Het beeld der vad’ren

n.a.v. A.C. de Gooyer, Het beeld der vad’ren. Een documentaire over het leven van het protestants-christelijke volksdeel in de twintiger en dertiger jaren, Utrecht 1964

Wij gereformeerden
Er werd veel gewaarschuwd voor een christendom dat zich enkel opsluit in de binnenkamer. Christendom moet tot daden komen in het publieke leven. De termen ‘Wij Calvinisten’, ‘Wij Gereformeerden’, ‘Uit eigen kring’ en ‘Uit eigen partij’ waren niet van de lucht. Het klonk allemaal onbescheiden en pretentieus. Andersdenkenden werden erdoor geërgerd. J.J. Buskes zei ooit over de vergadercultuur onder de gereformeerden: ‘Zij vergaderen en zij vergaderen totdat ze tot hun vaderen vergaderd zijn’. Essentie van het neocalvinisme was: ‘De bevordering van de ere Gods op alle terreinen des levens.’ Een strijdlied van Isaac da Costa werd veel gezongen, het werd het volkslied van ‘de kleyne luyden’ genoemd: ‘Zij zullen het niet hebben’. Ds. A. Brummelkamp Jr. heeft voor de Bond van Jongelingsverenigingen op Gereformeerde grondslag een lied gemaakt waarin het couplet voorkomt ‘Ons wenkt het beeld er vad’ren’.

Zij zullen het niet hebben,
Ons oude Nederland!
Het bleef bij alle ellenden
Gods en der Vad’ren pand!
Zij zullen het niet hebben,
De goden van den tijd!
Niet om hun erf te wezen,
Heeft God het ons bevrijd!

Ons wenkt het beeld der vad’ren,
Dat kloek en vroom geslacht.
Met heldenmoed in de aderen,
Dat Spanje t’ onder bracht.
Wij willen ook zo wezen,
Hun zonen, niet ontaard.
Wij, heden, als voor dezen,
Den naam van Holland waard.

Wat wel en niet mag
Minstens tweemaal, vaak driemaal per dag werd in het gezin uit de Bijbel gelezen. Ook aan de woorden van de belijdenisgeschriften en de berijmde psalmen werden absolute waarden toegekend. De Statenvertaling was de vertaling der vaderen. Een zee vol theologische literatuur lag ter beschikking. Een hele opsomming van dingen die niet mochten is bijvoorbeeld: de evolutietheorie, het ontkennen van wonderen, geboorteregeling, de vredesbeweging, het socialisme, het lidmaatschap van de NCSV, speelkaarten (‘de duivels prentenboek’ of ‘poorten der hel’), dansen (‘dat een christenmens niet danste was zo vanzelfsprekend als tweemaal twee is vier’), een bezoek aan een bioscoop (‘Maar moet daarom de film absoluut uit den ban? Volstrekt niet. Zij kan wel terdege op Gode verheerlijkende wijze benut in den dienst van Gods koninkrijk, maar ook tot onderwijzing en tot veraangenaming des levens. Maar elke gave Gods is misbruikt door de wereld in den dienst der zonde en vooral van de film heeft satan gebruik gemaakt om zielen te vangen ten doode’) of schouwburg (dit waren alleen vraagstukken voor mensen uit de stad). ‘Ik verdij het’ was een halfvloek of bastaardwoord en als je dat zei kon je een tik op je vingers verwachten. De grote Kuyper overleed in de jaren 20. Er was nu ‘geen richter in Israël’ meer. Er stond geen monarch gereed. Maar nooit was er zoveel voorlichting, dagelijks, wekelijks, maandelijks. De zondagen, feestdagen, biddagen, dankdagen, bondsdagen, toogdagen, vormden een gesloten kringloop, waaruit iemand nauwelijks kon ontsnappen. Alles was geregeld. Na Kuypers dood was te lezen: ‘Want wel wordt de groote generaal afgelost, maar een gedisciplineerd leger, gepokt en gemazeld in de beginselen bleef achter.’

Amsterdam en Kampen
De dag begon met orgelspel op eigen harmonium. Bij gezelschapsspellen waren dobbelstenen nodig, maar professor Geesink had alle loten en dobbelen veroordeeld (‘Als christenen doen we daar niet aan mee, want hier is in wezen niet anders, dan het spelen met het lot, dat heilig is’). De bijbelkennis werd gescherpt door het opschrijven bijbelse namen met een A, daarna met een B, enzovoorts. ‘Wij zullen er eens met de dominee over praten’ en ‘Het is zondag vandaag’ waren veelgehoorde uitspraken. Aan de wijze van uitspreken van votum en groet, aan de wijze van preken kon een aandacht luisteraar uitmaken of de dominee in Kampen of in Amsterdam gestudeerd had. Kampen werd wel een ‘bolwerk’ genoemd, Amsterdam een ‘lolwerk’. De toneelopvoeringen die in Amsterdam stiekem plaatsvonden, zag je niet in Kampen. Een bloeiend instituut in die jaren was de Christelijke Oranjevereniging. De psalmregel: ‘En onze koning is van Israëls God gegeven’ scheen speciaal voor Nederland gedicht. In 1929 telde Amsterdam 75 scholen met de Bijbel en liggen de christelijke scholen als een netwerk over het hele land verspreid. Het beeld der vaderen omvat namen als Kuyper, de Savornin Lohman, De Visser, Heemskerk, Idenburg, Colijn, Gunning, Rutgers, Hoedemaker, De Hartog, Bavinck, Woltjer, Geesink, Sikkel.

Huwelijk en gezin
Het bedgordijn hoort toe te zijn (over seksuele zaken wordt in het gezin niet gesproken). Het natuurlijke einddoel der paring is en blijft bevruchting. Geen geknoei aan de fonteinen des levens. Het verlies van één ons zaad verzwakt het lichaam meer dan het verlies van veertig ons bloed. Grote, grote gevaren dreigen het fabrieksmeisje (ze hoort in het gezin, de drie k’s van Bismarck: kinderen, kerk en keuken). Onze dienstbode met ons aan dezelfde tafel? Wat komt er terecht van een fity-fifty huwelijk (waarin man en vrouw elk voor de helft van het gezinsinkomen zorgen)? Huwelijksadvertenties waren taboe, maar de bladen stonden altijd propvol advertenties waarin een ‘huishoudster’ gezocht werd. Die huishoudsters werden niet zelden ‘huisvrouw’. De grootste bedreiging voor een ingetogen en eerbare levenshouding van de vrouw vormde de mode. Wie het kortgeknipte haar uit principe afkeurt (en dat werd gedaan), nam er geen genogen mee dat de vrouw dit door een kap of muts verborg. Het was niet de gewoonte, ja het druiste tegen de zede in dat de vrouw rookte. De huiskamer was beschermd domein, totdat de televisie na de oorlog haar intrede zou doen.

Spel en ontspanning
De piano is subjectief, het orgel objectief. ‘Het orgel geeft eene stemming, welke door géén ander instrument kan worden geëvenaard. Terwijl het leven door den modernen tijd steeds gejaagder en afmattender wordt, brengt het rustige gedragen orgelspel de kalmte, waar wij zoozeer naar verlangen.’ Er werd veel gezongen in de huiskamers, christelijke en vaderlands liedjes. Hoewel in de kerk alleen psalmen, thuis zong men uit de bundel van Joh. de Heer. Ouders die hun kinderen naar de bioscoop laten gaan, plegen een zedelijke moord op hun kroost. Christendom is een heleboel, maar folklore is toch ook iets. Als de vader bij de gezelschapsspellen bemerkte dat een bepaalde spel de spelers gaat beheersen, dan moet hij dit spel op de ‘index’ brengen. Sjoelen was populair. ‘We hielden geen kermissen, we hielden bazars.’

Sport
Over de grote wedstrijdsport was men negatief. Zo schreef iemand over de wierlensport: ‘…Worden zielen vernietigd, de geesten vergiftigd, renners lichamelijk vernield, worden dwazen gehuldigd, worden zotten toegejuicht, wordt met geld gegooid voor een schouwspel van krankzinnigheid…en dat mag. O, vroede vaderen! O, volksopvoeding van de twintigste eeuw! O, tijden! O, zeden! Ons Nederland is op weg naar den afgrond. O, volk, niet dat ge geen brood hebt, maar dat ge spelen vraagt, dat is het droeve van uw lot.’ Er moesten sportverenigingen komen die verantwoord waren. De Christelijke Nederlandse Voetbal Bond werd opgericht. Met name gemengd korfbal was populair. Maar gemengd zwemmen kon niet. ‘De hooge zedelijke plaats van een volk gaat snel dalen, naarmate dat volk in de openbare zwembaden vertoeft met verwaarloozing van het onderscheid der sexen.’ Gymnastiek was er ook. Hun uitvoeringen werden met gebed geopend en met dankzegging gesloten.

Vrije tijdsbesteding
Hemelvaartsdag was het stiefkind onder de feestdagen, omdat dan altijd de Bondsdagen van de jongelingen werden gehouden. Paaseieren en Kersthazen waren niet geoorloofd. Sinterklaas had ook niets met de kerk te maken. ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ werd wel op het harmonium gespeeld. Maar een kerstboom, dat was voor velen op en top de wereld. Toneelspel was taboe, maar een historische samenspraak kon er mee door. De grote Kuyper zei over het toneel: ‘Daartoe zegene het de Heere onze God, die niet in “het doen spelen of zien spelen” van rollen een welbehagen heeft, maar daarin, dat we in het werkelijke leven wandelen zullen voor zijn aangezicht oprechtelijk.’ Het bijwonen van een uitvoering van de Matthäus passion van Bach werd in organen van de christelijke pers in de ban gedaan. Op reis gaan kon wel: ‘Schier ieder kan bewonderen de majesteit van de Schepping ook buiten de grenzen van onze vlakke velden aan de zee, zooals die in duizenderlei variaties is geopenbaard, en een indruk opgevangen van de Majesteit van den Schepper, die dit pronkjuweel schiep. Vooral de Christen moet dit genieten in aanschouwing en bewondering bekoren. Tal van lagere genoegens ontzegt hij zich terwille van de besmetting van de zonde.’

Christelijke lectuur
Één van de grote verdiensten van Kuyper is dat hij zijn ‘kleine luyden’ met hun gebrekkige lagere school-opleiding lezen heeft geleerd. Er zijn er geweest die De Standaard van Kuyper exemplaar voor exemplaar hebben bewaard, van 1872 af, tot de zolder kraakte. De Standaard en De Heraut waren eten en drinken van de kuyperianen. In 1903 werd De Rotterdammer opgericht, verder de Nieuwe Provinciale Groninger, het Friesch Dagblad en De Zeeuw, allemaal met een AR-signatuur. Als je artikelen uit deze kranten in de tijd van het interbellum leest, krijg je de indruk dat men leefde in verschrikkelijke, gedegenereerde, onzedelijke, goddeloze toestanden, die met het uur erger werden. De kerkelijke weekbladen (Heraut, Reformatie), de stichtelijke weekbladen (Pniël, Timotheus, De Vriend van Oud en Jong), de vrouwenbladen (Chr. Vrouwenleven, De Jonge Vrouw) en christelijke illustraties (De Spiegel, Schouwvenster, Stuwdam), de verenigings- en bondsorganen vormden met elkaar een keur aan leesvoer. Er was zelfs een christelijk tijdschrift voor de jeugd: ‘Vrij en Blij’.

De Vriend van Oud en Jong en romans
Al vroeg werden de kinderen voorgehouden wat de geschiedenis betekende en welk wijze lessen daaruit getrokken konden worden. Er stond eens een raadsel in één van de bladen: wat is het tegenovergestelde van theoloog? ‘Vader gaf de oplossing: atheïst, godloochenaar, vrijdenker, antichrist. In het volgend nummer stond de oplossing: theo sprak de waarheid. Kind teleurgesteld, vader boos’. De Vriend van Oud en Jong was een echt bevindelijk blad. Er was een jeugdrubriek getiteld: ‘Praatjes en vragen van den Bijbelcorporteur’. De lezers van de Vriend van Oud en Jong moesten niets van Kuyper en zijn ‘veronderstelde wedergeboorte’ hebben. Ze hielden het bij hun ‘oude schrijvers’ (Comrie, Smijtegelt, Brakel) en bij schrijvers van hun eigen tijd, die ‘bij de goede oude gereformeerde waarheid mochten komen te volharden’. Opvallend waren de vele romans die van christelijke zijde geschreven werden. ‘Een mooi verhaal vol spanning maar ook van zuiver-christelijke strekking.’ ‘Er komt een dominee in voor en men gaat naar de kerk.’ In 1933 verscheen er een boek getiteld ‘Het Derde Reveil’. Het eerste Reveil was dat van Da Costa en Groen van Prinsterer. Het tweede dat van Kuyper en De Savornin Lohman. ‘Het derde Reveil zijn wij.’

Radio
In 1924 werd de Nederlandsche Christelijke Radio Vereeniging opgericht. Onder gebruikmaking van de bijbeltekst: ‘Werp uw brood uit op het water en gij zult het vinden na vele dagen’, werden in de gereformeerde gezinnen collectebusjes neergezet voor de NCRV, naast die voor de uitbreiding van de medische faculteit van de VU. Al spoedig deed de vraag zich voor: mag men op zondag naar de radio luisteren? Er werd onder andere een programma uitgezonden met Joh. de Heer, die geestelijke liederen zong. Ook werden er kerkdiensten uitgezonden, waardoor de dominee niet meer kon zeggen: ‘Geliefde gemeente’, maar er van maakte: ‘Zeer gewenschte toehoorders’. De vrijzinnige VPRO kreeg ook één avond per week zendtijd, waarbij de NCRV haar gebouw moest afstaan. Dat gaf strijd. Sommigen vonden radio sowieso verkeerd. Echter, ‘van ongezond Conservatisme wil onze Bijbel niets weten. Goede Christenen zijn niet conservatief. Wij zijn menschen van dezen tijd.’ Echter, de radio brengt heel veel verkeerds in huis: ‘Er liggen weer Grote Gevaren, Geestelijke en Zedelijke. Er moet weer gestreden worden. Er ligt weer een moeilijke, doch veelszins schone taak.’

School met den Bijbel
Er werden ook enkele scholen opgericht door de Gereformeerde Gemeeenten. Wanneer deze daartoe niet in de gelegenheid waren, stuurden ze hun kinderen liever naar de Openbare School dan naar een Hervormde of Gereformeerd. Barth en Brunner vonden dat een christelijke school geen bestaansrecht had. Bijbelse geschiedenis was hoofdvak. ‘Spelenderwijs’ leerde je psalmen en gezangen, waarvan je er iedere week zeker één moest opzeggen. De vaderlandse geschiedenis was ook belangrijk, vooral de tijd van de Reformatie. De dood van Willem van Oranje werd met geuren en kleuren verteld, met zelfs een gedicht:

Droef weerklonk langs Maas en schelde,
Droef langs Rijn en IJsselboord,
Droef weerklonk de bange treurmâar:
‘Vader Willem is vermoord’.
‘Wie zal thans ons recht bezorgen?’
Vroeg de Landzaat, bleek van schrik.
Niemand was er die ’t kon zeggen,
Maar Oud-Neerlands God sprak: ‘IK!’

De Vrije Universiteit als parel
De parel aan de christelijke, aan de gereformeerde onderwijskroon was de Vrije Universiteit. ‘De kracht der Vrije Universiteit ligt in de trouw van het Gereformeerde volk.’ Er waren er veel die het hele rijtje hoogleraren konden opnoemen: Geesink, H.H. Kuyper, H. Bavinck, Van Gelderen, Grosheide, Aalders, Woltjer, Goslinga, Van Schelven, Fabius, Anema, Diepenhorst, Zevenbergen, Bouman, Buitendijk. Vier faculteiten herbergde de eigen universiteit: godgeleerdheid, letteren en wijsbegeerte, rechtsgeleerdheid en geneeskunde. Er waren toen ongeveer 200 studenten. Aan de VU gebeurden ook dingen die niet konden: er werd kaart en toneel gespeeld. Het was nog wel eens de oorzaak van een relletje die in de bladen uitgevochten werd.

Jeugd en jeugdbeweging
De knapenvereniging is bij uitstek geschikt om de gevaren die aan de knapenleeftijd kleven te ondervangen. ‘Padvinders? ’t Is om den mensch begonnen, en met goeie daden moet je bij mij niet aankomme’. In 1928 waren er zo’n kleine duizend jongelingsverenigingen met namen als Calvijn, Prediker 12:1a, Obadja, Soli Deo Gloria, Onderzoek de Schriften, Bilderdijk, Bavinck, Bogerman, De Pijlbundel, Geest en Woord, De jonge Josia, Klimop, Oefenschool voor het Godsrijk, Protestant, Zeg niet Ik ben jong, Ontwaakt, Zoar. Op de vergaderingen sprak men elkaar aan met vriend. Het was niet Jan, Piet en Klaas, maar vriend Jansen, vriend Pietersen en vriend Klaassen. Op de vergaderingen werden in de regel twee inleidingen gehouden: vóór de pauze over een bijbels onderwerp, na de pauze over een politiek of maatschappelijk onderwerp. De meisjesbond werd in 1918 opgericht en de beide dochters van Kuyper, H.S.S. en J.H. hebben daarin een belangrijke rol gespeeld.


K. Dijk

De kerkgang
‘Hoe vrolijk gaan de stammen op’ is een regel uit de berijmde psalm 68 en is een echte zondagspsalm. J. Waterink (links) waarschuwde tegen de zondagse visites: ‘Welk een ontzaglijke verantwoordelijkheid laden predikant en kerkeraad op zich, als zij tegen zulke dingen geen maatregelen nemen.’ De kerkgang was vanzelfsprekend, de trouwe kerkgang ook. Toch kwam het al snel voor dat de tweede dienst minder bezocht werd. En welk vervoersmiddel is geoorloofd? Het rijtuig en de fiets waren toegestaan als het om langere afstanden ging. Een hoogleraar van de VU schijnt eens met de schaatsen naar de kerk te zijn gegaan en daarover vermaand zijn, waarna hij verwees naar de psalmregels ‘Ik zal mij buigen op Uw eis naar Uw paleis’. Een ernstig probleem was of een predikant de tram mocht gebruiken. Met name in de kringen van de Gereformeerde Gemeenten was de auto op zondag ook verboden. Een luthers predikant betrapte echter ds. G.H. Kersten eens op de overtreding van zijn eigen gemaakte sabbatsgebod. Iemand schreef: ‘Bedenkingen tegen de autotochten des Heeren Kersten…’

Gezangen
Klaas Schilder schreef tegen de gewoonte dat de preken korter worden. ‘Laat de preek een wérkstuk blijven’, zo zegt hij. De generale synode van Middelburg in 1933 besloot een aantal gezangen aan de bestaande ‘Eenige Gezangen’ toe te voegen en in de kerken te laten zingen. Maar niet ieder was het daarmee eens. S. Greydanus laakte het besluit om mannen die tegen het zingen van gezangen zijn geen ambtsdrager te laten worden. ‘En zoo zijn onze Gereformeerde Kerken met dit besluit (…) helaas weer aangekomen bij wat vóór eene eeuw in de Hervormde Kerk aanleiding gaf tot de Afscheiding van 1834, n.l. bij menschelijk gebod om niet door Gods Woord voorgeschreven gezangen te zingen op straffe van bij nalating van dat zingen onwaardig en ongeschikt verklaard te worden om ambtsdrager in ’s Heeren gemeente te zijn. O, Ds. A. Brummelkamp! O, Ds. S. van Velzen!’


Een grote Gereformeerde Kerk

De dominee
Wie goed gereformeerd was in het interbellum, die liet zijn kinderen dopen op de eerste zondag na de geboorte. Men wachtte dus niet tot de moeder erbij kon zijn. ‘Het willekeurig uitstellen van den Heiligen Doop is begonnen omstreeks 1816 en is in strijd met onze kerkenordening en de practijk onzer vaderen.’ De zaak-Geelkerken in 1926 hield de gemoederen enorm bezig. Brochure na brochure werd geschreven. De slang sprak meer dan de Römerbrief van Karl Barth. Geen vrouw in het ambt, maar wel in het bestuur van de Vereeniging voor den medischen dienst der Gereformeerde kerken, zij het met de hamer in dienstbare mannenhand. De dominee was het onderwerp van veel gesprekken. Het volgende gedicht, getiteld: ‘Het wondere ambt’, laat dit zien:

Het waardige ambt van dominee
Valt ongetwijfeld lang niet mee
Wat dominee ook zegt of doet –
Hoe hij ook preekt, ’t is zelden goed.
Neemt hij al A voortdurend in
B doet hij vaak niet naar den zin.
Is hij wat levendig van aard,
Dan wordt hij als ‘nerveus’ verklaard,
Doch is hij rustig, nimmer boos,
Dan heet het: ‘Hij is levenloos!’
Indien zijn haar is peper-zout,
Dan vindt men dominee te oud.
Is hij een jong, dus jeugdig man,
‘Ervaring’, die ontbreekt hem dan.
Werpt hij van het oude iets omver,
Dan is hij revolutionair!
Heeft hij integen ’t oude lief,
Dan heeft hij geen ‘initiatief’.
Hij preekt ‘vervelend’, wanneer bleek,
Dat hij niet houdt uit het hoofd zijn preek.
Preekt hij uit het hoofd, als hij dan kan,
Dan is het een oppervlakkige man.
Maakt hij bij het preeken veel gebaar,
Dan is hij acteur zoowaar.
Doch houdt hij de armen strak aan ’t lijf,
Dan is hij droog en saai en stijf!
‘Hij schreeut’ zegt men, als hij preekt luid:
Is het zacht, ‘’t komt er eentonig uit!’
Is hij veel thuis, werkt aan zijn preek,
Geeft hij om huisbezoek geen steek.
Doch gaat hij dikwijls op bezoek,
Hij staat als ‘drijver’ dan te boek!
Bezoekt hij veel den armen man,
‘Een socialist’ noemt men hem dan!
Wendt tot den rijkdom hij zijn schreê,
Is hij een geldzak-dominee!
Men merkt dus wel: ’t valt lang niet mee,
Het wondere ambt van dominee!

Politiek
Ook politiek was men actief. Men zei het met Da Costa na: ’t Geheim van allen zegen – Oranje en Nêerland! Hoor ‘t! – Is in Gods vrees gelegen, Zijn dienst, Zijn gunst, Zijn woord! ‘Als het moet, als het moet, keeren wij den rooden vloed.’ H.S.S. Kuyper, dochter van Abraham, maakte een politiek leidraad voor jonge mensen. ‘De klove, die Rechts en Links scheidt is eeuwenoud, principieel, onoverbrugbaar’. Over het eerste, ‘eeuwenoud’, zegt ze: ‘Zij vindt haar oorsprong in ’t verzondigd Paradijs.’ Een kwestie was de vrouw in de politiek. ‘De roeping van de Christenvrouw wijst haar niet den weg naar het Parlement.’ De heer Schoonderbeek, hervormd godsdienstonderwijzer te Ermelo, lid van de SGP, zei: ‘Het is al een gruwel dat een Roomsche voorzitter is van de Tweede Kamer, en al de Roomschen, wel 30 procent van de bevolking, moet weg! ‘k Wil ze niet dood maken, neen, dat mag niet! Ze moeten gotenscheppers worden! Colijn (…), dat groote beest! De vaccinatie, dat groote beest, hebben we te danken aan de coalitie! Wie weet hoeveel kindertjes door het vaccineeren (…) regelrecht naar de hel zijn gegaan. Ook de sociale wetgeving is een groot beest!’ Op bededagen wordt er zooveel geld gecollecteerd, dat we die goddelooze sociale wetten niet noodig hebben.’

Vaderen en oudvaders
Er zijn vaderen en oudvaders. De verering van de oudvaders bloeit speciaal in de kringen van de Gereformeerde Bonders en Gereformeerde Gemeenten: Philpot, Smytegelt, Brakel, Ambrosius, Hugo Binning, Comrie en vele, vele anderen. Het jargon van de vereerders van deze oudvaders spraken de kuyperianen niet of niet meer en zij hadden ook een andere levens- en leerpraktijk. ‘Abraham Kuyper was groot en Colijn was zijn profeet’. Colijn was veel gejubeld, maar ook verguisd. Teneinde alle mensvergoding tegen te gaan, werd er bij alle lofuitingen steeds gezegd, dat het niet om de mens Kuyper ging, doch alleen om wat God ons in hem had geschonken. Dat was wel gemeend, maar er kwam niet veel van terecht. De verering zat te diep. De kleinste herinnering was welkom. Na de dood werd er gedicht:

Daar ligt de Christenheld, die moede, ontdaan van kracht,
Thans door een zachten dood door God is weggenomen.
Nu hij zijn grootsche taak zoo heerlijk heeft volbracht
Heeft God hem rust bereid in ’t Vaderhuis der vromen.

Gepubliceerd in juli 2007

Advertenties