Erasmus

n.a.v. Antoon Vloemans, Erasmus, Zeist 1962

Eerste moderne mens
Van weinig mensen weten we zoveel als van Erasmus en toch werden weinigen zo vaak verkeerd begrepen als hij. Hij was een man van de allerfijnste nuanceringen. Geen mens van zijn tijd is zo’n rechte weg gegaan, heeft zo te goeder trouw zijn ideaal gediend als hij. Hij was een ‘modern’ mens. Vaak wordt gezegd dat Erasmus ongetwijfeld wel enig goeds gewild heeft, maar dat hij faalde, omdat hij als mens en als leider tekort geschoten is. Erasmus beminde de vrede, maar was een strijder als geen. Dat is de grote tragiek van zijn leven geworden. Onzekerheid is er omtrent zijn geboortedatum: wanneer was dat? Niemand die het zeker weet. 1464 of 1466? Ook de plaats is niet met zekerheid bekend, mogelijk was het Gouda, maar verreweg het waarschijnlijkst Rotterdam. Vanwaar deze onbekendheid? Omdat op zijn geboorte de blaam van het ongeoorloofde rustte. Zijn vader was namelijk een priester. Om de schande van zijn geboorte te verbergen heeft Erasmus de feiten zo gerangschikt dat zijn geboorte nog vóór de priesterwijding van zijn vader viel.

De broeders van het gemene leven
Erasmus was trouwens niet het enige kind uit de onwettige verbinding van de Zuid-Hollandse pastoor. Erasmus werd door zijn vader naar de beroemde Latijnse school van de broeders van het gemene leven te Deventer gestuurd. Hier maakte hij al kennis met klassieke heidense schrijvers, maar ook met Augustinus. Toen zijn moeder stierf kwam hier een einde aan. Nu gingen hij en zijn broer in het klooster. In later jaren heeft Erasmus deze levensperiode bij voorkeur gedramatiseerd. In de eerste tijd heeft hij zich in het klooster heel tevreden gevoeld: hij aanvaardde het nieuwe leven en deed het weldra met overtuiging. Hier ontstond ook zijn eerste geschrift: De contemptu mundi, een verzaking van het wereldse leven. Het boek De imitatione Christi van Thomas à Kempis ligt vlakbij en het zou op zichzelf een studie waard zijn na te gaan of, en zo ja, in hoeverre er van invloed sprake was.

Banden van het klooster gaan knellen
Alle gebondenheid kan vrijheid heten, zolang de mens de banden niet voelt knellen. Deze vrijheid in gebondenheid heeft Erasmus in de eerste tijd volop genoten. In het klooster las Erasmus alles wat los en vast zat, vooral klassieken. De tucht in het klooster was niet zo streng. Toch was het kloosterleven niet voor hem bestemd. Hij ontwaakte en besefte gekooid te zijn. Maar er was geen weg terug. Helemaal niet toen hij in zijn 5e of 6e kloosterjaar tot priester werd gewijd. Het is een raadsel dat dit is gebeurd. Vervolgens vergezelde Erasmus de bisschop gedurende twee jaar bij diens vele reizen door zijn uitgebreide diocees. Erasmus was nooit een mysticus. Daarom waardeerde hij zijn leermeesters uit de school van de Broeders van het gemene leven zo weinig.

Een theologiestudie van 15 jaar
Na de bisschop vergezeld te hebben vertrekt Erasmus naar Parijs om zijn studie te gaan voltooien. In 1495 was dit. De theologiestudie daar was zeer zwaar. Onder gewone omstandigheden deed men er niet minder dan vijftien jaar over. Erasmus volbracht een deel van de studie, maar haalde dus niet de doctorsbul. Wat Erasmus wel leerde, was de scholastieke filosofie (als voorbereiding op de theologiestudie). Het diepe verval van het Middeleeuwse denken werd voor hem nu duidelijk. Het gematigde ‘realisme’ was ingeruild voor het ‘nominalisme’, waar men disputeerde en streed met subtiliteiten over termen zonder inhoud en vraagstukken zonder zin. Hij zegt in zijn kritiek: ‘Denk niet, dat wat ik zeg tegen de theologie zelf gericht is, die zoals gij weet, door mij altijd ijverig werd beoefend, maar als bespotting van de theologen van onze tijd.’

Een arme student
Een ondoofbare levenslust brak bij Erasmus los. Wel was hij arm. En de slechte kost die hij kreeg (rotte eieren!) hebben zijn gezondheid in korte tijd ondermijnd. Hoe moest hij in zijn levensonderhoud voorzien? Het zou een hele tijd moeilijk zijn. Talloze bedelbrieven zijn er door hem geschreven. Aan het hof van de bisschop was hij het goede leven gewend geraakt en ascetische neigingen heeft hij nimmer gekend; als hij leefde wilde hij liefst ruim en vrolijk leven! Maar hij was nu een arme student. In 1499 vertrok Erasmus voor een tijdje naar Engeland, in 1500 keerde hij terug naar het vasteland. Bij de douane werd hem al zijn goud afgenomen, wat verklaart dat Erasmus in de rest van zijn leven de Engelsen als roofzuchtige mensen zag.

Voortdurend op de vlucht voor de pest
Erasmus reisde zijn leven lang; hij is eigenlijk altijd op de vlucht geweest voor een of andere epidemie, die toen de West-Europese mensheid geselde. Mijdt de plaatsen, waar de plagen vallen, is altijd zijn levensleuze geweest. Zijn gehele leven is hij voor de pest op de vlucht gegaan! Zo was hij in 1500 in Parijs aan het werk, toen hij werd opgeschrikt door de uitbraak van de pest; hij vertrok meteen, en wel naar Orleans. Zijn vrienden lachten om zijn angst, maar Erasmus antwoordde zeer snedig, dat hij geen Zwitsers soldaat is, die om zijn dapperheid wordt gehuurd, maar een geleerde, die door zijn beroep niet tot heldhaftigheid verplicht is. Het pestgevaar was er vaak in de zomer, in de winter niet. Het was ook vooral in dichtbevolkte steden.

Toch nog doctor in de theologie
Erasmus kwam op veel plaatsen. In Nederland bezocht hij onder andere Haarlem, Dordrecht, Vlissingen, maar ook Leuven, Brussel en Antwerpen. In Doornik preekte op dat moment een Franciscaan, Johannes Vitrarius, een revolutionaire geest die op de misbruiken van de kerk wees en tegen de verdorven kloosterlingen, het immorele leven van de priesters en de misbruik van de aflaat preekte. Zijn woorden werden als ketters gebrandmerkte, hij moest herroepen. Het was de droom van iedere humanist boven de Alpen om eens het land der klassieken te bezoeken. Dit ging Erasmus nu ook doen, en tegelijkertijd promoveren in de godgeleerdheid te Turijn. De reis naar Italië was de weg naar de roem. In Florence (het kloppende hart van de Renaissance) kwam er bij hem een licht verzet, dat het geld van de armen aan dure praal werd verdaan.

Luther las Erasmus
Met een geschrift van Erasmus, Enchiridion militis christiani, was Luther grondig vertrouwd. Welke is de weg om de menselijke volmaaktheid te bereiken? Dat is de grote levensvraag van Erasmus. Van mystiek is bij hem geen spoor. In de Middeleeuwen was al het aardse op het hemels betrokken, bij Erasmus geeft het hemelse de leiding aan het aardse. Kerngedachte is dat in dit leven ook het aardse leven het primaire is. Toen Erasmus echter moest kiezen tussen een gezuiverd christendom en de traditionele kerkleer, koos hij laatstgenoemde. Aan werkelijke moed, een geestelijke dapperheid heeft het deze zwakke mens geen ogenblik in zijn leven ontbroken. Luther beschikte over het gebaar, Erasmus was wars van alle uiterlijk vertoon. Erasmus bestreed het bijgeloof van de verering van de heiligen, maar verandert dit in de ware verering van de heiliging door het navolgen van hun voorbeeldig leven.

Aanval op de Vulgaat
In 1505 voltooit Erasmus in Londen de meest revolutionaire daad van de 16e eeuw: een nieuwe vertaling van het Nieuwe Testament in het Latijn, zeer vrij van opvatting en woordkeus – een aanval dus op de Vulgaat. Hierna ging Erasmus dus naar Italië. Erasmus was een man van de wereld. Hij zocht altijd de steun van machtigen, die hij nodig had om te kunnen bestaan en voelde zich onder twijfel gevleid door de omgang met hoge en hoogste hoogwaardigheidsbekleders in de kerk. Erasmus kwam ook in Rome terecht. Toen in Engeland Hendrik VIII de troon besteeg, iemand die Erasmus persoonlijk kende, vertrok hij naar Engeland om eindelijk een onbezorgd bestaat te veroveren.

De Lof der Zotheid
Erasmus beminde het leven met de natuurlijke hartstocht. Wat voor anderen reden is tot altijd durende ergernis, was voor hem slechts een aanleiding tot spot, ternauwernood een enkele maal tot bittere ironie, onmiddellijk verzacht en verstild tot begrijpende humor. Erasmus stond hierin helemaal alleen in zijn tijd, die slechts uitersten duldde. ‘Laten we de wereld trachten te verbeteren en als het niet lukt, laten we dan ten minste om haar zotheid lachen’, zo zei Erasmus eens. In het huis van Thomas More te Londen schreef hij het boekje Lof der Zotheid. Hij sloeg dit boekje zelf nooit hoog aan; het was voor hem te zeer het kind van ‘verloren’ uren.

Zotheid maakt het leven dragelijk
Op de bodem van Erasmus’ redeneringen in dit geschrift ligt ongetwijfeld een grondslag van ernst, van lichte zwaarmoedigheid zelfs, al is de toonaard zelf nog zo overmoedig ingesteld. Erasmus had op zijn reizen veel gezien, hij kende nu de wereld in alle kringen van hoog tot laag; thans trekt hij de slotsom uit zijn levenservaring; de wereld is niet slecht, doch zij is evenmin goed; de mensheid is niet wijs, niet redelijk; zij beantwoordt in geen enkel opzicht aan het ideaal, zoals God het schiep en Christus voor de gevallen mens weer levend maakte en toch is zij niet van alle waarheid, van alle schoonheid en van alle edelmoedigheid ontbloot. Zij is een mengeling van aards en hemels, wijs en onwijs, goed en kwaad, vreugde en melancholie, van de meest onmogelijke tegenstellingen in ’t algemeen, dus van zotheid in één woord. ‘De zotheid alleen maakt het leven dragelijk’.

Niet zozeer christelijk
Weinigen hebben zoveel stoutmoedigheid aangedurfd als Erasmus in de tijd vóór Luther, die het schelden op de paus tot hervormers-tactiek heeft gemaakt. Vraagt men zich af of enig christelijk gevoelen zich in de Lof der Zotheid uitspreekt, dan kan het antwoord alleen ontkennend zijn; eerder doet het levensgevoel, waaruit dit werk geschreven werd, klassiek-heidens, met een zweem naar stoïcisme en epicurisme aan. Er schalt uit het boek een zo hartelijke lach, dat ook zij, die er door getroffen werden, zich een ogenblik ontwapend zullen hebben gevoeld. Wel vermeed Erasmus met zorg ook maar één dergenen, die hij aanviel, met name te noemen. Heilige huisjes hadden het moeten ontgelden. De Lof der Zotheid bleek onmiddellijk een overweldigend succes. Maar Erasmus bleef in geldnood zitten. Hij ging dan wel doceren om wat geld te verdienen, maar niet met graagte. Wel was hij overijverig in wat hij wel mooi vond: het Nieuwe Testament. Hier was hij vooral in Bazel mee bezig.

Tegen de paus
De Lof der Zotheid was niet zijn enige kritische geschrift. Hij schreef er nog één, Julius exclusus, veel scherper misschien nog. Hij handelt dan over de kortgeleden overleden paus, wie Erasmus in gedachten bij zijn hemelvaart gevolgd was tot voor de hemelpoort, waar Petrus hem niet als stadhouder van Christus wil erkennen, hem zijn bloeddorstigheid, wreedheid, oorlogszuchtigheid, zijn onwaardige leven in het algemeen verwijt en weigert voor hem de poort ter zaligheid te ontsluiten.

Zijn vriend Thomas More
Een aanbod om bij Karel V aan het hof te komen wees Erasmus af. Hij wilde niet in vergulde slavernij. Hij liet zich overigens over de opvoeding van vorsten weinig vleiend uit: ‘Zelfs in de jeugd leert hij niets anders, dan hoe de tiran te spelen’. In de Nederlanden verbleef Erasmus in de levensgevaarlijke tijd tot 1521, toen de strijd om Luther een hoogtepunt begon te bereiken. Zoals al gezegd, was Erasmus nog wel eens bij zijn vriend Thomas More. Deze schreef Utopia, waar hij in navolging van Plato droomt van een ideale staat met, zij het geen volstrekte gemeenschap van goederen, dan toch zeer beperkte eigendomsrechten; hij droomt van een land zonder armen, waar goud en juwelen versmaad zullen zijn. Bij Erasmus leefde het sociale gevoel niet zo. Hij voelde weinig voor sociale hervorming. Ook Luther dacht in maatschappelijke aangelegenheden volstrekt reactionair. Pas met de Franse Revolutie zou dit echt doorbreken.

Erasmus was een radicale pacifist
Erasmus is een pionier als het om pacifisme gaat. Hij ziet in zijn tijd dat iedereen oorlog maar aanvaard, en dat niemand strijdt tegen de oorzaken ervan. Velen zagen oorlog als een, zij het ook gevaarlijk, spel en velen liepen liever een geschonden huid op in een paar weken vechten dan alle dagen te werken. Oorlog was volgens Erasmus onder alle omstandigheden moord en graag herhaalde hij de woorden van Cicero, dat een onrechtvaardige vrede beter is dan de allerbeste oorlog. Zelfs was hij tegen de oorlog tegen de Turken. Oorlog, waarvoor herhaaldelijk het geld van de armsten werd opgevraagd, kon hem gewoon niet bekoren. Erasmus pleit met welsprekendheid voor het beslechten van geschillen door onpartijdige bemiddeling. Hij zag de paus als zo’n bemiddelaar, wat in die tijd eigenlijk best goed had gekund. Hugo de Groot zou later verklaren dat Erasmus met zijn pacifistische denkbeelden te ver was gegaan.

Dapper met het woord, laf in zijn daad
Erasmus is ook een republikein. Hij heeft van zijn eigen vorsten weinig goeds gezegd. ‘De arend is een evenbeeld van de koning, want (…) hij is een vleeseter, een rover, een vernietiger, eenzaam is hij gehaat door alleen, de pest voor allen’. Erasmus was een vechter als geen ander, doch zijn strijd gold altijd de beginselen, nimmer de personen. Was Erasmus echter maar even dapper met de daad als met het woord geweest! De ‘daad’ van Luther, het breken met de paus, vervreemdde Erasmus van de Reformatie, die hem toch zo na aan het hart lag; de ‘daad’ van de boerenopstand in 1525 wekte zijn afschuw, hoewel hij wist hoezeer de landbevolking werd uitgezogen en gekweld.

Terug naar de bronnen
De jaren van studie hadden in Erasmus het inzicht doen rijpen, dat een loutering van de christelijke leer hoog nodig was en alleen kon worden tot stand gebracht door een vernieuwde studie van de theologie op de grondslag van de kennis van de oorspronkelijke bijbeltalen: Hebreeuws en Grieks. Tijdens de gehele Middeleeuwen had de kerk genoeg gehad aan de Latijnse vertáling van de Bijbel! Hun theologische stelsels waren ook gebouwd op de Vulgata. Maar Erasmus zei: ‘Terug naar de bronnen!’ Erasmus werd de meest gelezen auteur van zijn tijd. Zijn woord had autoriteit gekregen. Hij voltooide de nieuwe uitgave van het Nieuwe Testament, wier eerste uitgave de naam Novum Instrumentum werd genoemd, wat aanstoot had gegeven. In 1519 kwam deze tweede uitgave uit, ditmaal in de oertekst, verbonden met een vertaling in het Latijn. Het was deze uitgave, en dus ook deze stoutmoedige vertaling, die Luther in handen kreeg en waarnaar hij op de Wartburg zijn Duitse Bijbel maakte.

Eerste tekstcriticus
Dit werk was in Erasmus’ leven de grote daad. Erasmus vergeleek verschillende handschriften om de juiste tekst van het Nieuwe Testament te kunnen vaststellen. Op dit gebied was nog nauwelijks iemand hem voorgegaan. Hij maakte wel de onvergeeflijke fout door de laatste zes verzen van Openbaring, die hij in geen enkel Grieks handschrift kon vinden, vanuit het Latijn in het Grieks vertaalde in vrij tamme bewoordingen. Dit was een zeer zonderlinge daad van Erasmus. Wat Erasmus wegliet was 1 Joh. 5:7, de tekst over de drie-eenheid. Zo kon het gebeuren dat dit vers ook in de Lutherbijbel niet voorkwam, maar dat is later verbeterd. Erasmus twijfelde ook aan de laatste twaalf verzen van Markus en aan het verhaal van de overspelige vrouw in Joh. 8. Verder veranderde hij de vertaling ‘boete doen’ in Matth. 3:2 in ‘berouw hebben’, een zeer ingrijpende verandering voor de kerk van die dagen! Erasmus vertaalde terecht met ad mentem redite, keer in tot uzelf. Nu hoefde er slechts een ‘dolleman’ langs te komen die het vuur in de buskruit wierp, om de catastrofe te laten gebeuren. Want het inzicht, voortspruitend uit deze juistere vertaling, deed voor Luther het grote licht opgaan over zijn levensweg!

Erasmus bereidde de Reformatie voor
Zo heeft Erasmus de baan helpen breken voor de theologie van de Reformatie. ‘Erasmus legde het ei, dat Luther heeft uitgebroed’. Of: Erasmus plantte de boom der ketterij, die Luther bewaterde. Maar wel moeten we bedenken dat Erasmus’ kritiek in een tijd werd geuit toen het nog geoorloofd was. Erasmus heeft later van zichzelf herhaaldelijk getuigd, dat hij nooit zou geschreven hebben wat hij schreef, als hij geweten had, welke tragedies zouden volgen. Wat hij schreef, achtte hij uitsluitend bestemd voor de elite. Dat er een tijd zou komen, waarin men elkaar ter wille van één godsdienstige letter de schedels zou klieven, had Erasmus niet kunnen vermoeden en hij had daarin gelijk.

Sympathie voor Luther
Erasmus is katholiek gebleven, steeds weer. Maar zijn hele houding sprak van onverholen sympathie voor het streven van Luther. Hij voelde zich geroepen met zijn persoonlijk aanzien Luther te beschermen, toen deze nog klein en onmachtig was, omdat hij oordeelde, dat in de bedoelingen van deze monnik zeer veel goeds en prijzenswaardigs was. De 95 stellingen van Luther kwamen spoedig in handen van Erasmus en hij vond ze belangrijk genoeg om ze door te sturen naar zijn Engelse vrienden. Erasmus ging dus met de aanvankelijke bedoeling van de Reformatie mee. Aan Luther schreef hij omtrent deze tijd (30 mei 1519): ‘Gij zult niet geloven, wat een beroering uw boeken hier te weeg brengen (te Leuven). De lieden hier kunnen niet van de gedachte worden afgebracht, dat uw geschriften met mijn hulp opgesteld zijn.’ Deze brief werd wereldkundig gemaakt, zeer tot ongenoegen van Erasmus, die zijn naam niet in theologische twisten gemengd wilde zien.

Geslingerd tussen twee partijen
Zowel in het oude als in het nieuwe was er veel, dat hem dierbaar was. Erasmus minachtte echter Luthers grove manier van doen en zijn onbezonnen, felle en nietsontziende woorden. Erasmus kon in Luther een medestrijder zien, die enkele al te hete kastanjes voor hem uit het vuur kon halen. Te handelen liet Erasmus liever aan mensen met sterker zenuwen dan hij bezat: ‘Ik ben niet geboren om martelaar te zijn’. Naar beide zijden werd Erasmus getrokken, want allen hoopten op zijn machtige steun; door beide partijen werd hij ook gewantrouwd. Maar Erasmus liet zich niet dwingen zichzelf, de idealen van zijn leven te verloochenen. Hij deed het niet, hij bleef zichzelf trouw. Daarmee vangt de meest dramatische periode van zijn leven aan.

Boven het strijdgewoel
Tijdgenoten hebben Erasmus met woordenwierook verafgood. Een zeer luidruchtige humanistenschaar vereerde hem als een god. Maar ook pausen en prelaten dongen naar de gunst van deze onafhankelijke mens. Zijn bitterste vijanden waren ongetwijfeld de bedelmonniken. Zij vertegenwoordigden een macht, daar zij over geheel Europa alle universiteiten beheersten. De Dominicanen (domini canes = de honden Gods, zoals Erasmus hun naam interpreteerde) verketterden hem naar hartelust. De pausen wisten wat ze aan Erasmus hadden en waren reeds tevreden, dat hij zich niet tégen hen verklaarde. Partij-kiezen heeft Erasmus vermeden. Hij zocht zijn standplaats boven het strijdgewoel, doch bereikte daardoor alleen, dat alle strijd zich tegen hem keerde, want toen gold de leuze: wie niet voor ons is, is tegen ons. Erasmus was voor de vrede geboren en naar vrede strevend, maar juist door dit te doen werd hij van alle zijden in de strijd verwikkeld. Dat is de grote tragiek van zijn leven geweest.

Erasmus blijft onafhankelijk
Van roomse zijde wilde men dat Erasmus de pen zou opnemen tegen Luther, maar dat vermeed hij angstvallig. Erasmus legde het ei, dat Luther uitgebroed heeft, zo zei men wel. De Wittenbergers juichten over de hulp, die hun niet onverhoopt en toch onverwacht van de zijde van de machtige humanist Erasmus ten deel viel. Erasmus dacht nog lange tijd dat hij zou kunnen bemiddelen tussen beide partijen, een vergeefse hoop. Wat had Luther misdaan? Erasmus zei: ‘Niets anders, dan dat hij de paus naar de kroon en de monniken naar de buik gegrepen had…’ Van roomse zijde kwam men steeds meer tot de ontdekking welk een machtig vijand Erasmus was. De gulden regel van diplomaten was: men moet degenen die men niet kan vernietigen tot bondgenoot proberen te maken. Bij Erasmus lukte dit niet. Hij bleef onafhankelijk.

Erasmus is teleurgesteld in Luther
Nadat Luther zijn heftigste pamflet De Babylonische Gevangenschap had gepubliceerd, was Erasmus teleurgesteld. De zaak van de Reformatie vervulde hem thans met zorg. Hij maakt zich van de Reformatie los met een bloedend hart. Maar toch zei hij ook: ‘We mogen ons niet laten meeslepen door de haat tegen Luthers slechte geschriften, opdat wij niet de vrucht zouden verliezen van zijn goede’. Erasmus verliet de Nederlanden in 1521, omwille van zijn veiligheid. Vooral toen een ketter te Antwerpen gegrepen werd, die bij zijn verhoor de naam van Erasmus in zijn zaak betrok. In november 1521 arriveerde Erasmus in Bazel. Erasmus kende een enorme correspondentie. Op Erasmus’ leven zou nooit iets aan te merken zijn.

Humor en ernst samen
Wars van dogmatiek ondermijnde Erasmus het bijgeloof van zijn tijd met de scherpe wapens van zijn geestige ironie. Ernst en luim liggen bij Erasmus zo dicht bij elkaar dat hij nooit zijn tegenstanders heeft kunnen begrijpen die van zijn geschriften alleen de dodelijke ernst wilde laten gelden. Naar aanleiding hiervan zegt Antoon Vloemans: ‘Men kan bij wijze van proef op de som, het begrip humor op de figuur van Calvijn toepassen!’ Wat uiterlijkheden betreft, wat de ceremoniën, de biecht, de aflaat, de heiligen- en relikwieënverering en zo meer aangaat, stemde Erasmus met Luther overeen. ‘Mijn geest is christelijk (katholiek), doch mijn maag is luthers’, zo schijnt hij eens gezegd te hebben.

Erasmus kreeg nooit bescherming
Luther kon verzekerd zijn van de steun van Frederik van Saksen. Zulk een veilige ruggesteun heeft Erasmus nooit gehad. Men kan de feiten ook zo zien, dat Luther zich mee liet slepen door de ontketende massabeweging naar een doel, dat hij zich aanvankelijk niet gesteld had, terwijl Erasmus, in zijn grootheid, sterk genoeg was zich aan geen enkele massa-waan over te leveren. Met het oog op dit gevaar was Erasmus’ toestand in deze jaren allesbehalve benijdenswaardig en verre van veilig. Terwijl hij innerlijk steeds meer van Luther en de evangelische beweging vervreemdde, werd hij van katholieke zijde steeds heftiger geprest onomwonden kleur te bekennen. Men duldde zijn onafhankelijke houding niet.

Erasmus maakt geen front tegen Luther
Zo was Erasmus steeds bezig om enerzijds aan te tonen, dat hij een trouw zoon van de kerk was, maar anderzijds dat Luther niet helemaal ongelijk had, dat men van kerkelijke zijde Luther wel heeft aangevallen, doch nog nimmer heeft weerlegd! Toen in 1523 de Nederlander Adriaan VI paus werd, verwachtte Erasmus weinig. Hij kende hem uit Leuven, hij was een man van de oude stempel. Ook hij trachtte Erasmus te bewegen om een front te maken tegen Luther. Maar door de hoogheid en onaantastbaarheid van zijn karakter gaf Erasmus hier geen gehoor aan. Hij weigert goedkope lauweren te oogsten op kosten van Luther. Maar Luther van zijn kant was teleurgesteld over de besluiteloze houding van Erasmus. Erasmus zegt nog maar eens: ‘Ik heb het nooit gewaagd Luthers geest te beoordelen, maar dikwijls heb ik gevreesd, dat het vertoon van zoveel verwaandheid en kijflust de zaak van het Evangelie kwaad zou doen. Ik wenste, bij God, dat hij beminnelijker ware…’

Erasmus schrijft aan Zwingli: ik leer hetzelfde als Luther
Aan Zwingli schreef Erasmus: ‘Ik schijn vrijwel hetzelfde te leren als Luther, alleen zonder oproerigheid en zonder paradoxen’. Er werd wel gezegd: Erasmus plantte, Luther bewaterde, doch de duivel gaf de groei. Erasmus voelde in de groei van de Reformatie een stuk van zijn eigen leven beaamd; het was zijn ‘onecht kind’: hij kon het niet erkennen, doch evenmin verloochenen. De Reformatie groeide wonderlijk snel in de eerste periode. Erasmus schaart zich aan geen van beide kanten, maar toch verliest hij niet, want hij bezit een geheim en moordend wapen: de spot. Een vriend van Erasmus werd in 1529 op de brandstapel gezet. Erasmus besefte dat hij hierin ook gestraft werd. Katholiek is Erasmus altijd gebleven, maar toch is hij nooit katholiek gewéést. Hij heeft veel van zijn eigen verleden moeten verloochenen om werkelijk bondgenoot van de rooms-katholieken te kunnen zijn.

Erasmus’ gehechtheid aan de rede
Erasmus was, in tegenstelling tot Luther, te zeer filosoof, te zeer geschoold aan het levensideaal van de klassieken en in het bijzonder van de Stoïcijnen om het redelijke geheel op te offeren aan het geloof, zoals Luther deed. Vroeger had Erasmus nog getwijfeld aan de waarde van ceremoniën en sacramenten. Ook hield hij het vasten niet. Erasmus was geen bewonderaar van het pausdom. Wat Erasmus wel voor elkaar kreeg, was dat katholieke schrijvers afscheid namen van hun scholastieke stijl en ze het klassieke Latijn gingen gebruiken; anders hadden ze volgens Erasmus geen kans tegen de nieuwlichters. Dit was een triomf voor Erasmus, die zijn leven lang het scholastiek Latijn, misvormd en misbruikt tot spitsvondigheid, had bespot en bestreden.

Veroordeling na zijn dood
Met het concilie van Trente (1545-1563) kwam er een einde aan de tot dan toe beperkte vrijheid in dogmatische aangelegenheden. Voortaan zou de minste afwijking ketterij zijn. Zo moest Erasmus het ten slotte, na zijn dood, toch nog ontgelden! Trente verklaarde Erasmus voor ketters schrijver. Zijn boeken werden officieel door de kerk verboden. Hij was nu dus dood voor de kerk, die hem amper een kwart eeuw te voren de kardinaalshoed had aangeboden! Later op het concilie werd iets van dit besluit teruggedraaid; het hief het algemeen verbod weer op, met uitzondering van enkele geschriften waaronder De Lof der Zotheid. Erasmus stond dus weer alleen. Zijn aanhangers waren de kleine, stille groepen, die zich later als Doopsgezinden en Remonstranten tot gemeenten hebben gevormd.

Erasmus bestreed de dogmatiek
Erasmus heeft het verderf in de kerk aangevallen om haar te verbeteren, niet om haar af te vallen. ‘Ik ben een beminnaar van de vrijheid en nooit of nimmer zal ik enige partij dienen’. Maar is Erasmus zichzelf dan toch ontrouw geworden, heeft hij dan toch partij gekozen tégen Luther, en dus vóór de paus? Dit zien we in de discussie rondom de vrije wil. Aanvankelijk scheen tussen Erasmus en Luther geen ander verschil te bestaan, dan dat zij met verschillende methoden eenzelfde doel poogden te verwezenlijken. Erasmus heeft niet geschreven tegen de hervormer, maar tegen de dogmaticus Luther. In de levensopvatting van Erasmus was het dogma waardeloos. Te voren had hij de traditionele dogmatiek bestreden, thans bestrijdt hij die van Luther. Volgens Erasmus bestaat de verdienste van de mens niet in het volbrengen van kerkelijke plichten, maar in deugdzaamheid in het dagelijkse leven: ware vroomheid bestaat in het doen van de plicht. Hij geloofde in een barmhartig God, die de mensen liefheeft en enkel straft zoals een vader straft, met bloedend hart, zodat de mens als tot een Vader steeds berouwvol kan terugkeren om in genade te worden aangenomen.

Over de vrije wil
De gedachte dat het geloof alléén zalig maakt, was in Erasmus’ ogen een uitzinnige gedachte. Wanneer de mens uit zichzelf niets vermag, dan is vrijheid, en dus ook vrijheid van de wil, tot een nietszeggend woord geworden. Erasmus greep nu naar de pen om het genade-dogma de genadestoot te geven. Hij schreef De libero arbitrio diatribe (verhandeling over de vrije wil) met een bezwaard gemoed. Hij wist dat hij zich daarmee schaarde aan de zijde van lieden, wier bondgenoot hij toch nimmer zou kunnen zijn. Het grote nieuws verspreidde zich razendsnel: een geschrift van Erasmus tegen Luther in aantocht! De katholieken jubelden, de hervormingsgezinden schrokken, dat Erasmus juist op dit beslissend moment tegen de Reformatie optrok.

Een hoffelijke aanval
De Diatribe was gereed en ging ter perse; zo snel werd zij verspreid, dat men niet eens met zekerheid weet, waar en bij welke drukker zij het eerst verscheen. Erasmus wist dat hij met dit geschrift geen nieuwe vrienden, alleen nieuwe vijanden zou winnen. Des te meer was het een dáád. Ondanks dit geschrift was er aan Erasmus’ denkbeelden niets veranderd, aan geen partij wilde hij zich binden, bóven iedere partij wilde hij blijven. Hierin is de geschiedschrijving wellicht tekort gekomen. Erasmus blééf weer een onafhankelijk persoon. De Diatribe was een aanval, maar toch is de toon volkomen hoffelijk. Het is een meesterwerk van polemiek, een voorbeeld voor alle tijden. Hij zegt dat hij slechts een vlieg is, vergeleken met de olifant Luther. Zowel voor Erasmus als voor Luther is de Bijbel hoogste, ja enige autoriteit. Luther beroept zich op Geestesbezit.

Pro en contra Bijbelteksten afwegen
De methode van Erasmus was om de ‘schijnbare’ tegenstellingen in de Bijbel te overbruggen, door pro en contra eerlijk tegenover elkaar af te wegen. Bij Luther was het vaak een enkele tekst van waaruit hij theologiseerde. Wat verstaat Erasmus onder vrijheid van de wil? ‘Die kracht van de menselijke wil, die het de mens mogelijk maakt zich naar datgene te richten, wat hem tot de eeuwige zaligheid leiden zal, of daarvan af te wijken’. Waarom verhindert God de slechte handeling niet, want ook dát immers ligt op het gebied van Zijn almacht? Erasmus weet het antwoord niet. Hier stuit het menselijk denken op beperkingen, die het niet overschrijden kan. Erasmus gebruikt het volgende beeld om de samenwerking tussen vrijheid en genade uit te drukken:

Een kindje dat nauwelijks lopen kan, wordt door de vader een appel getoond, het wil er heen, doch het zou vallen en zijn doel niet bereiken, wanneer het niet door de hand van de vader werd gesteund.

Melanchthon niet boos, Luther ook niet?
Alleen de vrije wil, zij het ook een zwakke, desnoods onmachtige, kan om hulp verzoeken. Luther heeft volgens Erasmus één enkel woord van Paulus op de spits gedreven. Toen het boek verschenen was, voelde Erasmus zich gedrongen zich tegenover Melanchthon te verontschuldigen, dat hij de godsvrede verbroken had. Hij had steeds gehoopt dat Luther zijn wildheid zou matigen. Het was een schrijven naar Melanchthons hart. Hij gaf in een brief te kennen dat Erasmus ridderlijk in het strijdperk was getreden, en dat hij steeds gewenst had, dat Luther zich over deze kwestie voorzichtiger zou hebben uitgelaten. Aan Erasmus zelf zond Melanchthon een vriendelijk en waarderend gesteld schrijven, dat tevens de mededeling bevatte, dat Luther niet gegriefd was en dat dus ook zijn antwoord wel gematigd zou uitvallen. Maar hoe grondig vergiste Melanchthon zich! Hoewel Luther inmiddels getrouwd was (en heeft nu wel wat anders te doen, meende Erasmus ironisch), was Luther woest van toorn, vooral de bewering van Erasmus dat vele teksten in de Bijbel elkaar tegenspreken. Tegenover Erasmus’ vrije wil stelt Luther, als met een donderslag uit heldere hemel, zijn geknechte wil. Zijn tegengeschrift draagt de titel De servo arbitrio.

Luther: mens als een ezel
Luther spreekt hierin de beroemde woorden: ‘De menselijke wil is als een lastdier. Als God het bestijgt, wenst het en gaat het gelijk God het wil en bestijgt satan het, dan wenst en gaat het, gelijk satan het wil.’ Twee wereld- en levensbeschouwingen waren op elkaar gebotst. Met grote vertraging kreeg Erasmus dit geschrift in handen. De indruk van dit boek moet verpletterend zijn geweest, zij het niet in die zin, zoals Luther het gehoopt had… Erasmus werd uitgescholden voor een atheïst. Erasmus voelde zich tot in het diepst van zijn ziel verwond. Onmiddellijk greep hij naar de pen. In tien dagen schreef hij zijn antwoord: Hyperaspistes. De persen draaiden met zes tegelijk om de vaart van zijn pen te kunnen bijhouden! Ditmaal heeft ook Erasmus zich niet kunnen weerhouden persoonlijk te zijn en de mens Luther in het geding te betrekken.

Openlijke afkeer van de Reformatie
Erasmus zegt nu eindelijk openlijk, dat hij zich van de Reformatie afkeert, omdat de persoon van Luther hem in de weg staat. Hij laadt de schuld van het vreselijke bloedbad van de Boerenoorlog op het geweten van de Wittenberger. Erasmus gaf duidelijk te kennen, dat de breuk nu voltrokken was. Luther antwoordde in zoveel mogelijk verzoenende zin. Deze brief is echter verloren gegaan, maar uit Erasmus’ antwoord blijkt duidelijk dat Luther de verontwaardiging over zijn geschrift bij zijn tegenstander wilde sussen. Erasmus zegt: ‘Diep doet het mij leed, dat uw verwaande, verwaten en opstandige natuur de wereld in opstand heeft gebracht. Werkelijk, ik zou u een ander karakter toewensen.’ Erasmus kreeg steun van keizer Karel V, maar hij voelde zich niet gelukkig hiermee. In het diepst van zijn hart bleef hij de schrijning voelen van de breuk met iets, dat eenmaal tot zijn eigen ideaal had behoord. Hij was zich bewust dat ‘terwijl ik tegen Luther vecht, ik diegenen help, die liever mij vernietigd zouden willen zien dan Luther zelf’.

Zwingli als leerling van Erasmus
Luther heeft niet meer op Erasmus’ Hyperaspistes geantwoord, hij voelde zich sterk genoeg om zijn tegenstander het laatste woord in deze twist te laten. In het vervolg zou Luther zelden Erasmus’ naam schrijven zonder er ‘atheïst’ aan toe te voegen. Luther was ondertussen ‘wild geworden van machtsbesef en reeds lang vergeten, dat hij eenmaal verdraagzaamheid had voorgestaan, indertijd toen hij die verdraagzaamheid zelf nodig had’, aldus Antoon Vloemans. Luther zegt ergens: ‘Erasmus dient gehaat te worden; ik vermaan u allen hem te beschouwen als de gevaarlijkste vijand van God’. Hoe anders was Zwingli. Hij beroemde zich erop een leerling van Erasmus te zijn. Van hem had hij geleerd dat niet de kerk maar Christus alleen de middelaar is tussen God en mensen. Groot was zijn enthousiasme en mateloos zijn lof voor Erasmus, toen hij diens uitgave van het Nieuwe Testament bestudeerde. Doch later kwam hij sterker onder de indruk van Luthers daad en begon hijzelf in Zürich met een hervorming van eigen maaksel. Zozeer herkende Erasmus zichzelf in de geschriften van de Zwitser, dat hij bij een bepaalde gelegenheid zei: ‘O, Zwingli, wat schrijft gij, wat ik niet reeds tevoren geschreven heb!’ Maar ook tussen Zwingli en Erasmus kwam het tot een breuk.

Weg uit Bazel
Erasmus vertoefde in Bazel als onafhankelijk geleerde. Erasmus was van oordeel dat ook de boeken van Luther moeten worden toegelaten, tenminste die, welke gematigd van toon zijn. In zijn satirische geschriften was Erasmus vaak luchthartig omgesprongen met de ceremoniën van de kerk. Nu echter een bloedige ernst zich bij de hervormers van deze bijkomstigheid meester maakt, wordt de eigenlijke zin van Erasmus’ kritiek duidelijk, waar hij verklaart dat zulke ceremonieën behouden kunnen worden uit eerbied voor de traditie. Maar boven alles steekt zijn voorstel uit, dat zowel de katholieke als de reformatorische eredienst in de stad moet toegelaten worden (pas na vier eeuwen zou deze toen barre onmogelijkheid mogelijk worden). In Bazel kwam onder leiding van Oecolampadius een hervorming tot stand. In 1528 vond er een beeldenstorm plaats. Oecolampadius was geen vijand van hem, maar een vriend was het ook niet meer. Erasmus vertrok met pijn in zijn hart uit Bazel om naar Freiburg te gaan.

Erasmus’ heengaan
Tragisch voor Erasmus was dat hij, na wat Luther hem had aangedaan, ook steeds weer moest horen dat hij tot diens partij werd gerekend. Martin Bucer schreef dat Erasmus op grond van zijn verleden niets anders dan protestant kon zijn en dus mee diende te helpen aan het welslagen van de Reformatie. Erasmus’ vriend Thomas More vond in Engeland de martelaarsdood. Freiburg was geen rustplaats van Erasmus geweest. Het geschreeuw van de monniken en van de theologen verdreef hem uit die stad. Minder dan in een protestantse omgeving voelde Erasmus zich blijkbaar in katholieke kringen thuis. In 1535 kwam hij weer in Bazel aan. Wij weten niet wat Erasmus naar het protestantse Bazel terugdreef, misschien was het slechts een doorgangspunt om verder te trekken. Erasmus stierf hier echter, op 12 juli 1536. Zijn laatste woorden waren: ‘Lieve God’. Het laatste raadsel van zijn leven is waarom hij stierf zonder bijstand van een priester, zonder bediend te zijn van de sacramenten der stervenden. In Bazel bleven immers priesters beschikbaar. Zo ligt ook de slagschaduw van de godsdiensttwisten op het levenseinde van deze man.

Gepubliceerd in maart 2008