Geloven in Amerika

n.a.v. Reinder Bruinsma, Geloven in Amerika. Kerken, geschiedenis en geloof van christenen in de Verenigde Staten, Zoetermeer 1998

Gelovig en goddeloos
Er zijn slechts weinig landen op de aarde waar het christelijk geloof zo’n grote rol speelt als in Amerika. Maar tegelijkertijd is de Amerikaanse maatschappij in veel opzichten gewelddadiger, harder, meedogenlozer en intoleranter dan enig ander westers land. Hoe is het te verklaren dat een zo ‘gelovig’ land tegelijk zo ‘goddeloos’ kan zijn? Amerikanen praten openlijk over hun geloof en zelfs presidenten schamen zich er niet voor zich ‘wedergeboren’ te noemen. Terwijl praten over wat we geloven voor ons West-Europeanen één van de laatste taboes schijnt te zijn. Hoe komt het dat, terwijl in Europa geloof en politiek steeds meer gescheiden wegen gaan, in Amerika christelijk rechts – bij alle gepraat over scheiding tussen kerk en staat – zo’n enorme invloed heeft gekregen?

Tegenstelling
Het steenrijke Amerika kent ook ongekende armoede. Het land slaagt er niet in het vuurwapenbezit onder zijn burgers in de hand te houden en de tienduizenden moorden die jaarlijks plaatsvinden te voorkomen. Wat nog het meest opvalt is dat de keiharde zakelijkheid van een kapitalistische maatschappij waarin geld en bezit de absolute hoofdrol spelen, kennelijk gecombineerd kan worden met een van het christendom doordrenkte cultuur en een bloeiend kerkelijk leven zoals in geen enkel ander westers land nog te vinden is. Alexis de Tocqueville verbaasde zich in 1831 al over de vele kerken en de intensiteit van het kerkelijk leven die hij in Amerika aantrof. Waarschijnlijk is er, mogelijk met uitzondering van India, geen land ter wereld waar de bevolking zo godsdienst is als in Amerika.

Geen bevoorrechte kerk
95 procent gelooft in God, 65 procent beschouwt zichzelf als godsdienstig, 34 procent noemt zich ‘wedergeboren christen’. Er zijn maar weinig Amerikanen die geen waarde aan de Bijbel hechten. Bijna de helft gaat er zelfs vanuit dat de Bijbel tot in alle details betrouwbaar is. In Amerika zegt minder dan acht procent dat zij niet tot een kerk of godsdienstige groepering behoren. Bijna de helft van alle Amerikanen gaat minstens eens per week naar de kerk. Amerika telt ruim 1200 kerken en sekten. Het grote verschil met Europa dat onmiddellijk opvalt is dat Amerika geen nationale kerk of staatskerk kent. Er zijn regionale verschillen, maar vrijwel nergens is een bepaalde kerkelijke variant geheel dominant.


Opmars rooms-katholieken
Twee uit Europa afkomstige groeperingen (baptisten en methodisten) bleken in Amerika een veel vruchtbaardere voedingsbodem te vinden dan in de Oude Wereld het geval was en overvleugelden daar dikwijls de historische protestantse kerken. De miljoenen katholieke immigranten zorgden er in belangrijke mate voor dat de rooms-katholieke kerk van een kleine minderheid van nauwelijks 50.000 leden in 1800 uitgroeide tot de grootste Amerikaanse kerk waartoe nu zo’n 60 miljoen Amerikanen behoren. In de 19e eeuw kwamen er gloednieuwe bewegingen in Amerika op en in de 20e eeuw heeft de rijkgeschakeerde pinkstertraditie het kerkelijk aanbod aanzienlijk verbreed.

De Bible Belt
Katholieken maken in de staat Massachusetts 43 procent van de bevolking uit, terwijl dit aantal in sommige zuidoostelijke staten nog geen vijf procent is. De meer fundamentalistische protestantse kerken hebben een veel grotere aanhang in de zogenaamde Bible Belt (de zuidelijke staten) dan in andere regio’s. Veel nieuwe religies wisten vooral wortel te schieten in Californië. Er zijn ook etnische verschillen. Zwarte Amerikanen zijn bijvoorbeeld ondervertegenwoordigd in de rooms-katholieke kerk. In de Episcopaalse Kerk en onder de unitariërs treffen we veel meer mensen met een academische opleiding en hogere maatschappelijke functie aan dan in pinksterkerken.

Modaliteiten in alle kerken
Het behoren tot een bepaald kerkgenootschap geeft nog niet nauwkeurig aan welke theologische denkbeelden men erop nahoudt. Dwars door de meeste kerken heen lopen de muren tussen de verschillende modaliteiten en bijna alle kerken hebben een meer vrijzinnige en meer behoudende vleugel. Vrijzinnigen worden in Amerika liberals genoemd, wat steeds meer een scheldwoord is geworden. Ruim 55 procent van alle christenen is lid van slechts dertig kerkgenootschappen. Ongeveer een kwart van de bevolking is katholiek, 65 procent protestants.


De puriteinse traditie: congregationalisten
Het puritanisme was geen kerk, maar een stroming binnen de Engelse staatskerk. Sommigen scheidden zich af en vormden de non-conformistische kerken. De congregationalisten vormden de belangrijkste christelijke traditie in het koloniale Nieuw-Engeland en beïnvloedden de Amerikaanse geest op een wijze die niet in verhouding stond tot de betrekkelijk geringe omvang van de kerkgemeenschap die uiteindelijk ontstond. Men gaat uit van de plaatselijke gemeente. Hoewel van oorsprong behoudend in theologische opvattingen, kwamen ze geleidelijk aan in steeds vrijzinniger vaarwater terecht. Samen met drie andere, kleinere kerkgenootschappen die een min of meer gelijksoortige ontwikkeling hadden doorgemaakt, vormden de congregationalisten in 1957 de United Church of Christ, die nu nog maar 1,5 miljoen leden telt.

Baptisten
Een veel groter segment van de puriteinse traditie wordt tegenwoordig gevormd door de baptisten. Hoewel ze versplinterd zijn over minstens 32 verschillende kerkgenootschappen, is het totaal aantal baptisten ongeveer 29 miljoen. Let wel, dit zijn volwassen leden, die gedoopt zijn. De grootste baptistische groep is de Southern Baptist Convention, met ongeveer 15 miljoen leden. De meest orthodoxe en exclusieve groep baptisten zijn de Primitive Baptists (72.000 leden). Een deel van de baptisten is de oorspronkelijke calvinistische opvattingen trouwe gebleven, maar voor veel baptisten was de uitverkiezingsleer – ook in zijn mildere vormen – onaanvaardbaar. De Free-will Baptists (210.000 leden) benadrukken de vrije wil. De Zevende Dags Baptisten (5.000 leden) houden vanaf de 17e eeuw de sabbat in plaats van de zondag. Relatief veel Afro-Amerikanen zijn methodist of baptist. Er zijn vier kerken, waarvan de National Baptist Convention (8 miljoen leden) de grootste is. Theologische gezien zijn de meeste baptisten nog steeds tamelijk behoudend. Het percentage Amerikanen dat baptist is, blijft vrijwel constant, dus in absolute cijfers is er sprake geweest van een flinke groei.

Quakers
Quakers werden de volgelingen van George Fox (17e eeuw) genoemd, toen deze een Engelse magistraat voorhield dat hij voor het Woord van God behoorde te beven (quake). Ze zijn niet dogmatisch, maar vooral uit op het uitdragen van de liefde van Christus, persoonlijke geloofservaring en het geleid worden door een ‘innerlijk’ licht. Verder kennen ze een eenvoudige leefwijze, onopgesmukte ruimten voor hun simpele eredienst en een neiging naar het mystieke. Ze zijn heel tolerant voor andere opvattingen en ideeën en hun pacifisme en sociale bewogenheid zijn nog steeds kenmerkend. Het aantal quakers wereldwijd is nog maar 200.000, in Amerika 123.000, verdeeld over verschillende groeperingen.

Van Anglicaans naar Episcopaals
De Anglicanen gingen zich na de onafhankelijkheid episcopalen noemen. In zekere zin heeft ze een onevenredig groot aantal presidenten, diplomaten, volksvertregenwoorigers en andere politieke personages voortgebracht. Ze bezitten een prachtige kathedraal in Washington DC, die in menig opzicht als een nationale kerk fungeert, zoals bij begrafenissen van presidenten. In theologisch opzicht heeft de kerk een behoorlijke zwaai naar links gemaakt. De episcopaalse godsdienstbeleving en positief en roept de leden op om van de goede dingen van het leven te genieten. Bij alle vernieuwing blijft de eredienst zeer traditioneel, met voorgeschreven lezingen en gebeden. De kerk heeft bisschoppen, maar deze hebben geen absoluut gezag. De Episcopaalse Kerk telt nog ongeveer 2,5 miljoen leden.

Gereformeerden
Een aantal kerken van Schots-Ierse, Duitse en Nederlandse afkomst zijn calvinistisch, gereformeerd op presbyteriaans. Ook deze kerken zijn in de loop der jaren liberaler geworden, maar niet zo vrijzinnig als de andere mainline kerken. Dit geldt nog minder van Nederlandse kerken. In totaal zijn er zon 3,5 miljoen presbyterianen. De grootste is de Presbyterian Church USA (3 miljoen leden) en verder zijn er de Reformed Church of America en de Christian Reformed Church. Een deel ging in 1957 op in de United Church of Christ. Ook zijn er Hongaarse gereformeerden (10.000). Vooral in de staat Michigan bevinden zich aanzienlijke concentraties Nederlandse gereformeerden.


Lutheranen en rooms-katholieken
De oorsprong van de lutherse kerken in Amerika is afkomstig uit Duitsland en Scandinavië. Ze zijn lange tijd opgesplitst geweest in een haast oneindig aantal kerken en kerkjes. Dat is nu veel minder het geval, er zijn nog negen lutherse kerken, waaronder de Evangelical Lutheran Church (5,5 miljoen leden) en de Lutheran Church – Missouri Synod (2,6 miljoen leden), die buiten de eenwording bleef en theologisch veel behoudender is. Lutheranen zijn over het algemeen meer piëtistisch tegenover een meer rationalistische benadering van de gereformeerden. De ongeveer 60 miljoen rooms-katholieken vormen de grootste kerk op Amerikaanse bodem (dit zou natuurlijk niet zo geweest zijn als de protestanten niet zo versplinterd waren).

Methodisten
De methodisten tellen ruim 13 miljoen leden, waar er wereldwijd 18 miljoen zijn. De United Methodist Church telt 11 miljoen leden. John en Charles Wesley waren de grondleggers. Ze gingen volgens een welomlijnde methodiek te werk in het opbouwen van het geestelijk leven. Vooral John Wesley zou een enorme invloed hebben op de Amerikaanse godsdienst en cultuur. Vrijwel alle kerken, met inbegrip van de rooms-katholieke kerk, hebben de invloed van het methodisme ondergaan. Er was iets in de Amerikaanse geest met zijn sterke hang naar individualisme en pragmatisme, dat aansloot bij de sfeer en de benaderingswijze van het methodisme.

Spontaniteit en behoudendheid verloren
In de loop van de tijd heeft het methodisme veel van haar oorspronkelijke spontaniteit en behoudendheid verloren. De traditionele aandacht voor de armen en minder-bevoorrechten heeft zich geleidelijk aan vooral vertaald in een nadruk op morele en sociale gerechtigheid en oecumene. Afro-Amerikanen hebben de African Methodist Episcopal Church (3,3 miljoen leden) en de African Methodist Episcopal Zion Church (1,2 miljoen leden). Het methodisme heeft aanzienlijk geleden onder kerkscheuringen en afsplitsingen. Voor een deel zijn die ongedaan gemaakt door de totstandkoming van de Methodist Protestant Church in 1939 en de United Methodist Church in 1968. Meer behoudende methodisten stichtten de Church of God en de Church of the Nazarene (500.000 leden en ook in andere landen).

De pinkstertraditie
De pinkstertraditie wordt wel de third force van de christenheid genoemd. Er zijn een oneindig aantal onafhankelijke gemeenten. Men heeft aandacht voor bijbelse profetieën, de wederkomst van Christus, de gaven van de Geest, het duizendjarig rijk, nadruk op heiligmaking en offergezindheid. Hun duidelijk omlijnde, overwegend fundamentalistische theologie en hun eisen ten aanzien van leefwijze en toewijding lijken veel Amerikanen eerder aan te spreken dan af te schrikken. De charismatische beweging omvat ook aanzienlijke groepen binnen diverse mainline kerken en de rooms-katholieke kerk.

Slangen zullen zij opnemen…
Soms leidt een merkwaardige opvatting van Bijbelteksten tot praktijken die door de overgrote meerderheid van de bevolking als bizar worden aangemerkt. Zo zijn er zelfs holiness churches waarin de kerkgangers op basis van Markus 16:18 (‘Slangen zullen zij opnemen, en al is het dat zij iets dodelijks drinken, dat zal hun niet schaden’) tijdens de eredienst giftige slangen hanteren! De Assemblies of God tellen twee miljoen leden in Amerika en heeft een enorme zendingsijver. Verder zijn er de Church of God, de Pentecostal Holiness Church en de Foursquare Gospel Church, om maar wat te noemen. Voor een belangrijk deel moeten ook de populaire televisiepredikers met hun organisaties tot deze categorie worden gerekend.

Anabaptisten en oosters-orthodoxen
Erfgenamen van de radicale reformatie zien we in de Mennonite Church (100.000 leden) en de Church of the Brethren (150.000 leden). Ook behoren hierbij de verschillende Amish-groeperingen. Men spreekt daar nog steeds een Duits dialect. Er zijn enkele tienduizenden, vooral in Pennsylvania, Ohio, Indiana, Illinois, Nebraska en Canada. Ze vallen op door afwijzing van comfort, zoals auto’s, elektriciteit en telefoon. Ze kleden zich tradioneel en weigeren voortgezet onderwijs. Hun gemeenschapszin is waarschijnlijk ongeëvenaard. Toen Amerika in 1867 Alaska van de Russen kocht, kreeg het daarmee een aantal Russisch-orthodoxe christenen binnen haar grenzen. Uit Europa arriveerden Grieken, maar niet in grote getale, die hun Grieks-orthodoxe geloof meebrachten. Oosters-orthodoxen zijn uniek door hun innige vroomheid, sterke hang naar het mystieke, hun uitwendigheid in de liturgie en de rol van de iconen. Er zijn er ongeveer 3 miljoen in Amerika.

Made in America: Christians en Adventisten
Ze vormen elk op hun eigen manier een Amerikaans antwoord op het verlangen van veel mensen naar het authentieke, bijbelse christendom van het begin, ontdaan van alle latere kerkelijke uitvindingen en versierselen. Ze worden vaak negatief beoordeeld en als ‘sekten’ of zelfs cults beschouwd en niet als kerken. Er zijn Christians, ontstaan uit 19e-eeuwse pogingen om terug te keren naar de apostolische tijd. Ze hebben weinig belangstelling voor dogmatiek en zijn oecumenisch ingesteld. De Churches of Christ hebben 1,4 miljoen leden en de Christian Church 1,2 miljoen. De adventisten hebben wel een stevige dogmatische interesse. Vooral hun viering van de rustdag op zaterdag is opvallend. De beweging kwam voort uit de 19e-eeuwese predikant William Miller, die uitrekende dat Christus in 1844 zou wederkomen. Er zijn ook Seventh-day Adventists, die ongeveer 1 miljoen leden hebben, met wereldwijd 10 miljoen.


Jehova’s Getuigen
Waar bovengenoemde twee stromingen nog dicht bij het traditioneel christelijke komen, zijn we met de Jehova’s Getuigen echt bij een sekte aanbeland. Ontstaan in 1874 telt het nu 4,2 miljoen leden wereldwijd, waarvan bijna een miljoen in Amerika. Bijna over de hele wereld hebben ze hun vleugels uitgeslagen. Ze zetten zich sterk af tegen alle andere religies. Voor de christelijke kerken hebben ze geen goed woord over. Ze wijken dan ook ingrijpend af van de orthodox-christelijke leer, zoals de drie-eenheid en de persoon van Christus. Men is vaak agressief in hun rekruteringstechnieken. Goedkope publicaties (vaak oogstrelend) zijn hun belangrijkste en doeltreffende middel in hun bekeringsactiviteiten. Het Wachttorengenootschap (zoals ze ook wel heten) heeft haar hoofdkwartier in New York City.

Mormonen
De Mormomen zijn nog veel belangrijker. Officieel heet het de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Hun theologie en kerkorganisatie zijn nogal ingewikkeld en kenmerken zich vooral door een opeenvolging van verschillende ‘dispensaties’ en verschillende niveaus van priesterschap. Het Boek van Mormon verschaft Amerika een bijbels verleden. De doop kan ook plaatsvervangend ten behoeve van overledenen worden ondergaan, en de huwelijkssluiting. Velen zijn van mening dat het etiket ‘christelijk’ nauwelijks op deze groepering van toepassing is. Vooral in Utah zitten ze nu. Polygamie wordt door een paar kleine splintergroeperingen gepraktiseerd. Ze leggen een geweldige zendingsijver aan de dag. In Amerika hebben ze 4,5 miljoen leden, en iets minder in het buitenland.



Christian Scientists
De Christian Scientists komen uit de 19e eeuw, met als grondlegster Mary Baker Eddy, die op slag genas van een ernstige verwonding. Ze schreef het boek Science and Health with Key to the Scriptures, die naast de Bijbel een belangrijk aanvullende openbaringsbron vormt. De kern is dat kwaad slechts schijn is en dus in wezen niet bestaat. Ze verwachten geen genezing van artsen of medicijnen, maar hebben een volledig vertrouwen op de kracht van God. Er zijn er 300.000 in Amerika. Hun krant, de Christian Science Monitor, is één van de beste kwaliteitskranten ter wereld.

En nog veel meer…
Er zijn nog veel meer groeperingen, variërend van de Jesus-movement en de Children of God tot de Scientology-beweging, de Unification Church, en satanische en hekserij-bewegingen, tot een bonte verscheidenheid van communes met hun eigen vorm van natuurverering of anders-gerichte ideologieën en mengvormen tussen verschillende wereldgodsdiensten. In 1978 vond er een massale zelfmoord plaats door de People’s Temple-beweging in Jonestown (Guyana) en in 1993 de Branch-Davidians in Waco (Texas). De nogal vage term ‘New Age’ is een etiket dat een groot aantal uiteenlopende verschijnselen opgeplakt krijgt. Slechts zeven procent van de Amerikaanse bevolking (natuurlijk nog altijd zo’n twintig miljoen mensen) zegt geen godsdienst te belijden. Procentueel gezien is het aantal niet-godsdienstigen het grootst in het noordoosten van het land, in Californië, Oregon en de staat Washington.

Joden en moslims
De Joden vormen 2,3 procent van de bevolking. Verder zijn er niet meer dan 300.000 boeddhisten en nog veel minder hindoeïsten. De groei van de islam is zo groot dat er rond het jaar 2015 meer moslims dan Joden in Amerika zullen wonen. Het aantal moslims bedraagt nu 4,5 miljoen, waarvan een derde Afro-Amerikanen (waaronder de Black Moslims, die in het Midden-Oosten niet als een echte tak van de islam wordt beschouwd). De grote winnaars in de strijd sinds de jaren zeventig om de Amerikaanse ziel, zijn niet de nieuwe religies die zoveel aandacht van de media hebben gekregen, maar veeleer de behoudende evangelicale stroom binnen het protestantisme die enorm aan invloed heeft gewonnen.


Pilgrim Fathers
De eerste kolonisten die in 1607 in Jamestown (Virginia) voet aan land zetten, waren anglicanen. Het anglicanisme wist zich van meet af aan een dominante positie te verwerven in North en South Carolina en in Georgia. Maar in het noorden was het godsdienstige plaatje bonter. In Nieuw-Engeland wist de gereformeerde variant van het protestantisme zich de belangrijkste plaats te verwerven. De puriteinse Pelgrim Vaders zetten in 1620 met de Mayflower koers richting Plymouth (Massachusetts). Formeel waren deze puriteinen lid van de Engelse staatskerk, maar in werkelijkheid gedroegen ze zich onafhankelijk. Alleen kerkleden van onbesproken gedrag konden een openbare bestuursfunctie vervullen. Voor dissidenten was geen plaats. Roger Williams stichtte Rhode Island, waar hij een verregaande mate van godsdienstvrijheid invoerde. In 1691 en 1692 vond de heksenvervolging in Salem (Massachusetts) plaats. Negentien mensen werden opgehangen.

Nooit eerder zoveel verschillen bij elkaar wonened
De greep van de puriteinen in Nieuw-Engeland op het openbare leven verslapte na verloop van tijd en was rond 1720 goeddeels verdwenen. Maar de puriteinse invloed op de Amerikaanse samenleving is tot op heden duidelijk merkbaar. Vergeleken bij Nieuw-Engeland in het noorden was de situatie in de zuidelijke koloniën (Maryland, New York, New Jersey, Delaware en Pennsylvania) minder uniform. Nooit eerder in de geschiedenis moesten zoveel verschillende godsdienstige groeperingen het met elkaar zien uit te houden. Dat dit met zo weinig bloedvergieten lukt is nog opmerkelijker. Veel kolonisten kwamen in de eerste plaats omdat zij ergens wilden wonen waar zij God naar eigen geweten konden dienen. Toch duurde het niet land of de godsdienstige passie van veel kolonisten begon te tanen. De Verlichting deed zich ook in Amerika voelen.

First Great Awakening
De Great Awakening, waar namen aan verbonden zijn als Theodore Frelinghuysen en George Whitefield, bracht niet alleen opleving, maar ook verdeeldheid. Presbyterianen verdeelden zich tussen Old Sides en New Sides. Jonathan Edwards, wel eens omschreven als ‘een combinatie van geleerde en heilige’ droeg ook bij aan deze opwekkingsbeweging. In de zuidelijke staten was de opwekking vooral het gevolg van de activiteiten van de baptisten en de methodisten. Beide richtingen waren veel flexibeler dan de gevestigde kerken in het noorden waardoor zij beter in staat waren om de bevolking aan de frontier te bereiken. Door de Great Awakening vonden veel velen de weg terug naar de kerk. Opwekkingen met nadruk op zonde, redding en een dramatische bekeringservaring, zouden met regelmaat in het Amerikaanse kerkelijke leven terugkeren.


Onafhankelijkheid van Amerika aanvaardbaar
De Amerikaanse onafhankelijkheid kon plaatsvinden nadat het klimaat was geschapen door filosofen uit de Verlichting, waardoor revolutie ook voor christenen een aanvaardbare optie werd. Gewetensbezwaarden als quakers en moraviërs moesten als gevolg hiervan vervolgingen ondergaan. In de federale grondwet werd meteen vastgelegd dat godsdienst nooit een criterium zou mogen zijn voor het al dan niet kunnen bekleden van een overheidsfunctie. Amerika koos voor een systeem van scheiding tussen kerk en staat. Alle kerken moesten voortaan geheel zelfstandig zijn. Elke kerk moest geheel op eigen kracht zijn lidmaten werven en vasthouden.

Methodisten organiseren zich
Methodisten – tot dusver deel gebleven van de Anglicaanse Kerk – begonnen vanaf 1799 onafhankelijke methodistische gemeenten te vormen, en dit was tegen de wil van John Wesley. Fransis Asbury, opvolger van Wesley, werd de eerste bisschop van de onafhankelijke Methodistisch Episcopaalse Kerk. Hij reisde tijdens zijn leven zo’n half miljoen kilometer per paard en hield zo’n 16.000 preken. Toen hij in Amerika arriveerde waren er 4 methodistische predikanten en 300 leden, toen hij in 1816 stierf, waren er 2000 predikanten en 200.000 aanhangers.

Tweede opwekking
Direct na de onafhankelijkheidsoorlog was het in veel opzichten droevig gesteld met het geestelijk leven in de Nieuwe Wereld. Dat gold vooral voor de frontier-gebieden. Maar een nieuwe golf van opwekkingen van ongekende omvang stond voor de deur. Vooral het methodisme zou explosief groeien. Baptisten en methodisten hadden niet al teveel moeite met de improvisaties en de emotionele taferelen die de opwekkingsdiensten kenmerkten, maar bij de meer traditiegebonden presbyterianen lagen deze dingen wat moeilijker; hier kwam opnieuw een kerkscheuring tussen voor- en tegenstanders van dit soort opwekkingen. De belangrijkste prediker tijdens de Second Great Awakening was Charles Grandison Finney. Hij keerde de uitverkiezingsleer de rug toe. Zijn succes was voor een groot deel te danken aan een uitgekiende techniek (wat hij zelf ook toegaf). Het bleek ook effectief om vrouwen toe te staan tijdens de bijeenkomsten te getuigen en hardop te bidden. De tweede opwekking markeert een verdere verschuiving van een overwegend calvinistische theologie naar een meer arminiaans getinte theologie. Dat kunnen we goed zien in de ‘top zes’ van kerken:



Zondagsschool
Er vond een onstuimige groei van allerlei zendingsinitiatieven plaats en er werden er Bijbel- en tractaatgenootschappen opgericht. Het aantal colleges (scholen voor hoger onderwijs vaak verbonden met kerkgenootschappen) nam in tachtig jaar toe van 9 tot 173. Maar tegelijkertijd groeide ook het openbaar, door de overheid bekostigd onderwijs voor jonge kinderen. Maar niet iedereen was tevreden met dit soort ‘neutraal’ onderwijs. Een unieke Amerikaanse instelling die uit deze periode stamt, is de zondagsschool, eerst een middel om arme kinderen te leren lezen en schrijven en na verloop van tijd het middel bij uitstek voor evangelisatie.

Loochening klassieke dogma’s
Rond 1830 begon het Unitarisme (geen drie-eenheid) gehoor te vinden bij veel geestelijken en zakenlieden. Ook waren er transcendentisten, die onder invloed van de Europese Romantiek het gevoel primair stelden en de toegang tot geestelijke waarheid als een kwestie van intuïtie zagen. Het Universalisme ging er vanuit dat elk mens door God zal worden aanvaard (alverzoening). Een aantal kerken had in het eerste kwart van de 19e eeuw te kampen met diepgaande theologische controverses. De baptisten raakten verdeeld over het vraagstuk van de predestinatie en de vrije wil van de mens. De presbyteriaan Alexander Campbell wilde de grenzen tussen de kerken overschrijden met het motto ‘geen geloofsbelijdenis, de Bijbel alleen’, en zijn volgelingen werden de Discipels genoemd. Deze verenigde zich vervolgens weer met de Christian Church, waardoor de Disciples of Christ ontstond, een denomniatie met nu meer dan een miljoen leden.

Shakers en de Oneida-gemeenschap
De shakers hadden hun oorsprong in Engeland (binnen de quakerbeweging), maar groeiden pas echt in Amerika. Ze meenden dat Christus al was teruggekomen en dat Hij op de een of andere embryonale manier op aarde aanwezig is in de shaker-beweging. Ze staan gemeenschappelijk bezit voor, verdedigen het celibaat en eenvoudige leefwijze. Er zijn er nog maar enkele tientallen. John Humphrey Noyes stichtte de Oneida-gemeenschap, met als meest opzienbare punt het ‘complexe huwelijk’: alle vrouwen waren de echtgenotes van alle mannen, zij het dat alle seksuele betrekkingen aan strenge regels waren onderworpen en dat het totaal aantal nakomelingen aan een jaarlijks quotum was gebonden.


Burgeroorlog leidt tot kerkscheuringen
Slavernij, ‘de donkere achterzijde van de Amerikaanse droom’, werd aanleiding tot de Burgeroorlog en tot kerkscheuringen bij episcopalen, presbyterianen, methodisten en baptisten. Bij de episcopalen was dit van korte duur. Bij de presbyterianen en methodisten zou het tot de 20e eeuw duren; bij de baptisten is de breuk nooit geheeld. Aan de andere kant moet ook gezegd worden dat de kerken tijdens en na de oorlog een buitengewone prestatie leverden op het gebied van humanitaire hulpverlening. In hun slaventijd waren veel zwarten christen geworden; meestal vonden hun bijeenkomsten op min of meer geheime locaties plaats. Het was een krachtig mengsel van eeuwenoude tradities en christelijke componenten, waar de negro spirituals het verlangen naar bevrijding in het toekomstige leven en in het heden op onnavolgbare wijze uitdrukten. Emotionele uitspraken van de predikant worden vanuit de kerkbanken beantwoord met luide blijken van instemming of afkeuring. Ze gingen ook eigen kerken stichten na de oorlog.

Opwekking tot heiliging
Een nieuwe opwekkingsgolf kwam er met Dwingt L. Moody. Het was een tijd met onwaarschijnlijke rijkdom en afgrijselijke armoede. De onderkant van de samenleving verloor geleidelijk aan zijn geestelijk huis. Moody legde de nadruk op de noodzaak van bekering en vooral op de onvoorwaardelijk eis van een ‘heilig’ leven. Moody wilde niet namens een bepaalde kerk spreken en zijn theologie was zo algemeen dat zijn werk vrijwel door alle denominatie werd toegejuicht. Wesley had al benadrukt dat de mens volmaakt kan leven, dus dat hij elke zonde waarvan hij zich bewust is kan overwinnen. De zogenaamde second blessing is daarbij essentieel. Deze leer sloot wonderwel aan bij het optimisme in de Amerikaanse samenleving die altijd oneindige mogelijkheden heeft gezien in zowel het individu als de gemeenschap.

Ontstaan pinksterbeweging
De pinksterbeweging had zijn oorsprong in dit klimaat. In 1901 begon student Agnez Ozman uit Topeka (Kansas) in tongen te spreken. In 1906 gebeurde dit bij de Azusa Street Mission in Los Angeles onder leiding van William J. Seymour, een zwarte prediker. De denominatie van de Assemblies of God, in 1914 gesticht, werd de belangrijkste Amerikaanse pinksterkerk, met ruim 2 miljoen leden en wereldwijd zo’n 15 miljoen in 120 landen. Dit boek is in 1998 geschreven, en de gegevens van 2008 laten een ongekende groei zien: 57 miljoen leden wereldwijd, verdeeld over 283.413 kerken in 200 landen.



Opkomst theologisch liberalisme
Christelijk Amerika was niet immuun voor de filosofische invloeden van de overzijde van de oceaan. De natuurwetenschappen kregen steeds meer invloed aan Amerikaanse instellingen voor hoger onderwijs. Het gevolg was dat het vertrouwen in de Bijbel en de theologische orthodoxie die de nadruk legde op het bovennatuurlijke, danig werden ondermijd. Er kwamen discussies over het vraagstuk schepping of evolutie. Iemand als Charles Hodge wilde geen compromis tussen Bijbel en wetenschap. Er kwam ook een botsing tussen vrijzinnig en orthodox. Het theologisch liberalisme wat opkwam in Amerika sloot goed aan bij de optimistische kijk op de mens en zijn prestaties.

God zonder wraak, mens zonder zonde, Christus zonder kruis
Het presbyteriaanse Princeton-seminarie in New Jersey, opgericht in 1812, zou gedurende meer dan honderd jaar het centrum zijn van het orthodoxe calvinisme in Amerika. Theologen als de al genoemde Charles Hodge en ook Archibald Alexander en Benjamin B. Warfield vochten in de voorhoede van degenen die onverkort aan de orthodoxe standpunten wilden vasthouden. Charles Hodge beweerde vol trots dat er nog nooit een nieuw idee op Princeton was geboren. H. Richard Niebuhr gaf een treffende formulering van het theologisch liberalisme: ‘Een God zonder wraak voert zondeloze mensen binnen in een koninkrijk zonder oordeel, dankzij het werk van een Christus zonder kruis’. Op langere termijn bleek het theologisch liberalisme de voedingsbodem voor een scherpe evangelicale reactie, die uiteindelijk de basis legde voor het moderne fundamentalisme.

Social gospel
Door de maatschappelijke veranderingen kwam de social gospel-beweging op. De optimistische kern van dit sociale evangelie was dat het koninkrijk van God op aarde geleidelijk zou kunnen groeien als de maatschappij zich daarvoor inzette en zich liet inspireren door het voorbeeld van de historische Jezus. Een bekende persoon hierbij was Walter Rauschenbusch. Maar het feit dat vooral de traditionele, overwegend meer vrijzinnige, kerken zich achter de banier van het social gospel schaarden, had tot gevolg dat een groot deel van het meer evangelicaal georiënteerde volksdeel lange tijd vrijwel elke vorm van sociale verantwoordelijkheid uit de weg ging.


Zending ondanks verdeeldheid
Was aan het begin van de 19e eeuw slechts 37 procent van de bevolking lid van een kerk, was dat percentage tegen het einde van de eeuw gestegen tot 58 procent. De zendingstaak werd inmiddels serieus genomen. Hoewel de theologische verdeeldheid toenam, bleek het in veel gevallen mogelijk om de grenzen tussen de protestantse denominaties te overschrijden in het uitvoeren van de wereldwijde zendingstaak. Billy Sunday (een voormalig baseballspeler) was een opwekkingsprediker in de tijd van de Eerste Wereldoorlog door wie, middels zijn niet-traditionele evangelisatiemethoden, zo’n 300.000 mensen de weg naar de kerk terugvonden.

Moeilijke tijd, geestelijke ontvankelijkheid
Na de Eerste Wereldoorlog leidde de controverse tussen modernisten en fundamentalisten niet alleen tot kerkscheuringen onder de noordelijke baptisten en presbyterianen, maar ook tot een verscherping van de fundamentalistische standpunten. De instorting van de beurs in 1929 en de daaropvolgende depressie én de Tweede Wereldoorlog met de dreiging van een atoomaanval daarna zorgde voor een blijvend gevoel van grote onzekerheid. De Amerikaanse bevolking was zeer ontvankelijk voor een geestelijke injectie. In de periode 1945-1960 groeide het aantal leden van de gezamenlijke kerken twee keer zo snel als de bevolking. Billy Graham (1918) werd de bekendste evangelist van dit tijdsgewricht.

Kerkherenigingen
De tegenstellingen tussen protestants en katholiek begonnen, vooral na het Kennedy-tijdperk en het Tweede Vaticaanse Concilie, hun scherpe kanten te verliezen. In 1957 kwam er een fusie tussen vier denominaties in de United Church of Christ, in 1960 herenigden twee presbyteriaanse kerken en in datzelfde jaar een zevental lutherse kerken. Deze trend van herenigingen zette niet door. Sinds de woelige jaren zestig heeft de kerk tal van uitdagingen het hoofd moeten bieden: de segregatie, de Vietnamoorlog, de God-is-dood-theologie en het feminisme. Een toenemend neo-evangelicaal blok maakte zich intussen van de meer extreme fundamentalisten los en zette een eigen koers uit.

Acceptatie denominationisme
Naast een grote mate van vrijheid van godsdienst, een nadruk op de scheiding tussen kerk en staat waarbij de kerken volledig van de steun van hun leden afhankelijk zouden zijn en de onuitroeibare overtuiging dat Amerika een speciale rol te spelen had in Gods plannen met de wereld was de snel toenemende acceptatie van denominationisme één van de basistradities van het Amerikaanse protestantisme. In principe hebben alle denominaties gelijke status voor de Amerikaanse wet.


Sekte niet negatief, cults wel
Elke geloofsgemeenschap heeft recht op respect, en een denominatie moet wel vér afwijken van de traditionele christelijke leer en normen om dat respect en het predikaat ‘christelijk’ te verliezen. Er zijn ongeveer 385.000 kerkelijke gemeenten in Amerika, en een aantal denominaties variërend tussen de 700 en 2000. Veel van deze denominaties zou in Europa het etiket ‘sekte’ hebben gekregen, maar in Amerika heeft het woord ‘sekte’ een wat positievere klank dan in Europa. Cults is in Amerika een negatief beoordeelde stroming.

Democratisering protestantisme
De democratisering van het protestantisme bood alle ruimte aan niet-theologisch geschoolde predikers die de taal van het volk spraken. Steevast werd de toehoorders voorgehouden dat de uitleg van de Bijbel niet aan geleerde theologen mocht worden voorbehouden, maar dat Bijbeluitleg het onvervreemdbare recht was van elke toegewijde christen. Gewoonlijk hadden deze predikers een sterke aversie tegen de traditionele belijdenisgeschriften en tegen het opstellen van een nieuwe geloofsbelijdenis. Achteraf wekt het weinig verbazing dat dit wel tot flinke varianten in theologische opvattingen moest leiden. David Moberg onderscheidt vijf stadia in het ontstaan en weer scheuren van geloofsbewegingen: (1) informeel, vaak charismatisch leiderschap, (2) toenemende organisatie, (3) maximale efficiëntie, (4) institutionalisme en bureaucratie en (5) desintegratie.

Godsdienst en maatschappelijke ladder
De armere klasse was de loop der eeuwen meestal uiterst vatbaar voor godsdienstvormen waarin een toekomstbeeld wordt beloofd dat een radicale omkeer ten goede betekent. H. Richard Niebuhr heeft betoogt dat een mens na zijn sociale achterstand ontgroeid te zijn een ander soort denominatie nodig heeft. Soms groeiden de denominaties mee met de verandering van hun aanhang. Het methodisme won vrij snel aan status en werd gaandeweg tot de godsdienst van de Amerikaanse businessmen. Volgens Niebuhr komt de bourgeoisie het best aan zijn trekken in de calvinistische kerken. Max Weber legde een directe link tussen calvinisme en kapitalisme. Opmerkelijk is de manier waarop in Amerika de leer van de voorbeschikking voortdurend onder druk stond en arminiaanse tendensen het meestal van deze leer wonnen: het idee van predestinatie viel moeilijk te combineren met de interesses van de middenklasse en gaandeweg viel er een toenemende nadruk te constateren op eigen initiatief, als aanvulling op de goddelijke voorzienigheid.

Oost-west en noord-zuid
De dynamiek van de Nieuwe Wereld (bijvoorbeeld immigranten in verschillende tempo van aanpassing) zorgde voor verregaande versplintering van denominaties. De oost-west-tegenstelling in Amerika zorgde voor verdere complicaties. Naast deze tegenstelling is er ook de tegenstelling tussen noord en zuid (Burgeroorlog). De sekten van 150 jaar geleden zijn denominaties geworden, en de kerken van de armen zijn nu het geestelijk onderkomen van de middenklasse. De Joden vormen een uitzondering op de regel dat een nieuw ingekomen denominatie er een tijdje over doet voordat het stijgt op de maatschappelijke ladder; hoewel een groot percentage betrekkelijk kort geleden in Amerika arriveerde, scoren zij maatschappelijk heel hoog.

Megachurches
Het lidmaatschap van een denominatie wint aan waarde naarmate het een groter persoonlijk offer eist, deze grote offers blijken mensen eerder aan te trekken dan af te schrikken. Grotere lokale gemeenten, de megakerken, voelden zich genoodzaakt hun leden een groot scala van activiteiten aan te bieden, wat hen in de praktijk tot een soort mini-denominaties maakt. De grenzen tussen de denominaties zijn veel minder duidelijk dan in het verleden. De levenslange trouw aan een bepaalde denominatie is sterk afgenomen. Bijna een kwart van alle Amerikanen is in de loop der jaren eenmaal of, niet zelden, meermalen van denominatie veranderd: switching.

Liberals en conservatives
Naarmate mensen meer onderwijs hebben genoten, neemt de kans dat zij van geestelijke tehuis zullen veranderen flink toe. Alles wijst erop dat de stabiliteit van een denominatie meer met gemeenschapsgevoel en leefwijze te maken heeft dan met theologie. Het unieke Amerikaanse fenomeen van het denominationalisme bepaalt dus nog steeds in sterke mate het beeld van protestants Amerika. Nu loopt de lijn dwars door veel denominaties heen en hebben liberals en conservatives in een bepaalde groepering vaak meer gemeen met de liberals en conservatives in een heel andere denominatie dan met elkaar.


De tanende vrijzinnigheid
In Amerika zijn er steeds groeperingen geweest die een uitgesproken afkeer van het theologische handwerk hadden en theologische discussies als intellectuele haarkloverijen zagen die de gelovigen eerder in de war brachten dan sterkten in hun geloofsleven. Billy Sunday ging er prat op dat hij totaal geen verstand van theologie had. Er is een kentering gaande: meer evangelicale interesse voor serieuze theologiebeoefening. In 1920 was naar schatting de helft van alle protestantse theologische scholen in vrijzinnige handen en was ongeveer een derde van alle protestantse predikanten dat. De Grote Depressie en de Eerste Wereldoorlog zetten echter een gevoelige domper op het optimistische geloof van de liberalen in de gestage vooruitgang van het mensdom.

Barth, Tillich en Bonhoeffer
Amerika heeft maar weinig theologen voortgebracht die een groot deel van hun leven hebben besteed aan het ontwerpen van een systematische theologie. Dit komt misschien door de snelheid van de Amerikaanse samenleving en de wens van snel, concreet resultaat en de voortdurende zucht om actueel te zijn. Karl Barths neo-orthodoxie riep wel herkenning op, maar de conservatieve namen die denkwijze niet over. Barth kreeg grote invloed in Amerika, en tevens iemand als Paul Tillich (die uit afkeer van de nazi’s naar Amerika geïmmigreerd was), maar zijn theologie overtuigde toch uiteindelijk weinig mensen. Dietrich Bonhoeffer wel, vooral door zijn grote morele moed en zijn diepe godsvertrouwen in de moeilijkste omstandigheden, die hem onvergetelijk hebben gemaakt


Kierkegaard en de gebroeders Niebuhr
Sören Kierkegaard kreeg ook grote bekendheid: hij wees erop dat de kloof tussen God en de mens zo groot is dat deze een diepe vertwijfeling teweegbrengt. Dit besef van Godverlatenheid is een noodzakelijk voorspel voor Gods zelfopenbaring aan de mens. In veel opzichten sloot Kierkegaard aan bij de neo-orthodoxie, met zijn tegenstelling tussen enerzijds de almachtige, soevereine God en anderzijds de verdorven, nietige mens. De gebroeders Niebuhr waren belangrijke Amerikaanse theologen. Reinhold Niebuhr neemt afstand van het liberalisme en beklemtoont de zelfzucht van de mens, die steeds weer optreedt. De mens kan wanneer hij zijn situatie voor God leert inzien, zijn broosheid en beperktheid overstijgen, maar de realiteit gebiedt te erkennen dat dwang en geweld soms noodzakelijk is om de maatschappij in goede banen te leiden. Hij blijft realist: volmaakt zal het in de wereld nooit worden.

Christ and Culture
H. Richard Niebuhr is vooral bekend geworden door zijn Christ and Culture uit 1951, dat aangeeft hoe gelovigen door de eeuwen heen zijn omgegaan met de hen omringende cultuur. Hij beschrijft Christus als vijand van de cultuur, de Christus van de cultuur, Christus boven de cultuur, Christus en cultuur in paradox en Christus die de cultuur transformeert. Deze typologie van de interactie van kerk en wereld is één van Amerika’s religieuze klassiekers geworden. De periode na het Vaticanum II zorgde voor een opleving in de Amerikaanse katholieke theologie. Figuren als Edward Schillebeeckx en Hans Küng hadden door hun lezingentournees in Amerika en door hun boeken grote invloed.

God is dood
In de jaren zestig kwam de God-is-dood-theologie op. Deze theologen schoven alles opzij wat maar enigszins naar het bovennatuurlijke zweemde. John T. Robinson publiceerde Honest to God, eerlijk tegenover God, een geruchtmakend boek. De Heere Jezus werd ontdaan van elke bovennatuurlijke aanspraak en werd gereduceerd tot een voorbeeld. Hoewel deze stroming een verlengstuk van de liberale theologie was, blijven er ook verschillen, want de liberals zijn over het algemeen zo ver nooit gegaan. Harvey Cox denkt dat de nieuwe, sterk geürbaniseerde leefwijze van de moderne mens met de daarbij behorende anonimiteit en mobiliteit, de mens plaatst voor nieuwe uitdagingen. Dit brengt een rijpingsproces met zich mee waarbij de mens geleidelijk aan de weg vindt om zijn verantwoordelijkheden in de moderne samenleving te kunnen dragen. Waar past God in dit beeld Voor Cox is God niet dood, maar eerder voor een tijd afwezig. Maar Hij zal zich weer openbaren als Hij daarvoor klaar is, wellicht in nieuwe beelden en met een nieuwe naam.


Evangelicale theologen
George E. Ladd was één van de meest vooraanstaane nieuwtestamentici uit evangelicale kring. Hij brak wat de bijbelinterpretatie betreft door de muur van een defensief fundamentalisme heen. Hij ging met de moderne bijbelwetenschappers op hun eigen terrein in discussie. Zijn werk A Theology of the New Testament was zonder meer één van de hoogtepunten in de evangelicale theologische creativiteit in Amerika. Carl F.H. Henry is vooral bekend geworden vanwege zijn werk voor Christianity Today, een toonaangevend evangelicaal tijdschrift, waarvan hij de eerste hoofdredacteur was. Francis A. Schaeffer (die zich in 1948 in Zwitserland vestigde) deed een oproep tot radicaal discipelschap. Burgerlijke ongehoorzaamheid is soms gewettigd, met name als het ging om protesten tegen abortus. Hij gaf in zijn belangrijkste werk How Should We Then Live? de gevolgen aan wanneer men absolute waarden uit het oog verliest: de bijbelse moraal heeft plaatsgemaakt voor de gedachte dat alles wat de meerderheid wenst goed is, hetgeen de weg heft geopend voor abortus en euthanasie. Zonder absolute waarden vervalt een maatschappij in reddeloze decadentie.

Zwarte theologie
Ook was er een ‘zwarte theologie’. James H. Cone zei: ‘Ik ben van mening dat het christendom in wezen een godsdienst van bevrijding is’. Hoewel het de slaven verboden was hun traditionele heidense godsdienst trouw te blijven, lag het voor de hand dat, vooral ondergronds, veel Afrikaanse gebruiken en opvattingen bleven voorbestaan. Veel slaven bleken open te staan voor de christelijke boodschap, voornamelijk die in protestantse vorm. Voor hun eigenaars bood de christelijke godsdienst een manier om de slavernij te legitimeren. De slaven zagen iets heel anders in de boodschap van de Bijbel: een ontmoeting met de God die bevrijdt en met de Christus die zich het lot van de verdrukten aantrekt! De negro spirituals zou men terecht kunnen zien als een vroeg stadium van ‘zwarte’ theologie.

De gestalte van een dienstknecht aangenomen
Hoewel Martin Luther King niet als zwarte theoloog kan worden betiteld, hielp hij wel het klimaat scheppen. Het begon in 1966, toen kerkelijke leiders uit een aantal zwarte kerken een oproep deden om een eigen, zwarte theologie te ontwikkelen. Christus is ‘zwart’ in de zin dat Hij geen familielid is van de blanke slavenhouders, maar de vorm van een dienstknecht heeft aangenomen en zich vereenzelvigd heeft met allen die in een hoek zijn gedrukt. Er bestaat een duidelijke samenhang tussen de zwarte theologie en de bevrijdingstheologie in Midden- en Zuid-Amerika.


Feminisme, proces-theologie en post-liberals
In Amerika werd het algemeen stemrecht in 1919 ingevoerd, een succes voor feministen. Tot de jaren zestig verzande de beweging om daarna weer in alle hevigheid los te barsten. Allereerste pleiten ze voor een grotere rol voor de vrouw in de kerk. Ze zetten zich af tegen een patriarchaal godsbeeld. Ze wijzen erop hoe in oude tijden godinnen minstens even talrijk waren als goden. Ze willen over God spreken in termen van ‘zij’ en ‘haar’. Een andere theologische beweging is de proces-theologie. Hier zoekt men naar een nieuw, filosofisch verdedigbare visie op God. Alfred North Whitehead was een denker in deze richting. Post-liberals concentreren zich op de bijbelse geschiedenis als verhalen, en niet zozeer als historische bronnen of symbolische verwoordingen van waarheden die ook in niet-verhalende vorm kunnen worden uitgedrukt. De bijbelse verhalen bieden een raamwerk waarbinnen de christen de wereld kan verstaan: narrative theology.

Christus exclusief?
Er zijn ook Amerikaanse theologen die de verhouding tussen christendom en andere godsdiensten en de vraag of er behoud is zonder Christus op de agenda zetten. Er zijn drie opvattingen: (1) de pluralisten die denken dat alle godsdiensten gelijkwaardige wegen zijn naar de ene, goddelijke werkelijkheid, (2) de exclusivisten die geloven dat alleen degenen die het evangelie horen en tot geloof in Christus komen, behouden zullen worden, en (3) de inclusivisten, die een tussenpositie innemen. Ze geven het solus Christus-principe niet op, maar geloven dat, hoewel God door niet-christelijke godsdiensten kan werken en mensen tot behoud kan brengen, het heil altijd het gevolg blijft van het verlossende werk van Christus. Het is geen wonder dat in Amerika, het zendingsland bij uitstek, deze discussie gevoerd wordt.


Scherpe kantjes afgevijld?
Hoe kan het dat de evangelicalen zo gewoon zijn? ‘Ze hebben zich aan de druk van de moderniteit aangepast. Zij hebben geleerd hun boodschap te verkopen op een manier die in de huidige maatschappij wordt geaccepteerd. De scherpe kantjes zijn van hun boodschap afgevijld; deze is beschaafder geworden en de elementen die de meeste aanstoot gaven zijn afgezwakt. De mensen krijgen nog wel te horen dat zij zondaars zijn op weg naar de hel, maar het wordt hen op een vriendelijke manier, met een warme glimlach, verteld’.

Fundamentele uitgangspunten evangelicalen
Het segment van christelijk Amerika dat het meest aan de weg timmert zijn de evangelicalen. Dat is in feite een brede coalitie van christenen die vasthouden aan een aantal, huns inziens fundamentele uitgangspunten:
– De Bijbel is gezaghebbend.
– De Bijbel is historisch betrouwbaar.
– Redding uit de zonde en eeuwig leven is alleen mogelijk door Christus.
– De blijvende opdracht om het evangelie overal ter wereld te verkondigen.
– Een leven dat getuigt van de veranderde kracht van het Evangelie.

Verschil met fundamentalisten
Iemand vatte het evangelicale geloof samen met de woorden: ‘Evangelicalen geloven dat het Evangelie persoonlijk moet worden ervaren, op bijbelse wijze moet worden gedefinieerd, en met passie moet worden gecommuniceerd’. Alle fundamentalisten zijn evangelicaal, maar niet alle evangelicalen zijn fundamentalistisch. ‘A fundamentalist is an evangelical who is angry about something’. Fundamentalisten kenmerken zich door hun anti-intellectualisme, letterlijke dictatie van de Bijbel, gebruik van de King James Version, anti-oecumenische houding, premillennialisme en politiek uiterst rechtse oriëntatie.


The Fundamentals
Het openlijk, grootschalig conflict tussen modern en behoudend christendom was onvermijdelijk, en kwam dus ook aan het begin van de 20e eeuw. Tussen 1910 en 1915 verschenen The Fundamentals, paperbacks waarin de essentiële thema’s werden behandeld. Hieruit ontstond de benaming ‘fundamentalist’. In deze tijd een onaardig woord, maar in zekere zin niet direct negatief bedoeld. De fundamentalisten waren tegen het modernisme, tegen de evolutietheorie, tegen elke vorm van socialisme en tegen het katholicisme. Gaandeweg begon er een duidelijke tweedeling af te tekenen tussen fundamentalisten en evangelicalen.

Snel born-again
In Europa is geloof en godsdienst steeds meer een strikte privé-aangelegenheid geworden. Praten over je geloof, zeker als dit met onbekenden gebeurt, wordt door heel veel mensen in ons werelddeel als ongepast en ongewenst beschouwd. In Amerika is dat veel minder het geval. Zelfs politici als Jimmy Carter en Ronald Reagan, voelden zich niet ongemakkelijk met het born again-etiket. Maar terwijl christelijk Amerika niet uitgepraat kan raken over het gezin als hoeksteen van de samenleving, is het percentage echtscheidingen (dat veel hoger is dan in enig Europees land) onder christenen niet veel lager dan onder de rest van de bevolking. Sommigen hebben het over een idiot culture. Ook kritiseert men de oppervlakkigheid in de Amerikaanse samenleving. We moeten onwillekeurig denken aan de woorden van Paulus over een geloofsgemeenschap die weliswaar de christelijke buitenkant had behouden (hebbende een gedaante van godzaligheid), maar de kracht daarvan verloochend hebben.

Ieder voor zichzelf
De gemiddelde Amerikaan besteedt steeds meer tijd aan dingen die hij alleen kan doen en steeds minder tijd aan activiteiten die samen met anderen worden gedaan: individualisme, ieder voor zichzelf. Het ‘sheilaïsme’ krijgt steeds meer volgelingen: je leeft in je eigen wereld, met je eigen waarden en idealen. Dat geldt ook voor het geloof. Primair gaat het erom dat je zelf met je geloof uit de voeten kunt. Bij een gemeenschap horen en samen met anderen je geloof beleven, komt voor steeds meer mensen op de tweede plaats. Dat werkt ook door in de inhoud van het geloof. Leerstellingen zijn voor steeds meer mensen niet het belangrijkste meer. Het relativistische denken heeft Amerika veroverd.



Friendly church
Kerken doen hun best om het imago van een friendly church of een caring church te verwerven. Zonde wordt steeds meer een probleem dat langs therapeutische weg moet worden verholpen. Pastorale zorg neemt steeds meer de vorm aan van een reeks professionele counseling-sessies. In veel gevallen is de zondagochtenddienst in feite een evangelisatiedienst. Men hanteert de klassieke expository preektrant, waarbij de voorganger een tekstgedeelte kiest, uitlegt wat de betekenis ervan was in de tijd dat het geschreven werd en dit vervolgens toepast op de hedendaagse situatie.

De kracht van het positief denken
Maar er heeft ook een ander type preken zijn intrede gedaan: life-situation preaching, op basis van de krant in plaats van een bijbelgedeelte. Het product moet aanspreken: dat geldt duidelijk ook voor de andere elementen in de kerkdienst, met name voor zang en muziek. De obsessie voor eigen geluk, zelfverwerkelijking en succes heeft geleid tot een stortvloed van doe-het-zelfboeken en -video’s, die aangeven hoe, meestal in een aantal overzichtelijke etappes, een bepaald doel kan worden bereikt. Norman Vincent Peale schreef De kracht van het positief denken, wat generaties lang het handboek bij uitstek werd voor degenen die ‘aan zichzelf wilden werken’. Volgens velen wordt het geloof in God hier veranderd in en geloof in zichzelf. In 2002 verscheen van de hand van Rick Warren, predikant van de Saddleback Church in Lake Forest, Californië, één van de best verkochte christelijke boeken ooit: The Purpose Driven Life (doelgericht leven). Het is een boek verdeeld in 40 hoofdstukken voor een ‘geestelijke reis’ van 40 dagen. Op dit boek kwam ook veel kritiek.

Health and wealth gospel
Hiernaast is er ook het ‘rijk-en-gezond-evangelie’ van televisiepredikers als Oral Roberts en Pat Robertson. Na de Tweede Wereldoorlog sloegen gebedsgenezingsdiensten van T.L. Osborn en anderen ook aan. Maar meer nog dan hulp bij ziekte, verwachten veel Amerikanen goddelijke assistentie bij het bereiken van grotere materiële welstand. Vanaf de koloniale tijd hadden veel christenen de rotsvaste overtuiging dat God Zijn trouwe volgelingen heel concreet beloont. De ‘Amerikaanse droom’ was er voor iedere hardwerkende burger. Het was heilige plicht van elk mens om rijk te worden, zo zei de baptistische predikant Russel H. Conwell. Dwight L. Moody zei dat hij nog nooit iemand had gezien die Christus de hoofdrol in zijn leven gaf en geen materiële voorspoed kende! Sinds de jaren zestig van de 20e eeuw is het thema van het health and wealth gospel vooral opgepakt door evangelicale en fundamentalistische predikers.


Geloof is big business
Het is niet zo vreemd dat een groot deel van conservatief Amerika tegenstander is van het soort sociale wetgeving dat we in West-Europa kennen. Voor velen ligt de zaak heel simpel: mensen die arm of werkloos zijn, hebben dat meestal aan zichzelf te wijten. De oplossing voor de sociaal zwakkeren is niet een sociale uitkering, maar een grotere werklust en een diepere religieuze ervaring. Gods zegeningen zijn voor de meeste Amerikaanse christenen niet alleen geestelijk maar ook duidelijk meetbaar in dollars. Vooral in evangelicale en fundamentalistische hoek is geloof big business. Tele-evangelisten zetten samen miljarden dollars om. De markt voor christelijke boeken en tijdschriften heeft eenzelfde omvang.

Megakerken
Vooral onder evangelicale christenen is de kleine plattelandsgemeente of buurtgemeente met hooguit honderd à tweehonderd leden weinig attractief. Zij zien meer in een grotere kerk, ook al moeten ze daar een halfuurtje of zelfs meer voor rijden (zolang er maar een grote parkeerplaats is!). Men komt niet alleen af op de zondagse kerkdienst. Men vraagt ook of er een goede opvang voor de kinderen is en of de kerk een eigen lagere school heeft. Paradoxaal genoeg bieden deze megakerken door al hun aparte groepen en cellen vaak meer persoonlijk contact en intimiteit dan de traditionele, kleine kerken. Momenteel (in 1998) zijn er ruim 10.000 kerken (dat zullen er nu dus heel wat meer zijn) waar wekelijks meer dan duizend mensen kerken. In de grootste, de First Baptist Church in Hammond (Indiana) kerken ruim 20.000 mensen. De Willow Creek Community Church komt met zijn 13.000 leden op de tweede plaats, gevolgd door Calvary Chapel in Santa Ana (Californië), Second Baptist Church in Houston (Texas) en Thomas Road Baptist Church van Jerry Falwell in Lynchburg (Virginia).

Crystal Cathedral
Het meest bekend is misschien de Crystal Cathedral van Robert H. Schuller in Garden Grove (Californië). Hij groeide op in een Dutch Reformerd gezin in de staat Iowa, huurde als beginnende predikant een drive-in-bioscoop om kerkdiensten te houden en dat is uitgegroeid tot wat het nu is: een magnifiek complex op korte afstand van Disneyland. Het kostte destijds 18 miljoen dollar. Het heeft een schitterende kerkzaal met 4000 zitplaatsen en 10.000 ramen. Bij mooi weer kan een gehele glazen wand geruisloos worden weggeschoven. Een kerkdienst daar is een belevenis: er is muziek, een klein orkest of een band en drama; het is een show geworden. Zijn Hour of Power wordt wereldwijd uitgezonden. Schuller richt zich op possibility thinking: elk mens moet zich concentreren op de vele mogelijkheden die hij in zich heeft. Schuller predikt een uitbundig leven. Hij schaamt zich er niet voor dikwijls op de emoties van zijn gehoor in te spelen. Schullers boodschap heeft veel weg van Norman Vincent Peale een generatie eerder.


Is Schuller een wolf in schaapsklederen?
Malise Ruthven (Sekten in Amerika. Een reis langs Amerika’s kinderen van God, Rijswijk 1992) schrijft over Robert Schuller het volgende. Hoewel hij theologisch vrijzinnig is, is Schullers stijl evangelicaal. Hij moraliseert en steekt donderpreken af en maant de ongelovigen om zich over te geven aan Christus. Maar de strekking van zijn boodschap bekrachtigt het wereldse bestaan, is hedonistisch en ongegeneerd Amerikaans. ‘Voor u uw naaste kunt liefhebben moet u eerst uzelf lief hebben’, zo luidt ongeveer zijn boodschap. Schuller beweert dat Jezus zich ten minste vijf keer persoonlijk tot hem heeft gericht.

Luther en Calvijn begingen volgens hem de fout te veel nadruk te leggen om de menselijke verdorvenheid en de daar logisch uit voortvloeiende goddelijke genade. De ‘waardigheid van de mens’, oppert hij, zou het ‘nieuwe theologische referentiepunt’ moeten worden. Het principe van God als de Vader ligt van nature besloten in het menselijk onbewuste. ‘Totdat wij de verzoening met God ervaren, zijn we het slachtoffer van een minderwaardigheidscomplex’. Alleen bekering door Christus kan ons een reële gewaarwording van onze eigen waarde verlenen. Wedergeboren worden houdt verandering van een negatief naar een positief zelfbeeld in.

Schuller past de Bijbel toe op een selectieve en misleidende wijze. Zijn favorieten zijn het Onze Vader (‘een klassieke, tijdloze therapie’) en de Zaligsprekingen (‘De Wees-Gelukkig-Houdingen’). Zijn uitgangspunten begunstigen expliciet de rijken boven de armen. ‘Onnoemlijk veel christenen zijn nimmer het stadium van armoede te boven gekomen omdat het nastreven van rijkdom altijd werd afgeschilderd als zondig en materialistisch’.


In de kern is Schullers doctrine een bevrijdingstheologie van de rechtervleugel. ‘Verliezers hebben het gewoon nooit geprobeerd’. Schullers theologie bevat een tweetal onuitgesproken veronderstellingen. De eerste is een radicaal individualisme, dat persoonlijke prestaties zonder uitzondering boven sociale verworvenheden stelt. De tweede is dat economische krachten – de krachten die de wereld ‘besturen’ – altijd heilzaam zijn. Voor Schuller schijnt het oog van de naald groot genoeg om ruimte te laten voor twee huizen, verschillende auto’s, een zeewaardige jacht – de gehele Amerikaanse droom. De christelijke doctrines van dienstbaarheid en zelfopoffering krijgen alleen plichtmatige aandacht.

Het Evangelie wordt omgezet in een behaaglijke zedenleer van persoonlijke geruststelling. ‘God houdt van u en ik ook!’ Schuller is in werkelijkheid een wereldlijk-humanistische wolf in schaapsklederen. Bij hem infiltreren wereldlijke maatstaven religieuze waarden en ten langen leste vervangen ze die. Zijn denkbeelden zijn gevormd buiten de structuren van de joods-christelijke leer, door personen die in het algemeen vijandig stonden tegenover een georganiseerde religie.

Willow Creek
Willow Creek bij Chicago is gesticht door Bill Hybels (die nu een staf heeft van 70 medewerkers). Ook hij begon klein. Ze bieden daar een hele reeks van services aan: een steungroep voor alleenstaande, zwangere vrouwen, seminars voor werklozen, maaltijden voor daklozen, activiteiten voor bejaarden, gespreksgroepen voor kinderen van alcoholisten, klassen voor aanstaande ouders, en nog veel meer. De Amerikaanse bevolking is uiterst mobiel, dus megakerken trekken mensen uit een vrij groot gebied. Maar er dreigt een gevaar: de megakerken zijn bijna zonder uitzondering ontstaan rond een charismatische persoonlijkheid. Schuller is evenals Billy Graham bezig de leiding van zijn organisatie geleidelijk aan over te dragen aan zijn zoon. De toekomst zal uitwijzen of deze zoons inderdaad de plaats van hun talentvolle vaders in kunnen nemen.


Radio en tv
Wie een godsdienstig programma wil beluisteren of bekijken, kan op elk moment van de dag wel wat vinden. De belangrijkste pioniers op het gebied van godsdienstige radioprogramma’s waren van katholieke huize. Aan protestantse zijde waren het Charles Fuller en Billy Graham. Grahams Hour of Decision vanaf 1950 is vooral bekend. Een wet uit 1934 eiste dat de grote televisienetwerken als een service aan het publiek een hoeveelheid gratis zendtijd voor godsdienstige uitzendingen ter beschikking moesten stellen. Het gevolg was dat evangelicalen en fundamentalisten grotendeels buiten de boot vielen. In 1960 werd een andere regeling van kracht: televisie-organisaties moesten zendtijd verkopen aan organisaties die godsdienstige programma’s wilden maken en ervoor wilden betalen. Nu veranderde het beeld volledig. Evangelicale en fundamentalistische programma’s kwamen er in plaats van de traditionele kerken, want die konden veel meer geld ophalen. Soms bedenkelijke fondswervingspraktijken ontstonden.

Oral Roberts, Jerry Falwell en Pat Robertson
Tv-ministries waren volledig afhankelijk van de giften van kijkers, hebben een charismatische leider die door de kijkers wordt ‘vereerd’, de nadruk ligt op emotie, ze maken gebruik van de nieuwste technologieën, ze bieden ook vermaak aan en willen hun imperium steeds verder uitbreiden. De pinksterprediker Oral Roberts werd in 1987 met een flinke financiële crisis geconfronteerd, waarna hij vertelde aan zijn kijkers dat God hem geopenbaard had dat hij zou sterven als zijn kijkers niet binnen enkele weken met acht miljoen dollar op de proppen zouden komen. Jerry Falwell, ook stichter van Liberty Baptist College, had het programma Old-Time Gospel Hour. Hij was een doorgewinterd fundamentalist die niets van togentaal en andere pinksterzaken moet hebben. Hij zou de oprichter worden van de rechtse Moral Majority-beweging en was vaak controversieel door het mengsel van religie en politiek dat hij de kijkers voorschotelde. Pat Robertson heeft zijn populaire 700 Club.

Jimmy Swaggart en Jim Bakker
Er kwamen ook schandalen. Jimmy Swaggart, predikant van de Assemblies of God, beschuldigde in 1987 collega-evangelist Jim Bakker van overspel. Kort daarop werd Swaggart echter zelf beschuldigd van relaties met een prostituee. In één van de meest dramatische, tot in de details geregisseerde uitzendingen die ooit op het Amerikaanse tv-scherm zijn vertoond, huilde hij tranen met tuiten terwijl hij zijn zonden beleed en zijn volgelingen om een nieuwe kans smeekte. Op Jim Bakker ontstond hevige kritiek om zijn extravagante leefstijl en de belastingdienst oordeelde het nodig een onderzoek in te stellen en ondertussen kwam aan het licht dat hij een vroegere affaire met een secretaresse had gehad aan wie hij een groot bedrag aan zwijggeld had betaald.


Preken voor eigen parochie?
Jim Bakker en zijn naaste medewerkers werden wegens fraude voor enkele jaren naar de gevangenis gestuurd. Het jaar 1987 betekende dus een ongekend dieptepunt voor de tele-evangelisatie. De tele-evangelisten zijn er natuurlijk op gebrand de indruk te wekken dat miljoenen kijkers alleen op deze manier met het evangelie bereikt worden en dat het daarom van vitaal belang is hen te blijven steunen. We moeten er echter rekening mee houden dat het publiek van de verschillende programma’s elkaar grotendeels overlapt en dat ze toch hoofdzakelijk voor eigen parochie preken.

Billy Graham
Het is veelzeggend voor de manier waarop christelijk Amerika functioneert, dat de meest prominente protestantse leider niet aan het hoofd van de een of andere denominatie te vinden is, maar een onafhankelijke evangelist is met zijn eigen parakerkelijke organisatie: Billy Graham. Hij heeft een blijmoedig soort fundamentalisme. William Frank Graham, geboren in Charlotte (North Carolina) was geen studiebol, was meer evangelist dan pastor. Op z’n 16e beleefde hij een weinig spectaculaire bekering, maar die was niettemin bepalend voor zijn verder levensloop. Hij werkte eerst voor Youth for Christ maar geleidelijk aan ontstond een hecht team dat later de Billy Graham Evangelistic Association zou gaan heten. Vooral bekendheid kreeg hij in 1949, tijdens een uiterst succesvolle campagne in Los Angeles.

Gast in het Witte Huis
Graham had een simpele maar indringende preekstijl. Hij liet het strikte fundamentalisme van zijn jonge jaren achter zich en schoof op naar het middenveld. Zijn warme persoonlijkheid en absolute integriteit maakten hem populair. Waar veel evangelisten zichzelf riante salarissen, dure auto’s en kostbare landhuizen gunden, was Graham immer het voorbeeld van onkreukbaarheid, dat uitstraalde dat hijzelf voor honderd procent geloofde in wat hij anderen voorhield. Graham probeerde zijn werk aanzien te geven door zijn contacten op het hoogste niveau te cultiveren. Hij werd een graag geziene gast in het Witte Huis. Velen namen het hem kwalijk dat hij zich ten tijde van de Watergate-affaire niet verder van zijn vriend Nixon distantieerde. Van belang was Graham ook voor de internationale zending. Hij was de motor achter een tweetal belangrijke internationale zendingscongressen, in 1966 in Berlijn en in 1974 in Lausanne en een drietal wereldcongressen voor evangelisten: in 1983, 1986 en 2000 in Amsterdam.


Fundamentalisme
De Amerikaanse fundamentalistische christenen hebben hun denkbeelden op grote schaal en met succes geëxporteerd naar de ontwikkelingslanden in Zuid- en Midden-Amerika, Afrika en delen van Azië. Ze denken zwart-wit: in termen van goed of slecht, God of satan, licht of duisternis. Ze zijn vaak sterk geïsoleerd van de buitenwereld. Maar het fundamentalisme is niet een homogeen verschijnsel. De constante discussies over ‘de waarheid’ en ‘de juiste leer’, meestal gevoerd door niet-theologen, leidt gewoonlijk tot fragmentatie. Maar het fundamentalisme beschikt voer een geweldige energie en daadkracht en sterk leiderschap. Iemand heeft eens gezegd: ‘Een godsdienst die het genot van de zinnen verbiedt, drijft mensen ertoe het genot van de macht te zoeken’ (Betrand Russell). Terwijl fundamentalisten niets moeten hebben van moderne theologie, lopen ze vaak voorop in het toepassen van moderne technologie bij het verspreiden van hun ideeën.

Van kaft tot kaft
Alles draait om de Bijbel – van kaft tot kaft. Niets is volgens hen verfoeilijker dan de literair-historische bijbelkritiek, waarbij de mens de euvele moed heeft om de tekst ‘kritisch’ te ontleden. De fundamentalistische manier van omgaan met de Bijbel wordt wel aangeduid als biblicisme. De Bijbel wordt het centrale punt in plaats van Christus, zo luidt de beschuldiging dan. En ze zouden weinig oog hebben voor de context waarin bepaalde teksten staan en ze verwijten de fundamentalisten dat ze steeds weer een klein aantal teksten herhaald. Fundamentalisten bestrijden vooral en zetten daar niets constructiefs tegenover. Ze houden zich vaak bezig met geïsoleerde vraagstukken en bieden geen samenhangend, goed onderbouwd theologische alternatief aan.

Millennialisten
Vooral de apocalyptische Bijbelgedeelten zijn populair. Er zijn postmillennialisten: het overgrote deel van de mensheid aanvaardt het evangelie en een periode van vrede en voorspoed breekt aan. Aan het einde van de duizend jaar komt er even een geweldige kink in de kabel als er grootschalige rebellie uitbreekt tegen God, met de antichrist als de grote boosdoener, maar het tij keert definitief door de tweede komst van Christus. Dit was lange tijd de standaardleer van veel historische kerken. Het amillennialisme ziet Openbaring 20 als symbolisch voor de tijd tussen de eerste en tweede komst van Christus (Augustinus). Als laatste is er het premillennialisme, die de opstanding in twee etappes ziet. Christus komt terug en er komt een nieuw orde. Deze wederkomst wordt voorgegaan door rampen van ongeëvenaarde omvang en zware vervolging van christenen. De rechtvaardigen worden tot leven gewekt bij Christus’ terugkeer om duizend jaar met Hem te heersen. Aan het einde van deze periode worden de onrechtvaardigen ook opgewekt. Dan – na duizend jaar – is er een kortstondige fase waarin ook Satan weer een rol speelt, alvorens de eeuwige heerlijkheid voor de verlosten echt begint. Het premillennialisme is het populairst bij evangelicalen en fundamentlisten.



Dispensationalisme
Wat voor miljoenen Amerikanen ook relevant is, betreffen discussies tussen preteristen en futuristen (of bijbelse profetieën al uitgekomen zijn of niet) en tussen pre-tribulationisten, post-tribulationisten en mid-tribulationisten (wat de volgorde is van de grote verdrukking en de komst van Christus). Ook is er het dispensationalisme, met name J.N. Darby van de Vergadering der Gelovigen was hier een vertegenwoordiger van. Het gaat hier om de gedachte dat God in de loop van de ‘heilsgeschiedenis’ de mens op steeds wisselende manieren tegemoet trad. Volgens dispensationalisten zitten we momenteel in de bedeling van de genade. Het is de periode waarin God Zijn plan volvoert door middel van de kerk.

De opname van de gemeente
Als er iets is waar bijna alle fundamentalisten het over eens zijn, is het Israëls hoofdrol in het eindtijd-drama. Vandaar de politieke steun voor Israël vanuit Amerika. Een andere term die in de eschatologie steeds weer opduikt is ‘de geheime opname’. Onmiddellijk voordat de uiteindelijke crisis, ‘de grote verdrukking’, over deze aarde losbarst, worden degenen die zich onvoorwaardelijk aan Gods kant hebben geschaard ‘in een oogwenk weggevoerd’. De rapture (geheime opname) spreekt sterk tot de verbeelding. Een enorme chaos is er het gevolg van: vliegtuigen waaruit plotseling de piloot wordt weggenomen, auto’s die zonder chauffeur stuurloos zijn geworden. Sommigen rijden met een bumpersticker als Warning: If the Rapture Occurs, this Car will be Driversless. Zodra de gemeente is opgenomen breekt een periode van zeven jaar van ongeëvenaarde vervolging aan, die in de slag van Armageddon zijn climax krijgt. In deze periode komen de Joden massaal tot bekering en zorgen op hun beurt voor een wereldwijde evangelisatiecampagne. Dan zal Jezus verschijnen en beginnen de duizend jaar van vrede en geluk voor de wereld vanuit Jeruzalem.


Rusland en de EU
Niet alleen Israël, maar ook Rusland speelt een belangrijke rol in het profetische eindtijd-scenario. Als Reagan sprak over de Sovjet-Unie als het rijk van satan, was dat meer dan een simpele beeldspraak. Men dacht dat Gog een symbolische aanduiding voor Rusland was (Ezechiël 38:2,16), de grootmacht die vanuit het noorden zal optrekken tegen Israël. Wilhelm Gesenius zag in de 19e eeuw ‘Ros’ (King James Version) als vroege vorm van ‘Rus’. Mesek en Tubal zouden staan voor Moskou en Tobolsk. Darby zorgde ervoor dat deze gedachtengang ingang vond in Amerika. Spanningen in de koude oorlog werden dus vertaald in religieuze termen. De Europese eenwording is nu steeds meer een hoofdthema geworden. Toen de EU tien leden telde, was dit een verwijzing naar de tien tenen en tien hoornen van de antigoddelijke macht van Daniël en Openbaring.

Amerika dan?
Voor de macht van het noorden lijkt men nu terug te grijpen op een oudere verklaring: de islam. Ten tijde van de Golfoorlog verschoof de focus even richting Saddam Houssein. Fundamentalistische profetie-uitleggers hebben niet zoveel bijbelse informatie over de rol van Amerika kunnen vinden. Dit is toch wel een probleem. Enerzijds geloven ze dat het met Amerika, gezien het schrikwekkende morele verval dat zij alom zien, snel bergafwaarts gaat. Anderzijds gelooft rechts Amerika nog sterker dan de rest van de natie in de bijzondere positie die Amerika in Gods plannen inneemt. Het getal 666 is ook een onderwerp van discussie. Veel speculaties werden gedaan. Hal Lindsey publiceerde De Planeet die Aarde heette, over eindtijdverwachting. Wel stelde hij zijn uitleggingen steeds bij als de gebeurtenissen in de wereld daarom vroegen.

Schepping of evolutie?
In discussies tussen de orthodoxen en modernisten in de 19e eeuw speelde het schepping-evolutieprobleem een belangrijke rol. Het beruchte Scopes-trial (het ‘apenproces’) van 1925 veroordeelde het onderwijzen van de evolutie op de openbare scholen, maar het zorgde voor veel gezichtsverlies. Tegenstanders van de evolutieleer kwamen steeds meer met wetenschappelijke argumenten. Zo zou de vloed van Noach als kortstondige, brute geweld van water en wind gezorgd hebben voor de verschillende geologische lagen waarin we nu allerlei fossielen aantreffen (catastrofe-theorie). Dus geen miljoenen jaren durende langzame ontwikkeling. Maar de creation science, door vele wetenschappers aangehangen, wordt nog altijd als een pseudo-wetenschap aangemerkt.


Katholieken in Amerika
Ongeveer 60 miljoen Amerikanen noemt zich katholiek. Er zijn 9 kardinalen, 42 aartsbisschoppen en 351 bisschoppen, verdeeld over 36 aartsbisdommen en 162 bisdommen. Er zijn 51.000 priesters actief. Ze hebben 7000 basisscholen, 1300 middelbare scholen en 231 instituten voor tertiair onderwijs. De toename van het aantal katholieken ging verbazingwekkend snel, maar toch bleef katholiek Amerika zich tot heel recent een niet-gewenste minderheid voelen binnen een uitgesproken protestantse cultuur.

Veel katholieke immigranten
Bij miljoenen kwamen de katholieken uit Duitsland, Ierland, Polen, Italië en andere landen. De katholieke kerk was lange tijd voornamelijk een kerk van arbeiders. Een zeer aanzienlijk percentage van immigranten waren katholieken. Tussen 1820 en 1920 arriveerden 4,5 miljoen Ieren in Amerika. Toen de aardappeloogsten in Ierland in de jaren 1840 herhaaldelijk voor hongersnood zorgden, was emigratie vaak de enige oplossing. De Ierse immigranten hadden een grote voorsprong op andere immigranten: zij spraken Engels. Immigranten uit Italië, Polen. Hongarije en andere Oost-Europese landen waren erop gebrand om zo snel mogelijk hun eigen parochies, met hun eigen geestelijken, op te zetten en hun eigen scholen te stichten. Het motto ‘Elk katholiek kind naar een katholieke school’ werd nooit helemaal gerealiseerd, maar het stelsel van scholen dat in het leven werd geroepen was verbazingwekkend.

Kan een katholiek Amerikaan zijn?
De crisis van Amerikanisme ging om de vraag in hoeverre de katholieke kerk zich aan de Amerikaanse cultuur diende aan te passen. Voor een groot deel van de Amerikaanse natie bleef de Amerikaanse katholieke kerk een ‘vreemd’ element. Verbondenheid aan de paus gold als loyaliteit aan een buitenlands staatshoofd. Opmerkelijk was dat de protestantse charismatische beweging oversloeg naar de katholieken. In 1960 lukte het een rooms-katholiek om president te worden – de eerste en (nog steeds) de laatste: John F. Kennedy.


Dalend misbezoek
Misbezoek daalde sterk, het aantal priesterroepingen liep drastisch terug. In 1966 waren er ruim 48.000 studenten aan de seminaries, in 1996 nog maar 6000. Studies wijzen uit dat het handhaven van de eis tot celibatair leven de belangrijkste oorzaak is van het feit dat zoveel priesters het ambt vaarwel zegden en van de relatief geringe belangstelling voor het priesterschap onder jonge katholieken. De meest recente golf van katholieke immigranten, die nog steeds aanhoudt, is die van Spaanssprekenden, de Hispanics. Na de vooruitstrevende Vaticanum II deed de paus met het encycliek Humanae Vitae in 1968 weer een stapje terug: elke vorm van geboorteregeling door kunstmatige middelen werd veroordeeld.

Antikatholicisme
Antikatholicisme was geruime tijd gewoon in Amerika. ‘De gemiddelde protestantse Amerikaan van de jaren vijftig van de vorige eeuw (19e) was systematisch getraind katholieken te haten’. Met name de Ku Klux Klan was niet alleen anti-zwart, maar ook anti-joods, anti-immigrant en antikatholiek. Onder veel protestanten ontstond grote verontwaardiging toen president Roosevelt in 1939 een afgezant stuurde naar de kroning van de paus en later in dat jaar een Amerikaanse ambassadeur bij de Heilige Stoel benoemde. Na een paar jaar werd dit weer ongedaan gemaakt, om in 1983 weer terug te komen. Toenadering kwam er in de gezamenlijke strijd tegen het communisme. Hierbij was vooral paus Johannes Paulus II populair.

Evangelicals and Catholics Together
Tekenend is Billy Grahams verhouding met de katholieke kerk. In het begin waren zijn relaties met katholieken bepaald niet hartelijk, maar in 1977 kreeg hij toestemming om een crusade te houden in één van Amerika’s ‘heiligste’ katholieke plaatsen: het befaamde sportstadion van de Notre Dame Universiteit. In recente jaren is vooral de toenadering tussen evangelicalen en rooms-katholieken opmerkelijk. Niet alleen gingen veel evangelicalen beseffen dat zij theologisch vaak op tal van punten dichter bij de katholieken dan bij hun vrijzinnige broeders en zusters in eigen kring staan. En met name in de strijd tegen abortus waren ze bondgenoten. De verklaring Evangelicals and Catholics Together kreeg steun van onder andere Pat Robertson.



Opdracht voor de mensheid
Buitenlandse zending is in de loop van de 20e eeuw steeds meer een Amerikaanse aangelegenheid geworden. Rond 1950 kwam ongeveer tweederde van het totale aantal protestantse zendelingen uit Amerika. Er is een wijdverbreid gevoel onder Amerikaanse christenen dat zij een ‘uitverkoren’ natie zijn met een goddelijke opdracht voor de mensheid. De Amerikaanse mentaliteit leende zich bij uitstek voor een planmatige, grootschalige aanpak. Tot de gebieden waar de Amerikaanse zendeling vooral hun roeping zagen, behoorden India, Birma, Sri Lanka, Zuid-Oost-Azië, West-Afrika, Turkije, Hawaï, Latijns Amerika, Japan, Korea en China. Vrouwelijke zendelingen waren vaak de pioniers op het gebied van onderwijs en medische hulp.

Mainline kerken matigen zendingsactiviteiten
Na de Tweede Wereldoorlog waren vooral Amerikaanse zendelingen niet meer welkom in verschillende Aziatische landen en China sloot in 1949 haar grenzen voor alle zendelingen. De theologische basis die de enorme inspanning voor de buitenlandse zending onderbouwde, begon uiteen te allen door de vraag of het christelijk geloof uniek was. In de meeste mainline kerken nam daardoor de zendingsactiviteit sterk af. Ook de katholieke kerk zendt veel missionarissen vanuit Amerika uit. Van 1925 tot 1985 verminderde het aantal zendelingen in de mainline kerken van 10.500 tot 2600 en steeg het aantal Amerikaanse zendelingen van 13.100 tot 37.803. Inmiddels is het aantal ver boven de veertigduizend gegroeid (1998).

Wycliffe
Amerika telt zo’n 400 protestantse zendingsorganisaties. De Southern Baptists zendt het grootste aantal zendelingen uit, ongeveer 4000 en de Assemblies of God hebben er ook opvallend veel. Bij elkaar worden er miljarden dollars gestoken in de zending. Geloofszendingen zijn organisaties die geen vaste kerkelijke achterban hebben en voor hun inkomsten volledig afhankelijk zijn van vrijwillige gaven. De mainline kerken hebben deze geloofszendingen vaak als sektarisch van de hand gewezen. De Wycliffe-organisatie, die in 1934 ontstond en vooral voor bijbelvertalingen zorgt in talen die door betrekkelijk kleine groepen mensen wordt aangesproken en waaraan de bijbelgenootschappen niet toekomen, heeft een staf van meer dan 4000 mensen waarvan meer dan de helft naar overzee zijn uitgezonden.



Bijbelscholen
De beweging van de Bijbelscholen kwam ruim een eeuw gelden op gang. De bekendste is het Moody Bible Institute in Chicago. Sinds 1890 heeft dit instituut ruim 5800 zendelingen afgeleverd. Er zijn ook organisaties die voor radio-evangelisatie via de korte golf zorgen: Trans World Radio bijvoorbeeld. Er is een behoorlijke mate van samenwerking tussen de zendingsorganisaties die tot de meer traditionele evangelicalen behoren en die met een charismatische achterban. De charismatische organisaties hebben over het algemeen meer belangstelling voor de praktijk dan voor theoretische bespiegelingen, en hebben meestal ook niet veel aandacht voor het lenigen van sociale noden.

10/40 window
Waarheen gaan de zendelingen op dit moment? 33 procent is werkzaam in Latijns-Amerika, dertig procent in Azië en 22 procent in Afrika. Naar Oceanië gaat vier procent. De eilanden van de Stille Oceaan zijn het meest ‘beëvangeliseerde’ gebied op aarde. De resterende tien procent gaat naar Europa, vooral Frankrijk, maar ook zo’n 100 in Nederland. Men spreekt wel van het 10/40 window als de grote uitdaging voor de hedendaagse zending: het gebied tussen 10 en 40 graden noorderbreedte: Noord-Afrika, het Midden-Oosten en een groot deel van Azië.

Evangelicaal en sociaal?
Van oudsher hadden protestantse zendelingen een tamelijk holistische benadering van hun werk: naast het zielenheil van de mensen hadden ze ook belangstelling voor hun aardse bestaan. Onderwijs en medische zorg, weeshuizen en andere sociale projecten waren als regel een vast onderdeel van hun zendingswerk. Daarin kwam wat de evangelicalen betreft in de periode 1900-1930 een verregaande verandering. Onder het liberale deel van het protestantisme groeide de belangstelling en steun voor het social gospel. De tragiek was dat de evangelicalen bij hun verwerping van de eenzijdige social-gospeltheologie ook hun traditionele aandacht voor fysieke noden loslieten; in het verleden had deze aandacht altijd deel uitgemaakt van hun zendingswerk. Er kwam later wel een koerswijziging, te zien op het congres in Lausanne (1974).



Tentmakers
Een opmerkelijke trend in de laatste jaren is de stijging van het aantal vrijwilligers dat voor korte tijd naar het zendingsveld vertrekt. Bekend zijn mormoonse zendelingen, die ook naar westelijke landen gaan. Hun bereidheid om twee jaar van hun leven aan de verbreiding van hun geloofsovertuiging te wijden en hun inzet om zich de daarvoor benodigde talenkennis toe te eigenen wekt terecht de bewondering van velen. Er is ook de non-residential missionary, zendelingen die een bepaald werkterrein krijgt toegewezen in een verboden land om zoveel mogelijk gegevens te verzamelen. Inzet van tentmakers zijn ook een nieuw fenomeen. Het is een goedkope zendingsmethodiek, want deze mensen hebben gewoon een baan en proberen in hun vrije tijd evangelisatiewerk te doen. Vooral in het Midden-Oosten gebeurd dit. Bij de Amerikaanse zending wordt een onbeperkt vertrouwen op menselijk kunnen, geld en techniek gecombineerd met een intense vroomheid en nadruk op de werking van de Heilige Geest: een paradox die voor veel niet-Amerikanen maar moeilijk te vatten is.

Een nieuw begin voor de mensheid
Hoe is het te verklaren dat in een land met een scheiding tussen kerk en staat godsdienst toch zo’n grote rol in het openbaar bestuur en politiek speelt en dat dit alleen maar meer wordt? Vaak werd Amerika als een soort paradijs gezien, een ‘nieuwe wereld’, waar de mensheid een nieuw begin kon maken. Naar Openbaring 12:6 was dit de woestijn, het woeste, dunbevolkte werelddeel waar de vervolgde kerk een veilige toevlucht kon nemen. De vroegste kolonisten zagen hun vestiging in de Nieuwe Wereld in termen van een verbond met God. De fascinatie met de klassieken zou blijken uit de architectuur van de 18e en 19e eeuw die gedomineerd werd door het Grieks-Romeinse Classicisme. Woorden als ‘republiek’, ‘president’, ‘congres’ en ‘senaat’ en de tekst op het zegel van de Verenigde Staten (E pluribus unum en Novus ordo saeclorum) getuigen eveneens van de verbondenheid met de Romeinen en hun strijd voor vrijheid. Maar zelfs een kenner en minnaar van de klassieken als president Jefferson stelde voor dat het beeld van Mozes die Israël door de Rode Zee leidde het zegel van de natie zou tooien.




Scheiding van kerk en staat
De overtuiging dat Amerika een door God uitverkoren natie was, raakte onuitwisbaar ingeprent in het nationale zendingsbewustzijn. Maar niet zelden was het Opperwezen waarnaar de Founding Fathers verwezen in feite eerde de God van de deïsten dan die van lutheranen, calvinisten en rooms-katholieken. In The Kingdom of God in America stelt H. Richard Niebuhr dat het concept van het Koninkrijk van God het overheersende thema is geweest in het Amerikaanse christendom en dat het steeds als basis heeft gediend voor het openbare leven. Het Eerste Amendement op de Grondwet garandeerde godsdienstvrijheid: ‘Congress shall make no law respecting an establishment of religion, or prohibiting the free exercise thereof’. Maar betekent dit dat de volksvertegenwoordiging geen enkele wet mag uitvaardigen die ook maar iets met godsdienst te maken heeft? Of gaat er het erom dat er geen wet mag worden gemaakt die aan een bepaalde kerk een bijzondere status verleent?

Verschillende interpretaties
De accomodationists gaan ervan uit dat het eerste amendement een beperkte betekenis heeft: het verbiedt slechts dat de ene kerk wordt bevoordeeld. Voor de accomodationists is het heel wel mogelijk om bepaalde godsdienstige gebruiken te ‘accommoderen’, zoals bijvoorbeeld het gebed op openbare scholen. Tegenover hen staan de seperationists, die een totale scheiding willen tussen overheid en geloof. De libertarians vinden dat alle godsdienstige gebruiken door dit amendement worden beschermd, zelfs niet-christelijke tradities zoals het dragen van een traditionele hoofddoek door islamitische meisjes. De communitatrians daarentegen menen dat de godsdienstige gebruiken van minderheden aan banden gelegd mogen worden en dat gemeenschapsnormen mogen prevaleren.

Grondwet in de context van haar tijd
In 1868 werd het veertiende amendement op de Grondwet van kracht dat de afzonderlijke staten verbiedt wetten uit te vaardigen die de fundamentele rechten van de burgers aantasten. Het Opperste Gerechtshof zou in de laatste helft van de 20e eeuw een aantal vérstrekkende principiële beslissingen nemen die nadrukkelijk van een separationistische koers getuigen. De realiteit is dat de Grondwet en de Bill of Rights tot stand kwamen in een wereld waarin protestants-christelijke waarden de boventoon voerden en waarin de moderne opvatting van absolute scheiding tussen religie en politiek nog geen ingang had gevonden.


Belangrijke strijdpunten
Welke belangrijke strijdpunten waren er in de laatste halve eeuw? De zaak Everson versus Board of Education (1947) ging over de vraag of scholieren van katholieke scholen ook gebruik mochten maken van door de plaatselijke overheid gesubsidieerde schoolbussen. Het Hooggerechtshof sprak uit dat geen godsdienst boven een andere mag worden bevoordeeld. In datzelfde jaar was er de zaak McCollum versus Board of Education. Het ging hierbij om het gebruik op openbare scholen om wekelijks een bepaalde hoeveelheid tijd vrijaf te geven voor het krijgen van godsdienstonderwijs naar de keuze van de ouders. Er werd bezwaar gemaakt dat dit gebeurde in een door de belastingbetaler gefinancierd gebouw. De rechters besloten dit aan banden te leggen.

Gebed op school
Engel versus Vitale (1962) ging over het dagelijkse gebed op de openbare school. Van katholieke zijde werd al eerder geprotesteerd omdat er een protestantse Bijbelvertaling werd gebruikt en de gebeden een protestants karakter hadden. Deze zaak was het begin van een reeks andere uitspraken waardoor gebeden in openbare ruimten en gelegenheden steeds meer aan banden gelegd werden. De zaak Bob Jones University versus United States (1975) ging het om het verlies van belastingvrijstelling omdat de school geen zwarte studenten wilde toelaten. De school kreeg de belastingvrijstelling niet terug.

God terug in de scholen
Er ontstond in de jaren tachtig een beweging om ‘God terug te hebben in de scholen’. De rechters werden ervan beschuldigd een bepaalde godsdienst, namelijk de godsdienst van het seculiere humanisme te steunen. Deze activiteiten leiden ertoe dat veel uitgevers van schoolboeken de inhoud aanpaste om niet het gevaar te lopen getroffen te worden door de evangelicale protesten. In sommige staten werd op openbare scholen evenveel tijd (equal time) aan de scheppingsleer als aan de evolutietheorie besteed. Daar maakte het Hooggerechtshof in 1987 een einde aan.

Abortus
Hét twistpunt was abortus. In de jaren zestig en zeventig waren er grote verschillen ontstaan tussen de verschillende staten op het punt van de abortuswetgeving. Sommige staten stonden geen enkele vorm van abortus toe, terwijl elders vrijwel iedereen een abortus kon krijgen. Roe versus Wade zorgde er in 1973 voor dat het Hooggerechtshof uitsprak dat met onmiddellijke ingang alle wetten van de afzonderlijke staten die abortus aan banden legden, ongeldig waren. Sinds deze tijd proberen evangelicale christenen dit besluit terug te draaien, en wellicht dat het Hooggerechtshof er zich in de nabije toekomst weer over gaat buigen. Als je ‘abortion’ bij google afbeeldingen intypt, krijg je afbeeldingen te zien die niet snel meer van je netvlies zullen verdwijnen. Maar die beelden zien we anders nooit, want de gruwelijkheid van de abortus mag niet openbaar gemaakt worden, het moet angstvallig verborgen gehouden worden!

Religious Right
Gewoonlijk spreekt met van de Religious Right als het gaat om organisaties en actiegroepen die Amerika haar christelijke karakter weer terug willen geven. Er is een regelrechte oorlog tussen de cultuur van het ongeloof en seculier humanisme en de christelijke cultuur die de historische grondslag van Amerika vormde bezig. Maar niet alle behoudende christenen zijn het altijd met de benaderingswijze van godsdienstig rechts eens. Ook blijft er een kloof tussen fundamentalisten en pinkergelovigen bestaan, hoeveel ze ook gemeen hebben. De fundamentalistische leider Jerry Falwell zei eens dat mensen die in tongen spreken kennelijk de avond tevoren teveel pizza hadden gegeten.

Moral Majority
Samen met de feministen streed men tegen de vloed van pornografie die het land overspoelde, maar zodra het ging om abortus en gelijke rechten voor de vrouw waren de feministen een bedreiging van het ergste soort. De aanhang van godsdienstig rechts voelde zich voor het merendeel veel meer thuis bij de republikeinen dan bij de democraten. Vooral Jerry Falwell was een meester in het aanboren van fondsen. Hij had een adreslijst met meer dan vier miljoen namen. Hij werd stichter van de Moral Majority, een omvangrijke organisatie die gedurende een aantal glansrijke jaren ‘godsdienstig rechts’ belichaamde.


Ronald Reagan
De verkiezingsoverwinning van Reagan in 1980 werd ten dele toegeschreven aan de massale steun van de Moral Majority. Jimmy Carter, ook een ‘wedergeboren’ christen, was een teleurstelling gebleken. Hoewel Reagans eerste huwelijk mislukt was en hij als gouverneur van Californië abortus op ruime schaal had goedgekeurd, hoewel hij zelden een kerkdienst bezocht en zijn vrouw zelfs spiritualistische media voor hem consulteerde, wist hij zichzelf toch het imago te geven van een wedergeboren man die de godsdienst weer zijn traditionele plaats in het openbare leven wilde teruggeven. Toch zagen evangelicalen uiteindelijk weinig van hun ideeën in de wetgeving terug. In 1988 werd de Moral Majority opgeheven, ondanks dat veel doelstellingen niet gerealiseerd waren. Het was slechts een kwestie van tijd of anderen zouden komen met nieuwe initiatieven.

Christian Coalition
Pat Robertson, een pinkstergelovige, begon een televisie-ministry, die van iets kleins – de aanschaf van een failliet televisiestation in Virginia – uitgroeide tot één van de omvangrijkste kabeltelevisienetwerken in de Verenigde Staten. In zijn eerste programma’s sprak Robertson soms in tongen en genas hij zieken, maar deze dingen bleven al snel achterwege. In de jaren tachtig besloot hij een gooi te doen naar het presidentschap. Hij wilde onder andere een jubeljaar invoeren waarin alle schulden zouden worden kwijtgescholden. Een argument tegen abortus was om te verhinderen dat het aantal belastingbetalers zou dalen, hetgeen de pensioensbetalingen van de naoorlogse generatie in gevaar zou brengen. In 1989 lanceerde Robertson de Christian Coalition. Vooral Ralph Reed was hiervan de strateeg. Men beklemtoonde nu dat abortus het recht op bescherming van het ongeboren kind tenietdeed in plaats van dat het tegen het goddelijke gebod ingaat.

Bedenkelijke steun aan de wapenlobby
Bij een demonstratie in 1993 werd een abortusarts gedood. Maar dit ging voor de meesten te ver. Steeds meer evangelicalen gaan over tot home-schooling. Dit is in Amerika toegestaan, ouders mogen zelf het onderwijs van hun kinderen verzorgen. Bedenkelijk is de steun van godsdienstig rechts aan de machtige lobby die het recht van elke Amerikaan op het bezit van een vuurwapen verdedigt, vooral in de zuidelijke staten, waar het recht op wapenbezit bijna een religieus dogma is. De reconstructionisten, die tamelijk gering in aantal zijn, hebben tot doel het Oude Testament weer als wetboek in te voeren.

Heel actief
Godsdienstig rechts is actief op tal van fronten. Hun aantal wordt geschat op zo’n 200.000 activisten. Een belangrijke taak is om christenen ertoe te brengen zich als kiezer te laten registreren. Op lager niveau tracht men vooral een meerderheid te krijgen in schoolbesturen, wat vaak lukt vanwege de geringe belangstelling van anderen om zich daarvoor op te geven. Iemand zegt: ‘De meeste politici hebben gewoonlijk de godsdienst gebruikt zoals een vrouw make-up gebruikt: in kleine hoeveelheid, mits op discrete wijze aangebracht, kan het de uiterlijke verschijning verbeteren, maar wie overdrijft ziet er al snel uit als een clown’.

Niet op z’n retour
Na de Scopus-rechtszaak in 1925 voorspelden velen dat de rol van de fundamentalisten was uitgespeeld. Niets bleek minder waar. Al met al heeft de beweging nog niet veel concrete resultaten geboekt, tenzij men het feit dat men erin geslaagd is de verschillende strijdpunten in de nationale belangstelling te houden, ziet als een duidelijke prestatie. Bill Clinton was een gewiekst politicus die zijn redes afsloot met een vrome bede om Gods bijstand, steevast gaf hij zijn luisteraars God Bless You All mee, ondenkbaar voor een Europees politicus. In de meeste Amerikaanse kerken is vooraan de vlag te vinden. Presidenten leggen hun ambtseed af op de Bijbel, de zittingen van het Congres en de Senaat worden nog steeds met gebed geopend en het In God We Trust blijft nog op elk dollarbiljet staan.


Gepubliceerd in juli 2008

Advertenties