Heilsgeschiedenis en prediking

n.a.v. C. Trimp, Heilsgeschiedenis en prediking. Hervatting van een onvoltooid gesprek, Kampen 1986

Bijbelse geschiedenis
Verhalende stof in de Bijbel
Grote gedeelten van de Bijbel bieden verhalende stof. Wil men geloven, dan hoeft men niet eerst filosofie te studeren, maar men moet wél het verhaal kennen. Israël had nooit behoefte aan magische formules. Ze leerden luisteren. We moeten dus zicht krijgen op het historisch karakter van Gods zelfopenbaring. Een preek behoort heilshistorisch te zijn. Wat betekent dit? Bij de discussies hieromtrent in de Gereformeerde Kerken rond 1940 ging het om de vraag of een preek over de historische stof ‘heilshistorisch’ of ‘exemplarisch’ moest zijn. Hierover gaat dit artikel.

De weg van God met Zijn volk
De Bijbel vertelt ons het verhaal van Gods omgang met Zijn volk, God woont bij Zijn volk, er is een ‘gang’: God en mens ‘gaan’ met elkaar. Dit heeft een aanwijsbaar geografisch en historisch karakter. God en Zijn volk spreken onderweg met elkaar. Vaak kondigt God tevoren Zijn daden aan en bovendien legt Hij deze daden achteraf uit. De Bijbel spreekt vaak over de ‘weg’, de aanduiding van wat wij de openbarings- en heilsgeschiedenis noemen. ‘Weg’ kan ook zien op de route door de woestijn of is een aanduiding voor Gods gebod. Wat is het verband tussen de heilsweg en het houden van Gods wet? De geschiedenis van het heil is het fundament van het gebod. Zie de preambule van de decaloog.

Trinitarisch-historisch
‘Weg’ kan ook betrekking hebben op het plan, het voornemen van de Heere. Zo vraagt Mozes: ‘Maak mij toch Uw wegen bekend’. Ook worden Gods wegen als parallel gebruikt voor de heilsbedoelingen van God (Jes. 55:8,9). God gaat voorop, is in het midden van Zijn volk, is in de strijd als de voorhoede en de achterhoede van Israël. Het volk gaat voor God (voor Gods aangezicht), met God (de vertrouwelijke en intieme omgang met God) en achter God (gehoorzaam en vertrouwend volgen). Het is dit spreken van het Oude Testament over het ‘gaan achter God’, dat de achtergrond vormt voor de nieuwtestamentische woorden over de ‘navolging’ van Christus. Het trinitarisch-historisch karakter van de heilsgeschiedenis zien we ook in de apostolische zegen: de liefde van God, de genade van de Heere Jezus Christus en de gemeenschap van de Heilige Geest.

Alexandrië
Het geografisch-aanwijsbare en historisch-dateerbare noemen we de horizontale weg die God gaat. Maar er is in de geschiedenis ook gedroomd, gefantaseerd en gefilosofeerd over een verticale reis: een terugreis, de menselijke ziel gaat de weg terug. Dit zijn platoonse invloeden die grote invloed in de kerk kreeg in de eerste eeuwen. Dit noemen we christelijke gnostiek, wat vooral in Alexandrië opgeld deed. Men maakt onderscheid tussen de ware God en de god van het Oude Testament. De god van het Oude Testament is de schepper van deze gebrekkige wereld. De mens is een vonk, die van het hemelse licht is afgespat. Het heelal is opgesplitst in twee onverzoenlijke machtsgebieden.

Marcion
De val heeft vóór alle geschapen tijd plaatsgevonden, het is dus niet zo, dat de schepping van deze wereld aan de zondeval voorafging, het is juist omgekeerd: de schepping van déze wereld is een gevolg en consequentie van de val. Volgens hen wordt hulp aan de mens geboden in de vorm van inzicht. Dat inzicht noemt men gnosis. Zondeval moet niet tot de verantwoordelijkheid van het hoogste wezen noch tot die van de mens gerekend worden. De mens is slachtoffer. Bij Marcion zien we deze leer het duidelijkst. Hij ziet de verhalen en geboden van het Oude Testament als minderwaardig. Christus heeft niet echt geleden, het was een schijnlichaam (docetisme).

Irenaeus
Het is duidelijk dat we een zwaar accent moeten leggen op het historisch karakter van Gods heilswerk op aarde. Dat is hét wapen tegen platonisme, gnosticisme en dualisme. Irenaeus, bisschop van Lyon in de tweede eeuw, voerde oppositie tegen de gnostiek. In verband hiermee staat de strijd tegen de allegorische methode van Schriftuitlegging. Alles wat in de historische beschreven is, wordt hier omgebogen tot een symbool van een hogere werkelijkheid. De vier rivieren in de hof van Eden worden dan de vier kardinale deugden van de Griekse ethiek: wijsheid, dapperheid, bezonnenheid en gerechtigheid. De drie aartsvaders Abraham, Izak en Jakob staan voor deugd krachtens het gebod, deugd krachtens innerlijke aanleg en deugd krachtens oefening.

Allegorese
Dit is dus platoons denken, wat erachter zit. De eeuwige waarheid woont in de wereld van de ideeën. Hier op aarde zijn we ver van die woonplaats verwijderd. We zijn eigenlijk gestrande schipbreukelingen, per ongeluk terechtgekomen op dit verre eiland. Er is dus een grote afstand tussen de wereld van de ideeën en deze onvolmaakte aarde. Voorvallen op aarde vormen samen een soort schimmenspel die wij als een vorm van symbolentaal hebben op te vatten. Laten we niet denken dat we bij deze allegorische methode met een onbelangrijke of buitenissige zaak te maken hebben. Het is meer dan tien eeuwen bepalend geweest. Augustinus was er een grootmeester in, en de Nadere Reformatoren konden er ook wat van!

Philo
Allegorie leek een soort apologetisch wapen te zijn, bijvoorbeeld in het zoeken naar synthese tussen de inhoud van de Bijbel en de inzichten binnen de gangbare hellenistische cultuur. De Jood Philo, de man van twee werelden, is daar bekend om geworden. Hij brak daarmee het karakter en de doelstelling van het Oude Testament kapot. Wanneer het Judaïsme alle wijsheid gegeven ziet in de vijf boeken van Mozes, breekt het de spits van het Oude Testament af: de dynamiek naar de toekomst, naar de Christus toe. De allegorie eert schijnbaar het Oude Testament door daaruit alle wijsheid te verwachten. Intussen is het een verminking van het Oude Testament met het ijdele menselijke denken. Maar ook Alexandrijnen als Clemens en Origines deden er volop aan mee.

God schaamt Zich niet voor ons
Gods volk bestaat uit weerbarstige, zondige, bekrompen mensen. Geen wonder, dat God verwikkeld raakt in hoogst merkwaardige situaties en complicaties! De Bijbel laat ons een concreet-historisch verhaal zien. We lezen zo mooi in de Schrift dat God Zich niet heeft geschaamd de God van Abraham, Izak en Jakob te heten. Ps. 84:9 zegt: ‘Neem het ter ore, o God van Jakob’. Wie hier het concrete verhaal te banaal vindt, schendt juist de grootheid van God in plaats van daarvoor op te komen. We mogen daarom diep dankbaar zijn voor Luthers felle oppositie tegen Origines.

Gods tijd
Het Woord werd vlees, in de volheid van de tijd. Dat moeten we vanuit het plan van God verstaan. Híj bepaalde de tijden en momenten. Het moment van de evangelieprediking is telkens weer een kairos. ‘Vervulling’ is kenmerk van de nieuwtestamentische bedeling. Wie tijdens het huwelijk klaagt over het voorbij zijn van de liefdesbrief, is een dwaas. Zo wil de kerk, die het ‘lichaam’ heeft, niet terug naar de ‘schaduw’. Het historisme maakt alles relatief, omdat het alles in de geschiedenis opsluit. De allegorie vervluchtigt alles tot tijdloze ideeën. Het is de Bijbel die ons leert om de distantie én eenheid te respecteren. Hij is er al én Hij moet nog komen. Over Zijn presentie en Zijn komen lezen we in het oude verhaal. Slechts de triniteitsleer kan ons deze samenhang doen verstaan.
Er trekt een heimwee door het Oude Testament, heimwee naar een terugverdiend en heropend paradijs. Slechts het feitenrelaas van het Nieuwe Testament brengt dit boek en deze bedeling tot rust. De jonge christelijke gemeente heeft niet geaarzeld het Oude Testament als Woord van God te erkennen. Paulus opent ons oog voor het onderscheid tussen de bedelingen en hij stelt uitvoering de verhouding tussen Adam, Mozes en Christus aan de orde.

Een wederspannig volk
God ging met een volk op weg dat Hem nog moest leren kennen. Dit moeten we ons diep realiseren. Er was van de kant van het volk een volstrekte onmacht om volk van God te zijn. Bovendien wilde God op weg gaan met een volk dat in de context van zijn eigen cultuur leefde. Daarom moesten we niet zo snel klaar staan met het uitdelen van bekeuringen aan de gelovigen in het oude verbond. Israël moest voetje voor voetje leren lopen. Daarbij werkte God voortdurend aan de toeneming van Israëls inzicht en liefde, gevoel en standvastigheid. Het verhaal van God met Israël is er één van voortdurende terugkeer van afval, terugval en afstomping. Zo golft de relatie op en neer. Liefdesgeschiedenis lijkt lijdensgeschiedenis te worden. Maar: de liefde overwint. Hebreeën 11 vertelt geen sprookjes uit Utopia, maar reële verhalen uit het ruige bestaan van Gods volk in het oude verbond.

Heilsgeschiedenis
Het begrip ‘heilsgeschiedenis’
Onder ‘heilsgeschiedenis’ verstaan wij het geheel van de historische feiten van de gang van de drie-enige God met Zijn volk, opgetekend in de Bijbel. Hoog boven alles verheft zich de dag van Pasen. Heilsgeschiedenis heeft er alles mee te maken, maar valt desondanks niet samen met een ander bekend en gangbaar begrip: de openbaringsgeschiedenis. Dat is het geheel van de momenten, waarop God Zichzelf aan mensen onthult in Zijn spreken en handelen. We spreken wél van voortgaande heilsgeschiedenis, maar niet over voortgaande openbaring. De Bijbel maakt ons duidelijk dat er eenheid is in de geschiedenis van Gods heilrijk spreken en handelen. In de heilsgeschiedenis is God bezig met een gigantische reddingsoperatie. Daarvoor moeten heel wat deuren geforceerd worden. Zovaak dat gebeurt, kráákt het in de wereld: de zon verduistert, de aarde schudt, rotsen splijten, de graven worden geopend. Wanneer wij spreken over de eenheid van de heilsgeschiedenis, bedoelen we het feit, dat alle momenten uit deze geschiedenis gemaakt worden door dezelfde God.

Verbondsgeschiedenis
We zouden deze geschiedenis met goed recht ook verbondsgeschiedenis kunnen noemen. Hier zien we het accent van de weg van Zijn concrete omgang met mensen. Vanuit dit gezichtshoek ontdekken we een historie van geloof en ongeloof, liefde en gebrek, alsmede aspecten van aanvechting, verleiding, ondankbaarheid en eigenwijsheid. Maar God overwint al deze ellendige struikelblokken. Zien we heilsgeschiedenis als verbondsgeschiedenis dan worden we er voor bewaard de mens over het hoofd te zien. Het gaat in de heilsgeschiedenis niet om ‘naakte feiten’, maar om Gods handelen in Zijn omgang met mensen. De mens probeert het dienen van God te automatiseren in wetticisme of ritualisering.

Verkeerd gebruik van de term
Het begrip ‘heilsgeschiedenis’ kan tot een niets-zeggende term of tot een lege slogan verworden. Het woord zelf heeft op zich niets gereformeerds in zich. Ook buiten de gereformeerde wereld wordt dit woord gebruikt. We moeten het begrip dus goed definiëren om verwatering en oppervlakkigheid in het gebruik te voorkomen.
(1) Johannes Coccejus sprak veel over ‘verbond’ en ‘Koninkrijk van God’. Hij had veel gevoel voor het historisch karakter van het bijbelse verhaal. Hij had een heilshistorische inzet. Maar er vonden we allerlei ontsporingen bij hem plaats. Hij zag reële vergeving van zonden tijdens de oudtestamentische periode als onmogelijk en hing een chiliasme aan door zijn bezig-zijn met periodisering.
(2) De Romantiek van de 19e eeuw had grote liefde voor de geschiedenis. Men zag het als een organisch proces, dat krachtens een bepaalde autonomie zichzelf weet te ontplooien in de richting van zijn eigen bekroning. Er is sprake van een organisch voortgangsidee.
(3) De geschiedenis bezit een trinitarische dynamiek, waarin ook God Zich begeeft, zo dacht men ook in de 19e eeuw. Men sprak van de ‘lijdende’ god en de ‘gekruisigde’ god. Er vindt een ‘opheffing’ plaats van de gehele menselijke geschiedenis in (de geschiedenis van) God.
(4) Men projecteerde ook wel de geschiedenis in God. Men sprak dan van een ‘groeiende’ God. Dit zien we bij H. Berkhof.
(5) Men kan het woord ‘heilsgeschiedenis’ ook hanteren als principe van relativering. Openbaring wordt dan ‘tijdgebonden’. Een zonde als homoseksualiteit is dan ineens geen zonde meer.
(6) Men kan er ook zo mee omgaan dat het spreken van Gods welbehagen, Zijn eeuwige verkiezing en verwerping, onmogelijk wordt. Doet men dit wel, dan wordt men van ‘speculatie’ beschuldigd.
(7) Karl Barth moest aanvankelijk niets hebben van het begrip ‘heilsgeschiedenis’. Waar ‘openbaring’ plaats greep, kon geen ‘geschiedenis’ zijn, en omgekeerd. Later heeft hij het begrip met een zekere voorliefde gehanteerd. Maar voor hem betekende dat begrip dan: ‘Het heil geschiedt’, telkens opnieuw.
(8) Men kan de voortgang van de bijbelse geschiedenis beschouwen als een voortgaande onthulling van een systeem van waarheden. De heilsgeschiedenis komt zo in de greep van het rationalisme te liggen.
(9) De bevrijdingstheologie heeft het begrip ‘heilsgeschiedenis’ ook geannexeerd. Elk bevrijdingsmoment in de menselijke geschiedenis kreeg heilshistorische betekenis.

We boeken met het begrip ‘heilsgeschiedenis’ dus geen enkele winst. Alles hangt af van de grondslag waarop en het kader waarin men spreekt.

Hernieuwde belangstelling openbaringskarakter Oude Testament
In de 19e eeuw was de bijbelwetenschap even kritisch als dor. Vanaf ongeveer 1930 kwam er een opleving van de aandacht voor het openbaringskarakter van het Oude Testament. Dit heeft mede te maken met de toenemende invloed van Karl Barth. Hoe dan ook, men ging weer nadenken over het verband tussen Oude en Nieuwe Testament. Mannen als B. Holwerda en M.B. van ’t Veer gingen hierin mee, zij het op een gereformeerde manier. Daarvóór waren H. Bavinck en A. Kuyper ook al enthousiast geweest. Zulk omgaan met de Schrift kon immers een belangrijk wapen zijn tegen de ontkenning van de historiciteit van de bijbelse feiten, tegen de hantering van losse teksten ten dienste van de overgeleverde dogmatiek en tegen een ethische Schriftbeschouwing. Ook mannen als J. van Andel, G. Doekes, J.C. Sikkel en T. Hoekstra kunnen we in dit rijtje plaatsen.
Een vijftal punten kunnen we noemen als het gaat om de vernieuwde visie van deze gereformeerde dominees.
(1) Men zag dat in het oudtestamentische verhaal een voorwaartse drang te bespeuren valt.
(2) De vervulling van Gods beloften vertoont bepaalde dimensies, verdiepingen. Wanneer je denkt dat je er bent, ben je er toch niet. Iedere vervulling blijkt toch weer de grond voor een nieuwe verwachting te leggen.

Typologie
(3) Er kwam nieuwe aandacht voor de zaak van de typologie. Dit begrip wil de historie volstrekt serieus nemen. Hierin wordt gelet op analogieën en structuurovereenkomsten tussen vroeger en uit later tijd. G. von Rad was hier bekend om. Typologie gaat ervan uit, dat er een onomkeerbare voortgang van de tijd is. Het oude wordt in de toekomst herhaald en tegelijk overtroffen. De nieuwtestamentische uitlegger voegt geen waarde toe aan het oude verhaal, maar haalt de daarin opgeslagen waarde er uit. Er is eenheid vanwege het éne plan van God. We mogen dus niet volstaan, bij de verklaring van een oudtestamentisch verhaal, met het uitleggen van het verband met de tijd die aan de tekst voorafging of met het milieu, waarin het verhaal zich afspeelt. Wij moeten de verhalende teksten ook ‘naar voren toe’ verklaren – dat is naar de aard van de Bijbel zelf.

Vooruitgrijpen in de tijd
(4) L. Goppelt schreef het boek Typos, waarin hij dit woord behandelt. Hij ziet het als instrument én als resultaat. Je kunt het vertalen met ‘voorbeeld’. Dit woord kan ook dienen om aan te geven dat een gebeurtenis een beeld-vooraf is van een later gebeuren. Kortom: vroegere gebeurtenissen vertonen een zodanige structuur, dat wij daaruit de contouren van Gods latere, definitieve werk in de bedeling van de Heilige Geest kunnen ontdekken. Op die bedeling greep God vooruit. In het Nieuwe Testament wordt de zaak zelf op bepaalde plaatsen bedoeld, zonder dat daar het woordje ‘typos’ staat: Izak en Ismaël, Sara en Hagar, Jakob en Esau, Mozes en Farao (Rom. 9 en Gal. 4). Het typologische spreken van het Nieuwe Testament is voorbereid door de profetische eschatologie. Christus zegt van Zichzelf dat Hij de Meerdere is van Salomo, Jona en de tempel (Matth. 12).

Hoe het niet moet
(5) Er is dus een eerherstel voor de typologie tot stand gekomen. Typologie had vroeger een slechte naam: hiermee werd vaak op een onzindelijke en kitsch-achtige (niet geslaagde vergelijking, iets pretenderen wat niet werkelijk het geval is) manier met bijbelse gegevens omgesprongen. De drijvende bijl vertoonde dan de vorm van het kruis, de omhoog gehouden handen van Mozes de uitgestrekte armen van Christus aan het kruis, de vlucht van David als Jezus’ gaan door Gethsemané, het rode koord van Rachab symbool van het reddende bloed van Christus. Het moet nu duidelijk worden dat het type niet gezocht moet worden in het biografische detail of de uiterlijke, toevallige overeenkomst, maar in een totaal complex van feiten en gebeurtenissen, waarin God Zijn hand heeft en mensen een rol spelen. ‘Heilshistorisch preken’ is gegrond op het respect voor de wijde context van Gods handelen. De verhalen van het Oude Testament zijn perspectivisch betrokken op Christus en de kerk. ‘Heilshistorisch preken’ is gegrond op het respect voor de wijde context van Gods handelen.

De strijd in de Gereformeerde Kerken
K. Schilder
Omstreeks 1900 kwam er een zwaar accent op het voortschrijden, het zich steeds meer ontplooien, van de openbaring. Wellicht dat eigentijdse filosofie (organisme-idee, evolutiegeloof) op een bepaalde manier deze gedachtevorming heeft beïnvloed. De geschiedenis van het werk van God op aarde heeft Klaas Schilder grenzeloos geboeid. Hij wilde zijn gedachten in zijn eigen tijd ontwikkelen. Elf punten hierbij.
(1) Schilder verzet zich tegen de luidruchtige boodschap van de Pinksterbeweging. ‘Niet terug naar Pinksteren!’
(2) Schilder bindt de strijd aan tegen allerlei vormen van individualisme en verinnerlijking. Hij trof overal subjectivisme aan, vooral in zijn eigen Gereformeerde Kerken, erfgenamen van de Nadere Reformatie. Rond 1920 was er een duidelijke toeneming binnen zijn kerken van het ethisch subjectivisme. Schilder wilde niet gericht zijn op het individu, maar op de gemeente. Het is verkeerd om als volgt te redeneren: de commentaren houden zich (wetenschappelijk) bezig met de historische kritiek op de tekst en vervolgens mag de prediking zich bewegen op het vlak van de zedelijkheid en de persoonlijkheid.

Tegen het lieve Jezusbeeld
(3) Deze positiekeus tegen het ethische Christusbeeld wordt ook duidelijk in de beeldende kunst en de literatuur. De figuur van Jezus wordt schoon gemaakt. Men maakt van de Leeuw uit Juda’s stam een tam huisdiertje. Schilder heeft diep beseft en doorvoeld dat het kruis van Golgotha louter een ellendige, harde paal is geweest. Jezus was inderdaad de ‘bleke Galileeër’, zoals Nietzsche dat zei. Golgotha is op deze aarde de schroeiplek van de toorn van de Almachtige. Schilder heeft het kolossale drama van Gods toorn tegen de zonde doorvoeld. Bekend is Schilders werk Christus in Zijn lijden (1930).

Eenheid van de Schrift
(4) Schilder benadrukte de feitelijkheid van het heil in Christus. Hij waarschuwde tegen het onderling isoleren van de feiten, bijvoorbeeld door kerstromantiek of lijdensdramatiek.
(5) Schilder heeft – in oppositie op J.G. Geelkerken – sterke nadruk gelegd op het historisch karakter van paradijs en zondeval. We moeten ook leren nadenken over de aarde én de hemel. Want het eschaton zweeft niet boven de geschiedenis.
(6) Schilder heeft spoedig ontdekt dat de idee van de openbaringsgeschiedenis bij Barth geen schijn van kans maakte. De historiciteit van de heilsfeiten wordt daar een onmogelijk begrip.
(7) Schilder heeft met steeds sterker overtuiging de eenheid van de Schriften verdedigd. De diepste grond voor deze eenheid lag in de eenheid van Gods raadsplan.
(8) We mogen die eenheid niet negeren door geïsoleerde aandacht voor één van de vele kleine geschiedenissen, die ons door de Bijbel worden verteld. Het moet niet zo zijn dat de menselijke belevenis van Simson, David of Thomas in de prediking wordt uitgebeeld en de aandacht valt op allerlei nevenfiguren.

Diep ontzag voor Gods Woord
(9) Er is progressie in het werk en woord van God. ‘Een preek over een historische stof is dan alleen preek, als zij Gods werk van zelfopenbaring ter verlossing in Christus aanwijst, gelijk dat werk voortgeschreden is tot op dat bepaalde tijdsgewricht, waarin de tekst ons inleidt, en wanneer zij dat bepaalde punt van ontwikkeling van Gods werk in verband zet met heel de lijn van dit werk al de eeuwen, al de Schriften door’.
(10) Schilder heeft zijn gedachten over de heilshistorische prediking zeer duidelijk vanuit de prediking van Christus’ vernedering en verhoging ontwikkeld. Schilder had trouwens diep ontzag voor het Woord van God. Hij had sterke liefde voor de leer van de gereformeerde kerken, hij deed bepaald niet mee met de modieuze kritiek op het dogma van de kerk. Schilder is primair als de dankbare erfgenaam te zien.
(11) Schilder sloeg niet door tot een kruistocht tegen ‘het’ gevoel, ‘de’ ervaring of ‘de’ psychologie als zondanig. Wél eiste hij onverbiddelijk de voorrang en de zeggenschap op voor het openbaringswoord van God. Het diepe respect voor Gods werk en woord in Christus dreef hem tot zijn protest tegen het subjectivisme, de verinnerlijking, het individualisme en de persoonlijkheidscultus in de religie.

B. Holwerda
De strijd tegen subjectivisme en individualisme en de poging zich vrij te vechten van probleemstellingen die waren overgeleverd door de Nadere Reformatie en de kuyperiaanse dogmatiek was ook het doel van Holwerda. Hij publiceerde een referaat onder de titel De heilshistorie in de prediking. We komen bij Holwerda in een enigszins ander klimaat terecht. Bij hem vallen de exegetische analyse en de messcherpe definities op. Waar Schilder vooral de prediking van de Christus der Schriften als middelpunt van zijn denken had, zag Holwerda meer de samenhang en het onderscheid tussen het Oude en Nieuwe Testament als centrum. Holwerda is ook meer exegetisch gericht. Holwerda introduceerde termen die hij slechts als tijdelijk, voorlopig had gekozen. Dat zijn de woorden heilshistorische prediking contra exemplarische prediking.

Exemplarische prediking
Bij exemplarisch moeten we denken aan een zodanig gebruik van het bijbelse verhaal dat de historische plaats daarvan niet in rekening wordt gebracht. Het gaat dan om de voorbeelden (exempelen) die er voor ons zijn in dat verhaal. Het verhaal krijgt een illustratieve functie bij een bepaalde ‘waarheid’ op ethisch of dogmatisch vlak. De heilshistorische methode wil ernst maken met het feit, dat de Bijbel niet een bundel losse verhalen bevat. Het is ook weer niet de bedoeling de toepasselijkheid van de Schrift voor de gelovige van dit moment te loochenen of de voorbeeldfunctie van het bijbelse verhaal te ontkrachten. Holwerda wil protesteren tegen de forcerende, vervluchtigende, onzuivere en nivellerende parallellisering van vroeger en nu, zoals dat in de moralistische, dogmatische, allegorische en goedkoop-typologische prediking pleegt te gebeuren. Holwerda vindt niet dat de heilshistorie een dogma-illustrerende betekenis heeft, maar een dogmafunderende. Bijbelse verhalen mogen geen dienst doen als opstapje voor dogmatische uiteenzettingen.

M.B. van ’t Veer
Hij publiceerde een monografie over Elia (1939, Mijn God is Jahwe). Ook liet hij zijn inzichten zien in zijn opstel Christologische prediking over de historische stof van het Oude Testament. Van ’t Veer is diep beïnvloed door Schilder. Van ’t Veer brengt niet op de wijze van Holwerda het dogma in geding. Zijn aanval richt zich met name tegen de rol, die de psychologie blijkbaar in veel preken van zijn tijdgenoten speelde. Van ’t Veer stelde zich op het standpunt dat bijvoorbeeld de zielsgesteldheid van Elia evenveel en even weinig recht op homiletische behandeling heeft als zijn kleding en voedsel! Van ’t Veer heeft vooral gestreden tegen het subjectivisme dat via de Nadere Reformatie en de Afscheiding plus de verheerlijking van de psychologie in de eerste helft van de 20e eeuw de prediking in de Gereformeerde Kerken min of meer sterk beïnvloedde. Holwerda legde sterk accent op het gevaar van het objectivisme, zoals dat in de zogenaamde ‘dogmatische’ prediking naar voren kwam. Ook gaf hij een belangrijke bijdrage aan de zuivering van het overgeleverde taalgebruik.

Taxatie
Holwerda over exemplum
Op Howerda hebben we kritiek omdat hij het begrip ‘exemplum’ onvolledig beschreven, niet scherp bepaald en mede ten gevolge daarvan onjuist gehanteerd heeft. Exemplum komt van ex-imo, uitnemen. Dat kan zijn een proef, staal, bewijs, monster, voorbeeld, maar ook model, origineel, patroon en kopie. Als we kijken naar het woord ‘voorbeeld’ dan zien we dat de Nederlandse taal daar tal van betekenissen voor heeft. We kunnen de betekeniswaarde dus niet vastleggen op één onderdeel. Als Holwerda met ‘exemplarisch’ alleen maar het negatieve ziet, zit hij ernaast. De geschiedenis is bijvoorbeeld best wel exemplarisch. We moeten dus Holwerda’s keus voor dit woord als aanduiding van illustratief en atomistisch tekstgebruik betreuren.

Luther over exemplum
Luthers manier van preken was dermate persoonlijk bepaald, dat zijn naaste medewerker, Melanchthon, bij de theologische opleiding teruggreep op de bekende regels van de klassieke retorica. Luther maakte van het exemplum ruimschoots gebruik en greep ook corrigerend in op de hantering ervan. In zijn tijd speelden exempla een grote rol: verering van heiligen. Luther heeft zich op vaak felle wijze gekeerd tegen het allegorisch vergeestelijken van de geschiedenis. We moeten ons niet schamen voor het eenvoudige verhaal van God, we behoren ons door het verhaal te laten toespreken in eigen leven. We moeten niet alleen het feit kennen, maar ook het nut (usus) en de vrucht (fructus). Exempel is de naar ons toegekeerde en op ons gerichte kant van het feit-van-destijds. Het is moeilijk – zegt Luther – om zonder voorbeeld in God te geloven.

Ervaring
We moeten oog hebben voor het feit dat de taal van het exempel tot ons komt vanuit de ervaring van de mensen. De prediking is verplicht om niet alleen Gods Woord uit te leggen, maar ook in te gaan op de ervaring van de mensen met behulp van het ‘voorbeeld’-karakter van het bijbelse verhaal. Zo creëerde Luther ruimte om in de preek ook de aanvechting en de volharding van de gelovigen ter sprake te brengen. Het exempel dient om de toegang tot het hart van de gelovigen te vinden. Het doet ons ook leven in de echte gemeenschap van de heiligen. Het hangt er dus maar van af hoe de verbinding tussen hen en ons in de prediking tot stand gebracht wordt. Het verkeerde gebruik ervan verplicht ons niet tot eliminering, maar tot betere definiëring van het ‘voorbeeld’-karakter van de gebeurtenissen en de personen in het bijbelverhaal.

Sacramentum en exemplum
Luther aarzelt niet ook bij het historisch verhaal van Christus op de exemplarische functie van dat verhaal te wijzen. We moeten niet het verhaal van Christus transponeren in een veredelde heiligen-historie: tranen, vasten, kastijding, imitatie. Dit exemplarisme heeft de toorn van Luther opgeroepen. Luther paste op dit punt daarom een onderscheiding toe: het onderscheid tussen sacramentum en exemplum. Sacramentum wil aanduiden dat Christus effectief voor de gelovige is bezig geweest in Zijn lijden. Wanneer deze sacramentele kracht van Christus’ werk is veilig gesteld, kan zonder risico ook over de exemplarische kracht daarvan gesproken worden (de navolging van Christus). Hiermee heeft Luther de basis gelegd voor beëindiging van de middeleeuwse ‘compassio’-prediking ten gunste van de prediking van de borgtocht ter verzoening van de zonden. Exemplum vraagt om navolging.

Calvijn over exemplum
J. Douma toonde in de jaren 1940 aan dat de door Holwerda en anderen gediskwalificeerde ‘exemplarische’ prediking de normale preekwijze van Calvijn geweest is. Calvijn stond in de traditie die de geschiedenis opvatte als de ‘leermeesteres van het leven’. Douma pleitte daarom voor en-en, in plaats van het of-of van Holwerda, Van ’t Veer en Van Dijk. Laatstgenoemde nam zelfs expliciet op dit punt afscheid van Calvijn. Maar wil men Calvijn recht doen, dan moet men ook naar zijn tijd kijken. We kunnen hem niet vanuit ons perspectief beoordelen. Het woord ‘voorbeeld’ heeft dus een negatieve klank gekregen. Zodra Gods Woord iemand in vermanende zin na aan het hart werd gelegd, bleek de verleiding er te zijn om de kracht van de vermaning te breken door haar als ‘exemplarisch Schriftgebruik’ te kwalificeren. We moeten ons inzetten voor een herijking van het woord ‘exemplarisch’ en de negatieve bijklank zo mogelijk terugdringen.

Tegenstelling heilsorde en heilsgeschiedenis?
Ten aanzien van Hebr. 11 zien we een krampachtigheid. Het gaat over het thema ‘geloof’. Dat onderwerp wordt vanuit de historie geïllustreerd. Maar dit hoofdstuk bevat veel meer dan illustratie bij een betoog van ‘dogmatisch’ karakter. Hebr. 11 is bedoeld als verzameling van karakteristieke voorbeelden. Een ander bezwaar betreft het contrast dat Holwerda op een bepaald moment aanbrengt tussen de heilshistorie en heilsorde. ‘Heilsorde’ is een traditionele omschrijving van het geheel van het werk van de Heilige Geest in de kinderen van God. Heilsorde vormt geen tegenstelling van de heilsgeschiedenis. We zouden heilsorde zelfs persoonlijke heilsgeschiedenis kunnen noemen. Een heilsgeschiedenis in Christus laat zich niet denken zonder de heilsorde. Wie dat toch zou willen doen, maakt van de heilsgeschiedenis een abstractie. We moeten de Heilige Geest niet vergeten!

Misplaatst dilemma
De waarschuwing tegen het transporteren van de heilsgeschiedenis in een heilsordelijke categorie is volstrekt terecht. Alsof wij bijvoorbeeld allemaal óns Pniël moeten beleven. We moeten het verschil tussen heilsgeschiedenis en heilsorde scherp zien. Holwerda zegt dat in de heilsgeschiedenis ieder zijn plaats en functie heeft, terwijl de heilsorde ‘voor ieder eender is’. Maar hoe kan ieder een eigen plaats en functie hebben, wanneer er van een identieke heilsorde gesproken moet worden? In feite maakt Holwerda hier een ingrijpende vergissing, die zich slechts laat verklaren uit een merkwaardige opvatting van de heilsorde als tijdloos begrip uit een a-historische dogmatiek. Hij had beter moeten kijken naar het pleidooi van K. Schilder voor een heilsorde onder beslag van de heilsgeschiedenis. We hebben een heilshistorische behandeling van de heilsorde nodig. Holwerda vergelijkt Philo met gereformeerde predikanten uit de 17e en 18e eeuw, een onterechte vergelijking, want hoewel de Nadere Reformatie inderdaad de fout maakten van de verschuiving van heilsgeschiedenis naar heilsorde, verschoof Philo het heil zelf, in de richting van een Griekse deugdenleer en een gnostische hemelreis.

Overbelichting ‘voortgang’, onderbelichting ‘omgang’
De heilsgeschiedenis wordt versmalt tot het ene, steeds voortschrijdende werk van God in en naar Christus toe. Men mag niet vragen welke betekenis God in Christus heeft voor Abraham of Elia, want dan zou de christen in plaats van de Christus in het middelpunt komen te staan. Om deze ongewenste parallellie te vermijden moeten wij vragen naar de betekenis en taak van Abraham of Elia voor Gods ene, steeds verder voortschrijdende werk. Maar hierin heeft Holwerda ongelijk. De Bijbel spreekt namelijk ook over het spoor en de voetstappen van Abraham en Christus, het getuigenis en het waarschuwende voorbeeld. Als we Holwerda zouden volgen, mogen we in preken over Abraham of Elia uitsluitend vragen naar betekenis en taak van deze mannen voor het werk van God in Christus.

Over-reactie
Als Van ’t Veer zegt dat de ziel van Elia voor ons evenveel betekent als zijn mantel is dat onterecht. Want God gaat in de heilsgeschiedenis met mensen om. Er is een strijd van de ziel, soms aanvechtingen op hoop tegen hoop. Alles wat niet tot de specifieke scopus van de tekst behoort, behoeft daarom nog niet buiten de preek te blijven! Er is hier sprake van ‘over-reactie’. Het gevolg is dat men wel veel heeft nagedacht over het werk van God in Christus, maar weinig heeft gespeurd naar het werk van de Heilige Geest in de gebeurtenissen. De zielsbewegingen van bijvoorbeeld David in de psalmen zijn aangedreven door diezelfde God, die in Christus zijn wereld zoekt. We zien dus bij iemand als Van ’t Veer een openbaringshistorische versmalling van de heilsgeschiedenis. Het ging God wel degelijk óók en allereerst om Israël zelf. Een jongen sluit niet een verloving met een meisje om op die wijze het gemeentehuis te bereiken. Hij gaat op weg met zijn bruid naar het gemeentehuis om de gang in de verloving tot voltooiing te brengen. Op die weg zal niemand zeggen: het gaat om de vordering op de weg naar het stadhuis en niet om de bruid. We moeten hier van een beklemmend dilemma ons bevrijden. Anders dreigen we tot objectivisme en schematisme te vervallen en de mens zelf verdwijnt uit het beeld.

Het gevaar van schematisme
Het is onmogelijk om precies vast te stellen op welk ‘punt’ van de ‘lijn’ naar Christus een bepaald gebeuren zich afspeelt. Het is niet alleen niet mogelijk, maar het is in deze strikte zin ook niet nodig. We moeten niet een filosofie over een constante voortgang/vooruitgang van de geschiedenis in de richting van Christus ontwerpen. Het volk van God is allerminst constant. Gods volk moet het heil léren aanvaarden en daaruit léren leven. Dat is een moeizaam proces. Vaak is er helemaal geen voortgang te bespeuren. Een latere fase in de geschiedenis is daarom niet per definitie ‘rijker’ dan de voorgaande. Er zitten veel herhalingsoefeningen, strafexpedities, terugtrekkende bewegingen en menselijk falen in. De historia revelationis is niet een historia evolutionis. De idee van Schilder dat het sterfbed van Elisa – gelet op de voortgang van tijd – méér is dan de hemelvaart van Elia, is onzin.
De hantering van het begrip ‘dogma’ bij Holwerda is ook niet geheel juist. Zijn onderscheid tussen historie en dogma en ‘historische’ en ‘dogmatische’ teksten klopt niet. Er bestáán geen dogmatische teksten. Daarom moeten we het woord ‘dogma’ geheel terzijde laten in het kader van een betoog over de verschillende tekstgenres in de Bijbel.

Het werk van de Heilige Geest
We mogen met grote dankbaarheid de rijke erfenis van de in dit artikel genoemde gereformeerde predikanten tot ons nemen. Maar deze mannen zelf hebben al nadruk gelegd op het voorlopige karakter van hun terminologie. Ze deden pionierswerk. We mogen hun woorden en uitdrukkingen dus niet canoniseren. Dit zou geestelijke luiheid zijn, die in de gestalte van conservatieve stoerheid zichzelf gewichtig probeert te maken. Het ‘nog niet’ op de historische weg naar Christus krijgt veel meer accent dan het ‘reeds’ van de concrete omgang tussen God en Zijn volk, het werk van de Heilige Geest. Dit laatste moet meer nadruk krijgen. Men wist niet goed hoe de mens in de preek wél ter sprake moest komen. We moeten dit alles ook zien in kerkhistorische context, de meningsverschillen in de Gereformeerde Kerken. De strijd ging over subjectivisme, zelfonderzoek, verbond en doop. Dit was een confrontatie met grote delen van de erfenis van de Nadere Reformatie. Het kon dus niet als vrije kwestie besproken worden. De reactie tegen het ‘exemplarisme’ stond hierdoor bij voorbaat onder de bedreiging van het objectivisme.

Gepubliceerd in juni 2008

Advertenties