Groen van Prinsterer

n.a.v. H.W.J. Mulder, Groen van Prinsterer. Staatsman en profeet, Franeker 1973

Inleiding
Waarom is er zo weinig geschreven over Groen en zo veel over bijvoorbeeld Thorbecke? Het is een afkeer tegen Groens levensdoel, het behoud of herstel van de christelijke staat. Dit werd en wordt beschouwd als een onwezenlijk en uit de tijds droombeeld. Voor velen is hij vooral daardoor een steen des aanstoots, meer dan de overige Réveilfiguren. Ook een reden is dat zijn figuur lang is schuilgegaan achter de imposante gestalte van zijn opvolger, Abraham Kuyper. In Wilhelmina’s ‘Eenzaam, maar niet alleen’ beklaagt zij zich erover dat haar leermeesters haar de kennis van Groens levenswerk blijkbaar bewust onthouden hebben. De koningen vóór haar, Willem II en III, hebben aan Groen voorbij geleefd.

Tijdsbepaling
18e eeuw
Groen werd in 1801 geboren. Groot was de tegenstelling met de Gouden Eeuw: tegenover de ruige kracht van toen, de verzorgde levensstijl een eeuw later. Alles is ingesteld op behaaglijkheid. Geen actieve bemoeiing meer met de buitenlandse politiek, waardoor de gezapige rust kon gestoord worden. Bijna een eeuw lang geniet ons land, op enkele kleine incidenten na, waarin we tegen onze wil betrokken werden, vrede. In de 17e eeuw daarentegen waren de oorlogen vrijwel geen jaar van de lucht geweest. Deze langdurige vrede ging gepaard met een ongekende welvaart. De landbouw floreert en de baten uit de koloniën blijven rijkelijk vloeien. Onze koopvaardijvloot blijft nog tot de grootste ter wereld behoren. Wel gaat het de industrie, die echter geen grote plaats in de nationale economie inneemt, niet zo best. Ons land bleef tot de Franse tijd de geldmarkt van Europa, waarbij de Amsterdamse beurs de hoofdrol vervult.

Den Haag, Groens ouders
Heel het land wordt één lusthof, bewonderd en ook benijd door de vreemdeling. Zo ook Den Haag, sinds lang het schoonste dorp van Europa. Nauwelijks 40.000 inwoners, nog besloten tussen de door Maurits gegraven grachten en omringd door een krans van landgoederen en buitenverblijven. Dorpen rondom Den Haag delen in deze pracht: Wassenaar, Rijswijk en Voorburg. Groens moeder, Adriana Hendrika Caan, was enig kind van zeer vermogende ouders, zodat ze de ‘erfdochter van Holland’ werd genoemd! Ze trouwt met een dokter: Petrus Jacobus Groen van Prinsterer. Dit niet vanwege zijn uiterlijk, want hij schijnt er zonderling uit hebben gezien met zijn lange neus. Ook is hij stroef, al is hij ook goedhartig. Guillaume (of Willem zoals hij gewoonlijk genoemd werd), werd geboren op 21 augustus 1801, in een gezin waar al een zus was geboren en een zusje nog zou volgen. De naam was misschien een eerbetoon aan de toen verdreven stadhouder. Groens vader onthoudt zich in de Franse tijd van elke politieke bemoeiing en zijn functie als medicus maakt hem dit gemakkelijk. Na de bevrijding wordt hij lid van de provinciale staten en van de Haagse gemeenteraad. Hij ijvert zich ook zeer voor het begraven buiten de kerken.

Jeugd
Korte Vijverberg, Vreugde en Rust, wandelen, kerkelijk
Groen groeide voorspoedig op. Groens vader had in 1805 het prachtige huis aan de Korte Vijverberg aangekocht, waar nu het kabinet der koningin gevestigd is. Van nu aan woont de familie ‘s winters aan de Korte Vijverberg, ‘s zomers op Vreugd en Rust, een buitenverblijf. Op de school waar Groen op zat, werd het wandelen sterk aangemoedigd. Aan Groen is deze aanmoediging wel besteed; hij houdt van wandelen en blijft daarvan houden tot op hoge leeftijd. Op één van deze wandelingen, op weg naar Zeist, springt hij in het water om een jong meisje van de verdrinkingsdood te redden, terwijl hij toen nog helemaal niet kon zwemmen! Pasen 1819 doet Groen belijdenis in de Haagse Grote Kerk. Het christendom dat in Groens jeugd in de hervormde kerk de toon aangeeft is een nogal conventioneel, optimistisch en moralistisch geloof zonder veel diepgang. Het miste elke radicaliteit. Bilderdijk, die vrijwel nooit meer ter kerke gaat, richt er zijn scherpste pijlen op, zoals enige tientallen jaren later Kierkegaard in de Deense hoofdstad.

Studententijd, invloeden in Leiden
De studententijd wordt voor Groen één van de mooiste perioden van zijn leven. Hij denkt hier later nog met een zeker heimwee aan terug. Toch lag er altijd een zekere melancholie over zijn leven. Hij rijdt paard, zwemt, speelt kolf (voorloper van golf), en kaatst: allemaal vaderlandse sporten. Hij werkt als een paard. Hij studeert zowel letteren (geschiedenis) als rechten, in Leiden. Studenten waren toen nog verplicht elk college bij te wonen, iets waartegen hij later als kamerlid verzet zou aantekenen. Het gevolg is dat hij overwerkt raakt in 1822 en rust moet nemen. Groen ondergaat drie belangrijke invloeden in Leiden: de doorwerking van Plato’s ideeënleer, de invloed van de historische rechtsschool en de aanraking met de oude Bilderdijk (er is nagenoeg geen tak van geleerdheid waarin hij niet baanbrekend werk heeft verricht).

Bilderdijk
Leven
Onbeheerst is zijn persoonlijk leven. Terwijl hij zijn verloofde calvinistische dogma’s doceert, laat hij zich verleiden door een knap buurmeisje, waardoor de verloving verbroken wordt. Daarna moet Bilderdijk een gedwongen huwelijk aangaan; de verhouding tussen man en vrouw laat spoedig alles te wensen over. Na de omwenteling van 1795 wordt hij als Oranjeklant verbannen naar Londen, waar hij een mooi meisje ontmoet. Hij schrijft in zijn Bijbel: uxorem accepi (ik heb een vrouw genomen), terwijl hij nog steeds getrouwd was met zijn vrouw die hij achtergelaten had in Den Haag. Zo zijn nu de fijnen, zeggen de tegenstanders, als het geval ruchtbaar wordt. Hij krijgt veel kinderen bij haar, van wie er maar één hem overleefd.

Privatissimum
Na de bevrijding belooft koning Willem I hem een professoraat, maar de ministers houden dit tegen. Nu beraamt Bilderdijk iets anders: hij vestigt zich in Leiden, waar hij aan huis een privatissimum voor studenten gaat geven. En dan begint het wonder! De maatschappelijke ontwrichte wordt een uitverkoren instrument in Gods hand als voorbereider van het Nederlandse Réveil. Een niet onbelangrijke groep studenten begint zijn privatissimum te volgen. Hij ontvangt hen in zijn grote huis aan het Rapenburg. Groen vraagt zijn vader toestemming om ook hieraan deel te nemen, en zijn vader vindt het goed, al waarschuwt hij zijn zoon voor de paradoxale leerstellingen die Bilderdijk er op na schijnt te houden. Vader Groen zal later nog wel eens spijt gehad hebben van de zo geredelijk verleende toestemming.

Niet in alles beïnvloed
Groen heeft altijd bezwaar gemaakt om als volgeling van Bilderdijk afgebeeld te worden. Er gaapt namelijk in het staatsrecht en de geschiedschrijving een diepe kloof. Bilderdijk is bijvoorbeeld voorstander van de absolute monarchie en tegenstander van de moderne grondwetten. Groen heeft echter geen bezwaar tegen de republiek als staatsvorm. Maar vooral op godsdienstig gebied dringt Bilderdijks invloed langzaam maar zeker bij hem door. Bilderdijk is de vader van het Nederlandse Réveil geworden, maar evenzeer heeft hij de Afscheiding van 1834 beïnvloed. Ook Kohlbrugge heeft aan de lijdelijk-bevindelijke Bilderdijk veel te danken gehad. Bilderdijk was ook sterk oecumenisch ingesteld. De bijval die Bilderdijk in studentenkringen ontmoet, wekt in Leiden verontrusting. Er worden proefschriften verdedigd, waarin duidelijk Bilderdijks extreem-monarchische denkbeelden met felheid worden uitgedragen, door onder andere Dirk van Hogendorp. Men wil daarom Bilderdijk het geven van het privatissimum verbieden, maar hoe kan men dit? Het kabaal breekt pas echt los als de jeugdige Isaäc da Costa, net afgestudeerd, de ‘Bezwaren tegen den geest der eeuw’ uitgeeft en Bilderdijk hiermee te hulp snelt.

Aan het koninklijke hof
Klaar met de studie, historicus
Eind 1823 promoveert Groen tegelijk in de letteren en in de rechten, met allebei summa cum laude. Op één dag! Hij vestigt zich als advocaat in Den Haag. Maar al in 1824 wil men hem een professoraat in de rechten geven. Echter, de minister van Justitie houdt dit tegen. Hij verdenkt Groen van Bilderdijkianisme en niets in die dagen is erger dan dat. Intussen is Groen nog echt een man van de wereld; de opera en het toneel bijvoorbeeld trekken hem. Een grote mogelijkheid voor Groen komt als de koning de vaderlandse geschiedkundigen oproept een schets te maken over hoe de Nederlandse geschiedenis zou moeten worden behandeld; de winnaar zou dan tot geschiedschrijver des rijks worden benoemd. Hier voelt Groen veel voor, want hij is een historicus in hart en nieren. Ook Thorbecke doet mee. Groen behoort uiteindelijk tot de vijf besten, maar van het plan van de koning komt niets terecht, want geschiedschrijven is geen taak van de staat!

Betsy van der Hoop, referendaris en secretaris
In 1827 ontmoet Groen Betsy, een vriendin van zijn zus. Bij Groen wordt het liefde op het eerste gezicht. Na een paar weken vraagt Groen haar ten huwelijk. Bedachtzaam is Groen geweest bij de keuze van zijn vrouw. Welk een verschil met Bilderdijk! Groen ziet niet in de eerste plaats naar vrouwelijk schoon. Zelden is er een gelukkiger huwelijk geweest. In datzelfde jaar wordt hij benoemd aan het Kabinet des Konings. Hij moet nu gaan wonen in Brussel, waar de koning op dat moment resideert (Den Haag en Brussel om en om). Op 31 mei 1828 trouwt Groen. Als referendaris ging hij te werk in Brussel. Dit werk viel hem tegen, hij noemde het zelfs ‘machinaal werk’. Maar in 1829 wordt hij benoemd tot secretaris van het kabinet. Dit is een hele verbetering. Hij moet werken van 8 tot 16 en van 18 tot 21. Maar omdat er twee secretarissen zijn hoeft hij maar om de week te werken.

Willem I, België
Met Willem I werd het gehele bestuursstelsel van Napoleon voortgezet, zij het onder andere benamingen! Alleen Bilderdijk en Van Hogendorp kwamen hiertegen in verzet, de meesten vonden allang goed dat het napoleonitische dwangjuk voorbij was. Ook Groen probeerde zijn napoleonitische regeermethoden uit zijn hoofd te praten, tevergeefs. De koning genoot algemeen vertrouwen en ontplooide een ongekende werkkracht. Er waren in Nederland geen partijtwisten meer, men was tevreden met de burgerlijke vrijheid, die zeer groot was, vergeleken met de toestand in de meeste andere landen in Europa. De vereniging van Nederland en België had in 1815 plaatsgevonden. Dit wilden de grote mogendheden in Europa, om een herleving van het Franse militairisme tegen te gaan. Maar dit werd een mislukking. In 1830 kwam er algehele revolutie in België, wat resulteerde in afval.

Persoonlijke ommekeer
Het Réveil
In deze tijd voltrok zich godsdienstig een ommekeer bij Groen. Hij komt onder de invloed van het Réveil. Dit was een vroeg 19e-eeuwse beweging. Een geloofsherleving, die zich richt tegen de vaak verstarde orthodoxie in de kerk en tegen het rationalisme, die in het christendom niet veel meer zag dan een veredelde vorm van humanitaire moraal. In Schotland openbaart deze beweging zich het eerst! De vonk sloeg over door persoonlijke contacten naar Zwitserland, waar het van grote invloed was voor het Europese continent. Aan een uitgewerkte theologie waagt men zich niet; van theologische scherpslijperijen, zo geliefd in vele protestantse milieus, blijft men verre. Men bepaalt zich tot de voornaamste waarheden en is vooral praktisch werkzaam, in zending en filantropie, ook bij de bestrijding van bijvoorbeeld slavernij. Piëtistische invloeden, als van de Hernhutters, zijn aan de beweging niet vreemd.

Andere levensstijl
Ds. J.H. Merle d’Aubigné was een belangrijke persoon in Groens leven. Groen ging namelijk bij hem kerken in de Waalse gemeente te Brussel. Zijn vrouw komt als eerste onder de invloed van het Réveil. Onder de invloed van het Réveil ondergaat de levensstijl in het huis van Groen een diepgaande verandering. Uit het mondaine leven trekken Groen en zijn vrouw zich terug. Aan het sociëteitsleven, aan toneeluitvoeringen, aan partijen en banketten, neemt men in het huis van Groen geen deel meer, hoewel Groen noch zijn vrouw de dertig reeds bereikt hebben. Ze leven vanaf nu uiterst nauwgezet. Als in 1856 sprake is van een benoeming als minister van buitenlandse zaken blijkt één van de bezwaren dat hij en zijn vrouw niet bereid zijn de gebruikelijke diplomatieke diners te geven, omdat de mondaine sfeer niet strookt met hun levenswandel. In 1840 wordt Groen ouderling in de Waalse gemeente.

Mevrouw Groen, overwerkt
Vanaf 1831 sticht mevrouw Groen elk jaar, op haar verjaardag, een woning voor een behoeftige bejaarde, totdat zij een blok van 32 woningen bijeen heeft, het nog steeds geliefde Rusthof aan de Parkstraat in Den Haag. Groens overgang tot het Réveil laat zijn staatkundige inzichten niet onberoerd. Groens werklust en werkkracht zijn groter dan zijn gestel kan dragen en evenals in 1822 raakt hij nu weer overwerkt. Ook overlijdt zijn moeder; dit is ‘een hartverscheurend verlies’ voor Groen, een zeer zware slag. Hij stort in en lang zweeft hij tussen leven en dood. Hij gaat met zijn vrouw naar Zwitserland om te herstellen.

Raad van State en schrijver, Wilhelmina
Na terugkomst besluit Groen bij de koning ontslag te vragen, omdat hij het werk meer en meer als routinearbeid gaat zien. De koning overlaadt hem hierop met eerbewijzen. Hij krijgt de Nederlandse Leeuw. Ook houdt hij zijn rang en titel bij het kabinet. Weldra volgt zijn benoeming voor de Raad van State. Ook blijft hij belast met het toezicht op het Huis-archief van de Oranjes. Vele delen van bronnenverzameling geeft Groen uit, wat hem in Europa bekend maakt: de ‘Archives de la maison d’Orange-Nassau’. Tal van onzekerheden worden opgehelderd, tal van bewuste vervalsingen achterhaald. Ook schrijft hij de Geschiedenis des Vaderlands (= zijn bekendste werk) en Ongeloof en Revolutie. Hiermee wordt Groen de grondlegger van onze moderne geschiedschrijving.

Groen neemt het op voor de afgescheidenen
1816 en 1834
In 1816 geeft Willem I, onder invloed van minister Van Manen, aan de hervormde kerk eigenmachtig een bij koninklijk besluit geregelde organisatie, waarbij de staat het te zeggen krijgt in de kerk. Ook voor de rooms-katholieke kerk wordt een dergelijke organisatie ontworpen, maar als het er op aankomt, durft men de invoering daarvan toch niet aan! In 1834 vindt de Afscheiding plaats. In die dagen had de regering ook de handen vol aan België. Met een oude wet van Napoleon worden de afgescheidenen aangepakt: men mag geen bijeenkomst hebben van meer dan 20 personen. Ds. Dermout, bij wie Groen belijdenis gedaan heeft, drong hier mede op aan! Vele boetes volgden.

Groens positie
De publieke opinie is in de tijd van de Afscheiding haar over het algemeen weinig gunstig gezind. Ook Groen sympathiseert niet in allen dele met de afgescheidenen, die elkaar vaak ook nog onderling verbijten. Hij vindt hun stap onberaden, maar het onrecht, hun aangedaan, kwetst zijn rechtsgevoel. Na twee jaar schrijft hij een uitvoerig vertoogschrift over ‘De Maatregelen tegen de Afgescheidenen, aan het staatsrecht getoetst’. Het is een evenwichtig geschrift. Buiten de kleine Réveilkring ontmoet hij hier te lande algemene sympathie alleen bij de rooms-katholieken, die van dezelfde kerkpolitiek te lijden hebben. In het buitenland: in Zwitserland organiseert Merle een protestbeweging, in Waadtland richten 173 predikanten zich tot Willem I om de vervolging te staken en in Frankrijk is het een bekende rooms-katholiek, die het voor de afgescheidenen opneemt.

Thorbecke en Willem I
Diep teleurgesteld wordt Groen van de houding van zijn oude vriend Thorbecke. De afkeer van de afgescheidenen bij de geestelijke elite van Nederland is haast nog groter dan die van de vroegere Bilderdijkianen. Eenzelfde ontwikkeling deed zich voor in Schotland en Zwitserland, waar reeds eerder een afscheiding heeft plaats gehad. Ook Groens verstandhouding met de koning lijdt onder deze gang van zaken. Het wordt echter geen volledige breuk. De koning wordt meer en meer een beklagenswaardige, vereenzaamde figuur: eerst de Belgische opstand, dan de Afscheiding, vervolgens het sterven van zijn vrouw en het trouwen met een rooms-katholieke gravin (zodat hij afstand nam van de troon). Dit alles maakt hem tot de meest impopulaire man in ons land. Zijn levenswerk was mislukt. Pas in de 20e eeuw komt er eerherstel.

Overlijden van Groens vader
In 1837 sterft Groens vader. Hij was ontgoocheld door wat zijn zoon gedaan had. Hoewel hij godsdienstig niet zo ver van hem afstond, verwijt hij zijn zoon dat hij zijn kansen in het leven vergooit. Een half jaar na zijn dood betrekt Groen diens vorstelijke woning aan de Korte Vijverberg, vlak tegenover het torentje, waar de minister-president zetelt. Het is nog altijd één van de prachtigste historische huizen in Den Haag. Na enige jaren koopt Groen ook een buitenverblijf: landgoed Oud-Wassenaar (een 17e-eeuws landhuis en 100 hectare beuken- en eikenbos; na Groen afgebroken en kasteel op die plek gebouwd). Hier ontvangt hij diplomaten en staatslieden. Groen werd namelijk steeds meer gezien als één der hoofdfiguren in ons land, staatkundig, maatschappelijk en godsdienstig. Van hieruit bezoekt Groen ‘s zomers de kerkdiensten in de oude dorpskerk van Wassenaar.

Groen als hoop in bange dagen, Réveilvrienden
Na zijn ontslag bij het Kabinet des Konings beleeft Groen een heel fijne tijd, vol met studie, zijn geliefde bezigheid. Wel werpt de kinderloosheid een schaduw op zijn huwelijksleven. Wij daarentegen mogen ons er slechts mee gelukwensen; niet afgeleid door familie-aangelegenheden, kon Groen zich geheel wijden aan zijn levensbestemming. Hij wordt het erkende hoofd van het Réveil in Nederland. Het eenvoudige christenvolk ziet in hem meer en meer de strijder voor de door het liberalisme vaak vertreden volksrechten. Willem de Clercq: fijnzinnig, dichter, schrijver, van huis uit doopsgezind, maar onbevredigd door het daar heersende rationalisme, bewonderaar van Pascal. Isaäc da Costa: hem leert Groen kennen door De Clercq; hij is hartstochtelijk, een man van het ogenblik; Groen is meer beheerst, ook al is ook hij hartstochtelijk. Nicolaas Beets: een literaire beroemdheid; van zijn hand verscheen in 1839 Camera Obscura. In deze vroege jaren van het Réveil is de verwachting hoog gespannen. Men ziet het Réveil als de grote beweegkracht, die de gehele wereld uit haar voegen zal lichten. De verwachting gaat niet in vervulling maar de invloed (in ons land hooguit 3000 aanhangers) is verbazingwekkend. Zij heeft een stempel gezet op onze godsdienstige en staatkundige ontwikkeling en tot op zekere hoogte doet zij het nog.

Begin van zijn politieke loopbaan
Geen neutrale staat
In 1840 schrijft Groen zijn ‘Bijdrage tot herziening der grondwet in Nederlandschen zin’. Zijn parlementaire loopbaan neemt een aanvang, al is het voorlopig nog slechts voor de behandeling van de grondwetsherziening. Groen besefte dat als kerk en godsdienst hun greep op staat en maatschappij zouden gaan verliezen, zij ondanks wellicht onvergelijkelijke technische opbloei en maatschappelijke welvaart, terug zouden vallen in Germaanse barbaarsheid en Romeins zedenbederf! Als humanisme de godsdienst van de staat wordt, moet dit op den duur uitlopen op achterstelling en vervolging van andersdenkenden, voorziet Groen. Volgens Groen zal de eindtijd een strijd zijn tussen het christendom en het louter antropocentrische humanisme, de engel des lichts, de antichrist.

Gezamenlijk blok
Groen pleitte niet voor herstel van de gereformeerde staat uit de tijd van de Republiek. Want de bevolking bestond uit 2/5 rooms-katholieken. Afgezien van de Joden, was in Groens tijd nagenoeg de gehele bevolking aangesloten bij een kerk. Daarom pleitte hij voor een politiek samengaan van gelovige protestanten en rooms-katholieken; om zo een blok te vormen tegenover de liberalen. Van de landelijke kerk na 1816 verwacht Groen niets meer. Zijn hoop stelt hij op de plaatselijke gemeenten, op de geestverwante predikanten, maar vooral op de gewone gemeenteleden. Meer en meer doet zich de zegenrijke werking van het Réveil gevoelen, het minst echter in staatkundig opzicht. Het eigenaardige feit heeft zich voorgedaan dat het niet de liberalen zijn geweest die Groen in zijn levenswerk hebben gehinderd. Hun tegenstand verwachtte hij. Het waren juist kerkelijke geloofsverwanten, waar hij tegenstand van ondervond, waarop hij niet gerekend had.

Er waren 5 stromingen waar Groen min of meer op verzet stuitte:
(1) De piëtisten, die elke bemoeiing met kwesties van staatkundige aard afwezen.

(2) Bilderdijk: het herstel moest volgens hem van God uitgaan, Wiens leiding de christen deemoedig heeft af te wachten. Menselijke actie wilde hij niet. Van elke organisatorische arbeid was hij wars. Groen had oog voor het goede in dit quiëtisme van de ‘stillen in den lande’, een activist als Abraham Kuyper was hij niet.

(3) Ds. Jan de Liefde: hij was de stichter van de evangelische gemeenten, hoewel hij eerst doopsgezind predikant was; elke relatie van kerk en staat achtte hij uit den boze.

(4) Kohlbrugge: Groen en de meeste andere Réveilvrienden hadden eerbied voor het manmoedig optreden van deze ontembare geest en gaven daaraan ook uiting, hoewel hij hun de kritiek niet spaarde. Zijn theologie echter schuwden ze als de pest! Volgens Kohlbrugge is het christelijk geloof uitsluitend apocalyptisch ingesteld, uitsluitend gericht op het laatste der dagen. Hier op aarde valt niets wezenlijks te bereiken. Bijvoorbeeld: een christelijke school blijft werelds en vleselijk, en is dus geen haar beter dan een niet-christelijke school. Het is duidelijk dat bij deze theologie elke christelijke activiteit de prikkel ontvalt.

(5) De ethisch-irenischen: Groen noemde ze de ‘christelijke individualisten’. Heldring, Chantepie de la Sussaye en Gunning. Al was er veel steun voor hun, staatkundig konden ze het niet met elkaar vinden. Deze stroming was beïnvloed door Schleiermacher: het geloof uitsluitend als persoonlijke aangelegenheid; de staat en de maatschappij staan er buiten. De verschilpunten tussen Groen en deze stroming tekende zich duidelijk af in de vergaderingen van de ‘Christelijke Vrienden’ ten huize van de Piersons, vanaf 1845, door Heldring georganiseerd. Groen was voorzitter. De tegenstellingen openbaarden zich op deze vergaderingen die tweemaal per jaar gehouden werden. Tien jaar lang hieldmen het vol, dan gaan de ethisch-irenischen een afzonderlijke kring vormen: ‘Ernst en Vrede’. Als tegenhanger hiervan wordt de ‘Confessionele vereniging’ opgericht, met Groen als voorzitter.

De schoolkwestie
Korte geschiedenis
Verdeeldheid binnen de ‘Christelijke Vrienden’ was er vooral op het punt van het openbaar onderwijs. Tijdens de Middeleeuwen was dit onder de hoede van de rooms-katholieke kerk geweest; na de Reformatie kreeg het een calvinistische signatuur; na de omwenteling van 1795, toen alle kerkgenootschappen voor de wet gelijkgesteld werden, kwam men met een ‘algemeen christelijk schooltype’ (1806), bestemd voor alle christelijke gezindten. Alleen voor de Joden konden afzonderlijke openbare scholen worden opgericht. De schoolwet van 1806 werd beschouwd als een nationaal pronkjuweel, iets waarop men trots kon zijn. Ook Groen dacht er eerst zo over. Maar met het voortschrijden van het secularisatie-proces (die toen dus al begon!) werd dit anders. Nu kreeg het openbaar onderwijs langzamerhand een humanistische inslag. Groen nu voor pleit, is behoud en herstel van het christelijk karakter van het openbaar onderwijs, maar gesplitst, waar mogelijk, in openbaren scholen voor protestanten en rooms-katholieken. De conservatieve liberalen moeten hier niets van hebben. Ze zien hierin: aantasting van de nationale eenheid en gevaar voor het humanistische opvoedingsideaal.

Februari-revolutie, secularisatie school
Als het in Frankrijk weer onrustig wordt, neemt Willem II maatregelen en laat Thorbecke de grondwet herzien teneinde een revolutie hier te voorkomen. Thorbecke gaat voortvarend te werk en stempelt de grondwet met zijn conservatief-liberale denken. Positief is te noemen dat de vrijheid van onderwijs gegarandeerd wordt (ongesubsidieerd uiteraard). Maar Groen is hier niet tevreden mee. Met het bijzonder onderwijs bereikt men immers niet het Nederlandse volk in zijn totaliteit, en dat wilde Groen nu graag. Waar het op aankomt, is de geest van het openbaar onderwijs. Zal dit christelijk zijn of humanistisch? Thorbecke’s optreden is al met al een stap verder in de richting van de secularisatie van de openbare school. Thorbecke wenst een neutrale staat en daarom ook een in godsdienstig opzicht neutraal openbaar onderwijs, maar de nieuwe schoolwet, die de herziene grondwet voorschrijft, durft hij niet goed aan. De natie blijkt nog gehecht aan de christelijke overheidsschool. Had destijds het algemeen kiesrecht bestaan, Groen zou het pleidooi voor christelijk openbaar onderwijs vermoedelijk glansrijk gewonnen hebben. De liberalen die het in de staat voor het zeggen hebben, dank zij het uiterst beperkt census-kiesrecht vormen slechts een kleine minderheid in den lande! Nog geen 2 procent van de bevolking is kiesgerechtigd.

Val van het kabinet, van der Brugghens verraad
De wet die Thorbecke van plan was door te voeren werd uiteindelijk de val van het kabinet. Koning Willem III was namelijk niet ongevoelig voor de bezwaren uit het volk. Daarom besluit hij, ook al wordt de wet door beide kamers aangenomen, de wet te blokkeren. Het kabinet trad hierop af. Een nieuw kabinet moet worden gevormd. Even is er sprake dat Groen minister van buitenlandse zaken zal worden. De anti-revolutionair J.J.L. van der Brugghen werd de nieuwe minister-president. Een politieke bondgenoot van Groen dus. Maar nauwelijks heeft het nieuwe kabinet zijn intrede gedaan, of het verklaart dat het vasthoudt aan de gemengde overheidsschool, waar Van der Brugghen als kamerlid steeds tegen was! Groens strijd is nu bij voorbaat verloren. De eigenlijke winnaar is Thorbecke. Hij lacht in zijn vuistje, nu een vroegere anti-revolutionair er in slaagt een schoolwet in te voeren die hij steeds gewild, maar niet aangedurfd heeft!

Groen krijgt gelijk, ingrijpendste dag uit zijn leven
Al spoedig krijgt Groen gelijk. De radicalen, die Thorbecke meer en meer afvallig worden en hem als een conservatief gaan beschouwen, zijn van tussenwegen niet gediend; zij eisen een onvervalst humanisme. ‘De christelijke deugden’ hebben niettemin een lang leven. Pas bij de invoering van de Mammoetwet zijn ze uit de wetgeving verdwenen. Tot het laatst bestrijdt Groen in de Kamer het ontwerp-Van der Brugghen. De wijze waarop hij dat doet, dwingt algemeen bewondering af. De driespraak tussen Groen, Van der Brugghen en Thorbecke vormt één van de hoogtepunten uit onze parlementaire geschiedenis. Als Groen het pleit verliest en de wet medio 1857 met grote meerderheid van stemmen in de Tweede Kamer aangenomen wordt, neemt hij, nog tijdens de vergadering, ontslag. Een rilling gaat door de Kamer en door het land. Alleen op deze wijze verkrijgt naar Groens mening zijn verzet tegen de wet voldoende historisch reliëf. ‘Wat wij hier op het ogenblik meemaken, is het meest beslissende moment in ons staatkundig bestaan sinds eeuwen, ingrijpender dat wat in 1795 of in 1848 is voorgevallen. De christelijke staat wordt verlaten, de geseculariseerde, straks humanistische staat ingevoerd. De gevolgen daarvan zullen ernstig zijn, misschien niet aanstonds, maar zeker op den duur. Het Nederlandse volk wordt aan verderfelijke invloeden prijs gegeven.’

Hernieuwde strijd
Na vier jaar
Groen hervat na zijn ontslag als kamerlid zijn historische studies. Vier jaar lang onthoudt hij zich van elke politieke activiteit naar buiten. Zijn geestverwanten betreuren dit. ‘Verslagen gevoel ik mij niet, wel uit het veld geslagen, niet door Thorbecke en de zijnen, maar door geloofsgenoten, die staatkundig mijn tegenstanders zijn.’ Eind 1861 is de periode van zwijgen voorbij. Groen neemt opnieuw zitting in de Tweede Kamer. Groens nieuwe program luidt in wat we tegenwoordig de zuilenstaat noemt. Hij is dus de vader van de verzuiling. Zwaar op zijn hart zal zeker gelegen hebben, dat het program van de zuilenstaat een groot gedeelte van de bevolking aan zijn lot overliet. Kuyper bezorgt Groens koerswijziging echter een diepe teleurstelling. Kuyper gaat namelijk veel verder dan Groen en Kuyper probeert zijn wil door te drijven in de anti-revolutionaire kring. Groen ziet zich van tijd tot tijd genoopt Kuyper, die in 1872 met Groens financiële steun het dagblad De Standaard opgericht heeft gevoelig op de vingers te tikken.

Allard Pierson, Abraham Kuyper
Tegenover de volstrekte neutraliteit, die Groen nu eist, stelt Thorbecke een christendom boven geloofsverdeeldheid als levensfundament van school en staat. Onverwachte steun krijgt Groen van Allard Pierson. Hij is een agnosticus, die niet alleen de orthodoxie van zijn vaderlijke huis, maar ook de kerk de rug heeft toegekeerd. Hij spot met het Thorbeckiaanse christendom boven geloofsverdeeldheid. Een overtuigd medestander in eigen kring van het door hem in 1861 ontwikkelde program vindt Groen in de jonge Abraham Kuyper: een geboren organisator, een spreker van de eerste rang, algemeen bewonderd om zijn stilistische gaven, weet in de kerk en staat steeds meer aanhangers om zich heen te verzamelen. Wat een opsteker voor de eenzame Groen!

Verschillen tussen Groen en Kuyper
Kuyper mist Groens fijne intuïtie, zuiverheid van handelen, historisch besef, profetische blik en geduld. Meerdere malen waarschuwt Groen Kuyper. Hij vindt dat hij homogeen is met Kuyper, maar niet in alles. Kuypers volstrekte afwijzing van de ethisch-irenischen (‘halven’) gaat hem te ver. Ook Kuypers fanatiek vooropstellen van het calvinisme. Het eigenaardige hierbij is, dat Groen, de Réveilman, staatkundig een veel beter calvinist is dan Kuyper, die vrij sceptisch tegenover het Réveil staat. Groen opteert in 1861 voor de neutrale staat noodgedwongen; Kuyper doet het uit overtuiging. Zijn neo-calvinisme, gebaseerd op de leer van de souvereiniteit in eigen kring, zoals hij die geleidelijk aan ontwikkelt, is in wezen een uitwerking van het lutherse twee-rijkenleer. Zij is verwant aan het liberalisme en herinnert in menig opzicht aan uitspraken van Thorbecke, voor wie ook het geheel der levensverschijnselen uiteen viel in een aantal soevereine kringen. Bij Groen staat daarentegen de eenheid in de verscheidenheid voorop. Van een band tussen kerk en staat wil Kuyper net als Thorbecke en Van der Brugghen niets weten. Het program van de zuilenstaat komt door zijn toedoen in uitvoering. Tot in de perfectie. Op zijn wijze draagt hij ook bij tot de secularisatie van de staat.

Geen calvinistische, maar christelijke staat en onderwijs
Wie Groen het naast staat, is Hoedemaker. Maar hij wilde weer een gereformeerde staat. Groen wilde daarentegen een christelijke staat. De enige mogelijkheid van remedie was voor Groen gelegen in een herstel en vernieuwing van de kerk, die zelf een groot aandeel had in de schuld van de secularisatie. Het Réveil had deze kerkvernieuwing gewild, maar was vastgelopen op de tegenstellingen in eigen kring. De christelijke scholen heetten niet voor niets CNS: Christelijke Nationale School. Dus niet ‘Gereformeerde’. En duidelijk ‘Nationale’, omdat het om heel het volk ging, de school stond voor iedereen open. Op het gebied van het onderwijs zijn Groens wensen in vervulling gegaan. Dit pas na zijn dood. De door hem bepleite ‘facultatieve splitsing’ is door de gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs (een unicum in de wereld!) grotendeels verwezenlijkt geworden. Maar aan het begin van de 21e eeuw is dit weer onder vuur komen te liggen.

Over verschillende (politieke) vraagstukken
Oecumenisch
De herleving van de oecumenische gedachte in het Protestantisme dagtekent het Réveil. Bilderdijk is hierin een voortrekker geweest. Met tal van godsdienstige richtingen onderhield hij betrekkingen, ook met rooms-katholieken. Meer dan eens verwachte men dan ook zijn overgang naar de rooms-katholieke kerk! Een uitgesproken sympathie voor de rooms-katholieke kerk, zoals bij Bilderdijk, vindt men bij Groen niet; integendeel; tussen de rooms-katholieken in ons land en Groen heeft het eigenlijk nooit geboterd. Wat Groen in Rome nog vooral hinderde, was, dat van rooms-katholieke zijde de geloofsvervolgingen van de 16e en 17e eeuw nog altijd verdediging vonden. Men staat trouwens verbaasd van Groens bekendheid met kerkvaders als Augustinus, schrijvers uit de tijd der scholastiek en van de contra-reformatie. Groen heeft het anti-papisme van vele van zijn aanhangers meermalen afgekeurd, vooral tijdens de Aprilbeweging. In dit opzicht bleef hij vaak onbegrepen aan beide zijden.

Evangelische Alliantie
In Schotland was ds. Chalmers, die net als Kuyper een geboren organisator was. Ook hij scheidde zich met vele van zijn volgelingen af van de historische Schotse volkskerk. Later is deze breuk overigens geheeld. Groen onderhield contacten met Chalmers. Diens denkbeelden op het gebied van de weldadigheid en over de betrekkingen tussen kerk en staat hebben Groen blijvend beïnvloed. Deze Chalmers was ook de stichter van de Evangelische Alliantie. Groen voelde zich hierin thuis. Hij beleefde er op zijn wijze de Una Sancta. Zijn vele buitenlands Réveilvrienden vond hij er terug. Groens hart klopte warm voor de oecumene, voor ‘die algemene kerk’, zoals hij eens schreef, ‘welke zich aan geen zichtbaar kerkgenootschap verbindt.’

Onderwerpen van de Alliantie
De Alliantie heeft veel nuttig werk verricht. Kuyper vond haar trouwens niet calvinistisch genoeg en werd geen lid. Vooral op praktisch gebied heeft de Alliantie veel gedaan: aan theologische vragen deed men niet veel, daarvoor was ze te veel een kind van het Réveil. Een onderwerp was bijvoorbeeld de strijd tegen de slavernij. Groen pleitte ook voor deze zaak; zo zat hij jarenlang in een vereniging tot opheffing van de slavernij in onze koloniën. Ook besteedde de Alliantie veel aandacht aan onderwijsvraagstukken, zending, armenzorg, bestrijding van ontucht, jeugdwerk en het sociale vraagstuk. Ook heeft men geprobeerd op te komen voor de vervolgde protestanten in Italië en Spanje. Tweemaal heeft Groen op de Alliantie-congressen gesproken.

Duitsland, de gelijkheid van alle mensen
Groen zag met lede ogen aan hoe Pruisen, vanouds onze bondgenoot, door Bismarck gebruikt wordt om één groot Duitsland te maken. Sommigen juichten dit toe omdat er zo een protestants bolwerk was. Groen voorzag voor het Duitse volk ‘een toekomst van overmoed en wanhoop.’ De door Bismarck gevoerde politiek moest zijns inziens uitlopen op een ‘tweede oorlog, met de eerste in barbaarse verwoedheid niet vergelijkbaar’. Zelden is zo’n voorspelling zo treffend in vervulling gegaan! De revolutie predikte de gelijkheid van alle mensen. Wat zegt Groen daartegen? Hij zegt in navolging van de grootste theologen dat deze gelijkheid tegennatuurlijk is. Voor Groen is ongelijkheid geen discriminatie, maar erkenning van een natuurlijk gegeven. Wie daartegen ingaat, vernietigt de natuurlijke, de historische en in feite de goddelijke orde. Daarom was Groen ook tot het laatst toe tegenstander van het algemene kiesrecht, ook al zou dat zijn politieke positie explosief verbeteren! Groen voorspelt een centralistische dictatuur van de ongeordende massa.

Gelijkwaardigheid van alle mensen, het sociale vraagstuk
Verwierp Groen het revolutionaire gelijkheidsprincipe, maar wel heeft hij voor de gelijkwaardigheid van mensen en volken onvermoeid op de bres gestaan. Elke knechting van individuen en volken vervulde hem met afkeer. Ook kapittelde hij de Boeren in Zuid-Afrika over de onwaardige behandeling die de Zoeloes en Hottentotten van hen ondervonden. Vol begrip stond hij tegenover de maatschappelijke noden van de volksklassen. Het pauperisme was groot in de eerste helft van de 19e eeuw. Hij onderkende de gevaren van het ongebreidelde kapitalisme. Als één van de eersten had hij oog voor de betekenis van het sociale vraagstuk. Hij bepleitte reeds in 1821 voor de achturige werkdag! Ook bepleitte hij samen met zijn Réveilvrienden bescherming van de werklieden tegen de willekeur van de fabrikanten. Wettelijk ingrijpen was nodig, men kon het niet laten aankomen op filantropie alleen. Hij kwam in verzet tegen kinderarbeid; Thorbecke hield wetten in deze richting steeds tegen; hij had geen besef van de sociale kwestie! Groen behoort ook tot de oprichters van de eerste woningbouwvereniging in Den Haag. Hoewel Groen hun doelstellingen in vele opzichten voor verderfelijk hield, deed hij niet mee aan de in zijn tijd gebruikelijke verguizing van socialisten en communisten.

Amerika, Edmund Burke
Groen is niet zo positief over Amerika. Ook de schrijver van dit boek niet: onder leiding van noodlottige figuren als Wilson en Roosevelt, theoristen zonder werkelijkheidszin, zo beweerd de schrijver, heeft Gods own country, dit, volgens Groen ‘Noord-Amerika, waaruit reeds zoveel verderfelijk zaad is overgebracht’ (de Franse Revolutie bijvoorbeeld) in twee wereldoorlogen de historische configuratie eerst van Europa, daarna van de gehele wereld vernietigd zonder er iets van blijvende waarde voor in de plaats te stellen. Van de grillen van het door slogans beheerste Amerikaanse kiezersvolk hangt thans het lot van West-Europa af. Een geschrift van De Tocqueville over dit Amerika maakte grote indruk op Groen. Groens betoog dat de democratie op de grondslag van het algemeen kiesrecht tot de chaos voert, is allerwege bezig in vervulling te gaan. Geregeerd wordt er nauwelijks nog, alleen geadministreerd. Er heerst, zoals Groen dat noemde: geconcentreerde anarchie. Vooral in Engeland heeft de invoering van het algemeen kiesrecht funeste gevolgen gehad. De waarschuwingen daartegen van Groens geestverwant, Edmund Burke, één van de grondleggers van Engelands grootheid in de 19e eeuw, was men vergeten. In vervulling ging ook Groens voorspelling dat de door de revolutie geproclameerde neutraliteit van de staat uitloopt op het humanisme als staatsgodsdienst! Groen zag, vooral in zijn laatste levensjaren, de toekomst vaak somber in.

Groens laatste levensdagen
Verbindend element
Omstreeks 1870 trekt Groen zich terug uit de dagelijkse politiek. Hij nadert de 70 en zijn gezondheid, die nooit sterk is geweest, begint zienderogen achteruit te gaan. Hij begon aan een autobiografie, maar verder dan zijn jeugdjaren kwam hij (helaas!) niet. Nederland zal Groen gaan missen: hij was altijd een verbindend element tussen tegengestelde richtingen: kerkelijk tussen confessionelen en ethisch-irentischen; ook tussen hervormden en afgescheidenen; politiek tussen de oude garde van zijn partij en de opdringende jongeren onder Kuyper. Groen verkoopt in 1871 Oud-Wassenaar, waar ze meer dan 25 jaar de zomers doorgebracht hebben. Hun eeuwenoude landhuis werd afgebroken en daarvoor in de plaats kwam het nu nog bestaande Kasteel Oud-Wassenaar. De nieuwe buitenplaats wordt het verrukkelijk in de duinen gelegen Blankenburg. In 1872 sterft Thorbecke. Zijn dood grijpt Groen sterk aan. Hij publiceerde toen ook de briefwisseling die hij gehad heeft met Thorbecke over de kwestie van de Belgische Opstand, waaruit blijkt dat Thorbecke toen nog een volbloed anti-revolutionair was. Menig vereerder van Thorbecke voelt zich met deze publicatie weinig gelukkig! Groen vernietigt zijn zuiver persoonlijke briefwisseling. Menigeen van zijn oude vrienden sterft in deze jaren. In 1872 Merle d’Aubigné, in 1874 Chantepie de la Saussaye en in 1875 Koenen en Mackay.

Overlijden
Op 28 april 1876 tekent zich het vervul van Groens krachten duidelijk af. Het wordt zijn sterfbed. We hebben een indrukwekkend sterfbedgetuigenis van Groen, die zijn vrouw dagelijks heeft opgetekend. Helemaal in de stijl van Groen: niet voor niets was zij meer dan 40 jaar zijn secretaresse geweest. Op 19 mei half zeven ‘s ochtend sterft Groen van Prinsterer. De 23e vindt de begrafenis plaats, geleidt door ds. Gunning. Groen werd begraven op de kleine begraafplaats ‘Ter Navoling’, het eerste kerkhof in Den Haag waar buiten de kerken begraven werd. Abraham Kuyper ontbreekt op de begrafenis; overwerkt zoekt hij herstel van krachten in Zwitserland, zoals eens Groen dat ook moest doen. Één van de sprekers op het graf was Brummelkamp, een vader van de Afscheiding. Ook hield iemand een toespraak bij het graf die de begrafenis van Groen zag als het begraven van de laatste vertegenwoordiger van een tijdvak. Dit tot verontwaardiging van Groens geestverwanten. Drie jaar later, in 1879, overleed mevrouw Groen ook. Opvolgers heeft Groen niet gehad. Maar nog altijd tekent zijn profetische gestalte zich af tegen de horizon van ons volksleven, hoe weinig oog men daarvoor in de regel ook heeft.

Gepubliceerd in februari 2006