Een samenleving op de rails

n.a.v. Eduard van de Bilt en Joop Toebes (red.), Een samenleving op de rails. De Verenigde Staten tussen 1776 en 1917, Nijmegen 1995

1776-1861
Onafhankelijkheid
De Declaration of Independence (1776) is doorspekt van fraaie retoriek. Hoewel Jefferson in hoogdravende bewoordingen stelde dat ‘alle men are created equal’ en zij aldus over universele rechten beschikken, verhult de tekst niet dat ook materiële overwegingen een rol speelden in het Amerikaanse verlangen naar zelfstandigheid. Naar economische maatstaven was de Onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli zowel riskant als onvermijdelijk. In de jaren voor de Onafhankelijkheid was de economische groei van de dertien kolonies groter dan de Britse en maakte de Amerikaanse bevolking tot één van de rijkste in de wereld. Door de Engelse regeldrift en de groei van het bureaucratische apparaat kregen de kolonisten een afkeer van centrale macht, die zij ook na de Onafhankelijkheid bleven koesteren.

De Grondwet
De Amerikanen hadden een zwak centraal gezag voor ogen. Angst voor een sterke uitvoerende macht leidde tot het invoeren van een eenmanskamerstelsel met een volksvertegenwoordiging die zowel uitvoerende als wetgevende instantie was. In deze nationale volksvertegenwoordiging konden deelstaten eenvoudig hun onwelgevallige wetsvoorstellen blokkeren daar per deelstaat gestemd werd, doorgaans negen staten een voorstel moesten steunen en voor belangrijke besluiten unanimiteit vereist was. Alleen al door een vergadering te missen konden staten het wetgevende proces blokkeren. De zwakte van het bestel bleek spoedig. Van een eenduidig buitenlands beleid was geen spreke: de deelstaten stuurden hun eigen mensen naar Europa. Zowel politiek als economisch werkte de statenbond niet en bleek duidelijk behoefte aan een nieuw, sterk centraal gezag. Dat economische motieven een grote rol speelde blijkt wel uit de tekst van de Onafhankelijkheidsverklaring en de Grondwet: die spreken immers van ‘life, liberty and the peruit of hapiness’ en ‘life, liberty and property’.

De 3/5 clausule
Mede door invloed van de kleine deelstaten werd het eenkamerstelsel van de Articles of Confederation vervangen door een Congres bestaande uit een Senaat en een Huis van Afgevaardigden. Om de macht van de grote deelstaten in te tomen kreeg elke deelstaat, ook de kleinste, ongeacht het bevolkingsaantal twee senatoren toegewezen. De 3/5 clausule in de grondwet, waarin de zwarten in de zuidelijke staten ondanks hun status als bezit voor 3/5 werden meegeteld als inwoners, garandeerde een grotere vertegenwoordiging van zuidelijke gedelegeerden in het Huis van Afgevaardigden, en beperkte zo de toch al geringe mogelijkheden van het Huis aan de slavernij iets te veranderen. Volgens de letter van de grondwet zou de internationale slavenhandel de eerste twintig jaar ongemoeid gelaten worden en moesten weggevluchte slaven aan hun eigenaren worden teruggestuurd.

De Bill of Rights
De Bill of Rights, de eerste tien amendementen op de tekst die in 1791 zijn toegevoegd en de relatie tussen burger en overheid regelen, is slechts onder dwang van de oppositie opgesteld. Verschillende van de ze amendementen kregen nauwelijks een enthousiast onthaal, hoezeer ze later ook bewierookt werden. De tekst was op allerlei niveaus zo zeer het resultaat van compromissen dat zijn vaagheden en tegenstrijdigheden iedereen instaat stelden er zijn eigen interpretatie van te geven, tot op de dag van vandaag. Het Nationale Congres was de wetgevende macht. Het hief belastingen en regelde de handel, het beheerde de territoria, het kon de veto van de president opheffen, een oorlogsverklaring kwam van het Congres. De Senaat moest buitenlandse verdragen goedkeuren.

Checks and balances
Er werden zoveel ‘checks and balances’ in de grondwet ingebouwd dat een competentiestrijd tussen de verschillende politieke participanten niet te vermijden was. Het wantrouwen van de kolonisten tegenover machthebbers was zo sterk dat ze zelfs tijdens hun onafhankelijkheidsoorlog weigerde neen sterke nationale regering in het leven te roepen. Voortdurend wordt in de Amerikaanse geschiedenis de rol die met name de nationale overheid in maatschappelijke en economische aangelegenheden speelde ter discussie gesteld. Hierdoor waren de Verenigde Staten tot het laatste kwart van de 19e eeuw nog geen echte staat, maar slechts een samenraapsel van machtsgroepen.

Buitenlands beleid
De grondwet was het begin van een discussie en beleid, niet het sluitstuk van een ontwikkeling. Pas in 1800 kwam er een ‘echte’ hoofdstad in de vorm van Washington, een stukje niemandsland vanwege het onderlinge wantrouwen. Pas rond 1900 werd Amerika een grote mogendheid; daarvoor waren ze zowel financieel als militair ondergeschikt aan het oude Britse moederland. Neutraliteit, ongebondenheid en politiek isolationisme waren de voorwaarden voor overleving in de harde wereld van de buitenlandse politiek. Politiek isolationisme hield geen commercieel isolationisme in. George Washingon maakte van de nood een deugd. Hij zag wel in dat er zich situaties zouden kunnen voordoen waarin ook politieke allianties met Europese naties onvermijdelijk waren. Hij wist dat zijn land zich nooit volledig buiten Europese aangelegenheden zou kunnen houden. Als zovelen geloofde Washington dat Europa Amerika’s grootheid zou proberen te ondermijnen door Amerikaanse politici of bevolkingsgroepen tegen elkaar uit te spelen. De Napoleontische oorlogen zorgden voor een opleving van de Amerikaanse handel en nijverheid.

Zwakte
Een sterke vloot die bescherming kon bieden aan hun schepen hadden de Amerikanen niet: ze associeerden militaire macht met tirannie. In 1812 verklaarden haviken in het Congres de oorlog aan Groot-Brittannië. De oorlog toonde haarscherp de zwakte van het Amerikaanse stelsel. Het Congres was allesbehalve scheutig met het beschikbaar stellen van gelden voor leger en vloot. Niet alle regio’s steunden de oorlog. Als generaal Andrew Jackons twee weken na het einde van de oorlog (communicatie verliep toen traag) de Britten bij New Orleans niet had verslagen, was de Unie de oorlog niet ongeschonden doorgekomen.

Sociaal-economische dynamiek
De dertien (deel)staten werden spoedig uitgebreid: Vermont, Kentucky en Tennessee (1791, 1792 en 1796), Ohio, Louisiana en Indiana (1803, 1812 en 1816) en Mississippi, Illinois en Alabama (1817, 1818 en 1819). In het begin van de 19e eeuw openden nieuw aangelegde wegen en kanalen (zoals het Eriekanaal) een steeds groter gebied. Aan de vooravond van de Onafhankelijkheid bestond er een netwerk van postwegen die de kolonies met elkaar verbonden. Tussen 1790 en 1817 vervijfentwintigvoudigde dit netwerk tot meer dan 50.000 mijl. In 1829 begon de Baltimor and Ohio Railroad Company de eerste commerciële spoorlijn. De spoorwegen warden geleidelijk de motor van de economie. Tegen 1860 lag er meer dan 30.000 mijl spoorweg. In 1844 kwam Samuel Morse op de proppen met zijn telegraaf. De ‘cotton gin’ van Eli Whitney maakte het omstreeks 1820 mogelijk dat één arbeider evenveel katoen ‘schoonmaakt’ (de katoenpitten verwijdert) als daarvóór vijftig mensen met de hand.

Frontier-samenleving
Tussen 1790 en 1830 verdrievoudigde de bevolking, van 4 miljoen in 1790 naar 7,2 miljoen in 1810 tot 12,8 miljoen in 1830. In 1850 woonden er 1,6 miljoen ten westen van de Mississippi, in 1870 al bijna 7 miljoen. In de landbouw werd mede door de introductie van Cyrus McCormicks maaimachine (1831) en John Deere’s stalen ploeg (1837) meer en meer geproduceerd. De trek naar het Westen bood vrouwen kansen zich te emanciperen; het verminderde ook het gezag van de nationale en lokale overheden. Er groeide een ‘frontier’-samenleving. Predikanten als Lyman Beecher trokken naar ‘ongeciviliseerde’ plekken aan de frontier om de excessen van de zich ontwikkelende samenleving te lijf te gaan. Een dochter van hem was Harriet. Predikanten bekeerden des te meer zielen doordat zij de oude calvinistische opvattingen van predestinatie en zondebesef gingen vervangen door de overtuiging dat mensen hun plaats in de samenleving en het hiernamaals konden verdienen.


Eli Withney

American Dream en begin van de schande
De ‘American Dream’ ontstond. Iedere Amerikaan had de vrijheid door hard te werken zijn maatschappelijke positie te verbeteren. Inkomensverschillen groeiden. Nieuwkomers uit Europa kregen in toenemende mate te maken met discriminatie. Voorheen harmonisch samenwerkende ambachtslieden veranderden in werkgevers en werknemers. Hoewel laatstgenoemden organisaties probeerden op te richten om hun belangen te behartigen, was hun succes daarin beperkt. Uitdijende steden als New York kenden al sloppenwijken. De raag naar katoen in de jaren 1820 dreef ook plantagehouders naar het westen, met slaven en al. Het systeem van slavernij, waarvan menig Amerikaan in de 18e eeuw nog dacht dat het gedoemd was te verdwijnen, begon een nieuw leven. Tariefmuren, die de opkomende nijverheid van het Noorden tegen Britse concurrentie beschermden, waren nadelig voor de economie van het Zuiden.

Regulering
Wantrouwen ten opzichte van machthebbers en nationale volksvertegenwoordigers beletten vooral de federale overheid een sturende rol te spelen in de sociaal-economische ontwikkelingen. De overtuiging dat de natie het meest baat had bij een decentraal bestel plaatste de deelstaten in een machtspositie, maar creëerde tevens een situatie waarbij het bedrijfsleven de politiek naar zijn hand kon zetten door deelstaten tegen elkaar uit te spelen. De politiek kon de economische ontwikkelingen ternauwernood bijbenen, laat staan bijsturen. Alexander Hamilton propageerde de idee van een regulerende overheid. Hij wenste deze overheid geleid te zien door handelaren en financiers, die in zijn ogen de meest geschikte managers waren. Door de schulden van de deelstaten door de federale overheid over te laten nemen zorgde Hamilton ervoor dat zij elkaar niet langer voor de voeten liepen in hun pogingen aan inkomsten te komen. Hamilton wilde een centrale bank. Hij wist een groot deel van zijn plannen te realiseren. Tegenover Hamilton stond Thomas Jefferson: ‘Those who labour in the earth are the chosen people of God’ Ondanks alle afkeer van politieke partijen, die veel Amerikanen beschouwden als een ondermijning van de nationale eenheid, leidden deze verschillende visies tot de eerste partijconstellatie in de Amerikaanse geschiedenis: de federalistische en de republikeinse partij. Tot 1812 bepaalden deze partijen het politieke strijdtoneel. Patriottisme hield partij-politieke ruzies en ideologische tegenstellingen binnen de perken.

De Burgeroorlog
William Lloyd Garrison begon een abolitionistische krant: The Liberator. Hij zegt onder andere: ‘Over dit onderwerp (afschaffing slavernij) wil ik niet met gematigdheid denken, spreken of schrijven’. Daartegenover zegt een voorstander van slavernij (hij spreekt over ‘de zegen der slavernij): ‘De vrije arbeider moet werken of verhongeren. Hij is meer slaaf dan de neger’. Uncle Tom’s Cabin van Harriet Beecher Stowe bracht veel op gang. Lincoln zou later spreken over ‘the little woman who wrote the book that made this great war’.

Overige
– Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog ondernamen de Amerikanen vergeefse pogingen Canada bij hun natie te voegen.
– Het Hof kreeg het recht wetten van deelstaten in strijd met de grondwet te verklaren (een recht dat niet expliciet in de grondwet stond vermeld).
– Presidenten hadden bij de benoeming van ministers altijd rekening te houden met een juiste verdeling over de regio’s en deelstaten.

1861-1917
Inleiding
Historicus Frederick Jackson Turner kwam in 1893 met de these dat het Amerikaans volkskarakter zou zijn gevormd door de ervaringen aan de steeds weer verlegde ‘frontier’, de grens tussen het ‘beschaafde’ en het ‘onbeschaafde’ Amerika. Vanaf 1890 was er geen sprake meer van een frontier. Tussen 1860 vonden er zulke enorme veranderingen plaats, waren er zoveel mijlpalen, dat terecht gesproken kan worden van de geboorte van een moderne samenleving. Amerikanen waren in deze tijd op zoek naar een nieuw evenwicht tussen het historisch gegroeide vrijheidsbegrip en de noodzaak te voorkomen dat de maatschappij ontspoorde.

A House Divided
In 1854 ontstond uit een coalitie van Whigs, Noordelijke Democraten en anderen de nieuwe Republikeinse Partij. Het was een echte Noordelijke partij; de Democraten, die de schijn van een nationale partij wilden ophouden, kregen in feite een Zuidelijk karakter. De Zuidelijke Democraten benadrukten de zelfstandigheid van de deelstaten. De slavernijkwestie verdeelde niet alleen het land, maar ook de Democratische Partij. Dit zorgde ervoor dat in 1860 de Republikein Lincoln tot president werd verkozen, omdat de Democraten een Noordelijke en een Zuidelijke kandidaat hadden, die bij elkaar meer stemmen haalden dan Lincoln, maar individueel minder. De Burgeroorlog was een feit.

Eerste moderne oorlog
De oorlog was vooral qua omvang de eerste moderne oorlog. Het Noordelijke leger omvatte in 1864 2.300.000 soldaten en dat van het Zuiden ongeveer 800.000. Veldslagen waren vaak massaslachtingen. Techniek en organisatie speelde een belangrijke rol. Voor het eerste werden gepantserde schepen ingezet. De oorlog was nog ouderwets omdat door de beperkte middelen van de geneeskunde en door slechte hygiëne meer mensen omkwamen dan door de oorlogshandelingen zelf. William Tecumseh Sherman besliste uiteindelijk de oorlog. Hij trok vanuit Tennessee dwars door Georgia. Hij vernietigde daarmee niet alleen de aanvoerlijnen van de Zuidelijken maar verwoestte ook alles wat hij onderweg tegenkwam: paarden, vee, huizen, de oogst (‘het verschroeide land’). De blanke Zuidelijke bevolking werd zo murw gemaakt en bood amper weerstand. Het meest on-Amerikaanse in deze oorlog was de invoering van de dienstplicht. Hoeveel Europeanen waren niet om deze reden uit Europa geëmigreerd om dit in eigen land te ontlopen!

Positieve ontwikkelingen in de oorlog
Centralisatie van macht ten koste van deelstaten werd in de oorlog noodzaak. Er ontstond een enorm bureaucratisch apparaat en er werden nieuwe, directe belastingen ingevoerd om de kosten van de oorlog te dekken. De oorlog betekende een stimulans voor nieuwe technische ontwikkelingen, met name in de staal0 en wapenindustrie, en voor de opkomst van grote ondernemingen. Het tekort aan arbeiders bevorderde de mechanisatie van de landbouw. De zakenlieden profiteerden in het algemeen sterk van de oorlog. De spoorwegen bloeiden, de openlegging van het Westen werd gestimuleerd. Er ontstonden vele ‘colleges’ en universiteiten in het Westen. De invoerrechten werden meer dan verdubbeld. De kwestie van de slavernij werd in principe opgelost door Lincolns Emancipation Proclamation van september 1862. De slaven in de opstandige staten werden daarin per 1863 vrij verklaard. De verklaring was meer bedoeld als een dreigement jegens het Zuiden dan als een principiële zaak. Lincoln werd kort na de oorlog vermoord; de enige man die de verzoening tussen Noord en Zuid had kunnen bewerkstelligen was niet meer.

Reconstructie
Na de Burgeroorlog konden zwarten invloed krijgen in de nieuwe volksvertegenwoordigingen. De grond bleef wel in handen van de blanken; privé-bezit was een te heilig recht. In feite hadden de amendementen ten behoeve van de zwarte bevolking een beperkte uitwerking. De door Republikeinen gedomineerde regeringen van de Zuidelijke staten in de Reconstructie-periode stonden tot voor kort in de meeste geschiedbeschouwingen in een kwade reuk. Het zou vooral corruptie en vriendjespolitiek zijn geweest. Dit beeld wordt tegenwoordig gerelativeerd gezien het goede werk dat geleverd is. De komst van zwarte vertegenwoordigers was verschrikkelijk voor de Zuidelingen. Men sprak over het ‘onwetende zwarte stemvee’. De Ku Klux Klan werd in 1866 opgericht en voerde terreurdaden uit tegen zwarten en blanke Republikeinen.

De ‘New South’
In 1877 kwam aan de Reconstructie formeel een einde toen de laatste militaire bestuurders uit het Zuiden teruggetrokken werden. Zo ontstond de ‘New South’. De industrialisatie werd naar Noordelijk voorbeeld ter hand genomen. Vanaf 1901 was de oliewinning in Texas van grote betekenis. Toch bleef het een vooral agrarisch gebied. De grote meerderheid van de landbouwers bestond uit pachters of ‘share croppers’. Vooral de laatsten, vaak zwarten, die ongeveer de helft van de oogst aan de grondeigenaars moesten afstaan, verkeerden in erbarmelijke omstandigheden. Een blanke elite bleef de Zuidelijke samenleving beheersen. Veel bleef in de ‘New South’ bij het oude.


Cornelis Vanderbilt

De openlegging van het westen
In 1869 kwamen de Central en de Union Pacific Railroad samen: de eerste transcontinentale verbinding was een feit. Spoorwegaanleg stimuleerde ook de soms komeetachtige opkomst van steden als Los Angeles, Seattle en Kansas City (en Nashille en Atlanta in het Zuiden). Eenwording van de natie zou zonder de aanleg van de spoorwegen bijna ondenkbaar zijn geweest. Om een efficiënte dienstregeling mogelijk te maken stelden de spoorwegmaatschappijen bijvoorbeeld vier tijdzones in. De federale overheid steunde de aanleg van transcontinentale spoorwegen door ‘landgrants’ van twintig tot tachtig mijl aan weerszijden van de spoorlijn. In 1900 was tweederde van de spoorwegen in handen van zeven maatschappijen (waaronder die van Cornelius Vanderbilt).

Every buffalo dead is an Indian gone
Behalve blanke avonturiers trok het Verre Westen ook wel (kleine aantallen) zwarten en Indianen, Chinezen en Mexicanen aan, maar die waren niet altijd welkom. De exploitatie van de natuurlijke rijkdommen gebeurde vaak op zo’n wijze dat er een natuurbeschermingsbeweging op gang kwam. In 1890 werd bijvoorbeeld Yosemite Park gesticht. Met Indianen werd ook niet zorgvuldig omgegaan. ‘Every buffalo dead is an Indian gone’. Spoorwegmaatschappijen bevorderden de uitroeiing van de bizons door het uitloven van premies, waardoor een ware bizonjacht-rage ontstond. Men bestookte de dieren zelfs vanuit treincoupés. Van de geschatte dertien miljoen dieren rond het midden van de 19e eeuw waren er in de jaren 1880 nog slechts enkele honderden over. De Indianenstammen, immers van de bizonjacht afhankelijk, moesten hun jachtterrein verleggen en kwamen zo in botsing met andere stammen. Ook strijd met blanken bleek niet uit; tussen 1864 en 1890 vonden de zogenaamde ‘Indian Wars’ plaats.

Cowboys
De Homestead Act van 1862 bevorderde het koloniseren van de Plains. Het klimaat was echter hard: lange droogteperioden waren niet zeldzaam, stormen konden, net als smeltende sneeuw in het voorjaar, grote verwoestingen aanrichten. Insectenplagen konden de oogst vernietigen. Boerderijen lagen vaak mijlenver uit elkaar; eenzaamheid was dus onderdeel van het leven. Tussen Minnesota en Texas ontstond de ‘wheat belt’, de nieuwe graanschuur van het land. Naast de Plain Frontier was er ook een Ranching Frontier. Vanaf het begin van de 19e eeuw werden grote kudden wild veel geweid in het zuiden van Texas. De vraag naar vlees groeide. Cowboys dreven te paard gedurende lange, eenzame tochten van wel 1500 mijl kudden longhorns vanuit zuid-Teas naar laadstations van de spoorwegen noordwaarts om aan de vraag naar vlees te voldoen. Het afbakenen van weidegronden werd vanaf 1874 met prikkeldraad gedaan, dat lichter dan lucht en sterker dan whisky werd genoemd. Met de romantiek van de cowboy was het gedaan.

Naar een industriële samenleving
In 1860, vlak voor het uitbreken van de Burgeroorlog, was Amerika nog grotendeels een agrarisch land. In dat jaar werkte slechts een kwart van de beroepsbevolking in de nijverheid en het transportwezen. De spoorwegen waren volgens veel historici ‘the key to this economic explosion’, de eerste exponent van ‘big business’. De spoorwegen brachten het land welvaart, maar ondermijnden tegelijkertijd Indianenculturen, creëerden verschillen tussen regio’s en blanken onderling en droegen bij aan een massale immigratie die onder andere tot etnocentrisme leidde. Dus dezelfde spoorwegen die Amerika op de kaart zette deed haar ook ontsporen. Amerika had alles in zich om een grote industriële mogendheid te worden: een rijkdom aan grondstoffen, een enorm afzetgebied binnen eigen grenzen, voldoende kapitaal,vrijheid van productie en politieke stabiliteit.

Uitvindingen
Steeds meer uitvindingen werden er gedaan: de typemachine (1862), de telefoon (1876), het kasregister (1879), de gloeilamp (1879) en de telmachine (1891). Met name de toepassingen van elektriciteit zorgden voor een doorbraak (Thomas Alva Edison). Nieuwe opkomende industrieën waren de olie-industrie en de daarmee samenhangende chemische industrie, de staalindustrie en, wat later, de auto-industrie, met beroemde ‘captains of industry’ als John D. Rockefeller, Andrew Carnegie, de DuPont’s en Henry Ford. Oorspronkelijk was olie slechts bekend als medicijn, vanaf 1855 pas als lichtbron. Door fusies binnen de olie-industrie ontstond de Standard Oil Company of Ohio, ESSO. ER kwam anti-trustwetgeving. Rockefleer ontwikkelde het idee van een ‘holding company’, een maatschappij die als aandeelhoudster van werkmaatschappijen optreedt, om zo anti-trustwetgeving te ontlopen. Ford introduceerde het systeem van de ‘assembly line’, de lopende band.

Urbanisatie
Amerika kende in 1860 9 steden met meer dan 100.000 inwoners, in 1920 al 68. Los Angeles telde in 1870 nog 5700 inwoners, in 1920 576.000. In de stad werd het moderne Amerika geboren. De stadsuitbreidingen vonden aanvankelijk ongepland en dus chaotisch plaats. De rol van de spoorwegen en het openbaar vervoer was van cruciaal belang voor de groei van steden. Steden die de treinaansluiting misten, groeiden niet. In de jaren 1850 werd de paardenstram over rails geïntroduceerd, in de jaren 1890 waren er al elektrische trams. Pogingen om files te vermijden stonden aan de basis van de constructie van ondergrondse spoorbanen in New York, Boston en Philadelphia in het eerste decennium van de 20e eeuw. De nieuwe transportmogelijkheden zorgden ook voor een uitwaaiering van de bewoners naar ‘suburbs’.


Thomas Alva Edison

Secular cathedral
In de jaren 1920, toen de lonen van arbeiders verhoogd en auto’s massaal aangeschat werden, gaven arbeiders de urbanisatie een nieuwe impuls; deze trend zette zich door in de jaren 1950 en 1960. Door deze ontwikkelingen werden de steden steeds meer ‘business centers’ en nam de verpaupering van de binnensteden toe. De bevolkingsdichtheid was in 1900 in een bepaald deel van New York 900 per acre ofwel 500.000 personen per vierkante mijl, de hoogste ter wereld. Het traditionele patroon van Amerikaanse steden was het ‘gridiron’ of ‘grid’-systeem, met rechthoekige straten en een schaakbordachtige indeling. Het was in Chicago dat de ‘skyscraper’, de wolkenkrabber zijn eerste ontwikkeling kende, door het gebruik van een staalconstructie werd dit mogelijk. Men noemde het wel een ‘secular cathedral’. In 1929 kreeg New York de Chrysler Building, in 1931 de Empire State Building (77 en 102 verdiepingen).

‘Machines’ en ‘bosses’
In de grote steden werden politieke partijorganisaties, de ‘machines’, opgericht met full-time politici, de ‘bosses’, die zorgden dat zij in immigrantenwijken bekend en som geliefd werden. Zij zorgden vaak voor baantjes, stopten behoeftigen geld toe, woonden huwelijken en begrafenissen bij, stonden mensen in rechtszaken bij. Illegale activiteiten als prostitutie en gokken konden worden gedoogd door het betalen van afkoopsommen aan hun organisaties. In het stedelijk bestuur liepen politiek, commercie en criminaliteit nogal eens door elkaar. In 1904 verscheen een boek getiteld The shame of the cities.

Massaconsumptie en massacultuur
Confectiekleding verving voor een groot deel zelfgemaakte kleding; meubels werden in serie gemaakt volgens standaardontwerpen. Eetgewoonten veranderden door het koelwagensysteem. Postorderbedrijven kwamen met catalogi. Het uitgebreide spoorwegnet en de uniformering van de posttarieven brachten alle producten binnen het bereik van bewoners van zelfs de meest afgelegen boerderij. Sportwedstrijden kregen steeds meer aandacht in de pers, vooral baseball (honkbal), boksen en American football (lijkt op rugby). Voor de laatste sport werden strenge regels ontworpen vanwege de vele ernstige verwondingen en ook de ontsporingen in de bokssport werden aangepakt. Wat verder opkwam waren danszalen, de film en theaters. Deze volksvermaken konden echter niet altijd de goedkeuring van leidende persoonlijkheden uit de gegoede burgerij wegdragen. Ze zagen er vanuit hun Victoriaans perspectief allerlei uitingen van zedeloosheid en ondeugd in. In het Congres werd zelfs gelobbyd voor de instelling van een nationale censuur op films. Het kwam uiteindelijk tot een soort vrijwillige filmcensuur. Sensatiepers was ook populair.


Bouwvakkers bezig op grote hoogte

Het populisme: de revolte van de boeren
De landbouw raakte na de Burgeroorlog in een stroomversnelling. De prijzen van graan kelderden. Tussen 1893 en 1897 trof een economische crisis in Amerika vooral de boeren. Boeren richtten een politieke partij op: de People’s Party (1891). Zo ontstond het populisme. Cruciaal punt voor de boeren was de eis tot erkenning van zilver (naast goud) als wettig betaalmiddel. Door zilveren munten zou er meer geld in omloop komen en het geld dus minder duur worden. Daarvan zouden de boeren, die doorgaans met hoge schulden zaten, profiteren.

De ‘progressive era’: de gegoede burgerij in het geweer
Hoewel het populisme na de verkiezingsnederlaag in 1896 een zachte dood stierf, bleef er ontevredenheid in brede lagen van de bevolking, vooral over de excessieve macht van grote zakenmensen in de samenleving. Dezen beheersten de markt en stelden eigenmachtig lonen, prijzen en arbeidsverhoudingen vast. De eerste sociale wetgeving kwam op deelstaatniveau tot stand en betrof de veiligheid van fabrieksarbeiders. Daarna volgden in de meeste staten beperkingen van de kinderarbeid, en in enkele werd zelfs een soort kinderbijslag en een oudedagspensioen ingevoerd.

Een moreel offensief
Alcoholmisbruik en prostitutie waren veel voorkomende fenomenen in arbeiderswijken. In 1918 slaagden de tegenstanders van alcohol erin het Congres tot een nationale ‘Prohibition’ van productie en consumptie van alcoholische dranken te bewegen door het aannemen van het 18e amendement op de grondwet. Ook bordelen werden in bijna elke staat wettelijk aangepakt. Door de associatie van nieuwkomers en morele kwaden kon de stap naar beperking van immigratie uiteraard niet uitblijven.


Empire State Building rechts en uiterst links achter een brede wolkenkrabber Chrysler Building, waarvan alleen nog de spits te zien is

Hervorming van het onderwijs
De overtuiging van menig progressief dat de mens tot het goede opgevoed kan worden leidde vanzelfsprekend tot een herwaardering van het onderwijs. ‘Learning by doing’ was een uitgangspunt. Geen steriele kennisverwerving, maar het uitgedaagd worden van leerlingen om hun potenties te ontwikkelen. De middelbare scholen werden niet meer gemodelleerd naar West-Europees model, maar er kwam één soort highschool, waar kinderen vakken konden kiezen op basis van hun aanleg en interesse. Er bestond geen scheiding tussen HBO en universiteit. In 1920 bestond al 47 procent van de studenten uit vrouwen.

Progressieve presidenten
Theodore Roosevelt verkocht zijn politiek als staatsmanskunst door een onderscheid te maken tussen ‘goede’ en ‘slechte’ trusts. Voor het eerst zou een Amerikaans president zich bemoeien met arbeidsvoorwaarden. Er kwam overheidscontrole op de kwaliteit van levensmiddelen en geneesmiddelen. Het Panamakanaal kwam tot stand. Woodrow Wilson nam het initiatief voor de instelling van een federaal banksysteem, de Federal Reserve, met twaalf districtsbanken. Deze banken leenden geld tegen een lage rente, de ‘discount rate’, aan erkende, aangesloten banken. Er kwam een drastische verlaging van de invoerrechten; eindelijk kwam er een eind aan de bevoorrechting van de Amerikaanse industrie ten koste van de consument. Ter compensatie van de verminderde staatsinkomsten werd nu een inkomstenbelasting ingesteld. Met de Farm Loan Act konden boeren goedkoper krediet krijgen. Na de Eerste Wereldoorlog en de mislukking van de Volkenbond kwamen de ‘Roaring Twenties’, individualisme vierde hoogtij. ‘The American way of living is the best way of living in the world’, zo heette het.

Overige
– Privé-bezit werd door de Indianen gewantrouwd; de familie en de groep waren hun economische eenheden.
– Arbeiders bevonden zich vaak in een zwakke positie doordat zij slecht georganiseerd waren.
– Vrouwen, die steeds meer buitenshuis waren gaan werken, met name in de kledinginstustrie, in kantoren en in winkels, hadden hun eigen vakbonden.
– President Wilson bleef zich lang verzetten tegen vrouwenkiesrecht.

Indianen
Recht op grond verspeeld?
Indianen sloten niet alleen allianties onderling, maar ook met Europeanen, om zo hun vijanden uit te schakelen en de handel in westerse goederen en pelzen te kunnen controleren. Doordat sommige stammen tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog de zijde van Engeland hadden gekozen en door onderlinge tweespalt deelden de Indianen in het Britse verlies. De kolonisten waren van mening dat de Indianen door hun alliantie met Engeland het recht op grond hadden verspeeld. De Indianen reageerden met verrassingsovervallen op boerderijen en kleine nederzettingen. Zwarte slaven die de vrijheid verkozen wisten zich verzekerd van een beschermd onderkomen onder de Indianen. De Amerikaanse onafhankelijkheid ondermijnde de Indiaanse zelfstandigheid.

Verdragen voortdurend aangepast
De relatie tussen Indianen en blanken was er niet altijd één van confrontatie. De verdragen die de Indianen met Amerika sloten gaven keer op keer slechts de politieke situatie van het moment weer, legitimeerden in feite de gebiedsuitbreiding van de Verenigde Staten en perkten de Indiaanse soevereiniteit steeds verder in. In het Zuiden werd de roep om uitmoording van de Indianen het krachtigst gehoord. Missie- en zendingsgenootschappen hielden er een beschavingsstreven op na. De Removal Act (boven) van 1830 bepaalde dat de stammen in het Westen een gebied kregen toegewezen dat even groot was als zij op dat moment in het Oosten hadden. Hiermee behoorde de Indiaanse dreiging in het Oosten van Amerika tot de verleden tijd.

Het Westen komt open te liggen
President Thomas Jefferson liet door de expeditie van Lewis en Clark (1804-1807) een onderzoek doen naar de natuurlijke omstandigheden en de Indiaanse bevolkingsgroepen in het noordelijk deel van de Plains, de Rocky Mountains en het Pacifische kustgebied. In 1850 kwam het Zuid-Westen onder Amerikaans bestuur. Het jaar daarvoor was een stroom gelukszoekers naar California getrokken. Het Westen kwam dus ook open te liggen; weer zou de confrontatie met de Indianen onvermijdelijk zijn. Tussen 1850 en 1870 staken 5 miljoen kolonisten de Mississippi over, wat onder andere werd mogelijk gemaakt door nieuwe en relatief veilige reisroutes en postkoetslijnen. In 1890 telde het Westen al 8,5 miljoen inwoners. De Indianen werden steeds minder als militaire bedreiging beschouwd en steeds meer als louter obstakel voor blanke expansie.

Oorlogen tegen de Indianen
Het resultaat was een lange reeks van oorlogen, militaire strafexpedities en nieuwe onderhandelingen, die alle leidden tot het door blanken gewenste doel. Om zich tegen de oprukkende blanken teweer te stellen begonnen de Plains-stammen met een reeks van overvallen op karavanen, forten en nederzettingen. Het verstrekken van geschenken aan Indiaanse leiders, bedoeld om hen over te halen land af te staan, vormde een belangrijk onderdeel van de regeringspolitiek. Het is becijferd dat de Indianenoorlogen de Amerikaanse staat 1 miljoen dollar per gedode Indiaan hebben gekost. In 1871 kwam de Appropriations Bill (toe-eigeningswet). De federale regering zag geen noodzaak meer in het laten voortbestaan van de schijn van onafhankelijkheid. De lobby van kolonisten, spoorwegmaatschappijen en afzonderlijke staten had gezegevierd. Ook de kerken steunden de maatregelen. Eind jaren ’60 drongen militaire leiders als Sherman en Grant aan op volledige vernietiging of internering van Indianen.

Kritiek op Indianenbeleid
Er gingen in Amerika stemmen op om een meer humaan Indiaans beleid. De Quakers hadden hierin een voortrekkersrol. Amerikaanse kerken, humanitaire organisaties en verlichte politici hadden kritiek op de deportatie van Indianen naar gebieden met een ander natuurlijke omgeving. Vooral uit de Noord-Oostelijke staten kwam de roep om een rechtvaardige behandeling van Indianen. Toen Grant niet meer generaal maar president was, streefde hij naar een beleid dat zich expliciet richtte op het beschaven van de Indianen met vreedzame middelen als kerstening, onderwijs en economische hulp. Concepten als integratie en assimilatie kwamen centraal te staan. De Nederlandse dichter Herman ten Kate uitte ook kritiek: ‘De nieuwste geschiedenis (…) leert weder de barbaarsheid van ons eigen ras, tegenover natuurgenoten, wien wij gebreken toeschrijven, die wij zelven in niet geringe mate bezitten.’

Rond de eeuwwisseling
De Amerikaanse samenleving was tegen het einde van de 19e eeuw fundamenteel van karakter veranderd. De secularisatie van de samenleving nam toe. Bij veel blanken in het Westen overheerste de overtuiging dat kleurlingen inferieure wezens waren, die zich niet assimileerden en een ondergeschikte maatschappelijke rol speelden. Volgens velen was het echter wel de taak van de blanken om deze kleurlingen de hand te reiken en de weg te wijzen binnen de samenleving. Bij de reservaten werd land toegewezen aan Indianen. Maar er waren vele blanken die beweerden van Indiaanse afkomst te zijn. Door deze fraude en corruptie kwam een groot deel van de grond van een reservaat in blank bezit. In 1908 werd een wet aangenomen die het Indianen van gemengd bloed mogelijk maakte om hun percelen te verkopen. Beheersing van het Engels, het naar school sturen van de kinderen, acceptatie van het christelijk geloof, het dragen van westerse kleding, het wonen in een houten huis en het bewerken van het land golden als belangrijke criteria voor de juiste houding.

Zwarten
Ook in het Noorden achtergesteld
Bijna alle Amerikanen kwamen uit eigen wil. Alleen de Amerikanen van Afrikaanse afkomst vestigden zich niet vrijwillig: zij kwamen als slaaf en misten daardoor de mogelijkheid zich in alle vrijheid economisch en anderszins te ontwikkelen. Niet alle African Americans voor de Burgeroorlog waren slaaf: vrije zwarten kwamen niet alleen in het Noorden maar ook in het Zuiden voor. Zwarten in het Noorden werden ook vaak geconfronteerd met allerlei, al dan niet wettelijk vastgelegde beperkingen van hun doen en laten.

Internationaal afgeschaft, in Amerika moest bloeiperiode nog komen
Slavernij is in de Amerikaanse samenleving altijd een moreel probleem geweest. Iemand sprak zelfs over slavernij als de zondeval van de Verenigde Staten. In de jaren van de Onafhankelijkheidsoorlog en de opstelling van de grondwet worstelden de Founding Fathers met de vraag of er in de nieuwe samenleving nog plaats zou moeten zijn voor slavernij. Vooral onder invloed van de Quakers werden overal in het land anti-slavernijverenigingen opgericht. In het begin van de 19e eeuw was slavernij in alle Noordelijke staten van het land afgeschaft (het geringe aantal African Americans dat in deze regio woonde droeg daaraan bij) en in 1808 werd de internationale slavenhandel verboden. In 1808 stond slavernij in Amerika echter niet op het punt te verdwijnen maar zelfs aan de vooravond van haar bloeiperiode!

Jefferson’s mening
Thomas Jefferson was ervan overtuigd dat de bevrijding van de slaven, indien die niet vrijwillig plaats zou vinden, uiteindelijk met geweld gerealiseerd zou worden. Maar ook hij geloofde dat zwarten in seksueel opzicht minder remmingen kenden dan blanken en vreesde dat zij, bevrijd van het juk van de slavernij, zich zouden vergrijpen aan blanke vrouwen, waardoor een inferieur ras van halfbloeden zou ontstaan.

Slavernij door economische ontwikkelingen
Slavernij was ontstaan vanwege een tekort aan arbeiders, en economische veranderingen maakten na 1800 de personeelsproblemen voor Zuidelijke planters groter dan ooit. Het Zuiden werd al snel de belangrijkste leverancier van ruwe katoen voor Engeland.

Vruchtbaarheid slavinnen
De slavenbevolking groeide snel door zeer hoge geboortecijfers. Gemiddeld kregen slavinnen in de periode 1820-1860 in de vruchtbare jaren van hun leven, dus tussen hun 15e en 49e levensjaar, gemiddeld 9,24 kinderen. Van de 100 vrouwen kregen er 86 kinderen. De periode tussen twee geboorten bedroeg gemiddeld 2,06 jaar. Zwangere vrouwen kregen ook vaak een voorkeursbehandeling. De meerderheid van de slaven leefden in gezinsverband in een eigen hut. Gedwongen migratie was de oorzaak van de beëindiging van één op de zes slavenhuwelijken! Man en vrouw werden gewoon van elkaar gescheiden. 20 procent van de kinderen tussen het 8e en 15e levensjaar werd door verkoop van de ouders gescheiden.

Hadden de slaven het goed?
Slaven maakten vaak kortere werkdagen dan Noordelijke arbeiders. Een maar klein deel van de blanke Zuidelijke bevolking bezat slaven, dus de welvaart was zeer ongelijk verdeeld. Het feit dat de meeste plantages klein waren zorgde ervoor dat blanken en zwarten zeer dicht bij elkaar leefden en elkaar persoonlijk kenden. Na de Burgeroorlog keken Zuiderlingen vaak met affectie terug op de dagen van slavernij en de intieme persoonlijke contacten die zij toen meenden te hebben met hun slaven. Het contact tussen blank en zwart in de huishouding en de vaak kleine productie-eenheden maakten dat slavernij in de Zuidelijke staten geen onpersoonlijk systeem kon zijn, maar brachten tegelijkertijd op schrijnende wijze de paradox van het systeem aan het licht.

Gezinnen uit elkaar gescheurd
De keuze van de huwelijkspartner moest door de eigenaar worden goedgekeurd. Sommige slavenhouders gingen zover te bepalen welke naam slavenkinderen zouden krijgen. De voortdurende dreiging slachtoffer te worden van oncontroleerbare en vaak willekeurige fysieke bestraffingen was, naast de voortdurende dreiging verkocht te worden, een van de gruwelijkste zekerheden in het leven van een slaaf.

Beeldvorming verandert
Er bestond een wijdverbreid gevoel dat Afrikanen een ander soort mensen waren en niet geschikt om in vrijheid een plaats in de Amerikaanse samenleving in te nemen. Hun heidense achtergrond en hun in blanke ogen ongecontroleerd en oncontroleerbaar driftleven zouden hieraan schuldig zijn. Na 1830 begon dit beeld te veranderen. Terwijl de financiële en economische belangen van de slavernij voor de Zuidelijke staten steeds groter werden, namen de aanvallen erop in het Noorden toe. Velen zagen in de slavernij een zegen voor de Afrikanen. Vergeleken met zijn toestand in Afrika was de Amerikaanse slavernij een weldaad die een primitief volk in de gelegenheid stelde het christendom te leren kennen en zich geestelijk en moreel te verheffen. Daarom was slavernij een bewijs van Gods goede bedoelingen met de mensheid.

De mening van een 19e-eeuwse econoom en socioloog
Volgens een econoom weerhield de beschavende invloed van de Amerikaanse cultuur slaven van de wreedheden en de barbarij die in Afrika nog wel voorkwamen. Een socioloog meende dat de leefomstandigheden van Engelse en Noord-Amerikaanse industriearbeiders in alle opzichten slechter waren dan die van slaven, aangezien verantwoordelijkheid en plichtsgevoel van baas en ondergeschikte in het Zuiden op een ideale manier op elkaar waren afgestemd.

Aangeboren inferioriteit?
Wat zou er moeten gebeuren wanneer de slaven, dankzij het contact met de Angelsaksische beschaving waren ontstegen aan het primitieve niveau en zij met goed recht geen slaaf konden blijven? Steeds meer mensen gingen denken dat mensen van Afrikaanse afkomst een permanente en aangeboren inferioriteit bezaten. Men verdedigde zich bijvoorbeeld door het feit dat de schedels van blanken groter waren dan die van Indianen en zwarten.

Afro-Amerikaanse cultuur
Slaven in het Zuiden hadden een eigen Afro-Amerikaanse cultuur, zij hadden hun eigen instituties en zij hebben er alles aan gedaan om hun eigen identiteit te handhaven en te benadrukken. De slaven waren afkomstig uit verschillende delen van Afrika en kenden vaak elkaars taal en cultuur niet. Verhalen en muziek boden mogelijkheden tot zelf-expressie. Waarom liet met slaven niet lezen? ‘De godsdienst is voor de slaaf even belangrijk als voor de meester, maar is het kunnen lezen werkelijk nodig voor het zielenheil?’

Godsdienst van de slaven
Evenals hun meesters waren de slaven overwegend protestants-christelijk. Vaak gingen slaven en meesters naar dezelfde kerk. Maar ook hielden ze hun eigen religieuze bijeenkomsten. De religie van de slaven getuigde van hoop en optimisme. Anders dan blanken keurden slaven seksuele contacten voor het huwelijk niet af.

Werktempo door slaven bepaald
Het arbeidsritme en het werktempo van de slaven werden voor een belangrijk deel bepaald door de slaven zelf. Eigenaren waren gedwongen op dit terrein een compromis te sluiten, omdat zij anders op te groot verzet van de slaven zouden stuiten. In het Zuiden zijn relatief weinig slavenopstanden geweest. De meest opvallende individuele daad van verzet was weglopen. De ‘underground railway’ hielp slaven ontsnappen naar het Noorden.

Emancipatie van de zwarten
De Burgeroorlog maakte ene einde aan de slavernij. Geschokte blanken probeerden direct na de oorlog de ex-slaven via de zogeheten ‘black codes’ in een ondergeschikte positie te houden. Zwarten werden verplicht contracten af te sluiten met blanke plantagebezitters. In het Congres werden maatregelen genomen om de belangen van de bevrijde slaven te beschermen. Zwarten demonstreerden met succes tegen gescheiden ruimten voor blanke en zwarte passagiers in treinwagons, trams en schepen. Een blanke uit South Carolina zei: ‘I’m willing to give the Negro political and civil rights, but social equality, never.’ Blanken weigerden vaak hun kinderen naar gemengde scholen te sturen. Het einde van de Burgeroorlog betekende ook het einde van de gemengde kerken!

Reconstructie mislukt
Blanken verzetten zich tegen de emancipatie van de voormalige slaven. Er kwamen geheime organisaties als de Ku Klux Klan, de Knights of the White Camelia en de White Brotherhood. Slachtoffers waren prominente zwarte politici en ambtsdragers. De Reconstructie is een van de meest omstreden periodes in de Zuidelijke geschiedenis geweest. Zuidelijke geschiedschrijvers spreken van overheersing van het Zuiden door (1) Noordelijke gelukszoekers (carpetbaggers), Zuidelijke opportunisten (scalawags) en ondeskundige zwarten. De Reconstructie was uiteindelijk een mislukking, met dramatische gevolgen voor de positie van de zwarte bevolking in de Zuidelijke samenleving.

Hoe ging het verder met de ex-slaven?
De grootgrondbezitters probeerden meteen na de Burgeroorlog zoveel mogelijk de traditionele productiemethoden te gebruiken. Dat betekende dat zij slavenarbeid wilden vervangen door ‘gang labor’ in loondienst. De Emancipation Act vernietigde in één klap het grootste deel van hun kapitaal. Veel ex-slaven bleken niet bereid te werken in een arbeidssysteem dat hen te veel deed denken aan slavernij. Men eiste hoge lonen en aanmerkelijk meer vrije tijd. Liever wilden ze een onafhankelijk bestaan en een eigen stukje grond. Dat laatste was echter moeilijk te realiseren. Uiteindelijk ontstond op de plantages een nieuw arbeids- en productiesysteem. Grootgrondbezitters gingen hun land verdelen in kleine stukken die in pacht of deelpacht (sharecropping) werden gegeven aan de vroegere slaven en soms ook aan blanken.

Sharecroppers
Op langere termijn bracht het de zwarte boeren grote problemen. Sharecroppers kregen pas aan het einde van het oogstjaar hun deel van de oogst. Ze hadden echter geld nodig om investeringen te doen en om in leven te blijven en waren derhalve gedwongen geld te lenen. Het kredietsysteem dat hierdoor ontstond was gebaseerd op de zogenaamde ‘crop lien’. Dit hield in dat een deel van de te verwachten oogst als onderpand werd gegeven. Op grond hiervan eigenden financiers zich het recht toe invloed uit te oefenen op de bedrijfsvoering. In de praktijk betekende dit dat geldschieters van de boeren eisten dat ze katoen verbouwden. Het werd dus een soort schuldslavernij.

Zuiden vooral agrarisch
Het Zuiden bleef in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog een overwegend agrarische samenleving. Zwarten waren vooral in ongeschoolde banen te vinden en in die betrekkingen die blanken vanwege de fysieke zwaarte of ongezonde werkomstandigheden onaantrekkelijk vonden. Aan het einde van de 19e eeuw verdwenen zwarten meer en meer uit de traditionele, geschoolde beroepen en kregen weinig kansen in nieuwe professies. Tegenwerking en uitgesproken vijandigheid van de kant van de blanken maakten het bestaan voor zwarte ambachtslieden steeds moeilijker.

Home Rule en Jim Crow
In 1877 kwam er officieel een einde aan de Reconstructie. Het Zuiden kreeg weer ‘Home Rule’. Het proces van verzoening tussen het Noorden en het Zuiden kon beginnen. De zwarte Zuiderlingen verloren hun Noordelijke bescherming! De segregatie werd langzaamaan ingevoerd: de ‘Jim Crow’-wetten. ‘Ik meen dat het nooit in de bedoeling van de Schepper heeft gelegen dat de twee rassen op gelijke voet samenleven, een gelijke politieke en sociale positie zouden hebben. Het ene of het andere ras moet heersen.’ Ook wordt er gesproken over ‘het misdadige onvermogen van de zwarten om te regeren.’ ‘Zoals de Heiland de wisselaars uit de tempel ranselde, zo ontnamen de blanken van het Zuiden de zwarte, onbekwame nietsnutten en avonturiers de macht.’

Segregatie: separate but equal
De eerste segregatiewet was die van de gescheiden spoorwegwagons. Tot in de kleinste details werd blanken en zwarten een maatschappelijke scheiding opgelegd. Het ging om overheidsgebouwen, banken, parken, onderwijs, cafés, restaurants, ziekenhuizen, enz. Dit alles betekende geen aantasting van de burgerrechten van zwarten, maar ‘separate but equal’. Er werden ook voorstellen gedaan om zoveel mogelijk zwarten het stemrecht te ontnemen. Er werden nu eisen gesteld aan mensen die zich wilden laten registreren als kiezer: inzicht in de grondwet (inclusief examen), voldoende vermogen, landbezit, een redelijke schoolopleiding. Door deze eisen dreigden ook blanken hun stemrecht kwijt te raken! Om dit tegen te gaan kreeg een ieder stemrecht wiens grootvader dat ook had gehad.

Darwinistische achtergrond: het recht van de sterkste
De Jim Crow-wetten waren een poging de in blanke ogen verstoorde verhoudingen te herstellen. Een socioloog betoogde in 1899 dat de kans dat zwarten een misdaad zouden plegen vele malen groter was dan dat bij blanken het geval was. Sociaal-darwinistische ideeën versterkten de opvatting dat mensen van Afrikaanse afkomst minderwaardig waren.

Gewelddadigheden, zoals lynchpartijen
Ook was er sprake van een toenemende fysieke gewelddadigheid. Zwarten konden het slachtoffer worden van allerlei vormen van geweld, variërend van een pak slaag tot een lynching. Een lynching ging als volgt: het slachtoffer werd eerst de hele stad door gedragen en daarna langdurig gemarteld op een plein terwijl een menigte toekeek en de folteraars toejuichte. De spoorwegen hadden aparte treinen ingezet om zoveel mogelijk mensen de gelegenheid te geven aanwezig te zijn. De blanke elite hield degenen die verantwoordelijk waren voor een lynchpartij altijd de hand boven het hoofd; vrijwel nooit bleek het mogelijk de schuldigen te straffen. In de rechtvaardiging van lynchpartijen bestond grote eensgezindheid. Lynchings waren noodzakelijk om de eerbaarheid van blanke vrouwen te beschermen. Blanke Zuiderlingen dachten dat zwarte mannen onverzadigbaar waren in hun drang naar seksueel contact met blanke vrouwen.

Berusting
Zwarten moesten blanken altijd met twee woorden aanspreken, tijdens het gesprek de ogen neergeslagen houden en met de hoed in de hand staan. In geen geval mochten zij gebruik maken van de voordeur wanneer zij bij blanken op bezoek kwamen. Openlijk verzet kwam eigenlijk niet voor. Zij woonden nog te veel verspreid om massaal in opstand te kunnen komen. De meeste zwarte Zuiderlingen leken te berusten in de omstandigheden waaronder zij moesten leven.

Tenslotte
Emancipatie bracht veel zwarten in een zelfde sociaal-economische positie als arme blanken. De maatschappelijke kloof tussen blanken en zwarten werd in ander opzichten juist groter door de afschaffing van de slavernij. In de steden woonden blank en zwart steeds vaker in verschillende wijken. Het verminderde persoonlijke gezag van blanken over zwarten en met name de vrijheid die zwarten hadden om zonder blanke toestemming van woon- en/of werkplaats te veranderen veroorzaakten angst onder de blanke bevolking. Er vond een Great Migration van zwarten plaats naar de steden van het Noorden.

Vrouwen
Scheiding van sferen
De ideologie van de scheiding van sferen is als volgt: de private tegenover de publieke sfeer, het vrouwelijke domein van huis en haard tegenover de mannelijke wereld van handel, industrie en politiek. Omdat vrouwen van nature zorgzaam, gevoelig, moreel zuiver en onderdanig was, was de vrouw het best op haar plaats in het huishouden en het gezin. De moderne kapitalistische markteconomie werd gezien als een mannenwereld, een wereld gekenmerkt door individualisme, concurrentie en winstbejag. Volgens de Engelse wet (waaronder de Amerikanen voor de onafhankelijkheid vielen) waren getrouwde vrouwen niet alleen ondergeschikt aan hun echtgenoot, maar hadden zij zelfs geen onafhankelijke wettelijke status. Zij waren volgens de wet handelingsonbekwaam.

Pioniersbestaan
Het vele werk dat verzet moest worden in de vaak moeilijke omstandigheden van het pioniersbestaan maakte deelname van vrouwen (en kinderen) aan het arbeidsproces absoluut noodzakelijk. De taakverdeling was wel traditioneel geslachtsgebonden. Als huishoudelijk ‘manager’ en producent speelden blanke vrouwen een essentiële rol in de politieke economie van de vroege kolonie. Met het geleidelijk verlies van hun traditionele economische functies en vaardigheden verminderde de zelfstandigheid van een aanzienlijke groep vrouwen.

Amerikaanse Revolutie
De leiders van de Amerikaanse Revolutie hadden de steun van vrouwen hard nodig voor hun boycotacties, maar deze steun diende wel binnen de perken van hun traditionele rol te blijven. Spinnen, weven, inkopen doen (al deze taken waar vrouwen van oudsher voor verantwoordelijk waren) kregen door de revolutie een politieke betekenis. En terwijl vaders, echtgenoten en broers ver van huis vochten voor het nieuwe vaderland, werden de vrouwen die zij achterlieten gedwongen hun taken over te nemen. De retorische nadruk op vrijheid en gelijkheid tijdens de Revolutie zou op den duur een belangrijk wapen worden in de strijd vóór vrouwenrechten alsmede tégen slavernij.

Opvoeding en onderwijs
De Amerikaanse moeder diende haar kinderen onderricht te geven in de morele waarden die ten grondslag lagen aan het Amerikaanse politieke stelsel: vaderlandsliefde, deugdzaamheid, soberheid en opofferingsgezindheid. Vaak was ook de opvatting dat vrouwen minder intelligent waren dan mannen (dit kwam door de gebrekkige scholing van meisjes). Meisjes die wel naar school gingen, kregen onderwijs in ongeveer dezelfde vakken als jongens, met uitzondering van de klassieke talen. In de loop van de 19e eeuw werd het onderwijs zo uitgebreid dat vrijwel alle blanke meisjes toegang hadden tot in ieder geval het lager onderwijs.

Vrijwillig en blijmoedig
Aangezien de Amerikaanse vrouw (in tegenstelling tot de Europese) zelf voor haar huwelijk gekozen had, deed ze vrijwillig en blijmoedig afstand van haar vrijheid in de wetenschap dat zij haar geluk alleen in huiselijke kring zou vinden. Het gezin werd geïdealiseerd als een instelling die tegenwicht moest bieden tegen de harde mannenwereld en het radicale individualisme in de moderne Amerikaanse democratie.

Catharine Beecher: moeder/gezin hoeksteen samenleving
Mede door de inspanningen van Catharine Beecher werd het onderwijsschap een overwegend vrouwelijk beroep (voor ongetrouwde vrouwen). Ze verdienden echter minder dan de helft van een mannelijke onderwijzer. Deze zelfde Beecher was van mening dat de ondergeschiktheid van de vrouw en haar exclusieve verantwoordelijkheid voor het huishouden en het gezin noodzakelijk zijn om de sociale spanningen en conflicten in de Amerikaanse democratie te verminderen. Vrouwen dienden hun onderdanige positie te accepteren in het algemeen belang. Op deze wijze gaf Beecher een centrale plaats aan de vrouw en het gezin in de Amerikaanse natie. In haar visie bevond de domestic sphere zich niet in de marge, maar in het centrum van de samenleving. Deze ideologie had veel voordelen voor vrouwen. De over het algemeen nauwe band tussen moeders en dochters vormde de basis van een uitgebreid vrouwelijke netwerk van familie en vriendinnen. Het werd in deze tijd heel normaal gevonden dat de echtgenoot naar de logeerkamer werd verwezen wanneer de zuster of hartsvriendin van zijn vrouw op bezoek kwam.

Dalend geboorteaantal
Een algemeen geaccepteerde opvatting was dat de vrouwen in moreel opzicht boven mannen stonden. Op hun eigen terrein, in het gezin, waren vele vrouwen de baas. Vanaf 1830 was er sprake van een dalend geboorteaantal, met name in de middenklasse. Als oorzaken worden genoemd: (1) stijging van de gemiddelde leeftijd waarop men trouwde (2) langere periode tussen zwangerschappen (3) toenemend wederzijds respect tussen de huwelijkspartners.

Eerste feministe
Een van de eerste Amerikaanse feministen was Margaret Fuller (1810-1850). Zij verwierp dat ideologie van de gescheiden sferen. Zij beschreef het huwelijk als een verbintenis tussen geëmancipeerde partners die intellectueel elkaars gelijken waren. Ze was als correspondent van de New York Tribune in Italië, waar ze een verhouding kreeg met een elf jaar jongere Italiaan. Ze verdronk op veertigjarige leeftijd. In de vroege fase van de vrouwenbeweging, van 1848 tot de Burgeroorlog, lag de nadruk op verbetering van de wetgeving op het gebied van het eigendomsrecht en de ouderlijke macht na echtscheiding. Het aanbieden van petities was het enige politieke recht dat vrouwen hadden.

Positie slavinnen in het Zuiden
Niet alleen de verhouding tussen planters en slaven, maar ook die tussen mannen en vrouwen binnen de plantersklasse in het Zuiden had een sterk patriarchaal karakter. Vrouwen keken lijdzaam toe hoe hun echtgenoot en mannelijke familieleden zich op grote schaal seksuele vrijheden permitteerden met slavinnen. Slavinnen hadden hierdoor meer te lijden onder de slavernij dan slaven. Vanaf jonge leeftijd hadden veel slavinnen te maken met seksueel misbruik, wat bij mannelijke slaven slechts zelden voorkwam. Elk kind dat een slavin kreeg vergrootte het kapitaal van haar eigenaar. Door hun geringe bewegingsvrijheid en vooral door hun moederschap waren de mogelijkheden voor vrouwelijke slaven naar het Noorden te ontsnappen veel beperkter dan voor mannen. De meest ontsnapte slaven waren tussen de 16 en 35 jaar oud; een slavin van die leeftijd was meestal of zwanger en/of moeder van tenminste één kind. In tegenstelling tot mannelijke slaven liepen slavinnen vrijwel nooit weg zonder hun kinderen. Binnen de slavenfamilie genoten vrouwen een grotere mate van gelijkheid aan hun mannen dan hun blanke zusters in het plantersgezin.

Burgeroorlog en daarna
Evenals tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog namen vrouwen tijdens de Burgeroorlog economische taken over van mannen die in het leger dienden. Binnen enkele weken na het uitbreken van de oorlog hadden vrouwen in beide kampen vele duizenden hulporganisaties opgericht om geld in te zamelen en soldaten te voorzien van kleding, voedsel en medicamenten. Zowel in het Noorden als in het Zuiden kregen vrouwen voor het eerst banen in de bureaucratie en de verpleging. De oorlog gaf zo een aantal vrouwen toegang tot delen van de publieke sector, die tot dan toe voor hen gesloten waren. De leiders van de vrouwenbeweging hoopten na de Burgeroorlog dat de nieuwe federale regering vrouwen voor hun zelfopoffering en steun tijdens de oorlog zou belonen. Groot was dan ook de teleurstelling toen in het voorstel voor het veertiende amendement bij de grondwet het stemrecht expliciet aan mannen, ongeacht hun ras, werd toegekend.

Actieve vrouwen
Steeds meer getrouwde vrouwen werden actief in de duizenden vrouwen- en moederclubs, hervormingsbewegingen en filantropische instellingen die tussen 1865 en 1890 als paddestoelen uit de grond schoten. Wie had er immers meer verstand van en belang bij schoon water, goede riolering, zuiver voedsel en goede scholen en kinderopvang dan de huisvrouw?

Carrièrevrouwen
Hoewel vrouwen rond 1880 een derde van het totaal aantal studenten in het hoger onderwijs vormden waren hun carrièremogelijkheden beperkt. Vrijwel geen enkele vrouw kon een professionele carrière met een huwelijk en gezin combineren; zo bleef de helft van de vrouwen met een hogere opleiding ongehuwd. Vrouwen werden geweerd uit de vakbonden; men zag vrouwen als een potentiële bedreiging voor mannelijke arbeiders; vrouwen verdienden immers aanzienlijk minder dan mannen.

Tegen vrouwenkiesrecht
Van 1890 tot 1920 vond de strijd voor het vrouwenkiesrecht plaats. Senator Thomas Bayard van Delaware zei in 1874 het volgende over dit onderwerp: ‘Het gaat hier om een poging tot miskenning van door de Almachtige Zelf afgekondigde wetten. (…) Als er één institutie is die het karakter van ons land, ja van onze hele moderne beschaving heeft bepaald, en die wij nog slechts gedeeltelijk op waarde kunnen schatten, dan is het wel het instituut van het christelijk huwelijk, deze mysterieuze band die man en vrouw doet samensmelten tot één persoon. (…) In de gezinnen zullen er twee gezinshoofden zijn, ‘het huis zal in zichzelf verdeeld zijn.’

Invoering vrouwenkiesrecht
Op 26 augustus 1920 werd het vrouwenkiesrecht opgenomen in de grondwet. Dit was één jaar na de Nederlandse vrouwen. Dit kiesrecht leidde niet automatisch tot gelijke rechten voor vrouwen. Vrouwen zouden alleen echt emanciperen als ze economisch onafhankelijk konden zijn van hun echtgenoot.

Overige
– Mede door de Second Great Awakening begin 19e eeuw stelden steeds meer vrouwen zich ten dienste van de maatschappij.
– Vrouwelijke afgevaardigden kregen op de Wereld Conventie tegen Slavernij die in 1840 in Londen gehouden werd alleen toestemming de bijeenkomsten bij te wonen vanachter een gordijn.
– De overheid vervrouwelijkte rond de eeuwwisseling. De liberale, zich afzijdig houdende staat moest plaats maken voor een verantwoordelijke ‘moederlijke’ staat.

Immigranten
Inleiding
Na de Burgeroorlog heeft de overheid geprobeerd het aantal immigranten te beperken. Amerikanen mochten wel verschillend zijn, maar niet verdeeld, zo was de opvatting. In de periode van 1820 tot 1924 vonden 36 miljoen mensen in Amerika een nieuw thuisland. Aanvankelijk werd de immigratie niet ingeperkt. Na de Eerste Wereldoorlog sloeg de stemming echt om: Amerikanen gingen immigranten meer als bedreiging zien dan als aanwinst. Men kreeg het gevoel dat Amerika een te heterogeen karakter kreeg. Waar eerst vooral immigranten uit Groot-Brittannië kwamen, kwamen ze later vooral uit Noordwest-Europa, en daarna waren het voor mensen uit Centraal-, Zuid- en Oost-Europa. De gigantische stroom immigranten (in de hoogtijdagen kwamen er in Amerika één miljoen burgers per jaar aan wal) maakte van het land dankzij een omvangrijke interne markt een sterk groeiende industriële mogendheid.

VROEGE IMMIGRATIE (1783-1815) – Vooral Britten
Ondanks de verschillen van herkomst was Amerika rond 1700 met 300.000 Europeanen een vrij homogene samenleving. In de koloniale periode was slechts 1 op de 7 blanke Amerikanen van niet-Engelse afkomst. Bijna iedereen had een protestantse achtergrond. De Britten wilden de trek van de kolonisten naar het Westen binnen de perken houden om bijvoorbeeld conflicten met de Indianen te vermijden. De nieuwe Amerikaanse regering had daarentegen grote behoefte aan meer arbeidskrachten. Gemiddeld kwamen er jaarlijks 6000 nieuwe immigranten binnen. Europese overheden beletten emigratie omdat zij jonge mannen nodig hadden voor hun legers.

Milde fase
Men moest negen of zeven jaar Amerikaans staatsburger zijn om als senator of afgevaardigde in het Nationale Cognres zitting te kunnen nemen; het ambt van president stond niet open voor diegenen die na 1787 niet in Amerika geboren waren. Vanaf 1795 kregen nieuwe ingezetenen pas na vijf jaar burgerrechten, waaronder stemrecht. In vergelijking met andere perioden was het klimaat voor immigranten in deze eerste fase relatief mild.


Spotprent gemaakt naar aanleiding van de onrust die er ontstond in het protestantse Amerika op de grote hoeveelheid rooms-katholieke immigranten uit onder andere Ierland

MASSALE IMMIGRATIE (1815-1880) – Bevolkingsdruk in Europa
De belangrijkste oorzaak van de massale emigratie naar Amerika in de jaren 1815-1880 was de bevolkingsdruk in Europa. Mechanisatie in de landbouw en industrie veroorzaakte een overschot aan handwerkslieden. Een trek naar de steden was het gevolg. Overheden die eerder de uitstroom van hun bevolking hadden tegengehouden zagen nu graag hun paupers vertrekken. De situatie in Europa verslechterde nog eens door natuurrampen en politieke onderdrukking. Misoogsten deden vooral Duitsers en Ieren naar Amerika emigreren. Terwijl ruim één miljoen Ieren omkwam van de honger, ontvluchtten anderhalf miljoen de hongerdood door hun heil te zoeken in Amerika.

Religieuze redenen
Nationale bewegingen en revoluties in Europa in 1830 en 1848 deden ook velen emigreren. Religieuze conflicten deden Nederlandse afgescheidenen, Noorse quakers en Duitse orthodoxe lutheranen een ander vaderland zoeken. Velen hadden ook persoonlijke redenen om te emigreren, zoals een onaantrekkelijk huwelijk, dreigende militaire dienst, gerechtelijke vervolging, een buitenechtelijk kind, een bankroet, of eenvoudig zucht naar avontuur. Informatie over dit veelbelovende land verspreidde zich snel. Reisverslagen gingen van hand tot hand, van dorp tot dorp.

Lange reis vol ontberingen
Tot 1850 was de reis nog vol ontberingen: benauwde ruimten, beperkte slaapplaatsen, slechts enkele kachels om de maaltijden van honderden mensen op te bereiden, stank, mishandeling, diefstal en brandgevaar. Toen de zeil schepen door stoomschapen werden vervangen, werd de reisduur teruggebracht van één tot drie maanden naar tien dagen. Het sterftecijfer onder de reizigers zakte van 11,7 per 1000 passagiers in de jaren ’40 tot 1 per 1000 in 1867. Een netwerk van kanalen en (na 1830) spoorwegen bracht de transportkosten omlaag.


De komst van vele Chinezen werd al snel aan banden gelegd

Nationalistische ideologie
Veel jonge vrouwen en meisjes verkozen het leven op het platteland boven de arbeid en sleur van de ‘cotton mills’, de textielindustrie in New England. Immigranten namen hun plaats in. De nationalistische ideologie van de nieuwe natie zette immigranten er toe aan vervolgde geloofsgenoten en politieke vrienden elders in de wereld te helpen. Zo slaagde de Joodse gemeenschap in Amerika erin om protestanten en katholieken te mobiliseren tegen de onderdrukking van Joden in Damascus. Het traditionele wantrouwen van protestants Amerika jegens rooms-katholieken bleef in de 17e en 18e eeuw beperkt door de geringe omvang van het katholieke volksdeel (minder dan 1 procent).

Antikatholicisme
Hoewel de Bill of Rights praktische tolerantie omzette in vrijheid van godsdienst, namen in de jaren ’40 de verdachtmakingen richting rooms-katholieken samen met hun aantal toe. Katholieke missies in het Westen van het land voedden de verhalen dat katholieken de macht in Amerika wilden overnemen. De snelle groei van de katholieke kerk, die op weg was de grootste van Amerika te worden, en het feit dat men de King James-bijbel niet wilde lezen op de openbare scholen droegen bij aan een antikatholiek klimaat. Immigranten werden geassocieerd met katholieken en katholieken met zaken als armoede, analfabetisme, corruptie en lage lonen. De Iers-Amerikaanse katholieke kerke deed er alles aan te laten zien dat Iers en katholieke niet onverenigbaar waren met Amerikaans. Ze stimuleerde patriottisme, kritiseerde dronkenschap en geweld, en poogde in eigen kring militante geestelijken in te tomen.

Aanpassing
Aanpassing aan de Amerikaanse samenleving was voor veel nieuwkomers niet eenvoudig. Deugden als vroomheid, spaarzaamheid en ijver golden voor Amerikanen én immigranten als garanties voor een goede plaats in een overzichtelijk gestructureerde samenleving en rechtvaardigden het streven naar succes van beide bevolkingsgroepen. De gedachte dat de Amerikaanse samenleving was gevrijwaard van onnatuurlijke beperkingen van individuele vrijheid, werd ook door immigranten aangehangen. De Nederlandse gemeenschap in Pella, Iowa, weigerde in 1860 op Lincoln te stemmen en bleef ondanks vermaningen van de invloedrijke H.P. Scholte loyaal aan de Democratische Partij, omdat de Republikeinen zich hadden ingelaten met mensen die de immigratie wilden terugdringen. Na de goudkoorts in Californië kwamen er 20.000 Chinezen aan. Zij waren bereid onder erbarmelijke omstandigheden trouw te werken. Vakbonden, kleine boeren en kleine ondernemers zagen ze als bedreiging. De agitatie tegen hen liep zo hoog op dat de federale overheid in 1882 de immigratie van Chineze arbeiders opschort voor een periode van tien jaar.

DE ‘NIEUWE’ IMMIGRATIE (1880-1914) – Uit Oost-, Centraal- en Zuid-Europa
De immigratie nam in deze periode haar hoogste vlucht en de reactie ertegen was het felst. De bijna 4 miljoen mensen uit Oostenrijk-Hongarije, de ruim 3 miljoen Russen en de vier miljoen Italianen maakten in deze perioden krachtige emoties wakker. Vooral veel Russische Joden kwamen, die in de jaren 1880 geconfronteerd werden met steeds meer beperkingen en na 1900 kwamen de pogroms. Driekwart van de nieuwe immigranten vestigde zich in verstedelijkte gebieden omdat daar de banen waren en omdat velen werken op het land minderwaardig vonden. Het leven in de stad had een hogere status. Voor deze immigranten was vaak meer dan één inkomen noodzakelijk om te kunnen overleven.

Roep om restricties
De Amerikaanse volksmond sprak negatief van een duidelijk contrast tussen oude en nieuwe immigranten om een negatief oordeel over de meer recente immigranten uit te spreken en aannemelijk te maken. Het nativisme, het streven van ‘autochtone’ Amerikanen om hun land te verdedigen tegen vreemde invloeden, stak steeds zijn kop op als de natie in gevaar liep. De Democraten verzetten zich tegen restricties van immigratie, deels vanuit een liberale traditie, deels vanuit het besef dat zij meer dan de Republikeinen profiteerden van de stemmen van immigranten. Sommigen wilden immigratie volledig stopzetten, anderen wilden een bewijs van goed gedrag zien.

Democratisch of Republikeins
Immigranten die rooms-katholiek, lutheraan of episcopaals waren en die een scheiding tussen kerk en staat voorstonden omdat zij het Koninkrijk van God van een andere orde achtten dan deze wereld, steunden vooral de Democratische Partij. Piëtisten, die het Koninkrijk van God wilden bevorderen door maatschappelijke hervormingen, voelden zich doorgaans het beste thuis bij de Whigs en later bij de Republikeinse Partij, aangezien de Republikeinen bijvoorbeeld alcohol wilden verbieden en een strikte zondagsheiliging voorstonden.


Ellis Island aan de kust van New York City; hier werden de nieuw binnenkomende immigranten gekeurd voordat ze het land in mochten

Ellis Island
Tussen 1882 en 1924 werd een serie wetten aangenomen die immigratie steeds meer beperkten. Het symbool van de nieuwe aanpak was Ellis Island, het kunstmatige eiland in de haven van New York dat het oude fort Castle Garden op het zuidpunt van Manhattan verving. Via dit eiland kwam 95 procent binnen. Nieuwkomers werden met een pont van boord gehaald en naar het eiland gebracht. Na een vluchtig medisch onderzoek en een controle van identiteitspapieren werden zij aan een verhoor onderworpen. Mensen met een besmettelijke ziekte werden teruggestuurd, zieken moesten uitzieken en armen moesten wachten op geld van familieleden.

De Eerste Wereldoorlog
De morele verontwaardiging die werd veroorzaakt door de Eerste Wereldoorlog versterkte de neiging onder Amerikaanse bevolkingsgroepen onder te verdelen in categorieën van goed en slecht. De roep om beperkingen van immigratie werden steeds luider gehoord. Als gevolg van de oorlog werd men vijandig op al wat Duits was. Van de 500 Duitstalige kranten die er waren bleef maar de helft bestaan. Het Duitse taalonderwijs werd aan banden gelegd. Enkele Duitse kerken die weigerden de Amerikaanse vlag uit te hangen werden platgebrand.

Definitieve beperkingen, Red Scare en Meltingpot
Er kwam een maximum van 3 procent van het aantal inwoners van een nationaliteit die volgens de census van 1910 in Amerika waren. De kortstondige maar heftige jacht op revolutionairen die in de periode onmiddellijk na de oorlog volgde, de ‘Red Scare’, maakte buitenlanders nog minder populair. De term ‘smeltkroes’ kreeg een centrale plaats in de discussies over immigratie. Meltingpot wil aangeven hoe alle immigranten samensmolten en een nieuw soort mens werden. Historici hebben veel kritiek geleverd op dit concept, omdat het gekleurd werd door een racistisch superioriteitsgevoel van het Angelsaksische volksdeel.

Gepubliceerd in april 2008