Het edelste gewest

n.a.v. Henri van der Zee, Het edelste gewest. De geschiedenis van Nieuw-Nederland 1609-1674, Amsterdam 1982

Inleiding
Op 23 september 1626 vond de beste koop ooit plaats: een WIC-vertegenwoordiger had met een indiaan gesproken, en wat was het resultaat? ‘Hebben t’Eylant Manhattes van de wilden gekoght voor de waerde van 60 gulden’. De hoogmogende heren van de Staten Generaal waren hiervan niet erg onder de indruk. Wie was het die Manhatten (wier Twin Towers bijna vier eeuwen later op die elfde september wereldnieuws werden) kocht? Het was Peter Minuit.

Waarom
Er woonden al een tijdje Nederlanders in de Nieuwe Wereld, maar heel erg verspreid. De opdracht die Peter Minuit had meekregen was om hen op één plaats bijeen te brengen, ook met het oog op de veiligheid (indianen wilden nog wel eens een slachtpartij aanrichten). De bestuurders van de WIC, de Heren XIX, droegen hem ook op het eiland te kopen in de monding van de later zo genoemde rivier Hudson: Manhattan. Het koopje aller tijden. (Tussen haakjes: de rivier Hudson was vernoemd naar Henry Hudson, die in dienst van de VOC in 1609 een noordelijke route naar Oost-Indië moest zoeken; de VOC was niet blij met de resultaten.) Waarom dit stukje grond? Omdat het 35 vierkante kilometer metende eiland heel mooi was; diepe baaien en riviermondingen die als het waren als haven geschapen was. Ook dichte eikenbossen vol wild, de rijke groene weilanden en het klimaat waren pluspunten (je kunt het je nu niet meer voorstellen hoe eens dat duurste stukje grond ter wereld eruit moet hebben gezien!).

Twaalfjarig Bestand
De kooplieden van Amsterdam waren geïnteresseerd in de Nieuwe Wereld met haar schatten aan bont en hout, en waren nooit een voorstander geweest van een bestand met Spanje. Toen Van Oldenbarnevelt het slachtoffer werd van een religieus-politiek conflict, zagen maar weinig Amsterdamse regenten de bejaarde staatsman met spijt naar het schavot gaan. Niet alleen had de orthodoxie in het Nederlandse calvinisme gezegevierd, maar bovendien was het een overwinning voor de oorlogspartij in de Republiek. Van Oldenbarnevelt zag namelijk in de oprichting van de WIC een bedreiging voor de moeilijke relaties met Spanje. In 1623 was de WIC dan toch een feit.


Henry Hudson

Het begin
In 1623 vertrokken dertig Nederlandse gezinnen naar het Nieuwe Land, en hebben daar het ‘fort Oranje’ gebouwd. Eerst was er vriendschap met de indianen. De beverhandel verliep zeer goed. Dit was ook de belangrijkste reden daar naar toe te gaan. In 1625 kwam een tweede Compagnieschip en daar voer een Amsterdamse ingenieur mee, die plannen had voor een fort op Manhatten. Die plannen maakte hij ook waar, en Nieuw Amsterdam was geboren. De eerste plattegrond vormde een patroon dat in Manhattan nog steeds bestaat.. Wall Street bijvoorbeeld, het financiële centrum van Amerika, is gebouwd waar eens de Nieuw-Amsterdamse stadsmuur liep.

Overtocht
Koloniseren was niet aan de orde; dit zou handenvol geld kosten. Nee, snelle winst, dat wilden de Heren XIX. Iemand schreef: ‘Het mislukken van Nieuw-Nederland is in feite een getuigenis van de geslaagde organisatie van het leven in het oude Nederland’! De overtocht was heel bar en boos. De reizigers deelden hun vochtige en slecht geventileerde ruimte met kippen, varkens en schapen; bovendien waren ze vaak zeeziek. Ziekten en infecties kwamen voor, een begrafenis op zee was een normaal verschijnsel. Ook vijandelijke schepen en piraten vormden een bedreiging.

Godsdienst
Sinds 1624 was Bastiaen Jansz. Krol ‘sieckentrooster’ in Nieuw-Nederland (taak: zieken bezoeken en verzorgen, maar ook uit de Bijbel voorlezen). De eerste predikant was Johannes Michielse (of Michaëlius); hij kwam in 1628. Het was nu een stadje met 270 zielen. In 1632 kwam ds. Everardus Bogardus. Aan de Parelstraat verrees een kleine houten kerk. In 1642 kwam ds. Johannes Megapolensis. Jacob Steendam, een dichter, hield wel van zijn nieuwe stekje:

Nuw-Neerland, gy Edelste Gewest
Daer d’Opperheer (op’t heerlijkst) heeft gevest
De Volheyt van zijn gaven: alderbest

Zondige stad
Nieuw-Amsterdam telde al gauw zes brouwerijen. Op den duur kwam er ook een agrarische ontwikkeling; men ging een stuk grond bebouwen. De pelsjagers en zeelieden in Nieuw-Amsterdam waren een ruig en ongedisciplineerd stelletje voor wie drinken en vechten de meest geliefde vrijetijdsbesteding was. De stad het zelfs zijn prostituee, Griet Reyniers genaamd!

De Pelgrimvaders
De Nederlandse kolonie werd begrensd door Britse bezittingen: Virginia in et zuiden en Nieuw-Engeland in het noorden. Eerst waren de contacten schaars, maar op den duur begonnen de Engelsen het irritant te vinden dat de Nederlanders zich gevestigd hadden aan het land van hun majesteit (zo zagen ze het). De eerste moeilijkheden werden veroorzaakt door een groep Engelsen die veel aan de Nederlanden te danken hadden: De Pelgrimvaders! Wat was namelijk het geval? Ook voor hun was de bevervangst de belangrijkste bron van inkomsten. En de Nederlanders kwamen steeds dichterbij. Later legden ze contacten met elkaar, het initiatief ging uit van de Nederlanders. De gouverneur aldaar was William Bradford. Voor de puriteinen was het puur noodzakelijk om een goede handel te hebben, want ze moesten enorme schulden aan Londen betalen! Minuit nodigde Bradford ook uit, maar hij kwam niet.

Eerste diplomatieke missie
In 1627 vond de eerste diplomatieke missie in de Noord-Amerikaanse geschiedenis plaats: een Nederlander ging namens Nieuw-Amsterdam naar New-Plymouth. Hij was onder de indruk van wat de Pelgrimvaders allemaal bereikt hadden. Hij ontdekte ook dat ze niets van hun ‘religieuze fanatisme’ verloren hadden. Ze hadden daar strenge wetten tegen overspel en ze maakten duidelijk dat ze van de indianen hadden gehoord dat Nieuw-Amsterdam zo’n goddeloze en zondige stad was. De Nederlandse nederzetting werd dus omringt door de Engelsen. Voor de duidelijkheid: Virginia kreeg het recht van Londen om beneden de 39e breedtegraad een kolonie te stichten, Plymouth boven de 41e breedtegraad. Er ontstond dus een leemte tussen die twee gebieden, ongeveer honderd mijl. Daar vestigden de Nederlanders zich.


Manhattan 1932

Hartford en New Haven
De opvolger van Bradford was Edward Winslow. In 1630 kwam er een nieuwe puriteinse nederzetting, Massachusetts Bay genaamd; hier werd John Winthrop gouverneur. Zij sloten ook een mooi contract met de indianen en bouwden hun eerste stadje, Hartford, vlak bij het Huis van de Goede Hoop. Geluk voor Nederland was dat New Plymouth deze nieuwe nederzetting niet steunde, waardoor de plannen om het hele Nederlandse grondgebied op te slokken geen doorgang vonden. Er was dus ook strijd onderling tussen de Engelse kolonies.

Willem Kieft
In 1637 werd Willem Kieft de nieuwe gouverneur, als opvolger van Van Twillert. Hij schrok van de slechte toestand in de kolonie: de straten waren modderpaden waar varkens en geiten rondzwierven, de zonder enige orde bebouwde huizen waren vrijwel allemaal van hout en bedekt met stro en riet. Hoe kun je mensen uit Nederland overhalen hier naar toe te komen? En toch kwamen ze, en er ontstonden binnen een paar jaar meer dan honderd boerderijen.

De Sint-Nicolaaskerk
De Engelsen kwamen intussen dichterbij. In 1638 had een groep puriteinen onder leiding van Theophilus Eaton zich gevestigd honderd kilometer van Manhatten: New Haven. Een Fransman noemde Nieuw-Amsterdam een stad met ‘de arrogantie van Babel’! Er woonden talrijke nationaliteiten in deze stad; waarschijnlijk wel achttien. Er werd een kerk gebouwd, Sint-Nicolaas geheten: 34 meter lang, 17 meter breed en 6 meter hoog. Tegelijkertijd werd er een stadsherberg gebouwd. Kerkvoogd Jan Damen bracht de waard een steekwond toe, waaraan hij later overleed.

De indianen
Voordat de Nederlanders kwamen, hadden de indianen nog nooit een druppel alcohol geproefd. Maar dit werd, samen met het gebruik van vuurwapens, spoedig door ze overgenomen. De indianen werden door de Nederlanders ‘Swannekens’ genoemd. De Nederlanders leerden veel van hun: tabak, maïs (dat groeide bijna overal!) en kruidengeneeskunde! Een donkere bladzijde: de puriteinen hadden in 1637 de Pequot-stammen rond New London uitgemoord; de Nederlanders gingen eerst goed met de indianen om. Ds. Megapolensis merkte op dat de indiaanse mannen ’s zomers alleen ‘haer schamelheydt met een lap’ bedekten. Vrouwen laten het ‘hayr seer lang wassen, binden ’t soo aen malkanderen, ende laten ’t dan op de rugge hangen.’ De haardracht van de mannen was minder mooi: dit was ‘ghelijck een Hane-kamme’ (toen werd het al zo genoemd!). Ds. Megapolensis vond het wel wat te gortig dat de indianen hun gezichten zo verfden, zodat ‘siender dan uyt als de Duyvel zelfs’.

Geen god, recht en straf
De indianen leken niet geïnteresseerd in het geestelijk leven. Zij waren ervan overtuigd dat hun god het zo druk had met een mooie vrouw, dat hij geen tijd had voor de wereld. Zij wilden dan ook niets weten van de Nederlandse of Engelse God, die zij immers nooit hadden gezien. Bovendien begrepen ze niet waarom deze zo gevreesde God de blanken niet zwaar strafte wegens het feit dat er zoveel dieven en dronkaards onder de kolonisten waren! Bij de indianen bestond er geen recht of straf; toch gebeurden er niet een vierde deel van de ‘schelmerije ende doodslaghen onder haer als onder de Christenen’.

Geen huwelijk en kraambed
Het huwelijk kenden de indianen niet: ‘Sy leven begrijpelijck sonder Houwelijckse-Staet soo in ’t wilde heen, want hoewel datter zij die Vrouwen hebben, soo duert het niet langher alst haest een van beyden goetdunckt, ende dan loopense van malkanderen en elck neemt weder een ander’. Ondanks dit hielden de indianen enorm van hun kinderen; bij het baren viel het op dat de vrouwen hun kinderen zonder veel misbaar ter wereld brachten: ‘Sy gaen terstond na de geboorte wederom henen, ende soo kout en macht niet wesen, ofte sy wasschen haer en het jonge kind terstondt af inde rieveir ofte Sneeuw. Sy willen niet leggen (=liggen), want dan seggense datse terstondt sterven souden.’

Oorlogen
De Nederlanders gingen op weinig tactvolle wijze belasting eisen van de indianen. Hierdoor haalden ze de grimmigheid van de indianen over hun hoofd. Vanaf nu was het onrustig. Dit alles onder leiding van Willem Kieft, die gouverneur was. De Staten-Generaal had de kolonisten veel vrijheid gegeven, maar nu leidde het tot misbruiken. Er vindt een gruwelijke slachting plaats: Nederlandse soldaten hebben tachtig indianen met een verrassingsaanval gedood, als vergelding. In het verslag staat ‘datse soveel Wilde in haer Slaep omgebracht hadde, alwaerse de jonge Kinders sommige van haer Moeders borsten afruckten, in ’t gesichte van de Ouders aenstucken ghkapt, ende de Stucken in ’t Vyer en in ’t Water ghesmeten sijn, en andere Suygelingen op Houte-bortjes gebonden so door-houwen, door-steken, door-boort, en miserabelijck gemassakreert dat het een Steenen hert vermorwen soude.’ Vreselijk!

De kolonie een puinhoop
Zo ging het steeds over en weer. Let wel: de indianen overtroffen de Nederlanders misschien nog wel in gruwelijkheid. Dit alles kwam de economie natuurlijk niet ten goede. Ondertussen was de Nederlandse nederzetting in Brazilië ook gevallen; dit leidde tot een uittocht en in 1644 arriveerden 130 soldaten en 70 burgers in Nieuw-Amsterdam: een welkome aanvulling. Na vijf jaar bloedvergieten waren Kiefts oorlogen ten einde. Meer dan 1600 indianen waren gedood, terwijl het aantal kolonisten tot 250 was gedaald. De kolonie was een puinhoop en Nieuw-Amsterdam niet meer dan een gehucht.

Boston tot voorbeeld
Ondertussen kwam de Engelse kapitein John Underhill in de moeilijkheden. Hij was één van de leiders van de oorlog tegen de indianen, namens de Britten. Hij was in Boston tijdens een kerkdienst betrapt, te gluren naar een vrouw. Beschuldigd van overspeligheid werd hij voor de rechters gebracht, die hij vertelde dat hij inderdaad gekeken had, ‘maar niet met lust’. Dit betekende evenwel het einde aan zijn militaire carrière. Echter, de Nederlanders trokken hem aan en hij werd later schout van Flushing (=Vlissingen) op Long Island.


Zicht vanuit Central Park

Peter Stuyvesant
Kieft werd vervangen in 1647; zijn opvolger was Peter Stuyvesant, die eerste een functie had op Curaçao. Hij was een predikantszoon. Zijn rechterbeen had hij niet meer; die moest geamputeerd worden na een Spaanse kogel. Hij was geheelonthouder. Het jaar 1648 was voor de kolonisten niet gunstig; de Tachtigjarige Oorlog werd beëindigd en dat betekende geen piraten-activiteiten meer tegen de Spanjaarden en verlies van de slavenmarkt in Angola en verlies van de kolonie Brazilië.

Strenge maatregelen
Het aantal herbergiers was indrukwekkend; volgens ds. Backerus, die in één van zijn eerste brieven aan de classis in Amsterdam klaagde over de goddeloosheid van zijn gemeente, telde het stadje 17 kroegen en herbergen, ruimschoots voldoende om de mensen voortdurend onder de invloed te houden. Stuyvesant ging echter streng optreden: voortaan was het verboden om na negen uur ’s avonds nog alcohol te verkopen; ook werd belasting op wijn en andere alcoholische dranken ingevoerd. Ook werd de wapenhandel met de indianen verboden. Al was het verkoop van wapens aan de indianen vaak de enige mogelijkheid om de vrede met ze te bewaren. Dit alles leidde ertoe dat Stuyvesant in de ogen van de kolonisten geen goed meer kon doen; hij leek een gebrek aan tact en diplomatie te hebben. Ds. Backerus was de spreekbuis van de oppositie geworden en daarom ontslagen.

Nieuw-Engeland tot voorbeeld
In tegenstelling tot de keurige stadjes van Nieuw-Engeland, was Nieuw-Amsterdam op chaotische wijze gegroeid. Bovendien was Nieuw-Engeland ondanks de ongunstiger ligging en klimaat veel welvarender dan Nieuw-Nederland! Nieuw-Engeland kende haast geen belastingen en had zich redelijk onafhankelijk weten te maken van het moederland. Dit allemaal in tegenstelling tot Nieuw-Nederland. Nieuw-Nederland was geen partij meer voor de Engelsen. De snelgroeiende nederzettingen waren verenigd in een soort federatie met de naam Verenigde Koloniën, die 25.000 inwoners telde.

Operatie tijdens kerkdienst
Er was een Nederlands schip doorgevaren zonder belasting te betalen aan de Nederlanders, de Sint-Beninjo. Het lag nu voor anker in New Haven. Stuyvesant wilde ze wel eens een lesje leren. Hij had voor de operatie de juiste dag gekozen: een zondag. Terwijl de puriteinen van New Haven hun lange kerkdienst bijwoonden, zeilden ze ongemerkt de haven binnen. Zonder enige tegenstand te ontmoeten slaagden de soldaten erin aan boord van de Sint-Beninjo te gaan en toen er alarm werd geslagen en de kerkgangers naar buiten kwamen, was het schip al verdwenen.

Oorlogen tussen de Republiek en Engeland
De vele oorlogen tussen de Republiek en Engeland vond ook zijn weerslag in de koloniën, al werd daar natuurlijk niet tegen elkaar gevochten. Nieuw-Nederland werd zo wel belangrijker en kreeg dan ook in 1653 eigen burgemeesters en een raad van schepenen. Als een oorlog was afgelopen, en het bericht maanden later doordrong tot de koloniën, was het weer een bittere teleurstelling voor de Engelsen, die voorgoed van die lastige Nederlanders wilden afkomen. De Nederlanders waren echter verheugd van zo’n bericht, want ze waren heel kwetsbaar.

Slavenhandel
Intussen was de slavenhandel ook op gang gekomen; Nieuw-Nederland had er niet veel interesse in, maar verkocht de slaven meteen door naar Virginia. Het moederland stortte zich daarentegen met enthousiasme op deze winstgevende mensenhandel. De slaven vonden vooral gretig aftrek bij de Engelsen en Fransen, die al spoedig ontdekt hadden dat ‘het mogelijk was de Afrikaanse wilden de enige taak te leren die van hen werd verwacht: het verzorgen van de suiker- en tabaksplantages.’ De negers werden uit Afrika gehaald en spiernaakt in de schepen gestouwd!

Godsdienst
In een kolonie van pioniers als Nieuw-Nederland, waar het accent ligt op handel en snelle winsten, speelde het godsdienstige leven geen grote rol. De Compagnie deed wel haar plicht door een ziekentrooster te zenden. De eerste was (in 1623) Jan Huygens, daarna kwam Bastiaen Krol erbij (1626). De eerste predikant kwam in 1628 zijn naam was Johannes Michaëlius. Hij was een streng gereformeerde theoloog. Hij begon met het vormen van een kerkenraad met twee ouderlingen, te weten gouverneur Minuit en ziekentrooster Huygens, maar niet lang daarna lag hij overhoop met Minuit. Bovendien nam hij zijn gemeente tegen zich in door zijn voortdurende donderpreken. In 1633 werd zijn opvolger Everardus Bogardus. Hij was niet anders. Bij een schipbreuk kwam hij om het leven. De nieuwe predikant werd Johannes Cornelis Backerus. Maar hij kon niet zingen, ‘hebbende daerin een natuerlick gebreck’. Backerus was zo ontsteld over de toestanden in de Amerikaanse kolonie, dat hij al in zijn eerste brief aan de classis om hulp van een andere predikant vroeg, ‘die grootte vrijmoedicheyt durfde gebruycken int bestraffen van de sonden’. Ook hij werd naar Nederland teruggestuurd.

Joden
Opvolger was Johannes Megapolensis. Hij bemoeide zich nooit met de herhaalde botsingen tussen gouverneur en burgers! Hij beperkte zich tot zijn stichtelijke werk en deed zelfs moeite Indianen te bekeren. In 1652 kreeg hij assistentie van Samuel Drisius, de gemeente groeide namelijk. Al na twee jaar kwam er een derde bij: Johannes Theodorus Polhemius. Maar tegelijkertijd met deze predikant kwamen 23 Joden mee, en dat was niet zo’n welkome aanvulling. Niemand in de kolonie vertrouwde hen. Ze mochten geen publieke ambten vervullen of winkelier worden; ze mochten hun geloof alleen in gesloten huizen uitoefenen; buiten de stadsmuur hadden ze een begraafplaats. Afgezien van de Joden waren er, zo schreef ds. Megapolensis aan de classis, ‘Papisten, Mennoniten, Lutheranen onder de Duytschen, ende onder de Engelschen veele Puriteynen, independenten, veele atheisten; ende versceyden andere dwaalgeesten.’

Quakers
In 1657 kwam Robert Hodgson aan in Manhattan met de bedoeling de kolonisten te bekeren tot zijn sekte, de quakers. Hun scheepje bleef echter niet lang, maar wat wekte de verbazing? Er waren twee jonge vrouwen gebleven, en die gingen springend en dansend door de straten, iedereen die maar wilde luisteren, waarschuwend dat het einde van de wereld in zicht was. Hodgson vertrok naar Long Island, waar hij met succes zijn boodschap verspreidde. Hij werd daar echter gevangengenomen en naar Nieuw-Amsterdam gebracht, waar hij gegeseld werd in het openbaar en twee jaar dwangarbeid. Stuyvesants behandeling van de quakers lijkt hard, maar was in feite zachtaardig vergeleken bij die welke de sekte in Nieuw-Engeland ontving! De puriteinen in Massachusetts hadden in 1659 veertig quakers gegeseld, terwijl zij er vierenzestig in de gevangenis wierpen, één met een brandijzer bewerkten, bij drie de oren afsneden en vier ter dood brachten. In 1663 verbande Stuyvesant de leider van de quakers, John Browne, naar Amsterdam.

Luthersen
Johannes Goetwater arriveerde in 1657 in Nieuw-Amsterdam; hij was een lutherse predikant. Er waren namelijk veel lutheranen in de kolonie, die altijd naar de gereformeerde erediensten gingen. Maar er werd geen andere kerk toegestaan dan de gereformeerde, zo stond in de regels. De lutheranen waren niet de enige gediscrimineerde groep in de kolonie; een andere was die van de rooms-katholieken. De weinige katholieken in de kolonie moesten het dan ook zonder pastorale hulp stellen. Nieuw-Nederland bood meer ruimte aan de kolonisten dan Nederland, maar gaf hun zeker niet dezelfde vrijheid (want in Nederland konden de katholieken nog in schuilkerken samenkomen!). Maryland was trouwens de eerste katholieke kolonie in Amerika.


Wall Street 1867

Dagelijks leven
Moeilijkheden met de opdringende Engelsen en boze indianen maakten het leven in de kolonie moeilijk. Een Engelse bezoeker viel het op hoe typisch Nederlands de huizen in Nieuw-Amsterdam waren; ‘met de trapgevel aan de straatkant; de voordeur bevindt zich meestal in het midden van het huis met aan beide kanten van de deur een bankje, waarop de bewoners tijdens mooi weer bijna de hele dag doorbrengen’! Ook de straten hadden een schoonmaakbeurt gehad. Niet langer werden ze ontsierd door buiten-toiletten, dankzij een ordonnantie van 1658. Ook waren enkele straten nu geplaveid, maar de gracht was naar goed Nederlands gebruik onmiddellijk het vuilnisvat van de stad geworden! In 1656 werd een klein ziekenhuis geopend. Er kwam zelfs een postkantoor.

Een sobere man
Peter Stuyvesant waardeerde een goede preek en was, ondanks zijn onverzoenlijke houding tegenover Joden, lutheranen en quakers, geen starre dogmaticus. Ook was hij geen preuts man; niet alleen getuigde zijn taalgebruik daarvan, maar ook zijn houding tegenover verscheidene incidenten bewijzen dat hij vooral realist was. Hij had geen interesse voor de nieuwe pruikenmode, die Nieuw-Engeland al had bereikt. Hij kende een sobere levensstijl. Hij moet ook altijd tijd hebben gevonden om te lezen, want hij bleef trouw aan de gewoonte zijn brieven te doorweven met citaten uit de klassieken.

Stuyvesant populair
Hij was een goed leider van de kolonisten geworden, niet alleen tegen de indianen en de Engelsen, maar ook tegen de willekeur van de Compagnie. Na een moeilijk begin had hij dus het vertrouwen gewonnen. Het land en de stad waren in 1660 sterkt veranderd vergeleken bij dertien jaar tevoren. Toen een gehucht met 100 huizen, op een chaotische manier langs de modderige straten gebouwd. Nu een stad met 350 huizen, 1500 inwoners en een drukke haven. Er was in 1657 een Herengracht gegraven, waardoor kleinere boten tot in het centrum van de stad konden doorvaren; hiervan waren de Engelsen van onder de indruk.


Handel
Uit Nieuw-Engeland kwamen rund- en schaapsvlees, graan, vis, boter, ciderappelen, ijzer en teer. Uit Virginia kwam tabak, ossenhuiden, varkensvlees en fruit. In ruil daarvoor zonden de Nederlanders linnen, canvas, koper, specerijen, wijn, brandewijn en zout. De handel in beverbont was nog steeds de belangrijkste, maar ook de huiden van de otter en de muskusrat, hout en maïs waren winstgevende exportproducten. Er vond ook smokkelhandel plaats, want de accijns was tien procent. In 1659 werd het burgerrecht ingevoerd. Deze regeling had het grote voordeel dat zij concurrentie van ongewenste vreemdelingen uitsloot, aangezien allen burgers het recht hadden handel te drijven of een ambacht uit te oefenen. Het burgerrecht was dan ook een groot succes.

Moraal
Er waren prostituees in Nieuw-Amsterdam, ja, de stad kreeg de reputatie veel prostituees te hebben! Aan de andere kant was er het rokken-incident: Annetje Bogardus, weduwe van de verdronken predikant, had in het openbaar haar enkels getoond, toen ze door een modderpoel moest lopen; ze had namelijk haar rok ietwat opgelicht zodat deze niet vuil zou worden. Ze werd vrijgesproken.

Rechtshandhaving
De meeste gevallen waarmee de rechtbank zich moest bezighouden, betroffen vechtpartijen. Een ander probleem vormden de herbergiers die hun kroegen openden en sloten wanneer ze maar wilden. Stuyvesant maakte duidelijk dat er op zondag geen dranklokalen geopend mochten zijn tijdens de kerkdienst. Een belangrijk deel van zijn energie besteedde de gouverneur aan het handhaven van de zondag als Dag des Heeren. Zo werd het verboden te werken op zondag, te gokken, dronkenschap, dansen, kaartspelen en wedrennen. De Nederlandse kolonisten lieten zich echter niet zo gemakkelijk de wet voorschrijven als de puriteinen in Nieuw-Engeland.

Straffen
Ook ongehuwd samenwonen gaf problemen; men werd verplicht te trouwen, op straffe van een hoge boete. Wat overspel betreft: geseling en verbanning. Maar: een dergelijk vonnis werd, in tegenstelling tot Nieuw-Engeland, zelden uitgevoerd wanneer het om een vrouw ging. De behandeling van mannen was aanmerkelijk minder zachtaardig. Pieter, de beul van Nieuw-Amsterdam, een potige neger, was een expert in het geselen en ging met grote toewijding te werk, ondanks het feit dat hij vaak op zijn loon moest wachten. Het uitvoeren van een doodvonnis kwam ten tijde van Stuyvesant zelden voor. Hoewel de straffen streng klinken, was de houding van de Nederlandse autoriteiten een voorbeeld van tolerantie, vergeleken bij die van de buren. Niet alleen waren de vonnissen in Nieuw-Nederland veel milder, ook de behandeling van de gevangenen humaner.

Dun bevolkt
De kolonie was nog steeds te dun bevolkt. Aangezien Karel II inmiddels de Engelse troon had bestegen, waren er veel puriteinen die door hun steun aan Cromwell uit de gratie waren en nu een nieuw land zochten. De Staten-Generaal vroeg ze naar de Nederlandse kolonie te komen. De brochure tot promoting vermelde dat de inboorlingen ‘naturally a mild people’ waren, die erop zaten te wachten dat iemand hen bekeerde ‘to the saving light by Jesus Christ’. Die brochure was dus niet geheel waarheidsgetrouw!

Van de kaart geveegd
John Winthrop Jr., gouverneur van Connecticut, kwam een staatsbezoek brengen aan Nieuw-Nederland; de enige die een Engelse gouverneur ooit aan Nieuw-Nederland bracht. Hij had echter plannen Nieuw-Nederland als het ware op te slokken. Dit gebeurde ook: na een zeven maanden durende strijd om een octrooi die recht gaf op het grondgebied waar de Nederlanders waren gevestigd (concurrenten had hij van andere Engelsen), kwam Winthrop op 10 mei 1662 als overwinnaar uit de strijd: Nieuw-Nederland was in één klap van de kaart geveegd! Het gebied van Nieuw-Nederland was namelijk vanaf nu toegewezen aan Connecticut!


Een toekomstig beeld van New York City: de Freedom Tower op de plek van het op 11 september 2001 verwoeste World Trade Center, zie ook onder

Mennonieten
In 1662 vroegen mennonieten toestemming naar de kolonie te mogen emigereren; ze wilden zich dan vestigen aan de rivier de Delaware. Dit werd graag verleend want dit kon een mooie buffer tegen de opdringende Engelsen vormen. De kleine staat zou vrijdenkend moeten worden: predikanten werden niet toegelaten in de hoop daardoor veel ‘van ’t bijna oneindig knibbelen en krakeelen over derzelver uitleggingh’ van de Bijbel te voorkomen. Daartegenover stond dat ook rooms-katholieken, Joden, quakers en puriteinen niet geaccepteerd zouden worden.

Nederlandse plaatsnamen
De Nederlandse kolonie telde ook een aantal dichters, van wie er één Selijns heette. Bij zijn sterven in 1701 bestempelde ds. Cotton Mather uit Boston hem als ‘a David under the flocks of our Lord in the Wilderness’. Dorpen in Nieuw-Nederland waren: Breukelen, Amersfoort en Midwout. Engelse dorpen die kort tevoren nog Nederlanse namen hadden: Gravesend (eerst ’s Gravenzande), Flushing (eerst Vlissingen), Newtown (eerst Mespath) en Hempstead (eerst Heemstede).

John Scott
De indianen waren weer flink op dreef en zonnen nog steeds op wraak. Veel slachtoffers van beide kanten was wederom het gevolg. In oktober 1663 kwam John Scott naar Nieuw-Engeland, met de opdracht van de hertog van York om alles eraan te doen om Nieuw-Nederland te veroveren. Deze man werd heel geliefd op Long Island. Hij vertelde hun dat ze onafhankelijk moesten blijven van Connecticut en Nieuw-Engeland. Hij werd hier begin 1664 tot president gekozen, de eerste in Amerika. Het nieuws van Scotts activiteiten werd zowel in Nieuw-Amsterdam als in Hartford (Connecticut) met woede en ongeloof ontvangen. Zo ging Scott langs allemaal Engelse dorpjes op Nieuw-Nederland (die dus onder Nieuw-Nederland vielen) en liet de Engelse vlag daar hijsen en liet hun weten dat ze voortaan onderdanen van Karel II zouden zijn, die hun veel meer vrijheid zouden geven. Ze hoefden geen belasting meer te betalen aan Stuyvesant. Wél moesten ze naar Scott luisteren. De Nederlandse dorpjes werden voorlopig met rust gelaten.

Onvermurwbaar
Het verlies van Long Island betekende het einde voor Nieuw-Nederland, aangezien de Engelsen daarmee de toegang tot de zee-engte van Long Island in handen krijgen en zodoende Nieuw-Amsterdam dodelijk zouden omklemmen. Scott leek uitgespeeld toen hij gearresteerd werd door Connecticut. Maar hij wist uit de gevangenis te ontsnappen; zijn vrouw nam een lang touw mee de cel in, die ze onder haar mantel had verborgen. Ook al wees Stuyvesant de Engelsen erop dat de Nederlanders al veertig jaar op het eiland woonden, het maakte geen enkele indruk. Onvermurwbaar herhaalde Winthrop steeds weer: ‘It’s the kings land’.

Het einde
De hertog van York droomde van een eigen rijk in Amerika. Karel II gaf hem de mogelijkheid; op 29 februari 1664 gaf hij hem het beroemde ‘Duke’s Charter’, een patent dat de hertog niet alleen Long Island toewees, maar ook de rest van Nieuw-Nederland, New Haven en Connecticut. Stuyvesant stond machteloos en gaf zich over; de Nederlandse kolonie hield op te bestaan. Ruim 35 jaar nadat Henry Hudson Manhattan had ontdekt en 38 jaar nadat Peter Minuit het eiland van de indianen had gekocht, tekende directeur-generaal Peter Stuyvesant op maandagochtend 8 september 1664 de documenten die van Nieuw-Nederland Engels gebied maakten!

New York
De hertog van York had de stad inmiddels de naam New York gegeven. In Engeland werd het bericht van de overwinning met groot leedvermaak verspreid. Peter Stuyvesant trok zich terug op zijn boerderij; hij verlangde niet naar zijn moederland terug te keren; hij was hier 18 jaar geweest. Maar de Heren XIX zochten een zondebok en vonden die in de persoon van Stuyvesant. Hij werd in Amsterdam op het matje geroepen. Hierna ging Stuyvesant terug naar de Nieuwe Wereld, waar hij in februari 1672 stierf. Hij was 80 jaar oud. Bij zijn overlijden schreef ds. Selijns een gedicht:

Stuyft niet te seer in ’t sandt, want daer leyt Stuyvesant
Die eerst was ’t opperhoofd van gantsch Nieuw Nederlandt
En gaf met wil of geen het landt den vijand over
So naween en berouw treft iemants hert, zijn hert
Stierf duysentmaal, droog onlydelycke smart
In ’t eerste al te ryck, op ’t laatste al te pover

Nieuw-Oranje
Op een warme augustusdag in 1673 gebeurde er iets onverwachts: Nederlandse oorlogsschepen legden aan voor Staten Island. Dit was ten tijde van één van de oorlogen van tussen Republiek en Engeland. Men was enthousiast over de komst van de vloot, klaagde bitter over het strenge Engelse regime en drong erop aan de stad in bezit te nemen. Eerst was men alleen voornemens om te plunderen. Tegen deze overmacht konden ze niet op en New York werd weer Nederlands grondgebied! Nieuw-Oranje werd de nieuwe naam van New York. Ook de rest van het voormalig Nieuw-Nederland werd eenvoudig veroverd. De stad zag er nog steeds Nederlands uit en er waren nog steeds 5.000 Nederlandse burgers.

Toch weer New York
Het duurde maanden voordat men in Nederland door had wat er gebeurde. Nederland had Engeland bij de vredesonderhandelingen al aangeboden alle veroverde gebieden terug te geven; Nieuw-Nederland kwam nu daarbij ook op het lijstje te staan. En zo werd op 19 februari 1674 de Vrede van Westminster getekend, Nieuw-Oranje werd weer New York! Nederland zag er weinig in hierover problemen te gaan maken; het Engelse overwicht in de Nieuwe Wereld was gewoon te groot. In ruil hiervoor kreeg Nederland Suriname.

Tenslotte
Op deze bijna achteloze manier kwam er een einde aan de Nederlandse bijdrage aan de geschiedenis van Noord-Amerika. Zonder een teruglik verlieten de Nederlanders de vruchtbare vlakten, de eindeloze bossen, en de meest strategisch gelegen haven aan Amerika’s oostkust. Alles wijst erop dat zij er geen idee van hadden hoeveel de waarde bedroeg van dat wat zij de Engelsen overhandigden. Voor de Heren XIX was Nieuw-Nederland altijd een dure vergissing geweest; de regenten zagen het slechts als een vervelende politieke complicatie in hun toch al zo moeilijke relaties met Engeland en evenals Johan de Witt beschouwde zijn opvolger Caspar Fagel de kolonie alleen als een element in zijn onderhandelingen met de Engelse koning. Tot het bittere einde waren de Nederlanders blind voor het potentieel en het belang van hun Noord-Amerikaanse bezit. Het wisselen van de wacht in New York was het duidelijkste bewijs dat de macht van de Republiek aan het afnemen was, terwijl die van Engeland groeide. Nederlands Gouden Eeuw liep ten einde.


Gepubliceerd in februari 2006