Een eeuw christelijk-gereformeerd

n.a.v. W. van ’t Spijker, J.N. Noorlandt en H. van der Schaaf (red.), Een eeuw christelijk-gereformeerd. Aspecten van 100 jaar Christelijke Gereformeerde Kerken, Kampen 1992

Grote dingen
Abraham Kuyper koesterde reeds in 1872 het voornemen om het tot een breuk in de Ned.Herv.Kerk te laten komen. De gemeenten binnen de hervormde kerk zouden autonoom moeten worden, het kerkelijk goed zou verdeeld moeten worden. ‘Mijn plan is, de breuke te vertragen, tot alles in gereedheid is. (…) Daarna zal hereeniging met de Gescheidenen vanzelf komen. Ik geloof dat de atmosfeer van groote dingen zwanger is’.

Kuypers kritiek
Reeds in 1878 onderwierp Kuyper in De Heraut de bestaande Christelijke Gereformeerde Kerk aan een principiële kritiek, waarbij hij te kennen gaf dat zij de toetsing aan de gereformeerde beginselen op z’n minst op drie punten niet kon doorstaan: ze had zich geen rekenschap gegeven van de veranderde situatie ten opzichte van de overheid, geen poging ondernomen om allerlei dwalingen en ketterijen, sinds 1618 in zwang gekomen, te weerleggen en een confessionele verantwoording van de Afscheiding als zodanig ontbrak. Dit drietal overwegingen duidde op geen toevallig verzuim, maar op een gebrek in de levenswortel, dat verholpen diende te worden.

Het begrip ‘vals’
Ook in zijn bekende Tractaat van de Reformatie der Kerken (1883) trof hij de afgescheidenen op een pijnlijke manier, toen hij beweerde dat het harde oordeel over de hervormde kerk (als valse kerk), zeker door de vromen niet meer werd overgenomen. Kuyper had eerst dit begrip ‘vals’ geladen met al wat maar demonisch is, terwijl H. de Cock eenvoudig de taal van de belijdenis nasprak en met de uitdrukking niets anders bedoelde dan ‘niet in overeenstemming, of in strijd met de belijdenis’.

Kerk of kerken
De spanning tussen lokale gemeente en kerkverband loste Kuyper op door alle nadruk te leggen op de eerste. De christelijk-gereformeerden oordeelden dat hun landelijke eenheid als een groot goed beschouwd mocht worden. Ze zagen in Kuypers spreken van kerken in meervoud een poging om de kerken van het kerkverband te vervreemden.

Wekker
In 1888 verscheen het eerste nummer van ‘Het Stichtsche Wekkertje’, het blad dat de beginselen van de Afscheiding verdedigde. Ds. J. Wisse, christelijk-gereformeerd predikant in ’s-Gravenhage, was één van de redacteuren. Sinds de vijfde jaargang heette het blad ‘De Wekker’. Men vond dat het beginsel van 1834 niet mocht worden verloochend. Men mocht zich niet laten verschalken door de strategische zetten van Kuyper. De methode van Kuyper werd zonder omwegen aan de kaak gesteld als weinig passend voor zuiver kerkelijk handelen. De Wekker wilde alarmeren, wakker schudden en tot waakzaamheid oproepen. Tegelijk trof men in de stukken een typische vorm van eenvoudige vroomheid aan, die eveneens onmiddellijk de gewone mensen aansprak. Geen moeilijke verhandelingen maar eenvoudige meditatieve stukken, die bij alle kerkelijk geharrewar de mensen herinnerden aan het éne nodige.

Steun van een dolerende
Ongedacht kwam er steun van ds. F.P.L.C. van Lingen, rector van het eerste christelijke gymnasium in Nederland en komend uit de Ned.Herv.Kerk (hij was dus met de Doleantie meegegaan). Hij was één van de oprichters van de Confessionele Vereniging geweest en had J.H. Houtzagers in 1886 bevestigd in Kootwijk. Hij had een eigen maandblaadje, ‘Petahja’, waarmee hij zich in de kerkelijke strijd mengde. Hij nam van meet af een eigen standpunt in. Deze zelfstandige opstelling ten opzichte van Kuyper betekende echter niet dat Van Lingen twijfelde aan de juistheid van de methode van de Doleantie. Vooral in het begin liet hij zich ook zeer kritisch uit over de christelijk-gereformeerden. Langzaam echter veranderde de kritische toon ten opzichte van de Christelijke Gereformeerde Kerk, terwijl die ten aanzien van de beweging van de Doleantie meer en meer toenam. Vooral stak het hem dat men zo onzorgvuldig te werk ging in het toelaten van ongeoefende predikers tot de kansel.

Botsing met Kuyper
Toen hij dit op de synodetafel deponeerde, werd hij door Kuyper in De Heraut berispt op een manier die veel weg had van een smadelijke vernedering. Uit hun briefwisseling blijkt dat Van Lingen alles deed om de broederband te bewaren, Kuyper niet. In deze tijd kwam het tot een persoonlijke verwijdering tussen Van Lingen en Kuyper. De laatste gaf hem het publiek uitgesproken advies om naar de Christelijke Gereformeerde Kerk over te gaan. In 1891 nam hij inderdaad het besluit dit te doen. Hij verliet het gymnasium dat hij als zijn levenswerk beschouwde. Wat de botsing tussen Kuyper en Van Lingen betreft, deze staat op één lijn met die van Gunning, De Savornin Lohman, Hoedemaker en vele anderen.

Vijf kritiekpunten
Van Lingen was het die het initiatief nam tot het voortbestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Hij wendde zich tot de redactie van ‘Het Wekkertje’ en vroeg om plaatsing van een krachtig ingezonden stuk. Op de laatste synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk (1892) dienden Van Lingen en Wisse een bezwaarschrift in, tellende 5 punten.
(1) Nooit is aan de kerkenraden iets verzocht omtrent de vereniging
(2) De beginselen van Afscheiding en Doleantie zijn met elkaar in strijd
(3) Het ontbreken van kerkelijke tucht bij de dolerenden
(4) Er is geen wederkerige liefde tussen de kerken
(5) ‘Het is ons een overwegend bezwaar voor gereformeerd te erkennen, wat door voorgangeren der doleerende kerken in den laatsen tijd in het publiek is uitgesproken en geleerd omtrent Wedergeboorte en den Heiligen Doop’

Veronderstelde wedergeboorte
Dit laatste punt van bezwaar was niet het geringste. Het was een overwegend bezwaar. Opzettelijk werden hier geen namen genoemd, maar het ging natuurlijk om de leer van Kuyper. Deze had gezegd dat de doop van een kind der gemeente geschiedde in de veronderstelling dat het kind wedergeboren was. Het was voor hem een vaste verwonderstelling bij de opvoeding van elk gedoopt kind, dat er een verborgen genade in schuilt en dat de opvoeding slechts ten doel heeft om dit verborgen genadezaad in de akker van het kind te besproeien en het onkruid weg te wieden, opdat het ’t verborgen genadezaad niet zal verstikken. Kuyper had deze gedachten ontwikkeld in zijn meditaties in De Heraut, eind 1891 uitgegeven onder de titel Voor een distel een mirt. Eerder had hij in de brochure Separatie en Doleantie gezegd: ‘Waar men dat [dat de dopeling vooraf wedergeboren is] niet veronderstelt, mag niet gedoopt worden’.

Pleitgrond
Van Lingen beschouwt, evenals Hendrik de Cock het een halve eeuw eerder deed, de doop als een teken en zegel van de belofte. Die belofte biedt een vaste pleitgrond. Op grond van Zijn belofte mag de dopeling pleiten op Gods verbond en op al Zijn woorden, zodat in die weg het heil gerealiseerd wordt. We kunnen ook zeggen: in de weg van de wedergeboorte, die door Van Lingen reeds eerder werd omschreven als een ‘Pniël-gebeuren’. Het heil was een zaak van persoonlijke geloofsstrijd, van bevindelijk geloofsbeleven en niet een kwestie van een theologische beschouwing.

Slechts een theologische conceptie
De prediking had op Kuypers standpunt slechts te spreken tot wedergeborenen. Er zijn alleen dan onwedergeborenen te bearbeiden, wanneer er heidenen onder de hoorders zijn. Daarmee was de realiteit van de gemeente prijsgegeven ter willen van een irreële opvatting, die slechts in een theologische conceptie bestond. Kuypers idealisme streed met Van Lingens zin voor de werkelijkheid.

Jonge en oude afgescheidenen
Van meet af aan hadden mannen als Brummelkamp en Van Velzen zich bereid verklaard tot een hartelijke toenadering tot Kuyper en de zijnen. Zij zagen in zijn optreden, ook in zijn falend pogen, een bevestiging van hun eigen verleden. Jongere christelijk-gereformeerden ergerden zich aan Kuypers verdediging van eigen positie tegenover de afgescheidenen. Maar ook hun houding onderging een wijziging, toen men de formule ging hanteren van de tweeërlei methode van reformatie. Over de voordelen van de ene methode boven de andere sprak men zich liever niet uit. Op dit punt liet men de zaak eigenlijk voor wat zij was. Slechts op deze manier kon men nader tot elkaar komen.

De factor tijd
Toen deze wijziging zich voltrokken had, scheen de factor van de tijd te gaan dringen. Vreesde men een mislukken van de vereniging der twee kerkengroepen, wanneer deze niet op korte termijn zou plaatsvinden? Hoe wij die vraag ook moeten beantwoorden, het is duidelijk dat juist omtrent die kwestie bij Van Lingen en Wisse een groot bezwaar leefde. Wij staan daarmee voor de achtergrond van hun protest, dat immers niet de vereniging als zodanig gold, maar wél deze Vereniging, op dit moment en volgens deze voorwaarden.

Het Duplicaatboek
Kuyper had niet nagelaten om de afgescheidenen op hun confessionele en kerkrechtelijke gebreken te wijzen. Daarachter ging bij hem de gedachte schuil, dat men eigenlijk had behoren te wachten met het voltrekken van de reformatie van de hervormde kerk totdat hij het sein zou hebben gegeven… Kuyper pretendeerde met zijn beweging niets anders dan de voortzetting te zijn van de Ned.Herv.Kerk. Nu de officiële doop- en lidmatenboeken eigendom bleven van de hervormde kerk zette men een soort schaduwadministratie op in een ‘Duplicaatboek’. Men verwachtte dat deze maatregel tijdelijk zou zijn. Maar in deze kerkelijke administratie werd zonder onderzoek menige naam ingeschreven. Was dit in overeenstemming met het hoge principe van de kerkelijke tucht als derde kenmerk van de kerk?

1892 en 1905
Toen Van Lingen bemerkte dat Wisse in Het Wekkertje een zeer voorzichtige koers had uitgezet, die erop scheen te wijzen dat hij de Vereniging zou accepteren, zond hij een ingezonden stuk waarin hij Kuypers theologische opvattingen met betrekking tot de wedergeboorte onder scherpe kritiek stelde. De vijf punten van bezwaar werden afgewezen. De geschiedenis heeft achteraf het onjuiste van de beslissing van de Amsterdamse synode aangetoond. Na lange jaren van strijd kwam het in 1905 tot een compromis. Wij bezitten niet het recht om aan de oprechtheid in het geweten te twijfelen van hen, die met de vereniging meegingen. Maar evenmin mogen wij twijfelen aan de oprechtheid van hen, die in 1892 besloten om te blijven wat zij waren: Christelijke Gereformeerde Kerk.

Roeping tot het predikantschap
Kuyper en Van Lingen dachten ook anders omtrent de roeping tot het ambt. Kuyper meende dat Van Lingen al te subjectief zijn roepingsbesef beleefde, terwijl Van Lingen Kuyper betichtte van een intellectualistische opvatting. Van Lingen vreesde dat het gemis van de bevindelijke kennis bij de predikanten zou leiden tot een prediking waarin geest en leven tevergeefs werden gezocht. Van Lingen herleidde zijn predikantschap tot de persoonlijke roeping, terwijl Kuyper erop stond dat een relatie tot een gemeente onontbeerlijk was.

Vroomheid en wetenschap
De naam Christelijke Gereformeerde Kerk was Van Lingen dierbaar geworden. Dat die naam in 1892 door de Vereniging werd prijsgegeven zag hij zo: ‘De naam van de Heiland, zoals deze in de aanduiding van de Christelijke Kerk werd gevonden mocht niet worden verloochend’. Van Lingen was een krachtig voorstander van een streng wetenschappelijke vorming. Maar tegelijk was hij volstrekt overtuigd dat een prediker zelf uit de vroomheid der Schriften moest leven. H.H. Kuyper typeerde de christelijk-gereformeerden als een volk, waaronder niet ‘één heldere kop’ te vinden was.

Gestadige uitbreiding
De kleine groep, die in 1892 besloten had om niet mee te gaan, groeide langzamerhand. In 1892 waren er 6 gemeenten, in 1900 al 60. De gestadige uitbreiding van het aantal gemeenten is toe te schrijven aan het feit dat op verscheidene plaatsen de Vereniging niet aan de verwachtingen voldeed. Van Lingen was zeer actief in het organiseren van bijeenkomsten waar voorlichting werd gegeven. Zoals hij in de tijd van de Doleantie op menige plaats de stoot had gegeven tot het stichten van een dolerende gemeente, zo was hij nu zonder verpozen bezig om gemeenten te organiseren. Hij was daartoe in de gelegenheid, omdat hij niet aan een gemeente verbonden was die hem opeiste.

Theologische School
In 1894 werd de Theologische School geopend in ’s-Gravenhage waarbij de twee voortrekkers als docent werden bevestigd. In 1899 werd de school naar Rijswijk verplaatst, waarna het in 1910 weer naar ’s-Gravenhage terugging. In 1919 werd het gebouw aan het Wilhelminapark in Apeldoorn in gebruik genomen. De prediking bleek een belangrijke rol te spelen in de vorming van gemeenten. Kuypers leerlingen trokken de lijnen dikwijls strak. Bezwaren daartegen leidden tot onrust. Vrijwel in heel het land werden dergelijke groepen gevonden. De bloedgroep van de vroegere Kruisgezinden bleef herkenbaar.

Krachtige leiding
De Christelijke Gereformeerde Kerken van kort na 1892 had in vele opzichten weer dezelfde problematiek op te lossen als in de ‘crisis der jeugd’ (de jaren vlak na 1834). En het is aan de krachtige leiding van Van Lingen en Wisse te danken, dat de herrezen Christelijke Gereformeerde Kerk niet in het moeras van conventikel en mystiek is ondergegaan. Men voelde zich christelijk-gereformeerd. Dat betekende, dat men ook het ‘reglement van 1869’, afgeschaft onder de zware kritiek van Kuyper, weer invoerde. Op zichzelf had dit besluit weinig te betekenen, immers in artikel 1 stond dat voor het bestuur van de kerk de Dordtse Kerkorde zou worden gevolgd.

Artikel 8
Van betekenis was ook dat op de eerste synode reeds een zeer terughoudende opstelling werd gekozen ten aanzien van het ruime aanbod van oefenaars. Kuyper had zelfs een oproep geplaatst in zijn lijfblad, waarin dergelijke krachten uitgenodigd werden om zich te onderwerpen aan een examen om op die manier als helpers van de dolerende kerken te worden aangesteld. Daartegen had Van Lingen bijzonder krachtig geprotesteerd. Intussen was het aantal vacante gemeenten van jaar tot jaar toegenomen. Op de synode van 1898 drong Van Lingen er (tevergeefs) nog eens op aan, dat men art. 8 van de kerkorde niet zou misbruiken. Er werd te veel gebruik van gemaakt. Er waren op dat moment vijf predikanten in dienst die gestudeerd hadden, tegen acht die via art. 8 op de preekstoel waren gekomen. ‘Singulier’ betekent ‘zeldzaam, wonderlijk’, maar nu leek het juist bijzonder te worden als een predikant gestudeerd had…

Prediking
Wat verlangde men voor prediking? Een stevige exegese, een goede gereformeerde dogmatiek, geestelijke leiding, waarbij de tekst werkelijk tot spreken komt, een toepasselijk woord, dat rechtstreeks uit de tekst voortvloeit, een verantwoord taalgebruik en een bescheiden optreden. Van Lingen was een voorstander van het preken over zeer korte teksten, soms slechts een enkel woord. Hij was een kenner van de grondtekst. Hij etaleerde zijn kennis van de klassieken geenszins, maar maakte er wel op een gepaste manier gebruik van. Hij kon putten uit een vrij intuïtieve kennis van de gereformeerde orthodoxie. Oorspronkelijkheid was voor hem een eerste vereiste.

Vijf vereisten
Hij bedoelde daarmee, dat de prediker het resultaat van zijn eigen werk leverde, dat op een degelijke manier tot stand was gekomen. Hij geeft vijf vereisten aan voor de prediking: zuiverheid, eerbaarheid (de vorm moet in overeenstemming zijn met de inhoud, geen onbeschaafde uitdrukkingen bezigen, die heimelijk lachen veroorzaken), oprechtheid (geen plagiaat plegen, geen ‘tale Kanaäns’, niet spreken in geijkte termen), de leer moest gezond zijn (oppervlakkige en gevoelsmatige affectiviteit moet worden gemeden), het woord moet onberispelijk zijn. Bij deze punten verdwijnen vragen omtrent voorwerpelijke of onderwerpelijke prediking en dergelijke dingen meer naar de achtergrond. ‘Oorzaak van velerlei dwaling is, dat er overal hoorders zijn, die liever hooren van de weldaden dan van de persoon van Christus’.

Dankgebed doopsformulier
Dat de Christelijke Gereformeerde Kerk weer als kerk zich kon openbaren en niet als één groot onhanteerbaar conventikel uit de geschiedenis verdween, is ook toe te schrijven aan het feit dat men terstond na 1892 de opleiding ter hand nam, die de prediking zou moeten dienen. Het verbaast ons niet dat de gehele opleiding op de prediking gericht was. De Theologische School ondervond warme belangstelling van de kant van de kerken. Maar zij beschikte van meet af aan niet over het volle vertrouwen van de kerken. Door de noodzaak om voor haar te zorgen kwam het zendingswerk, vooral in het begin, op het tweede plan. Men waakte ook over de zuiverheid van de leer. Reeds in 1893 werd uitgesproken dat ‘de steeds meer doordringende leer omtrent de veronderstelde wedergeboorte bij den doop’ geen leer van de Christelijke Gereformeerde Kerk is. Maar kon men dan nog wel het dankgebed na de doop gebruiken. We kunnen begrijpen dat men juist op dit punt bijzonder gevoelig was.

De oud-A groep
Kritiek ontvangt Kuyper van vele zijden, ook vanuit de Gereformeerde Kerken zelf. Maar hij was er vrijwel doof voor. Hij negeerde hen soms zo opzettelijk, dat deze vorm van beantwoording dieper sporen trok dan een openlijke weerlegging van de bezwaren had kunnen doen. Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk heerste van meet af aan geen eenstemmigheid in de beschouwing van doop en wedergeboorte. Maar de onderlinge verscheidenheid verloor haar accenten in de gezamenlijke confrontatie met de opvattingen van Kuyper. Zeer betrokken voelden de christelijk-gereformeerden zich, toen in 1905 ‘vijf stellingen’ werden verspreid, waarin de oud-A groep protest aantekende tegen de opvattingen van Kuyper. Deze groep stond onder leiding van prof. L. Lindeboom uit Kampen. Maar op de gereformeerde synode kwamen de partijen tot een vergelijk, wat alom verbazing wekte. Men was kennelijk na de verloren verkiezingen voor Kuypers partij voorzichtiger geworden. De hoop op hereniging met mensen als Lindeboom was zo vervlogen.

Compromis
Zo kwam er sinds 1905 een sterker besef tot stand binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk dat er voor de toekomst geen andere weg was, dan die welke men in 1892 was gegaan. Ook toen had men zich vergist in hen aan wie men zich het meest verwant had gevoeld. Van een soortgelijke gewaarwording was sprake in 1905. Ook nu vroeg men zich af, hoe het mogelijk was, dat dappere leiders binnen korte tijd zulke geheel andere gedachten konden krijgen. Het compromis van de synode van 1905 dwong geenszins bewondering af.

Niet iedereen zomaar welkom
Men wilde trouw blijven aan de belijdenis en het beginsel van de Christelijke Gereformeerde Kerk en niet zonder meer de deur wijd open zetten voor ieder die maar binnen willen komen (zoals van vrije kerken of oud-gereformeerden). Vooral in het begin kwam dit principe onder druk te staan. De ijver die Van Lingen aan de dag legde voor een degelijke opleiding van de aanstaande dienaren van de kerk stond zonder twijfel in verband met de toeloop van buiten af van degenen die meenden, dat zij binnen deze kerkengroep een plaats zouden kunnen ontvangen, wanneer men slechts een voorstander was van de oude waarheid.

Zelfbewustzijn
In 1909 werd aangedrongen op het aanwenden van pogingen om tot kerkelijke samenleving te komen met de Gereformeerde Gemeenten. Maar het einde van een lange discussie was, dat men de tijd niet rijp achtte om in deze richting stappen te doen. Er waren nog te veel punten van verschil. Niettemin werd de wenselijkheid uitgesproken dat allen die in belijdenis één zijn, ook kerkelijk samenleven. Was dit een vrome wens, die verder weinig uitwerking had? Een jaar later bleek dat de Gereformeerde Kerken toenadering zochten tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. De brief werd beantwoord op een manier waaruit een gevoel van zelfbewustzijn blijkt. De deur naar de kant van de Gereformeerde Kerk was voorlopig in het slot geworpen.

Kerk van Christus
Er werd uitgesproken dat men zich eenvoudigweg bij de Christelijke Gereformeerde Kerk had te voegen. Men was overtuigd dat de Christelijke Gereformeerde Kerk de kerk was van Christus. Daarom had ieder zich met haar te verenigen. Er waren weliswaar kinderen van God in andere kerken, maar deze hadden de dure roeping om zich bij haar aan te sluiten. Van vereniging kon nimmer sprake zijn. Zij zocht allereerst contact met de Gereformeerde Gemeente. Deze kerken, zo vond men, stonden het dichtst bij de eigen kerk. Niet iedereen was het met deze koers terstond eens. Maar men had weinig te vrezen en weinig te hopen.

In gesprek met Kersten en Fraanje
Er kwam een gesprek met ds. Kersten en Fraanje. Er werd door hen bezwaar aangetekend tegen het standpunt dat de Christelijke Gereformeerde Kerk de openbaring was van de Kerk van Christus. Men wilde dit niet van de Gereformeerde Gemeenten zeggen. De christelijk-gereformeerde deputaten verklaarden dat de vrij exclusieve opvatting waarin werd gesproken dat de gereformeerde belijders zich bij hun kerk hadden te voegen, slechts gold voor de Gereformeerde Kerken. Zo was het niet bedoeld voor de Gereformeerde Gemeenten. Dit leek het ijs te breken, want er werd zelfs een lijn uitgestippeld, waarlangs het wellicht tot een samenleven zou kunnen komen tussen de twee kerkelijke groeperingen. De naam zou dan worden ‘Nederduitsch Gereformeerde Gemeenten’.

Supralapsarisme
Toch eerste er twijfel. Een broeder gaf daaraan uiting, door te wijzen op het ongewenste van een vereniging met die broeders. ‘De leer, die verschillende predikanten voorstaan, is niet één. De Maccoviaansch is bij hen schering en inslag’ (de supralapsarische opvatting van de verkiezing). Maar ook de Gereformeerde Gemeenten voelden eigenlijk niet veel voor samenleving met de christelijk-gereformeerden. Ze zeiden: ‘Kome er vereeniging, dan groeie zij van onderen af’. En daarvan moest helaas gezegd worden dat er op tal van plaatsen waar van beide kerkgroeperingen een gemeente was grote verwijdering ten opzichte van elkaar bestond.

Jongeleen en de drie verbonden
Ook verdere pogingen waren nutteloos. In 1950 kwam er een ‘koel-afwijzende houding’ van de Gereformeerde Gemeenten. Men bleef contact zoeken, maar de resultaten bleven negatief. Dat terwijl er sinds 1928 wel het één en ander was gebeurd. Ds. Kersten was er in geslaagd om een samenbundeling tot stand te brengen van een aantal groepen, die voordien een vrij heterogeen bestaan leidden. Het is ds. J. Jongeleen geweest die in 1919 op een particuliere synode een warm pleidooi hield voor de vereniging met de Gereformeerde Gemeenten. En nu was het juist ds. Jongeleen, die een krasse aanval had te doorstaan van de kant van ds. Kersten. Jongeleen had namelijk een lesboekje over de geloofsleer geschreven die Kersten kritisch besprak. Zijn leer van de drie verbonden had als voordeel dat de verkiezingsleer niet in al haar gewicht op de leer der verlossing kwam te rusten.

Kersten gaat voor Comrie
Kersten meende dat de leer van de verkiezing bij Jongeleen te kort kwam. Hij koos voor de ingewikkelde constructie van Comrie’s wijsgerige opvatting omtrent de ‘Man Christus’ met Wie het verbond zou zijn opgericht. Hij meende wellicht niet geheel ten onrechte zich voor zijn opvattingen te kunnen beroepen op een aantal Engelse theologen en vergat dat er op z’n minst even gezagvolle getuigen tegenover geplaatst konden worden. Kerstens bestrijding van de kerk met de drie verbonden had tot gevolg dat inderdaad de verbondsleer binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk een meer centraler plaats ging innemen. En zo werd de verbondsleer een sjibbolet tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Gemeenten. Zij zou dit geruime tijd blijven.

De SGP brengt verdeeldheid
Bij de door Kersten opgerichte SGP sloten zich de christelijk-gereformeerde predikanten J. van der Vegt en J.D. Barth (als bestuursleden) aan. Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk leidde dit tot onrust, die beslist niet minder werd toen Kersten in zijn politieke toespraken niet schroomde om de christelijk-gereformeerden gebrek aan beginsel toe te schrijven. Het optreden van Kersten bracht tweespalt in de kerk. Het ene gedeelte werd tegen het andere uitgespeeld. Op de synodes kwam de wens naar voren dat de dienaren van de kerk zich gemeenschappelijk zouden onthouden van het in het openbaar optreden voor de een of andere politieke partij. Hier kwam iets van de zwakte van de kerken openbaar.

Klaas Schilder
De jaren tussen de twee wereldoorlogen zijn voor de Christelijke Gereformeerde Kerk jaren van consolidatie geweest. Een nieuwe generatie was aangetreden. In 1927 werd de eerste zendeling uitgezonden. Klaas Schilder polemiseerde ook met de Christelijke Gereformeerde Kerk. Hoewel hij zich best had kunnen vinden in de plaats van de religieuze ervaring in het geloofsleven (Van der Schuit had zowel het intellectualisme als de valse mystiek afgewezen), begon Schilder een reeks artikelen onder de titel ‘Dr. A. Kuyper en het “Neo-Calvinisme” te Apeldoorn veroordeeld?’ Van der Schuit kwam daarop met een stevige brochure over: ‘Dr. A. Kuyper en de sluimerende wedergeboorte’. Daarin gaf hij onder andere de bizarre uitspraak weer dat Paulus wedergeboren was toen hij assistentie verleende bij de steniging van Stefanus. Schilder gaf te kennen, dat alle vertegenwoordigers van de ‘echt Gereformeerde geest’ in 1905 zich hadden gevonden in de leerbeslissingen van de synode. Het kwam erop neer dat Van der Schuit geen oude koeien uit de sloot moest halen. Maar deze wist wel beter. Hij proefde in de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken een steeds krachtiger wordende invloed van oud-B. En Schilder zou op het punt van Kuyper-oriëntatie nog een ontwikkeling doormaken!

Uitgestoken hand afwijzen?
Met de herdenking van de Afscheiding in 1934 kwam het naast elkaar bestaan van gereformeerden en christelijk-gereformeerden weer aan de orde. De gereformeerde synode bood opnieuw een uitgestoken hand. Mocht men die zomaar afwijzen? Merkwaardig was het dat juist nu, terwijl men eenheid zocht, in de Gereformeerde Kerken besloten werd tot uitbreiding van de gezangenbundel. De christelijk-gereformeerde synode zei nee. Men was door eigen oriëntatie op de Reformatie en door de confrontatie met de Gereformeerde Gemeenten tot de overtuiging gekomen dat eigen kerkelijk beginsel goed was. Men wilde niet eerder ja zeggen, totdat de gereformeerden de wijsgerige inslag van hun theologie zouden erkennen en uitzuiveren.

De zaak Berkhoff
Er is waarschijnlijk geen kwestie geweest die zo diep heeft ingegrepen in het leven van de kerk als ‘de zaak Berkhoff’. Deze predikant was al eens in aanvaring met een kerkelijke vergadering gekomen maar had schuldbelijdenis gedaan en mocht terugkeren. Toen de synode in 1922 een verzoek van de gereformeerde synode kreeg mee te werken aan een poging tot revisie van de belijdenis (de kwestie van het Schriftgezag, de belijdenis omtrent de ware en de valse kerk in verband met de opgekomen leer van de pluriformiteit van de kerk en de materie van art. 36, de verhouding van kerk en staat) wenste Berkhoff hierop in te gaan. Hij wilde ook dat de confessie aangevuld moest worden met het sociale vraagstuk, de advent, Israëls toekomst en het duizendjarig rijk.

De Bruidegom op de wolken verwachten
Ds. A.M. Berkhoff was zeer begaafd en wist de mensen van zijn tijd aan te spreken. Scherp zag hij dat het in de theologie ging om de vraag of de kerk de wetenschap zou leiden dan wel of de wetenschap de kerk de weg zou voorschrijven. Hij pleitte voor een bijbelse mystiek, ‘soms smalend de bevinding genoemd’, die hij plaatste tegenover de ‘nieuwe mystiek’, die onder de jongeren in de Gereformeerde Kerken aan invloed won. Berkhoff zag een gemis aan de kennelijke werking van de Heilige Geest, die zich openbaarde in de krachtdadige bekering en het ontwaken van de vals gerusten. Hij miste eveneens de doorbraak tot persoonlijke geloofsverzekering, met de daarbij behorende vruchten van de liefde, vrede, blijdschap en bereidheid van het evangelie, evenals de gereedheid om de Bruidegom op de wolken te verwachten.

Stevige publicaties
Zijn stevige publicaties over de wederkomst en het duizend jarig rijk lieten zien dat het nu eens niet over de kerkelijke strijd in het verleden en de rechtvaardiging van eigen kerkelijk leven hoefde te gaan. Hij trof de adventsgedachte aan al een rode draad in heel de bijbelse openbaring. Het was Berkhoff niet onbekend dat de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk in 1872 had uitgesproken, dat het ‘niemand zal toegelaten zijn te leeren of te verbreiden het gevoelen, dat Christus 1000 jaren zichtbaar en lichamelijk zal regeeren’. Met die uitspraak was hij het eens. Maar een aanhoudende en steeds sterker wordende drang van de Heilige Geest overtuigde hem, dat hij niet van de verkondiging van dit onderdeel van de bijbelse eschatologie mocht aflaten.

Geen matiging
Door een bezwaarschrift van een gemeentelid kwam de zaak op de meerdere kerkelijke vergaderingen. Die gunden Berkhoff zijn gevoelen; hij zou het wat minder fel moeten uitdragen. Daarbij liet men het. Maar met dit antwoord nam de appellant geen genoegen. Ook matigde Berkhoff niet. In 1932 verscheen het eerste nummer van een ‘Maandblad tot verbreiding en verdediging der verwachting van het komende vrederijk van onzen Heere Jezus Christus’ en droeg als naam: ‘De laatste dingen’. Het was bedoeld om de reacties op zijn boeken in De Heraut en De Reformatie (de negatief waren) te kunnen weerleggen, want hij had geen orgaan waarin hij dat kon doen. Vandaar dit maandblad waarin Berkhoff echter op sommige punten aanzienlijk verder ging. Hij verstond blijkbaar iets anders onder het verdragen van zijn mening als een privé-gevoelen dan de synode had gedaan. Hij trok zelfs het land door en maakte propaganda voor zijn visie.

’Mijnheer de Voorzitter, het oogenblik van scheiden is gekomen’
Men vreesde onrust in de kerken. Lang en breed discussieerde men met ds. Berkhoff. Men trachtte een breuk te vermijden. De spanning op de vergadering moet groot geweest zijn, vooral omdat er brieven en telegrammen bleven komen. In die situatie deed ds. Berkhoff, wat hij gezegd had te zullen doen. Hij nam afscheid van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Op een dramatisch ogenblik sprak hij ter synode: ‘Mijnheer de Voorzitter, het oogenblik van scheiden is gekomen. Ik moet de Chr. Geref. Kerk het recht ontzeggen, te zeggen dat zij nog is de zuiverste openbaring van het Lichaam van Christus. (…) Hier scheiden onze wegen. Dag Voorzitter, dag Synode, dag Chr. Geref. Kerke. God erbarme zich Uwer’. De mensen die erbij waren hebben dit ogenblik hun leven lang niet vergeten. Men heeft het de Christelijke Gereformeerde Kerk wel verweten dat zij zo haar begaafde predikant behandelde. Grote waardering genoot hij, ook in de synode. Hij sloot zich aan bij de Ned.Herv.Kerk en werd later vrij-evangelisch.

Vrijmaking vorm van erkenning
Men voelde een profetische roeping als christelijk-gereformeerden. Men had een roeping te volbrengen zowel naar binnen als naar buiten. De Gereformeerde Kerken raakten hun positie als gereformeerd bolwerk kwijt. In de Vrijmaking was het voor een deel gegaan over dezelfde punten, die altijd hadden behoord tot de bezwaren die in de kring van de Christelijke Gereformeerde Kerk waren uitgesproken tegen de Gereformeerde Kerken. Men voelde er een vorm van erkenning in. De synode besloot in 1947 de kerknaam te wijziging: het werd Christelijke Gereformeerde Kerken, meervoud dus. Men zag daarin geen principieel verschil.

De toe-eigening des heils
In de samensprekingen met de vrijgemaakten kwam de pacificatieformule van 1905 aan de orde. De vraag was of het in Kuypers leer omtrent wedergeboorte en doop ging om een variant die oorbaar was binnen de belijdenis, of was er sprake van een afwijking van de belijdenis? Met betrekking tot de prediking kwam de ‘toe-eigening des heils’ aan de orde. Het eindigde in een verkoeling en beëindiging van de contacten. Deze problematiek kwam weer naar voren toen de kerken besloten om opnieuw nader tot elkaar te komen. Met de vanaf 1967 ontstane Nederlands Gereformeerde Kerken kwam het tot het opstellen van een gemeenschappelijke verklaring ten aanzien van de toe-eigening des heils. Een passage daaruit oogste niet ieders instemming: ‘De christelijk-gereformeerde deputaten erkenden, dat er in hun kerken voor een deel – historisch te begrijpen – een subjectivistische inslag is, maar dat er reeds jaren geleden een duidelijke wending naar de beloftenprediking is gekomen’.

Gepubliceerd in juni 2009

Advertenties