statenvertaling aangepast moest worden aan het taalgebruik van zijn tijd. Vasthouden aan de NBG lag voor Tukker in het verlengde van het vasthouden aan de Ned.Herv.Kerk. Toen Tukker lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond werd, was hij de enige SGP-predikant, de anderen waren van ARP. Daarom was hij een wat vreemde eend in de bijt binnen het hoofdbestuur.

Ontstaan van Het Gekrookte Riet
Gezangen in de dienst wees Tukker af, eveneens het gebruik van de Nieuwe Bijbelvertaling. Hij had een afschuw van kerkpolitiek. De Gereformeerde Bond mocht niet een machtsmiddel zijn. In al te vrije evangelisaties ging hij niet voor. Moeite had Tukker met het ontstaan van Het Gekrookte Rietn 1981. Op één van de jaarvergaderingen in de jaren ’70 van de Gereformeerde Bond werd hij boos naar aanleiding van één van de latere oprichters van het blad. Tukker smeet zelfs met de voorzittershamer, waarna de predikant de vergadering verliet. Twee leden van het hoofdbestuur bezochten overigens wel de betreffende predikant, om het onaangename voorval te bespreken. Frictie was er ook met ds. J. van der Haar, die de redactie van het Gereformeerd Weekblad verliet na kritiek op de scherpte van zijn stukken. Daarbij kwam dat Van der Haar participeerde in de GBS en steun gaf aan Het Gekrookte Riet. Ook met een commissielid van het NBG-vertaalwerk, ds. A. Vergunst (Ger.Gem) ontstond verwijdering. Vergunst had zich neergelegd bij het standpunt van zijn kerk om de editie van 1977 niet te gebruiken. Vlak voor zijn sterven gaf Vergunst aan J. van der Graaf te kennen dat hij het weer goed wilde maken met Tukker. In eerste instantie weigerde Tukker dit te aanvaarden. Kort daarna werd Vergunst ernstig ziek. Het kwam toch nog goed.

Ongetrouwd
Tukker ging altijd in het zwart en droeg op straat zijn zwarte hoed. Tijdens een vergadering met de andere visitatoren-generaal in een restaurant te Kampen gebeurde het dat de ober bij het uitlaten zei: dag heren, maar tegen Tukker: dag dominee. Tukker bleef zijn leven lang ongehuwd. Het was een bewuste keus. Tukker ging nooit alleen op huisbezoek. Ook was altijd zijn huishoudster aanwezig als hij bezoek thuis ontving. Zo beschermde hij zich tegen zichzelf. Tukker was waardig, vriendelijk, ernstig en humoristisch. Hij had iets aristocratisch, al was hij van eenvoudige boerenafkomst. Tukker kende zijn zwakke momenten, vooral driftbuien in zijn vroege jaren. Kritiek kon hij soms moeilijk verdragen. Soms kon hij erg mopperen over zaken in de gemeente die hem niet aanstonden. Tukker genoot van het leven. Hij hield van klassieke muziek. Ook de gemeentezang vond hij mooi, vooral in Elburg. Ooit vergat hij daar eens te bidden, zo diep onder de indruk als hij was van het massale psalmgezang. Tukker was ook gesteld op mooie meubels en auto’s. Hij reed Mercedes en Jaguar. Hij had ook een visie over kerkgebouwen. Hij vond dat bij restauratie het gebouw in oude luister moest worden hersteld. Tukker had ook oog voor de natuur. De jaargetijden ontgingen hem niet.

Overlijden
Toenemende vergeetachtigheid kreeg Tukker aan het eind van zij leven. In de Eper pastorie werd hij liefdevol verzorgd door zijn neef en diens vrouw. Hij genoot van de Eper heide en bossen, ’s zondags zat hij in de kerk. Hij las aan het eind van zijn leven het boekje Nabij God te zijn van ds. J.T. Doornenbal. Hij zei tegenover een collega: ‘Dat is mijn enige hoop en verwachting’, terwijl hij naar boven wees. Toen hij enkele weken voor zijn sterven bezoek kreeg van een andere collega, gaf hij aan hem mee, al wijzend naar boven: ‘Milde handen, vriendelijke ogen zijn bij Hem van eeuwigheid’. Een dag voor zijn sterven vroeg een vriend hem: ‘Dominee wat zullen we lezen?’ ‘Openbaring 21 mijn vriend’, antwoordde Tukker. Op 6 december 1988 overleed ds. W.L. Tukker, op de leeftijd van 79 jaar. Hij werd begraven in Hoek van Holland, bij zijn familie.

Gepubliceerd in november 2007

Advertenties