God in Nederland 1966-1996

n.a.v. Gerard Dekker, Joep de Hart en Jan Peters, God in Nederland 1966-1996, Amsterdam 1997

1. Godsdienst in Nederland
1.1 Het kerkelijk leven
– Nederland laat tussen 1966 en 1996 een sterke ontkerkelijking zien: per jaar hebben 100.000 mensen zich van de kerk onttrokken. Het vaststellen van de omvang van de buitenkerkelijkheid is een vrij gecompliceerde zaak. Er hangt veel af van de vraagstelling en definitie. Het blijkt bijvoorbeeld dat als je vraagt bij welke kerk iemand aangesloten is dit veel vaker blijkt te zijn dan als je gewoon vraagt of hij of zij zich kerklid noemt. Ook kan het imago van desbetreffende kerk in de samenleving een rol spelen. Het gereformeerde volksdeel is helemaal moeilijk te meten: hierbij behoren zowel de GKN als alle andere gereformeerde kerkjes.
– Ook het kerkbezoek vertoont een dalende lijn. Overigens gingen er in 1996 nog wel altijd twee miljoen mensen elke zondag naar een kerk. Samenvattend kunnen we zeggen dat ongeveer een kwart van de Nederlanders actief kerklid is, een kwart minder nauw bij de kerk betrokken is en dat ongeveer de helft van de bevolking geen band met een kerk heeft.
– Nederlanders verwachten voor hun persoonlijk leven steeds minder van de kerk. Op de vraag bij wie men steun en raad zoekt in geval van een gewetensprobleem waarover men thuis niet kan praten zei in 1966 22 procent ‘vriend/vriendin’ en 35 procent ‘geestelijke’. Dat was in 1996 62 en 9 procent!
– Het kerkelijk leven is dus aan erosie onderhevig. Maar betekent dit ook een verzwakking van de christelijke godsdienst, de inhoud en beleving van het geloof? Kunnen we hier ook spreken van een secularisatie in of van de Nederlandse samenleving? Dit zien we in het vervolg.

1.2 De christelijke godsdienst
– Het traditionele Godsgeloof neemt af. Het geloof in een persoonlijke God is in 30 jaar gehalveerd. Aangezien dit een kern van het traditioneel-orthodoxe christelijk geloof is, hebben we hier met een zeer belangrijk gegeven te maken. Het atheïsme is nauwelijks toegenomen, maar des te meer een vaag transcendentiegeloof (er moet iets hogers zijn) en agnosticisme (ik weet het niet). Het Godsgeloof is ook immanenter van aard geworden. God is dan niets anders dan het waardevolle in de mens: een horizontalisering van het geloofsleven.
– Ook de instemming met traditionele christelijke geloofsvoorstellingen neemt af. Er is een verschuiving richting vrijzinnigheid. In 1996 ziet 61 procent Jezus niet meer als Gods Zoon. Opvallend is dat wel weer meer mensen geloven in een leven na de dood, al zullen ze hierbij in 1996 niet hetzelfde verstaan als in 1966. Het blijkt dat ongeveer evenveel mensen geloven in de hemel (25 procent) als in reïncarnatie (20 procent).
– Ondanks een toenemend bijbelbezit lezen Nederlanders minder in de Bijbel. Slechts 12 procent leest regelmatig de Bijbel. Dit hangt samen met de Bijbelvisie: 40 procent zegt dat het niet het Woord van God is.
– Er is ook een groeiende twijfel aan de zin van bidden. Een minderheid van 45 procent denkt nog dat bidden zin heeft.
– Het traditioneel-orthodoxe christelijke geloof vindt in de loop van de tijd minder aanhang onder de Nederlanders. Nog slechts 11 procent is sterk traditioneel-orthodox. Dit wil nog niet meteen zeggen dat de Nederlanders ook minder godsdienst zijn geworden.
– Slechts 6 procent van de Nederlanders noemt godsdienstigheid als één van de drie belangrijkste waarden of doelen in hun leven.
– Als gezegd wordt dat als de mensen niet meer in God geloven, het egoïsme dan vrij spel heeft, de moraal wordt bedreigd en de samenleving verloedert, zijn meer mensen het niet met deze stelling eens dan wel. Dus de meeste mensen vinden dat de kerken niet nodig zijn voor een goed leven en een goede samenleving. Ook zonder de christelijke godsdienst behouden morele normen en waarden hun geldingskracht. Volgens velen vaar je ook zonder geloof wél.
– De conclusie is onontkoombaar: niet alleen de kerkelijkheid is geringer geworden, ook de traditionele christelijke godsdienstigheid verzwakt. Tegelijkertijd moet gezegd worden dat de christelijke godsdienst niet afwezig is, integendeel. Kunnen we op grond hiervan zeggen dat zich de afgelopen decennia in Nederland behalve een ontkerkelijkingsproces ook een secularisatieproces heeft voltrokken? Dat zullen we in 1.4 zien.
– Godsdienst kan ook ruimer gedefinieerd worden en dan verstaan we er alle houdingen en gedragingen onder die geen betrekking hoeven te hebben op een andere werkelijkheid, maar wel op een werkelijkheid die voor de betrokkenen uiteindelijk zin geeft aan hun leven. Dat bekijken we in de volgende paragraaf.

1.3 De godsdienstigheid van de Nederlanders
– Tweederde van de Nederlanders beschouwt zichzelf als (enigszins) gelovig mens. Er is sinds 1979 hierin weinig verandering opgetreden, dus de ontwikkelingen in het institutionele kerkelijke leven en die in de persoonlijke godsdienstigheid lopen niet parallel.
– We moeten bedenken dat driekwart van de Nederlanders in een bepaald geloof is grootgebracht: dat is nog een hoog aantal, al wordt dat natuurlijk steeds minder.
– Bijna de helft zegt wel eens een religieuze ervaring te hebben gehad.
– In vergelijking met andere verbanden is de verbondenheid met mensen met dezelfde levensbeschouwing niet zo groot. Veel hoger scoren mensen met hetzelfde werk, dezelfde interesses, uit dezelfde streek, stad of straat. Alleen mensen met dezelfde politieke overtuiging scoort lager.
– Wat geeft Nederlanders uiteindelijk zin aan het leven? Godsdienst/kerk komt op een gedeelde laatste plaats samen met relaties/vrienden en hobby’s. Veel belangrijker worden gezien: gezin, gezondheid, het financieel goed hebben en op het maatschappelijk leven gericht zijn.
– Nederlanders zijn sterk geconcentreerd op dit leven en op de zin die ze zelf aan dit leven geven.

1.4 De rol van de godsdienst in de Nederlandse samenleving
– De zichtbare invloed van de godsdienst op het maatschappelijk leven is geringer geworden. Over de hele linie vinden steeds minder mensen dat verenigingen van een godsdienstig beginsel moeten uitgaan. Zowel de verzuilingsmentaliteit als het verzuilde gedrag is sterk afgenomen. Binnen de levensbeschouwelijke wereld vindt een zekere polarisatie plaats.
– Aan de ene kant treedt liberalisering (toenemende vrijzinnigheid) op, aan de andere kant ontstaat er een grotere aandacht op de orthodoxie. Hier is geen sprake van versterking, maar van hergroepering. Behalve een verzwakking van de christelijke godsdienst vindt er dus ook binnen een deel van die godsdienstige wereld een revitalisering plaats.
– Wat betreft de schoolwereld bestaat er een welwillende houding ten opzichte van christelijke scholen en het vak godsdienst op openbare scholen. Nederlanders kennen de kerken ook een opmerkelijk positieve rol in het publieke leven toe. Op de vraag hoe betrouwbaar Nederlanders verschillende instanties achten, komen de kerken na de wetenschappers op de tweede plaats! De politiek uiteraard op de laatste plaats. Opvallend is dat de media niet heel hoog scoort.
– Vrijwel niemand vindt het een goede zaak als de kerken zouden verdwijnen (4 procent). Voorzichtig zouden we hieruit kunnen concluderen dat velen de kerken geen noodzakelijke, maar desalniettemin wel nuttige instellingen vinden. Maar die kerken moeten zich dan wel als ‘moderne’ instellingen gedragen, bijvoorbeeld vrouwen toelaten tot de ambten (85 procent van de katholieken vindt dat).

1.5 Een groeiende kloof tussen godsdienst en kerk?
– Het aantal mensen dat zich gelovig noemt is groter dan het aantal dat zich met een kerk verbonden voelt. Kan men een gelovig mens zijn zonder ooit naar de kerk te gaan? 96 procent zegt daarop ‘ja’, in 1966 was dat al niet anders (90 procent). Godsdienst en kerk groeien uiteen; het gaat niet meer om mensen die slechts randkerkelijk zijn, maar echt buitenkerkelijk (bijna de helft van de buitenkerkelijken beschouwt zichzelf als gelovig). De geloofsbeleving van de mensen verandert sterk maar neemt niet in betekenis af.
– De kerken lijken onmachtig om de bestaande religiositeit vorm te geven of te kanaliseren. De discrepantie tussen de door hen ervaren en beleefde godsdienstigheid enerzijds en de godsdienstigheid zoals die in de kerken gestalte aanneemt anderzijds is te groot geworden.
– De betekenis van de kerken voor het persoonlijk leven neemt af terwijl in de beleving van de mensen hun betekenis voor het publieke leven toeneemt. Ze worden, overdreven gesproken, door velen beschouwd als instellingen als Amnesty International en Greenpeace: het zijn nuttige instellingen, zij moeten er ook zijn en ze moeten actief zijn; maar ze zijn niet noodzakelijk om ons persoonlijk leven vorm te geven en die pretentie moeten ze dan ook niet hebben.

2. Confessionele culturen in Nederland: katholieken, hervormden en gereformeerden vergeleken
2.1 Het kerkelijk leven
– Gereformeerden gaan het vaakst naar de kerk. Maar daarbij moeten we bedenken dat onder het kopje ‘gereformeerden’ ook de vrijgemaakt gereformeerden, christelijk-gereformeerden en (oud) gereformeerde gemeenten (in Nederland) zijn gerekend. Dus als in het vervolg over ‘gereformeerden’ wordt gesproken wordt deze brede groep bedoeld!
– Gereformeerden doen veel meer kerkelijk vrijwilligerswerk en zijn vaker lid van een kerkelijk-godsdienstige vereniging dan katholieken en hervormden.
– Gereformeerden hebben veel vaker contact met geestelijken dan katholieken en hervormden. Katholieken, hervormden en gereformeerden verschillen niet noemenswaardig in hun waardering voor het werk van geestelijken; ze zijn daar allemaal heel positief over.
– Hervormden (rond de 60 procent) trouwen minder vaak in de kerk dan katholieken en gereformeerden (allebei meer dan 90 procent).
– De sociale cohesie is bij gereformeerden het sterkst.
– Het aantal katholieken en hervormden in Nederland is flink afgenomen terwijl het relatieve aandeel van de gereformeerden gelijk bleef. Katholieken hebben het grootste percentage kerkverlaters, maar ook steeds meer gereformeerden verlaten de kerk. Het tempo waarin katholieken minder bij de kerk betrokken zijn geraakt ligt hoger dan dat van hervormden en gereformeerden. Hervormden raken de laatste jaren meer bij hun kerk betrokken. Als we de periode 1979-1996 bezien, zien we een soort harde-kerneffect: de secularisatie is bij de hervormden reeds zover gevorderd dat nog slechts een kleine, harde en kerkgetrouwe kern van leden is overgebleven. Hierop zal zeker ook het gegeven dat de relatieve omvang van de Gereformeerde Bond is toegenomen, van invloed zijn geweest.

2.2 Geloofsopvattingen
– Slechts een klein deel van de katholieken (zelfs kleiner dan bij de bevolking als geheel) onderschrijft het traditinoeel-christelijke Godsgeloof, tegenover een meerderheid van gereformeerden en hervormden. Het traditionele Godsgeloof bij katholieken is vooral vervangen door een vaag transcendentiegeloof. Bij 72 procent van de katholieken, 65 procent van de hervormden en 41 procent van de gereformeerden is er sprake van een sterke binnenwereldlijke levensbeschouwing (de overtuiging dat God niets anders is dan het waardevolle in de mens, die niet daarboven is maar alleen in de harten van de mensen).
– Het geloof in een leven na de dood is nog altijd wijdverbreid, maar onder katholieken het minst.
– Slechts de helft van de gereformeerden (de trouwste lezers!) leest regelmatig in de Bijbel, het merendeel van de katholieken nooit. De meeste gereformeerden en hervormden zien de Bijbel als het Woord van God, terwijl slechts een derde van de katholieken dat doet. Ook de zin van bidden is bij hen het minst.
– De erosie en horizontalisering van het christelijk geloof is bij de katholieken het verst voortgeschreden. Nog slechts een kleine minderheid van hen gelooft in een God die Zich persoonlijk met ieder mens bezighoudt. Bij de meerderheid is er een vaag geloof in transcendentie (een onpersoonlijke hogere macht). Religieus immanentisme is bij de katholieken de meest verbreide vorm van levensbeschouwing.
– Het tempo van de geloofsafname bij gereformeerden is vanaf 1979 versneld.

2.3 De betekenis van kerk en godsdienst
– Gereformeerden en hervormden kennen de kerken een grotere rol toe voor de integratie van de samenleving dan katholieken. Verreweg de meeste kerkleden, ongeacht hun confessie, vinden dat de kerken uitspraken moeten doen over armoede en discriminatie.
– Gereformeerden hechten aan het geloof een veel grotere betekenis voor hun persoonlijk leven en voor het bereiken van belangrijke waarden dan katholieken.
– Onthutsend is de volgende uitkomst: 99 procent van de katholieken beschouwt godsdienstigheid niet als een belangrijke waarde in het leven, tegenover 77 procent van de gereformeerden. Van de katholieken ervaart dus nauwelijks iemand de godsdienst als een belangrijk zingevingskader dat richting geeft aan het leven. Godsdienstigheid speelt in het dagelijks leven van gereformeerden en hervormden een grotere rol dan in het leven van katholieken.
– Katholieken vinden in meerderheid dat de moraal ook zonder de christelijke godsdienst haar geldingskracht behoudt.
– De meeste protestanten vinden, in tegenstelling tot de katholieken, dat het christelijk geloof over de wereld verbreid moet worden.

2.4 Sociale en culturele verschillen tussen de drie confessies
– Op alle punten huldigen katholieken veel vrijere en meer liberale opvattingen dan protestanten. De percentages volledige aanvaarding van echtscheiding, homoseksualiteit, gebruik van voorbehoedsmiddelen, abortus, euthanasie en zelfdoding liggen bij katholieken beduidend hoger.
– De politieke participatie van protestanten is veel groter dan die van katholieken. Wel zijn er meer katholieken lid van een sportvereniging.
– Gereformeerden identificeren zich veel sterker met geloofsgenoten, terwijl katholieken zich veel meer met lokale groepen verbonden voelen.
– Bij de gereformeerden is de jongste generatie oververtegenwoordigd en bij de katholieken en de hervormden de twee vooroorlogse generaties.
– Gereformeerden zijn veel hoger opgeleid dan katholieken en hervormden; hun opleidingsniveau is zelfs hoger dan dat van de totale bevolking.
– We kunnen zonder enige twijfel vaststellen dat er in Nederland nog altijd sprake is van duidelijk verschillende confessionele culturen.

3. Godsdienst en samenleving
3.1 Secularisatie en de bedreiging van het sociaal kapitaal
– Er is alle aanleiding om te spreken van een secularisatieproces dat zich in de afgelopen drie decennia op meerdere fronten heeft doorgezet. Er duiken hierbij vragen op: heeft de secularisatie geresulteerd in een situatie waarin egoïsme en fixatie op eigenbelang hoogtij vieren? Liep de teloorgang van het traditionele godsdienstige leven en de tanende maatschappelijke invloed van de kerken op de samenleving parallel met een steeds geringere betrokkenheid van mensen op elkaar en op de samenleving in bredere zin? Heeft de godsdienstige distantie van zo vele Nederlanders geleid tot de ontbinding van een ‘publiek ethos’, zoals het wel genoemd wordt? Het zijn belangrijke, maar ook zeer gecompliceerde vragen.
– In dit hoofdstuk vragen we ons af of de bovengenoemde veranderingen ook gevolgen hebben voor de samenleving als geheel.
– Onder sociaal kapitaal verstaan we een combinatie van betrokkenheid bij anderen, vertrouwen in anderen en de deelname aan maatschappelijke organisatievormen waarin mensen aan dit engagement vormgeven.
– De relaties tussen individualisme, maatschappelijk activisme en religieuze overtuigingen is indringend beschreven door Alexis de Tocqueville (De la démocratie en Amérique, 1835 en 1840). Hij was gefascineerd door de wijze waarop de bewoners van de nieuwe wereld religieuze passie verzoenen met sociale bewogenheid en een diepgewortelde gehechtheid aan democratische vrijheden, een coalitie die volgens hem in scherp contrast stond met het Frankrijk van zijn dagen. Aan de hand van talloze voorbeelden die hij vergaarde op zijn reis demonstreert hij de maatschappelijke relevantie van religie en laat hij zien dat de relatie tussen religieuze en politieke overtuigingen allesbehalve een toevallige is. De Amerikanen gaven blijk van een opvallende vrijheidsdrang, maar vonden elkaar tegelijkertijd in een gedeelde christelijke moraliteit. Te midden van al het individualisme vormde religie steeds weer het integrerende element en vormde zij de geestelijke motor van de sociale solidariteit. Het geloof schiep gemeenschapsbanden die op hun beurt de participatie op tal van andere maatschappelijke terreinen stimuleerden.
– Vormen kerkelijke en gelovige Nederlanders vandaag de dag nog een relatief sociaal geëngageerd bevolkingsdeel? De naoorlogse welvaartsgroei in Nederland heeft ruimte geschapen voor een individualisering van het leefpatroon, die op haar beurt heeft geleid tot een geringere voorspelbaarheid van het gedrag van mensen.
– De Duitse socioloog Max Weber hield aan het eind van zijn historische uiteenzetting over de rationele onttovering van de wereld nog nadrukkelijk de mogelijkheid open van hetzij een opkomst van ‘nieuwe profetieën of een machtige wedergeboorte van oude gedachten en idealen’, hetzij ‘een soort van krampachtig zichzelf serieus nemen’. Volgens de meeste hedendaagse cultuurcritici is het op het laatste uitgedraaid. Daarbij wijzen zij op een stroming als New Age waarin technieken die het eigen innerlijk en de eigen ervaring cultiveren een prominente plaats innemen, ten koste van maatschappelijke betrokkenheid. Moderne mensen willen alle opties openhouden en zijn weinig geneigd zich ergens op vast te leggen.
– De grondleggers van de sociologie waren van mening dat een moderne, plurale en geseculariseerde samenleving om nieuwe vormen van solidariteit vraagt.
– Eind jaren negentig werd de term Dutch disease (naar aanleiding van een lezing van premier Lubbers) populair om een aantal van de zorgwekkende ontwikkelingen samen te vatten: normvervaging en uitwassen van het individualisme-ethos.
– Met civil society doelen we op wat we het ‘maatschappelijk middenveld’ noemen: de maatschappelijke organisatievormen, sociale netwerken en vrijwillige burgerinitiatieven die niet behoren tot de staats- of overheidssfeer, ook niet opgaan in de commerciële doelstellingen van de economische markt en die het strikte private belang overstijgen. In de ‘nadagen van de verzorgingsstaat’ heerst veel somberheid over de toekomst van de civil society.
– De oude gemeenschapsstructuren bevinden zich in een proces van ontbinding en laten een sociaal vacuüm achter doordat zich (nog) geen alternatieven aandienen die vergelijkbare functies kunnen vervullen.

3.2 Godsdienst en maatschappelijke oriëntatie
– Kerkse gelovigen zijn het meest actief in het vrijwilligerswerk en de informele hulpverlening.
– Vrijwilligers hebben een groter vertrouwen in anderen dan mensen die geen vrijwilligerswerk doen.
– We zien een soort schaarbeweging: in de loop van de achterliggende decennia is de Nederlandse bevolking zeer afkerig geworden van bemoeienis van de kerken met de persoonlijke leefsfeer, maar tegelijkertijd zien zeer velen wel een rol voor de kerken in het publieke leven weggelegd.
– Godsdienst lijkt zich te hebben teruggetrokken van het maatschappelijk schouwtoneel naar de privé-sfeer: de privatiseringsthese. Maar dit is lang niet overal zo.

Gepubliceerd in juli 2009