Gereformeerd zijn en blijven, een wankel evenwicht?!

n.a.v. J.E. Post, Gereformeerd zijn en blijven, een wankel evenwicht?! Een historisch-sociologisch onderzoek naar de ontwikkelingen van de Gereformeerde Kerken in Nederland, de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk en de Christelijke Gereformeerde Kerken in de twintigste eeuw, Heerenveen 1998

Gereformeerde Kerken in Nederland
Universele visie
Een belangrijk motief voor de Vereniging van 1892 was volgens Elout van Soeteroude om grotere invloed op wetenschap en maatschappij te krijgen, ‘door de hoogere beteekenis van zulk eene samenbinding der Kerk’. De Vereniging was een samenbinding van krachten. De overheersende invloed van Abraham Kuyper op het ontstaan en de vormgeving van de GKN is onbetwist. Hij had een universele visie. Bij Kuyper is ‘de verkiezing of verwerping van den enkelen mensch’ niet het belangrijkste aspect van het gereformeerd protestantisme. Hij nam de schepping als geheel tot uitgangspunt: Gods eeuwige plan had betrekking op de gehele wereld.

Alle terreinen
De doelstellingen van de kerk behoren dan ook steeds op dit doel gericht te zijn: niet alleen, en niet in de eerste plaats het individuele eeuwig heil, maar het heil van de hele wereld, van ‘alle terreinen van het leven’. Kuyper denkt ook dat de wereld gevoelig is voor de stralen van de christelijke boodschap omdat God na de zondeval de wereld niet aan zichzelf had overgelaten: de ‘Gemeene Gratie’. Dit maakte het voor de gereformeerden ook mogelijk breed in de samenleving te participeren. Gods genade was immers op alle terreinen van het leven aanwezig. De gereformeerde behoefde zich dan ook niet in alles apart te organiseren (wel bijvoorbeeld in de politiek). Zijn optimisme werd versterkt doordat hij meende te constateren dat het ‘calvinisme’ ingang vond in de moderne maatschappij (Stone-lezingen 1898).

Grotere wonderen
Ontwikkelingen in wetenschap en techniek werden door hem als ‘grotere’ wonderen getypeerd dan de wonderen die Christus deed. Het meerdere zit ‘m in de ‘uitgebreidheid, omvang en duurzaamheid’. Praamsma meent dat de hoofdzaak van Kuypers strijd gericht was tegen het subjectivisme (van ethische én bevindelijke zijde). Tegenover deze stromingen formuleerde Kuyper een ideologie die was toegesneden op de ‘moderne’ tijd. Het was een zeer uitgebalanceerd systeem van leerstukken en concepties. De essentie ervan was dat het op ‘moderne’ leest schoeien van traditioneel-gereformeerde opvattingen. Vandaar de term neo-orthodox of neo-calvinistisch. De GKN werden gedreven door een verheven ideaal.

Schriftkritiek op een kier
Ten aanzien van het Schriftgezag kunnen we zeggen dat de GKN een strikt mechanische opvatting al vroegtijdig hebben vervangen door een organische opvatting. In deze opvatting is er enerzijds ruimte voor ‘onderzoek en onzekerheid’, anderzijds is er sprake van ‘gezag en zekerheid’. Zo meende Kuyper dat er onder ‘de toelating Gods’ wel een zeker bederf van de bijbeltekst was opgetreden, ‘maar nimmer kon daardoor de waarheid in gevaar komen’. Bavinck heeft toch de deur naar de Schriftkritiek op een kier gezet en een enkele keer zelfs ruimhartig toegegeven dat het Schriftonderzoek feiten aan het licht brengt die met de leer der inspiratie moeilijk te rijmen zouden zijn.

Geneigd tot vernieuwing
Eenzelfde, niet absolutistisch, standpunt kunnen we ten aanzien van de belijdenisgeschriften waarnemen (passage geschrapt uit artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Ook ten aanzien van de liturgie was dit het geval: Kuyper uitte al vroegtijdig bezwaren tegen de ‘oude berijming’. Maar voor grote wijzigingen was nog geen plaats. Vooralsnog was de eerste taak die gesteld werd het brengen van orde in het, over het algemeen in de 19e eeuw, chaotische verloop van de eredienst. Kuyper was geneigd tot vernieuwing. Zo zag hij geen principieel bezwaar tegen het zingen van gezangen in de eredienst. Wel zag hij een praktisch bezwaar; in de praktijk was immers steeds gebleken ‘dat de invoering van een gezangbundel altoos schade deed aan het gebruik der Psalmen’.

Terugvechten
Het gereformeerde leven werd in het begin van de 20e eeuw vooral gekenmerkt door eenvoud. Toch voert het te ver om de gereformeerde als cultuurmijder te typeren. Kerstening was geboden, genieting van het aardse leven allerminst verboden. Wereldmijding was slechts op drie gebieden aan de orde: kaartspel, schouwburgbezoek en de dans. Neocalvinisten vechten terug. Ze menen een wereldbeschouwing te hebben die gepaster, God- en menswaardiger en hoger ontwikkeld is dan het revolutionaire denken van de moderne tijd. De gereformeerden omarmden de zending als ‘een der hoofddelen van het agendum’. De GKN hebben reeds van aanvang een ‘dubbele doelstelling’ op dit gebied gekend: bekering van mensen en kerstening van de samenleving. Kuyper was overtuigd van deze ‘aanpak’, het ‘succes’ ervan was, naar zijn mening, duidelijk te zien in ‘de Indiën’.

Verrassende machtsontwikkeling
Hoewel noch de Doleantie noch de Vereniging volledig geslaagd genoemd kon worden, zagen de gereformeerden duidelijk een stijgende lijn in de machtspositie. Het heersende optimisme aan het einde van de 19e eeuw zal zeker een uitstraling op de gereformeerden hebben gehad. Kuyper en Bavinck kregen op theologisch gebied internationale erkenning. De GKN werden gezien als internationaal voorbeeld, met ‘dochterkerken’ in de Verenigde Staten en ‘zusterkerken’ in Zuid-Afrika. Initiatieven als het dagblad De Standaard, het christelijk onderwijs en Patrimonium (een gezamenlijke vereniging van werknemers en werkgevers) werden grootheden waar rekening mee gehouden diende te worden. De ARP werd een factor van belang in de politieke arena, in 1901 werd Kuyper premier. De Vrije Universiteit ontwikkelde zich tot een volwaardige universiteit. Kortom, in de opbouwfase, tussen 1886 en 1910, werd geestdriftig en creatief gewerkt met een ‘verrassende machtsontwikkeling’ tot gevolg.

Strakke organisatie
Door deze gunstige situatie kon de leiding van de GKN het zich veroorloven binnen en buiten het eigen kerkverband strikt toe te zien op de zuiverheid in de leer. Met name de beïnvloeding door de ethische theologie werd met zorg geweerd. Een strakke organisatie was vereist om de ambitieus gestelde doelen te bereiken. De GKN werden gekenmerkt door een groot identiteitsverschil met de omgeving. Kuyper en zijn volgelingen gingen de strijd niet uit de weg. Daarbij was sprake van een als sterk gepercipieerde machtspositie. Ondanks al zijn optimisme erkende Kuyper tegelijkertijd dat de ‘periode die wij thans doorleven religieus zeer laag gestemd is’. De (neo)gereformeerden namen een offensieve houding in, gepaard aan de strategie van presentatie. Zij kozen ten aanzien van hun strategie, anders dan de ethischen, voor het doortrekken van de scheiding tussen ‘geloof’ en ‘ongeloof’ en kozen daarmee voor eigen organisaties om van daaruit de strijd aan te gaan. De interne constellatie werd gekenmerkt door een strak regime waar een ‘ontoegankelijkheid voor kritiek’ heerste.

Nuance
Een eerste tegenvaller was dat de vereniging tussen de christelijk-gereformeerden en de dolerenden niet volledig was geslaagd. Er bleef spanning bestaan. De ‘Afscheidings-vroomheid’ werd minder gekenmerkt door een sterke gerichtheid op de externe oriëntatie, maar meer door een sterke gerichtheid op een eenvoudige persoonlijke geloofsbeleving. In 1905 moest Kuyper dan ook, en daarmee bewees het Afscheidingsdeel een sterkere machtspositie te hebben bezet, accepteren dat een belangrijk element uit zijn theologie aanzienlijk genuanceerd werd. Men zou niet meer met Kuyper de kinderen dopen omdat men veronderstelde dat ze wedergeboren waren. Men zou ze wel houden voor wedergeboren, tot uit hun daden later eventueel anders zou blijken. In de prediking moest steeds worden aangedrongen op ernstig zelfonderzoek.

Afzwakking doelstellingen
Een andere tegenvaller, namelijk de politieke teleurstelling (Kuyper kon in zijn hoedanigheid als premier niet veel van zijn idealen, met name op sociaal gebied, tot stand brengen), had tot gevolg dat binnen de GKN ‘het compromis van 1905’ gemakkelijker tot stand kwam. ‘Men had op staatkundig terrein hoog spel gespeeld, maar den inzet verloren. Zou men datzelfde hooge spel nu spelen op de Synode van Utrecht en daar ook den inzet verliezen?’ Bij deze tegenvallende machtspositie vond een afzwakking van de ambitieuze doelstellingen plaats, bijvoorbeeld van de taak van de diaconie, die eerste veel te breed was opgevat.

Beweging der jongeren
In de naoorlogse context zocht een jongere generatie gereformeerden naar een nieuwe strategie. Zij stelden zich steeds kritischer op tegenover de leiding van de GKN: de beweging der jongeren, die zich nog wel eens beriepen op Bavinck. De leiding van de GKN diende de externe oriëntatie te versterken in plaats van af te zwakken. Deze roep werd echter min of meer genegeerd. Grosheide zag hier slechts een generatieprobleem. Ze waren, zo bevaderde hij de jongeren, vooral te wijten aan ‘het bijzondere van Uw jaren, straks verstomt het vanzelf’. De externe oriëntatie, zo zou men kunnen interpreteren, was belangrijk, maar de jongeren moesten daar geen al te hoge verwachtingen (meer) van hebben. De jongeren hielden daarentegen de ambitieuze doelstellingen intact, het ging hen om een universeel perspectief. Wanneer dit niet bereikt kon worden langs strikt neogereformeerde paden, dan moesten andere wegen gezocht worden.

Onbedoeld effect
Voor een niet onbelangrijk deel is deze beweging der jongeren te verklaren uit een onbedoeld effect van de neogereformeerde strategie. De emancipatie van de gereformeerden, hun streven slaagde bijzonder goed. Steeds meerdere van haar leden werden geroepen tot de hoogste ambten in staat en maatschappij. De sociale stijging mocht dan gunstig zijn voor de ontwikkeling van de machtspositie, dat was maar één kant van de medaille. De tweede kant was dat sociale stijging van een aantal leden van de groepering verschillen in levensstijl opwekt. Er hebben zich binnen de GKN disfunctionele verschijnselen voorgedaan als gevolg van het niet gelijktijdig aanvaarden van vernieuwingen.

Alom verandering
Het onbedoelde effect van de emancipatie was niet alleen dat de jongeren de doelstellingen van de GKN anders interpreteerden dan de leiding (wereldbevrijding [activiteiten die als doel hebben de mens te bevrijden uit krachten van de natuur en uit onvrijheid of onrecht door andere mensen veroorzaakt] in plaats van kerstening) maar ook dat zij ten aanzien van cultuurontwikkelingen andere opvattingen gingen koesteren. Met name na de Eerste Wereldoorlog werd alom verandering geconstateerd, ook in de gereformeerde zede van ons land: lage geboortecijfers, christenvrouwen bij modeshows, lage halzen, vleeskleurige kousen, rokken die de ‘zitproef’ niet konden doorstaan, gemengd zwemmen, sportverdwazing en vrouwenkiesrecht. ‘Brood en spelen! wordt er geroepen; sport en nog eens sport! En lege wiegen!’ Het kersteningstreven werd vervangen door wereldbevrijding; de leiding verving de strategie van presentatie voor die van bescherming. In de conflicten die naar aanleiding van deze verschillende strategiekeuzes ontstonden, trachtte de leiding de beheersing van het kerkelijk leven weer terug te krijgen.

Van Gelderen en Netelenbos
Het is niet zo verwonderlijk dat de conflicten die hiervan het gevolg waren, culmineerden rond een zeer gevoelig thema: het Schriftgezag. De organische Schriftvisie zette volgens sommigen trouwens de deur naar de Schriftkritiek op een kier. In 1916 vond er een confrontatie achter de schermen plaats met hoogleraar Van Gelderen die meende dat Gen. 1-11 anders dan strikt historisch gelezen kon worden. In 1919 legde een predikant zijn ambt neer toen hij zag dat zijn standpunt ten opzichte van de Heilige Schrift hem plaatste buiten de grenzen van de gereformeerde belijdenis. In 1920 werd J.B. Netelenbos geschorst omdat hij ‘alle vastigheid van het objectief gezag der H. Schrift prijsgaf, en het zwaartepunt naar het subjectief gevoel verlegde’. In 1921 werd een kandidaat geweigerd die een andere visie had over de Goddelijke ingeving der Heilige Schriften.

Getuigenis
De ontwikkelingen in de gereformeerde leer en het gereformeerde leven zoals hierboven beschreven, leidden ertoe dat de leiding van de GKN ingreep. De Leeuwarder synode (1920) deed daartoe een ‘getuigenis’ uitgaan dat van de kansels van de GKN verkondigd moest worden. Toch had de beweging der jongeren wel iets bereikt. De Leeuwarder synode liet tenminste een aantal vernieuwingen nader doordenken. De synode gaf deputaten de opdracht om een ‘nadere formulering van hetgeen de GKN, tegenover opgekomen dwalingen, zeer bepaald ook tegenover de Ethische Richting, naar den Woorde Gods belijden (…)’ Verder werd gevraagd om een nieuw catechetisch leerboek, een herziening van de liturgische geschriften en een uitbreiding van het aantal gezangen. Besluitvorming over deze zaken werd echter steeds vooruitgeschoven…

Toneelkwestie
De beweging der jongeren was bepaald niet tevreden. In een preek wees ds. Geelkerken op de ‘jammerlijke eenzijdigheden’ van het synodale getuigenis. Enkele weken daarna kwam de VU in het nieuws door toneelstukken door haar studenten. Hepp uitte scherpe kritiek: ‘Walgelijk, walgelijk, driedubbel walgelijk’. De toneelkwestie ontving in de kerkelijke pers grote belangstelling. De kern van het gereformeerde leven was er volgens velen mee gemoeid. Voor de leiding van de GKN werd al meer duidelijk dat er nu een keuze gemaakt moest worden. Het accepteren van de jongeren zou een nieuwe strategie impliceren (openheid en dialoog) die veel weg had van de ethische strategie. Dat gebeurde niet, maar dit alles was wel het voorspel op de breuk in 1926.

Schijnconformatie
Hoewel Geelkerken persoonlijk best in een ‘echte slang’ wilde geloven, wenste hij ruimte in de kerk voor hen die dat niet konden. De breuk van 1926 had een viertal gevolgen: diepe sporen door het kerkelijk leven, veel uitgetredenen waren academici, de GKN ondervond nauwelijks instemming van de gereformeerde gezindte als geheel, en er bleef een niet duidelijk te omschrijven groep bezwaarden, die in de besluiten van Assen berust had, zonder er enige sympathie voor te hebben. Daarmee behielden de GKN een oppositionele organisatie die zich echter voorlopig terugtrok in de schuilkelder en vooralsnog voor de tactiek van distantiëren koos. De conformatie was slechts schijn. Veel achterblijvers kunnen zich volledig vinden in hetgeen door de leiding wordt voorgestaan, maar hebben grote bezwaren tegen de wijze waarop door de leiding wordt omgegaan met de oppositionele organisatie.

Aanpassen?
De snelle stijging van de machtspositie in het laatste kwart van de 19e eeuw had zich in het begin van de 20e eeuw niet zo sterk doorgezet. Daardoor kwam de zo belangrijk gevonden doelstelling, kerstening van de samenleving, in gevaar. De jongeren kozen voor de optie om de identiteit aan te passen om zo coalities te kunnen sluiten met soortgelijke groeperingen, ethische en daaraan verwante stromingen. Zelfs een verbond met het christen-socialisme kwam voor hun streven in aanmerking. Wel zag de leiding in dat vernieuwing en aanpassing nodig waren om de machtspositie te versterken.

Nuancering Schriftgezag
Van de zijde van de Gereformeerde Bond kwam kritiek op de nuancering van het Schriftgezag door de gereformeerden. Volgens Hepp zou de ezel van Bileam bijvoorbeeld niet met een ‘menschenstem’ gesproken hebben. Ernstiger was de gereformeerde opvatting over Markus 16. Kuyper had al gemeend dat hier sprake was van een tegenstrijdigheid tussen de verhalen van Lukas en Markus. Hepp en H.H. Kuyper meenden dat het slot van het hoofdstuk ‘corrupt’ was en dus weggelaten diende te worden. Dit was zeer tegen de zin van Visscher, die een schijnbare tegenstrijdigheid nog geen ‘corruptie’ van de tekst vond. Visscher deelt ons ook mee dat Hepp in besloten kring meeging met de bezwaren tegen het Schriftgezag zoals Netelenbos aanvoerde.

Programmapunten
Niet alleen ten aanzien van het Schriftgezag werden de opvattingen bijgesteld. Ook in andere opzichten werd vernieuwing nagestreefd. Hepp stelde een aantal programmapunten op: verbeterde bijbelvertaling, uitbouw van de belijdenis, herziening van de liturgie, reorganisatie van de kerk in de grote steden en de bepaling van standpunten jegens de cultuur. De leiding van de GKN vonden dat leer en leven conform (neo)gereformeerde uitgangspunten nog toekomst hadden. Maar het zou nadelig uitwerken als men op de ingeslagen weg zou doorgaan zonder enige verandering. Beter leek het om voortdurend de gevaren van ‘de wereld’ aan te wijzen. Helemaal ongelijk hadden de jongeren niet, maar hun ongelijk zat wel in de totale overgave aan de ethische richting met haar verwerping van de antithese en haar compromisbereidheid. De leiding van de GKN geloofde er nog in dat de gestelde doelen bereikt konden worden zonder inhoudelijk al te veel concessies te doen. Wel zou een aangepaste strategie, een ‘gematigd alternatief’ voor de strategie van de jongeren, worden toegepast.

Internationaal
Op het oog leek het gereformeerde leven zich met hernieuwde kracht te ontwikkelen. Het gereformeerde leven stond meer dan ooit in het internationale teken: Hongarije, Tsjecho-Slowakije, Roemenië, Joegoslavië, Zwitserland, Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk en Engeland – overal werden contacten aangeknoopt met gereformeerde kerken. Men constateerde een ‘opleving van het calvinisme’. In het herdenkingsjaar 1934 werd gesproken over een ‘uitbouw der Afscheiding naar het Nabije en Verre Oosten, naar het Wilde Westen en het Zoele Zuiden’. Het zendingswerk werd verder uitgebouwd; J.H. Bavinck werd in 1939 als zendingshoogleraar benoemd.

Hier en daar een aanpassing
De ‘oude’ strategie, met ‘hier en daar’ een aanpassing voldeed, in de ogen van de leiding van de GKN, prima. Het ‘blijvende, dat van eeuwigheid is’ werd gesteld tegenover het ‘moderne’. Colijn was een nationale figuur geworden, waarbij de anti-revolutionairen veel meer zetels kregen dan waar ze gezien de samenstelling van de bevolking recht op hadden (17 van de 100 in 1937). Hoe optimistisch dit ook mag klinken, terdege werd beseft dat de gereformeerden een minderheid waren en waarschijnlijk ook wel zouden blijven. Met een in geringe mate aangepaste identiteit, de uitbouw van de contacten met gereformeerden tot ver over de landsgrenzen heen en het in samenhang daarmee zoeken naar coalities om de machtspositie te versterken, trachtten de gereformeerden in het Interbellum de aanvankelijke doelstellingen zo goed mogelijk te bereiken.

Wereldaanvaarding
Op individueel niveau aanvaardden gereformeerden langzaam maar zeker steeds meer de moderne ontwikkelingen (wereldaanvaarding – het is de mens zelf die vorm en inhoud geeft aan zijn leven) en op collectief niveau bleek het kersteningsideaal niet waargemaakt te kunnen worden. De nieuwe strategie verliep echter bepaald moeizaam. Heel duidelijk bleek dit wel uit de pogingen die ondernomen werden om de relaties met andere gereformeerde groeperingen in ons land te verstevigen. Daarbij kwam vooral de CGK in het vizier. Ook tot de ‘broeders en zusters’ in de Ned.Herv.Kerk klonk de oproep.

Angst voor vernieuwing
Ook in eigen huis liep een en ander minder soepel dan mocht worden verwacht. Zo kwam er uiteindelijk van de vernieuwingen die door de synode van Leeuwarden (1920) waren geïnitieerd, weinig terecht. De angst voor vernieuwing zat er sinds Assen goed in. Het enige voorstel dat uiteindelijk tot een daadwerkelijke vernieuwing leidde, was de uitbreiding van de ‘Eenige Gezangen’. Samenvattend kunnen we stellen dat de machtspositie van de GKN zich in een negatieve lijn ontwikkelde. Uiteindelijk zou de aangepaste strategie tot een nieuw conflict leiden: de Calvinistenbond. Hepp lanceerde het plan, Schilder dacht daar heel anders over.

Barth
Voor een goed begrip van Schilders aversie tegen de door hem geconstateerde ‘verslapping’ van de gereformeerde grenzen moeten we nog even naar de theologie van Karl Barth kijken, die populair was bij de jonge generatie gereformeerden. Barth trok evenals de gereformeerden een scheidslijn, maar niet zoals de gereformeerden gewend waren: tussen hen die voor en hen die tegen Christus waren. Barth trok de scheidslijn tussen de mensheid als geheel en God. De mens was te bedorven om maar iets van God te kennen. In Barths opvattingen pasten geen christelijk leven, christelijke politiek of christelijke wetenschap. Dit was een opstelling die de ethischen in de vorige eeuw eveneens innamen. Zijn theologie bood een legitimatie om de gereformeerde grenzen minder strak te trekken en coalities aan te gaan met minder strikt gereformeerde groeperingen.

Niet geraakt
Aanvankelijk nam het gereformeerde kader een wat negerende houding aan. Hepp werd niet geraakt door Barths theologie; wel was het van betekenis dat hij niet alleen verschilpunten noemde, maar ook een verwachting ten aanzien van Barth uitsprak. Schilder nam daarentegen van meet af aan afstand van Barth. De overeenkomst tusen Schilder en Barth was dat zij zich beiden keerden tegen het resterende goede in deze wereld. De Eerste Wereldoorlog had daar voldoende aanleiding toe gegeven.

Het isolement
Schilder meende dat de gereformeerden omwille van hun in maatschappelijk en kerkelijk opzicht gevestigde positie ‘de tegenstellingen in de controversen’ aan het ‘afslijpen’ waren. De identiteit ging Schilder boven de machtspositie. Het calvinisme was ‘krachtens zijn aard, een steen des aanstoots’. ‘Men heeft mij gevraagd of isolement altijd nuttig was. Antwoord: wie het begeert is ziek. Wie het, als hij ertoe gedrongen wordt, niet aandurft, is nog zieker’.

Aristocraten
In De Reformatie trok Schilder ten strijde tegen de gevestigde orde en maakte hij zich sterk om het gereformeerde leven aan te scherpen. De leiding stond een meer open strategie voor waarbij de gereformeerde grenzen wat ruimer getrokken zouden worden. Schilder viel H.H. Kuyper aan dat hij het gedachtegoed van zijn vader onvoldoende hernieuwde doordenking gaf. De wijze waarop deze de GKN stuurde werd gekenmerkt door negeren en coöpteren, getracht werd en voorzichtige middenkoers te varen. Deze ‘aristocratische’ wijze van leidinggeven moest het ontgelden.

Overtuigd
Schilder was volledig overtuigd van zijn gelijk. Schilder meende dat hij polemiseerde over objectieve zaken. Wie hem niet bijviel, was volgens die logica een verward denker (Ubbink), iemand van een ander beginsel (Buskes, Noordmans), een subjectivist (Geelkerken) en ga zo maar door. Voorjaar 1944 werd Schilder geschorst, zomer van datzelfde jaar vond de vrijmakingsbijeenkomst plaats.

Keerpunt
De naoorlogse periode zou voor de GKN een keerpunt in de geschiedenis vormen. De tijd dat de ARP tot op zekere hoogte hun stempel konden drukken op het regeringsbeleid en op de inrichting van de samenleving was voorgoed voorbij. Tot 1952 zou ze veroordeeld zijn tot de oppositiebanken, waarna zij weer regeringsverantwoordelijkheid ging dragen, en voor die rol moest de partij het kernpunt van zijn bestaan, de antithese, prijsgeven. De wijze waarop het woord ‘Evangelie’ in de grondslag van het CDA opgenomen werd, ontlokte aan Algra de zucht: ‘We hebben hier te maken met een humanistisch klinkend betoog, op één plaats opgehangen aan het Evangelie als een spijker’.

Dit nooit meer
De Vrijmaking had diepe sporen getrokken in de GKN: het tastte het gevoel van eigenwaarde sterk aan en er kwam een geest van tolerantie (‘dit nooit meer’, ‘iedereen kan zijn gang gaan, zolang hij maar niet aan de Christus der Schriften komt’, de kerkstrijd had geleid tot ‘een afkeer van theologische haarkloverijen’). In 1932 werd al gezegd: de groei is eruit (dat kwam door ‘afval van de doopleden’ en ‘de praktijk der opzettelijke geboortebeperking’). Wel vinden we nog optimistische geluiden over het bloeiende verenigingsleven; dit komen we na de oorlog niet meer tegen. Sinds de jaren zestig is de kerkverlating een jaarlijks terugkerend onderwerp in de kerkelijke overzichten. In het jaaroverzicht van 1965 wordt voor het eerst vrij uitgebreid stilgestaan bij het fenomeen van kerkverlating.

Een beetje burgerlijk
Vanaf het begin van de jaren zeventig was er sprake van een absolute daling van het ledental. Steeds meer van de geboren kinderen bleven ongedoopt, werden dus niet geregistreerd als dooplid en vielen daardoor buiten de kerkelijke statistieken. Met name de middagdiensten moesten het ontgelden. Veel gereformeerden die door hard werken het een beetje beter hadden gekregen, begonnen zich plezierig en behaaglijk in het leven te voelen. Zij werden een beetje burgerlijk, gingen zondagsmiddags naar een voetbalwedstrijd. De ontwikkeling van wereldaanvaarding waarmee ze na de Eerste Wereldoorlog werden geconfronteerd, kwam nu in alle hevigheid op de kerken af. De verstedelijking raakte ook de GKN; veel gereformeerden trokken naar de stad, de industrialisatie bereikte ook de vroeger zo rustige landelijke dorpen en deed ook daar zijn invloed gelden. De autochtone, oorspronkelijke bevolking werd dan geheel overgroeid door nieuw ingekomenen.

Weer jongeren
Het was niet verwonderlijk dat in die situatie een nieuwe organisatie-van-onderop tot stand kwam: een nieuwe beweging der jongeren die actie wilde ondernemen tegen de malaise in de GKN. Zij vreesden dat het proces van ontwrichting, verstarring en ook indifferentisme in toenemende mate het gereformeerde leven zou gaan aantasten. De werfkracht van de GKN was volgens deze jongeren gering. Zij wensten actuele problemen ter sprake te brengen. De jongeren wilden vanuit een persoonlijke beleving van het geloof actuele vragen op alle terreinen van het leven bestuderen en zo komen tot een eigentijdse gereformeerde visie.

Open staan en vasthouden
In het zoeken naar antwoorden trachtten Berkouwer en anderen open te staan voor kritiek op het functioneren van de GKN, open te staan voor nieuwe geluiden en tegelijkertijd vast te houden aan ‘oude geloofswaarheden’. Met deze tussenpositie konden zij toenemende spanningen tussen vernieuwers en behouders niet voorkomen. Naast de jongeren waren er nog andere progressieve krachten werkzaam. Met name kan dan verwezen worden op de (sterk oecumenisch ingestelde) zendingsmensen (denk ook aan het stemadvies van prof. Verkuyl richting PPR). Eenzelfde progressieve invloed ging uit van de ontwikkelingen aan de Vrije Universiteit (zoals de veranderde visie op het ontstaan van de aarde).

Heroriëntatie
De situatie was totaal gewijzigd en een periode van heroriëntatie volgde dan ook. De situatiedefinitie werd niet direct als zo ernstig onderkend. Pas in de loop van de jaren vijftig werd beseft dat de machtspositie onherstelbaar was beschadigd. We zullen hierna zien dat er een moment aanbrak waarin beseft werd dat ‘oud’ uit was en ‘nieuw’ de enige mogelijkheid. Dat moment valt ergens in het begin van de jaren zestig te lokaliseren. Maar reeds in de jaren vijftig werd het voorwerk verricht: het identiteitsverschil met de omgeving werd verkleind door een aantal basisveronderstellingen over het Schriftgezag te falsificeren. Daarmee werd de weg tot grootscheepse veranderingen vrijgemaakt.

Uitgepraat
Direct na de Vrijmaking hebben de GKN getracht de vrijgemaakt-gereformeerden weer te bewegen terug te keren. Hoewel zich binnen het vrijgemaakte kamp twee fronten aandienden, was de afwijzing van de vrijgemaakten resoluut. De moeizame pogingen hadden voor vel gereformeerden lang genoeg geduurd. Zij waren op zoek gegaan naar andere mogelijke oecumenische partners waaronder de Wereldraad van Kerken. Pogingen tot nauwere samenwerking werden eveneens ondernomen in de richting van de CGK. In 1956 kon echter al geconstateerd worden dat men was ‘uitgepraat’. Met enige weemoed dacht de christelijk-gereformeerde kroniekschrijver van 1970 terug aan vroeger tijden: ‘De Gereformeerde Kerken waren in ons land een sterk bolwerk van gereformeerde belijders (…) ze betekenden wat in de wereld. We luisterden naar de theologen van Amsterdam en Kampen. Vele boeken vulden de boekenkasten van onze predikanten’.

Leden en leiding
Niet alleen de leden, ook de leiding van de GKN veranderde, zij het voorzichtig. Officiële veranderingen zouden pas in de jaren zestig optreden. De behoudende krachten verzwakten in de loop van de jaren. De ‘vader der verontrusten’, prof. K. Dijk, stemde wel hartelijk in met veel vernieuwingen en veranderingen op het terrein van de liturgie en de plaats van de vrouw in de kerk; zijn kritiek was voornamelijk gericht tegen de veranderingen in de gereformeerde zede, het nieuwe omgaan met het leerstuk der verkiezing en de ‘ongezonde’ oecumenische activiteiten.

Mantel der liefde
In de jaren zestig traden ‘niet onaanzienlijke wijzigingen’ op: men wilde niet langer een pleidooi houden voor onfeilbaarheid in de zin van foutloosheid van de Bijbel, de organische inspiratieleer wordt verruimt, Assen steeds meer genuanceerd. Dit alles vooral door de invloed van Berkouwer. De synode had sindsdien geen voornemens meer al te hard op te treden. Wel ging het de synode (1970) aanvankelijk te ver toen Kuitert (en anderen) de historiciteit van de zondeval ontkende en daarmee het gezag van de Schrift ter discussie stelde. Maar de zaak werd met de mantel der liefde bedekt omdat, volgens de synode, de ‘eenheid van het kerkelijk belijden’ hiermee niet in gevaar kwam. Daarmee zetten de GKN een fundamentele streep door een specifiek gereformeerde bijbelopvatting maar vooral ook door de juridische handhaving daarvan.

Evangelisatie anders
Niet alleen de visie op het Schriftgezag veranderde, ook de functie van de belijdenisgeschriften; de binding eraan werd steeds losser. Evangelisatie werd steeds minder het redden van mensen, het doorgeven van vaststaande bijbelse feiten met het oog op de persoonlijke bekering, maar meer het vernieuwen van de wereld, het maatschappelijk engagement. Op diaconaal gebied werd het werkterrein verlegd van ‘individueel maatschappelijke nood’ naar ‘structurele oorzaken van die nood’. De stichting Gereformeerde Sociale Arbeid groeide in in de kerken waarmee een belangrijk onderscheid, dat tussen kerk als instituut en kerk als organisme, opgeheven werd.

De Achttien
De verminderde machtspositie van de gereformeerden in de periode na de Tweede Wereldoorlog resulteerde in veranderingen van de leer. Het identiteitsverschil met de omgeving werd zo kleiner. Deze veranderingen werden noodzakelijk geacht. ‘De Achttien’ riepen in 1962 op tot eenheid tussen de Ned.Herv.Kerk en de GKN. ‘Kernexplosies in Rusland of Amerika verhogen de radioactiviteit in de atmosfeer over de hele wereld’ deed het besef doordringen ‘dat de kerk van Christus een boodschap heeft voor de gehele bewoonde wereld’. De gereformeerde synode dat jaar reageerde positief, het apostolische getuigenis zou het fundament van de nieuwe kerkelijke eenheid zijn (over de drie formulieren van enigheid werd niet eens meer gesproken).

Toenadering
Overigens is het niet juist te stelen dat de synode alleen achter de feiten aanliep. Weliswaar liepen de kerkelijke verhoudingen op plaatselijk niveau vooruit op de officiële richtlijnen, maar deze plaatselijke ontwikkelingen werden, mits men zich binnen de bandbreedte van de door de synode gestelde voorwaarden hield, gewaardeerd en zelfs bemoedigd. Ook op synodaal niveau streefde men dus naar toenadering.

Abortus
In 1976 ontwikkelden de gereformeerden samen met de hervormden een standpunt ten aanzien van abortus: het ‘neen, tenzij’ (het leven van de moeder in gevaar is) werd behoorlijk opgerekt: ‘tenzij’ opende nu ook mogelijkheden wanneer verkrachting van de vrouw in het spel was en evenzeer wanneer materiële zorgen tot een psychische belasting zouden leiden.

Verloren generatie
Al deze ontwikkelingen hebben zich in de laatste decennia slechts versneld doorgezet. De generatie van de jaren zestig heeft inmiddels zelf kinderen die nauwelijks geworteld zijn in de kerken. Deze nog opgroeiende ‘verloren generatie’ zal tot gevolg hebben dat op z’n minst de kwantitatieve achteruitgang van de GKN nog jaren zal voortduren. ‘We menen te kunnen concluderen dat er weinig reden is tot optimisme over de ontwikkeling van de machtspositie van de GKN’.

Pedofilie-affaire
De kwestie Van Drimmelen uit 1998 spreekt boekdelen. Hij wendde in een ingezonden brief in dagblad Trouw voor pedofiel te zijn en hield een vergaand pleidooi voor de acceptatie ervan. De aanvankelijke reacties van de leiding waren zeer gematigd! De synodevoorzitter noemde hem ‘moedig en dapper’ en meende dat ook pedofielen predikant zouden kunnen zijn. Toen bleek dat Van Drimmelen slechts had voorgewend pedofiel te zijn en dat de synodevoorzitter hem bleef verdedigen, ontstond grote commotie. De indruk was ontstaan dat pedofiele praktijken werden goedgepraat. De synode veroordeelde daarop uitdrukkelijk seksueel contact met kinderen en uiteindelijk stelde het voltallige moderamen van de GKN zijn functie ter beschikking. Runia, prominent vertolker van behoudende opvattingen binnen de GKN, stelde dat de pedofilie-affaire niet als een op zichzelf staand incident moest worden beschouwd. De crisis zou volgens hem alles te maken hebben met de pluriformiteit van de GKN, waarop leerstellig en ethisch gebied steeds meer mogelijk was geworden.

Christelijke Gereformeerde Kerken
In het midden
Een armzalig troepje, ontdaan van alles wat in de jaren daarvoor met zoveel energie was opgebouwd; de CGK moesten van de grond af aan opnieuw beginnen. Dit is een belangrijk eerste kenmerk van de CGK aan het begin van de 20e eeuw. Ze had van meet af aan twee vleugels: bevindelijken en orthodoxen, en bevond zich in een typische middensituatie: tussen de GKN aan de linkerzijde en, met name, de Gereformeerde Gemeenten aan de rechterzijde. Daarmee werd de CGK een ‘mengsel van kerkelijk onbehuisden’. De middenpositie van de CGK is dus een tweede belangrijke kenmerk.

Verbondsmatig
Een derde kenmerk is de negatieve houding ten opzichte van Kuyper en de zijnen. Vier: kritiek op de sterk-bevindelijke gedachten over de uitverkiezing ter rechterzijde, ‘valsche lijdelijkheid’. Hoewel veel christelijk-gereformeerden gekenmerkt werden door deze bevindelijke levenshouding, kan toch gezegd worden dat de leiding ook in het begin van de eeuw verbondsmatiger gericht was. Deze kritische houding ten opzichte van de bevindelijk-gereformeerden komen we ook tegen bij de GB. Echter, anders dan bij de Bond diende de CGK van meet af aan rekening te houden met deze stroming die zich steeds binnen haar bewoog. De GB zou pas in de loop van de jaren dertig in een dergelijke middenpositie geraken.

Mechanische visie
Ten aanzien van het Schriftgezag bezigden de christelijk-gereformeerden een mechanische visie. De belijdenisgeschriften werden niet gezien als onveranderlijke grootheden, maar dit en ook de liturgie te willen gaan veranderen, in een tijd waarin op kerkelijk gebied een Babylonische spraakverwarring heerst, zagen ze niet zitten. Men was bang voor het hellend vlak maar durfde niet in te gaan op een vraag van een lezer van De Wekker naar de principiële achtergronden van het niet-zingen van gezangen. Wel werd dan aangevoerd dat de kerkgeschiedenis ons geleerd heeft dat de ketters te allen tijde het lied hebben gebruikt om de dwaling in de kerk in te voeren.

Geen wijds perspectief
Het gereformeerde leven van de christelijk-gereformeerden kenmerkte zich door eenvoud. In 1904 werd nog uitgesproken dat allen die zondagsarbeid verrichten geen lid konden zijn van de CGK. Later zou een onderscheid gemaakt worden tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke arbeid. Predikanten mochten alleen in geval van hoge noodzaak op zondag reizen. Later mocht de fiets, onder omstandigheden, worden gebruikt, maar niet voor de liefhebberij. De CGK was een tamelijk in zichzelf gekeerde groepering. Het wijdse, kuyperiaanse perspectief over het heil van God voor de gehele wereld ontbrak bij hen. In De Wekker werd voor politieke onderwerpen nauwelijks een plaats ingeruimd. De zending kwam langzaam op gang. Bij hen was concentratie op de gemeente en het geestelijk leven.

Pessimistisch verwachtingspatroon
De christelijk-gereformeerden werden gekenmerkt door een pessimistisch verwachtingspatroon over de maatschappelijke ontwikkelingen in het algemeen. De zogenaamde vooruitgang was eerder te beschouwen als een onomkeerbare antichristelijke beweging die een directe bedreiging vormde voor kerk en samenleving. Technische vindingen werden argwanend gadegeslagen. Het waren ‘vruchten der zoogenaamde verlichte eeuw’. ‘Geen dag of men hoort van ongelukken’. ‘Men kan tegenwoordig werkelijk vlug genoeg, zoowel over water als over land reizen, dat we de vliegmachines best kunnen missen’.

Wat meer openheid
Een vreesachtige houding en een wereldmijdende strategie kenmerkten de christelijk-gereformeerden in de eerste jaren van de 20e eeuw. Dit had voor een belangrijk deel te maken met het principiële gebrek aan externe aspiraties en het negatieve verwachtingspatroon. Maar dit had vooral te maken met de zwakke machtspositie van de christelijk-gereformeerden. Toch ging het ze niet slecht: tussen 1892 en 1902 groeide de CGK van 3 tot 68 gemeenten en ook in de jaren daarna zouden tientallen nieuwe gemeenten ontstaan. De overkomsten vanuit de GKN werden gezien als bevestiging van het gelijk van 1892. Doordat de christelijk-gereformeerden zich in de eerste decennia van de 20e eeuw een (bescheiden) plaats begonnen te verwerven op het gereformeerde erf, veranderde de vreesachtige houding naar een houding die gekenmerkt werd door wat meer openheid.

Levend geloof vereist?
Van der Schuit en De Bruin polemiseerden in 1912 over de aanneming van nieuwe lidmaten. De orthodoxe Van der Schuit meende dat een ‘levend geloof’ vereist was. De synode van 1911 had al in die richting gewerkt door in het formulier voor het doen van belijdenis de uitdrukking ‘belijdenis de Waarheid’ te schrappen en te spreken van ‘belijdenis des geloofs’. De meer bevindelijk ingestelde De Bruin meende dat de Kerk van de nieuwe lidmaten niet meer mocht vragen dan ‘instemming met de belijdenis’. In het verlengde hiervan kwam de discussie op gang over het al dan niet aangaan aan het Heilig Avondmaal. De Bruin meende dat afblijven door geestelijke omstandigheden mogelijk moest blijven. De bevindelijke stroming was nog te zwak om georganiseerd te worden rondom een eigen blad (een poging daartoe slaagde niet).

Negatief zelfbeeld
In de samenleving als geheel namen de christelijk-gereformeerden een uiterst marginale positie in. ‘De CGK was toch altijd maar een kleine kerk. (…) Haar bestaan werd weinig opgemerkt’. De CGK waren een te negeren grootheid, ze vormden nauwelijks een half procent van onze bevolking. Welk een verschil met het zelfbewustzijn van de gereformeerden! Het negatieve zelfbeeld en het negatieve verwachtingspatroon gingen bij de christelijk-gereformeerden hand in hand met het gebrek aan idealen op maatschappelijk gebied. En het ontbrak ze ook aan een emancipatiemotief. Anders dan de gereformeerden streefden ze bepaald niet naar het innemen van hogere sociale posities om daarmee kerstenend bezig te kunnen zijn in de samenleving. Men was tevreden met de positie van ‘de eenvoudige in den lande’.

ARP of SGP?
Er was een tijd ‘dat allen, die iets meer hadden gestudeerd dan de doorsnee-kerkganger, bij voorbaat verdacht werden. Men zette zich tegen hen af’. Ook het jongerenwerk werd betrekkelijk onnodig gevonden. De politieke belangstelling was uiterst gering. De ARP was de partij van de CGK, maar binnen die partij was er nauwelijks plaats voor christelijk-gereformeerden. Voor een deel hadden ze dat ook aan zichzelf te wijten. Men had om principiële redenen grote moeite om het predikantschap te verenigen met het kamerlidmaatschap. Bij de opkomst van de SGP in de jaren twintig verlegden velen hun oriëntatie van de ARP naar de SGP. Daarmee werd de onderlinge politieke verdeeldheid slechts groter. De Particuliere Synode van het Noorden verzocht de synode van 1928 dan ook om uit te spreken dat predikanten zich moesten onthouden van het in het openbaar optreden voor de één of andere partij. In de jaren zestig blijkt een kleine meerderheid nog ARP te stemmen tegenover ruim een derde SGP.

Grotere externe oriëntatie
De opkomst van een stroming die een grotere externe oriëntatie kende werd mede gevoed door de Eerste Wereldoorlog. De CGK maakte in deze periode een zeer voorzichtig begin met zending en evangelisatie, gaven een beperkte invulling aan het diaconaat, maar hielden de ogen voor een verdere roeping van de kerk angstvallig toe. De wens van sommigen om een meer open houding in te nemen tegenover de GKN werd niet of nauwelijks gehonoreerd. De redactie van De Wekker vermeed onderwerpen indien daarover verschillende opvattingen bestonden.

Pluriformiteit op lokaal niveau
De synode was tamelijk gematigd in haar optreden, dit had ook te maken met het feit dat de CGK veel minder dan de GKN ‘één, ongedeelde slagorde van den levenden God’ moest vormen. Dat daarmee de pluriformiteit op lokaal niveau zou toenemen werd blijkbaar op de koop toegenomen. Toch was er geen plaats voor de opvattingen van ds. Berkhoff over het duizendjarig rijk.

Minder bevindelijk, meer orthodox
Hoewel de strategie veranderde van wereldmijding naar bescherming, bleef de CGK in de praktijk een betrekkelijk gesloten groepering. Maar met name de Eerste Wereldoorlog dus deed het besef bij sommige christelijk-gereformeerden doordringen dat de doelstelling van de CGK verder dienden te reiken dan het individuele zielenheil. Er zou in deze periode langzaam een opschuiving plaatsvinden naar de orthodoxe kant in het spectrum bevindelijk-orthodox. Met de benoeming van Van der Schuit als hoogleraar en hoofdredacteur van De Wekker zou de orthodoxe stroming zich een steeds sterkere positie verwerven. De verhouding tot de Gereformeerde Gemeenten werd daardoor steeds moeilijker.

Voorzichtig in uitspraken
Het voornemen van de GKN in 1933, om gezangen in te gaan voeren, keurde men af: ‘De historie bewijst, dat de roep om het vrije lied uitging van hen, die kettersche gevoelens aanhingen’. De synode van 1937 waarschuwde ‘ten sterkste tegen alle wereldgelijkvormigheid, waaronder het afsnijden van het haar van vrouwen en meisjes’, maar wilde zich onthouden van een principiële uitspraak hierover. Het reizen op zondag met publieke vervoersmiddelen werd door dezelfde synode veroordeeld, en het eerder genomen besluit om niet mee te werken aan radio-uitzendingen op zondag werd bekrachtigd. In 1934 werd geconstateerd dat het moeilijk was niet-noodzakelijk zondagswerk te definiëren.

Kerk van de Satan
J.H. Velema zei in 1946: ‘Ik zeg geen kwaad van het voetbalspel, hoewel ik het altijd ruw en verruwend heb gevonden. Maar wat we tegenwoordig zien, is geen spel meer, het is een soort godsdienst geworden’. De bioscoop diende volgens hem ‘te allen tijde, zonder uitzondering, door jong en oud gemeden te worden. Elke bioscoopgang, ook ter bezichtiging van een goede film (…) is een steun aan deze “Kerk van de Satan”’ (1949).

Externe oriëntatie
De christelijk-gereformeerde bezorgdheid leidde tot een verandering, tot een externe oriëntatie. ‘God gaf haar (de kerk) een plaats midden in de wereld; zij mag zich niet onttrekken. De wereldsituatie doet dit meer dan ooit beseffen’. De gepercipieerde machtspositie moet uiterst gering worden genoemd. Alle reden, zo zou men kunnen denken, om, bevreesd voor de toekomst, de strategie van wereldmijding te volgen. De christelijk-gereformeerden maakten echter een andere keuze. De ontwikkelingen hadden juist een externe oriëntatie opgewekt.

Sterkere positie
De houding naar andere gereformeerde groeperingen werd meer open. De Wereldraad blijft echter ver weg: ‘Hier een g.g.d.-christendom. De grootste gemene deler wordt hier opgezocht. Hier blijft van het christendom van de Bijbel niets over’. De toegenomen externe oriëntatie en de daarmee gepaard gaande ‘beperkte openheid’ vond, naast een principiële en defensieve motivatie, een motivatie in de sterkere positie die de christelijk-gereformeerden op het gereformeerde erf innamen. De GKN was in 1944 in tweeën gescheurd, de werkelijke oorzaak van het conflict was volgens de christelijk-gereformeerden het oude schisma tussen Afscheiding en Doleantie. Het was hét bewijs van hun gelijk in 1892. Na de Tweede Wereldoorlog dongen twee kerken om de hand van de CGK: de GKN en de GKV. Daarmee kwamen de CGK in de belangstelling te staan. Soms werden christelijk-gereformeerden voorzitter van schoolbestuur, kiesvereniging of melkfabriek omdat die samenbindend kon werken.

Verbreding diaconale doelstelling
De ontstane externe oriëntatie leidde tot veranderingen: de diaconale doelstelling verbreedde, de diaken trad toe tot de kerkenraad en het eerder genomen besluit om geen radio-uitzendingen te verzorgen op zondag werd in 1947 herroepen. Waar er in 1947 nog maar 15 deputaten waren, waren dat er in 1956 al 40. Later is hierin weer enige terughoudendheid in acht genomen men name om niet te zeer afbreuk te doen aan de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten.

‘Vrijgegeven voor gebruik’
Vanaf de synode van 1947 ijkten de CGK, in het kader van de veranderingen die werden doorgevoerd, de eigen identiteit aan de moderne tijd en kwamen zij tot een meer open strategie. Maar bij dit alles werd flink gediscussieerd en moest men het ‘wondervolle’ of zo men wil ‘wankele’ evenwicht proberen te bewaren. Over de nieuwe bijbelvertaling van 1951 waren voor- en tegenstanders. Uiteindelijk sprak de synode uit dat NBG ’51 niet strijdig is met de Schrift maar acht ze het raadzaam de Statenvertaling in de eredienst te blijven gebruiken. De Nieuwe Bijbelvertaling werd dus niet ‘voorgeschreven’ maar wel vrijgegeven voor gebruik. De synode van 1953 liet het niet aan de vrijheid van de kerken om literaire wijzigingen door te voeren in de liturgische formulieren. Wel ging men interkerkelijk bezig in de herziening van de tekst in hedendaags Nederlands, evenals de belijdenisgeschriften.

‘Geen uitspraak doen’
Toen er sprake was van een nieuwe psalmberijming sprak de synode (van 1959) uit dat ‘indien maar enigszins mogelijk’ er één psalmbundel moest komen voor het kerkelijk leven in Nederland. Ondanks de vele nadelen van de oude berijming van 1773 zag de leiding van de kerk de invoering van een nieuwe berijming als nóg nadeliger. Toch besloot men in 1971/72 ‘geen uitspraak te doen ten aanzien van de psalmberijming die moet worden gebruikt’. De synode van 1947 had al ruimte gegeven voor ‘berijmde schriftgedeelten, door de Generale Synode vast te stellen’ naast de 150 psalmen. Het moesten dus echt berijmde schriftgedeelten zijn, geen schriftgetrouwe liederen.

Zede
Ook de gereformeerde zede kwam onder druk te staan. In de naoorlogse periode kwam men steeds meer tot de overtuiging dat de zede een ‘sterk historisch karakter draagt’. Vroeger stond men als kleine groep tegenover de wereld. ‘Dat is momenteel anders. Er is een brede groep opgekomen, die ook christen wil zijn, maar die veel vrijer staat ten aanzien van de Schrift, de kerk, het isolement, de gereformeerde zede, enzovoorts. Men wil daar de dingen veel breder grijpen, dan bij ons. En deze groepering tast naar de teugels. Daarbij dreigen wij star en achterlijk te worden’.

Vage uitspraken
De conclusie van dergelijke overwegingen was steeds een strikt geestelijke, maar vooral vage. Het zou er vooral om gaan om te verstaan wat zonde en genade is, persoonlijke bekering en een persoonlijke relatie met God. Bovendien wilde men bepaalde tijdverschijnselen niet op een louter wettische manier benaderen. In de praktijk werd met dergelijke vage uitspraken steeds meer overgelaten aan het individu en liet de leiding niet na om bepaalde ontwikkelingen toe te staan: ‘Het kan ons niet meer duidelijk gemaakt worden dat (…) een dameskapsalon verboden terrein is voor een christenvrouw’ (J.H. Velema, 1965).

Positie van de vrouw
Het actieve kiesrecht voor de vrouw kwam op de synodes eind jaren zestig aan de orde. Men ontkende pertinent dat dit een eerste stap zou zijn op weg naar de vrouw in het ambt. Hoewel twintig kerkenraden bezwaar maakten, leidde dit niet tot terugneming van het besluit. Een andere verandering die gevolgen had voor de positie van de vrouw, was het opheffen van de eis eerst admissie-examen te moeten afleggen alvorens theologie te kunnen studeren in Apeldoorn. Nu konden niet-christelijk-gereformeerden en vrouwen er studeren.

Televisiegebruik
In 1956 kwam het gebruik van de televisie op de synodale agenda aan de orde. Niet om reeds te beginnen met televisie-uitzendingen maar om die in de toekomst mogelijk te maken. Maar niet alle christelijk-gereformeerden wilden dit medium gebruiken. Bezwaarden wezen erop dat een positieve uitspraak ‘het aanschaffen van een televisietoestel zal stimuleren, terwijl juist tegen de televisie ten sterkste moet worden gewaarschuwd’. Voorstanders meenden juist dat het ‘in het licht van de werkelijkheid een slag in de lucht’ is om te vermanen tegen het gebruik van de televisie. Anderen trachtten de discussie te delegeren naar plaatselijk niveau en meenden dat het een verantwoordelijkheid van de plaatselijke evangelisatiecommissies was. Dit besloot men uiteindelijk ook; er kwam een storm van protest, waardoor het besluit voor een deel werd teruggenomen. Maar niet veel later gebeurde het toch.

Na de oorlog veranderd
De CGK zijn dus na de Tweede Wereldoorlog veranderd. De toegenomen machtspositie deed de CGK wat meer uit het isolement komen en de identiteit werd geijkt aan de moderne ontwikkelingen, hoewel ze daarbij veel minder ver gingen dan de GKN. Er was bij de CGK geen sprake van een koerswijziging. Het nieuwe avondmaalsformulier van de GKN spreekt bijvoorbeeld in het geheel niet meer van de zelfbeproeving, terwijl dit in de CGK nog steeds voluit ter sprake komt. De GB vóór de oorlog stond positiever ten opzichte van bepaalde vernieuwingen dan de CGK; na de oorlog zou deze situatie zich omkeren en zouden de christelijk-gereformeerden positiever staan ten opzichte van vernieuwingen. De CGK is dus wel veranderd, maar inhoudelijk nauwelijks. Vaak werd er formeel niet veranderd, maar werden bepaalde zaken vrijgegeven. We zouden kunnen zeggen dat de CGK na de Tweede Wereldoorlog van karakter veranderden.

Binnensoortige dialoog
De CGK veranderde na de oorlog van bescherming naar binnensoortige dialoog. Het doel daarvan was een versterking van de machtspositie (coalitievorming) om de negatief gepercipieerde ontwikkelingen in de omgeving tegen te gaan en positief te beïnvloeden. De pogingen die gedaan zijn om tot gereformeerde blokvorming te komen waren moeizaam. Bij de relatie met de GKN ging het vooral om de verschillen in verbondsbeschouwing. De GKN wilde waarnemers zenden naar elkaars synode, maar daarvoor was op de christelijk-gereformeerde synode geen meerderheid te vinden. Ze groeiden in de jaren zeventig steeds verder van elkaar af.

Klimaatverschil
Met de vrijgemaakten was er een ‘klimaatsverschil’ en ze hadden altijd ‘met een rustig gemoed’ hun plaats in de GKN ingenomen. Men moest ‘raciaal afscheid’ nemen met 1905. En ook de methode en inhoud van de vrijgemaakte prediking plaatste het geloofsimperatief te veel op de voorgrond. Daardoor werd aan de ‘verwerkelijking van de rijke verbondsrelatie door God Zelf’ te kort gedaan. Er was binnen de CGK meer aandacht voor de zondige aard van de mens. Dit mét de strikte kerkopvatting van de vrijgemaakten zorgde voor een vastlopen van de samensprekingen begin jaren vijftig.

Oosterhoff
‘Als het gaat over de beschouwing der gemeente, over de prediking, over het werk van de Heilige Geest, over de toepassing des heils, blijkt men elkaar maar moeilijk te kunnen verstaan’. In de jaren zeventig kwam er een nieuwe barrière bij: de christelijk-gereformeerde prof. B.J. Oosterhoff zou te liberale opvattingen over het Schriftgezag koesteren. Ook de gestarte samensprekingen met de NGK was een struikelblok, omdat in die kerken openingen werden geboden aan de Schriftkritiek. Toch kwam er vanaf 1987 weer een gespreksronde op gang. Ook nu weer de bekende bezwaren: de toe-eigening van het heil zagen de vrijgemaakten als ‘accentverschil’, de christelijk-gereformeerden als ‘ernstig verschil’.

Labiel evenwicht
De omzichtigheid en voorzichtigheid waarmee de christelijk-gereformeerden te werk gingen, hadden voor een groot deel te maken met de interne constellatie waarop wij hierna zullen ingaan. Met name in de jaren zeventig zijn grote verschillen ontstaan tussen verschillende christelijk-gereformeerde stromingen. Toenadering tot een bepaalde groep zou het labiele evenwicht in gevaar kunnen brengen. In de jaren negentig waren de contacten zeer intensief en leken ze elkaar meer en meer te naderen. In 2007 besloten de christelijk-gereformeerden echter geen federatie meer te willen. Met de Nederlands-gereformeerden kwam het op veel plaatsen tot kanselruil; in de loop van de jaren tachtig zou in ongeveer de helft van de CGK’s contact worden onderhouden met de NGK’s. Toch liep ook dit niet goed. Er rezen nieuwe verschilpunten: de binding aan de belijdenis en de vrouw in het ambt (in 2005 besloot de NGK daartoe).

ICCC en GOS
Internationaal waren er contacten in de International Council of Christian Churches (ICCC) en de Gereformeerde Oecumenische Synode (GOS). De GOS werd in 1946 opgericht op initiatief van de GKN, de Christian Reformed Church uit Amerika en de Gereformeerde Kerk uit Zuid-Afrika (de Dopper-kerk). De CGK sloot zich nog niet aan, omdat de GOS de Wereldraad niet onvoorwaardelijk wilde afwijzen. Maar in 1962 werd men alsnog lid. De ICCC-president Carl McIntire moest het vaak ontgelden; hij dacht te zwart-wit en zou zich moeten matigen. Er werden vaak eenzijdige resoluties opgesteld, zoals: ‘Christenen worden opgeroepen om de goddeloze samenzwering van het communisme te weerstaan’. De christelijk-gereformeerde afgevaardigden wilden deze nuancering: ‘en om alles te doen wat de Schrift van ons vraagt ter bestrijding van sociaal en economisch onrecht, waardoor de bodem rijp wordt gemaakt voor het communisme’. Deze toevoeging werd uiteindelijk verzwakt naar: ‘en alles te doen wat de Schrift van gelovigen vraagt inzake de handhaving van vrijheid, orde en gerechtigheid’. In 1977 besloot men het lidmaatschap van de ICCC te beëindigen. In 1988 braken de CGK met de GOS.

Tegenreactie
Er kwam een sterke tegenreactie van het bevindelijke deel van de CGK. Zo fulmineerden zij tegen de aanvaarding van de NBG’51-vertaling (verdoemenis werd veroordeling, maagd werd jonkvrouw). Ook andere veranderingen als die van de belijdenisgeschriften, de formulieren, de psalmberijming en de roep om gezangen, werden gezien als een beweging die afgleed van de oude beginselen. De bevindelijken spraken van ‘een geforceerde verbondsbeschouwing, waardoor het verband tussen belijdenis doen en avondmaal vieren al te automatisch werd gelegd’. De spanningen liepen zo hoog op dat in 1952 een groep predikanten de CGK verliet (onder andere Du Marchie van Voorthuysen).

Bevreesd voor wetticisme
De synode van 1953 kreeg het hard te verduren. Er werden, door de bevindelijke stroming, tal van zaken gesignaleerd welke ‘als een bedenkelijke afglijding van de oude lijn der Afscheiding’ werden geponeerd: de onderwerpelijke inslag werd te veel gemist, het zoeken van allerlei nieuwer vormen duidde op geesteloosheid, de verwetenschappelijking van de opleiding. De synode kwam hen tegemoet door een kanselboodschap op te stellen waarin een protest tegen de vervlakking werd opgenomen en opgeroepen werd tot ernstige prediking. De opkomst van de televisie leidde tot nieuwe discussies. Evenmin als de GB wilde de CGK hierover een verbod uitspreken. Men was ‘bevreesd voor een reeks wettische bepalingen, die de Nieuw-Testamentische Kerk onwaardig zouden zijn’. Weinig synodeleden voelden ook voor een verbod van de televisie.

Bewaar het Pand
Toen de synode besloot evangelisatiesamenkomsten uit te zenden via de televisie reageerden prompt een aantal kerkenraden dat het hun ‘onmogelijk werd gemaakt om binnen het huidige verband Christelijk Gereformeerd te blijven’. Daarom werd dit besluit om ‘praktische redenen’ niet uitgevoerd. Hiermee werd waarschijnlijk een scheuring voorkomen. Toch waren de bezwaarden inmiddels zo bezwaar geworden dat zij in 1966 een nieuw blad in het leven riepen: Bewaar het Pand. Niet alleen ter rechterzijde klonken verontruste geluiden, ook ter linkerzijde. Een beweging der jongeren, met modern-gereformeerde trekken, vond dat de vernieuwingen zich veel te langzaam doorzetten.

Niet het verwachte resultaat
De kritiek van de jongeren had voor een belangrijk deel te maken met het geringe elan waarmee de externe oriëntatie na de oorlog werd vormgegeven. De tegenvallende resultaten van de externe oriëntatie versterkten de onvrede slechts. De ontkerkelijking was inmiddels de deuren van de CGK niet voorbijgegaan. Aan het einde van de jaren veertig ontstond er ongerustheid over de groei van de CGK. De resultaten van de externe oriëntatie waren uiterst mager. De binnensoortige dialoog leverde niet het verwachte resultaat en de machtspositie brokkelde verder af. Het gevolg van dit alles was dat de naoorlogse doelstellingen naar beneden werden bijgesteld, meer geplaatst in het teken van de ‘bescherming’ (het isolement) dan van de ‘aanval’ (het apostolaat).

Aanpassingen zinloos
De beweging der jongeren zag dit met lede ogen aan en riep de kerk op tot verdere actie. De leiding negeerde de jongeren min of meer en ging door op de ingeslagen weg. De christelijk-gereformeerden hebben zich steeds op het standpunt gesteld dat (inhoudelijke) aanpassingen van de boodschap aan de tijd, in welke vorm dan ook, geen enkele zin zouden hebben, ‘hoe aantrekkelijk wij de gemeente ook maken, vanwege onze inspanningen zal niemand blijven’. De synode beschikt niet over een encyclopedische kennis om in allemaal zaken (politieke en sociale vraagstukken) een ‘verstandig woord’ te spreken, maar de synode kan en mag dan alleen met gezag spreken wanneer haar uitspraken staan onder het ‘alzo spreekt de HEERE’. De synode liet zich niet zo gemakkelijk tot harde uitspraken bewegen en evenmin tot het kiezen van partij tussen de stromingen.

Het midden houden
De Wekker, het blad dat onder eindverantwoording van de synode valt, waakte angstvallig om te veel partij te kiezen. Vernieuwers pleitten ervoor de redactie uit te breiden met jongeren leden, een journalist, een econoom of een jurist. De synode besloot echter vooral de behoudende invalshoek te kiezen en juist emeriti hoogleraren in de redactie te behouden. Op korte termijn had ‘het midden houden’ van de leiding succes. Vernieuwingen werden slechts langzaam en na veel discussie doorgevoerd. Maar deze tactiek had ook een keerzijde. Als een vernieuwing niet werd doorgevoerd, bleek in de praktijk dat het lokale niveau vrij was, of de vrijheid nam, om zelf te vernieuwen.

Voedingsbodem vernieuwingen
Omgekeerd, in de meer bevindelijke gemeenten, werden bepaalde vernieuwingen die wel door de synode waren goedgekeurd, niet doorgevoerd. Confrontatie en escalatie konden op de lange duur niet uitblijven. Deze ontstonden in de context waarin nogal wat vernieuwingen werden besproken en langzaam aanvaard en waarin het Schriftgezag een punt van discussie zou zijn. Deze context vormde als het ware de voedingsbodem voor vernieuwingen, die veel verdergingen dan de leiding voor ogen stond.

Oosterhoff
Enkele jaren na de voorzichtige aanvaarding van de NBG-vertaling kwam de Apeldoornse oudtestamenticus prof. Oosterhoff in het nieuws doordat hij meende dat de natuurwetenschappen aanleidden gaven om ‘anders’ naar de Schrift te luisteren. De gereformeerde synode van Assen was volgens hem fout geweest door te ontkennen dat er symbolische trekken waren te onderscheiden in het spreken van de slang. Hij zag in Genesis 2 en 3 ‘een symbolische weergave’. Ook reageerde Oosterhoff gematigd op publicaties van Kuitert.

Achter de jongeren
De indruk is niet dat de christelijk-gereformeerden de Schriftkritiek maar de vrije loop lieten. Men moet zich afvragen in hoeverre Oosterhoff werkelijk buiten de gereformeerde grenzen trad, temeer daar hij in 1987 nog alle harmonisering tussen Bijbel en wetenschap afwees. Hij zei: ‘De dagen van Gen. 1 zijn dagen van 24 uur’. Dat neemt niet weg dat de opvattingen van mannen als Oosterhoff en Versteeg (was voor de vrouw in het ambt) de beweging der jongeren bepaald niet tegenwerkten en als voedingsbodem kunnen worden aangemerkt waarop de beweging welig kon tieren.

Verplaatsing naar lokaal niveau
Op deze voedingsbodem van vernieuwingen en aftasten van de gereformeerde grenzen kon de beweging der jongeren zich als stroming vestigen. Zij confronteerde de leiding steeds vaker met voorstellen tot vernieuwing. Maar in de loop van de jaren zeventig en tachtig werden veranderingen minder snel geaccepteerd. Dit leidde aanvankelijk tot een verplaatsing van de discussies naar lokaal niveau. Uiteindelijk zou escalatie het resultaat zijn.

Welletjes
Het proces van vernieuwingen was in de ogen van de leiding afgerond. De interne spanning nam toe. Er ontstonden kerkbodes waarin men ‘onder ons’ gemeentelijke berichten en belangen kon spuiten. Op deze wijze konden al te vooruitstrevende gemeenten zich stilzwijgend aan kerkelijke bepalingen onttrekken. Kerkleden begonnen zich steeds minder aan te trekken van het goed gereformeerde gebruik om mee te leven met de gemeente waarin ze woonachtig waren. In de tweede helft van de jaren zeventig werden steeds meer de grenzen, door de leiding van de CGK gesteld, overtreden. De leiding reageerde: het wordt ‘tijd dat we naar onze eigen tenten gaan en ons intern bezinnen’. Een belangrijke uitspraak van J.H. Velema, die impliceerde dat het met de vernieuwingen wel ‘welletjes’ was. De eerste taak die nu wachtte was herstel van de kerkelijke situatie.

Dissidenten
In 1984 werd ds. J. Kruis als predikant geschorst. Hij was docent aan de Theologische Hogeschool in Apeldoorn en zou daar als eerste promoveren. In een voorpublicatie, over de functie van het lijden en sterven van Christus, zei hij dat de functie daarvan vooral de verlossing van de machten die het leven van de mens en de wereld bedreigen. In 1983 publiceerden veertien christelijk-gereformeerde predikanten een open brief in Trouw, waarin ze verklaarden tegenstander van de plaatsing van kruisraketten te zijn – dit werd sterk bekritiseerd door de leiding.

Abortus
Rondom de stellingname over abortus liepen de gemoederen bijzonder hoog op. Twee Amersfoortse predikanten (Harder en Rebel) hadden als leden van een ziekenhuisbestuur het besluit om een abortusvergunning aan te vragen ondersteund. De predikanten beriepen zich op de gebrokenheid van de wereld waardoor aan het ‘gij zult niet doodslaan’ niet in iedere situatie gehoor kon worden gegeven. Op advies van ds. J.H. Velema sprak hun classis uit dat ze ‘schorsingswaardig’ waren. Harder had eerder gezegd dat abortus vooral een zaak was van de persoonlijke ethiek en dat het probleem maatschappelijk niet zwaarder moest wegen dan een sociaal-economisch probleem.

Progressieve geluiden
Intussen beklaagden de jongeren zich erover dat zij op de synode wel bijzonder slecht waren vertegenwoordigd. Door de samenstelling van de synode hadden kleine, overwegend conservatieve gemeenten een onevenredige invloed. Het blad DIA, spreekbuis van de jongeren, stond in 1977 ter discussie vanwege de progressieve geluiden die het voortbracht. Vrijmoedig werden de bakens ten aanzien van abortus, homofilie en het creationisme verzet. De synode beëindigde de subsidie. In 1984 hield het blad op te verschijnen.

Jaren van crisis
De leiding van de CGK is de vernieuwingen gaan snoeren en zich strakker gaan houden aan de traditioneel-gereformeerde paden. Uiteraard versterkte dit de onvrede onder de jongeren wat uiteindelijk zou leiden tot escalatie van het conflict en aanpassing van de strategie. Midden jaren tachtig kunnen jaren van crisis genoemd worden. De leiding van de CGK beseft dat er een belangrijke keuze te maken viel: of meegaan met de jongeren maar dan de strategie ‘vanuit het isolement het apostolaat’ verlaten en die van dialoog volgen. Of ‘orde op zaken’ stellen. Toen zich in het begin van de jaren zeventig een aantal veranderingen in de samenleving begon te verankeren, zoals op zedelijk gebied, werden deze ontwikkelingen door de CGK sterk afgekeurd. De CGK beschouwden de ontwikkelingen in de omgeving als ‘apocalyptisch’.

Dalende meelevendheid
Ook de meelevendheid van de christelijk-gereformeerden liet te wensen over. De middagdiensten werden steeds minder bezocht. Vanaf 1974 vormden de jongeren een vast synodaal probleem- en agendapunt. Zoals de gereformeerden in de jaren twintig werden geconfronteerd met de nadelen van sociale stijging van een deel van de leden, werden de christelijk-gereformeerden dit in de jaren vijftig en zestig. Per saldo bleef er echter sprake van een relatieve stabiliteit. Eind jaren tachtig begon het ledental van de CGK echt te dalen.

COGG
De toegenomen machtspositie van de christelijk-gereformeerden werd versterkt doordat de GKN hun bestaansrecht als ‘gereformeerde’ kerk verloren. In 1963 werd het Contactorgaan van de Gereformeerde Gezindte (COGG) opgericht. Het was geen krachtige organisatie, maar eerder een flakkerend kaarsje met, in zijn ruim dertigjarig bestaan, een twijfelachtig resultaat. De blokvorming van gereformeerden, één van de programmapunten van de CGK van na de Tweede Wereldoorlog, heeft dus bepaald weinig succes opgeleverd.

Bescherming
Na de oorlog volgden de christelijk-gereformeerden de strategie van binnensoortige dialoog. Daarmee gepaard ijkten zij de identiteit aan de moderne tijd. Een proces dat niet altijd even gemakkelijk verliep. Voor de bevindelijke stroming gingen de vernieuwingen te ver, voor de jongeren lang niet ver genoeg. In de jaren zeventig ging het proces steeds moeizamer. De leiding stelde dat het proces van vernieuwing was afgerond. De externe oriëntatie werd langzaam aan verlaten, de bescherming van de eigen groepering kwam al meer op de voorgrond te staan.

Berijmde schriftgedeelten
De synode van 1974 kwam ertoe een aantal gezangen uit het Liedboek voor de Kerken te benoemen als behorend tot de in artikel 69 bedoelde berijmde schriftgedeelten. Daaruit sprak een zekere erkenning van het Liedboek. Inmiddels waren er al bepaalde gemeenten die de synodale besluitvorming niet afwachtten maar waren overgegaan op het gebruik van het Liedboek. De synode maakte echter een terugtrekkende beweging en de invoering van gezangen ging niet door; in plaats daarvan werd een bundel Berijmde schriftgedeelten vrijgegeven.

Grenzen wel scherp genoeg?
De christelijk-gereformeerden hadden na de oorlog vrij breed en in interkerkelijk verband geparticipeerd in allerlei diaconale organisaties. In de jaren zeventig begon men zich echter twijfelmoedig af te vragen of men daarbij de grenzen wel scherp genoeg had getrokken. De christelijk-gereformeerden waren, volgens W.H. Velema, op interkerkelijk gebied niet meer dan een ‘keffend hondje dat de karavaan voorbij zag trekken’. Het zal duidelijk zijn dat de tendens om de vernieuwingen af te remmen, dissidente geluiden in te snoeren en zich terug te trekken uit verschillende organisaties bij de jongeren bepaald verkeerd viel. Een deel van hen (waaronder vier predikanten) maakte de overstap naar de Ned.Herv.Kerk. Dit bood anderzijds de mogelijkheid de gelederen opnieuw te sluiten.

LCJ
Een deel van de jongeren/jeugdverenigingen organiseerde zich buiten het CGJO in de LCJ dat zich meer verbonden wist met de CGK. Tot op heden is er sprake van twee jongerenorganisaties die binnen de CGK in onderlinge spanning met elkaar verkeren. Vooruitstrevende christelijk-gereformeerden zijn te vinden rond het Kerkblad voor het Noorden, ter rechterzijde bevindt zich Bewaar het Pand. De leiding laveert tussen deze beide stromingen in.

Gereformeerde Bond in de Ned. Herv. Kerk
Gelieerde bonden
De GB is in dit opzicht een moeilijk toegankelijke organisatie, dat historische gegevens van haar lastig te achterhalen zijn. De Bond heeft geen nauwkeurige verslagen van de jaarvergadering (die maar één dag duurt; niet verwonderlijk dus dat zo nu en dan geklaagd werd over de geringe beschikbare tijd ‘om zich te uiten’ op de jaarvergadering), dit in tegenstelling tot de synodeverslagen van de CGK en GKN. De Bond heeft zichzelf in de loop der jaren steeds verder ‘afgepeld’ en taken overgedragen aan betrekkelijk zelfstandige zusterorganisaties. Er zijn zes aan de GB gelieerde bonden:
– De Gereformeerde Zendingsbond (GZB)
– De Inwendige Zendingsbond (IZB)
– De Bond van Ned.Herv. mannenverenigingen op Gereformeerde Grondslag
– De Bond van Ned.Herv. vrouwenverenigingen op Gereformeerde Grondslag
– De Bond van Ned.Herv. zondagsschoolverengingen op Gereformeerde Grondslag
– De Hervormd Gereformeerde Jeugdbond (HGJB)

Kleine organisatie
Door zich te beperken tot de kerntaak van de GB is niet alleen de externe oriëntatie versmald tot een binnenkerkelijke doelstelling, ook is zodoende de landelijke organisatie bijzonder klein gebleven. De meeste van de hoofdbestuursleden waren predikant. Pas vanaf 1972 is in de persoon van dr. ir. J. van der Graaf sprake van een gedeeltelijk vrijgestelde kracht, vanaf 1974 werkt hij als fulltime algemeen secretaris. In verhouding tot de inmiddels ca. 450.000 hervormd-gereformeerden wekt de omvang van de organisatie (bestaande uit één fulltimer) enige verbazing.

Omvang
Om de precieze omvang van de GB te bepalen zouden de ongeveer 10.000 leden die de GB op dit moment telt (De Waarheidsvriend telt 15.000 abonnees), vermeerderd moeten worden met de veel grotere groep sympathisanten. Dat zijn er ongeveer 450.000. Het adresboekje van de GB vermeldt ongeveer 320 gemeenten waar bij elkaar zo’n 400 predikanten staan die lid zijn van de GB.

Oprichting
Een deel van de achterblijvers binnen de NHK na de Doleantie vormde in 1906 de GB. Een deel, want niet het gehele traditioneel-gereformeerde smaldeel sloot zich bij de GB aan. Eerder was immers al de CV opgericht en er was ook een rechts-ethische stroming en de Kohlbruggianen. Ook bleven een groot aantal traditioneel-gereformeerden, bevindelijk van snit, aanvankelijk ongeorganiseerd. Graafland wijst op twee gebeurtenissen die de directe aanleiding vormden voor de oprichting van de GB: de kwestie rond de vrijzinnige predikant L. Bähler, die de loftrompet op het boeddhisme blies en de val van het Ministerie Kuyper in 1905, te wijten aan de christelijk-historischen. De GB was een keuze vóór de ARP en tegen de CHU.

Helers en delers
Binnen de GB waren er hoogkerkelijk denkende ‘helers’ en de meer lokaal georiënteerde ‘delers’. Daarnaast waren er ook altijd bevindelijken. De delers wilden ‘vrijmaking van de plaatselijke kerken’, ze wilden het liefst het gereformeerde deel binnen de NHK ‘lospellen’ en zelfs kerkrechtelijk isoleren. De verschillende stromingen binnen de NHK zouden in een modus vivendi naast elkaar gaan leven. De andere visie was minder separistisch van aard. Ze zagen de modus vivendigedachte als een binnenkerkelijke afscheiding. De helers zouden al snel de boventoon gaan voeren en in 1909 een naamsverandering teweegbrengen. De these van Hoedemaker (‘heel de kerk en heel het volk’) werd door Van Grieken onderschreven met die kanttekening dat het werkwoord ‘heel’ als ‘genees’ zou worden opgevat. Ds. Jongebreur heeft meermalen vrij scherp uitgesproken dat de GB de volkskerk-idee van de confessionelen een fictie achtte.

Bevindelijke vleugel
Tot de helers kunnen Van Grieken, Woelderink en Jongebreur gerekend worden. Zij zijn wellicht te kenschetsen als uitlopers ter rechterzijde van de CV waaruit overigens nogal wat voormannen van de GB zijn voortgekomen. Het is een bevindelijke stroming, die zich pas in de jaren dertig, onder leiding van Kievit, werkelijk zou laten gelden binnen de Bond. De voormannen van de GB keerden zich steeds tegen deze stroming. Visscher omschreef deze groep als ‘ziekelijke, lijdelijke, energielooze menschen’. Doordat de bevindelijken zich in de loop van de jaren bij de GB zouden aansluiten, kreeg de Bond te maken met zowel een orthodoxe als een bevindelijke vleugel en kwam daarmee uiteindelijk in een soortgelijke middenpositie terecht als we bij de CGK vonden.

Positief over Doleantie
De leiding was aanvankelijk sterk kuyperiaans georiënteerd. Weliswaar deelden de gereformeerde bonders diens kerkvisie niet, maar zij konden over de Doleantie als zodanig in positieve bewoordingen spreken. De ‘theologie van de Doleantie’, sterk gekleurd door Kuypers opvattingen, werd door Severijn zelfs reformatorischer geacht dan die van de Afscheiding. Ten aanzien van de leer van de veronderstelde wedergeboorte ging bijvoorbeeld Visscher ver met Kuyper mee. Ook hij zag de wedergeboorte los van de verkondiging van het Woord.

Geen denk- en hersengymnastiek
Hoe dan ook, beide verbondsopvattingen kwamen binnen de GB naar voren en hadden daar een rechtmatige plaats. Verschil met de GKN was vooral de geringe bereidheid hierover ‘denk-en hersengymnastiek’ te doen. Wel heeft in de loop van de jaren een ontwikkeling plaatsgevonden waarbij het bevindelijke element sterker op de voorgrond is gekomen. Evenmin had men moeite met de ‘actie en bedrijvigheid’ binnen de GKN. De GB had zelf de grootste moeite om de hervormd-gereformeerden in beweging te krijgen. Theologisch en organisatorisch konden de gereformeerden, in het eerste decennium van de 20e eeuw, dus rekenen op waardering van de GB.

Niet zingen van gezangen
De Lind van Wijngaarden zei: ‘En die N. Testamentische liederen wil zingen, hem reik ik een psalmboek toe en zeg: Vriend, hier zijn er’. Volgens Van der Graaf is het niet-zingen van gezangen steeds een wezenskenmerk van de GB geweest, Graafland denkt dat dat het pas later geworden is. De GB uitte al vroeg forse kritiek op de manier waarop men in de GKN met dit element van de identiteit omging. Men bekritiseerde de gereformeerden omdat er ‘zo weinig geestelijk leven’ was. ‘Laat de toepassing van “de Gemeene Gratie” niet verdervend zijn’, zo vermaande De Waarheidsvriend de gereformeerden. Tegelijkertijd kenmerkte de GB zich niet door een wereldmijdende houding. Er is ook een redelijke mate van openheid te bespeuren ten aanzien van ontwikkelingen in de omgeving.

‘Evangelisatie’
Evangelisatie werd door de GB op een bijzondere wijze opgevat: het diende ertoe om de ‘waarheid’ in de NHK te ‘verbreiden en te verdedigen’, niet zozeer om niet-gelovigen te bereiken met het Evangelie. Evangelisatie bij de GB is altijd als instrument bedoeld geweest bij de reformatie van een Hervormde Gemeente.

Een zeker cultuuroptimisme
Waar bij de christelijk-gereformeerden de ontwikkelingen meestal negatief werden beoordeeld, hebben de gereformeerde bonders een zeker cultuuroptimisme gekend. De GB sloot zich hierbij nauw aan bij Kuyper; bij Visscher zien we dat heel duidelijk.

Geen ijver
De uitbouw van de GB verliep, zeker in de beginjaren, bijzonder moeizaam. Door een gebrek aan kandidaten kon niet altijd worden voorzien in de vacatures. De oorzaak van de geringe groei in de beginjaren werd vooral gezocht in het feit dat de achterblijvers een sterk bevindelijke inslag hadden die zo kenmerkend was voor de conventikels waar lijdzaamheid in alle opzichten hoogtij vierde. Voor een nationaal streven in kerk en/of maatschappij was geen plaats. Toen het christelijk onderwijs in het begin van de eeuw onstuimig groeide, was er nauwelijks hervormd-gereformeerde activiteit te zien. Ook op het zendingsgebied gingen de ontwikkelingen minder voorspoedig dan gehoopt. Toen rond 1910 de GKN al 20 zendingswerkers hadden gezonden, was er bij de GB slechts één zendingsarbeider in opleiding. ‘Het geloof, de liefde en de ijver ontbreken geheel in onze kringen’.

Antithese
Met name de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog deden het verwachtingspatroon aanzienlijk dalen. ‘Hoe langer hoe meer begint de Kerk haar invloed op het volksleven te verliezen. Vooral in de kringen van de jongeren! De verleiding is zoo groot. Bioscoop, theater, voetbalveld, fiets, auto en wat al niet meer, onttrekken jongeren aan Gods huis’. ‘Wat we de laatste jaren op het terrein der mode zien ontwikkelen is ontzettend. De toenemende zedeloosheid maakt ook, dat het gewaad hoe langer hoe meer oneerbaar wordt. Schaamteloos ontbloot de vrouw der twintigste eeuw, wat niet ontbloot mocht wezen. Menigeen ook in onze kerkgebouwen, wier kleeding onmogelijk door den beugel kan’.

Worsteling
Er is bij de GB een worsteling te constateren tussen de aanvaarding van de moderne tijd en de afsluiting daarvan. Zo werd opgemerkt dat het ‘niet anders kan, of het moest een schadelijke uitwerking hebben, als een prediker van de twintigste eeuw zich in woordkeus en zinsbouw laat leiden door de oude schrijvers’. Hoe dan wel, bleef wat in het midden.

Boedelscheiding?
In 1910 ondernamen de helers een poging om de proponentsformule in gereformeerde zin te wijzigen. In plaats van in ‘geest en hoofdzaak’ moest er weer een letterlijke aanvaarding komen. De leiding zocht, zeer tegen de zin van de delers in, samenwerking met ethische en confessionelen. In 1915 bleken de delers, met name Visscher, het voorstel van de helers te doorkruisen door met een aantal niet-hervormd-gereformeerden een voorstel voor een modus vivendi in te dienen om een soort boedelscheiding tot stand te brengen tussen verschillende stromingen. Visscher hoopte dat het dan tot een hereniging van alle gereformeerden kon komen waarna op den duur de Gereformeerde Kerk (binnen de NHK) het ‘oude genootschap’ zou ‘verzwelgen’.

Niet loslaten
Het hoofdbestuur stond op het standpunt dat het streven naar een modus vivendi in de praktijk zou leiden tot het loslaten ‘van een zeer brede groep die door zijn doop als door het teken des verbonds in de kerk des Heeren is ingelijfd’. Er ontstond wel een initiatief van het Convent van Gereformeerde Kerkenraden waarin zich zestig kerkenraden lieten vertegenwoordigen. In dit nieuwe modus vivendivoorstel was zelfs sprake van aparte Nederduitsch Gereformeerde Gemeenten binnen de NHK, compleet met eigen ringen, classis en synode.

Kerkherstel en Kerkopbouw
Het hoofdbestuur reageerde uiteraard verbolgen. De delers benadrukten echter dat op veel plaatsen de belijdenis op geen enkele wijze meer functioneerde. In 1930 organiseerden zich op initiatief van de CV, ethischen, kohlbruggianen, gereformeerde bonders en ook volgelingen van Barth het Nederlands Hervormd Verbond tot Kerkherstel. Visscher was van oordeel dat hierin niet geparticipeerd moest worden. Het hoofdbestuur besloot uiteindelijk niet in Kerkherstel te participeren. Sinds 1931 ontwikkelde zich de beweging Kerkopbouw, mede uit bezorgdheid over het ‘overwegend confessionele karakter van Kerkherstel’. Inmiddels was de deler Severijn in het hoofdbestuur gekozen.

Zwakke machtspositie
De machtspositie van de GB moest als uitermate zwak beschouwd worden. ‘Ons getal is ook, helaas, zoo klein. De eigenaardige manier van vertegenwoordiging in onze Kerk maakt, dat er maar zelden een lid van den Gereformeerden Bond in de Synode komt’. De mogelijkheden van de GB om iets tegenover het proces van ‘verwording’ te stellen werden als minimaal gepercipieerd. Voor een belangrijk deel had dit te maken met de sociale samenstelling van de GB. ‘Er behoorden weinig echte intellectuelen of zelfs maar journalisten tot de kring van de Gereformeerde Bond’. Uiteraard had dit gevolgen voor de wijze waarop de Bond naar buiten kon treden.

Marginaal binnen de ARP
Ook in politiek opzicht was de machtspositie van de GB uiterst gering. Hoewel de gereformeerde bonders zo’n veertig procent van het kiezerskorps van de ARP uitmaakten, bezetten zij slechts marginale posities binnen de partij. Bovendien gold dat met de aansluiting van de meer bevindelijke gereformeerde hervormden bij de GB, de SGP meer en meer een alternatief werd.

Minder militant
De angst voor een tweede doleantie had er toe geleid dat de GB, in de beginjaren, ‘den kloeken opzet’ had laten varen ‘voor een minder militant klinkende doelstelling’. Had men eertijds het modus vivendivoorstel omarmd dan was ‘binnen afzienbare tijd de Hervormde Kerk een Gereformeerde Kerk’ geweest. Door de te coulante houding was de leiding nu in handen gekomen van Kerkherstel en Kerkopbouw waarbij voor leertucht geen plaats was ingeruimd. Timmer schrijft later dat de houding van Van Grieken en zijn activiteiten met Woelderink rond de beweging Kerkherstel de positie van de GB verzwakt zouden hebben. Het standpunt van Visscher om ‘in het isolement onze kracht’ te zoeken beoordeelde hij dan ook als juist.

Visscher
De controverse tussen de voormannen van de GB liep hoog op. Visscher zegde in deze tijd zijn medewerking aan De Waarheidsvriend op en voerde zijn strijd tegen het hoofdbestuur via het Gereformeerd Weekblad. De gemoederen liepen zo hoog op dat Woelderink uiteindelijk uit het hoofdbestuur verdween. Uiteindelijk was hij de enige voorstander gebleken van de reorganisatievoorstellen. Hierna kwam er een periode van meer eensgezindheid. Het gezamenlijke reorganisatievoorstel van Kerkopbouw en Kerkherstel werd door de synode van 1938 afgekeurd. Er ontstond een nieuwe beweging rond de zendingsman H. Kraemer (Gemeenteopbouw).

Nieuwe Kerkorde
In mei 1951 werd de Nieuwe Kerkorde van kracht. Tekenden zich hier de contouren van een volkskerk met een belijdend karakter af? Het Algemeen Reglement van 1816 werd afgeschaft en de kerkstructuur herkreeg een presbyteriale bestuursinrichting waarbij de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten vooropstond. Maar daarmee was de zo gewilde reformatie nog geen feit. Immers, of de normatieve kracht van Schrift en belijdenis ook opnieuw tot gelding gebracht zou worden was nog allerminst zeker en werd door de gereformeerde bonders ernstig betwijfeld. De GB wilde ‘in overeenstemming met’ in plaats van ‘in gemeenschap met de belijdenis der vaderen’. Duidelijk was dat de nieuwe NHK nog steeds een legitieme ruimte zou gaan bieden aan de vrijzinnigheid.

‘Onaanvaardbaar!’
Geen toegeven, geen samenwerking, evenmin goede hoop zoals ten tijde van de helers, maar een realistische protesthouding waarmee zonder veel hoop op succes getracht werd de koers te verleggen. Severijn sprak uiteindelijk het ‘onaanvaardbaar’ uit over de Kerkorde. Van de toegezegde herinvoering van de tucht in 1961 kwam niets terecht. In 1958 werd de vrouw tot het ambt toegelaten. De Doorbraak werd vooral als een negatieve tendens beschouwd.

Geen nieuwe vertaling
Anders dan de CGK vond de Bond een ‘herijking’ van de eigen identiteit dan ook niet nodig, zelfs gevaarlijk. Het resultaat van deze strategie was dat de identiteit nagenoeg geen verandering onderging. Bijvoorbeeld ten aanzien van de nieuwe bijbelvertaling van 1951. Hoewel Van Grieken het ‘met grote dankbaarheid in ’t hart’ had gelezen (de proeve tien jaar daarvoor), oordeelde de commissie van het hoofdbestuur aanmerkelijk minder positief. Vooralsnog diende de Statenvertaling op de kansel te blijven, waarbij de belangrijkste verbeteringen die de nieuwe vertaling had opgeleverd ook gebruikt konden worden. L. Vroegindewey zei over de Schriftinterpretatie: ‘Wij hebben een zee van vragen. Doch hoog boven deze oceaan van vragen rijst het profetisch Woord, dat zeer vast is’.

Gezangen
Men stond binnen de GB aanvankelijk, anders dan binnen de CGK, niet negatief tegenover het zingen van gezangen in de eredienst. Severijn vond ‘het volstrekt niet gereformeerd om te zeggen dat er in de Gereformeerde kerk nooit gezangen naast de psalmen zijn gezongen en ook nooit gezongen mogen worden’. Wel diende men voorzichtig te zijn bij het toelaten van gezangen. Na de oorlog was van enige openheid ten aanzien van gezangen geen sprake meer. Voor een belangrijk deel werd dit standpunt bepaald omdat de eigen identiteit benadrukt werd ten opzichte van de ‘soortgelijke’ CV; mede omdat na de Tweede Wereldoorlog nogal wat gereformeerde bonders daarmee affiniteit kregen. Toen de ere-voorzitter van de GB, Van Grieken, in een kerkdienst gezangen liet zingen werd hij om die reden uit zijn functie ontheven. ‘Gezangen uit de dienst des Woords weren is statuut’, aldus Severijn in 1962.

Oude berijming
De GB spraken voluit hun gehechtheid uit aan de oude berijming maar wilden die berijming niet ‘kanoniseren’. Toch zijn tot op heden de psalmen in de oude berijming binnen de GB gemeengoed gebleven. Duidelijk is dat de GB in een tijd waarin vernieuwing centraal stond en zelfs de christelijk-gereformeerden allerlei vernieuwingen aan het doorvoeren waren, daarvan niet wilde weten. Binnen de NHK trachtte de Bond zich, conform de strategie van bescherming, verder op eigen terrein terug te trekken. Zo onttrok de GZB zich bij de aanneming van de Nieuwe Kerkorde in 1951 aan het zendingswerk van de NHK. Binnen het werelddiaconaat participeerde de Bond met een eigen projectenlijst.

Terugtrekking
Ook op politiek terrein zou men zich terugtrekken. De Waarheidsvriend gaf in de vooroorlogse jaren frequenter bezinning op de politieke vragen dan in de vijftiger en zestiger jaren. Het blikveld werd vernauwd, de externe oriëntatie voor zover die voor de oorlog nog aanwezig was, afgebouwd. Daarbij werd de oriëntatie verlegd van de ARP naar de SGP. Deze heroriëntatie toonde aan dat de GB in de naoorlogse jaren koos voor een strategie die vooral op bescherming was gericht. De ARP nuanceerde de eigen identiteit in de hoop zodoende invloed uit te kunnen blijven oefenen op de Nederlandse samenleving. De GB maakte een omgekeerde keuze.

Kritisch naar de GKN
Wel vertoonde de GB meer openheid in de richting van andere traditoneel-gereformeerde groeperingen. De GB werkte mee aan de oprichting van de COGG. De GB bedankte al in 1966 voor het lidmaatschap van de ICCC vanwege het absolutistische optreden ervan. De GOS kwam tamelijk laat in het blikveld. Tot een lidmaatschap is het nooit gekomen, mede door de coulante houding van de GOS in de richting van de GKN. Ten opzichte van de laatste groepering is de houding van de GB spoedig na de Tweede Wereldoorlog erg kritisch geworden. De contacten met de CGK zijn zo goed als beperkt gebleven tot het individuele niveau. Wel is vrij structureel contact onderhouden met de CV. Maar zij gingen uiteindelijk ‘mee’ met de nieuwe kerkorde.

Het Gekrookte Riet
Aanvankelijk zou de GB in een redelijk eensgezinde houding de nieuwe strategie volgen. Maar het was ook niet verwonderlijk dat ter linkerzijde een stroming zich sterk wilde maken voor een meer actieve en open opstelling. Tegen hen werd gezegd dat ze zich maar moesten aansluiten bij de CV. Voor anderen was de duidelijke keuze voor de ‘reformatorische beginselen’ weer niet strikt genoeg. Onder de leiding van ds. I. Kievit werden bijeenkomsten gehouden waarvan vermoed werd dat zij een actie tegen het bondswerk vormden. Uiteindelijk, namelijk halverwege de jaren tachtig, zou deze stroming binnen de GB zich organiseren rond het blad Het Gekrookte Riet.

Graafland: breder gereformeerd
De invloed van de GB op het kerkelijk beleid bleef gering. De Bond probeerde vanuit een betrekkelijk machteloze situatie vooral de eigen identiteit te beschermen. Eind jaren vijftig trad een tweede generatie bonders aan die vernieuwing wenste. Een belangrijke vertegenwoordiger was dr. C. Graafland. Zijn kritiek op de GB spitste zich toe op de invloed van de bevindelijk-gereformeerden binnen de Bond die zich sterk lieten beïnvloeden door de theologische ontwikkelingen die zich na het opstellen van de Dordtse Leerregels hadden voltrokken. Het gereformeerde karakter was in deze ‘Nadere Reformatie’ verengd. Graafland wilde terug naar een bredere gereformeerde traditie. ‘Ik wil graag gereformeerd theoloog blijven, maar binnen een grotere ruimte als binnen de Gereformeerde Bond officieus is toegestaan’. Een manifestatie van deze verenging vond hij onder meer in de liturgische vormgeving van de eredienst.

Ds. G. Boer
De Waarheidsvriend was beducht om Graaflands stellingname omdat de geschiedenis had geleerd dat dit type van kritiek zou uitlopen op kritiek op Dordt zelf. Slechts één geval was hen bekend waarbij kritiek op deze ontwikkelingen niet tot modern-gereformeerde opvattingen had geleid: Kohlbrugge. Graaflands stellingname werd aanvankelijk dan ook streng afgekeurd. GB-voorzitter ds. G. Boer zag slechts twee wegen open: de formele weg tot vernieuwing bewandelen of de gelederen van de GB verlaten. Het was een duidelijke hint in de richting van Graafland om de GB maar vaarwel te zeggen. De serie artikelen van Boer leidde tot een open brief van 35 gereformeerde bonders. Zij poneerden dat de GB te veel de lijn van (de bevindelijke) Kievit zou volgen.

Hellend vlak
De liturgische kwestie bleef voor het hoofdbestuur echter onbespreekbaar. Men achtte het gevaar te groot dat elke vernieuwing in de maalstroom van de moderne vernieuwingen zou geraken en het gereformeerde karakter zou meesleuren. De uiteindelijke reactie van het hoofdbestuur kan wellicht het best getypeerd worden als het geven van schijninvloed. De leiding onderkende positieve elementen in het streven van de jongeren. Er werd na de serie scherpe stukken opmerkelijk voorzichtig met Graafland omgegaan.

Pacificatie
De benoeming van Graafland als bijzonder hoogleraar voor de GB aan de Universiteit van Utrecht duidde er wellicht op dat het hoofdbestuur voor de jongeren een plaats wilde inruimen. Dat de leiding van de Bond niet werkelijk zwichtte voor de ideeën van de jongeren bleek wel hieruit dat Graafland desondanks ‘aanzienlijk lichter’ bleef dan de hoofdstroom van de GB. Maar de pacificatie betekende wel dat de polarisatie verminderde, mede door een aantal personele wisselingen.

NBG en GBS
De GB is een sterk voorstander gebleven van de Statenvertaling, maar vertoonde wel een zekere mate van openheid in de richting van de uitvoerders van de NBG-vertaling. Toen in de jaren zeventig de Gereformeerde Bijbelstichting de gereformeerde bonders los trachtte te weken van de NBG om de Bond onder haar vleugelen te brengen, reageerde de leiding verontwaardigd. Met alle kritiek die er was, waardeerde men de ‘nog altijd betrouwbare uitgave van de Statenvertaling’ door de NBG. Bovendien was de commissie Tukker gelieerd aan het NBG om een gereviseerde Statenvertaling in de handel te brengen.

Gemeenschappelijke vijand
De ‘gemeenschappelijke vijand’ (de niet-orthodoxen in de NHK) kan als belangrijke verklaring worden aangevoerd voor het wegebben van de spanningen die de interne constellatie van de Bond in de jaren zestig kenmerkten. In 1967 verscheen een open brief, in 1971 een Getuigenis. Men was ervan overtuigd dat ‘het grootste deel van de gemeenteleden’ aan hun zijde stond, maar hun ‘stem klinkt slechts zwak door in de pers’.

Toenemende machtspositie
In 1970 kon de voorzitter constateren dat de GB gestadig in aantal en in gebondenheid aan de kerk groeide. Er kon melding gemaakt worden van een grote groei en uitbouw van het werk, steeds meer werd beseft dat de Bond een krachtige bondgenoot kon zijn tegen al te vergaande vernieuwingen. De feitelijke invloed van de Bond bleef relatief gering, maar de machtspositie nam fors toe. Toen er in 1992 een wijziging van de kerkorde van 1951 werd doorgevoerd waarin het financiële toezicht op de plaatselijke kerken gecentraliseerd werd, waardoor de financiële structuur tussen de GKN en de NHK gelijk getrokken werd, vochten 73 gemeenten het besluit aan bij de burgerlijke rechter die hen in het ongelijk stelde.

Herleving
Door de afbrokkeling van de CV nam de groei van de GB fors toe. Het werd de sterkste organisatie in de NHK. Door het werk van de Bond zijn ‘soms hele verdorde en verlepte streken weer tot (geestelijk) leven’ gekomen. En de vrijgemaakte Douma merkte in 1981 op dat de Bond ‘op zijn stafkaart geregeld nieuwe vlaggetjes kan prikken van posten, die over het hele land verspreid, bezet konden worden’.

Dertig procent
Om in de behoefte van kandidaten te voorzien had de GB van meet af aan een studiefonds in het leven geroepen. Vanaf de Tweede Wereldoorlog werden er jaarlijks zo’n veertig studenten gesteund. Dit was van groot belang omdat steeds meer gemeenten om hervormd-gereformeerde predikanten zouden vragen. In de jaren zeventig liep dit getal op tot ongeveer zeventig. In 1931 waren slechts 214 van de 1644 predikantsplaatsen vervuld door gereformeerde bondspredikanten, dertien procent. In 1980 werd het aandeel geschat op zo’n dertig procent. Een ontwikkeling die mede werd bekrachtigd doordat het secularisatieproces vooral de minder orthodoxe predikantsplaatsen trof. ‘In hoeveel streken van ons vaderland is mede door de schuld van de vrijzinnigheid het kerkelijk leven in het verleden zo goed als weggespoeld, zodat er haast alleen oude kerkgebouwen bleven staan’. Van de hervormde kerkgangers op zondagmorgen behoort 41 procent tot de GB, 24 procent tot de CV.

‘Nee!’ tegen Samen op Weg
Toen de hervormde en gereformeerde synode in 1986 verklaarden ‘in staat van hereniging’ te zijn, reageerden 40 procent van de hervormde gemeenten met een ‘nee’ of een ‘nee, tenzij’. De GB koos officieel voor de laatste optie. De GKN waren zo fundamenteel van karakter veranderd dat zij, voor wat de GB betrof en anders dan in het begin van de 20e eeuw, niet meer welkom waren binnen de NHK. In 1992 wijzigde de GB haar ‘nee, tenzij’ in een ‘nee’-standpunt. De kritiek spitste zich toe op de Leuenberger Konkordie (de verkiezing als controversieel punt afgewezen) en het aangaan van kinderen aan het avondmaal en het kerkelijk inzegenen van andere relaties. Van der Graaf zei in 1992: ‘Zoals de zaken er nu voorstaan, zullen hervormde gemeenten blijven voortbestaan. Ik leg de nadruk op blijven. Maar wat zijn hervormde gemeenten zonder een hervormd kerkelijk verband? Daarom zullen zeker al die gemeenten die in het hervormde spoor verder zullen gaan, zoeken naar een kerkelijk kader om in het uitgezette spoor van de vaderen te blijven’.

Makkelijk van richting veranderen
Het overschot van gereformeerde bondspredikanten heeft ertoe geleid dat predikanten die zich wilden rekenen tot de GB maar niet beroepen werden door een bondsgemeente, een beroep aannamen naar een gemeente die heel wat moderner in de leer was dan de GB toeliet, waar bijvoorbeeld ook vrouwelijke ambtsdragers functioneerden. Vaak waren dit gemeenten die een ‘verrechtsing’ doormaakten. Evenals bij de christelijk-gereformeerden is er binnen de Bond sprake van ‘wederzijdse kanselsluiting’. Maar anders dan bij de christelijk-gereformeerden lijken binnen de GB de stromingen met elkaar te leven zonder grote manifeste conflicten. Dit komt waarschijnlijk omdat het binnen de NHK gemakkelijker is van richting te veranderen dan binnen de CGK. Zij die zich binnen de Bond niet meer thuis voelen blijven geen lid. Lid blijven uit ‘kwaadwilligheid’, waarbij een forste oppositie gevoerd zou worden, komt nauwelijks voor. Ook gemeenten kunnen in betrekkelijke stilte het stempel van gereformeerde bondsgemeente verliezen of juist opgedrukt krijgen. Van een gemeenschappelijke bondscultuur is steeds minder sprake en stromingen binnen (en inmiddels buiten) de Bond zullen verder uit elkaar groeien.

Gepubliceerd in september 2009