Engeland 19e en 20e eeuw

n.a.v. Raoul C. van Caenegem, Geschiedenis van Engeland, Leuven 1997

19e eeuw
Middelmatig land, buitengewone macht
Een eeuw land heeft een Europees land van middelmatige grootte de wereld gedomineerd. De periode zit ingeklemd tussen twee grote Europese oorlogen: de Napoleontische oorlogen hadden de Britse hegemonie gevestigd, de Eerste Wereldoorlog was het begin van het einde. De Honderdjarige Vrede was een uitzonderlijk lange periode naar Europese maatstaven. Groot-Brittannië was het eerste geïndustrialiseerde land ter wereld, en zijn kapitalisten en ondernemers maakten van Londen het financiële wereldcentrum en de pond de munteenheid van de internationale handel. Ook was Groot-Brittannië de trouwste aanhanger van de liberalisatie van de wereldhandel.

Uitverkoren land
Hoe is dit alles te verklaren? Groot-Brittannië heeft een uitzonderlijke interne ontwikkeling ondergaan, waarin de economie de spectaculairste rol heeft gespeeld. Groot-Brittannië werd een geïndustrialiseerd land. Engeland leek wel één grote fabriek die de wereld van industriële producten voorzag. Er werden enorme hoeveelheden afgewerkte industrieproducten uitgevoerd, terwijl een groot deel van de grondstoffen en voedsel werd ingevoerd. Groot-Brittannië was tegelijk de grootste industrieproducent en de grootste bankier. In Engeland werd eindeloos gedebatteerd: er was een grote intellectuele vrijheid, al was deze niet onbeperkt. Zelfs Karl Marx vond in Engeland een toevluchtsoord. De Victoriaanse overtuigingen en waarden waren: arbeidslust, spaarzaamheid, deftigheid, gehechtheid aan het talrijke gezin, vertrouwen op God, geloof in de Bijbel, geloof ook in de individuele mens en zijn inspanning tot zelfverbetering en vaderlandsliefde. Dit ging gepaard met het geloof in de imperiale zending van Groot-Brittannië en de overtuiging dat men in een uitverkoren land leefde.

Pax Britannica
Het Britse imperium onder koningin Victoria was het grootste dat de wereld ooit had gekend. Het land had een absolute economische voorsprong, het stond eenzaam aan de top. De marine zorgde voor de ontsluiting van de aarde. Ook speelde Engeland een leidende rol in de afschaffing van de slavernij. In 1833 werden alle slaven vrijgelaten en werden de eigenaars gecompenseerd. De Pax Britannica werd gezien als een door de Voorzienigheid opgelegde beschavingstaak. Groot-Brittannië haalde veel voordeel uit haar koloniën, die samen een fabelachtig rijk omspanden. Zo heeft Indië een enorme hoeveelheid inkomsten opgebracht. Ook de welstand van de massa steeg, na een moeizaam begin in de jaren na Waterloo, aanzienlijk. Het is verbluffend dat zowel op het economische, het institutionele als het intellectuele vlak in één land tegelijk zoveel en zo grondig is geïnnoveerd. Er is een opvallende moderne staatsvorm geproduceerd: de parlementaire en constitutionele democratie.

Zwartgerookte ellendesteden
De uitbarsting van 1914 was een volkomen verrassing voor de Britse publieke opinie. Voor de gewone Engelsman was het continent ver weg. De enorme kosten van de Eerste Wereldoorlog maakt Groot-Brittannië, eens een universele crediteur, tot een debiteur. De onvoorstelbare verliezen van de infanterie aan het westelijke front overtrof alles wat de Britse natie ooit had ondergaan. Deze oorlog was veel barbaarser dan alles wat men in vroegere, ‘barbaarse’ tijden had meegemaakt. Het beeld van de 19e eeuw is sterk veranderd. Tijdgenoten zagen de tijd als opwindend en vol van vooruitgang. Tegenwoordig denkt men meer aan een tijd van zwartgerookte ellendesteden, esthetische troosteloosheid en onuitstaanbare zelfgenoegzaamheid.

De Ierse kwestie
De Ieren waren een volk zonder staat. De Ierse kwestie was een voortdurende zorg voor de Britse politiek: soms flakkerde ze op met ongewone heftigheid, soms heerste een tijdelijke windstilte, maar tot een oplossing is het niet gekomen. Ieren zijn totaal anders dan de overige Britten. Ze hebben een uitgesproken nationaal gevoel, zijn rooms-katholiek en hebben een heel eigen cultuur. Dit terwijl men op de rest van de Britse eilanden het ‘papisme’ als de meest verafschuwde vorm van het christendom zag. In 1821 telde het Ierse eiland bijna 7 miljoen inwoners, vergeleken met 12 miljoen in Engeland en Wales en 2 miljoen voor Schotland. De Ierse bevolking viel echter sterk terug wegens sterfte en massale emigratie. In 1911 telde het eiland nog geen 4,5 miljoen inwoners.

De Ierse catastrofe
Veel Britten zagen Ieren als halve wilden die door mensen met superieure ontwikkeling moesten worden bestuurd. Ierland was een arm, onderontwikkeld landbouwgebied. Alleen in Belfast was een moderne industriestad ontstaan, maar dan met een sterk Schots gekleurde en protestantse bevolking. De Ierse boeren bleven in leven dankzij de aardappel. De grond behoorde hun niet toe, maar grootgrondbezitters, meestal wonend in Engeland. De ongeletterde massa was verstoken van onderwijs en de clerus bood nog wat leiding. De demografische ontwikkeling in Ierland leidde tot een malthusiaanse catastrofe. De bodem kon de bevolking niet meer voeden. Toen de aardappelziekte in 1845 uitbrak, kwam er een vreselijke hongersnood. Vier miljoen Ieren leefden uitsluitend van aardappels. De regering trof inadequate maatregelen. Tussen 1846 en 1851 kwamen er één miljoen Ieren om van de honger en een even groot aantal emigreerde naar Amerika (een tweede miljoen volgde de tien jaar daarna). Van de emigranten stierf één op de zes tijdens de reis. In volle hongersnood ging de graanexport van Ierland naar Engeland gewoon verder, de handel in Ierland was nu eenmaal zo ingericht dat er voor de Ieren alleen aardappelen overbleven. De honger dreef ook veel Ieren naar het westen van Engeland, zo’n 500.000. Hun bereidwilligheid voor lage lonen te werken brachten de Engelse arbeiders tegen hen in het geweer en leidden tot anti-Ierse opstootjes. Engelse filantropen hielden vele campagnes om het lot van de slaven in Amerika en Afrika te verbeteren, maar hadden geen begrip voor de menselijke ellende in eigen land.

Ulster will fight and Ulster will be right
Een verregaande autonomie onder de Britse kroon zou wellicht de oplossing kunnen brengen. Maar de conservatieve Engelse milieus zagen in elke vorm van federalisering het begin van het einde van de Britse eenheid en dus van de Britse macht. In 1829 kwam de wet op de katholieke emancipatie: katholieken konden nu openbare ambten bekleden. Lord Randoph Churchill, de vader van sir Winston, sprak in 1886: ‘Ulster will fight and Ulster will be right’. Hier werd in niet mis te verstane termen te kennen gegeven dat dit protestantse bolwerk zich niet goedschiks zou laten inlijven in een Ierse deelstaat. De Britse regering had aan de Ierse publieke opinie steeds net te weinig en net te laat toegegeven, in frappante tegenstelling tot haar interne Engelse politiek, waar de toegevingen aan de liberale stromingen net voldoende en net op tijd zijn gekomen.

Splendid isolation in Europa, het imperium op de voorgrond
Eeuwenlang was de Engelse geschiedenis zeer nauw verbonden geweest met die van het continent. Na Waterloo was het alsof Groot-Brittannië genoeg had van het continent: ‘splendid isolation’. Pas nadat het door Bismarck gevestigde Duitse keizerrijk met koloniale ambities en overmoedige plannen voor de dag kwam, begon men zich in Londen weer zorgen te maken. Het imperium stond centraal in Engeland. Wel was er even de overtuiging dat de koloniën vroeg of laat onafhankelijk moesten worden. In het laatste kwart van de eeuw veranderde deze mentaliteit echter en ontstond het imperialisme als programma en doctrine. De Pax Britannica werd een waardig opvolger van de Pax Romana. Men verwachtte alle heil van de zogenaamde informele kolonisatie, waarbij overzeese gebieden politiek onafhankelijk, maar economisch onderworpen waren. De meest onverwachte koopjes werden gesloten. Zo liet Engeland de vrije hand aan Duitsland in Zuidwest-Afrika (Namibië, ten noorden van Zuid-Afrika), omdat het op Bismarcks steun rekende in Egypte. De resultaten van de imperialistische politiek logen er niet om: tussen 1875 en 1900 werd de totale oppervlakte van het Britse imperium uitgebreid met bijna 12 miljoen vierkante kilometer (40 x Groot-Brittannië) en de bevolking met 90 miljoen mensen. Het leeuwendeel uit Afrika, waar Rhodes’ droom uitkwam van één aaneengesloten strook Brits gebied van Egypte tot de Kaapkolonie.

Zuid-Afrika
Het belangrijkste en meest dramatische strijdtoneel was zuidelijk Afrika. De 19e eeuw betekende een gestage versterking van de Britse invloed op de Boeren die reageerden met naar nieuwe gebieden in het noorden te trekken en er onafhankelijke republieken te vestigen, die op hun beurt door de Britten werden begeerd en onderworpen. Uiteindelijk moesten de ritten de twee noordelijke republieken van Transvaal en Oranje Vrijstaat erkennen. De ontdekking van diamant- en goudvelden leidde tot een hernieuwde Britse opmars en in 1877 werd Transvaal geannexeerd. De Boeren kwamen in opstand en voerden de eerste vrijheidsoorlog, die in 1881 uitliep op de restauratie van de Transvaalse Boerenrepubliek, zij het onder Britse soevereiniteit. Toch hield de Britse noordwaartse druk aan en isoleerde de twee vrije Boerenrepublieken, onder meer van toegang tot de zee. Wellicht waren ze in hun isolatie met rust gelaten, maar de ontdekking van de rijkste goudmijnen ter wereld in Transvaal maakte dat vooruitzicht illusoir.

De Boerenoorlog schokt de wereldopinie
President Kruger leidde de Boeren, diamantmiljonair Cecil John Rhodes de Kaapkolonie. De Boeren waren met Duitse geweren gewapend. De hele zaak maakte de slechtste indruk op de wereldopinie, maar de Britten gingen door. In 1899 werd de Britse druk op Kruger zo sterk dat hij gewapende weerstand als enige uitweg zag. Toen gebeurde het ongelooflijke: Kruger, namens de nietige Boeren, richtte een ultimatum tot het machtigste imperium dat de wereld ooit had gezien! De oorlog, of liever de guerrilla, duurde drie jaar. Engeland bracht maar liefst 450.000 man op de been. Vrouwen en kinderen van de Boeren werden in concentratiekampen gestopt, waar ziekte tot een vreselijke sterfte leidde. De wereldopinie was diep geschokt. In Engeland was er de overtuiging dat ‘Britse levens’ meer waard waren dan Afrikaanse. In 1902 werd vrede gesloten en de Britten hebben zich vanaf dat moment vlug geschaamd over het gebeurde en hebben geprobeerd goed te maken wat kon.

Dominions
De grote blanke koloniën waren naar zelfstandigheid toegegroeid en hadden zelfbestuur en de naam ‘dominion’ gekregen (Canada en Australië). Toch werden zij ook verwikkeld in de oorlog van 1914 toen het moederland de oorlog verklaarde aan Duitsland. In Australië werden tot 1868 nog veroordeelden gedeporteerd. Het ‘gele gevaar’ uit China en Japan bracht de eerst verspreide en vaak in onmin met elkaar levende koloniën bij elkaar. Indië stelde alle andere delen van het British Empire ver in de schaduw door haar bevolking, oude cultuur en grote rijkdom. De Britse heersers zagen hun taak als een tijdelijke opdracht. Nadat ‘de inboorlingen van hun bijgeloof en vooroordelen afgeholpen en voldoende verlicht waren’ zou Indië zichzelf besturen. Da laatste is wel gebeurd, dat eerste niet…

De opkomst van Duitsland
De 19e eeuw was de klassieke periode van de nationale soevereiniteit. Laisser faire of ‘ieder voor zich’ gold niet alleen voor individuen en standen, maar ook voor staten. De Eerste Wereldoorlog bewees hoe hecht de Empire samenhing, ondanks een zwakke organisatie. Engeland kon zich onmogelijk buiten de oorlog laten, want de continentale kusten waren maar enkele kilometers weg. Met de veranderde Europese verhoudingen (de opkomst van Duitsland) ging Engeland op zoek naar bondgenoten. Duitsland werd veruit de machtigste staat van het Europese continent. Duitsland wilde een oorlogsvloot bouwen die de Britse kon evenaren. Een combinatie van de Pruisische militaire traditie en een zware industrie die zelfs de Britse overvleugelde. Meteen begon de oude Engelse reflex te spelen. Bondgenoten werden uiteindelijk Frankrijk en Rusland. Ideologische verwantschap en sympathie was geen doorslaggevende factor. Godsdienstig was het wel complex: het islamitische Turkije (met haar massamoorden op Bulgaarse christenen in 1876) was vriend, het orthodox-christelijke Rusland tot voor kort de boeman. Turkije, de ‘zieke man van Europa’ zou een vacuüm achterlaten waardoor de christelijke volken van de Balkan wel vrij zouden worden, maar de regio heel onstabiel zou worden.

Mother of parliaments
In Groot-Brittannië is er een overgang geweest van een oligarchisch naar een democratisch bestel. Dit alles is voltrokken zónder revolutie. De reden is dat Engeland zijn revolutie reeds in het midden van de 17e eeuw heeft gehad. De vreedzame revolutie werd gerealiseerd door de wettelijke hervorming van de bestaande instellingen. Het parlement van Westminster, de ‘mother of parliaments’, bleef dé essentiële instelling van het Britse openbare leven. De hervorming van het parlement veranderde het kiesrecht, de kiesomschrijvingen en schakelde het vetorecht van het Hogerhuis uit. In 1872 werd de geheime verkiezing ingevoerd: voortaan brachten de kiezers hun stem niet meer uit onder het waakzame oog van allerlei geïnteresseerde notabelen. Het Hogerhuis werd altijd gezien als een stabiliserende factor die het land behoedde voor onbesuisde actie, maar de Lords gingen steeds meer partijdig te werk, dat wil zeggen: conservatief. Men kan zeggen: eeuwenlang werd Engeland geregeerd door koning en parlement, één daarvan moest wijken. Daarna hadden de twee huizen van het parlement samen geregeerd, maar ook daar moest er nu één van wijken. Het Lagerhuis bleef als ‘alleenheerser’ over.

Nadruk op het individu, de staat op de achtergrond
Het liberalisme was populair. De held hiervan was het vrije, verantwoordelijke individu, de boeman was de almachtige staat. De liberalen waren optimistisch en toekomstgericht, ze spraken met zelfvertrouwen en geloofden rotsvast in de vooruitgang. De ambtenarij was voor huidige maatstaven onvoorstelbaar klein. Er was een soort mythologie dat een ware gentleman staatszaken als plicht en last beschouwde en zijn tijd liever aan de jacht of de lectuur besteedde. Zo is een verhaal bekend van een politicus die op zijn buitenhuis door iemand werd bezocht die het met hem over politiek wilde hebben. Hij was ontstemd en verveeld, want hij wilde rustig bezig zijn met zijn oude hobby, de vertaling van Homerus. In Engeland overleefde het tweepartijenstelsel tot op de dag van vandaag. Het is een steekspel tussen twee grote formaties, één Zijn of Haar Majesteits regering en de ander Zijn of Haar Majesteits oppositie. William Ewart Gladsone, een reus uit die dagen, was tegelijk een zeer liberaal en zeer religieus geïnspireerde man.

Onlusten
In de jaren na Waterloo was Engelands positie in de wereld schitterend als nooit tevoren; op het thuisfront was de toestand echter miserabel. De malaisejaren na 1815 waren getuige van sociale ellende, zowel in de fabrieken als op het platteland. In 1815 werd de controversiële korenwet ingevoerd (in 1846 ingetrokken). In de jaren 1815-20 kwam zwarte ellende voor in de industriegebieden. Zware onlusten, hongermarsen, veldslagen en veldslagen kwamen voor. De staatsstructuur was verouderd. Maar vragen om modernisatie werden bestreden als Franse, revolutionaire en goddeloze machinaties. Wel kwamen er een reeks Reform Acts, waardoor het aantal kiezers flink uitgebreid werd. Het decor waarin het parlement vergaderde veranderde ook. In 1834 brandde het oude parlementgebouw af omdat een ambtenaar wat onvoorzichtig was geweest. In de vroege 19e eeuw telde het parlement ongeveer 45 dissenters, zeer versterkt door het methodisme, een 2 miljoen mensen op een totaal van 13 miljoen. De Emancipation Act kwam in 1892. De godsdienst was, na zolang centraal te hebben gestaan, geen politiek twistpunt meer, althans buiten Ierland.

Waarom Marx geen invloed kreeg
Het is opvallend dat alle veranderingen in Engeland zonder noemenswaardige invloed van het marxisme is gebeurd, hoewel uitgerekend Marx naar Engeland was geïmmigreerd. Het marxisme heeft wel Britse apostels gehad, maar hun invloed was onbeduidend. Waarom heeft het marxisme geen wortel geschoten in Britse bodem? Wel, het marxisme leek bijna uitgevonden om de Britse gevoelens te kwetsen: het was republikeins (Engelsen vereren de monarchie), het was revolutionair (Engelsen beschouwen massageweld als onbeschaafd), het was anti-godsdienstig (Engelsen waren toen nog grotendeels christelijk), het was dogmatisch (Engeland was juist pluralistisch), het predikte de dictatuur van het proletariaat (Engeland had een parlement en vrije verkiezingen) en het predikte internationalisme (Engeland was zeer nationalistisch).

Hervormingen van het rechtssysteem
Engeland kent geen geschreven constitutie, maar opereert met gewoonterechtelijke constitutie. In de vroege 19e eeuw was het met het Engelse recht droevig gesteld. Het kent het meest archaïsche rechtssysteem van Europa: een ongesystematiseerd en onoverzichtelijk kluwen van regels en termen. Engeland was een paradijs voor juristen maar een hel voor de rechtzoekenden. Voor zeer veel misdrijven was de doodstraf voorzien, zelfs de meest onbenullige. Voor het wildstropen op hazen en konijnen stond al snel zeven jaar verbanning. De deportatie naar Australië werd in 1857 stopgezet (op Australisch protest). Ook vrouwen kregen rechten. Zo werd in 1870 en 1882 besloten dat salarissen die vrouwen zelf hadden verworven, voor haarzelf bleven, zodat de mannen het niet meer in de kroeg konden verbrassen. (Let op: vaak hangt vrouwenemancipatie in deze tijd samen met het verkeerde gedrag van de mannen, zie ook het Amerika van de 19e en begin 20e eeuw.) Vanaf 1836 konden de dissenters ook in eigen kerk trouwen. De echtscheidingsprocedures werden zodanig gewijzigd dat het ook voor armere mensen financieel mogelijk werd te scheiden en niet de kans te lopen veroordeeld te worden voor bigamie.

Demografie
De massa en de ‘massaficatie’ zijn problemen die de Europese mens zichzelf in de 19e eeuw heeft aangedaan en waarmee hij heeft leren leven. De stijging van de Britse bevolking in de 19e eeuw was spectaculair. De reductie van de kindersterfte was opvallend. In 1740 stierf nog 75 procent vóór hun zesde levensjaar. Veel Ierse immigranten kwamen naar Engeland en veel Engelsen emigreerden naar Amerika (4 miljoen), Canada (1,5 miljoen) en Australië (1 miljoen). Ook trad er een verschuiving op van platteland naar stad. De grootste steden, Birmingham, Glasgow, Liverpool en Manchester, telden in 1901 allen meer dan een half miljoen inwoners. Londen maar liefst 6,5 miljoen. De invloed van geboortebeperking werd begin 20e eeuw al gevoeld.

The workshop of the world
De twee pijlers waarop het hele gebouw van het Engelse rijk rustte waren de machine en de vrije onderneming. Het minimumloon werd afgeschaft, de aanleg van sporen gebeurde zo chaotisch dat de sporen verschillende spoorbreedten hadden. De laisser faire-filosofie was als de dood voor staatscontrole. Filantropie en naastenliefde konden veel goedmaken, vooral in slechte tijden. De voortschrijdende vrijhandel in de wereld liet Groot-Brittannië toe met volle kracht te profiteren van zijn voorlopig nog onbestreden voorrangs- en bijna monopoliepositie als ‘the workshop of the world’. De spoorwegen brachten een economische unificatie tot stand. De aanleg stelde een enorme massa van vooral ongeschoolde arbeiders te werk. De kanalen werden als gevolg hiervan verwaarloosd en zijn tot op heden een zwakke schakel in het Britse transportsysteem.

Zelfverzekerdheid
De export was de grote motor. De Britse export was een wereldwijde zaak. Het grote symbool van de zelfverzekerdheid en geloof in een nooit aflatende vooruitgang was de Londense wereldexpositie van 1851 met het Crystal Palace, een gebouw van ijzer en glas: het achtste wereldwonder. Omringd door 25.000 mensen opende koningin Victoria de tentoonstelling. De Times wijdde er een mystiek stukje aan en schreef dat sommige toeschouwers ‘werden herinnerd aan de dag waarop alle tijden en gewesten geschaard zouden staan rond de troon van hun Schepper’. Charles Haddon Spurgeon zou hier ooit voor 23.000 mensen preken. In 1890 had Groot-Brittannië een groter tonnage aan geregistreerde schepen dan de rest van de wereldvloten samen! Maar het land was ongelooflijk kwetsbaar, omdat het totaal afhing van een ongestoorde wereldhandel. De gouden periode voor de Londense City viel in de jaren 1870-1913. Engeland was op weg een comfortabele oude dag te slijten als een welgestelde rentenier, die vergenoegd terugblikt op een zeer actief en zeer geslaagd leven.

Geen tolmuren tegen Amerikaans graan
Engeland werd van een landbouwstaat een industriestaat. Engeland was altijd een land geweest van grootgrondbezitters en pachters. Het enorme Amerikaanse aanbod van graan kwam op de Engelse markt, zonder dat er tolmuren werden opgericht, zoals Frankrijk en Duitsland deden. Dit had catastrofale gevolgen voor de landbouw. Er volgde een reusachtige landvlucht. In de traditionele weidelanden, waar zuivel en vlees werden voortgebracht, was de crisis niet zo erg. Veetelers profiteerden immers ook nog eens van de dalende voederprijzen. Het drama was het ergst in Essex, eens de graanzolder van Londen. De regering liet het begaan, het was haar taak niet om zich met de markteconomie te bemoeien.

Heimwee naar het goede boerenleven
De plaats van de arbeiders in de industriële wereld werd het grote probleem van deze tijd. Men constateerde dat de economische voordelen (massaproductie, winst, tewerkstelling) indrukwekkend waren; maar wogen de negatieve gevolgen hier echter tegen op? Velen oordeelden van niet. Er kwam een heimwee naar het harmonische plattelandsleven. De nieuwe eeuw bracht geen verbeteringen. De klassenstrijd werd scherper: stakingen waren aan de orde van de dag. Het economische laissez faire, de heiligste koe van de tijd, werd scherp aangevallen. De greep van de grote ondernemingen op het leven van de enkeling was veel te groot. De staat moest interveniëren, al druiste dat tegen alle liberale idealen in. Aan nationalisatie van grote bedrijven, de radicaalste vorm, werd nog niet gedacht. Bismarck liep voorop in zijn stelsel van sociale zekerheid, vooral met betrekking tot werkloosheid.

Kinderarbeid
Kinderarbeid kunnen wij niet goed vatten, maar in de 19e eeuw was het helemaal niet ongewoon, nee gewoon zelfs. Was het niet zo dat kinderen op de boerderij ook al meehielpen? Dat ging door toen het industriële tijdperk aanbak. Ze gingen mee de fabriek in. Dat de kinderen lange jaren van hun leven op de schoolbanken zouden doorbrengen kwam bij niemand op. Men bedenke wat het voor de economie van een land betekent de schooljeugd (een derde van de bevolking toen) te moeten voeden zonder dat ze enige productieve activiteit ontwikkelt. Door economische ontwikkelingen (ingewikkeldere machines bijvoorbeeld) werd de kinderarbeid minder. Er waren inderdaad veel misstanden. Zo waren er kinderen die vanaf hun zevende jaar in kolenmijnen werkten, waardoor ze zelden het zonlicht zagen, want ze werkten de hele dag ondergronds.

Onderwijs
Het onderwijs was een ander probleem. Voor het gewone volk was sowieso basisonderwijs het enige, want men vond dat het kleine volk geen ambities boven zijn stand moest hebben. Men ging pragmatisch met het probleem om, lijkend op Nederland, maar een schoolstrijd hoefde hierom niet gevoerd te worden. Zo arm waren sommige kinderen dat men goedkope (later gratis) schoolmaaltijden invoerde. Het analfabetisme verdween langzamerhand. In 1839 was dat nog 40 procent. Public schools waren er voor de gegoeden. Ooit voor velen toegankelijk, zoals de naam al zegt, maar in de 19e eeuw waren de kostscholen alleen voor kinderen van de elite. Hier werden de toekomstige leiders onderwezen en opgevoed. Hier werden zelfbeheersing, tucht, slagvaardigheid in het debat en zin voor het staatsbelang geleerd. De nadelen waren groot: opvoeding buiten familiekring, competitiegeest, overaccentuering van de klassiek-literaire benadering en vooral de rekrutering op basis van de financiële draagkracht van de families. Er ontstond zo een soort sociale apartheid. De oude Engelse universiteiten, Oxford (het meest exclusief) en Cambridge, werden tot diep in de 19e eeuw ongemoeid gelaten. De tijd stond er als het ware stil, en de wetenschap vaak ook.

Armoedebestrijding
In de 18e eeuw werden er door de parochiale en gemeentelijke overheid armentehuizen en werkhuizen opgericht. Het waren quasi-gevangenissen. Er heerste een naargeestige discipline: stilzwijgen bij het eten, lastig en vervelend werk, verbod van roken en kaartspelen. Echtparen werden gescheiden, wat, in malthusiaanse geest, ook de procreatie van paupers beperkte. Naast het pauperisme was de ellendige hygiëne de grote plaag van de industriesteden. Deze waren als paddestoelen uit de grond gerezen in een minimum van tijd. De mensen leefden opeengepakt, afval- en mesthopen lagen verspreid over de volkswijken, de stedelijke rivieren en kanalen waren stinkende riolen. Soms nam een stadsbestuur een vooruitstrevend initiatief, zoals Liverpool in 1842: openbare baden.

Godsdienstige opleving
Alles scheen er in de 19e eeuw op te wijzen dat het een eeuw van ongodsdienstigheid zou worden. Nooit is echter het volk zo christelijk geweest als in het midden van de 19e eeuw en weinig landen konden Engeland daarin evenaren. De godsdienst stond centraal in het leven en niemand minder dan koningin Victoria en prins Albert waren het lichtende voorbeeld. De religieuze herleving werd gedragen door de Evangelicale Beweging. Vooral het methodisme, maar ook het Leger des Heils van William Booth. Zowel in de breedte als in de diepte was het evangelicale christendom populair. Ze bereikte een grote massa gewone gezinnen, maar ook leidende figuren. De Victoriaanse mens vond in de Schrift een morele leidraad en de hoop op gelukzaligheid als loon voor een deugdzaam leven. Ook vond hij er een stabiel wereldbeeld, gevestigd op hiërarchie en een hoog tronende God.

Puriteinse erfenis
De puriteinse erfenis bleef doorwerken: arbeid, tucht en spaarzaamheid werden hooggeprezen, lustgevoelens waren van de duivel. Vrouwen droegen lange kleren en hoge kragen. De families waren groot, inclusief de vele dienstboden. De Victoriaanse preutsheid is spreekwoordelijk geworden. Zo verbood de Royal Academy ongehuwde studenten naar het naakte model te tekenen of te boetseren. De obsessie met de heiliging van de zondag was een merkwaardige Britse trek, die tot op heden zijn sporen heeft nagelaten. Maar zo krachtig als de ethische ondertoon was, zo zwak was de beleving van het geloof. Alleen in de ‘heidense wijken’ van enkele grote steden was de kerkelijkheid laag. Ontelbaar zijn de initiatieven van morele, hygiënische en sociale aard waardoor religieus geïnspireerde Britten zich hebben ingezet, zoals William Wilberforce, die de afschaffing van de slavernij succesvol betoogde.

Godsdienst als stabiele factor in een revolutionaire tijd
Religieus scepticisme, en atheïsme helemaal, werden geschuwd als een wegbereider van politieke en sociale omwenteling: de godsdienst werd een steunpilaar van een stabiele samenleving. Zo ontvouwde zich vanaf eind 18e eeuw voor de verbaasde ogen van de dorpelingen het schouwspel van de ijverig kerkgaande bewindslieden, die voorheen hadden uitgeblonken door hun afwezigheid: het gedrang van hun koetsen aan de kerkdeuren op zondag was een opvallend spektakel. De kerk in het midden was het symbool van een solide en anti-revolutionair Engeland. Niet iedereen werd meegesleept in dit ‘revival’. Er ontstond ook de Oxford Movement, die de legitimiteit van de Anglicaanse kerk aan de kaak stelde en terug wilde naar de rooms-katholieke wortels. Newman brak met de staatskerk en werd uiteindelijk nog kardinaal in de rooms-katholieke kerk. Velen volgden zijn voorbeeld. In de ogen van de doorsnee Engelsman was het een verachte beweging.

Toch weer snelle teruggang
In 1850 herstelde de paus de katholieke hiërarchie in Engeland. In Schotland ontstond de Free Church of Scotland, een bevrijding van de bevoogding door de staat en een herleving van het presbyterianisme. Deze kerk kon zich in grote bijval verheugen en bouwde in korte tijd honderden kerken. Het protestantisme kenmerkte zich door veel afscheidingen. Zo ontstond in Engeland de Plymouth Brethren rondom John Nelson Darby. Men gelooft in de letterlijke interpretatie van de Schrift en een spoedige wederkomst van Christus. Ze wil geen kerkorganisatie. Het hoogtepunt van de herleving werd bereikt rond 1870 en werd gevolgd door een opvallend snelle achteruitgang. Kroonprins Eduard ging het volk anders voor dan zijn moeder. De rationalistische denkers bouwden de 18e-eeuwse verlichtingsideeën weer uit. Opvallend in Engeland was: de verwerping van het christendom betekende geenszins de verwerping van de moraal!

Technologische achteruitgang
In de eerste helft van de 19e eeuw was Engeland nog pionier van de moderne technologie: de stoommachine, de spoorwegen, de gasverlichting, de telegraaf. Het is opvallend dat dit in de latere 19e eeuw verloren is gegaan. De elektrische motor, de dynamo, de elektrische trein, de telefoon, de elektrische gloeilamp, de draadloze telegrafie, de verbrandingsmotor, de synthetische kleurstoffennijverheid en de olie-industrie zijn uitvindingen van Amerikanen, Duitsers en Fransen, maar niet van Britten. In de geneeskunde genoot Groot-Brittannië een voortreffelijke reputatie. Vooral op het gebied van de geologie en de paleontologie zou Engeland de wereld gaan verbazen. Het christendom was nog steeds de grondslag voor het openbare leven en ging veel mensen zeer direct aan het hart. Indien de wetenschap de bijbelse revelatie over de schepping tegensprak, was een crisis onvermijdelijk. Newton kon nog verhoogde bewondering opbrengen voor de Schepper, die het heelal zo secuur en wetmatig ha gemaakt en geregeld. Maar toen kwam Charles Darwin!

Darwin
Darwin beweerde dat de mens ‘van de apen afstamde’. Deze wereldschokkende conclusies zijn niet onvoorbereid uit de lucht komen vallen: de belangstelling voor oude gesteenten en fossielen, planten en dieren dateert van voor zijn tijd en hield vele van zijn tijdgenoten bezig. Darwin was voorzichtig. Hij heeft lang geaarzeld voordat hij de stap waagde. Eerst trok hij de redenering in twijfel dat elk soort onafhankelijk is geschapen (Origin of Species). Maar toen durfde hij nog niet de consequenties van zijn theorie bekend te maken. Dat gebeurde pas in 1871 in zijn Descent of Man. In wetenschappelijke kringen gaf Darwin aanstoot, omdat zijn ‘natuurlijke selectie’ eigenlijk hierop neerkwam dat toeval en blinde mechanismen de plaats innamen van intelligentie en planmatigheid.

20e eeuw
Inleiding
De 20e eeuw kende drastische verschuivingen: Engeland werd van centrum van een wereldomvattend imperium een gewoon lid van Europa dat zeurde over het hoge lidgeld. De oude heilsleer van het laissez faire werd vaarwel gezegd. De kerkelijke structuren werden sterk aangetast. We kunnen net zo goed van een post-christelijk als van een post-imperiaal tijdperk spreken. We weten niet of dit de zoveelste fase is van een pendelbeweging, zoals in de 17e eeuw de godsdienst op een hoogtepunt was, in de 18e eeuw scepsis de boventoon voerde en in de 19e eeuw een reveil. Eigenlijk komt alles neer op de onttroning van de oude leidende stand, de hoge burgerij. De teloorgang van het imperium heeft de welvaart van het volk niet aangetast. Merkwaardig is dat dit alles zo vlug en toch zo vreedzaam, zo onrevolutionair is verlopen. Opvallend is ook hoe het culturele prestige van Engeland in het algemeen en van de Engelse taal in het bijzonder een ongekend hoogtepunt heeft bereikt. Het Engels werd de wereldtaal. Wie had ooit kunnen denken dat het versmade idioom van de boeren en arbeiders, dat in de 12e eeuw als cultuurtaal ten dode leek opgeschreven, acht eeuwen later het meest universele communicatiemiddel van de mensheid zou worden?

Ierland verloren, probleem Noord-Ierland geboren
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog beloofde Engeland Home Rule voor haar oudste kolonie, Ierland. Die ging echter de prullenmand in toen er als gevolg van de militaire dienstplicht in 1918 onlusten uitbraken. Zo was Ierland het enige verlies van het imperium na de Eerste Wereldoorlog. Het Schots-Protestantse Ulster bleef alleen over. Londen liet het er niet bij zitten en stuurde troepen naar Ierland. Het Ierse leger werd gesteund door wapens uit Amerika, waar zovele Ieren wonen. Uiteindelijk kreeg de Ierse Vrijstaat het statuut van een dominion, analoog met dat van Canada. In 1922 vertrokken de laatste Britse troepen en was de Irish Free State een feit. Ulster wilde niet tot het katholieke Ierland toetreden. Het bleef een deel van het Verenigd Koninkrijk en kreeg een eigen parlement en regering. Maar het was geen homogene protestantse enclave. Daarom werden de graafschappen zo ingedeeld, dat de protestanten zeker waren van overheersing. In 1949 stapte Ierland uit de Britse Commonwealth en werd het een republiek. De grote leider was Eamon de Valera. Ierland kende de decennia hierna vrede. In de jaren 60 kwam er pas weer een uitbarsting, in Noord-Ierland. Ierland liet de katholieke minderheid in dit landje in de steek. In Noord-Ierland waren de openbare ambten alleen voor protestanten. In de jaren 60 is de strijd opgelaaid, in navolging van de bevrijdingsbeweging over de gehele wereld. Normaal zou zijn als Noord-Ierland deel zou worden van het grote Ierland, maar Ulster verzette zich hardnekkig. De Britse regering voelde er weinig voor om een stuk grondgebied prijs te geven.

Van wereldmacht tot bankroet
Het Victoriaanse en post-Victoriaanse Engeland was een wereldmacht die in mondiale en helemaal niet in Europese termen dacht. De essentiële zending van het toenmalige Groot-Brittannië lag overzee, in zijn wereldwijd imperium van dominions en koloniën. Binnen vijftig jaar was er echter niets meer van over. Sommigen bleven tot de Commonwealth behoren, anderen trokken eruit (Ierland en Zuid-Afrika). Engeland zat er verweesd bij, ongeveer zoals de keizerstad Wenen die in 1918 ook haar Habsburgse wingewesten was kwijtgeraakt en plots heel alleen achterbleef. Was de Angelsaksische wereld niet het normale leefmilieu voor Engeland en kon het in een ‘special relationship’ met Amerika niet de beste kans maken om nog een internationale rol te spelen? Materieel gezien had Engeland de Tweede Wereldoorlog slechts kunnen voeren dankzij Amerikaans geld en materiaal en toen het in 1947 op de rand van het bankroet stond werd het door de Marshall-hulp gered.

Engeland en het Europese continent
Dat Europa wellicht een goede partner zou kunnen zijn, daar werd niet over gedacht. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog was er een duidelijke ruk naar links op het continent. In de jaren 50 begon er een proces van economische unificatie. Eden zei in 1952 dat een Britse aansluiting bij Europa iets was dat ‘we know, in our bones, we cannot do; our thougths move across the sea… that is our life’. Zonder die wereldwijde band zou Engeland niets anders zijn dan ‘some millions of people living on an island off the coast of Europe’. Na verloop van tijd groeide de Europese gemeenschap uit tot een statengroep met een economie die weldra de Britse voorbijstreefde. Misschien kon Engeland dan toch beter op de Europese wagen springen? In 1972 keerde Engeland naar haar moeder Europa terug: ze trad toe tot de Europese Gemeenschap. Wat het altijd had willen vermijden, geconfronteerd te worden met een machtig en verenigd Europa, was gebeurd.

Eerste Wereldoorlog
De Eerste Wereldoorlog, dat in augustus 1914 begon, zou vóór kerst al beëindig zijn, zo was de algemene gedachte. Maar het werd een lange uitputtingsoorlog. Het plan om met een gecombineerd Brits-Franse macht de Turkse bondgenoot van Duitsland te veroveren en van daaruit Europa binnen te dringen mislukte volledig. Winston Churchill, die het plan in het kabinet had doorgedrukt, nam ontslag. Het Britse Somme-offensief (juli-november 1916) was zeer bloedig; op de eerste dag verloren de Engelsen 57.000 man (waaronder 19.000 doden). Gelukkig werd de Russische terugtrekking uit de oorlog gecompenseerd door de Amerikaanse oorlogsverklaring, anders was de oorlog anders gelopen. De Eerste Wereldoorlog werd een zo overwinning van de geallieerden. Het totale verlies voor Engeland bedroeg 750.000 doden. Een overwinning is pas constructief en duurzaam als ze gevolgd wordt door een goede vrede. Dat gebeurde niet. Het vredesverdrag van Versailles was een ouderwetse hertekening van de politieke kaart met allerlei annexaties en een zeer moderne, bijna visionaire poging om een nieuwe wereldorde te vestigen op de grondslag van de Volkenbond. Versailles was geen resultaat van overleg, maar een dictaat. De jonge republiek van Weimar kon kiezen tot heropening van de vijandelijkheden of de ondertekening van het opgelegde verdrag. Duitsland moest het fabelachtige bedrag van 11.300 miljoen pond betalen, in 41 jaar tijd. Velen vreesden dat een vernederd en verarmd Duitsland in de armen van het communistische Rusland zou worden gedreven. Waarom dit alles? Was het de obsessieve angst van Frankrijk, dat tweemaal zoveel mensen verloren had als Engeland?

Interbellum
De crisis, die niet was gekomen toen ze werd voorspeld (zo rond de eeuwwisseling), brak in de jaren dertig uit, toen slechts weinigen haar nog voorzagen. Engeland was sterk uit de oorlog gekomen: in het Midden-Oosten was op het puin van het Turkse rijk een Brits imperium verrezen: Perzië (Iran), Afghanistan, Mesopotamië (Irak), Palestina en Egypte behoorden allen aan Engeland. Harde maatregelen inclusief oorlog (bijvoorbeeld naar aanleiding van de Japanse inval van Mandsjoerije en de Italiaanse verovertocht in Ethiopië) was het laatste waar men in Engeland aan dacht. Engeland droomde van vrede: het was normaal dat een land dat enkele eeuwen (vaak gewelddadige) wereldexpansie achter de rug had, niets anders dan dit verlangde. Toen Duitsland zich verhief en resoluut de weg van het militarisme en expansie insloeg, werd de toestand onheilspellender. Toch heeft de Britse regering zich ook ten aanzien van Hitler lang met illusies gepaaid. Bij elke nieuwe stap van Hitler deed men het van de hand als waren het binnenlandse aangelegenheden. Chamberlains appeasement-politiek is later heftig bekritiseerd; ze was echter in de context van de tijd begrijpelijk. Een staatsman die tot het uiterste gaat om de vrede te redden, handelt principieel juist. Engeland had ook alle reden om de oorlog te vrezen: niets garandeerde dat het een tweede keer zijn imperium zou redden. ‘Peace for our time’ was de leuze en Times schreef toen dat ‘geen veroveraar op zijn terugtocht van het slagveld ooit gesierd was met nobeler lauwerkransen.’ Twee dagen na Hitlers intocht in Tsjechië gaf Chamberlain zijn appeasment-politiek op als onrealistisch. Het wachtwoord was nu containment.

Tweede Wereldoorlog
Toen Polen op het spel stond, was Chamberlain even vastberaden in zijn nieuwe politiek als hij toegeeflijk was geweest in zijn vroegere. Hoewel niemand wist hoe Engeland Polen te hulp kon snellen, was Chamberlain nu even koppig. Hitler bleef hopen dat Engeland ook Polen zou afvallen. Chamberlain had immers gezegd dat het toch erg zou zijn indien men oorlog moest voeren ‘voor een verafgelegen land waar we niets van afweten’. Engeland stuurde in de zomer van 1939 een ambtenaar naar Moskou, maar de Duitsers bleken daar ook al bezig. De Russen zagen wel wat in een Duits-Russisch bondgenootschap, want het zou de Duitsers in een uitputtende oorlog onder kapitalistische mogendheden verwikkelen. Op de dag dat Duitsland Nederland inviel, 10 mei 1940, volgde Winston Churchill Neville Chamberlain op als premier. Amerika bleef neutraal, al zette Roosevelt zich in om Engeland te steunen. Engeland was vastbesloten in deze tijden van ‘blood, sweat and tears’ door te bijten, wat er ook mocht komen. De Duitsers hadden geen enkele kans op een landing in Engeland vanwege de overmacht van de Britse marine. Daarom probeerden ze het in de lucht: de Luftwaffe tegenover de Royal Air Force: de ‘Battle of Britain’ was begonnen. Churchill zou de legendarische woorden uitspreken: ‘Nooit waren zo velen zo veel aan zo weinigen verschuldigd.’

Balans van de oorlog
Gelukkig voor Engeland schakelde Duitsland over op een andere tactiek en begonnen ze Londen te bombarderen. De Duitsers leden catastrofale verliezen. ‘Seelöwe’ werd uitgesteld. Engeland was gered. Hitler had al besloten Rusland aan te vallen. Mocht Rusland bezwijken, dan zou Engeland ook wel er aan gaan. De Britse strijdkrachten verloren er in heel de oorlog 303.000 en 109.000 uit de rest van de Commonwealth. Vergeleken van Rusland (7.000.000 doden) viel dit nog relatief ‘mee’. Engeland kwam echter door de enorme oorlogskosten opnieuw op de rand van een bankroet. De redding kwam uit Amerika: ‘lend lease’-hulp. In feite werd het geld gewoon gegeven. In totaal ongeveer 27.000 miljoen dollar. Aan Marshall-hulp kregen ze 4.875 miljoen dollar, na Frankrijk het meeste. Engeland gedroeg zich door de glorie van de overwinning weer als wereldmacht. Ze nam deel aan de grote conferenties in Teheran 1943, Jalta 1945 en Potsdam 1945. Op de Tweede Wereldoorlog volgde geen vredesverdrag. In plaats van een globale vredesconferentie kwam er een globale verdeling in machtssferen tot stand tussen de twee rivaliserende supermachten. De Amerikaans-Russische tegenstelling leidde tot een mondiale hergroepering.

Afbrokkeling van het wereldrijk
Het postbellum stond in het teken van machtspolitiek. De Verenigde Naties werd in 1945 te San Francisco opgericht, dat een vetorecht aan de grote mogendheden gaf, waardoor haar actiemogelijkheden beperkt waren. Eigen beveiliging in ‘splendid isolation’ zat er voor Engeland niet meer in. In 1952 had Engeland een atoombom, in 1957 een waterstofbom. Maar het betekende allemaal niets vergeleken bij Amerika en Rusland. In 1949 werd de NAVO opgericht, in hetzelfde jaar kwam er in Bonn een federale Duitse regering tot stand, die het bestuur van de drie westerse bezettingszones op zich nam. Het British Empire was in staat van ontbinding. Het begon met het prachtstuk uit de imperialistische schatkamer: India. Daar kwam het tot verdeling in India (hindoes) en Pakistan (moslims). Dit was in 1947. In 1949 werden Ceylon en Burma onafhankelijk, in 1957 Maleisië. Burma verliet ook de Commonwealth. In Irak werd een monarchie ingesteld, maar die werd in 1958 ten val gebracht en voortaan was het land een naar de Sovjet-Unie georiënteerde republiek. In Palestina zat Engeland tussen twee vuren. In 1948 verklaarde Engeland het gebied te verlaten en het over te dragen aan de VN. Op die 15e mei proclameerde Ben Goerion de onafhankelijke staat Israël. De rest van het oude Palestina ging op in het nieuwe koninkrijk Jordanië.

Nog eenmaal een imperialistische strijd
Alleen de Egyptische onafhankelijkheid verliep verre van vreedzaam. Engeland zag in de Egyptische leider, kolonel Nasser, en tweede Hitler en vond het nodig deze nieuwe dictator een halt toe te roepen. De directe aanleiding was de nationalisatie door Nasser in 1956 van het Suezkanaal. Engeland besloot samen met Frankrijk en Israël de oude kanonneerboottechniek toe te passen. Het mislukte en premier Eden nam ontslag. In 1960 hield premier Macmillan een rede over de ‘wind of change’ die over Afrika waaide en de ene Britse kolonie na de andere tot onafhankelijkheid zou voeren. Zo werden Ghana, Kenya, Rhodesia, Zambia, Malawi, Oeganda en Nigeria onafhankelijk. De grote meerderheid bleef in de Commonwealth. Economisch betekende de Gemenebest in de naoorlogse jaren steeds minder. Japan werd bijvoorbeeld Australiës grootste afnemer, terwijl de economische banden met het uitgetreden Zuid-Afrika nog de belangrijkste zijn gebleven.

Geen interesse in Europese samenwerking
Parallel met de ontbinding van de Empire werden pogingen ondernomen om nieuwe bindingen aan te knopen met de Europese Gemeenschap. Tussen een afstandelijk Amerika, een teleurstellend Gemenebest en een vijandig Sovjetblok was het goed zijn heil te zoeken in Europese aansluiting. In 1951 hadden Frankrijk, Duitsland, Italië en de Benelux een kolen- en staalverdrag getekend. Dit was een eerste stap om Frans-Duitse oorlogen voortaan uit te sluiten. Engeland werd ook uitgenodigd, maar ging daar niet op in. Daarna volgde de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, met een gemeenschappelijke markt. Ook hier ging Engeland niet op in. Toen de Britten eenmaal wel toenadering zochten, gingen de Fransen moeilijk doen.

Moeizame toetreding tot de Europese Gemeenschap
In 1961 vroeg Engeland officieel om toe te mogen treden tot de Europese Gemeenschap. Frankrijk reageerde lauw en zelfs afwijzend. Het veto van De Gaulle was even kwetsend voor de Britten als hun neerbuigend gebrek aan interesse tien jaar tevoren. Voor De Gaulle was Engeland het Trojaanse paard van de Verenigde Staten. In 1972 kwam het echter wel tot toetreding, nadat een referendum een duidelijk ‘ja’ had uitgesproken, hoewel de opkomst laag was. De reden voor de terughoudendheid van Engeland ten opzichte van Europa is niet te zoeken in de grilligheid van de politici, maar in de oprechte en diepe onzekerheid en perplexiteit van het Britse volk. Voor Engelsen bestonden er slechts twee soorten mensen: ‘aliens’ en ‘British’, zoals de Grieken in hun gouden tijdperk alle niet-Grieken ‘barbaren’ noemde. Wat de Britse leiders naar Europa dreef, was economische berekening en zelfs noodzaak. Europa was een onmisbaar afzetgebied.

Arbeiders nemen plaats van liberalen in
Engeland evolueerde van een burgerlijk-liberale oligarchie naar een sociaalgerichte democratie. Drie kieswethervormingen werden er doorgevoerd. In 1918 kregen alle mannen boven de 21 en alle vrouwen boven de 30 jaar kiesrecht, in 1928 werd dit onderscheid opgeheven en in 1948 werd het dubbel stemrecht van universitair afgestudeerden en ondernemers afgeschaft. De Liberal Party verdween van het politieke speelveld en de Labour Party nam haar plaats in. De oude en roemrijke Conservative Party kwam zonder grote kleerscheuren door de avontuurlijke jaren van de democratisering. De liberale partij verdween om de volgende reden. De conservatieven waren rechts genoeg om geen extreem rechtse partijen te hoeven vrezen en waren niet zo rechts dat ze de middenmoot afstootten. De liberalen waren echter niet links genoeg om Labour de pas af te snijden, maar net links genoeg om de behoudsgezinden teleur te stellen. De liberalen waren onder Lloyd George nog zeer populair, maar het kan snel gaan in de politiek.

Algemeen kiesrecht pakt niet nadelig uit voor conservatieven
Vooral na de Eerste Wereldoorlog kwamen veel succesvolle ondernemers in het parlement, in plaats van de grootgrondbezitters. Neville Chamberlain was bijvoorbeeld een rijke industrieel. Een grote verandering was de enorme greep die de staat en zijn administratie op het dagelijkse leven van de burgers ging krijgen. Tot 1914 was de man in de straat zich nauwelijks bewust van het bestaan van de staat. Terwijl in heel wat landen de sprong in de 20e eeuw met bloedvergieten gepaard ging, heeft in Engeland alles zonder noemenswaardig geweld plaatsgehad. In 1925 werden communistische leiders veroordeeld tot gevangenisstraffen, een zeldzaam voorbeeld van bestraffing wegens opiniedelict. De communisten werden door de Labour Party met heftigheid bestreden. Toen het algemeen stemrecht kwam, leek de partij van de arbeiders te profiteren. Maar niets was minder waar: er volgde een twintigjarig conservatief tijdperk. Een derde van de arbeiders bleef gewoon op de conservatieven stemmen. Vele werknemers keken immers met respect op naar hun economische leiders.

Sociaal paradijs niet verwezenlijkt
1945 was het wonderjaar voor Labour. Ze kwam voor het eerst in de geschiedenis aan de macht. Een zeer comfortabele overwinning werd behaald. Men kon nu juridisch gesproken alles. Echter, politiek en economisch gezien was Engeland niet vrij. Men leefde van Amerikaanse subsidies. Daarom kon deze regering onder leiding van Clement Attlee niet doen wat ze in andere omstandigheden wel had gekund. Wel wist hij er een heel pakket aan staatsbegeleiding door te drukken, ‘van wieg tot graf’, dat vervat was in het begrip van de Welfare State. Verder werden de industrieën genationaliseerd. De hooggespannen verwachtingen als zou er een sociaal paradijs komen was in 1951 al voorbij, toen de conservatieven een verkiezingsoverwinning behaalden. De arbeidersbeweging had het ongeluk gehad met haar grote sociale plannen van wal te steken in een negatief economisch klimaat. De conservatieven bleven tot 1964 aan de macht, in 1951 geleid door de 77-jarige Churchill.

Wetgeving tast christelijke identiteit aan
De wetgevende activiteit nam na 1945 sterk toe. De ommekeer in het belastingstelsel kwam met de Tweede Wereldoorlog. De lonen stegen, de vrijgestelde schijf werd verlaagd en tegen 1960 werd door praktisch de hele arbeidende bevolking belasting betaald. In 1976 kwam de Race Relations Act, in 1985 de Sex Discrimination Act, die achterstelling van vrouwen verbood. De liberaliserende stroming vond vooral uitdrukking in de wetgeving over de echtscheiding, de homoseksualiteit en het strafrecht. De Divorce Act (1969), de Wolfenden Report (1957, beval aan homoseksueel gedrag tussen meerderjarigen uit het strafwetboek te halen, wat gebeurde in 1967). De Family Planning Association kreeg in de jaren 60 grote invloed door haar verspreiding van anticonceptie. In 1967 stamt de Abortion Bill, die abortus onder bepaalde voorwaarden uit de strafwet schrapte. Tegelijk had er een stijging van criminaliteit plaats, vooral bij de jeugd. Het gebruik van drugs en alcohol en het percentage onwettige geboorten nam toe.

De ongeschreven grondwet en de verkiezingen
De Britse constitutie heeft haar eigenaardigheden opvallend goed bewaard. Ze is nog altijd ongeschreven en gewoonterechtelijk, een merkwaardig relict uit de Middeleeuwen. Het Britse systeem is gegrondvest op de almacht van het parlement. De Britse constitutie is bijzonder omdat deze ongeschreven of beter niet gecodificeerd is. Dit hangt samen met de geschiedenis. Anders dan de meeste andere landen bestonden in Engeland de basisinstellingen als de monarchie, het parlement, de rechtbanken en de premier, al voordat er formele regels bestonden. De Britse constitutie is daarom heel flexibel. Engeland kent een heel eenvoudig kiesstelsel. Om de vijf jaar zijn er landelijke verkiezingen. De premier maakt vier weken van te voren bekend wanneer de verkiezingen plaatsvinden, zodoende zijn de campagnes maar kort. Engeland bestaat uit 659 kiesdistricten, dit is een variabel aantal. Telkens wordt dit weer herzien om alles zo eerlijk mogelijk te maken. Binnen ieder district wint de kandidaat met de meeste stemmen; zelden zijn er meer dan vier kandidaten. Diegene krijgt een plaats in het parlement. De partij met de meeste verkozenen mag gaan regeren. Dit systeem (first past the post) werkt alleen als er twee grote politieke partijen zijn, omdat de kandidaat met de meeste stemmen dan ook meer dan de helft van het aantal stemmen heeft behaald. De liberalen, die toch nog altijd miljoenen stemmen krijgt, krijgt zo nooit meer dan een handvol zetels.

Het parlement en de regering
Het Britse parlement bestaat uit drie delen: House of Commons, House of Lords en de koningin. De leden van het Hogerhuis danken hun lidmaatschap aan geboorte, benoeming of andere functies. Zo is de bisschop van Londen automatisch lid van het Hogerhuis. Ze hebben dan ook niet veel bevoegdheden. Het is een zeer oud instituut met wortels in de Middeleeuwen toen de edelen de koning van advies dienden. Het Hogerhuis kan een wet niet blokkeren, wel de invoering uitstellen. Het Hogerhuis levert twee tot vier ministers in het kabinet. Het Lagerhuis telt 659 leden momenteel. De band tussen parlement en regering is zeer nauw. De op één na grootste partij vormt de oppositie en binnen die partij wordt een schaduwkabinet samengesteld. Dat wil zeggen dat voor elke minister een lid van de oppositiepartij wordt aangewezen die zich met dezelfde onderwerpen bezighoudt als de minister. Als er een nieuw kabinet moet aantreden, zijn de posten dus al bekend! De overige parlementsleden worden backbenchers genoemd. De Speaker wordt verkozen door de parlementsleden. In deze functie mag partijpolitieke achtergrond geen rol spelen. Zo mag hij zich niet begeven onder de parlementsleden tijdens de lunch. Hij draagt traditionele kledij inclusief pruik en iedereen die hem passeert (zelfs de premier) moet een buiging voor hem maken.

Pers en economie
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de persvrijheid aan banden gelegd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was dit beleid toleranter. De puriteinse traditie leidde tot het verbod van allerlei theaterstukken. Verboden blijft nog steeds een seditious libel, een ‘opruiend geschrift’. Recente beperkingen op de persvrijheid houden verband met de afkeer van het racisme. De rol van de economie is in de 20e eeuw bijzonder groot geweest. De werkloosheid bereikte in de jaren 1931-1933 het ontstellende cijfer van ongeveer drie miljoen. Één van de vele slachtoffers van de catastrofe was de vrijhandel, het grote principe waarop de wereldeconomie zo lang had gefloreerd. Hoe groot de ellende echter ook was, Engeland leed minder dan vele andere landen en was nog steeds een rijk en kapitalistisch land. De nieuwe inzichten van Keynes waren nog tot dovemansoren gericht. Hierin kwam slechts verandering toen Keynes tijdens de Tweede Wereldoorlog raadgever van de Treasury werd. De meeste economieën steunen ofwel op de nijverheid ofwel op de handel, zelden op de twee tegelijk. Dat was wel het geval met het Victoriaanse Engeland. Wall Street werd het financiële zenuwcentrum van de westerse wereld en is de grootste crediteur en investeerder ter wereld geworden. Ook heeft hier de Pax Americana de Pax Britannica vervangen. Toch heeft Londen een aanzienlijk deel van haar traditionele rol weten te bewaren.

Demografie
De Britse bevolking is in de 20e eeuw blijven stijgen, maar in een veel langzamer tempo. 37,5 miljoen inwoners in 1901 en 56 miljoen in 1970. In 1934 waren er minder kinderen dan in 1871, toen de totale bevolking 20 miljoen zielen minder telde. De urbanisatie ging verder. Londen bereikte in 1931 meer dan 8 miljoen inwoners, waar het nu nog steeds staat. Andere metropolen zijn Manchester, Birmingham-Wolverhampton (elk 2,5 miljoen), Glasgow en Leeds-Bradford (1,7 miljoen) en Liverpool (1,3 miljoen). De BNP per inwoner is in Engeland niet indrukwekkend. Het bevindt zich ver onder landen als Amerika, Nederland en Duitsland, maar wel boven Italië en Ierland. De reductie van de arbeidsuren en de eliminatie van allerlei taboes hebben mensen meer vrije tijd bezorgd dan ooit tevoren. Veel aandacht gaat er naar de ‘kwaliteit van het leven’. De combinatie van grote materiële welvaart, grotere vrijheid en beter toegang tot culturele goederen geeft de Brit meer kans op menselijke ontplooiing dan ooit tevoren.

Veramerikanisering
Landbouw neemt in Engeland een zeer bescheiden plaats in. Het heeft wel de meest intensieve en productieve ter wereld. Engeland is voor haar voedselvoorziening in onvoorstelbare mate aangewezen op het buitenland, ook voor de eenvoudigste voorzieningen. Engeland is gebleven wat het was geworden in de 19e eeuw: een industrieland. In de grootwarenhuizen, de bioscopen en de nieuwe industrieën van auto en vliegtuigconstructie was er sprake van veramerikanisering. In 1939 waren er al 2 miljoen auto’s in Engeland. Het resultaat was een nieuwe way of life en een sociale ommekeer die te vergelijken was met de spoorwegrevolutie van de vorige eeuw. Reeds voor de Tweede Wereldoorlog verzorgde de BBC regelmatig televisie-uitzendingen. In Engeland vonden ontelbare en soms langdurige stakingen plaats. Soms werden overbodige arbeidsplaatsen bewaard, na de modernisering van de bedrijven (behoud van de ex-stokers op de elektrische treinen, naast de machinisten). Het Brits-Franse Concordeproject werd dankzij reusachtige subsidies tot een goed einde gebracht; een modern supersonisch passagiersvliegtuig werd zo ontworpen dat, volgens de schrijver ‘niet meer uit de wereldluchtvaard is weg te denken’. Inmiddels bestaat de Concorde niet meer!

Omkering van waarden
De positie van de vrouw in samenleving en gezin is sterk veranderd. In 1910-1912 bedroeg het aantal echtscheidingen 823 per jaar. In het begin van de jaren 70 waren er voor het eerst meer dan 100.000 echtscheidingen per jaar. Hoewel Engeland in 1979 de eerste vrouwelijke premier kreeg, zijn er nog steeds weinig vrouwelijke parlementsleden. Heel wat traditionele autoritaire leefpatronen zijn overboord geworpen, samen met allerlei taboes. Treffend is de ommekeer van de rol van de dood en de seksualiteit in het openbare leven. Vroeger waren begrafenissen grootse manifestaties, pralerige lijkstoeten en vol van retorische ontboezemingen. De dood was een alomtegenwoordige realiteit. In onze dagen zijn de rollen omgekeerd. De dood is taboe geworden, een non-event waar men geen weg mee weet. Er is sprake van verhulling en begrafenissen ‘in besloten kring’. Daarentegen is de seksualiteit, die vooral in het Victoriaanse tijdperk niet aanwezig was in het openbare leven, uitgerafeld en opgehemeld en overal prominent aanwezig.

De kerkelijkheid op een historisch dieptepunt
De 19e-eeuwse overtuiging een uitverkoren volk te zijn om wereldwijd zending te bedrijven is in de huidige constellatie wel erg ontluisterd. Op godsdienstig terrein heerst er een onwennige, zo niet doodse stilte. De Bijbel heeft geen centrale plaats meer in het nationale leven. Hoewel die ommekeer na dertien eeuwen intens beleefd christendom op zichzelf revolutionair mag worden genoemd, heeft hij zich op een allesbehalve revolutionaire manier voltrokken. In 1927 en 1928 vonden er nog verhitte debatten plaats in het Lagerhuis over een voorstel tot wijziging van het Prayer Book. Hoewel de positie van de anglicaanse kerk nog onveranderd is, met de koningin aan het hoofd, is het gedragspatroon van de massa zeer veranderd. De rooms-katholieke kerk gaat er wel op vooruit. Dit is te verklaren uit de Ierse rooms-katholieken en de aantrekkingskracht van haar fundamentalisme en conservatisme. Hoewel er weinig kerkgangers meer zijn, zijn er ook maar weinig echte atheïsten. Een christelijke samenleving kan Engeland nauwelijks meer genoemd worden. De betekenis van de christelijke feestdagen zijn verloren gegaan. Er is ooit iemand geweest die bij het zien van een kerstkribbe in een grootwarenhuis, protesteerde dat het toch al te ver ging ‘ook bij een zo vrolijk feest als kerst nog godsdienst te pas te brengen’! Engeland is een ‘post-christelijke samenleving’. De grondtoon is agnostisch, zonder hevige betrokkenheid, ijver, noch vijandschap. Het is moeilijk uit te maken of de huidige situatie maar één van de vele fasen is in de slingerbeweging tussen scepsis en religieuze herleving dan wel of we voor een onomkeerbare seculaire trend staan.

Onderwijs, techniek en literatuur
Zoals in vele andere landen in Europa is de subsidiestroom naar het onderwijs in Engeland groot. In 1944 kwam nog driekwart van de mensen met de hoogste ambten van de public schools (dure privé-scholen). Bij velen bestond de oprechte overtuiging dat het land vanzelfsprekend door een elite moest worden geregeerd. Stormachtig was de transformatie van de universiteiten, vooral in de jaren 60. Dat alles op ordelijke wijze verliep, kan uitzonderlijk worden genoemd. In Engeland werden vele uitvindingen gedaan: penicilline (A. Fleming, 1928), radar (R. Watson-Watt, 1935), televisie (A.A. Campbell Swinton, 1908) en straalmotor (F. Whittles, 1930). Aldous Huxley kwam tot de cynische roman Brave New World (1932), waarin hij zijn angstige voorgevoelens van een verontmenselijkte technologische wereld uitte. George Orwell (pseudoniem van Eric Blair) schreef Animal Farm (1945) en Nineteen Eigty-Four (1949). Hij uitte scherpe kritiek op de sociaal-economische situatie, maar hij was ook kritisch tegenover het communisme, met haar totalitaire en dictatoriale tendensen. Ook beschreef hij de nachtmerrie van de totalitaire staat, waar iedereen bespioneerd, geterroriseerd en gemanipuleerd wordt door ‘Big Brother’. De Britten zijn in verhouding de grootste krantenlezers ter wereld. In de massaproductie van bladen komen kwalitatieve extremen voor, gaande van de oerdegelijke Times tot bladen die alleen opvallen door hun banaliteit. Één van de grootste realisaties van de Britse uitgeverij is de lancering van de paperbacks geweest. Daardoor is het boek, zowel het wetenschappelijke als het literaire, binnen het financiële bereik van de massa gekomen, voor wie boekenbezit voorheen een onbereikbare luxe was.

De IJzeren Dame: Margaret Thatcher
Thatcher was onafgebroken premier van 1979 tot 1989, waarmee ze een Brits record van de laatste 150 jaar vestigde. Haar opvolger en partijgenoot John Major moest in 1997 de macht afstaan aan Labour-leider Tony Blair, die het Verenigd Koninkrijk in korte tijd grondig van aanzien veranderde. De impact van Thatcher was zeer diepgaand. Het Britse bestel geeft de premier veel macht. De conservatieve verkiezingsoverwinning van 1979 kwam door de sociaal-economische malaise en het misnoegen van het publiek over de vele lange en harde stakingen. Iedereen dacht nog aan het huisvuil dat zich in de straten van Londen opstapelde. In 1982 won Engeland de Falklandoorlog tegen Argentinië. In 1984 ontsnapte Thatcher ternauwernood aan een grote bomaanslag van de IRA. Door haar standvastige optreden trokken de bonden hun conclusies en beëindigden hun stakingen. In 1984 kwam er groen licht voor de Kanaaltunnel. In 1985 veroordeelde de kerk de sociale politiek van de regering. De economie deed het goed onder Thatcher. De oppositie was verdeeld en kon dus geen vuist maken. Vooral de linkervleugel van Labour, geleid door Tony Blair, zorgde voor onrust.

De impact van de ‘Iron Lady’
Thatcher was een dochter uit de Noord-Engelse middenstand. Ze was een premier met een missie, een roeping. Ze zag zichzelf als redder des vaderlands. Volgens haar was het staatsgezag aangetast door de onverantwoorde macht die de vakbonden, met Labours medeplichtigheid, naar zich toe hadden gehaald. Zij wilde de macht van de staat herstellen. De Europese samenwerking was haar een doorn in het oog, want zij zag er een groeiend gevaar in voor de soevereiniteit van het legendarische parlement van Westminster. Ze zei wel een duidelijk ‘ja’ tegen de Europese gemeenschappelijke markt, omdat de exporterende Britse industrie die nodig had. Ze zei echter ‘nee’ tegen het gevreesde federalisme. Ze kwam met allerlei veto’s tegen Europese initiatieven. Ze kende een hechte vriendschap met de Amerikaanse president Ronald Reagan. Ze was ervan overtuigd dat het staatssocialisme nadelig voor haar land was geweest. Van invoering van minimumloon wilde ze niets weten. Ook moest er een strenge controle komen op de sociale uitkeringen. De rechtstreekse invloed van het volk zelf zoals in Zwitserland is on-Brits. Het referendum over de Britse toetreding tot de Europese Gemeenschap was een ongehoorde afwijking van het normale patroon. In 1979, toen het Lagerhuis de wederinvoering van de doodstraf verwierp, verklaarden verschillende Lagerhuisleden niet naar hun kiezers te hoeven luisteren, omdat zij het volle recht hadden de zaken anders te zien dan het volk.

Van John Major naar Tony Blair
Het jaar 1989 was een bewogen jaar voor de premier. Veel mensen vonden dat ze te lang regeerde, kabinetsleden accepteerden haar autoritaire stijl niet meer en haar Europscepsis werd door sommige ministers niet op prijs gesteld. Ze werd opgevolgd door John Major (dus niet na een verkiezingsnederlaag, maar na druk van binnenuit). Labour had intussen de oude klassenstrijd opgedoekt en de vrijemarkteconomie aanvaard, wat positief overkwam bij grote delen van de openbare opinie. Engeland bleef lid van de Europese Gemeenschap, zij het schoorvoetend en met allerlei voorbehoud. Major werkte enthousiast samen met Amerika in de operatie ‘Desert Storm’ in Koeweit. Het pond werd in 1992 uit het Europees monetair systeem gehaald. In 1994 overleed de pas verkozen leider van Labour, John Smith, op 56-jarige leeftijd. Hij werd opgevolgd door de 41-jarige jurist Tony Blair. Labour ontdeed zich verder van het 19e-eeuwse marxisme en schrapte de oude eis tot nationalisatie uit het programma.

De terugkeer van Labour
Na 18 jaar waren de conservatieven uitgeregeerd. De partij ging ten onder aan intern gekrakeel, vooral over de Europese Unie. In 1992 won John Major tot ieders verbazing de verkiezingen nog, maar tegen New Labour in 1997 kon hij niet op. Tony Blair veranderde de partij drastisch. De hardwerkende kiezers wilden de vruchten van hun arbeid niet zien wegstromen naar een overheid die hun zuurverdiende belastinggeld met gulle hand uitdeelde aan ‘feministen, homo’s, geldverkwisters en voorvechters van allerlei dubieuze doelen’, zoals Labour in het verleden had gedaan. Labour, dat het imago droeg al te laks te zijn tegenover misdadigers, beloofde een harde aanpak. In de oren van de harde linkervleugel van de partij klonk Blair als een ‘Thatcher zonder handtas’. Hij hamerde op individuele verantwoordelijkheid. Hij wilde een derde weg: geen onversneden kapitalisme en geen puur socialisme. In 1997 behaalde Labour een monsterzege: 418 zetels tegenover 165 voor de conservatieven. In Schotland en Wales werden de conservatieven zelfs helemaal van de kaart geveegd. Blair was de jongste premier in 185 jaar.

Voorzichtige veranderingen onder Blair
Het minimumloon werd ingevoerd, de rol van de vakbonden werd hersteld, maar niet hun oude privileges. Maar ook onder Labour bleef de kloof tussen rijk en arm zich verbreden. De regering-Blair gaf vaak de indruk meer met haar imago in de pers dan met het beleid bezig te zijn. Binnen de partij was er een broederstrijd tussen Blair en zijn minister van Financiën Gordon Brown, die graag zelf partijleider en premier was geworden. Hij werd dat pas midden 2007. Veeziektes woedden er onder Blairs bewind: BSE, MKZ en de varkenspest. Blair heeft de overweldigende parlementaire meerderheid niet gebruikt om de invoering van de Euro door te drukken. Vanaf 11 september 2001 was Blair een trouw maatje van George W. Bush in zijn wereldwijde strijd tegen het terrorisme. Voor zijn pro-Amerikaanse houding kon hij op steun rekenen van de conservatieven in het parlement.

Diepgaande hervormingen
De Labour-regering heeft Engeland in korte tijd diepgaand hervormd. Het kwam als een schok voor vele Britten, die hun ongeschreven grondwet als onveranderlijk waren gaan beschouwen na bijna een eeuw zonder substantiële aanpassingen. De staatsstructuur onderging de meest fundamentele ingreep in 300 jaar. Schotland en Wales kregen een eigen parlement en een eigen regering, gevestigd in Edinburgh en Cardiff. Voor Schotland was dit voor het eerst sinds 1707. Het House of Lords werd ook onder handen genomen. Hierin zaten nog steeds mensen die op basis van hun geboorterecht erin waren gekomen. In stappen moest dit verschijnsel verdwijnen. De Liberal Democrats worden steeds machtiger. Ze zijn de derde partij van Engeland.

Gepubliceerd in november 2007

Advertenties